Regeling tot vaststelling van de Uitvoeringsregeling Douane- en Accijnswet BES (Uitvoeringsregeling Douane- en Accijnswet BES)

Type Ministeriele Regeling Bes
Publication 2025-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 134
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
4.

Op voorwaarde dat de vergunninghouder de aan de vergunning verbonden verantwoordelijkheden behoudt, kan de inspecteur toestaan dat uitvoer van de veredelingsproducten geschiedt door een andere persoon dan de vergunninghouder.

5.

Indien de omstandigheden dat rechtvaardigen, kan de inspecteur op verzoek van de vergunninghouder toestaan dat de goederen worden uitgevoerd zonder de veredelingshandeling te hebben ondergaan, zonder dat dit feit tot het ontstaan van een douaneschuld leidt.

Artikel 2.50

1.

Voor de uitvoer van goederen als bedoeld in artikel 3.80, eerste lid, van de wet wordt aangifte tot tijdelijke uitvoer gedaan, onder bijvoeging van een exemplaar van de vergunning, die op grond van de vrijstellingsregeling is vereist. In de aangifte wordt melding gemaakt van de datum en het nummer van de vergunning.

2.

De ambtenaren treffen zonodig identiteitsmaatregelen met het oog op de wederinvoer van de goederen. Artikel 2.48, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

3.

De ambtenaren, belast met de controle van de aangifte, stellen aantekening van hun bevindingen op de aangifte.

4.

De ambtenaren, belast met het toezicht op het uitgaan van de goederen, zenden het uitvoerdocument ten behoeve van de controle op de nakoming van de voorwaarden van de vergunning naar de ambtenaren belast met de administratieve controle.

Artikel 2.51

1.

Onverminderd hetgeen in de vergunning is bepaald met betrekking tot het volgen van een andere bestemming, worden de in artikel 3.81, eerste lid, van de wet bedoelde veredelingsproducten binnen de in de vergunning bepaalde termijn wederingevoerd. In de vergunning kan ook toestemming worden verleend voor invoer in deelzendingen, indien de waarborgen aanwezig zijn om misbruik te voorkomen.

2.

Van de weder in te voeren veredelingsproducten wordt aangifte met gehele of gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten gedaan onder bijvoeging van een exemplaar van de vergunning. In de aangifte wordt melding gemaakt van de datum en het nummer van de vrijstellingsvergunning.

3.

De ambtenaren, belast met de controle van de aangifte, gaan aan de hand van de bij uitvoer getroffen identiteitsmaatregelen, in het bijzonder na of de weder in te voeren veredelingsproducten, met inachtneming van de daarop toegelaten bewerkingen, identiek zijn aan de uitgevoerde goederen.

4.

Op voorwaarde dat de vergunninghouder de aan de vergunning verbonden verantwoordelijkheden behoudt, kan de inspecteur toestaan dat wederinvoer van de veredelingsproducten geschiedt door een ander dan de vergunninghouder.

5.

Indien omstandigheden dat rechtvaardigen, kan de inspecteur op verzoek van de vergunninghouder toestaan dat de goederen met vrijstelling van invoerrechten worden wederingevoerd zonder een veredelingshandeling te hebben ondergaan.

6.

Indien er sprake is van een heffing wordt de vrijstelling ook verleend indien aan de veredelingsproducten een andere douanebestemming wordt gegeven dan invoer.

Afdeling 2.13. Tijdelijke invoer met vrijstelling van invoerrecht

Artikel 2.52

1.

Indien voor de tijdelijke invoer van goederen met vrijstelling een vergunning is vereist, kan bij die vergunning worden bepaald dat tijdelijk ingevoerde goederen slechts de behandelingen mogen ondergaan die noodzakelijk zijn voor het onderhoud en het in goede staat bewaren daarvan.

2.

Indien sprake is van repeterende zendingen kan de aangever de inspecteur om een doorlopende vergunning verzoeken.

3.

De inspecteur kan op verzoek van de vergunninghouder toestemming verlenen voor overdracht van de vergunning aan een andere persoon, die voldoet aan de voorwaarden voor de afgifte van de vergunning en die zich verplicht tot nakoming van de aan die vergunning verbonden voorschriften.

4.

Bij de aangifte ten invoer wordt een exemplaar van de vergunning, bedoeld in het eerste lid, gevoegd. In de aangifte wordt melding gemaakt van de datum en het nummer van de vergunning.

5.

Artikel 2.48, vierde tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.53

Van de uit te voeren goederen, bedoeld in artikel 2.52, wordt aangifte ten uitvoer gedaan, onder bijvoeging van een exemplaar van de vergunning.

Artikel 2.54

1.

Indien voor de tijdelijke invoer met vrijstelling geen vergunning is vereist, wordt voor de toepassing van de vrijstelling een aangifte gedaan, onder vermelding van de regeling waarvan de toepassing wordt verzocht.

2.

De ambtenaren onderwerpen de aangifte aan verificatie, teneinde vast te stellen of overeenstemming bestaat tussen de omschrijving van de goederen in de aangifte en die in de desbetreffende vrijstellingsregeling.

3.

Artikel 2.48, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

4.

De ambtenaren, belast met de controle van de aangifte, stellen aantekening van hun bevindingen op het invoerdocument en stellen dit document vervolgens ter hand aan de aangever.

5.

Indien de vrijstellingsregeling er in voorziet dat mondeling aangifte kan worden gedaan, vindt het vorenstaande overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de aangever geen melding behoeft te maken van de vindplaats van de regeling waarvan hij de toepassing verzoekt. De inspecteur wijst de aangever er op onder welke voorwaarden de vrijstelling wordt verleend, in het bijzonder met betrekking tot de voorgeschreven bestemming en de termijn van uitvoer.

Artikel 2.55

1.

De tijdelijk ingevoerde goederen met vrijstelling van invoerrechten, bedoeld in artikel 2.54, worden binnen de daarvoor vastgestelde termijn uitgevoerd.

2.

Van de uit te voeren goederen wordt aangifte gedaan. Indien een aangifte ten uitvoer wordt gedaan, wordt daarin melding gemaakt van de regeling op grond waarvan vrijstelling bij tijdelijke invoer is verleend.

3.

Van goederen die bij tijdelijke invoer mondeling zijn aangegeven, behoeft bij uitvoer geen aangifte te worden gedaan.

Artikel 2.56

1.

Voor goederen, die zijn aangegeven voor de douanebestemming tijdelijke invoer, kan de aangifte geschieden op een invoerblad van een in het buitenland geldig gemaakte carnet ATA.

2.

De ambtenaren voorzien het invoerblad en de invoerstrook van een registratienummer. Nadat zij het invoerblad ondertekend, gedagtekend en gestempeld hebben, wordt het invoerblad langs de perforatierand afgescheurd en achtergehouden door de ambtenaren. De invoerstrook blijft achter in het carnet ATA. Ook het doorvoerblad wordt voorzien van het registratienummer. De ambtenaren kunnen de goederen controleren aan de hand van de gegevens op het invoerblad.

3.

Bij uitvoer wordt het uitvoerblad gedagtekend, gestempeld en ondertekend door de ambtenaren en langs de perforatierand afgescheurd. De uitvoerstrook blijft achter in het carnet ATA. De ambtenaren kunnen de goederen, die worden uitgevoerd, controleren aan de hand van de gegevens op het uitvoerblad.

4.

Het invoerblad en het uitvoerblad worden ingezonden naar het douanekantoor waar de zuivering plaats vindt.

5.

Bij het gebruik van een carnet ATA blijft het vorderen van een zekerheidstelling achterwege.

Afdeling 2.14. Uitvoer van goederen en uitgaande opslag

Artikel 2.57

1.

Voor goederen als bedoeld in artikel 3.86 van de wet wordt aangifte tot tijdelijke uitvoer gedaan als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onderdeel b, van de wet.

2.

De ambtenaren, belast met de controle, treffen zonodig identificatiemaatregelen met het oog op de wederinvoer van de goederen. Een exemplaar van het op de aangifte afgegeven document wordt aan de aangever in handen gesteld, teneinde dit bij de aangifte tot wederinvoer te kunnen overleggen als bewijs van herkomst uit het vrije verkeer.

3.

Voor de wederinvoer van goederen als bedoeld in het eerste lid wordt aangifte ten invoer gedaan.

4.

Indien een vergunning is vereist, wordt een exemplaar van de vergunning bijgevoegd. In de aangifte wordt in dat geval melding gemaakt van de datum en het nummer van de vergunning.

5.

Indien geen vergunning is vereist, wordt in de aangifte de regeling vermeld waarvan de toepassing wordt verzocht.

6.

De inspecteur controleert de aangifte teneinde vast te stellen of overeenstemming bestaat tussen de omschrijving van de goederen in de aangifte en eventueel in de vergunning en hetgeen zij over de aard en de hoedanigheden van de goederen bij controle bevinden.

7.

Indien de inspecteur een verschil vaststelt, kan hij, afhankelijk van de aard van het verschil, de vrijstelling weigeren of de aangifte doen wijzigen.

Artikel 2.58

1.

Aangifte ten uitvoer als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onderdeel c, van de wet wordt gedaan voor:

  • a. goederen, die met vrijstelling van invoerrechten tijdelijk zijn ingevoerd op voorwaarde van wederuitvoer binnen een vastgestelde termijn;
  • b. goederen waarbij de uitvoer van die goederen voorwaarde is voor teruggaaf van het bij invoer vastgesteld bedrag aan belastingen; of
  • c. goederen waarvoor bij uitvoer een vergunning wordt overgelegd.
2.

In de aangifte ten uitvoer wordt, indien van toepassing, de regeling vermeld op grond waarvan vrijstelling bij invoer is verleend.

3.

Ter verkrijging van teruggaaf van de eventueel ter zake van de invoer gestelde zekerheid, wordt het voor uitvoer afgetekend exemplaar van het document, vergezeld van een verzoek om teruggaaf, ingezonden naar de ambtenaren, die belast zijn met het verlenen van toestemming tot terugbetaling van de gestelde zekerheid.

Artikel 2.59

1.

Inlading en uitvoer van goederen zijn toegestaan op plaatsen waar douanekantoren zijn gevestigd.

2.

De inspecteur kan echter op verzoek, rekening houdend met de aard of met de bestemming van de goederen, toestaan dat de inlading en de uitvoer op andere plaatsen worden verricht.

3.

Voordat goederen worden ingeladen, wordt de aangifte ten uitvoer, met vermelding in ieder geval van:

  • a. de naam van het schip;
  • b. de hoeveelheid en de soort van de goederen volgens de algemene handelsbenaming; en
  • c. de waarde van de goederen;

bij het bevoegde douanekantoor ingediend.

4.

Op de goedkeuring van ruimten, terreinen of andere locaties voor uitgaande opslag als bedoeld in artikel 2.19, eerste lid, van de wetzijn de artikelen 2.21, 2.22 en 2.24 van overeenkomstige toepassing.

5.

Het op de aangifte ten uitvoer afgegeven document wordt, ter dekking van de uitgaande opslag, ingediend bij de ambtenaren, belast met het toezicht op de inslag.

6.

De uitvoer is gerealiseerd zodra de goederen zijn uitgegaan.

7.

Indien voor de opslag in een inrichting voor uitgaande opslag een rekening wordt gehouden, wordt de rekening gedebiteerd op vertoon van het uitvoerdocument. Daarvan wordt aantekening gesteld op het document.

Artikel 2.60

1.

Goederen, die per brief of als postpakket naar het buitenland worden verzonden, behoeven niet te worden getoond aan de ambtenaren, behalve in geval van goederen die voor douanecontrole zijn geselecteerd.

2.

Voor de goederen, bedoeld in het eerste lid, wordt door functionarissen van de Post een douaneverklaring (CN 23) opgemaakt die de aangifte ten uitvoer vervangt, behalve als het gaat om goederen:

  • a. waarvoor bij uitvoer een vergunning wordt overgelegd; of
  • b. waarvoor bij uitvoer andere speciale maatregelen van toepassing zijn.
3.

In de gevallen, bedoeld in het tweede lid, is een aangifte ten uitvoer vereist.

Afdeling 2.15. Het uitgaan van goederen

Artikel 2.61

1.

Degene die voornemens is goederen met een schip of met een luchtvaartuig buiten het grondgebied van één van de BES eilanden te brengen, geeft daarvan vooraf kennis aan de inspecteur en klaart de goederen uit bij het bevoegde douanekantoor.

2.

De uitklaring kan voor over zee uitgaande goederen geschieden door middel van een verklaring tot uitklaring als bedoeld in artikel 2.18, tweede lid, van de wet, met inbegrip van de daarbij behorende vrachtlijsten of goederenmanifesten met de bijbehorende vrachtbrieven.

3.

Voor door de lucht uitgaande goederen kan de uitklaring worden gedaan door inlevering van een verklaring tot uitklaring met daarin vervat een luchtvaartmanifest.

4.

Voor postzendingen wordt de bij de verklaring tot uitklaring behorende vrachtlijsten vervangen door douaneverklaringen.

5.

Op een verklaring tot uitklaring wordt, indien deze aan de daaraan gestelde eisen voldoet, door de ambtenaren een akte tot uitklaring, als bedoeld in artikel 2.18, tweede lid, van de wet afgegeven.

6.

Indien aan alle douaneformaliteiten is voldaan, geeft de inspecteur toestemming tot vertrek, ten blijke waarvan hij een vertrekpas afgeeft op vertoon van de akte van uitklaring.

7.

De vertrekpas wordt door de gezagvoerder vóór het vertrek afgegeven aan een ambtenaar of aan de politie, die het stuk zo spoedig mogelijk ten kantore van de inspecteur bezorgt.

8.

Loodsen of luchtverkeerleiders brengen geen schepen onderscheidenlijk luchtvaartuigen buiten of laten die niet vertrekken zonder zich eerst de vertrekpas te hebben laten tonen.

9.

Uitgaande goederen worden rechtstreeks en onverwijld naar het buitenland gebracht.

Artikel 2.62

1.

Behoudens het recht van visitatie zijn van de verplichting tot uitklaring uitgezonderd de schepen en luchtvaartuigen, die krachtens artikel 2.10, vierde lid, van de wet van inklaring zijn vrijgesteld.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op schepen en luchtvaartuigen, indien ter zake van de uitvoer douaneformaliteiten gelden.

3.

Indien een schip of luchtvaartuig niet aan uitklaring is onderworpen, wordt aan de gezagvoerder, op diens verzoek, door de inspecteur een verklaring verstrekt, gelijkluidend aan een duplicaat-vertrekpas.

4.

Indien de uitklaring van een schip of luchtvaartuig buiten de openingstijden van de douanekantoren wordt verlangd, wordt aan dat verzoek voldaan.

5.

Een binnengebracht schip of luchtvaartuig vertrekt niet zonder toestemming van de inspecteur uit de haven onderscheidenlijk de luchthaven,.

Afdeling 2.16. Diplomatiek goederenverkeer

Artikel 2.63

1.

Een verzoek tot het verlenen van de vrijstelling, bedoeld in artikel 3.92 van de wet, wordt gedaan door het indienen van een aangifte ten invoer.

2.

De aangifte ten invoer wordt ingediend bij de inspecteur door het overleggen van een door het hoofd van de consulaire vertegenwoordiging ondertekende aangifte.

3.

De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is, voor zover het motorrijtuigen betreft, beperkt tot ten hoogste twee personenvoertuigen per consulaire ambtenaar.

Afdeling 2.17. Bijzondere regelingen

Artikel 2.64

1.

De inspecteur kan op verzoek van degene die voornemens is goederen binnen te brengen, toestaan:

  • a. dat de verklaring tot inklaring wordt ingediend; of
  • b. dat een aangifte ten invoer wordt ingediend;

voordat de goederen worden binnengebracht.

2.

Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt elektronisch of schriftelijk ingediend bij de inspecteur. De inspecteur kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden.

3.

Indien niet aan de voorwaarden, bedoeld in het tweede lid, wordt voldaan, wordt de verklaring tot inklaring of de aangifte ten invoer geacht niet te zijn ingediend.

Afdeling 2.18. Geautoriseerde marktdeelnemer

Artikel 2.65

1.

De aanvraag om toekenning van de status van geautoriseerde marktdeelnemer, bedoeld in artikel 2.48 van de wet, wordt elektronisch of schriftelijk ingediend bij de inspecteur.

2.

Indien de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, niet alle benodigde gegevens bevat, verstrekt de marktdeelnemer op verzoek van de inspecteur de relevante gegevens binnen een door deze vastgestelde termijn.

Artikel 2.66

1.

De staat van dienst op het gebied van de naleving van douaneformaliteiten, bedoeld in artikel 2.26, eerste lid, onderdeel a, van het besluit, wordt passend geacht indien in de laatste vijf jaren, te rekenen vanaf het moment waarop de inspecteur de aanvraag heeft ontvangen, geen ernstige of herhaalde overtredingen van de douanewetgeving zijn begaan door:

  • a. de aanvrager;
  • b. personen, die verantwoordelijk zijn voor het bedrijf dat de aanvraag heeft ingediend of die zeggenschap hebben over de leiding van het bedrijf; en
  • c. de voor douanezaken verantwoordelijke persoon in het bedrijf dat de aanvraag heeft ingediend.

Artikel 2.67

Teneinde de inspecteur in staat te stellen te onderzoeken of de aanvrager beschikt over een deugdelijke administratie en administratieve organisatie als bedoeld in artikel 2.26, eerste lid, onderdeel b, van het besluit:

  • a. voert de aanvrager een administratie die in overeenstemming is met de als algemeen aanvaard beschouwde boekhoudkundige principes en die de administratieve douanecontrole vergemakkelijkt;
  • b. verleent de aanvrager de inspecteur fysieke of elektronische toegang tot zijn administratie;
  • c. beschikt de aanvrager over een administratieve organisatie die in overeenstemming is met de soort en de omvang van de bedrijfsactiviteiten en geschikt is voor het beheer van de goederenstroom;
  • d. beschikt de aanvrager over een systeem van interne controles waarmee onrechtmatige of frauduleuze transacties kunnen worden opgespoord;
  • e. past de aanvrager, indien van toepassing, toereikende procedures toe voor het beheer van vergunningen die verband houden met handelspolitieke maatregelen;
  • f. past de aanvrager toereikende procedures toe voor het bewaren van bedrijfsbescheiden en bedrijfsinformatie en ter bescherming tegen informatieverlies;
  • g. ziet de aanvrager erop toe dat werknemers zich bewust zijn van de noodzaak de inspecteur in te lichten indien zich problemen voordoen met de naleving van de douanewetgeving en wijst personen aan die in dat geval contact met de inspecteur opnemen; en
  • h. heeft de aanvrager passende maatregelen genomen om te voorkomen dat onbevoegden zijn computersysteem binnendringen en om zijn documentatie te beschermen.

Artikel 2.68

1.

Aan de voorwaarde van financiële solvabiliteit, bedoeld in artikel 2.26, eerste lid, onderdeel c, van het besluit, wordt de aanvrager geacht te voldoen indien zijn solvabiliteit over de afgelopen drie jaar kan worden aangetoond.

2.

Indien de aanvrager minder dan drie jaar geleden is opgericht, wordt zijn financiële solvabiliteit beoordeeld aan de hand van de beschikbare documenten en informatie.

Artikel 2.69

1.

De veiligheidsnormen van de aanvrager, bedoeld in artikel 2.26, eerste lid, onderdeel e, van het besluit, worden passend geacht indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • a. de gebouwen, die voor de door de vergunning te dekken activiteiten worden gebruikt, zijn gemaakt van materialen, die verhinderen dat onbevoegden zich hiertoe onrechtmatig toegang kunnen verschaffen;
  • b. passende toegangscontrolemaatregelen zijn genomen om onrechtmatige toegang tot verzendingsruimten, los- en laadkades en los- en laaddekken te voorkomen;
  • c. maatregelen zijn genomen om het toevoegen, omwisselen of wegnemen van materialen of andere manipulaties van de goederen bij het laden, lossen, de op- en overslag te voorkomen;
  • d. indien van toepassing, procedures gelden voor de behandeling van in- en/of uitvoervergunningen die verband houden met verboden en beperkingen en om goederen van elkaar te onderscheiden;
  • e. de aanvrager maatregelen heeft genomen om zijn handelspartners duidelijk te kunnen identificeren met het oog op de veiligheid van de internationale toeleveringsketen;
  • f. de aanvrager onderwerpt sollicitanten voor veiligheidsgevoelige functies aan veiligheidsonderzoeken, voor zover de wetgeving dit toelaat, en verricht regelmatig achtergrondcontroles; en
  • g. de aanvrager ziet erop toe dat de betrokken werknemers actief aan programma’s inzake veiligheidsbewustzijn meewerken.

Afdeling 2.19. Identificatiemaatregelen van buitenlandse douaneautoriteiten

Artikel 2.70

De inspecteur kan een identificatiemiddel dat door een buitenlandse douaneautoriteit is aangebracht, aanmerken als een door hemzelf aangebracht identificatiemiddel, tenzij:

  • a. het identificatiemiddel niet veilig is; of
  • b. de inspecteur overgaat tot opname van de goederen.

Afdeling 2.20. Aanwijzing ambtenaar lijfsvisitatie

Artikel 2.71

De directeur van het organisatieonderdeel, genoemd in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, is bevoegd tot het geven van toestemming als bedoeld in artikel 2.66, zesde lid, van de wet voor het vorderen van gehele ontkleding of het onderzoek van het onderlichaam van degene die aan lijfsvisitatie wordt onderworpen.

Afdeling 2.21. Verkoop in bewaring genomen goederen

Artikel 2.72

1.

De verkoop van in bewaring genomen goederen als bedoeld in artikel 2.67 van de wet geschiedt zoveel mogelijk aan het begin van een kalendermaand en geschiedt ten overstaan van een notaris.

2.

De bekendmaking van het voornemen tot de verkoop wordt drie weken, twee weken en één week voorafgaande aan de verkoop gepubliceerd. De bekendmaking kan behalve in het Nederlands ook in het Papiaments of in het Engels worden gedaan.

3.

Voorafgaand aan de verkoop worden ten minste twee kijkdagen gehouden voor het publiek. Daarvan wordt melding gemaakt bij de bekendmaking.

4.

Aan het voornemen tot de verkoop van goederen, die aan spoedige, aanmerkelijke waardevermindering onderhevig zijn of waarvan de bewaring of het onderhoud gevaar oplevert of hoge kosten meebrengt, wordt, in afwijking van het tweede lid, bekendheid gegeven op de tweede, onderscheidenlijk eerste dag, voorafgaande aan de verkoop. Voor dergelijke goederen wordt geen kijkdag gehouden, maar zal de bekendmaking een specifieke omschrijving van de goederen omvatten.

Afdeling 2.22. Model aanslagbiljet

Artikel 2.73

Het aanslagbiljet, bedoeld in artikel 2.78, vierde lid, van de wet, bevat in ieder geval de volgende gegevens:

  • a. de naam, het adres en de woonplaats van de schuldenaar;
  • b. het kenmerk en de datum van de beschikking;
  • c. het bedrag aan rechten, rente, kosten of bestuurlijke boete; en
  • d. een bezwaarclausule.

Afdeling 2.23. Forfaitaire zekerheid

Artikel 2.74

De inspecteur kan uit doelmatigheidsoverwegingen een forfaitaire zekerheid als bedoeld in artikel 2.89, derde lid, van de wet laten stellen voor de tijdelijke invoer van goederen met vrijstelling van invoerrechten.

Afdeling 2.24. Inbeslagneming van goederen

Artikel 2.75

1.

De inspecteur geeft aan de inbeslagneming van goederen van onbekende personen, bedoeld in artikel 2.155, eerste lid, van de wet, bekendheid door het plaatsen van een bekendmaking in ten minste twee plaatselijk verschijnende dagbladen.

2.

De bekendmaking kan behalve in het Nederlands ook in het Papiaments of in het Engels worden gedaan.

Afdeling 2.25. Bestuurlijke boeten

Artikel 2.76

Degene die kennisgevingen, bedoeld in één van de artikelen 2.8, tweede en negende lid, 2.15, eerste lid, 2.16, tweede lid, 2.20, zesde lid, en 2.61, eerste lid, niet doet, pleegt een verzuim ter zake waarvan de inspecteur degene aan wie het verzuim te wijten is een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste USD 140.

Artikel 2.77

Degene die artikel 2.14, vierde lid, overtreedt, pleegt een verzuim ter zake waarvan de inspecteur degene aan wie het verzuim te wijten is een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste USD 140.

Artikel 2.78

Degene die handelingen verricht zonder de daarvoor vereiste toestemming van de inspecteur, bedoeld in één van de artikelen 2.9, zesde lid, 2.12, derde lid, 2.15, tweede lid, 2.20, derde lid, 2.22, tweede lid, 2.23, eerste lid, 2.24, eerste lid, 2.26, tweede lid, en 2.62, vijfde lid, pleegt een verzuim ter zake waarvan de inspecteur degene aan wie het verzuim te wijten is een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste USD 140.

Artikel 2.79

Degene die artikel 2.61, zevende lid, overtreedt, pleegt een verzuim ter zake waarvan de inspecteur degene aan wie het verzuim te wijten is een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste USD 140.

Artikel 2.80

Degene die artikel 2.61, achtste lid, overtreedt, pleegt een verzuim ter zake waarvan de inspecteur degene aan wie het verzuim te wijten is een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste USD 140.

Afdeling 2.26. Beperkingen voor de uit- en doorvoer van strategische goederen

Artikel 2.81

In deze afdeling wordt verstaan onder:

Artikel 2.82

Als militaire goederen worden aangewezen de goederen, opgenomen in de lijst van goederen waarop het Gemeenschappelijk standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie (PbEU 2008, L 335) van toepassing is.

Artikel 2.83

Artikel 2.6 van het besluit is niet van toepassing op de uitvoer en de doorvoer van:

  • a. militaire goederen, bestemd voor gebruik door de Nederlandse krijgsmacht;
  • b. militaire goederen, eigendom van en bestemd voor gebruik door NAVO-strijdkrachten;
  • c. militaire voertuigen, die worden gebruikt door vreemde strijdkrachten bij gelegenheden als staats- of beleefdheidsbezoeken, vlootschouwen of luchtvaartmanifestaties.

Artikel 2.84

1.

De melding inzake de uitvoer of de doorvoer, bedoeld in artikel 2.7 van het besluit, van militaire goederen, waarvoor geen vergunning is vereist op grond van het bij of krachtens het besluit bepaalde, vindt plaats bij de inspecteur.

2.

De melding wordt schriftelijk gedaan door de beschikkingsbevoegde, door degene die voor hem de douaneformaliteiten bij de uitvoer of de doorvoer verricht, of, indien geen douaneformaliteiten worden verricht, door de persoon die de goederen vervoert.

3.

De melding bevat in ieder geval:

  • a. het land van bestemming;
  • b. de naam van de ontvanger van de goederen;
  • c. de omschrijving van de goederen waarop de melding betrekking heeft overeenkomstig de de lijst van goederen, genoemd in artikel 2.82, de merken en nummers, het aantal en de soort van de colli, of voor onverpakte goederen het aantal voorwerpen; en
  • d. een nauwkeurige vermelding van de plaats, bestaande uit de naam van de plaats en de postcode aangevuld met huisnummer, waar de goederen kunnen worden onderzocht.
4.

De inspecteur kan een persoon, die gehouden is om meldingen te doen, schriftelijk toestemming geven de melding anders dan schriftelijk te doen.

5.

De melding wordt gedaan voor inlading in het uitgaande vervoermiddel of, indien het doorvoer betreft uiterlijk op het moment van binnenkomst op het grondgebied van de BES eilanden.

Artikel 2.85

Geen melding is vereist van:

  • a. de doorvoer van goederen die zonder aanlanding worden vervoerd door de territoriale wateren, of door het luchtruim van de BES eilanden; en

Artikel 2.86

1.

Vergunningen worden schriftelijk aangevraagd bij de inspecteur met gebruikmaking van daartoe bestemde formulieren.

2.

Vergunningen worden aangevraagd door de beschikkingsbevoegde, door degene die voor hem de douaneformaliteiten bij de uitvoer of de doorvoer verricht, of, indien geen douaneformaliteiten worden verricht, door de persoon die de goederen vervoert.

3.

Een vergunning voor militaire goederen heeft mede betrekking hebben op meegeleverde reserveonderdelen en toebehoren, voor zover deze worden geleverd uit hoofde van dezelfde overeenkomst die betrekking heeft op de levering van de militaire goederen waarvoor de vergunning is verleend.

4.

De gegevens in de aanvraag worden juist, volledig en zonder voorbehoud verstrekt.

Artikel 2.87

1.

Aan een vergunning kunnen ten minste de volgende voorschriften worden verbonden:

  • a. de goederen, waarop de vergunning betrekking heeft, worden binnen een bij de vergunning te bepalen termijn wederingevoerd, welke wederinvoer wordt aangetoond binnen een maand na de wederinvoer;
  • b. bij elke uitvoer of doorvoer die met de vergunning wordt verricht wordt een factuur gezonden aan de inspecteur. Deze factuur bevat in ieder geval de volgende gegevens:
  • 1°. het nummer van de vergunning;
  • 2°. naam en adres van de ontvanger;
  • 3°. een omschrijving van de uit- of door te voeren goederen, met inbegrip van het postnummer waarmee de desbetreffende goederen zijn aangeduid;
  • 4°. de hoeveelheid en de waarde;
  • c. door middel van een bewijsstuk, zoals een bewijs van ontvangst, een ambtelijk gewaarmerkte kopie van een invoerdocument, of een eindgebruikersverklaring wordt aangetoond dat de goederen de bestemming waarvoor de vergunning is verleend, hebben bereikt.
2.

Een vergunning waarvan geen gebruik zal of kan worden gemaakt wordt onder opgave van redenen terstond ingezonden aan de inspecteur.

3.

De inspecteur kan bij de vergunningaanvraag verzoeken om:

  • a. de overeenkomst die ten grondslag ligt aan de betreffende uit- of doorvoer;
  • b. een verklaring betreffende het eindgebruik.
4.

De minister kan een afgegeven vergunning, indien deze nog niet is gebruikt, in ieder geval intrekken indien:

  • a. de vergunning werd verstrekt op grond van onjuiste of onvolledige gegevens, en
  • b. de aanvrager van de onjuistheid of de onvolledigheid kennis droeg of redelijkerwijze kennis had moeten dragen.

Hoofdstuk 3. Vrijstellingen bij invoer

Afdeling 3.1. Definitieve invoer

Artikel 3.1

1.

De goederen van opvoedkundige, wetenschappelijke of culturele aard, bedoeld in artikel 3.49, eerste lid, van de wet, zijn opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 4a.

2.

De instellingen en organisaties, bedoeld in de artikelen 3.49, tweede lid, 3.115, tweede lid, aanhef en onderdeel b, en 3.117, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de wet, zijn opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 4b.

Artikel 3.2

De instellingen en organisaties, bedoeld in artikel 3.50, aanhef en onderdeel b, van de wet, zijn opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 5.

Artikel 3.3

De instellingen en organisaties, bedoeld in artikel 3.51, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de wet, zijn opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 6.

Artikel 3.4

De instellingen of laboratoria, bedoeld in artikel 3.53, tweede lid, van de wet, zijn opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 7.

Artikel 3.5

De instellingen, bedoeld in de artikelen 3.57,eerste lid, aanhef en onderdeel a en 3.119, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de wet zijn opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 8.

Artikel 3.6

De goederen, bedoeld in artikel 3.72, eerste lid, aanhef en onderdeel f, van de wet, zijn opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 9.

Artikel 3.7

Vrijstelling van de heffing van invoerrechten voor goederen als bedoeld in artikel 3.72, eerste lid, aanhef en onderdeel j, van de wet, wordt verleend indien:

  • a. ten genoegen van de inspecteur wordt aangetoond dat de financiering van de goederen voor rekening van Aruba, Curaçao, Sint Maarten of een internationale organisatie komt; en
  • b. uit de aard en de hoeveelheid van de goederen geen commerciële bijbedoelingen blijken.

Artikel 3.8

1.

De veiligheidsmiddelen, bedoeld in artikel 3.72, eerste lid, aanhef en onderdeel q, van de wet, zijn opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 10.

2.

De hoeveelheid veiligheidsmiddelen die met vrijstelling wordt toegelaten, staat in een redelijke verhouding tot het maximale aantal bemanningsleden en de grootte van het vissersvaartuig.

Afdeling 3.2. Tijdelijke invoer

Artikel 3.9

De ziekenhuizen, bedoeld in artikel 3.118, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de wet, zijn opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 11.

Artikel 3.10

Het toeristisch reclamemateriaal, bedoeld in artikel 3.133, van de wet, is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 12.

Artikel 3.11

De welzijnsgoederen voor zeelieden, bedoeld in artikel 3.135, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de wet, zijn opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 13.

Artikel 3.12

De doeleinden voor dieren, bedoeld in artikel 3.137, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de wet, zijn opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 14.

Artikel 3.13

De grote wegen- en andere bouwwerken, bedoeld in artikel 3.142, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2°, van de wet, zijn opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 15.

Afdeling 3.3. Accijnzen en algemene bestedingsbelasting

Artikel 3.14

Op de accijns zijn de artikelen 3.32 tot en met 3.38, 3.41 tot en met 3.47, 3.53, 3.54, 3.57 tot en met 3.59, 3.64, 3.65, 3.75 tot en met 3.77 en 3.86 tot en met 3.89 van de wet van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:

  • a. de vrijstelling bedoeld in artikel 3.45 van de wet niet geldt voor gedistilleerd dat wordt ingevoerd door reizigers jonger dan 18 jaar;
  • b. de vrijstelling bedoeld in artikel 3.86 van de wet voor accijns niet geldt wanneer de uitvoer rechtstreeks vanuit een accijnsgoederenplaats plaatsvond of teruggaaf van accijns is verleend.

Artikel 3.15

1.

Op de algemene bestedingsbelasting zijn de vrijstellingen in hoofdstuk III van de wet van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:

  • a. die vrijstellingen niet van toepassing zijn, indien goederen na uit het vrije verkeer te zijn uitgevoerd uit één van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba weer in dat openbaar lichaam worden ingevoerd, en ter zake van die uitvoer een tarief van nihil, als bedoeld in artikel 6.10, tweede lid, onderdeel c, van de Belastingwet BES, is toegepast;
  • b. de vrijstelling bedoeld in artikel 3.45 van de wet niet geldt voor gedistilleerd dat wordt ingevoerd door reizigers jonger dan achttien jaar;
  • d. de vrijstelling voor vis bedoeld in artikel 3.72, eerste lid, onderdeel i, van de wet, alleen van toepassing is indien de exploitant van een in dat onderdeel bedoeld klein vissersvaartuig na terugkeer van de visvangst met het aanbrengen en verkopen van zijn vangst per kalenderjaar een omzet behaalt exclusief algemene bestedingsbelasting van USD 20.000 of minder; en
  • e. de vrijstelling voor in artikel 3.72, eerste lid, onderdeel p, van de wet, bedoelde verpakkingsmiddelen en andere goederen alleen van toepassing is, voor zover die verpakkingsmiddelen en andere goederen worden ingevoerd om te worden gebruikt bij de uitvoer van goederen of bij wederinvoer van die verpakkingsmiddelen en andere goederen, voor zover bij daaraan voorafgaande invoer algemene bestedingsbelasting ter zake van die invoer verschuldigd is geworden.
2.

Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef, onderdeel d, dient de exploitant overeenkomstig artikel 6.22, eerste lid, van de Belastingwet BES een schriftelijk verzoek in bij de inspecteur waarna dat artikel op hem van overeenkomstige toepassing is.

Hoofdstuk 4. Accijns

Afdeling 4.1. Algemeen

Artikel 4.1

1.

Het tijdvak waarover de accijns wordt betaald is de kalendermaand.

2.

In bijzondere gevallen kan de inspecteur een ander tijdvak aanwijzen waarover de accijns wordt betaald.

Artikel 4.2

Degene die bier in geconcentreerde of in vaste vorm uitslaat of invoert, is op verzoek van de inspecteur gehouden alle gegevens te verstrekken die het mogelijk maken op eenvoudige wijze het volume van het bier te herleiden tot het in artikel 4.10, tweede lid, van de wet bedoelde volume van voor gebruik gereed bier.

Artikel 4.3

1.

De hoeveelheden, bedoeld in artikel 4.23, eerste lid, onderdeel b, van de wet zijn:

  • a. bier 20.000 L;
  • b. wijn 2.500 L;
  • c. overige alcoholhoudende producten 2.500 L;
  • d. benzine 2.500 L.
2.

De inspecteur kan, onder door hem te stellen voorwaarden, in afwijking van het eerste lid, een vergunning voor een accijnsgoederenplaats verlenen indien de gemiddelde voorraad lager is dan de daar bedoelde hoeveelheden.

Artikel 4.4

In afwijking van artikel 4.23, tweede lid, van de wet kunnen als accijnsgoederenplaats in aanmerking komen:

  • a. plaatsen van waaruit groothandelaren in wijn rechtstreeks aan particulieren verkopen;
  • b. plaatsen, gelegen op een luchthaven of op een haventerrein, van waaruit goederen worden meegevoerd in de persoonlijke bagage van een reiziger die zich door de lucht of over zee begeeft naar het buitenland.

Artikel 4.5

1.

Indien de inspecteur op grond van artikel 3.4 van het besluit voorwaarden stelt voor een vergunning voor een accijnsgoederenplaats waar accijnsgoederen worden vervaardigd, kan daarbij worden bepaald dat ter zake van de vervaardiging werkaangiften worden gedaan.

2.

De werkaangiften worden ten minste twee werkdagen voor de aanvang van de vervaardiging ingediend bij de inspecteur.

3.

In de werkaangifte worden vermeld:

  • a. de voorgenomen te vervaardigen hoeveelheden; en
  • b. de tijdstippen waarop de vervaardiging wordt aangevangen en beëindigd.
4.

De werkaangifte kan per werkweek geschieden.

5.

Indien overige alcoholhoudende producten worden vervaardigd, kan de inspecteur het gebruik van een ambtelijk afgesloten opvangreservoir voorschrijven.

Artikel 4.6

In een verzoek om een vergunning voor een accijnsgoederenplaats worden met betrekking tot hetgeen in artikel 4.25 van de wet is bepaald, in elk geval vermeld:

  • a. een omschrijving van de aard van het bedrijf waaruit onder meer blijkt of de vergunning ook wordt gevraagd voor de vervaardiging van de desbetreffende accijnsgoederen of uitsluitend voor het voorhanden hebben van de desbetreffende accijnsgoederen;
  • b. het adres van de plaats waar de accijnsgoederenplaats wordt gevestigd;
  • c. een omschrijving van de administratie en de administratieve organisatie, en het adres waar de administratie wordt gehouden;
  • d. met betrekking tot accijnsgoederenplaatsen waar overige alcoholhoudende producten worden vervaardigd, het aantal en de inhoud van de apparaten waarin de vervaardiging plaatsvindt; en
  • e. met betrekking tot accijnsgoederenplaatsen waar bier wordt vervaardigd, het aantal en de inhoud van de bierketels waarin het wort wordt gekookt.

Afdeling 4.2. Aangifte

Artikel 4.7

1.

Een vergunninghouder van een accijnsgoederenplaats die ook vergunninghouder is van één of meer andere accijnsgoederenplaatsen kan op verzoek in afwijking van artikel 4.36, tweede lid, van de wet, één aangifte voor die plaatsen tezamen doen indien:

  • a. de administratie van de desbetreffende accijnsgoederenplaatsen op één centrale plaats wordt gevoerd; en
  • b. de centrale administratie en de administratieve organisatie van de desbetreffende accijnsgoederenplaatsen zodanig is dat het toezicht op de heffing is gewaarborgd en uit de administratie op duidelijke wijze blijkt op welke accijnsgoederenplaats de onderscheiden posten van die aangifte betrekking hebben.
2.

De toestemming voor toepassing van het eerste lid wordt opgenomen in de vergunningen voor de desbetreffende accijnsgoederenplaatsen. Daarbij kunnen aanvullende voorwaarden worden opgenomen over het doen van de verzamelaangifte en de wijze waarop de administratie en de administratieve organisatie van de desbetreffende accijnsgoederenplaatsen zijn ingericht.

3.

Op de toestemming zijn de artikelen 4.26 tot en met 4.33 van de wet van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 4.2. Aangifte

Artikel 4.8

1.

De zekerheid, bedoeld in artikel 4.39 van de wet, wordt bepaald op basis van het accijnsbelang.

2.

Het accijnsbelang is de som van het bedrag aan accijns dat wordt vertegenwoordigd door de hoeveelheid accijnsgoederen die:

  • a. gemiddeld in de accijnsgoederenplaats voorhanden is;
  • b. gemiddeld in een aangiftetijdvak wordt uitgeslagen;
  • c. gemiddeld in een aangiftetijdvak wordt overgebracht naar een andere accijnsgoederenplaats of naar het buitenland;
  • d. gemiddeld in een aangiftetijdvak met een vervoersopdracht vanuit het buitenland, vanuit een douane-entrepot of een handels- en dienstenentrepot dan wel vanuit een plaats voor tijdelijke opslag wordt overgebracht naar de accijnsgoederenplaats.
3.

Indien zekerheid wordt gesteld ter verkrijging van uitstel van betaling als bedoeld in artikel 4.54, tweede lid, van de wet, van het bedrag aan accijns dat aangevraagde accijnszegels vertegenwoordigen, is het accijnsbelang gelijk aan het bedrag waarvoor gemiddeld uitstel van betaling wordt verleend.

4.

Indien op grond van artikel 4.7 toestemming is verleend voor het doen van één aangifte voor twee of meer accijnsgoederenplaatsen worden de afzonderlijke zekerheidstellingen voor de desbetreffende accijnsgoederenplaatsen vervangen door één zekerheid die voor die accijnsgoederenplaatsen tezamen van toepassing is. Het hierbij in acht te nemen accijnsbelang wordt gevormd door het totale accijnsbelang dat op basis van het tweede lid en het derde lid voor de desbetreffende accijnsgoederenplaatsen is vastgesteld.

5.

De zekerheid bedraagt ten minste 5 percent en ten hoogste 100 percent van het accijnsbelang met een maximum van USD 6.500.000.

Artikel 4.9

De vrijstelling van accijns, bedoeld in artikel 4.50, van de wet, is uitsluitend van toepassing op ethylalcohol en andere alcoholhoudende producten als bedoeld in artikel 4.13, onderdelen a en d, van de wet die zijn vermengd op een wijze als is omschreven in bijlage A.2 bij de Uitvoeringsregeling accijns.

Afdeling 4.3A. Vrijstelling

Artikel 4.10

1.

Sigaren, cigarillo’s en rooktabak behoeven bij de uitslag en invoer niet te zijn voorzien van accijnszegels.

2.

Tabaksproducten die door reizigers voor eigen behoeften als bagage worden meegenomen vanuit het buitenland, behoeven niet te zijn voorzien van accijnszegels.

Artikel 4.11

1.

Indien een vergunninghouder van een accijnsgoederenplaats voor tabaksproducten accijnszegels aanvraagt voor tabaksproducten die buiten Bonaire van die zegels worden voorzien, houdt hij daarvan afzonderlijk aantekening in zijn administratie.

2.

De accijnszegels bestemd om te worden aangebracht op de verpakking van tabaksproducten worden met kleefstof geheel op de verpakking bevestigd en wel zodanig dat de verpakking op de voor opening bestemde plaats of plaatsen niet kan worden geopend zonder dat de accijnszegels worden gescheurd of doorgesneden.

3.

De verpakking van tabaksproducten omvat de inhoud geheel. De verpakking kan zonder beschadiging niet anders worden geopend dan op ten hoogste twee daarvoor bestemde en duidelijk herkenbare plaatsen. Het materiaal van de verpakking op de plaats waar het accijnszegel wordt bevestigd, is zodanig dat een duurzame bevestiging wordt verkregen.

4.

De verpakking mag geen andere voorwerpen bevatten dan tabaksproducten. Evenmin mag de verpakking zodanig van aard en vorm zijn dat daarmee ook een later gebruik voor andere doeleinden wordt beoogd.

Artikel 4.12

1.

Op verzoek van degene die de accijnszegels heeft aangevraagd, worden accijnszegels die zijn beschadigd of al zijn aangebracht op de verpakkingen die de accijnsgoederenplaats nog niet hebben verlaten, onder ambtelijk toezicht vernietigd.

2.

Het eerste lid is ook van toepassing op tabaksproducten die zijn uitgeslagen uit de accijnsgoederenplaats of zijn ingevoerd, indien de tabaksproducten door degene die de accijnszegels heeft aangevraagd, zijn teruggenomen.

Artikel 4.13

1.

Op verzoek van degene die de accijnszegels heeft aangevraagd, wordt teruggaaf verleend van het bedrag aan accijns dat accijnszegels vertegenwoordigen die:

  • a. door hem niet-beschadigd zijn teruggezonden;
  • b. zijn verloren gegaan ten gevolge van overmacht of ongeval; of
  • c. onder ambtelijk toezicht zijn vernietigd;
2.

Het verzoek bevat de opgaaf van de soort en de hoeveelheid van de accijnszegels en het bedrag aan accijns dat zij vertegenwoordigen.

3.

Het verzoek wordt ingediend:

  • a. gelijktijdig met het terugzenden van de accijnszegels;
  • b. binnen een maand na het tijdstip van het verloren gaan; of
  • c. gelijktijdig met het verzoek tot het onder ambtelijk toezicht vernietigen.
4.

Degene die de accijnszegels heeft aangevraagd, doet van het verloren gaan van de accijnszegels onverwijld mededeling aan de inspecteur onder opgaaf van het tijdstip, de plaats en de oorzaak van het verloren gaan.

5.

De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.

6.

Voor accijnszegels die zijn beschadigd of verloren zijn gegaan, vindt teruggaaf slechts plaats voor zover het bedrag van de accijns met zekerheid is vast te stellen.

Artikel 4.14

Tegen overlegging van de in artikel 4.13, vijfde lid, bedoelde beschikking aan de inspecteur door wiens bemiddeling de accijnszegels zijn aangevraagd, wordt, indien degene die de accijnszegels heeft aangevraagd op de voet van artikel 4.54 van de wet uitstel van betaling geniet, het in de beschikking vermelde bedrag aan accijns, voor zover mogelijk, verrekend met de openstaande bedragen, te beginnen met de jongste post; in andere gevallen geschiedt de teruggaaf door uitbetaling door de ontvanger.

Afdeling 4.4. Accijnszegels

Artikel 4.15

1.

Als een in artikel 3.8, tweede lid, van het besluit bedoeld bescheid kan dienen een factuur of een vervoersbescheid. Indien het bescheid betrekking heeft op het vervoer van wijn kan, in plaats van de factuur of het vervoersbescheid, als bescheid ook dienen een etiket dat op de andere verpakking dan de rechtstreekse verpakking van de wijn is aangebracht.

2.

Een kopie van het bescheid wordt bij de administratie bewaard.

3.

Op het bescheid worden de volgende gegevens vermeld:

  • a. de plaats en dagtekening van afgifte;
  • b. de naam, het adres en de hoedanigheid van de afzender;
  • c. de naam, het adres en de hoedanigheid van de ontbieder en de plaats waar het pand zich bevindt waar de goederen naartoe worden vervoerd;
  • d. de soort van de accijnsgoederen naar de onderscheidingen van de wet en de hoeveelheid van de accijnsgoederen; en
  • e. de merken en nummers, aantal en soort van de verpakkingen.

Artikel 4.16

Op het in artikel 3.9 van het besluit bedoelde bescheid van herkomst voor ruwe en voor gedeeltelijk tot verbruik bereide tabak is artikel 4.15 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.17

Als distilleertoestellen als bedoeld in artikel 4.66 van de wet worden aangewezen de in bijlage A.3 bij de Uitvoeringsregeling accijns omschreven toestellen.

Hoofdstuk 5. Handels- en dienstenentrepots

Artikel 5.1

1.

In een handels- en dienstenentrepot mogen geen goederen aanwezig zijn waarvoor een in-, uit- of doorvoerverbod geldt, tenzij ontheffing van dat verbod is verleend.

2.

Artikel 2.43 van het besluit is van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Artikel 6.1

1.

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de wet in werking treedt.

2.

Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling Douane- en Accijnswet BES.

Bijlagen

De bijlagen zijn genummerd van 1 tot en met 15, met dien verstande dat bijlage 4 bestaat uit bijlage 4a en bijlage 4b.

Bijlagen

De bijlagen zijn genummerd van 1 tot en met 15, met dien verstande dat bijlage 4 bestaat uit bijlage 4a en bijlage 4b.

Bijlage 1

Model van het formulier D.V. 1 voor de aangifte van gegevens inzake de douanewaarde, bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, van de regeling

Bijlage 2

Model van het formulier voor de aanvullende lijst D.V. 1 – BIS, bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, van de regeling

Bijlage 3

Model van het formulier enig document: basisset (kantoorexemplaar) en bislijst, bedoeld in artikel 2.5 van de regeling

Bijlage 4a

Goederen van opvoedkundige, wetenschappelijke of culturele aard, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de regeling

    1. Cinematografische films, positief, van opvoedkundige, wetenschappelijke of culturele aard.
    1. Fotografische platen en films, belicht en ontwikkeld, andere dan cinematografische film, van opvoedkundige, wetenschappelijke of culturele aard.
    1. Cinematografische films, belicht en ontwikkeld, waarop al dan niet geluid is vastgelegd of waarop uitsluitend geluid is vastgelegd, andere dan voor offsetreproductie, microfilm en grafische doeleinden:
  • –. filmjournaals (al dan niet met geluid), die gebeurtenissen vertonen die op het moment van invoer actueel zijn en waarvan ten hoogste twee kopieën per onderwerp voor reproductiedoeleinden worden ingevoerd;
  • –. archieffilms (al dan niet met geluid) bestemd om aan nieuwsfilms te worden toegevoegd;
  • –. ontspanningsfilms, die vooral voor kinderen en jongeren geschikt zijn elders genoemd noch elders onder begrepen, van opvoedkundige, wetenschappelijke of culturele aard.
    1. Drukwerk, prenten, gravures en foto’s daaronder begrepen, anders dan kalenders, prentbriefkaarten en briefkaarten, gedrukte kaarten met persoonlijke wensen of mededelingen, decalcomanieën, postzegels, fiscale zegels, gedrukte cartografische werken (waaronder atlassen en landkaarten), geschreven of gedrukte muziek, couranten, tijdschriften, boeken, brochures en dergelijk drukwerk, anders dan reclamedrukwerk, handelscatalogi en dergelijke, anders dan niet gevouwen bladen zonder tekst, opschrift, onderschrift of kantschrift, enkel voorzien van illustraties of afbeeldingen: microkaarten of andere dragers, die gebruikt worden door voorlichtings- en documentatiediensten, die gebruik maken van een computer, van opvoedkundige, wetenschappelijke of culturele aard.
    1. Grammofoonplaten, banden en andere dragers voor het opnemen van geluid of voor dergelijke doeleinden, waarop is opgenomen, galvanische vormen en matrijzen voor het maken van platen daaronder begrepen, andere dan de producten voor fotografie en cinematografie, van opvoedkundige, wetenschappelijke of culturele aard.
    1. Instrumenten, apparaten, toestellen en modellen, bestemd voor het geven van demonstraties (bijvoorbeeld voor onderwijs of voor tentoonstellingen), niet bruikbaar voor andere doeleinden: modellen, maquettes en wandkaarten van opvoedkundige, wetenschappelijke of culturele aard, uitsluitend bestemd voor demonstratie- en onderwijsdoeleinden.
    1. Hologrammen voor projectie met laserstraal.
    1. Verkleinde visuele maquettes of modellen van abstracte vormen zoals molecuulstructuren of wiskundige formules.
    1. Multimediaseries.
    1. Geprogrammeerd onderwijsmateriaal, ook in sets, vergezeld van het overeenkomstig gedrukte materiaal.

Bijlage 4b

Instellingen en organisaties, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, van de regeling

Bonaire

    1. Stichting Rooms-Katholieke Schoolbestuur Bonaire;
    1. Stichting ‘Sebiki’;
    1. Stichting Prinses Beatrix Jeugdwerk (Jong Bonaire);
    1. Dutch Caribbean Junior Chamber (Jaycees: Leadership training organisation);
    1. SIFMA;
    1. Bibliotheek van Bonaire;
    1. Museum Boneriano;
    1. Museum Washington Park;
    1. Museum Kadimo;
    1. Museum Mangasina di Rei;
    1. Museum di Belua;
    1. Museum Grafiko;
    1. Museum Real Rincon.

Sint Eustatius

    1. Bethel Methodist School;
    1. Golden Rock School;
    1. Seventh Day Adventist School;
    1. Gwendoline van Putten School;
    1. Gertrude Judson Library;
    1. Bicentennial Library.

Saba

    1. Saba Educational Foundation;
    1. Stichting Katholiek Onderwijs Saba;
    1. Queen Wilhelmina Library Foundation;
    1. Child Focus Foundation;
    1. Saba Conservation Foundation;
    1. Foundation Social Workplace Saba;
    1. Saba Cultural Foundation;
    1. Sea & learn Foundation;
    1. Artisan Foundation.

Bijlage 5

Instellingen en organisaties, bedoeld in artikel 3.2 van de regeling

Bonaire

    1. Museum Boneriano;
    1. Museum Washington Park;
    1. Museum Kadimo;
    1. Museum Mangasina di Rei;
    1. Museum di Belua;
    1. Museum Grafiko;
    1. Museum Real Rincon.

Sint Eustatius

    1. Simon Doncker Museum;
    1. Sint Eustatius Historical Foundation Museum.

Saba

    1. Harry L. Johnson Museum;
    1. The Oswald Simmons Museum.

Bijlagen

De bijlagen zijn genummerd van 1 tot en met 15, met dien verstande dat bijlage 4 bestaat uit bijlage 4a en bijlage 4b.

Bijlagen

De bijlagen zijn genummerd van 1 tot en met 15, met dien verstande dat bijlage 4 bestaat uit bijlage 4a en bijlage 4b.

Bijlagen

De bijlagen zijn genummerd van 1 tot en met 15, met dien verstande dat bijlage 4 bestaat uit bijlage 4a en bijlage 4b.

Bijlage 1

Model van het formulier D.V. 1 voor de aangifte van gegevens inzake de douanewaarde, bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, van de regeling

Bijlage 2

Model van het formulier voor de aanvullende lijst D.V. 1 – BIS, bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, van de regeling

Bijlage 3

Model van het formulier enig document: basisset (kantoorexemplaar) en bislijst, bedoeld in artikel 2.5 van de regeling

Bijlage 4a

Goederen van opvoedkundige, wetenschappelijke of culturele aard, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de regeling

    1. Cinematografische films, positief, van opvoedkundige, wetenschappelijke of culturele aard.
    1. Fotografische platen en films, belicht en ontwikkeld, andere dan cinematografische film, van opvoedkundige, wetenschappelijke of culturele aard.
    1. Cinematografische films, belicht en ontwikkeld, waarop al dan niet geluid is vastgelegd of waarop uitsluitend geluid is vastgelegd, andere dan voor offsetreproductie, microfilm en grafische doeleinden:
  • –. filmjournaals (al dan niet met geluid), die gebeurtenissen vertonen die op het moment van invoer actueel zijn en waarvan ten hoogste twee kopieën per onderwerp voor reproductiedoeleinden worden ingevoerd;
  • –. archieffilms (al dan niet met geluid) bestemd om aan nieuwsfilms te worden toegevoegd;
  • –. ontspanningsfilms, die vooral voor kinderen en jongeren geschikt zijn elders genoemd noch elders onder begrepen, van opvoedkundige, wetenschappelijke of culturele aard.
    1. Drukwerk, prenten, gravures en foto’s daaronder begrepen, anders dan kalenders, prentbriefkaarten en briefkaarten, gedrukte kaarten met persoonlijke wensen of mededelingen, decalcomanieën, postzegels, fiscale zegels, gedrukte cartografische werken (waaronder atlassen en landkaarten), geschreven of gedrukte muziek, couranten, tijdschriften, boeken, brochures en dergelijk drukwerk, anders dan reclamedrukwerk, handelscatalogi en dergelijke, anders dan niet gevouwen bladen zonder tekst, opschrift, onderschrift of kantschrift, enkel voorzien van illustraties of afbeeldingen: microkaarten of andere dragers, die gebruikt worden door voorlichtings- en documentatiediensten, die gebruik maken van een computer, van opvoedkundige, wetenschappelijke of culturele aard.
    1. Grammofoonplaten, banden en andere dragers voor het opnemen van geluid of voor dergelijke doeleinden, waarop is opgenomen, galvanische vormen en matrijzen voor het maken van platen daaronder begrepen, andere dan de producten voor fotografie en cinematografie, van opvoedkundige, wetenschappelijke of culturele aard.
    1. Instrumenten, apparaten, toestellen en modellen, bestemd voor het geven van demonstraties (bijvoorbeeld voor onderwijs of voor tentoonstellingen), niet bruikbaar voor andere doeleinden: modellen, maquettes en wandkaarten van opvoedkundige, wetenschappelijke of culturele aard, uitsluitend bestemd voor demonstratie- en onderwijsdoeleinden.
    1. Hologrammen voor projectie met laserstraal.
    1. Verkleinde visuele maquettes of modellen van abstracte vormen zoals molecuulstructuren of wiskundige formules.
    1. Multimediaseries.
    1. Geprogrammeerd onderwijsmateriaal, ook in sets, vergezeld van het overeenkomstig gedrukte materiaal.

Bijlage 4b

Instellingen en organisaties, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, van de regeling

Bonaire

    1. Stichting Rooms-Katholieke Schoolbestuur Bonaire;
    1. Stichting ‘Sebiki’;
    1. Stichting Prinses Beatrix Jeugdwerk (Jong Bonaire);
    1. Dutch Caribbean Junior Chamber (Jaycees: Leadership training organisation);
    1. SIFMA;
    1. Bibliotheek van Bonaire;
    1. Museum Boneriano;
    1. Museum Washington Park;
    1. Museum Kadimo;
    1. Museum Mangasina di Rei;
    1. Museum di Belua;
    1. Museum Grafiko;
    1. Museum Real Rincon.

Sint Eustatius

    1. Bethel Methodist School;
    1. Golden Rock School;
    1. Seventh Day Adventist School;
    1. Gwendoline van Putten School;
    1. Gertrude Judson Library;
    1. Bicentennial Library.

Saba

    1. Saba Educational Foundation;
    1. Stichting Katholiek Onderwijs Saba;

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)