Faillissementswet BES

Type Wet Bes
Publication 2010-10-10
State In force
Source BWB
artikelen 286
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
1.

De curator gaat zoo spoedig mogelijk over tot het opmaken van eene beschrijving van den faillieten boedel.

2.

De boedelbeschrijving kan ondershands worden opgemaakt en de waardeering door den curator geschieden, een en ander onder goedkeuring van den rechter-commissaris.

3.

De leden van de voorlopige commissie uit de schuldeischers zijn bevoegd bij de beschrijving tegenwoordig te zijn.

Artikel 90

Van de goederen, vermeld in artikel 18 eerste lid, onder 1e., wordt een staat aan de beschrijving gehecht; die, vermeld in artikel 87, worden in de beschrijving opgenomen.

Artikel 91

De curator gaat dadelijk na de beschrijving van den boedel over tot het opmaken van een staat, waaruit de aard en het bedrag van de baten en schulden des boedels, de namen en woonplaatsen der schuldeischers, alsmede het bedrag van de vorderingen van ieder hunner blijken.

Artikel 92

Door den curator gewaarmerkte afschriften van de boedelbeschrijving en van den staat, vermeld in het voorgaande artikel, worden ter kostelooze inzage van een ieder gelegd ter griffie van het gerecht in eerste aanleg in het openbaar lichaam waar het faillissement werd uitgesproken.

Artikel 93

De curator is bevoegd het bedrijf van den gefailleerde voort te zetten. Indien eene commissie uit de schuldeischers niet is benoemd, heeft hij daartoe de machtiging van den rechter-commissaris noodig.

Artikel 94
1.

De curator opent de aan den gefailleerde gerichte brieven, telegrammen en schriftelijk overgebrachte telefoonberichten. Die, welke niet op den boedel betrekking hebben, stelt hij terstond aan den gefailleerde ter hand. De administratiën der posterijen, der telefonen en der telegrafen zijn, na van den griffier ontvangen kennisgeving, verplicht, den curator de brieven, telegrammen en schriftelijk over te brengen telefoonberichten, voor den gefailleerde bestemd, af te geven, totdat de curator of de rechter-commissaris haar van die verplichting ontslaat of zij de kennisgeving ontvangen, bedoeld in artikel 12.

2.

Protesten, exploiten, verklaringen en termijnstellingen, betreffende de boedel, geschieden door en aan de curator.

Artikel 95

De curator is bevoegd naar omstandigheden eene door den rechter-commissaris vastgestelde som ter voorziening in het levensonderhoud van den gefailleerde en zijn huisgezin uit te keeren.

Artikel 96
1.

De curator is bevoegd goederen te vervreemden, indien en voor zoover de vervreemding noodzakelijk is ter bestrijding van de kosten van het faillissement, of de goederen niet dan met nadeel voor den boedel bewaard kunnen blijven.

2.

De bepaling van artikel 169 vierde lid, is toepasselijk.

Artikel 97
1.

De curator houdt alle gelden, kleinoodiën, effecten en andere papieren van waarde onder zijne onmiddellijke bewaring, tenzij de rechter-commissaris daarvoor een andere wijze van bewaring bepaalt.

2.

Gereede gelden, welke voor het beheer niet noodig zijn, belegt de curator ten name van den boedel op de wijze door den rechter-commissaris goedgekeurd.

Artikel 98

Over gelden, kleinoodiën, effecten en andere papieren van waarde, welke, volgens bepaling van den rechter-commissaris, door een derde worden bewaard, en over belegde gelden mag de curator niet anders beschikken dan door middel van door den rechter-commissaris voor gezien geteekende stukken.

Artikel 99

De curator is, na ingewonnen advies van de commissie uit de schuldeischers, zoo die er is, en onder goedkeuring van den rechter-commissaris, bevoegd vaststellingsovereenkomsten of schikkingen aan te gaan.

Artikel 100
1.

De gefailleerde is verplicht voor den rechter-commissaris, den curator of de commissie uit de schuldeischers te verschijnen en dezen alle inlichtingen te verschaffen, zoo dikwijls hij daartoe wordt opgeroepen.

2.

Bij faillissement van een in gemeenschap van goederen gehuwden echtgenoot rust de verplichting om inlichtingen te geven op ieder der echtgenooten voor zoover hij gehandeld heeft.

Artikel 101

Bij het faillissement van eene naamloze vennootschap, besloten vennootschap, wederkeerige verzekerings- of waarborgmaatschappij of eenige andere, rechtspersoonlijkheid bezittende vereeniging of stichting zijn de bepalingen van de artikelen 82 – 86 op de bestuurders, die van artikel 100 eerste lid, op bestuurders en commissarissen toepasselijk.

Artikel 102

De griffier is verplicht aan elken schuldeischer op diens verzoek en op diens kosten afschrift te geven van de stukken, welke ingevolge eenige bepaling van dit besluit ter griffie worden nedergelegd of zich aldaar bevinden.

afdeeling Vijfde. Van de verificatie van de schuldvorderingen

Artikel 103
1.

De rechter-commissaris bepaalt uiterlijk binnen veertien dagen nadat het vonnis van faillietverklaring in kracht van gewijsde is gegaan:

  • 1°. den dag, waarop uiterlijk de schuldvorderingen ingediend moeten worden;
  • 2°. dag, uur en plaats, waarop de verificatie-vergadering zal gehouden worden.
2.

Tusschen de dagen, onder 1e. en 2e. vermeld, moeten ten minste veertien dagen verloopen.

Artikel 104

De curator geeft van deze beschikkingen onmiddellijk aan alle bekende schuldeischers bij brieven kennis, en doet daarvan aankondiging in het nieuwsblad, bedoeld in artikel 11.

Artikel 105
1.

De indiening van de schuldvorderingen geschiedt bij den curator door de overlegging van eene rekening of andere schriftelijke verklaring, aangevende den aard en het bedrag van de vordering, vergezeld van de bewijsstukken of een afschrift daarvan, en van opgave, of op voorrecht, pand, hypotheek of retentierecht aanspraak wordt gemaakt.

2.

De schuldeischers zijn bevoegd van den curator een ontvangbewijs te vorderen.

Artikel 106

De curator toetst de ingezonden rekeningen aan de administratie en opgaven van den gefailleerde, treedt, als hij tegen de toelating van eene vordering bezwaar heeft, met den schuldeischer in overleg, en is bevoegd van dezen overlegging van ontbrekende stukken alsook inzage van zijne administratie en van de oorspronkelijke bewijsstukken te vorderen.

Artikel 107

De curator brengt de vorderingen, welke hij goedkeurt, op eene lijst van voorloopig erkende schuldvorderingen, en de vorderingen, welke hij betwist op eene afzonderlijke lijst, vermeldende de gronden van betwisting.

Artikel 108
1.

In de lijsten, bedoeld in het vorige artikel, wordt elke vordering omschreven en daarbij aangegeven, of zij naar de meening van den curator bevoorrecht of door pand of hypotheek gedekt is, dan wel of ter zake van de vordering retentierecht kan worden uitgeoefend.

2.

Betwist de curator alleen den voorrang of het retentierecht, zoo wordt de vordering op de lijst der voorloopig erkende schuldvorderingen gebracht met aanteekening van deze betwisting en de gronden daarvan.

Artikel 109

Van ieder der lijsten, in artikel 107 bedoeld, legt de curator een afschrift neder ter griffie van het in artikel 92 aangewezen gerecht in eersten aanleg, om aldaar gedurende de zeven aan de verificatievergadering voorafgaande dagen kosteloos ter inzage te liggen voor een ieder.

Artikel 110

Van de krachtens artikel 109 gedane nederlegging der lijsten geeft de curator aan alle bekende schuldeischers schriftelijk bericht, waarbij hij eene nadere oproeping tot de verificatievergadering voegt en tevens vermeldt, of de gefailleerde een ontwerp-akkoord ter griffie heeft nedergelegd.

Artikel 111

De gefailleerde woont de verificatie-vergadering in persoon bij, ten einde aldaar alle inlichtingen over de oorzaken van het faillissement en den staat van den boedel te geven, welke de rechter-commissaris van hem vraagt. De schuldeischers zijn bevoegd om den rechter-commissaris te verzoeken omtrent bepaalde door hen op te geven punten inlichtingen aan den gefailleerde te vragen. De vragen aan den gefailleerde gesteld en de door hem gegeven antwoorden worden in het proces-verbaal opgeteekend.

Artikel 112

Bij het faillissement van eene naamlooze vennootschap, besloten vennootschap, wederkeerige verzekerings- of waarborg-maatschappij of eenige andere, rechtspersoonlijkheid bezittende, vereeniging of stichting, rust op de bestuurders de verplichting, in het vorige artikel den gefailleerde opgelegd.

Artikel 113

De schuldeischers mogen ter vergadering verschijnen in persoon of bij gemachtigde. De schriftelijke volmacht is vrij van zegel en van de formaliteit van registratie.

Artikel 114
1.

Op de vergadering leest de rechter-commissaris de lijst van de voorloopig erkende en die van de door den curator betwiste schuldvorderingen voor. Ieder van de op de lijsten voorkomende schuldeischers is bevoegd, den curator omtrent elke vordering en haar plaatsing op een van de lijsten inlichtingen te vragen of wel hare juistheid, den beweerden voorrang of het beweerde retentierecht te betwisten, of te verklaren, dat hij zich bij de betwisting van den curator aansluit.

2.

De curator is bevoegd op de door hem gedane voorloopige erkenning of betwisting terug te komen, of wel te vorderen, dat de schuldeischer de deugdelijkheid van zijne noch door den curator, noch door een der schuldeischers betwiste schuldvordering onder eede bevestige; indien de oorspronkelijke schuldeischer overleden is, moeten zijne rechthebbenden onder eede verklaren, dat zij te goeder trouw gelooven dat de schuld bestaat en onvoldaan is.

3.

Bestaat er behoefte aan verdaging van de vergadering, dan wordt deze binnen acht dagen, op het door den rechter-commissaris aangewezen tijdstip, zonder nadere oproeping, voortgezet.

Artikel 115
1.

De eed, bedoeld in het tweede lid van het vorige artikel, wordt in persoon of door een daartoe bijzonder gevolmachtigde afgelegd in handen van den rechter-commissaris, hetzij onmiddellijk op de vergadering, hetzij op een lateren door den rechter-commissaris daartoe bepaalden dag. De volmacht mag ondershands worden verleend.

2.

Indien de schuldeischer, aan wien de eed is opgedragen, niet ter vergadering aanwezig is, geeft de griffier hem onmiddellijk kennis van de eedsopdracht en van den voor de eedsaflegging bepaalden dag.

3.

De rechter-commissaris geeft den schuldeischer eene verklaring van de eedsaflegging, tenzij de eed wordt afgelegd in eene vergadering van schuldeischers, in welk geval van de aflegging aanteekening wordt gehouden in het proces-verbaal van die vergadering.

Artikel 116
1.

De vorderingen, welke niet betwist worden, worden overgebracht op eene in het proces-verbaal opgenomen lijst van erkende schuldeischers. Op het papier aan order en aan toonder teekent de curator de erkenning aan.

2.

De schuldvorderingen, van welke de curator de beëediging heeft gevorderd, worden voorwaardelijk toegelaten, totdat door het al of niet afleggen van den eed op den bij het eerste lid van artikel 115 bedoelden tijd over hare toelating definitief zal zijn beslist.

3.

Het proces-verbaal van de vergadering wordt onderteekend door den rechter-commissaris en den griffier.

4.

De in het proces-verbaal van de vergadering opgeteekende erkenning van eene vordering heeft in het faillissement kracht van gewijsde zaak. Alleen op grond van bedrog is de curator bevoegd, daarvan vernietiging te vorderen.

Artikel 117
1.

De rechter-commissaris verwijst, in geval van betwisting, de partijen, zoo hij ze niet kan vereenigen en voor zoover het geschil niet reeds aanhangig is, naar eene door hem bepaalde terechtzitting van den rechter in eersten aanleg zonder dat daartoe eene oproeping wordt vereischt.

2.

Verschijnt de schuldeischer, die de verificatie vraagt, op de bepaalde terechtzitting niet, dan wordt hij geacht zijne aanvrage te hebben ingetrokken; verschijnt hij, die de betwisting doet, niet, dan wordt hij geacht de betwisting te laten varen en erkent de rechter in eersten aanleg de vordering.

3.

Schuldeischers, die ter verificatie-vergadering eene betwisting niet hebben gedaan, kunnen zich in het geding niet voegen noch tusschen komen.

4.

Van de uitspraak is hooger beroep op het Hof van Justitie toegelaten.

5.

Het geding in hooger beroep wordt alleen gevoerd tusschen hen, die in eersten aanleg partijen zijn geweest.

Artikel 118
1.

Wanneer de curator de betwisting heeft gedaan, wordt de loop van het rechtsgeding van rechtswege geschorst door het in kracht van gewijsde gaan van de homologatie van een akkoord in het faillissement, tenzij de stukken van het geding reeds tot het geven van eene beslissing aan den rechter zijn overgelegd, in welk geval de vordering, indien zij wordt erkend, geacht wordt in het faillissement erkend te zijn, terwijl ten aanzien van de beslissing omtrent de kosten van het geding de schuldenaar in de plaats treedt van den curator.

2.

De schuldenaar kan bij exploit verklaren, dat hij het rechtsgeding overneemt achtervolgens de laatste gedingstukken in plaats van den curator.

3.

Zoolang dit niet is geschied, heeft de wederpartij het recht den schuldenaar tot de overneming te dagvaarden.

4.

Verschijnt de schuldenaar niet, dan is artikel 189 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES van toepassing.

5.

Wanneer de betwisting is gedaan door een medeschuldeischer, kan het geding, nadat de homologatie van een akkoord in het faillissement in kracht van gewijsde is gegaan, door partijen worden voortgezet uitsluitend ten einde den rechter te doen beslissen over de proceskosten.

Artikel 119

De schuldeischer, wiens vordering betwist wordt, is tot staving daarvan niet tot nader of meer bewijs gehouden, dan hij tegen den gefailleerde zelf zou moeten leveren.

Artikel 120
1.

Indien de schuldeischer, wiens vordering betwist wordt, niet ter vergadering aanwezig is, geeft de griffier hem onmiddellijk kennis van de gedane betwisting en verwijzing.

2.

De schuldeischer mag zich in het geding op het ontbreken van die kennisgeving niet beroepen.

Artikel 121

De rechter-commissaris is bevoegd om vorderingen, welke betwist worden, voorwaardelijk toe te laten tot een door hem bepaald bedrag. Wanneer de voorrang betwist wordt, is de rechter-commissaris bevoegd dezen voorwaardelijk te erkennen.

Artikel 122
1.

Ook de gefailleerde is bevoegd om zich, onder summiere opgaaf van zijne gronden, tegen de toelating van eene vordering, hetzij voor het geheel, hetzij voor een gedeelte, of tegen de erkenning van den beweerden voorrang, te verzetten. In dit geval geschiedt in het proces-verbaal aanteekening van de betwisting en van hare gronden, zonder verwijzing van de partijen naar eene terechtzitting van het gerecht in eersten aanleg en zonder dat daardoor de erkenning van de vordering in het faillissement wordt verhinderd.

2.

Betwisting, waarvoor gronden niet worden opgegeven, of welke niet de geheele vordering omvat en toch niet uitdrukkelijk aanwijst, welk deel wordt erkend en welk deel betwist, wordt niet als betwisting aangemerkt.

Artikel 123
1.

Vorderingen, na afloop van den in artikel 103, onder 1e., genoemden termijn, doch uiterlijk twee dagen vóór den dag, waarop de verificatie-vergadering zal worden gehouden, bij den curator ingediend, worden op daartoe ter vergadering gedaan verzoek geverifieerd, indien noch de curator noch een der aanwezige schuldeischers daartegen bezwaar maakt.

2.

Daarna ingediende vorderingen worden niet geverifieerd.

3.

De bepalingen van het eerste en het tweede lid zijn niet toepasselijk, indien de schuldeischer niet in Bonaire, Sint Eustatius of Saba woont en daardoor verhinderd was zich eerder aan te melden.

4.

In geval van bezwaar, als in het eerste lid bedoeld of van geschil over het al dan niet aanwezig zijn van verhindering, als in het derde lid bedoeld, beslist de rechter-commissaris, na de vergadering te hebben geraadpleegd.

Artikel 124

Interesten na de faillietverklaring loopende, mogen niet geverifieerd worden, tenzij door pand of hypotheek gedekt. In dit geval worden zij pro memorie geverifieerd. Voor zooverre de interesten op de opbrengst van het onderpand niet batig gerangschikt worden, kan de schuldeischer uit deze verificatie rechten niet ontleenen.

Artikel 125
1.

Eene vordering onder eene ontbindende voorwaarde wordt voor het geheele bedrag geverifieerd,onverminderd de werking van de voorwaarde, wanneer zij vervuld wordt.

2.

Eene vordering onder eene opschortende voorwaarde kan geverifieerd worden voor hare waarde op het oogenblik der faillietverklaring. Indien de curator en de rechter-commissaris het niet eens kunnen worden over deze wijze van verificatie, wordt zoodanige vordering voor het volle bedrag voorwaardelijk toegelaten.

Artikel 126
1.

Eene vordering, waarvan het tijdstip der opeischbaarheid onzeker is, of welke recht geeft op periodieke uitkeeringen, wordt geverifieerd voor hare waarde op den dag der faillietverklaring.

2.

Alle schuldvorderingen, vervallende binnen één jaar na den dag, waarop het faillissement is aangevangen, worden behandeld, alsof zij op dat tijdstip opeischbaar waren. Alle later dan één jaar daarna vervallende schuldvorderingen worden geverifieerd voor de waarde, welke zij hebben na verloop van een jaar sedert den aanvang van het faillissement.

3.

Bij de berekening wordt uitsluitend gelet op het tijdstip en de wijze van aflossing, het kansgenot, waar dit bestaat, en, indien de vordering rentedragend is, op den bedongen rentevoet.

Artikel 127
1.

Schuldeisers wier vorderingen door pand, hypotheek of retentierecht gedekt of op een bepaald voorwerp bevoorrecht zijn, maar die kunnen aantonen dat een deel hunner vordering vermoedelijk niet batig gerangschikt zal kunnen worden op de opbrengst der verbonden goederen, kunnen verlangen dat hun voor dat deel de rechten van concurrente schuldeisers worden toegekend met behoud van hun recht van voorrang.

2.

Het bedrag waarvoor pand- en hypotheekhouders batig gerangschikt kunnen worden, wordt bepaald met inachtneming van artikel 483e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES, met dien verstande dat voor het tijdstip van het opmaken van de staat in de plaats treedt de aanvang van de dag waarop de faillietverklaring werd uitgesproken.

Artikel 128

Vorderingen, waarvan de waarde onbepaald, onzeker, niet in in Bonaire, Sint Eustatius of Saba wettig gangbare munt of in het geheel niet in geld is uitgedrukt, worden geverifieerd voor hunnen geschatte waarde in in Bonaire, Sint Eustatius of Saba wettig gangbare munt.

Artikel 129

Schuldvorderingen aan toonder mogen ten name van «toonder» geverifieerd worden. Iedere ten name van «toonder» geverifieerde vordering wordt als de vordering van een afzonderlijk schuldeischer beschouwd.

Artikel 130

[vervallen]

Artikel 131
1.

Indien van hoofdelijke schuldenaren één of meer in staat van faillissement verkeeren, kan de schuldeischer in het faillissement van dien schuldenaar, onderscheidenlijk in het faillissement van ieder van die schuldenaren opkomen voor en betaling ontvangen over het geheele bedrag, hem ten tijde van de faillietverklaring nog verschuldigd, totdat zijne vordering ten volle zal zijn gekweten.

2.

Een hoofdelijke schuldenaar kan, zo nodig voorwaardelijk, worden toegelaten voor de bedragen waarvoor hij op de gefailleerde krachtens hun onderlinge rechtsverhouding als hoofdelijke medeschuldenaren een vordering heeft verkregen of zal verkrijgen. De toelating geschiedt echter slechts:

  • a. voor zover de schuldeiser daarvoor zelf niet kan opkomen of, hoewel hij zulks kan, niet opkomt;
  • b. voor het geval de schuldeiser gedurende het faillissement voor het gehele bedrag waarvoor hij is opgekomen, wordt voldaan;
  • c. voor zover om een andere reden de toelating geen voor de concurrente schuldeisers nadelige invloed heeft op de aan hen uit te keren percenten.
Artikel 132
1.

Na afloop van de verificatie brengt de curator verslag uit over den stand van den boedel en geeft daaromtrent alle door de schuldeischers verlangde inlichtingen. Het verslag wordt, met het proces-verbaal van de verificatie-vergadering, na afloop van de vergadering ter griffie nedergelegd ter kostelooze inzage van iedere belanghebbende.

2.

Zoowel de curator, als de schuldeischers en de gefailleerde mogen na de nederlegging van het proces-verbaal aan den rechter in eersten aanleg verbetering daarvan verzoeken, indien uit de stukken zelve blijkt dat in het proces-verbaal eene vergissing is geslopen.

afdeeling Zesde. Van het akkoord

Artikel 133

De gefailleerde is bevoegd aan zijne gezamenlijke schuldeischers een akkoord aan te bieden.

Artikel 134
1.

Indien de gefailleerde een ontwerp van akkoord, ten minste acht dagen vóór de vergadering tot verificatie van de schuldvorderingen, ter plaatse in artikel 92 aangewezen heeft nedergelegd, ter kostelooze inzage van een ieder, wordt daarover in die vergadering na afloop van de verificatie dadelijk geraadpleegd en beslist, behoudens de bepaling van artikel 136.

2.

Een afschrift van het ontwerp van akkoord moet, gelijktijdig met de nederlegging ter griffie, worden toegezonden aan den curator en aan ieder der leden van de voorloopige commissie uit de schuldeischers.

Artikel 135

De curator en de commissie uit de schuldeischers zijn verplicht ieder afzonderlijk ter vergadering een schriftelijk advies over het aangeboden akkoord te geven.

Artikel 136

De raadpleging en beslissing worden tot eene volgende door den rechter-commissaris op ten hoogste drie weken later bepaalde vergadering uitgesteld:

  • 1°. indien staande de vergadering eene definitieve commissie uit de schuldeischers is benoemd, niet bestaande uit dezelfde personen als de voorloopige, en de meerderheid van de verschenen schuldeischers van haar een schriftelijk advies over het aangeboden akkoord verlangt;
  • 2°. indien het ontwerp van akkoord niet tijdig ter griffie is nedergelegd en de meerderheid van de verschenen schuldeischers zich vóór uitstel verklaart.
Artikel 137

Wanneer de raadpleging en de stemming over het akkoord, ingevolge de bepalingen van het voorgaande artikel, worden uitgesteld tot eene nadere vergadering, geeft de curator daarvan onverwijld aan de niet op de verificatie-vergadering verschenen, erkende of voorwaardelijk toegelaten schuldeischers kennis bij brieven, vermeldende den summieren inhoud van het akkoord.

Artikel 138
1.

Van de stemming over het akkoord zijn uitgesloten de schuldeisers aan wier vordering voorrang verbonden is, daaronder begrepen degenen wier voorrang betwist wordt, tenzij zij, vóór de aanvang der stemming, van hun voorrang ten behoeve van de boedel afstand hebben gedaan.

2.

Deze afstand maakt hen tot concurrente schuldeischers, ook voor het geval het akkoord niet mocht worden aangenomen.

Artikel 139

De gefailleerde is bevoegd tot toelichting en verdediging van het akkoord op te treden en het, staande de raadpleging, te wijzigen.

Artikel 140

Tot het aannemen van het akkoord wordt vereist de toestemming van twee derden van de erkende en de voorwaardelijk toegelaten concurrente schuldeisers, die drie vierden van het bedrag van de door geen voorrang gedekte erkende en voorwaardelijk toegelaten schuldvorderingen vertegenwoordigen.

Artikel 141

Indien twee derde van de ter vergadering verschenen schuldeischers, meer dan de helft van het gezamenlijk bedrag van de schuldvorderingen, waarvoor stemrecht mag worden uitgeoefend, vertegenwoordigende, in het akkoord bewilligen, wordt ten hoogste acht dagen later eene tweede stemming gehouden, zonder dat daartoe eene nadere oproeping vereischt wordt. Bij deze stemming is niemand gebonden aan zijne de eerste maal uitgebrachte stem.

Artikel 142

Latere veranderingen, in het getal van de schuldeischers of in het bedrag van de vorderingen, zijn niet van invloed op de geldigheid van de aanneming of de verwerping van het akkoord.

Artikel 143
1.

Het proces-verbaal van de vergadering vermeldt den inhoud van het akkoord, de namen van de verschenen stemgerechtigde schuldeischers, de door ieder hunner uitgebrachte stem, den uitslag van de stemming en al wat verder op de vergadering is voorgevallen. Het wordt onderteekend door den rechter-commissaris en den griffier.

2.

Gedurende acht dagen kan een ieder ter griffie kosteloos inzage van het proces-verbaal verkrijgen.

Artikel 144
1.

Zoowel de schuldeischers, die vóór gestemd hebben, als de gefailleerde, mogen gedurende acht dagen na afloop van de vergadering aan het Hof van Justitie verbetering van het proces-verbaal verzoeken, indien uit de stukken zelve blijkt, dat de rechter-commissaris het akkoord ten onrechte als verworpen heeft beschouwd.

2.

Het verzoek wordt bij den rechter-commissaris ingediend, die het, vergezeld van zijn schriftelijk bericht, zoo spoedig mogelijk aan het Hof van Justitie verzendt.

Artikel 145
1.

Indien het akkoord is aangenomen, bepaald de rechter-commissaris vóór het sluiten van de vergadering de terechtzitting, waarop de rechter in eersten aanleg de homologatie zal behandelen.

2.

Bij toepassing van artikel 144 bepaalt de rechter-commissaris de terechtzitting zoo spoedig mogelijk na ontvangst van de beschikking van het Hof. Van deze bepaling geeft de curator aan de schuldeischers schriftelijk kennis.

3.

De terechtzitting wordt gehouden ten minste acht en ten hoogste veertien dagen na de stemming over het akkoord of, bij toepassing van artikel 144, na de ontvangst van de beschikking van het Hof.

Artikel 146
1.

Gedurende dien tijd mogen de schuldeischers aan den rechter-commissaris schriftelijk de redenen opgeven waarom zij weigering van de homologatie wenschelijk achten.

2.

De rechter-commissaris brengt aan de rechter in eerste aanleg, die de homologatie zal behandelen, een schriftelijk rapport uit.

Artikel 147
1.

Op den bepaalden dag leest de griffier ter openbare terechtzitting het in artikel 143 bedoelde proces-verbaal voor en mag ieder der schuldeischers in persoon of bij gemachtigde de gronden uiteenzetten, waarop hij de homologatie wenscht of haar bestrijdt.

2.

De rechter in eersten aanleg weigert de homologatie:

  • 1°. indien de baten des boedels, de bij het akkoord bedongen som aanmerkelijk ten boven gaan;
  • 2°. indien de nakoming van het akkoord niet voldoende is gewaarborgd;
  • 3°. indien het akkoord door bedrog, door begunstiging van één of meer schuldeischers of met behulp van andere oneerlijke middelen is tot stand gekomen, onverschillig of de gefailleerde dan wel een ander daartoe heeft medegewerkt.
3.

De rechter in eersten aanleg mag ook op andere gronden en ook ambtshalve de homologatie weigeren.

Artikel 148a

Binnen acht dagen na de beschikking van de rechter in eerste aanleg kunnen, zo de homologatie is geweigerd, zowel de schuldeisers die voor het akkoord stemden als de gefailleerde, zo de homologatie is toegestaan, de schuldeisers die tegenstemden of bij de stemming afwezig waren, tegen die beschikking in hoger beroep komen. In het laatste geval hebben ook de schuldeisers, die vóór stemden, ditzelfde recht, doch alleen op grond van het ontdekken na de homologatie van handelingen als in artikel 148, 2de lid, sub 3 e genoemd.

Artikel 148b
1.

Het hoger beroep geschiedt bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerecht in eerste aanleg, in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba, waar de beschikking genomen werd, welk verzoekschrift, voorzien van een aantekening van de griffier omtrent de datum van indiening daarvan, met de overige tot de zaak betrekkelijke stukken, waaronder het van de behandeling der homologatie in eerste aanleg opgemaakt proces-verbaal en van de beroepen beschikking, door de griffier onverwijld aan het Hof wordt gezonden. De voorzitter van het Hof bepaalt terstond dag en uur voor de behandeling, welke zal moeten plaats hebben binnen twintig dagen.

2.

Op de behandeling van het hoger beroep zijn artikel 147 en artikel 148, eerste lid, toepasselijk.

Artikel 149

Het gehomologeerde akkoord is verbindend voor alle geen voorrang hebbende schuldeisers, onverschillig of zij al dan niet in het faillissement opgekomen zijn.

Artikel 150

Na verwerping of weigering van de homologatie van het akkoord mag de gefailleerde in hetzelfde faillissement een akkoord niet meer aanbieden.

Artikel 151

Het in kracht van gewijsde gegaan vonnis van homologatie levert, in verband met het proces-verbaal van de verificatie, ten behoeve van de erkende vorderingen, voor zoover zij niet door den gefailleerde overeenkomstig artikel 22 betwist zijn, een voor tenuitvoerlegging vatbaren titel op tegen den schuldenaar en de tot het akkoord als borgen toegetreden personen.

Artikel 152

Niettegenstaande het akkoord behouden de schuldeischers al hunne rechten tegen de borgen en andere mede-schuldenaren van den schuldenaar. De rechten, welke zij op goederen van derden kunnen uitoefenen, blijven bestaan als ware geen akkoord tot stand gekomen.

Artikel 153

Zodra de homologatie van het accoord in kracht van gewijsde is gegaan, eindigt het faillissement.

Artikel 154
1.

Nadat de homologatie in kracht van gewijsde is gegaan is de curator verplicht, ten overstaan van den rechter-commissaris rekening en verantwoording aan den schuldenaar te doen.

2.

Indien bij het akkoord deswege niet anders is bepaald, geeft de curator aan den schuldenaar tegen behoorlijke kwijting af alle tot den boedel behoorende zaken, gelden, boeken, papieren en andere gegevensdragers.

Artikel 155
1.

Het bedrag, waarop geverifieerde schuldeischers, krachtens een erkend voorrecht, aanspraak kunnen maken, alsmede de kosten van het faillissement moeten in handen van den curator worden gestort, tenzij de schuldenaar deswege zekerheid stelt. Zoolang hieraan niet is voldaan, is de curator verplicht alle tot den boedel behoorende goederen en gelden onder zich te houden, totdat dit bedrag en de bedoelde kosten aan de daarop rechthebbenden zijn voldaan.

2.

Wanneer na het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis van homologatie ééne maand is verloopen, zonder dat van wege den schuldenaar de voldoening van een en ander is geschied, gaat de curator daartoe over uit de voorhanden baten des boedels.

3.

Het bedrag in het eerste lid bedoeld, en het deel daarvan, aan ieder schuldeischer krachtens zijn recht van voorrang toe te kennen, wordt desnoodig door den rechter-commissaris begroot.

Artikel 156

Voor zooveel betreft vorderingen, waarvan het voorrecht voorwaardelijk erkend is, bepaalt de in het vorige artikel bedoelde verplichting van den schuldenaar zich tot het stellen van zekerheid en is de curator bij gebreke daarvan slechts gehouden tot het reserveeren uit de baten des boedels van het bedrag, waarop het voorrecht aanspraak geeft.

Artikel 157
1.

Elke schuldeischer, jegens wien de schuldenaar in gebreke blijft aan den inhoud daarvan te voldoen, is bevoegd om ontbinding van het gehomologeerde akkoord te vorderen.

2.

Op den schuldenaar rust het bewijs, dat aan het akkoord is voldaan.

3.

De rechter is, ook ambtshalve, bevoegd om den schuldenaar uitstel van ten hoogste ééne maand te verleenen, ten einde alsnog aan zijne verplichtingen te voldoen.

Artikel 158

De vordering tot ontbinding van het akkoord wordt op dezelfde wijze aangebracht en beslist, als ten aanzien van het verzoek tot faillietverklaring in de artikelen 4, 5, 6 en 7 is voorgeschreven.

Artikel 159
1.

In het vonnis, waarbij de ontbinding van het akkoord wordt uitgesproken, wordt tevens heropening van het faillissement bevolen met benoeming van een curator, alsmede van eene commissie uit de schuldeischers indien er in het faillissement reeds eene geweest is.

2.

Bij voorkeur worden daartoe de personen gekozen, die vroeger in het faillissement die betrekkingen hebben waargenomen.

3.

De curator draagt zorg voor de bekendmaking van het vonnis op de wijze in artikel 11, vierde lid, voorgeschreven.

Artikel 160
1.

De artikelen 10 eerste lid, 11 eerste lid12–15en die, welke vervat zijn in de tweede, derde en vierde afdeeling van dezen titel, zijn bij heropening van het faillisement toepasselijk.

2.

Evenzoo zijn toepasselijk de bepalingen van de afdeeling over de verificatie van schuldvorderingen, behoudens deze wijziging, dat de verificatie beperkt blijft tot de schuldvorderingen, welke niet reeds vroeger geverifieerd werden.

3.

Niettemin worden ook de reeds geverifieerde schuldeischers tot bijwoning van de verificatievergadering opgeroepen en hebben zij het recht de vorderingen, waarvoor toelating verzocht werd, te betwisten.

Artikel 161

De handelingen, door den schuldenaar in den tijd tusschen de homologatie van het akkoord en de heropening van het faillissement verricht, zijn voor den boedel verbindend, behoudens de toepassing van artikel 38 en volgende, zoo daartoe gronden zijn.

Artikel 162
1.

Na de heropening van het faillissement mag niet opnieuw een akkoord worden aangeboden.

2.

De curator gaat zonder verwijl tot de vereffening over.

Artikel 163
1.

Indien tijdens de heropening jegens eenige schuldeischers reeds geheel of gedeeltelijk aan het akkoord is voldaan, worden bij de verdeeling aan de nieuwe schuldeischers en diegene onder de oude, die nog geene voldoening ontvingen, de bij het akkoord toegezegde percenten, en wordt aan hen, die gedeeltelijk betaling ontvingen, hetgeen aan het toegezegde bedrag nog ontbreekt, vooruitbetaald.

2.

In hetgeen alsdan nog overschiet deelen alle schuldeischers, zoo oude als nieuwe, gelijkelijk.

Artikel 164

Het vorige artikel is eveneens toepasselijk, indien de boedel van den schuldenaar, terwijl deze nog niet volledig aan het akkoord heeft voldaan, opnieuw in staat van faillissement wordt verklaard.

afdeeling Zevende. Van de vereffening van den boedel

Artikel 165
1.

Indien op de verificatie-vergadering een akkoord niet is aangeboden of indien het aangeboden akkoord verworpen of de homologatie definitief geweigerd is, verkeert de boedel van rechtswege in staat van insolventie.

2.

De artikelen 93 en 95 houden op van toepassing te zijn, wanneer vast staat, dat het bedrijf van den gefailleerde niet overeenkomstig de volgende artikelen zal worden voortgezet of wanneer de voortzetting wordt gestaakt.

Artikel 166
1.

Indien ter verificatie-vergadering een akkoord niet is aangeboden of indien het aangeboden akkoord is verworpen, mag de curator of een ter vergadering aanwezige schuldeischer voorstellen, dat het bedrijf van den gefailleerde worde voortgezet.

2.

De commissie uit de schuldeischers, indien deze er is, en, zoo het voorstel is gedaan door een schuldeischer, de curator geven hun advies over dit voorstel.

3.

Op verlangen van den curator of van een der aanwezige schuldeischers, stelt de rechter-commissaris de beraadslaging en beslissing over het voorstel uit tot eene daartoe op ten hoogste veertien dagen later bepaalde vergadering.

4.

De curator geeft onverwijld aan de schuldeischers, die niet ter vergadering aanwezig waren, kennis van deze nadere vergadering bij brieven, waarin het ingediende voorstel wordt vermeld en hun tevens de bepaling van artikel 109 wordt herinnerd.

5.

Op deze vergadering heeft, zoo noodig, tevens de verificatie plaats van de schuldvorderingen, welke na afloop van den in artikel 103, eerste lid, onder 1°., bepaalden termijn zijn ingediend en niet reeds ingevolge artikel 123 geverifieerd zijn.

6.

De curator handelt ten opzichte van deze vorderingen overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 106–109.

7.

Het voorstel is aangenomen, indien de schuldeischers, vertegenwoordigende meer dan de helft der erkende en voorwaardelijk toegelaten schuldvorderingen, welke niet door pand, hypotheek of retentierecht zijn gedekt, zich daarvóór verklaren.

8.

In dit geval vindt, indien eene commissie uit de schuldeischers niet bestaat, artikel 71 overeenkomstige toepassing.

9.

Het proces-verbaal der vergadering vermeldt de namen der verschenen schuldeischers, de door ieder hunner uitgebrachte stem, den uitslag van de stemming en al wat verder ter vergadering is voorgevallen.

10.

Gedurende acht dagen kan een ieder ter griffie kosteloos inzage van het proces-verbaal verkrijgen.

11.

De curator en de schuldeischers zijn bevoegd om gedurende acht dagen na afloop van de vergadering aan het Hof van Justitie te vragen, alsnog te verklaren, dat het voorstel is aangenomen of verworpen, indien uit de stukken zelf blijkt, dat de rechter-commissaris dit ten onrechte als verworpen of aangenomen heeft beschouwd. In dit geval is artikel 144, tweede lid, van toepassing.

Artikel 167
1.

Indien binnen acht dagen, nadat de homologatie van een akkoord definitief is geweigerd, de curator of een schuldeischer bij den rechter-commissaris een voorstel indient tot voortzetting van het bedrijf van den gefailleerde, belegt de rechter-commissaris op door hem terstond bepaalden dag, uur en plaats, eene vergadering van schuldeischers ten einde over het voorstel te doen beraadslagen en beslissen.

2.

De curator roept de schuldeischers ten minste tien dagen vóór de vergadering op bij brieven, waarin het ingediende voorstel wordt vermeld en hun tevens de bepaling van artikel 109 wordt herinnerd. Bovendien plaatst hij gelijke oproeping in het nieuwsblad bedoeld in artikel 11.

3.

Artikel 166, lid 2, 5, 7, 8, 9, 10 en 11, is van toepassing.

Artikel 168
1.

De rechter-commissaris is bevoegd om op verzoek van een schuldeischer of van den curator te gelasten, dat de voortzetting van het bedrijf wordt gestaakt. Op dit verzoek worden gehoord de commissie uit de schuldeischers, indien deze er is, alsmede de curator, indien deze het verzoek niet gedaan heeft.

2.

Bovendien mag de rechter-commissaris iedere schuldeischer en den schuldenaar hooren.

Artikel 169
1.

Indien een voorstel tot voortzetting van het bedrijf niet of niet tijdig wordt gedaan of indien het wordt verworpen of de voortzetting wordt gestaakt, gaat de curator onmiddellijk over tot vereffening en te gelde making van alle baten des boedels, zonder dat daartoe de toestemming of medewerking van den gefailleerde noodig is.

2.

Niettemin kan den gefailleerde eenig door den rechter-commissaris aangewezen huisraad worden gelaten.

3.

Ook in geval van voortzetting van het bedrijf kunnen baten van den boedel, welke voor de voortzetting niet noodig zijn, worden te gelde gemaakt.

4.

De goederen worden in het openbaar of met toestemming van den rechter-commissaris ondershands verkocht.

5.

Over alle niet spoedig of in het geheel niet voor vereffening vatbare baten beschikt de curator op de door den rechter-commissaris goedgekeurde wijze.

6.

De curator kan ten behoeve van de vereffening van de diensten des gefailleerden gebruik maken, tegen eene door den rechter-commissaris vastgestelde vergoeding.

Artikel 170

Nadat de boedel insolvent is geworden, is de rechter-commissaris bevoegd, om op door hem bepaalde dag, uur en plaats, eene vergadering van schuldeischers te beleggen, ten einde hen zoo noodig te raadplegen over de wijze van vereffening van den boedel, en zoo noodig de verificatie te doen plaats hebben van de schuldvorderingen, welke na afloop van den in artikel 103, eerste lid, onder 1e., bepaalden termijn nog zijn ingediend en niet reeds ingevolge artikel 123 geverifieerd zijn. De curator handelt ten opzichte van deze vorderingen overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 106–109. Hij roept de schuldeischers ten minste tien dagen vóór de vergadering, bij brieven op, waarin het onderwerp van de vergadering wordt vermeld en hun tevens de bepaling van artikel 109 wordt herinnerd. Bovendien plaatst hij gelijke oproeping in het nieuwsblad, bedoeld in artikel 11.

Artikel 171

Zoo dikwijls er, naar het oordeel van den rechter-commissaris, voldoende gereede penningen aanwezig zijn, beveelt deze eene uitdeeling aan de geverifieerde schuldeischers.

Artikel 172
1.

De curator maakt telkens de uitdeelingslijst op en onderwerpt die aan de goedkeuring van den rechter-commissaris. De lijst houdt in een staat van ontvangsten en uitgaven (daaronder begrepen het salaris van den curator), de namen der schuldeischers, het geverifieerde bedrag van ieders vordering benevens de daarop te ontvangen uitkeering.

2.

Voor de concurrente schuldeisers worden de door de rechter-commissaris te bepalen percenten uitgetrokken. Voor de schuldeisers die voorrang hebben, ongeacht of deze betwist wordt, en die niet reeds overeenkomstig artikel 53 of 56, derde lid, voldaan zijn, wordt het bedrag uitgetrokken, waarvoor zij batig gerangschikt kunnen worden op de opbrengst der goederen waarop hun voorrang betrekking heeft. Zo dit minder is dan het gehele bedrag van hun vorderingen, worden voor het ontbrekende, zo de goederen waarop hun vordering betrekking heeft nog niet verkocht zijn, voor hun hele vordering, gelijke percenten uitgetrokken als voor de concurrente schuldeisers.

Artikel 173

Voor de voorwaardelijk toegelaten schuldvorderingen worden op de uitdeelingslijst de percenten over het volle bedrag uitgetrokken.

Artikel 174
1.

De algemene faillissementskosten worden omgeslagen over ieder deel van de boedel, met uitzondering van hetgeen na een executie overeenkomstig artikel 53 of 56, derde lid, tweede volzin, toekomt aan de pand- of hypotheekhouders, aan de schuldeisers met retentierecht en aan de beperkt gerechtigden, en huurders wier recht door de executie is vervallen of verloren gegaan, maar met inbegrip van hetgeen krachtens een zodanige executie aan de curator is uitgekeerd ten behoeve van een schuldeiser die boven een of meer van voormelde personen bevoorrecht was.

2.

De in het vorige lid genoemde uitzondering geldt eveneens ten aanzien van luchtvaartuigen, welke overeenkomstig artikel 55a door een schuldeiser zelf zijn verkocht.

Artikel 175
1.

De door den rechter-commissaris goedgekeurde uitdeelingslijst ligt gedurende tien dagen ter plaatse in artikel 92 aangewezen kosteloos ter inzage van de schuldeischers.

2.

Van de nederlegging wordt door de zorg van den curator aankondiging gedaan in het nieuwsblad, bedoeld in artikel 11, terwijl daarvan bovendien aan ieder der erkende en voorwaardelijk toegelaten schuldeischers schriftelijk kennis wordt gegeven, met vermelding van het voor hen uitgetrokken bedrag.

Artikel 176
1.

Gedurende den in het vorige artikel genoemden termijn kan ieder schuldeischer in verzet komen tegen de uitdeelingslijst, door inlevering van een met redenen omkleed bezwaarschrift ter griffie van het gerecht in eerste aanleg, in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba waar het faillissement werd uitgesproken; de griffier geeft hem een bewijs van ontvangst af.

2.

Het bezwaarschrift wordt als bijlage bij de lijst gevoegd.

Artikel 177
1.

Zoo er verzet gedaan is, zendt de rechter-commissaris onmiddellijk na afloop van den termijn van inzage het bezwaarschrift en de overige stukken, vergezeld van zijn schriftelijk rapport, aan het Hof van Justitie.

2.

De griffier van het Hof van Justitie doet aan de opposanten en aan den curator schriftelijk mededeeling van den dag van behandeling.

3.

Op den bepaalden dag leest de griffier ter openbare terechtzitting het schriftelijk rapport van den rechter-commissaris voor en is de curator en ieder der schuldeischers in persoon of bij gemachtigde bevoegd om de gronden uiteen te zetten ter verdediging of bestrijding van de uitdeelingslijst.

4.

Op denzelfden dag, of anders zoo spoedig mogelijk, geeft het Hof van Justitie zijne met redenen omkleede beschikking.

Artikel 178
1.

Ook een niet-geverifieerde schuldeischer, zoomede een schuldeischer, wiens vordering voor een te laag bedrag is geverifieerd, doch overeenkomstig zijne opgave, mag verzet doen, mits hij uiterlijk twee dagen vóór dien waarop het verzet ter openbare terechtzitting zal behandeld worden, de vordering of het niet-geverifieerde deel der vordering bij den curator indiene, een afschrift daarvan ter griffie van het Hof van Justitie bij het bezwaarschrift voege, en in dit bezwaarschrift tevens verzoek doet om geverifieerd te worden.

2.

De verificatie geschiedt alsdan op de wijze bij artikel 114 en volgende voorgeschreven, ter openbare terechtzitting, bestemd voor de behandeling van het verzet en vóórdat daarmede een aanvang wordt gemaakt.

3.

Indien dit verzet alleen ten doel heeft als schuldeischer geverifieerd te worden, en er niet tevens door anderen verzet is gedaan, komen de kosten van het verzet ten laste van den nalatigen schuldeischer.

Artikel 179

Door verloop van den termijn van artikel 175, of, zoo er verzet is gedaan, door het op het verzet gegeven beschikking, wordt de uitdeelingslijst verbindend.

Artikel 180
1.

Door levering ingevolge verkoop door de curator en de voldoening van de koopprijs gaan alle op het verkochte goed rustende hypotheken teniet en vervallen de beperkte rechten die niet tegen alle geverifieerde schuldeisers ingeroepen kunnen worden.

2.

De rechter-commissaris geeft, desverlangd, aan de koper een verklaring af van dit tenietgaan en vervallen. De verklaring kan bij of na de levering in de registers worden ingeschreven. Zij machtigt dan de bewaarder der registers tot doorhaling van de betrokken inschrijvingen.

3.

Op verkoop, door de curator, van tot de boedel behorende schepen, is artikel 575 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES toepasselijk.

Artikel 181
1.

De uitdeeling, uitgetrokken voor een voorwaardelijk toegelaten schuldeischer, wordt niet uitgekeerd, zoolang niet omtrent zijne vordering is beslist. Blijkt het ten slotte, dat hij niets of minder te vorderen heeft, dan komen de voor hem bestemde gelden geheel of ten deele ten bate van de andere schuldeischers.

2.

Uitdeelingen bestemd voor vorderingen, welker voorrang betwist wordt, worden, voor zooverre zij meer bedragen dan de percenten over de concurrente vorderingen uit te keeren, gereserveerd tot na de uitspraak over den voorrang.

Artikel 182

Indien enig goed met betrekking waartoe een schuldeiser voorrang heeft, wordt verkocht, nadat hem ingevolge artikel 171 in verband met het slot van artikel 172, reeds een uitkering is gedaan, wordt hem bij een volgende uitdeling het bedrag waarvoor hij op de opbrengst van goed batig gerangschikt is, niet anders uitgekeerd dan onder aftrek van de percenten die hij reeds tevoren over dit bedrag ontving.

Artikel 183
1.

Aan schuldeischers die, ten gevolge van hun verzuim om op te komen, eerst geverifieerd worden nadat er reeds uitdeelingen hebben plaats gehad, wordt uit de nog voorhanden baten een bedrag, evenredig aan het door de overige erkende schuldeischers reeds genotene, vooruitbetaald.

2.

Indien zij voorrang hebben, verliezen zij dien, voor zooverre de opbrengst van de zaak, waarop die voorrang kleefde, bij eene vroegere uitdeelingslijst aan andere schuldeischers bij voorrang is toegekend.

Artikel 184

Na afloop van den termijn van inzage, bedoeld bij artikel 175, of na uitspraak van het vonnis op het verzet, is de curator verplicht de vastgestelde uitkeering onverwijld te doen. De uitkeeringen, waarover niet binnen ééne maand daarna is beschikt of welke ingevolge artikel 181 gereserveerd zijn, stort hij in de kas der gerechtelijke consignatiën

Artikel 185
1.

Zoodra aan de geverifieerde schuldeischers het volle bedrag van hunne vorderingen is uitgekeerd, of zoodra de slotuitdeelingslijst verbindend is geworden, neemt het faillissement een einde, behoudens de bepaling van artikel 186. De curator doet daarvan aankondiging op de wijze bij artikel 11 bepaald.

2.

Na verloop van eene maand doet de curator rekening en verantwoording van zijn beheer aan den rechter-commissaris.

3.

De door den curator in den boedel gevonden boeken, papieren en andere gegevensdragers geeft hij tegen behoorlijk bewijs aan den schuldenaar af.

Artikel 186

Indien na de slotuitdeeling ingevolge artikel 181 gereserveerde uitdeelingen aan den boedel terugvallen of mocht blijken, dat er nog baten van den boedel aanwezig zijn, welke ten tijde van de vereffening niet bekend waren, gaat de curator, op bevel van den rechter in eersten aanleg, tot vereffening en verdeeling daarvan over op den grondslag van de vroegere uitdeelingslijsten.

afdeeling Achtste. Van den rechtstoestand van den schuldenaar na afloop van de vereffening

Artikel 187

Door het verbindend worden van de slotuitdeelingslijst herkrijgen de schuldeischers voor hunne vorderingen, in zooverre deze onvoldaan zijn gebleven, hunne rechten van executie op de goederen van den schuldenaar.

Artikel 188

De in het vierde lid van artikel 116 bedoelde erkenning van eene vordering heeft kracht van gewijsde zaak tegen den schuldenaar; het proces-verbaal van de verificatie-vergadering levert voor de daarin als erkend vermelde vorderingen den voor tenuitvoerlegging vatbaren titel op tegen den schuldenaar.

Artikel 189

De bepaling van het vorige artikel geldt niet voor zoover de vordering door den gefailleerde overeenkomstig artikel 122 betwist is.

afdeeling Negende. Van het faillissement van eene nalatenschap

Artikel 190

De boedel van een overledene wordt in staat van faillissement verklaard, indien één of meer der schuldeischers daartoe verzoek doen en summier aantoonen, dat de overledene in den toestand verkeerde, dat hij had opgehouden te betalen of dat de nalatenschap ten tijde van het overlijden niet toereikend was ter betaling van de schulden van den overledene.

Artikel 191
1.

Het verzoek wordt gericht tot den rechter in eersten aanleg, die tijdens het overlijden van den schuldenaar bevoegd was de faillietverklaring uit te spreken.

2.

De erfgenamen worden op het verzoek gehoord of daartoe opgeroepen bij een aan het sterfhuis beteekend exploot, zonder dat het noodig is hen bij name aan te duiden, alsmede, voor zooverre zij bekend zijn, bij brieven van den griffier.

Artikel 192

De faillietverklaring heeft van rechtswege ten gevolge de afscheiding van den boedel van den overledene van dien van zijne erfgenamen, in dier voege als bij artikel 1133 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek BES is omschreven.

Artikel 193

De faillietverklaring kan aangevraagd worden zoo lang niet drie maanden na de aanvaarding van de nalatenschap en tevens zes maanden na overlijden van den schuldenaar zijn verstreken.

Artikel 194

De zesde afdeeling van dezen titel is op het faillissement van eene nalatenschap niet toepasselijk; evenmin de achtste afdeeling, tenzij de erfenis zuiver is aanvaard.

afdeeling Tiende. Bepalingen van internationaal recht

Artikel 195

Schuldeischers, die na de faillietverklaring hunne vordering geheel of gedeeltelijk afzonderlijk verhaald hebben op zich in het buitenland bevindende, aan hen niet bij voorrang verbonden, goederen van den hier te lande gefailleerden schuldenaar, zijn verplicht het aldus verhaalde aan den boedel te vergoeden.

Artikel 196
1.

De schuldeischer, die zijne vordering tegen den gefailleerde, geheel of gedeeltelijk, afzonderlijk of bij voorrang te verhalen in het buitenland zich bevindende goederen van den gefailleerde, is verplicht het aldus verhaalde aan den boedel te vergoeden.

2.

De overdracht wordt, behoudens tegenbewijs, vermoed met dit doel te zijn geschiedt, als hij is gedaan met de wetenschap, dat de faillietverklaring reeds was aangevraagd of aangevraagd zou worden.

Artikel 197
1.

Gelijke verplichting tot vergoeding jegens de boedel rust op hem die zijn vordering of zijn schuld geheel of gedeeltelijk aan een derde overdraagt, die daardoor in staat wordt gesteld in het buitenland een door deze wet niet toegelaten verrekening in te roepen.

2.

Het tweede lid van het vorige artikel is hier toepasselijk.

afdeeling Elfde. Van rehabilitatie

Artikel 198

Nadat het faillissement overeenkomstig de artikelen 153 of 185 geëindigd is, is de schuldenaar of zijn zijne erfgenamen, ook in geval van artikel 190, bevoegd een verzoek van rehabilitatie in te leveren bij den rechter in eersten aanleg, die het faillissement heeft berecht.

Artikel 199

De schuldenaar of zijne erfgenamen zijn tot dit verzoek niet ontvankelijk, tenzij bij het verzoekschrift zij overgelegd het bewijs, waaruit blijkt, dat alle erkende schuldeischers, ten genoegen van elk hunner, zijn voldaan.

Artikel 200

Van het verzoek wordt aankondiging gedaan in de Staatscourant.

Artikel 201
1.

Ieder erkend schuldeischer is bevoegd om binnen den tijd van drie maanden na voorschreven aankondiging verzet tegen het verzoek te doen, door inlevering van een met redenen omkleed bezwaarschrift ter griffie; de griffier geeft hem een bewijs van ontvangst af.

2.

Dit verzet mag alleen daarop gegrond zijn, dat de verzoeker niet behoorlijk aan het voorschrift van artikel 199 heeft voldaan.

Artikel 202
1.

Na verloop van de voormelde drie maanden, zal de rechter in eersten aanleg, om het even of er al dan niet verzet is gedaan, het verzoek toestaan of weigeren.

2.

Tegen de beslissing van den rechter in eersten aanleg is eenige voorziening niet toegelaten.

Artikel 203

Het vonnis, waarbij de rehabilitatie wordt toegestaan, wordt ter openbare terechtzitting uitgesproken, terwijl mede daarvan aanteekening geschiedt in het in artikel 16 bedoelde register.

Titel II. Van surséance van betaling

afdeeling Eerste. Van de verleening van surséance van betaling en hare gevolgen

Artikel 204

De schuldenaar, die voorziet, dat hij met betalen van zijne opeischbare schulden niet zal kunnen voortgaan, kan surséance van betaling aanvragen.

Artikel 205
1.

Hij zal zich daartoe, onder overlegging van een door behoorlijke bescheiden gestaafde staat, als bedoeld in artikel 91, wenden tot de rechter in eerste aanleg bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerecht in eerste aanleg, in het openbaar lichaam, aangegeven in artikel 2.

2.

Bij het verzoekschrift kan een ontwerp van akkoord worden gevoegd.

Artikel 206
1.

Het verzoekschrift met bijbehorende stukken wordt ter griffie van het gerecht in eerste aanleg, in het in het eerste lid van het voorgaande artikel bedoelde openbaar lichaam, neergelegd. De nederlegging geschiedt kosteloos.

2.

De rechter in eersten aanleg zal dadelijk de gevraagde surséance voorloopig verleenen en een of meer bewindvoerders benoemen, ten einde met den schuldenaar het beheer over diens zaken te voeren. Bovendien beveelt hij, dat de bekende schuldeischers, benevens de schuldenaar, tegen een door hem op korten termijn bepaalden dag, door den griffier bij brieven worden opgeroepen, ten einde, alvorens beslist wordt omtrent het definitief verleenen van de gevraagde surséance, op het verzoekschrift te worden gehoord. Behalve de dag worden uur en plaats der bijeenkomst daarbij vermeld, alsmede of een ontwerp van akkoord bij het verzoekschrift is gevoegd.

Artikel 207
1.

De griffier doet van de indiening van het verzoek, van de voorloopige verleening van surséance, van de namen en woonplaatsen der benoemde bewindvoerders en van den overeenkomstig het tweede lid van het voorgaande artikel bepaalden dag onmiddellijk aankondiging in de Staatscourant.

2.

Indien bij het verzoekschrift een ontwerp van akkoord is gevoegd, wordt daarvan in de aankondiging melding gemaakt.

Artikel 208

De surséance wordt geacht te zijn ingegaan bij den aanvang van den dag, waarop zij voorloopig is verleend.

Artikel 209
1.

Ten bepaalden dage hoort de rechter in eersten aanleg den schuldenaar, de bewindvoerders en de in persoon of bij schriftelijk gemachtigde opgekomen schuldeischers. Iedere schuldeischer is bevoegd om, zelfs zonder opgeroepen te zijn, op te komen.

2.

De rechter in eersten aanleg kan den schuldenaar definitief surséance verleenen, tenzij zich daartegen verklaren hetzij houders van meer dan één vierde van het bedrag der ter vergadering vertegenwoordigde, in artikel 223 bedoelde, schuldvorderingen, hetzij meer dan één derde der houders van zoodanige vorderingen.

3.

Over de toelating tot de stemming beslist, bij verschil, de rechter in eersten aanleg.

4.

Surséance wordt niet definitief verleend, indien er gegronde vrees bestaat, dat de schuldenaar zal trachten de schuldeischers tijdens de surséance te benadeelen of het vooruitzicht niet bestaat, dat hij na verloop van tijd zijne schuldeischers zal kunnen bevredigen.

5.

De rechter in eersten aanleg, het verzoek afwijzende, kan bij dezelfde beschikking den schuldenaar in staat van faillissement verklaren. Wordt het faillissement niet uitgesproken, dan blijft de voorloopig verleende surséance gehandhaafd tot de beschikking van den rechter in eersten aanleg in kracht van gewijsde is gegaan.

6.

Indien eene aanvrage tot faillietverklaring en een verzoek tot surséance gelijktijdig aanhangig zijn, komt eerst het laatste in behandeling.

7.

De beschikking op het verzoek is met redenen omkleed en wordt uitgesproken ter openbare terechtzitting.

Artikel 210
1.

Gedurende acht dagen na den dag der uitspraak heeft, in geval van afwijzing van het verzoek, de schuldenaar, of, ingeval de surséance verleend is, iedere schuldeischer, die zich niet vóór het verleenen daarvan heeft verklaard, recht van hooger beroep.

2.

Het hoger beroep wordt ingesteld door indiening van ene memorie ter griffie van het gerecht in eerste aanleg, in het openbaar lichaam, waar op het verzoek tot verlening van surséance is uitspraak gedaan. De griffier geeft hiervan aan ieder der opgekomen schuldeischers, als in artikel 209, eerste lid, bedoeld, zoomede, indien het hooger beroep door een schuldeischer ingesteld is, ook aan den schuldenaar schriftelijk kennis en zendt de in artikel 205 bedoelde stukken met een afschrift van het terzake opgemaakt proces-verbaal en van het vonnis waarvan beroep, zoo spoedig mogelijk aan het Hof van Justitie.

Artikel 211
1.

Bij de behandeling van het hooger beroep wordt het verzoek niet opnieuw in stemming gebracht, maar ieder schuldeischer is bevoegd in persoon of bij schriftelijk gemachtigde aan de bestrijding of verdediging van de uitspraak, waartegen het beroep gericht is, deel te nemen.

2.

De behandeling heeft plaats in raadkamer; de griffier van het Hof geeft ten minste vijf dagen van te voren aan ieder der opgekomen schuldeischers als in artikel 209, eerste lid, bedoeld, zoomede aan den schuldenaar, schriftelijk kennis van den dag en het uur van de behandeling. De uitspraak geschiedt ter openbare terechtzitting.

Artikel 212

De beschikking waarbij de surséance definitief wordt toegestaan, wordt aangekondigd op de wijze, in artikel 207 voorgeschreven.

Artikel 212a

De griffier van het gerecht in eerste aanleg houdt in elk openbaar lichaam een openbaar register bij met betrekking tot surséances van betaling. Artikel 16 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 213
1.

Bij het definitief verleenen der surséance bepaalt de rechter in eersten aanleg haar duur op ten hoogste anderhalf jaar.

2.

Vóór het einde der surséance kan door den schuldenaar hare verlenging voor ten hoogste anderhalf jaar worden gevraagd. Het verzoek wordt behandeld op dezelfde wijze als een verzoek tot verleening van surséance. Zoolang bij afloop der surséance op een verzoek tot verlenging nog niet is beschikt, blijft de surséance gehandhaafd.

Artikel 214
1.

Indien meer dan één bewindvoerder is benoemd, wordt voor de geldigheid hunner handelingen toestemming der meerderheid of bij staking van stemmen eene beslissing van den rechter in eersten aanleg vereischt. Het tweede lid van artikel 66 vindt overeenkomstige toepassing.

2.

De rechter in eersten aanleg is te allen tijde bevoegd een bewindvoerder, na hem gehoord of behoorlijk opgeroepen te hebben, te ontslaan en door een ander te vervangen of hem één of meer bewindvoerders toe te voegen, een en ander op verzoek van hem zelven, van de andere bewindvoerders of van een of meer schuldeischers, dan wel ambtshalve.

Artikel 215
1.

Bij het voorloopig verleenen der surséance kan de rechter in eersten aanleg zoodanige bepalingen maken, als hij ter beveiliging van de belangen der schuldeischers noodig oordeelt.

2.

Hij kan dit ook gedurende de surséance doen op verzoek van de bewindvoerders of van één of meer schuldeischers, dan wel ambtshalve.

Artikel 216
1.

De rechter in eersten aanleg is bevoegd bij het voorloopig verleenen der surséance één of meer deskundigen te benoemen teneinde binnen een door hem te bepalen termijn, die zoo noodig kan worden verlengd, een onderzoek naar den staat van den boedel in te stellen en een beredeneerd verslag van hunne bevinding uit te brengen. Het laatste lid van artikel 215 vindt overeenkomstige toepassing.

2.

Het verslag van de deskundigen bevat een met redenen omkleed oordeel over de betrouwbaarheid van de door den schuldenaar overgelegde staat en bescheiden en over de vraag of er vooruitzicht bestaat, dat de schuldenaar na verloop van tijd zijne schuldeischers zal kunnen bevredigen. Het verslag geeft zoo mogelijk de maatregelen aan, welke tot die bevrediging kunnen leiden.

3.

De deskundigen leggen hun verslag neder ter griffie van het gerecht in eersten aanleg, ter kostelooze inzage van een ieder. De nederlegging geschiedt kosteloos.

4.

Het laatste lid van artikel 214 vindt ten aanzien van de deskundigen overeenkomstige toepassing.

Artikel 217
1.

De bewindvoerders brengen, telkens na verloop van drie maanden, een verslag uit over den toestand van den boedel. Met dit verslag wordt gehandeld, gelijk in het derde lid van artikel 216 is voorgeschreven.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)