← Geldende tekst · Geschiedenis

Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, nr. DMO-OHW-U-3065710, houdende regels omtrent de bekostiging van de uitvoering van de taken van de Pensioen- en Uitkeringsraad en de Sociale verzekeringsbank, genoemd inde Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Bekostigingsregeling Wuvo)

Geldende tekst a fecha 2011-01-01

Gelet op artikel 9, tweede lid, van de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen en de artikelen 14, tweede lid, en 26 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen;

Besluit:

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2

De Raad zendt de minister jaarlijks vóór 1 oktober een begroting voor het daaropvolgende jaar en een meerjarenraming voor de vier jaren daarna.

Artikel 3

In de begroting en de meerjarenraming van de Raad worden de volgende onderdelen onderscheiden:

Artikel 4
1.

De bijdrage in de kosten, bedoeld in artikel 3, onderdeel a en onderdeel b, onder 2, bestaat voor de onderscheiden kosten uit de werkelijk gemaakte kosten tot een door de minister jaarlijks te bepalen maximum.

2.

De bijdrage in de kosten, bedoeld in artikel 3, onderdeel b, onder 1 en 3, bestaat uit de werkelijk gemaakte kosten.

Artikel 5
1.

De voorzitter van de Raad wordt naar rato bezoldigd volgens het hoogste salarisnummer behorende bij schaal 17 als vermeld in Bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, uitgaande van een gemiddelde arbeidsduur van 20 uur per week.

2.

De plaatsvervangend voorzitter van de Raad wordt naar rato bezoldigd volgens het hoogste salarisnummer behorende bij schaal 16 als vermeld in Bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, uitgaande van een gemiddelde arbeidsduur van 12 uur per week.

3.

De leden van de Raad, niet zijnde de voorzitter of de plaatsvervangend voorzitter, ontvangen voor hun werkzaamheden voor de Raad een schadeloosstelling. Gebaseerd op een uurloon dat is afgeleid van het hoogste salarisnummer behorende bij schaal 14, als vermeld in Bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, bedraagt deze voor:

4.

Indien een van de in het derde lid bedoelde leden de voorzitter vervangt bij:

5.

De bedragen genoemd in het derde lid worden aangepast overeenkomstig de aanpassing van de salarissen van de rijksambtenaren.

6.

De leden van de Raad hebben recht op een vergoeding voor reiskosten overeenkomstig het Reisbesluit binnenland en het Reisbesluit buitenland.

Artikel 6
1.

De controle door de accountant, bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, van de jaarrekening van de Raad, geschiedt overeenkomstig een door de Minister vastgesteld protocol.

2.

De Raad en de accountant, bedoeld in het eerste lid, werken mee aan de door de Rijksauditdienst in te stellen onderzoeken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de taak van die dienst.

Artikel 7

De Sociale verzekeringsbank zendt de minister jaarlijks vóór 1 oktober een begroting voor het daaropvolgende jaar en een meerjarenraming voor de vier jaren daarna betreffende:

Artikel 8

In de begroting en de meerjarenraming van de Sociale verzekeringsbank genoemd in artikel 7, onder a, worden de volgende onderdelen onderscheiden:

Artikel 9
1.

De Sociale verzekeringsbank ontvangt voor de kosten genoemd in artikel 8, onderdelen a, en b, onder 4, een door de minister jaarlijks voor 1 december vastgesteld bedrag.

2.

De Sociale verzekeringsbank ontvangt voor de kosten genoemd in artikel 8, onderdeel b, onder 1 tot en met 3, een vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten.

Artikel 10
1.

De controle door de accountant, bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, van de jaarrekening van de Sociale verzekeringsbank betreffende de uitvoering van de taken, genoemd in artikel 6 van de wet, geschiedt overeenkomstig een door de Minister vastgesteld protocol.

2.

De accountant die de verklaring, bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen afgeeft, rapporteert binnen drie maanden na afloop van het boekjaar aan de minister omtrent de uitvoering van de taken, genoemd in artikel 6 van de wet en de naleving van het bij of krachtens wet bepaalde.

3.

De Sociale verzekeringsbank en de in het eerste lid bedoelde accountant werken mee aan de door de Rijksauditdienst in te stellen onderzoeken betreffende de uitvoering van de taken, genoemd in artikel 6 van de wet, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de taak van die dienst.

Artikel 11
1.

Ten behoeve van de opbouw van de egalisatiereserve ontvangt de Sociale verzekeringsbank in 2011 een bijdrage van € 500 000. Indien uit de jaarrekening 2011 blijkt dat de egalisatiereserve per 31 december 2011 hoger is dan 10% van de vergoeding, bedoeld in artikel 9, eerste lid, stort de Sociale verzekeringsbank het meerdere in 2012 terug.

2.

Indien de egalisatiereserve per 31 december 2011 gelijk is aan 10% van de vergoeding bedoeld in artikel 9, eerste lid, wordt er in 2012 geen bijdrage aan de opbouw van de egalisatiereserve uitgekeerd. Indien de egalisatiereserve per 31 december 2011 lager is dan 10% van de vergoeding bedoeld in artikel 9, eerste lid, wordt een bijdrage uitgekeerd die de egalisatiereserve per 31 december 2011 aanvult tot maximaal 10% van de vergoeding, bedoeld in artikel 9, eerste lid, met dien verstande dat de bijdrage aan de egalisatiereserve in 2012 maximaal € 500 000 bedraagt.

Artikel 12

De Sociale verzekeringsbank verschaft de minister periodiek de volgende informatie:

Artikel 13

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2011.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.