Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn (RSP)
Deel I. Algemene bepalingen
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen voor de delen I, II en III
Artikel 1.01. Toepassingsgebied
Dit reglement is van toepassing op
- a). schepen met een lengte van 20 m of meer;
- b). schepen waarvan het product van L. B. T gelijk is aan een inhoud van 100 m3 of meer;
- c). sleep- en duwboten die ervoor zijn ingericht, vaartuigen als bedoeld in de onderdelen a, b of f te slepen, te duwen of langszij vastgemaakt mee te voeren;
- d). schepen die een toelatingscertificaat als bedoeld in het ADN-Reglement bezitten;
- e). passagiersschepen;
- f). drijvende werktuigen
tenzij in dit reglement anders is bepaald.
Artikel 1.02. Begripsbepalingen
In dit reglement wordt verstaan onder:
-
- ‘vaartuig’: een binnenschip, een zeeschip of een drijvend werktuig;
-
- ‘binnenschip’: een schip dat uitsluitend of overwegend voor de vaart op binnenwateren bestemd is;
-
- ‘zeeschip’: een schip dat voor de zee- of kustvaart is toegelaten en overwegend daartoe bestemd is;
-
- ‘motorschip’: een schip dat voor het vervoer van goederen bestemd is en door middel van zijn eigen mechanische middelen tot voortbeweging zelfstandig kan varen;
-
- ‘veerpont’: een schip dat een veerdienst onderhoudt waarbij de vaarweg wordt overgestoken en door de bevoegde autoriteit als veerpont wordt aangemerkt;
-
- ‘overheidsvaartuig’: een schip dat ter uitvoering van overheidstaken wordt ingezet;
-
- ‘brandweerboot’: een schip dat ter uitvoering van hulpverlening wordt ingezet;
-
- ‘sleepboot’: een schip dat speciaal gebouwd is om te slepen;
-
- ‘duwboot’: een schip dat speciaal gebouwd is voor het voortbewegen van een duwstel;
-
- ‘sleepschip’: een schip dat bestemd is voor het vervoer van goederen en is gebouwd om te worden gesleept, met of zonder eigen mechanische middelen tot voortbeweging waardoor slechts verplaatsingen over kleine afstanden mogelijk zijn;
-
- ‘duwbak’: een schip dat is bestemd voor het vervoer van goederen en gebouwd of in het bijzonder geschikt is om te worden geduwd, met of zonder eigen mechanische middelen tot voortbeweging, waardoor slechts verplaatsingen over kleine afstanden mogelijk zijn, wanneer het geen deel uitmaakt van een duwstel;
-
- ‘passagiersschip’: een schip dat is gebouwd en ingericht voor het vervoer van meer dan 12 passagiers;
-
- ‘schip voor dagtochten’: een passagiersschip zonder hutten voor overnachting van passagiers;
-
- ‘hotelschip’: een passagiersschip met hutten voor overnachting van passagiers;
-
- ‘drijvend werktuig’: een drijvend bouwsel waarop zich werkinstallaties bevinden zoals kranen, baggermolens, hei-installaties, elevatoren;
-
- ‘pleziervaartuig’: een vaartuig dat bestemd is en aantoonbaar gebruikt wordt voor sportieve of recreatieve doeleinden en waarvan de personen aan boord voor sportieve of recreatieve doeleinden varen;
-
- ‘samenstel’: een hecht samenstel of een sleep;
-
- ‘hecht samenstel’ : een duwstel of een gekoppeld samenstel;
-
- ‘duwstel’: een hecht samenstel van vaartuigen, waarvan er ten minste één geplaatst is vóór het schip of de twee schepen met motoraandrijving die dienen voor het voortbewegen van het samenstel en worden aangeduid als ‘duwboot’ of ‘duwboten’. Hieronder wordt ook een duwstel verstaan dat is samengesteld uit een duwend en een geduwd vaartuig waarvan de koppelingen een beheerst knikken mogelijk maken;
-
- ‘gekoppeld samenstel’: een hecht samenstel van langszij aan elkaar vastgemaakte schepen die geen van beide vóór het motorschip geplaatst zijn dat voor het voortbewegen van het samenstel dient;
-
- ‘sleep’: een samenstel van één of meer vaartuigen, drijvende inrichtingen of drijvend materieel dat wordt gesleept door één of meer tot het samenstel behorende vaartuigen met motoraandrijving;
-
- ‘groot konvooi’: een duwstel waarbij het product van de totale lengte en totale breedte van de geduwde vaartuigen 7.000 m2 of meer bedraagt;
-
- ‘lengte of L’: de grootste lengte van de scheepsromp in meters, gemeten zonder roer en boegspriet;
-
- ‘breedte of B’: de grootste breedte van de scheepsromp in meters, gemeten op de buitenkant van de huidbeplating (zonder schoepraderen, schuurlijsten en dergelijke);
-
- ‘diepgang of T’: de verticale afstand in meters van het laagste punt van de scheepsromp zonder rekening te houden met de kiel of andere vaste onderdelen tot het vlak van de grootste inzinking van de scheepsromp;
-
- ‘schipper’: een dekbemanningslid dat gekwalificeerd is om een vaartuig op de binnenwateren te besturen en om aan boord de algemene verantwoordelijkheid te dragen, ook voor de bemanning, de passagiers en de lading;
-
- ‘bemanning’: de dekbemanning en het machinekamerpersoneel;
-
- ‘dekbemanning’: de bemanning zonder het machinekamerpersoneel;
-
- ‘dekbemanningsleden’: personen die betrokken zijn bij de algemene bediening van een vaartuig dat de binnenwateren bevaart en die verschillende taken uitvoeren, zoals taken in verband met het besturen van een vaartuig, de beheersing van het vaartuig, ladingsbehandeling, stouwen, het vervoer van passagiers, scheepswerktuigbouwkundige aspecten, onderhoud en reparatie, communicatie, gezondheid, veiligheid en milieubescherming, niet zijnde personen die uitsluitend worden ingezet voor de bediening van de motoren, kranen, of elektrische en elektronische uitrusting;
-
- ‘minimumbemanning’: de voorgeschreven minimumbemanning overeenkomstig hoofdstuk 19 van dit reglement;
-
- ‘boordpersoneel’: alle aan boord van een passagiersschip werkende personen die niet tot de bemanning behoren;
-
- ‘veiligheidspersoneel’: het veiligheidspersoneel zoals voorgeschreven door het ADN-Reglement, de deskundige op het gebied van vloeibaar aardgas (LNG), de deskundige voor de passagiersscheepvaart, de eerstehulpverlener alsmede de persluchtmaskerdrager;
-
- ‘deskundige op het gebied van vloeibaar aardgas’: een persoon die gekwalificeerd is om actief te zijn bij de bunkeringsprocedure van schepen die op vloeibaar aardgas varen of om als schipper een dergelijk vaartuig te besturen;
-
- ‘deskundige voor de passagiersvaart’: een persoon die dienst doet aan boord van het schip en bevoegd is om aan boord van passagiersschepen maatregelen te nemen in noodsituaties;
-
- ‘passagier’: iedere persoon aan boord die niet tot de bemanning of tot het boordpersoneel behoort;
-
- ‘vaartijd’: de tijd; uitgedrukt in dagen, die dekbemanningsleden aan boord hebben doorgebracht tijdens een reis met een vaartuig op binnenwateren, met inbegrip van laad- en losactiviteiten die actieve scheepvaartoperaties vereisen;
-
- ‘radarvaart’: de vaart bij slecht zicht op radar;
-
- ‘specifiek risico’: een veiligheidsrisico als gevolg van bijzondere navigatie-omstandigheden waarvoor schippers competenties moeten hebben die verder gaan dan wat in het kader van de algemene normen voor managementcompetenties wordt verwacht;
-
- ‘kwalificatiecertificaat’: een krachtens dit reglement afgegeven certificaat;
-
- ‘kwalificatiecertificaat van de Unie’: een door een daarvoor aangewezen autoriteit van een lidstaat van de Europese Unie afgegeven certificaat waarin wordt verklaard dat een persoon aan de voorschriften van Richtlijn (EU) 2017/23976Richtlijn (EU) 2017/2397 van het Europees parlement en de Raad van 12 december 2017 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de Richtlijnen 91/672/EEG en 96/50/EG van de Raad, PB L 345 van 27.12.2017, blz. 53. voldoet;
-
- ‘marifoonbedieningscertificaat’: een nationaal certificaat dat is afgegeven in overeenstemming met het radioreglement dat is gehecht aan het Internationaal Verdrag betreffende de telecommunicatie, waarbij machtiging wordt verleend voor de exploitatie van een radiocommunicatiestation op een vaartuig voor de binnenwaterwegen;
-
- ‘Rijnpatent’: een kwalificatiecertificaat overeenkomstig artikel 12.01 van dit reglement voor het voeren van een vaartuig;
-
- ‘dienstboekje’: een persoonlijk register waarin de gegevens met betrekking tot het arbeidsverleden van een bemanningslid staan genoteerd, met name de vaartijden en de gemaakte reizen;
-
- ‘vaartijdenboek’: een officiële registratie van de reizen die een vaartuig en zijn bemanning hebben gemaakt;
-
- ‘actief dienstboekje’ of ‘actief vaartijdenboek’: een dienstboekje of vaartijdenboek waarin gegevens kunnen worden geregistreerd;
-
- ‘competentie’: het bewezen vermogen om gebruik te maken van de door de vastgestelde normen voorgeschreven kennis en vaardigheden om de taken die nodig zijn voor het besturen van binnenvaartuigen goed uit te voeren;
-
- ‘managementniveau’: de mate van verantwoordelijkheid die samenhangt met het werk als schipper en waarborgt dat alle andere dekbemanningsleden alle taken bij de bediening van een vaartuig goed uitvoeren;
-
- ‘operationeel niveau’: de mate van verantwoordelijkheid die samenhangt met het werk als matroos, als volmatroos of als stuurman en het onder controle houden van de uitvoering van alle taken binnen het kader van diens verantwoordelijkheid, overeenkomstig passende procedures en onder leiding van een persoon die op managementniveau werkzaam is;
-
- ‘binnenwater’: een waterweg niet zijnde de zee die bevaarbaar is voor de in artikel 1.01 bedoelde vaartuigen;
-
- ‘ADN-Reglement’: het bij het Europees Verdrag over het internationale Vervoer van gevaarlijke Stoffen over Binnenwateren (ADN) gevoegde Reglement in de versie die van kracht is;
-
- ‘binnenschipcertificaat’: het certificaat van onderzoek voor Rijnschepen of het Uniecertificaat voor binnenschepen overeenkomstig artikel 1.04 van het Reglement Onderzoek Schepen op de Rijn (ROSR);
-
- ‘Commissie van Deskundigen’: de nationale autoriteit die bevoegd is voor de afgifte van het certificaat van onderzoek en waarvan de samenstelling is vastgesteld in artikel 2.01 van het ROSR;
-
- ‘bevoegde autoriteit’: de nationale autoriteit van een Rijnoeverstaat of van België die is aangewezen om taken in overeenstemming met dit reglement uit te voeren;
-
- ‘autoriteit van afgifte’: de bevoegde autoriteit van een staat die het betreffende certificaat heeft afgegeven;
-
- ‘vloeibaar aardgas (LNG)’: aardgas dat vloeibaar is gemaakt door afkoeling tot een temperatuur van -161 °C;
-
- ‘ES-TRIN’: ES-TRIN als bedoeld in artikel 1.1 van de Binnenvaartregeling. Bij de toepassing van de ES-TRIN moet onder lidstaat een Rijnoeverstaat of België worden verstaan;
-
- ‘ES-QIN’: de Europese Standaard voor kwalificaties in de binnenvaart, editie 2024/18Europese standaard voor kwalificaties in de binnenvaart (ES-QIN), editie 2024/1, aangenomen door het Europees Comité voor de opstelling van standaarden voor de binnenvaart (CESNI) bij Besluit 2024-I-1 van 11 april 2024.;
-
- ‘STCW-Overeenkomst’: de overeenkomst van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst (1978), in de versie die van kracht is, met inbegrip van de overgangsbepalingen van artikel VII en regeling 1/15 van de Overeenkomst, alsook de in het desbetreffende geval toepasselijke bepalingen van de STCW-Code, die van kracht is.
Artikel 1.03. Voorschriften van tijdelijke aard van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart
-
- De Centrale Commissie voor de Rijnvaart kan voorschriften van tijdelijke aard vaststellen met een geldigheidsduur van ten hoogste drie jaren, wanneer het noodzakelijk wordt geacht om
- a). in dringende gevallen afwijkingen van dit reglement toe te laten dan wel
- b). proefnemingen mogelijk te maken, waarbij de veiligheid en de vlotte afwikkeling van het scheepvaartverkeer niet worden aangetast.
-
- Afwijkende voorschriften moeten verenigbaar zijn met de bepalingen van Richtlijn (EU) 2017/2397 en de op grond van deze richtlijn uitgevaardigde rechtshandelingen van de Europese Unie.
Deel II. Bemanningsvoorschriften
Hoofdstuk 2. Algemene bepalingen voor deel II
Artikel 2.01. Opname in een digitaal register
-
- Elk door een bevoegde autoriteit afgegeven kwalificatiecertificaat, dienstboekje en vaartijdenboek wordt samen met de daarin vermelde gegevens opgenomen in het door die autoriteit overeenkomstig artikel 25 van Richtlijn (EU) 2017/2397 bij te houden nationale register.
-
- De nationale registers van de bevoegde autoriteiten worden gekoppeld aan de gegevensbank die overeenkomstig artikel 25 van Richtlijn (EU) 2017/2397 door de Commissie van de Europese Unie wordt beheerd, overeenkomstig de bepalingen van de Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/4739Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/473 van de Commissie van 20 januari 2020 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2017/2397 van het Europees parlement en de Raad met betrekking tot de normen voor gegevensbanken voor EU-kwalificatiecertificaten, dienstboekjes en logboeken, PB L 100 van 1.4.2020, p.1.
Artikel 2.02. Algemeen
-
- De bemanning en het veiligheidspersoneel die zich overeenkomstig het Rijnvaartpolitiereglement aan boord moeten bevinden van schepen die de Rijn bevaren, dienen in overeenstemming te zijn met de voorschriften van dit reglement. De voor de desbetreffende exploitatiewijze en vaartijd voorgeschreven bemanning en veiligheidspersoneel moeten zich tijdens de vaart voortdurend aan boord bevinden. Het is niet toegestaan zonder de voorgeschreven bemanning of zonder het veiligheidspersoneel te vertrekken. Schepen waarvan door onvoorziene omstandigheden (bijvoorbeeld ziekte, ongeval, bevel van een bevoegde autoriteit) tijdens de vaart ten hoogste één lid van de voorgeschreven bemanning uitvalt, mogen niettemin hun reis voortzetten tot de eerstvolgende geschikte aanlegplaats in de richting waarin gevaren wordt – passagiersschepen tot het eindpunt van de reis van die dag – indien zich aan boord naast een persoon die houder is van een patent voor het desbetreffende riviergedeelte, nog een lid van de voorgeschreven bemanning bevindt. De persoon die belast is met het toezicht op en de verzorging van zich aan boord bevindende kinderen onder de zes jaar, mag geen lid van de minimumbemanning zijn, tenzij er maatregelen zijn getroffen om de veiligheid van de kinderen ook zonder voortdurend toezicht te waarborgen.
-
- Elke Rijnoeverstaat of België kan bepalen dat de nationale voorschriften betreffende de arbeidsbescherming van toepassing zijn op de Rijnschepen die in die staat zijn ingeschreven. Niet in een register ingeschreven schepen vallen onder de wettelijke voorschriften van die Rijnoeverstaat of België waarin het bedrijf zijn hoofdzetel of de eigenaar zijn wettelijke domicilie heeft. In afwijking hiervan kunnen de bevoegde autoriteiten van de Rijnoeverstaten of België bilateraal overeenkomen dat bepaalde schepen die in de ene staat zijn ingeschreven, onder de voorschriften van de andere staat vallen. Zwangere vrouwen en kraamvrouwen mogen gedurende ten minste 14 weken, waarvan ten minste zes weken voor en zeven weken na de bevalling geen deel uitmaken van de bemanning.
-
- Voor de toepassing van de artikelen 3.10, 3.11 en 3.13 dient tevens rekening te worden gehouden met vaar- en rusttijden diebuiten het toepassingsgebied van dit reglement vervuld zijn.
Hoofdstuk 3. Voorschriften voor alle typen schepen
Paragraaf 1. : Bepalingen betreffende de bekwaamheden van de bemanningsleden
Artikel 3.01. Beschrijving van de functies
-
- Leden van de dekbemanning zijn de deksman, de lichtmatroos, de matroos, de volmatroos, de stuurman en de schipper. Het machinekamerpersoneel bestaat uit de machinist.
-
- Andere functies zijn de deskundige voor de passagiersvaart, de deskundige op gebied van vloeibaar aardgas (LNG), de eerstehulpverlener, de persluchtmaskerdrager en het veiligheidspersoneel aan boord van schepen die gevaarlijke goederen vervoeren.
Subparagraaf 1. : Voorwaarden voor het verkrijgen van de bekwaamheid
Artikel 3.02. Geldigheid van bemanningsdocumenten
-
- Op de Rijn zijn de kwalificatiecertificaten van de Unie, evenals de dienstboekjes en vaartijdenboeken geldig die krachtens Richtlijn (EU) 2017/2397 zijn afgegeven, alsmede de kwalificatiecertificaten, dienstboekjes en vaartijdenboeken die zijn afgegeven krachtens dit reglement, waarin eisen zijn vastgelegd die identiek zijn aan die van de bovengenoemde richtlijn. De kwalificatie voor een functie aan boord moet te allen tijde aangetoond kunnen worden Afwijkend van de onderdelen b en c kunnen bemanningsleden van zeeschepen die op de Rijn varen, met uitzondering van de schipper, hun kwalificatie aantonen door een bewijs dat in overeenstemming met de STCW-Overeenkomst is afgegeven of erkend is.
- a). door de schipper aan de hand van een kwalificatiecertificaat schipper voor het desbetreffende type vaartuig en de desbetreffende scheepsafmetingen of een kwalificatiecertificaat schipper van de Unie, alsmede de eventueel vereiste specifieke vergunningen;
- b). door de overige leden van de bemanning aan de hand van een op hun naam afgegeven dienstboekje dat een kwalificatiebewijs of een kwalificatiecertificaat van de Unie bevat;
- c). door de deskundige voor de passagiersvaart en de LNG-deskundige aan de hand van een kwalificatiecertificaat of een kwalificatiecertificaat van de Unie, alsmede door de eerstehulpverlener, persluchtmaskerdrager en het veiligheidspersoneel aan boord van schepen die gevaarlijke goederen vervoeren, door een certificaat voor de specifieke activiteit.
-
- De houder van een kwalificatiecertificaat schipper mag ook als deksman, matroos, volmatroos of stuurman worden ingezet. De houder van een kwalificatiecertificaat stuurman mag ook als deksman, matroos of volmatroos worden ingezet. De houder van een kwalificatiecertificaat volmatroos mag ook als deksman of matroos worden ingezet. De houder van een kwalificatiecertificaat matroos mag ook als deksman worden ingezet.
-
- Op de Rijn zijn eveneens de kwalificatiecertificaten en verklaringen geldig die zijn afgegeven of die geldig zijn op grond van dit reglement en die niet onder het materiële toepassingsgebied van de Richtlijn (EU) 2017/2397 vallen.
Artikel 3.03. Duplicaat
Indien een kwalificatiecertificaat, dienstboekje of vaartijdenboek onbruikbaar is geworden, verloren is gegaan of om andere reden niet meer voorhanden is, wordt dit door de autoriteit van afgifte in het nationale register geregistreerd. De autoriteit van afgifte verstrekt op verzoek een nieuw kwalificatiecertificaat, dienstboekje of vaartijdenboek. De houder moet bij de autoriteit van afgifte het verlies aannemelijk maken. Een onbruikbaar geworden of een teruggevonden kwalificatiecertificaat, dienstboekje of vaartijdenboek, moet bij de autoriteit van afgifte worden ingeleverd of worden overgelegd om ongeldig te worden gemaakt.
Artikel 3.04. Kosten
Het examen of de afgifte van een kwalificatiecertificaat, dienstboekje of vaartijdenboek, evenals de afgifte van een duplicaat en het omruilen worden gedaan tegen een redelijke vergoeding van de kosten door de aanvrager. De hoogte van de kosten wordt door de lidstaten van de CCR overeenkomstig nationale regelingen vastgesteld.
Subparagraaf 2. : Wijze van aantonen van bekwaamheid
Artikel 3.05. Bewijs van bekwaamheid
-
- De bekwaamheid voor een functie aan boord moet te allen tijde aangetoond kunnen worden
- a). door de schipper aan de hand van een Rijnpatent of een door de CCR als gelijkwaardig erkend vaarbevoegdheidsbewijs voor het desbetreffende scheepstype en de desbetreffende scheepsafmetingen, alsmede het bewijs voor het te bevaren riviergedeelte overeenkomstig artikel 6.02 van dit reglement,
- b). door de overige leden van de bemanning aan de hand van een op hun naam afgegeven geldig dienstboekje, overeenkomstig het model van bijlage A2, of een ander door de CCR als gelijkwaardig erkend, geldig dienstboekje; de lijst van de als gelijkwaardig erkende dienstboekjes is in bijlage A6 van dit reglement opgenomen.
-
- De leden van de bemanning kunnen, met uitzondering van de machinist, hun bekwaamheid ook aantonen door een groot patent of een daarmee overeenstemmend en door de CCR als gelijkwaardig erkend vaarbevoegdheidsbewijs overeenkomstig deel III van dit reglement.
Artikel 3.06. Dienstboekje
-
- De persoon op wiens naam het dienstboekje is afgegeven, wordt als houder van het dienstboekje aangemerkt. Een bemanningslid mag slechts in het bezit van één dienstboekje zijn. Het dienstboekje moet door de bevoegde autoriteit worden afgegeven en moet op zijn minst in één van de officiële talen van de CCR zijn gesteld.
-
- Het dienstboekje bevat enerzijds algemene gegevens, zoals de medische verklaringen en de bekwaamheid van de houder, zoals bedoeld in artikel 3.02, en anderzijds specifieke gegevens betreffende de afgelegde reizen.
-
- De bevoegde autoriteit is verantwoordelijk voor het invullen van de algemene gegevens en de afstempeling ter controle. Zij heeft het recht het overleggen van vaartijdenboeken dan wel uittreksels daarvan of andere relevante bewijsstukken te verlangen. Zij mag alleen ingeschreven reizen van een stempel voorzien die niet langer dan 15 maanden geleden zijn afgelegd. Voor de aantekening van specifieke gegevens met betrekking tot de afgelegde reizen is de schipper verantwoordelijk.
-
- De houder moet het dienstboekje
- a). bij de eerste indiensttreding aan boord aan de schipper overhandigen, en
- b). ten minste één keer per jaar, te rekenen vanaf de datum van afgifte overleggen en overeenkomstig het bepaalde in het derde lid door een bevoegde autoriteit laten afstempelen.
-
- Een stuurman die geen groot patent, als bedoeld in deel III van dit reglement, verkrijgen wil, is van de verplichting tot het overleggen, als bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, vrijgesteld. Indien de stuurman later alsnog een patent wil verkrijgen, wordt slechts met die riviergedeelten rekening gehouden die in het dienstboekje zijn ingevuld en overeenkomstig het derde lid zijn afgestempeld.
-
- De schipper moet
- a). overeenkomstig de aanwijzingen en instructies voor het bijhouden van een dienstboekje regelmatig alle gegevens in het dienstboekje invullen, , behalve indien de houder van een dienstboekje stuurman is en op pagina 10 van zijn dienstboekje de navolgende, zoals voorgeschreven ondertekende, aantekening is aangebracht: ‘is niet voornemens een schipperspatent te verkrijgen’;
- b). het dienstboekje tot aan het einde van het dienstverband, arbeidscontract dan wel andere regeling op een veilige plaats in het stuurhuis bewaren;
- c). het dienstboekje te allen tijdemeteen aan de houder teruggeven, als deze daarom verzoekt.
Artikel 3.07. Verlies van de geldigheid van het dienstboekje
-
- De geldigheid van een dienstboekje wordt ook zonder ambtelijke beschikking tot aan de verlenging van het bewijs van lichamelijke en geestelijke geschiktheid ambtshalve opgeschort, , als de lichamelijke en geestelijke geschiktheid niet binnen drie maanden na de verlengingstermijn zoals vastgesteld in artikel 3.04, onderdeel b, opnieuw is aangetoond.
-
- Heeft de bevoegde autoriteit twijfel aan de lichamelijke en geestelijke geschiktheid van de houder van een dienstboekje zoals bedoeld in artikel 3.05, eerste lid, onderdeel b,
- a). informeert ze de autoriteit die het dienstboekje heeft afgegeven. Deze kan verlangen dat een medische verklaring die is afgegeven overeenkomstig bijlage B2 of een door de CCR als gelijkwaardig erkend medische verklaring betreffende de huidige staat van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid wordt overgelegd. De kosten hiervoor worden alleen dan door de houder van het dienstboekje gedragen, indien de twijfels gegrond blijken te zijn;
- b). kan ze de geldigheid van het dienstboekje voor een bepaalde tijd opschorten, maar niet langer dan de datum die door de autoriteit die het dienstboekje heeft afgegeven, voor het overleggen van een nieuwe medische verklaringis vastgesteld . De CCR en de autoriteit die het dienstboekje heeft afgeven, dienen in dit geval van haar beslissing op de hoogte te worden gesteld.
-
- Als gebleken is dat de houder ongeschikt is, als bedoeld in het eerste en tweede lid, vermeldt de afgevende autoriteit op pagina 2 en 7 van het dienstboekje de goed leesbare aantekening ‘ONGESCHIKT’ en waarmerkt hij die.
Subparagraaf 3. : Vaartijd
Artikel 3.08. Berekening van de vaartijd
Als één jaar vaartijd gelden 180 effectieve vaardagen in de binnenvaart. Binnen een periode van 365 opeenvolgende dagen kunnen maximaal 180 dagen als daadwerkelijke vaartijd worden meegerekend. 250 vaardagen in de zee- en kustvaart alsmede de visserij gelden als één jaar vaartijd.
Artikel 3.09. Bewijs van vaartijd en reizen op bepaalde riviergedeelten
-
- De vereiste vaartijd en de reizen op bepaalde riviergedeelten van de Rijn moeten worden aangetoond aan de hand van een naar behoren ingevuld en gewaarmerkt dienstboekje, overeenkomstig het model van bijlage A2 van dit reglement, of aan de hand van een door de CCR voor de Rijn als gelijkwaardig erkend dienstboekje. De lijst van de als gelijkwaardig erkende dienstboekjes staat in bijlage A5 van dit reglement vermeld.
-
- Als volgens de nationale voorschriften van de Rijnoeverstaten of van België voor de vaarwegen buiten de Rijn geen dienstboekje aanwezig hoeft te zijn, kan de vaartijd ook door een geldig, officieel document worden aangetoond dat ten minste de volgende gegevens dient te bevatten: Voor het overheidspatent worden de voorgeschreven reizen en vaartijden aan de hand van een certificaat aangetoond dat door de instantie waar de aanvrager bij in dienst is, wordt opgesteld.
- a). type, afmetingen, aantal passagiers en naam van de schepen waarop de aanvrager heeft gevaren;
- b). naam van de schippers;
- c). tijdstip van het begin en het einde van de reizen;
- d). de uitgeoefende functies;
- e). de bevaren riviergedeelten (precieze aanduiding met plaatsen van vertrek en aankomst).
-
- De vaartijd kan eveneens aan de hand van een bewijs van vaarbekwaamheid zoals bedoeld in artikel 7.13, derde lid, worden aangetoond en wel voor de duur van de vaartijd die voor het verkrijgen van dit bewijs vereist was.
-
- De vaartijd op zee moet door middel van een monsterboekje worden aangetoond. De vaartijd in de kustvaart en de visserij moet worden aangetoond door een geldig ambtelijk document.
-
- De tijd die is doorgebracht voor het bezoeken van een vakschool voor schippers moet door het getuigschrift van de school worden aangetoond.
-
- Indien nodig, moeten de officiële documenten, zoals bedoeld in het tweede tot en met het vijfde lid, samen met een beëdigde vertaling in de Duitse, Franse of Nederlandse taal worden overgelegd.
Paragraaf 2. : Verplichte rusttijd
Artikel 3.10. Exploitatiewijzen
-
- Men onderscheidt de volgende exploitatiewijzen: A1 vaart van ten hoogste 14 uur, A2 vaart van ten hoogste 18 uur, B vaart van ten hoogste 24 uur, telkens binnen een periode van 24 uur.
-
- Bij exploitatiewijze A1 mag de vaart eenmaal per kalenderweek tot maximaal 16 uur worden verlengd, indien de vaartijd kan worden aangetoond met de registraties van een goed functionerende tachograaf van een type dat overeenkomstig bijlage A3 van dit reglement door de bevoegde autoriteit van een Rijnoeverstaat of van België is goedgekeurd en wanneer er behalve de schipper nog een bemanningslid met de kwalificatie van stuurman aan boord is.
-
- Een schip dat in exploitatiewijze A1, respectievelijk A2 wordt geëxploiteerd, moet de vaart gedurende acht, respectievelijk zes aaneengesloten uren onderbreken, te weten: Er mag van deze tijden worden afgeweken, indien de vaartijd wordt geregistreerd door middel van een tachograaf van een type dat door de bevoegde autoriteit van een Rijnoeverstaat of België is goedgekeurd en toegelaten, aan de vereisten van bijlage A3 van dit reglement voldoet en naar behoren functioneert. De tachograaf moet ten minste vanaf het begin van de laatste ononderbroken rusttijd van acht, respectievelijk zes uur zijn ingeschakeld en voor de controlerende diensten te allen tijde bereikbaar zijn.
- a). in de exploitatiewijze A1 tussen 22.00 en 06.00 uur, en
- b). in de exploitatiewijze A2 tussen 23.00 en 05.00 uur.
Artikel 3.11. Verplichte rusttijd
-
- Bij exploitatiewijze A1 heeft elk bemanningslid recht op een ononderbroken rusttijd van acht uur buiten de vaartijd per periode van 24 uur, gerekend vanaf het einde van elke rusttijd van acht uur.
-
- Bij exploitatiewijze A2 heeft elk bemanningslid recht op een rusttijd van acht uur, waarvan zes uur ononderbroken buiten de vaartijd per periode van 24 uur, gerekend vanaf het einde van elke rusttijd van zes uur. Voor bemanningsleden onder de 18 jaar moet een ononderbroken rusttijd van acht uur in acht worden genomen waarvan zes uur buiten de vaartijd.
-
- Bij exploitatiewijze B heeft elk bemanningslid recht op een rusttijd van 24 uur per periode van 48 uur, waarvan ten minste twee maal zes uur ononderbroken moeten zijn.
-
- In afwijking van het eerste en tweede lid kan de rusttijd tevens tijdens de vaart plaatsvinden, indien:
- •. ook tijdens deze rusttijd te allen tijde het voor de veiligheid van het schip vereiste aantal bemanningsleden – waaronder tenminste één schipper –wordt ingezet, en
- •. de mogelijkheid bestaat de rusttijd door te brengen in een slechts aan één bemanningslid toegewezen ruimte die geschikt is om uit te rusten en afgeschermd is tegen de invloed van niet toegelaten geluid of trillingen. In deze ruimte mag de geluidsdruk 60 dB(A) niet overschrijden, hetgeen moet blijken uit het binnenschipcertificaat, waarbij de geluidsdruk gemeten dient te worden overeenkomstig de geldende voorschriften van de ES-TRIN.
-
- Gedurende zijn verplichte rusttijd mag een bemanningslid niet voor enigerlei taak wordeningezet, ook niet om toezicht te houden of stand-by te zijn. De in de politievoorschriften bedoelde wacht- en toezichtstaken voor stilliggende vaartuigen worden niet als taak in de zin van dit lid beschouwd.
-
- Bepalingen in de arbeidsvoorschriften met inbegrip van bepalingen voortvloeiend uit het recht van de Europese Unie of collectieve arbeidsovereenkomsten die langere rusttijden voorschrijven, blijven onverlet.
Artikel 3.12. Wisseling of herhaling van exploitatiewijze
-
- In afwijking van artikel 3.10, eerste en derde lid, is een wisseling of herhaling van de exploitatiewijze slechts mogelijk met inachtneming van de bepalingen van het tweede tot met zesde lid.
-
- Van exploitatiewijze A1 mag slechts dan naar exploitatiewijze A2 worden gewisseld, indien:
- a). de bemanning in zijn geheel is afgelost, of
- b). de voor exploitatiewijze A2 bestemde bemanningsleden direct vóór de wisseling een rusttijd van acht uur, waarvan zes uur buiten de vaartijd, in acht genomen en aangetoond hebben en de voor exploitatiewijze A2 voorgeschreven versterking zich aan boord bevindt.
-
- Van exploitatiewijze A2 mag slechts dan naar exploitatiewijze A1 worden gewisseld, indien:
- a). de bemanning in zijn geheel is afgelost, of
- b). de voor exploitatiewijze A1 bestemde bemanningsleden direct vóór de wisseling een ononderbroken rust van acht uur buiten de vaartijd in acht genomen en aangetoond hebben.
-
- Van exploitatiewijze B mag slechts dan naar exploitatiewijze A1 of A2 worden gewisseld, indien:
- a). de bemanning in zijn geheel is afgelost, of
- b). de voor exploitatiewijze A1, respectievelijk A2 bestemde bemanningsleden direct vóór de wisseling een ononderbroken rusttijd van acht, respectievelijk zes uur in acht genomen en aangetoond hebben.
-
- Van exploitatiewijze A1 of A2 mag slechts dan naar exploitatiewijze B worden gewisseld, indien:
- a). de bemanning in zijn geheel is afgelost, of
- b). de voor exploitatiewijze B bestemde bemanningsleden direct vóór de wisseling een ononderbroken rusttijd van acht, respectievelijk zes uur buiten de vaartijd of overeenkomstig de voorschriften van artikel 3.11, vierde lid, in acht genomen en aangetoond hebben, en de voor exploitatiewijze B voorgeschreven versterking zich aan boord bevindt.
-
- Een schip kan onmiddellijk in aansluiting op een reis in exploitatiewijze A1 of A2 voor een volgende reis in exploitatiewijze A1 of A2 worden ingezet, indien een voltallige uitwisseling van de bemanning heeft plaatsgevonden en de nieuwe bemanningsleden onmiddellijk voorafgaand aan de verdere exploitatiewijze A1 en A2 een ononderbroken rusttijd van acht, respectievelijk zes uur buiten de vaartijd in acht genomen en aangetoond hebben.
-
- Het bewijs van een rusttijd van acht, respectievelijk zes uur wordt aangetoond met een verklaring als bedoeld in bijlage A4 van dit reglement of door een kopie van de pagina van het vaartijdenboek van het schip waarop de laatste reis van het bemanningslid heeft plaatsgevonden en de vaar-, respectievelijk rusttijden, vermeld staan. Indien de rusttijd tijdens de vaart plaatsvond, is tevens een kopie van het binnenschipcertificaat van onderzoek van het betreffende schip vereist waaruit blijkt dat de maximale geluidsdruk in die ruimte van dat schip voldoet aan de voorschriften van artikel 3.11, vierde lid.
Artikel 3.13. Vaartijdenboek – Tachograaf
-
- Aan boord van elk schip, met uitzondering van sleep- en duwboten die slechts in havens verkeren, onbemande duwbakken, overheidsschepen en pleziervaartuigen, moet zich in de stuurhut een vaartijdenboek bevinden overeenkomstig het model van bijlage A1. Dit boek dient te worden bijgehouden overeenkomstig de daarin vervatte aanwijzingen. De schipper is verantwoordelijk voor de aanwezigheid van het vaartijdenboek en de aantekeningen die daarin moeten worden gemaakt. Het eerste vaartijdenboek, waarop het nummer 1, de naam van het schip en het uniek Europees scheepsidentificatienummer (ENI) of het officiële scheepsnummer dienen te staan, moet worden afgegeven door een bevoegde autoriteit van een Rijnoeverstaat of België op vertoon van een geldig binnenschipcertificaat. Aan boord van schepen die over een krachtens Bijlage O van het ROSR op de Rijn erkend communautair certificaat beschikken, kan zich in plaats van het door een bevoegde autoriteit van een Rijnoeverstaat of België afgegeven vaartijdenboek, een door een bevoegde autoriteit van een derde staat afgegeven en door de CCR erkend vaartijdenboek bevinden. Erkende vaartijdenboeken moeten in ten minste één van de officiële talen van de CCR worden bijgehouden. De bevoegde autoriteiten voor de afgifte van op de Rijn geldige vaartijdenboeken staan vermeld in bijlage A1a.
-
- Alle daarop volgende vaartijdenboeken mogen worden afgegeven door elke bevoegde autoriteit van een Rijnoeverstaat of België, die het van een volgnummer voorziet; zij kunnen evenwel slechts worden afgegeven tegen overlegging van het voorgaande vaartijdenboek. Het voorgaande vaartijdenboek moet worden voorzien van de onuitwisbare aantekening ‘ ongeldig’ en dient aan de schipper te worden teruggegeven. De afgifte van een nieuw vaartijdenboek kan geschieden op vertoon van het in het vierde lid bedoelde document. De eigenaar van het schip moet ervoor zorgen, dat het voorafgaande vaartijdenboek binnen 30 dagen na de afgiftedatum van het nieuwe vaartijdenboek wordt voorgelegd aan dezelfde bevoegde autoriteit die voor het nieuwe vaartijdenboek de in het vierde lid bedoelde verklaring heeft opgesteld, zodat deze autoriteit het bovengenoemde vooafgaande vaartijdenboek kan voorzien van de vermelding ‘ongeldig’. De eigenaar van het schip moet er bovendien voor zorgen, dat het vaartijdenboek daarna weer aan boord wordt gebracht.
-
- Het ongeldig gemaakte vaartijdenboek moet gedurende zes maanden na de laatste aantekening aan boord worden bewaard.
-
- Bij de afgifte van het eerste vaartijdenboek overeenkomstig het eerste lid bevestigt de autoriteit die het eerste vaartijdenboek afgeeft, deze afgifte door middel van een verklaring waarop de naam van het schip, het uniek Europees identificatienummer (ENI) van het schip, of het officiële scheepsnummer, het nummer van het vaartijdenboek en de datum van afgifte zijn vermeld. Deze verklaring dient aan boord te worden bewaard en op verzoek te worden getoond. De afgifte van latere vaartijdenboeken overeenkomstig het tweede lid moet door de bevoegde autoriteit op de verklaring worden aangetekend.
-
- De naleving van de rusttijden kan bovendien door een tachograaf worden aangetoond, die voldoet aan de technische vereisten van bijlage A3 van dit reglement. De registraties van de tachografen moeten gedurende zes maanden na de laatste registratie aan boord worden bewaard.
-
- Bij aflossing of versterking van de bemanning zoals bedoeld in artikel 3.12 moet voor ieder nieuw bemanningslid een verklaring overeenkomstig bijlage A4 of een kopie van de pagina met de aantekeningen van de vaar-, respectievelijk rusttijden uit het vaartijdenboek van het schip waarop de laatste reis van het bemanningslid heeft plaatsgevonden, voorhanden zijn.
- 7.
- a). Punt 2 van de instructies betreffende het bijhouden van het vaartijdenboek, volgens welke één enkel schema per reis voor de aantekeningen van de rusttijden voldoende is, geldt uitsluitend voor de bemanningsleden in de exploitatiewijze B. In de exploitatiewijzen A1 en A2 moeten voor elk bemanningslid het begin en het einde van de rusttijden van elke dag gedurende de reis worden genoteerd.
- b). De na de wisseling van de exploitatiewijze vereiste aantekeningen moeten op een nieuwe bladzijde van het vaartijdenboek worden genoteerd.
- c). Worden per dag twee of meer reizen met ongewijzigde bemanning afgelegd, kan worden volstaan met het invullen van het tijdstip van het begin van de eerste dagvaart en van het einde van de laatste dagvaart.
Paragraaf 3. : Minimumbemanning aan boord
Artikel 3.14. Uitrusting van schepen
-
- Onverminderd de bepalingen van het ES-TRIN moeten motorschepen, duwboten, duwstellen en passagiersschepen, om met een minimumbemanning overeenkomstig deze paragraaf te worden geëxploiteerd, aan een van de volgende uitrustingsstandaarden voldoen:
- 1.1. Standaard S1
- a). De voortstuwingsinstallaties moeten zo zijn ingericht dat de verandering van de vaarsnelheid en de omkering van de richting van de stuwkracht van de schroef vanaf de stuurstelling kunnen geschieden. De hulpmotoren die nodig zijn bij het varen met het schip moeten vanaf de stuurstelling kunnen worden aan- en afgezet, tenzij dit automatisch geschiedt, dan wel deze motoren gedurende elke reis ononderbroken in bedrijf zijn.
- b). Het kritieke peil van de temperatuur van het koelwater van de hoofdmotoren, van de druk van de smeerolie van de hoofdmotoren en de transmissie, van de oliedruk en de luchtdruk van de omkeerinrichting van de hoofdmotoren, de keerkoppeling of de schroeven en van het bilgewater in de hoofdmachinekamer moet worden aangegeven door installaties die in het stuurhuis akoestische en optische alarmsignalen in werking stellen. De akoestische alarmsignalen mogen in één akoestisch apparaat verenigd zijn. Zij mogen worden uitgeschakeld zodra de storing is vastgesteld. De optische alarmsignalen mogen pas worden uitgeschakeld, nadat de desbetreffende storingen zijn verholpen;
- c). De brandstoftoevoer en de koeling van de hoofdmotoren dienen automatisch te geschieden;
- d). De bediening van de stuurinrichting moet zelfs bij de grootste toegelaten inzinking door één persoon zonder bijzondere krachtsinspanning kunnen worden verricht;
- e). De bij het Rijnvaartpolitiereglement voorgeschreven optische tekens en geluidsseinen van varende schepen dienen vanaf de stuurstelling te kunnen worden gegeven;
- f). Indien geen rechtstreeks contact mogelijk is tussen de stuurstelling en het voorschip, het achterschip, de verblijven en de machinekamer, dient een spreekverbinding te zijn aangebracht. Voor contact met de machinekamer mogen in plaats van een spreekverbinding optische en akoestische signalen worden gebruikt;
- g). (Vervallen);
- h). (Vervallen);
- i). De kracht die nodig is om zwengels en soortgelijke draaibare voorzieningen van hefwerktuigen te bedienen, mag niet meer dan 160 N bedragen;
- j). De in het binnenschipcertificaat vermelde sleeplieren dienen door een motor te worden aangedreven;
- k). De lenspompen en de dekwaspompen dienen door een motor te worden aangedreven;
- l). De voornaamste bedieningsinrichtingen en controle-instrumenten dienen ergonomisch te zijn aangebracht.
- m). De krachtens artikel 6.01, eerste lid, van ES-TRIN vereiste inrichtingen dienen vanaf de stuurstelling te kunnen worden bediend.
- 1.2. Standaard S2
- a). voor alleen varende motorschepen: Standaard S1 en bovendien een uitrusting met een vanuit de stuurhut bedienbare boegschroefinstallatie;
- b). voor motorschepen, die gekoppelde vaartuigen voortbewegen: Standaard S1 en bovendien een uitrusting met een vanuit de stuurhut bedienbare boegschroefinstallatie;
- c). voor motorschepen die een duwstel, bestaande uit het motorschip en een vaartuig ervoor, voortbewegen: Standaard S1 en bovendien een uitrusting met hydraulisch of elektrisch aangedreven koppellieren. Deze uitrusting is echter niet vereist, wanneer het vaartuig aan de kop van het duwstel met een boegschroefinstallatie is uitgerust die vanuit de stuurhut van het duwende motorschip te bedienen is;
- d). voor duwboten die een duwstel voortbewegen: Standaard S1 en bovendien een uitrusting met hydraulisch of elektrisch aangedreven koppellieren. Deze uitrusting is echter niet vereist, wanneer het vaartuig aan de kop van het duwstel met een boegschroefinstallatie is uitgerust die vanuit de stuurhut van het duwende duwboot te bedienen is;
- e). voor passagiersschepen: Standaard S1 en bovendien een uitrusting met een vanuit de stuurhut bedienbare boegschroefinstallatie. Deze uitrusting is echter niet vereist, indien de voortstuwingsinstallatie en de stuurinrichting van het passagiersschip gelijkwaardige manoeuvreereigenschappen waarborgen.
-
- Het voldoen of niet voldoen aan de voorschriften van 1.1 of 1.2 wordt door de Commissie van Deskundigen in het binnenschipcertificaat onder nummer 47 gewaarmerkt.
Artikel 3.15. Minimumbemanning van motorschepen en duwboten
-
- De minimumbemanning van motorschepen en duwboten bestaat uit: 1) De lichtmatroos of één van de lichtmatrozen mag worden vervangen door een deksman. 2) De stuurman moet in het bezit zijn van het overeenkomstig dit reglement vereiste schipperspatent. 3) Eén van de lichtmatrozen moet ouder zijn dan 18 jaar.
| Groep | Groep | Bemanningsleden | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Groep | Groep | Bemanningsleden | A1 | A1 | A1 | A2 | A2 | B | B | B |
| Groep | Groep | Bemanningsleden | S1 | S1 | S2 | S1 | S2 | S1 | S1 | S2 |
| 1 | L ≤ 70 m | schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos | 1 – – 1 – | 2 – – – – | 2 – – 1 11) | 2 – – – 21)3) | ||||
| 2 | 70 m < L ≤ 86 m | schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos | 1 of – 1 – – | 1 – – 1 1 | 1 – – 1 1 | 2 – – – 11) | 2 – – 2 – | 2 – – 1 1 | ||
| 3 | L > 86 m | schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos | 1 of 1 – 1 – | 1 1 – – 2 | 1 1 – – 1 | 2 – – 1 11) | 2 – – – 21) | 2 of 1 – 2 – | 2 12) – 1 – | 2 1 – 1 1 |
-
- De voorgeschreven matrozen overeenkomstig de in het eerste lid genoemde tabel mogen door lichtmatrozen worden vervangen die de minimumleeftijd van 17 jaar hebben bereikt, zich ten minste in het derde leerjaar bevinden en een jaar vaartijd in de binnenvaart kunnen aantonen.
-
- De voorgeschreven minimumbemanning overeenkomstig de onder 1 genoemde tabel, kan voor de ononderbroken duur van ten hoogste drie maanden per kalenderjaar met een lichtmatroos worden verminderd, als deze lichtmatroos gedurende deze tijd een schippersschool bezoekt. Opeenvolgende periodes met een gereduceerde bemanning moeten door een periode van minimaal één maand worden onderbroken. Het bezoek aan de schippersschool moet worden aangetoond met een verklaring van de schippersschool, die zich aan boord moet bevinden en waarin de tijden van het schoolbezoek zijn aangegeven. De eerste zin, onderdeel a en het tweede alternatief van onderdeel c zijn slechts van toepassing wanneer gedurende de tijd dat de ene lichtmatroos een schippersschool bezoekt, de tweede lichtmatroos aan boord is. Deze bepalingen gelden niet voor de lichtmatrozen zoals bedoeld in het tweede lid.
- a). in groep 1, exploitatiewijze B, Standaard S2,
- b). in groep 2, exploitatiewijze A1, Standaard S2, en
- c). in groep 3, exploitatiewijze A1, Standaard S1 en exploitatiewijze A2, Standaard S2,
Artikel 3.16
Minimumbemanning van hechte samenstellen en andere hechte samenstellingen
-
- De minimumbemanning van hechte samenstellen en andere hechte samenstellingen bestaat uit: ’ 1 De lichtmatroos of één van de lichtmatrozen mag worden vervangen door een deksman. 2 De stuurman moet in het bezit zijn van het overeenkomstig dit reglement vereiste schipperspatent. 3 Eén van de lichtmatrozen moet ouder zijn dan 18 jaar. * In dit artikel omvat het begrip ‘duwbak’ ook motorschepen zonder eigen in werking gestelde voortstuwingswerktuigen en sleepschepen. Bovendien is de volgende gelijkwaardigheid van toepassing: 1 duwbak = meerdere bakken met een totale lengte van niet meer dan 76,50 m en een totale breedte van niet meer dan 15 m.
| Groep | Groep | Bemanningsleden | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Groep | Groep | Bemanningsleden | A1 | A1 | A1 | A2 | A2 | B | B | B | B |
| Groep | Groep | Bemanningsleden | S1 | S1 | S2 | S1 | S2 | S1 | S1 | S2 | S2 |
| 1 | afmeting van het samenstel L ≤ 37 m B ≤ 15 m | schipper | 1 | 1 | 2 | 2 | 2 | 2 | 2 | ||
| 1 | afmeting van het samenstel L ≤ 37 m B ≤ 15 m | stuurman | – | – | – | – | – | – | – | ||
| 1 | afmeting van het samenstel L ≤ 37 m B ≤ 15 m | volmatroos | – | – | – | – | – | – | – | ||
| 1 | afmeting van het samenstel L ≤ 37 m B ≤ 15 m | matroos | 1 | 1 | – | 1 | 1 | – | – | ||
| 1 | afmeting van het samenstel L ≤ 37 m B ≤ 15 m | lichtmatroos | – | – | – | 11 | 11 | 21 3 | 21 3 | ||
| 1 | afmeting van het samenstel L ≤ 37 m B ≤ 15 m | machinist | – | – | – | – | – | – | – | ||
| 2 | afmeting van het samenstel 37 m < L ≤ 86m B ≤ 15 m | schipper | 1 of | 1 | 1 | 2 | 2 | 2 | 2 | 2 | |
| 2 | afmeting van het samenstel 37 m < L ≤ 86m B ≤ 15 m | stuurman | – | – | – | – | – | – | – | – | |
| 2 | afmeting van het samenstel 37 m < L ≤ 86m B ≤ 15 m | volmatroos | 1 | – | – | – | – | – | – | – | |
| 2 | afmeting van het samenstel 37 m < L ≤ 86m B ≤ 15 m | matroos | – | 1 | 1 | – | 2 | 2 | 1 | 1 | |
| 2 | afmeting van het samenstel 37 m < L ≤ 86m B ≤ 15 m | lichtmatroos | – | 1 | 1 | 11 | – | – | 1 | 1 | |
| 2 | afmeting van het samenstel 37 m < L ≤ 86m B ≤ 15 m | machinist | – | – | – | – | – | – | – | – | |
| 3 | duwboot + 1 duwbak met L > 86 m of afmeting van het samenstel 86 m < L ≤ 116,5 m B ≤ 15 m | schipper | 1 of | 1 | 1 | 2 | 2 | 2 of | 2 | 2 | 2 |
| 3 | duwboot + 1 duwbak met L > 86 m of afmeting van het samenstel 86 m < L ≤ 116,5 m B ≤ 15 m | stuurman | 1 | 1 | 1 | – | – | 1 | 12 | 1 | 1 |
| 3 | duwboot + 1 duwbak met L > 86 m of afmeting van het samenstel 86 m < L ≤ 116,5 m B ≤ 15 m | volmatroos | – | – | – | – | – | – | – | – | – |
| 3 | duwboot + 1 duwbak met L > 86 m of afmeting van het samenstel 86 m < L ≤ 116,5 m B ≤ 15 m | matroos | 1 | – | – | 1 | – | 2 | 1 | 1 | 1 |
| 3 | duwboot + 1 duwbak met L > 86 m of afmeting van het samenstel 86 m < L ≤ 116,5 m B ≤ 15 m | lichtmatroos | – | 2 | 1 | 11 | 21 | – | – | 1 | 1 |
| 3 | duwboot + 1 duwbak met L > 86 m of afmeting van het samenstel 86 m < L ≤ 116,5 m B ≤ 15 m | machinist | – | – | – | – | – | – | – | – | – |
| 4 | duwboot + 2 duwbakken motorschip + 1 bak | schipper | 1 | 1 | 1 | 2 | 2 | 2 of | 2 | 2 of | 2 |
| 4 | duwboot + 2 duwbakken motorschip + 1 bak | stuurman | 1 | 1 | 1 | – | – | 1 | 12 | 1 | 12 |
| 4 | duwboot + 2 duwbakken motorschip + 1 bak | volmatroos | – | – | – | – | 1 | – | – | 1 | 1 |
| 4 | duwboot + 2 duwbakken motorschip + 1 bak | matroos | 1 | 1 | – | 2 | – | 2 | 2 | – | – |
| 4 | duwboot + 2 duwbakken motorschip + 1 bak | lichtmatroos | 11 | 11 | 21 | 11 | 21 | – | – | 1 | 1 |
| 4 | duwboot + 2 duwbakken motorschip + 1 bak | machinist | – | – | – | – | – | 1 | – | 1 | – |
| 5 | duwboot + 3 of meer duwbakken motorschip + 2 of meer duwbakken | schipper | 1 of | 1 | 1 | 2 | 2 | 2 of | 2 | 2 of | 2 |
| 5 | duwboot + 3 of meer duwbakken motorschip + 2 of meer duwbakken | stuurman | 1 | 1 | 1 | – | – | 1 | 12 | 1 | 12 |
| 5 | duwboot + 3 of meer duwbakken motorschip + 2 of meer duwbakken | volmatroos | – | – | – | – | 1 | – | – | 1 | 1 |
| 5 | duwboot + 3 of meer duwbakken motorschip + 2 of meer duwbakken | matroos | 2 | 1 | 1 | 2 | – | 2 | 2 | – | – |
| 5 | duwboot + 3 of meer duwbakken motorschip + 2 of meer duwbakken | lichtmatroos | – | 2 | 1 | 11 | 21 | 11 | – | 2 | 1 |
| 5 | duwboot + 3 of meer duwbakken motorschip + 2 of meer duwbakken | machinist | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 |
-
- De voorgeschreven matrozen overeenkomstig de in het eerste lid genoemde tabel mogen door lichtmatrozen worden vervangen die de minimumleeftijd van 17 jaar hebben bereikt, zich ten minste in het derde leerjaar bevinden en een jaar vaartijd in de binnenvaart kunnen aantonen.
-
- De voorgeschreven minimumbemanning overeenkomstig de in het eerste lid genoemde tabel, kan
- a). in de groep 1, exploitatiewijze B, Standaard S2,
- b). in de groep 2, exploitatiewijze A1, Standaard S2,
- c). in de groep 3, exploitatiewijze A1, Standaard S1 en exploitatiewijze A2, Standaard S2,
- d). in de groep 4, exploitatiewijze A1, Standaard S2 en exploitatiewijze A2, Standaard S2, en
- e). in de groep 5, exploitatiewijze A1, Standaard S1, exploitatiewijze A2, Standaard S2, en exploitatiewijze B, Standaard S2 voor de ononderbroken duur van ten hoogste drie maanden per kalenderjaar met een lichtmatroos worden verminderd, als deze lichtmatroos gedurende deze tijd een schippersschool bezoekt. Opeenvolgende periodes met een gereduceerde bemanning moeten door een periode van minimaal één maand worden onderbroken. Het bezoek aan de schippersschool moet worden aangetoond met een verklaring van de schippersschool, die zich aan boord moet bevinden en waarin de tijden van het schoolbezoek zijn aangegeven. De eerste zin, onderdeel a en het tweede alternatief van onderdeel c, d en het tweede alternatief van onderdeel e zijn slechts van toepassing wanneer gedurende de tijd dat de ene lichtmatroos een schippersschool bezoekt, de tweede lichtmatroos aan boord is. Deze bepalingen gelden niet voor de lichtmatroos zoals bedoeld in het tweede lid.
-
- De voorgeschreven machinisten overeenkomstig de in het eerste lid genoemde tabel mogen door bijkomende volmatrozen worden vervangen. Zij mogen ook door bijkomende matrozen worden vervangen, wanneer in de tabel in het eerste lid al een volmatroos is voorgeschreven.
Artikel 3.17. Minimumbemanning van passagiersschepen
-
- De minimumbemanning van schepen voor dagtochten bestaat uit: 1 De lichtmatroos of één van de lichtmatrozen mag worden vervangen door een deksman.
| Groep | Groep | Bemanningsleden | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Groep | Groep | Bemanningsleden | A1 | A1 | A1 | A2 | A2 | B | B |
| Groep | Groep | Bemanningsleden | S1 | S1 | S2 | S1 | S2 | S1 | S2 |
| 1 | Toegestaan aantal passagiers tot en met 75 | schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist | 1 – – 1 – – | 1 – – 1 – – | 2 – – 1 – – | 2 – – 2 – – | 2 – 1 – 1 – | ||
| 2 | Toegestaan aantal passagiers van 76 tot en met 250 | schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist | 1 of – – 1 1 – | 1 – – – – 1 | 1 – – 1 1 – | 2 – – – 11 1 | 2 – – 1 11 1 | 2 – – 1 11 1 | |
| 3 | Toegestaan aantal passagiers van 251 tot en met 600 | schipper stuurman volmatroos matroos. lichtmatroos machinist | 1 of – 1 – – 1 | 1 – 1 – 2 – | 1 – 1 – 1 – | 2 – – 1 – 1 | 2 – – – 1 1 | 3 – – 1 – 1 | 3 – – – 1 1 |
| 4 | Toegestaan aantal passagiers van 601 tot en met 1.000 | schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist | 1 1 – 1 11 1 | 1 1 – 1 11 1 | 1 1 – – 21 1 | 2 – – 2 – 1 | 2 – 1 – 1 1 | 3 – – 2 – 1 | 3 – 1 – 1 1 |
| 5 | Toegestaan aantal passagiers van 1.001 tot en met 2.000 | schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist | 2 of – – 3 – 1 | 2 – – 2 2 1 | 2 – 1 1 1 1 | 2 – – 3 11 1 | 2 – 1 1 21 1 | 3 – – 3 11 1 | 3 – 1 1 21 1 |
| 6 | Toegestaan aantal passagiers meer dan 2.000 | schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist | 2 – – 3 11 1 | 2 – – 3 11 1 | 2 – 1 1 21 1 | 2 – – 4 – 1 | 2 – 1 2 1 1 | 3 – – 4 11 1 | 3 – 1 2 21 1 |
-
- De minimumbemanning van stoomschepen voor dagtochten bestaat uit: 1 De lichtmatroos of één van de lichtmatrozen mag worden vervangen door een deksman. 2 De Commissie van Deskundigen bepaalt of machinisten vereist zijn en vult dit onder nummer 52 van binnenschipcertificaat in.
| Groep | Groep | Bemanningsleden | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Groep | Groep | Bemanningsleden | A1 | A1 | A1 | A1 | A2 | A2 | A2 | B | B | B |
| Groep | Groep | Bemanningsleden | S1 | S1 | S1 | S2 | S1 | S2 | S2 | S1 | S1 | S2 |
| 1. | Toegestaan aantal passagiers: van 501 tot en met 1.000 | schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist2 | 1 1 1 1 – 2 | 1 1 1 1 – 2 | 1 1 1 1 – 2 | 1 1 1 – 1 2 | 2 – 1 1 – 2 | 2 – 1 – 1 2 | 2 – 1 – 1 2 | 3 – 1 1 – 3 | 3 – 1 1 – 3 | 3 – 1 – 1 3 |
| 2. | Toegestaan aantal passagiers: van 1.001 tot en met 2.000 | schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos Machinist2 | 2 of – – 3 – 3 | 2 of – – 3 – 3 | 2 – – 2 2 3 | 2 – 1 1 1 3 | 2 – – 3 11 3 | 2 – 1 1 21 3 | 2 – 1 1 21 3 | 3 – – 3 11 3 | 3 – – 3 11 3 | 3 – 1 1 21 3 |
-
- De minimumbemanning van hotelschepen bestaat uit:
| Groep | Groep | Bemanningsleden | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Groep | Groep | Bemanningsleden | A1 | A1 | A1 | A2 | A2 | B | B |
| Groep | Groep | Bemanningsleden | S1 | S1 | S2 | S1 | S2 | S1 | S2 |
| 1 | Toegestaan aantal bedden: tot en met 50 | schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist | 1 – 1 – – 1 | 1 – 1 – – 1 | 1 – – – 2 1 | 2 – – 1 – 1 | 2 – – – 1 1 | 3 – – 1 – 1 | 3 – – – 1 1 |
| 2 | Toegestaan aantal bedden: van 51 tot 100 | schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist | 1 1 – 1 – 1 | 1 1 – 1 – 1 | 1 1 – – 1 1 | 2 – – 1 – 1 | 2 – – – 1 1 | 3 – – 1 – 1 | 3 – – – 1 1 |
| 3 | Toegestaan aantal bedden meer dan 100 | schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist | 1 of 1 – 2 – 1 | 1 1 – 1 2 1 | 1 1 – 1 1 1 | 2 – – 3 – 1 | 2 – 1 1 1 1 | 3 – – 3 – 1 | 3 – 1 1 1 1 |
-
- Voor passagiersschepen, zoals bedoeld in het eerste en het derde lid, die zonder passagiers aan boord varen, wordt de minimumbemanning bepaald overeenkomstig artikel 3.15.
-
- De voorgeschreven matrozen overeenkomstig de in het eerste lid genoemde tabel mogen door lichtmatrozen worden vervangen die de minimumleeftijd van 17 jaar hebben bereikt, zich ten minste in het derde leerjaar bevinden en een jaar vaartijd in de binnenvaart kunnen aantonen.
-
- De minimumbemanning overeenkomstig de in het eerste lid genoemde tabel (schepen voor dagtochten), kan voor de ononderbroken duur van ten hoogste drie maanden per kalenderjaar met een lichtmatroos worden verminderd, als deze lichtmatroos gedurende deze tijd een schippersschool bezoekt. Opeenvolgende periodes met een gereduceerde bemanning moeten door een periode van minimaal één maand worden onderbroken. Het bezoek aan de schippersschool moet worden aangetoond met een verklaring van de schippersschool, die zich aan boord moet bevinden en waarin de tijden van het schoolbezoek zijn aangegeven. De eerste zin, onderdeel c, d en het tweede en derde alternatief van onderdeel e zijn slechts van toepassing wanneer gedurende de tijd dat de ene lichtmatroos een schippersschool bezoekt, de tweede lichtmatroos aan boord is. Deze bepalingen gelden niet voor de lichtmatroos zoals bedoeld in het vijfde lid.
- a). in de groep 2, exploitatiewijze A1, Standaard S2,
- b). in de groep 3, exploitatiewijze A1, Standaard S1,
- c). in de groep 4, exploitatiewijze A1, Standaard S2,
- d). in de groep 5, exploitatiewijze A1, Standaard S1, exploitatiewijze A2, Standaard S2 en exploitatiewijze B, Standaard S2 en
- e). in de groep 6, exploitatiewijze A1, Standaard S2 en exploitatiewijze B, Standaard S2,
-
- De minimumbemanning overeenkomstig de in het eerste lid genoemde tabel (stoomschepen voor dagtochten), kan voor de ononderbroken duur van ten hoogste drie maanden per kalenderjaar met een lichtmatroos worden verminderd, als deze lichtmatroos gedurende deze tijd een schippersschool bezoekt. Opeenvolgende periodes met een gereduceerde bemanning moeten door een periode van minimaal één maand worden onderbroken. Het bezoek aan de schippersschool moet worden aangetoond met een verklaring van de schippersschool, die zich aan boord moet bevinden en waarin de tijden van het schoolbezoek zijn aangegeven. De eerste zin, onderdeel b en c zijn slechts van toepassing wanneer gedurende de tijd dat de ene lichtmatroos een schippersschool bezoekt, de tweede lichtmatroos aan boord is. Deze bepalingen gelden niet voor de lichtmatroos zoals bedoeld in het vijfde lid.
- a). in de groep 2, exploitatiewijze A1, Standaard S1,
- b). in de groep 2, exploitatiewijze A2, Standaard S2, en
- c). in de groep 2, exploitatiewijze B, Standaard S2,
-
- De minimumbemanning overeenkomstig de in het eerste lid genoemde tabel (hotelschepen) kan
- a). in de groep 1, exploitatiewijze A1, Standaard S2 en
- b). in de groep 3, exploitatiewijze A1, Standaard S1, voor de ononderbroken duur van ten hoogste drie maanden per kalenderjaar met een lichtmatroos worden verminderd, als deze lichtmatroos gedurende deze tijd een schippersschool bezoekt. Opeenvolgende periodes met een gereduceerde bemanning moeten door een periode van minimaal één maand worden onderbroken. Het bezoek aan de schippersschool moet worden aangetoond met een verklaring van de schippersschool, die zich aan boord moet bevinden en waarin de tijden van het schoolbezoek zijn aangegeven.
-
- Bij dagtochtschepen met passagiers waarvan het aantal voor vertrek vaststaat en tijdens de vaart niet wijzigt (chartervaart), kan de overeenkomstig de groepen 2 tot en met 6 voorgeschreven minimumbemanning worden gereduceerd tot de eerst lagere groep, op voorwaarde dat het overeenkomstig de groepen 1 tot en met 6 toegelaten aantal passagiers tijdens de vaart lager is dan dit toegestane aantal. De eisen van hoofdstuk 5, alsmede de eisen die gelden voor de bemanning en het boordpersoneel uit hoofde van de veiligheidsrol gelden onverminderd.
-
- De machinisten die zijn voorgeschreven overeenkomstig de in het eerste tot derde lid genoemde tabellen mogen door bijkomende volmatrozen worden vervangen. Deze volmatrozen mogen door bijkomende matrozen worden vervangen, wanneer het aantal volmatrozen dat als minimumbemanning overeenkomstig de in het eerste tot derde lid genoemde tabellen is voorgeschreven, overeenstemt met het aantal te vervangen machinisten.
Artikel 3.18. Afwijking van de in artikel 3.14 voorgeschreven uitrusting
-
- Wanneer de uitrusting van een motorschip, een duwboot, een hecht samenstel, een andere hechte samenstelling of een passagiersschip niet voldoet aan de standaard S1, zoals bepaald in artikel 3.14 van het onderhavige reglement, dient de minimumbemanning, zoals bedoeld in de artikelen 3.15, 3.16 of 3.17, te worden verhoogd
- a). in de exploitatiewijze A1 en A2 telkens met één matroos, en
- b). in de exploitatiewijze B met twee matrozen. Wordt alleen niet voldaan aan de gestelde eisen in de onderdelen i) en l), respectievelijk de onderdelen i) of l) van de standaard S1, zoals bedoeld in artikel 3.14, lid 1.1, dan wordt de bemanning bij exploitatiewijze B met één matroos in plaats van twee verhoogd.
-
- Voldoet de uitrusting van een schip slechts gedeeltelijk aan de Standaard S1 zoals deze is bepaald in artikel 3.14 van dit Reglement, en niet aan één of meer van de in artikel 3.14, lid 1.1, onderdelen a tot en met c, van dit Reglement gestelde eisen wordt voldaan, dan In het in de eerste zin bedoelde geval kunnen de volmatrozen door matrozen worden vervangen, indien de volmatrozen reeds deel uitmaken van de in artikel 3.15, artikel 3.16 of artikel 3.17 voorgeschreven minimumbemanning.
- a). moet in de exploitatiewijzen A1 en A2 de matroos, zoals voorgeschreven in het eerste lid, onderdeel a, door een volmatroos, en
- b). moeten de twee matrozen in de exploitatiewijze B, zoals voorgeschreven in het eerste lid, onderdeel b door twee volmatrozen worden vervangen.
-
- De verhoging van de vereiste bemanning wordt door de Commissie van Deskundigen onder nummer 47 van het binnenschipcertificaat ingeschreven.
Artikel 3.19. Minimumbemanning van overige vaartuigen
-
- De Commissie van Deskundigen bepaalt voor de vaartuigen waarop de artikelen 3.15 tot en met 3.17 niet van toepassing zijn(zoals sleepboten, sleepschepen en drijvende werktuigen) naar gelang hun afmetingen, bouwwijze, inrichting en benutting, welke bemanning zich tijdens de vaart aan boord moet bevinden.
-
- Ten aanzien van bunkerschepen, die slechts op korte riviergedeelten ingezet mogen worden, kan de Commissie van Deskundigen een minimumbemanning voorschrijven die afwijkt van artikel 3.15.
-
- De Commissie van Deskundigen schrijft deze aantekeningen in onder nummer 48 van het binnenschipcertificaat.
Artikel 3.20. Minimumbemanning voor zeeschepen
-
- Voor de bepaling van de minimumbemanning van zeeschepen is deel II van dit reglement van toepassing.
-
- In afwijking van het eerste lid kunnen zeeschepen blijven varen onder de bemanningsregeling die voorzien is in de bepalingen vanResolutie A. 481 (XII) van de IMO en van het Internationaal Verdrag van 1978 over de normen voor zeevarenden betreffende opleiding, diplomering en wachtdienst, onder de voorwaarde dat het aantal bemanningsleden ten minste overeenkomt met de minimumbemanning zoals voorgeschreven in deel II voor exploitatiewijze B, waarbij met name rekening dient te worden gehouden met artikel 3.14 en 3.18 van dit reglement In dit geval moeten de dienovereenkomstige documenten waaruit de bekwaamheid van de bemanningsleden en hun aantal blijkt, aan boord aanwezig zijn. Bovendien moet zich een persoon aan boord bevinden die houder is van het grote patent overeenkomstig dit reglement, dat geldig is voor het te bevaren riviergedeelte. Na een vaartijd van ten hoogste 14 uur per periode van 24 uur moet deze patenthouder door een andere patenthouder worden vervangen. In het vaartijdenboek moeten de volgende aantekeningen worden gemaakt:
- a). de naam van de patenthouders die zich aan boord bevinden, alsmede het begin en einde van hun diensttijd;
- b). begin, onderbreking, voortzetting en einde van de vaart met vermelding van de volgende gegevens: datum, tijdstip en plaats met aanduiding van de kilometerraai.
Artikel 3.21. Minimumbemanning voor kanaalspitsen
De bepalingen van hoofdstuk 3 zijn niet van toepassing op kanaalspitsen. Desalniettemin moet de bemanning ten minste bestaan uit:
- –. een schipper die houder is van een patent als bedoeld in dit reglement;
- –. een persoon die ten minste 16 jaar oud is en die in staat is te helpen bij het manoeuvreren met het schip.
Artikel 3.22. Minimumbemanning voor pleziervaartuigen
De bepalingen van hoofdstuk 3 zijn niet van toepassing op pleziervaartuigen.
Desalniettemin moet de bemanning ten minste bestaan uit:
- –. een schipper die houder is van een patent als bedoeld in dit reglement;
- –. een persoon die in staat is te helpen bij het manoeuvreren met het schip.
Artikel 3.23. Uitzondering
Voor de vaart beneden het Spijksche Veer (km 857,40) kan, voor zover de Duits-Nederlandse grens tijdens de vaart noch in de ene, noch in de andere richting wordt overschreden, worden volstaan met de toepassing van de voorschriften van de Nederlandse ‘Binnenvaartwet’ (Staatsblad 2007, Nummer 498).
Hoofdstuk 4. Aanvullende voorschriften voor het voorgeschreven veiligheidspersoneel aan boord van schepen die gevaarlijke stoffen vervoeren
Artikel 4.01. Geschiktheid van bemanningsleden
-
- De houders van een kwalificatiecertificaat moeten medisch geschikt zijn. Dit is het geval als zij voldoen aan de voorwaarden voor de medische geschiktheid volgens de ES-QIN (Deel IV).
-
- De medische geschiktheid van de aanvrager moet voor de eerste afgifte van het kwalificatiecertificaat worden aangetoond door middel van een medische verklaring overeenkomstig bijlage 1, die afgegeven werd door een erkende arts en niet ouder dan drie maanden mag zijn. Indien er dan nog twijfels over de medische geschiktheid bestaan, kan de bevoegde autoriteit van de aanvrager aanvullende medische verklaringen of verklaringen van medische specialisten eisen.
-
- Blijkt uit de medische verklaring een definitieve of tijdelijke beperkte medische geschiktheid, dan worden de maatregelen ter vermindering van het risico en de beperkingen overeenkomstig de voorwaarden zoals bepaald in de ES-QIN (Deel IV) op het kwalificatiecertificaat vermeld.
Hoofdstuk 4a. Aanvullende voorschriften voor de kennis van de bemanningsleden van schepen die vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof gebruiken
Artikel 5.01. Dienstboekje
-
- Het krachtens dit reglement afgegeven dienstboekje voor de leden van de bemanning, met uitzondering van de schipper bevat algemene gegevens, zoals het bewijs van medische geschiktheid en de kwalificatiecertificaten van de houder als bedoeld in artikel 3.02, en specifieke gegevens over de afgelegde reizen en met name gedetailleerde gegevens met betrekking tot de door de houder gemaakte vaartijd.
-
- Het krachtens dit reglement afgegeven dienstboekje voor de leden van de bemanning die geen schipper zijn, wordt volgens het model in de ES-QIN (Deel V, hoofdstuk 2) afgegeven. Het dienstboekje voor de schipper wordt volgens het model in de ES-QIN (Deel V, hoofdstuk 4) afgegeven.
-
- De bevoegde autoriteit is verantwoordelijk voor het invullen van de algemene gegevens en de afstempeling ter controle. De bevoegde autoriteit kan verlangen dat vaartijdenboeken dan wel uittreksels daarvan of andere relevante bewijsstukken getoond worden. De bevoegde autoriteit voorziet alleen ingeschreven reizen van een stempel die niet langer dan 15 maanden geleden zijn afgelegd.
-
- Een bemanningslid dat houder is van een kwalificatiecertificaat is slechts in het bezit van één actief dienstboekje.
-
- De houder overhandigt het dienstboekje aan de schipper bij de eerste indiensttreding aan boord.
-
- De schipper is verantwoordelijk voor de regelmatige aantekening van specifieke gegevens met betrekking tot de afgelegde reizen in het dienstboekje. De schipper
- a). bewaart het dienstboekje op een veilige plaats in het stuurhuis tot aan het einde van het dienstverband, arbeidscontract dan wel andere regeling;
- b). geeft het dienstboekje te allen tijde meteen aan de houder terug, als deze daarom verzoekt.
Paragraaf 1. : Eisen voor het verkrijgen van, en het bewijs van bekwaamheid
Artikel 5.02. Bewijs van vaartijd en reizen op bepaalde riviergedeelten
-
- De vereiste vaartijd en de reizen op bepaalde riviergedeelten worden aangetoond aan de hand van een naar behoren ingevuld en afgestempeld dienstboekje. Vaartijd kan worden opgebouwd
- a). op de Rijn en
- b). op binnenwateren waarop vaartijd kan worden opgebouwd voor de kwalificatiecertificaten van de Unie.
-
- Als volgens de nationale voorschriften van de Rijnoeverstaten of van België voor de binnenwateren die niet in verbinding staan met het vaarwegennet van een andere staat, met inbegrip van wateren die geclassificeerd zijn als binnenwateren van maritieme aard, of als overeenkomstig Richtlijn (EU) 2017/2397 geen dienstboekje aanwezig hoeft te zijn, kan de vaartijd ook door een officieel document worden aangetoond dat ten minste de volgende gegevens dient te bevatten: Voor het overheidspatent worden de voorgeschreven reizen en vaartijd aan de hand van een verklaring aangetoond dat door de instantie waar de aanvrager bij in dienst is, wordt opgesteld.
- a). type, afmetingen, aantal passagiers en naam van de vaartuigen waarop de aanvrager heeft gevaren;
- b). naam van de schipper;
- c). tijdstip van het begin en het einde van de reizen;
- d). de uitgeoefende functies;
- e). de bevaren riviergedeelten (precieze aanduiding met plaatsen van vertrek en aankomst).
-
- De vaartijd kan eveneens aan de hand van een kwalificatiecertificaat schipper zoals bedoeld in de artikelen 12.01 of 12.03 worden aangetoond voor de duur van de vaartijd die voor het verkrijgen van dit certificaat vereist was.
-
- De vaartijd op zee wordt door middel van een monsterboekje aangetoond. De vaartijd in de kustvaart en visserij wordt aangetoond door een officieel document.
-
- De tijd die is doorgebracht voor het bezoeken van een schippersschool wordt door middel van het getuigschrift van de school aangetoond.
-
- Indien nodig worden de officiële documenten, zoals bedoeld in het tweede lid, samen met een beëdigde vertaling in de Duitse, Franse of Nederlandse taal overgelegd.
Artikel 5.03. Basisopleiding voor deskundigen
Personen die de taak als deskundige in de zin van artikel 5.02 moeten waarnemen, moeten voor het verkrijgen van de vakkennis aan een basisopleiding deelnemen. De basisopleiding moet in het kader van een door de bevoegde autoriteit georganiseerde of door haar erkende opleiding worden gevolgd en moet ten minste bestaan uit:
- a). theoretische scholing over:
- •. voorgeschreven inrichting en uitrusting van passagiersschepen;
- •. veiligheidsvoorschriften en inleiding over de vereiste hulpmaatregelen;
- •. taken van de bemanning en van het boordpersoneel overeenkomstig het veiligheidsdossier;
- •. grondbeginselen betreffende de stabiliteit van passagiersschepen bij averij;
- •. voorkoming van brand, brandbestrijding, gebruik van brandblusinrichtingen (werking van automatische sprinklerinstallaties, brandmeldsystemen en vast geïnstalleerde brandblusinstallaties);
- •. keuringsbewijs van de veiligheidsinrichtingen en -uitrustingen;
- •. principes van conflictbeheersing;
- •. grondbeginselen ter voorkoming van paniekreacties;
- b). praktische scholing over:
- •. kennis betreffende de bediening en het gebruik van de veiligheidsuitrusting van passagiersschepen (bijvoorbeeld het gebruik van reddingsvesten, het gebruik van drijflichamen, de omgang met de bijboot en met de overige reddingsmiddelen, de bediening van draagbare brandblusapparaten);
- •. kennis betreffende de praktische omzetting van veiligheidsvoorschriften en het treffen van de noodzakelijke reddingsmaatregelen (bijvoorbeeld de evacuatie van passagiers uit een ruimte vol rook naar een veilige omgeving, de bestrijding van een beginnende brand, het gebruik van de waterdichte en brandwerende deuren);
- c). een afsluitend examen.
Artikel 5.04. Opfriscursus voor deskundigen
-
- De deskundige voor de passagiersvaart moet voor het einde van een termijn van 5 jaar na een succesvolle deelname aan de basisopleiding, aan een door de bevoegde autoriteit erkende opfriscursus deelnemen.
-
- De opfriscursus moet met name betrekking hebben op typische gevaarsituaties (zoals bijvoorbeeld het voorkomen van paniek, brandbestrijding) en – voor zover mogelijk – informeren over nieuwe ontwikkelingen op het gebied van passagiersveiligheid. Tijdens de herhalingscursus moet door middel van oefeningen en tests worden vastgesteld dat de deelnemer actief aan de cursus heeft deelgenomen.
-
- De deskundige voor de passagiersvaart moet telkens voor het einde van een termijn van 5 jaar na deelname aan de vorige herhalingscursus opnieuw aan een herhalingscursus deelnemen.
Artikel 5.05. Eerste hulpverlener
De eerste hulpverlener moet ten minste 17 jaar zijn en de vereiste bekwaamheid bezitten. Deze wordt geacht aanwezig te zijn, indien de desbetreffende persoon
- a). aan een cursus voor eerste hulpverlener heeft deelgenomen, en
- b). regelmatig overeenkomstig artikel 5.07 wordt bijgeschoold.
Artikel 5.06. Persluchtmaskerdrager
De persluchtmaskerdrager moet ten minste 18 jaar zijn en de vereiste bekwaamheid bezitten, om de ademhalingsapparatuur zoals bedoeld in artikel 19.12, tiende lid, onderdeel a, van ES-TRIN, voor de redding van personen te kunnen gebruiken. Deze wordt geacht aanwezig te zijn, indien de betreffende persoon de lichamelijke en geestelijke geschiktheid en de bekwaamheid overeenkomstig de nationale voorschriften van de Rijnoeverstaten of België aantoont en regelmatig overeenkomstig artikel 5.07 is bijgeschoold.
Artikel 5.07. Cursussen en bijscholing voor eerste hulpverleners en persluchtmaskerdragers
De opleiding en bijscholing voor eerste hulpverleners en persluchtmaskerdragers moeten gevolgd worden overeenkomstig de voorschriften van één van de Rijnoeverstaten of België.
Artikel 5.08. Wijze van aantonen van bekwaamheid
-
- De bekwaamheid van deskundige voor de passagiersvaart wordt bevestigd door een verklaring van deskundige voor de passagiersvaart volgens het model van bijlage C1, die wordt afgegeven door de bevoegde autoriteit of het opleidingsinstituut. Na deelname aan een herhalingscursus verlengt de bevoegde autoriteit of het opleidingsinstituut de verklaring van de deelnemer als deskundige voor de passagiersvaart met 5 jaar, of wordt hem een nieuwe verklaring verstrekt.
-
- Op vertoon van het cursusbewijs geeft de bevoegde autoriteit een verklaring af betreffende de bevoegdheidals eerste hulpverlener volgens het model van bijlage C2 of verlengt deze. Als verklaringen gelden ook de documenten van de nationale of regionale organisaties van het Rode Kruis of vergelijkbare nationale of regionale reddingsorganisaties die door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart gepubliceerd worden.
-
- Op vertoon van het cursusbewijs geeft de bevoegde autoriteit een verklaring af betreffende de bevoegdheid als persluchtmaskerdrager volgens het model van bijlage C3 of verlengt deze. Deze cursusbewijzen gelden als verklaring, als deze zijn afgegeven door een volgens het nationale recht van de Rijnoeverstaten of België erkend opleidingsinstituut en door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart gepubliceerd zijn.
-
- De verklaring van deskundige voor de passagiersvaart overeenkomstig bijlage C1, de verklaring van eerste hulpverlener overeenkomstig bijlage C2 en de verklaring van persluchtmaskerdrager overeenkomstige bijlage C3 kunnen in één enkel document overeenkomstig bijlage C4 worden samengevat.
Paragraaf 2. : Verplichtingen bij de exploitatie van passagiersschepen
Artikel 5.09. Aantal leden veiligheidspersoneel
-
- Deskundigen voor de passagiersvaart, eerste hulpverleners en persluchtmaskerdragers moeten ten minste in de navolgende aantallen aanwezig zijn: Voor hotelschepen met een lengte van 45 m of minder, waarvan de kabines voorzien zijn van een aantal vluchtmaskers dat overeenkomt met het aantal bedden en die voor het grijpen liggen, zijn persluchtmaskerdragers niet vereist.
- a). gedurende de vaart aan boord:
- aa). schepen voor dagtochten
| groep | Aantal personenaan boord | Deskundige voor de passagiersvaart | Eerste hulpverleners |
|---|---|---|---|
| 1 | tot 250 | 1 | 1 |
| 2 | meer dan 250 | 1 | 2 |
- bb). hotelschepen
| groep | Aantal bezette bedden | Deskundigen voor de passagiersvaart | Eerste hulpverleners | Persluchtmaskerdragers |
|---|---|---|---|---|
| 1 | tot 100 | 1 | 1 | 2 |
| 2 | meer dan 100 | 1 | 2 | 2 |
- b). permanent beschikbaar tijdens het stilliggen: het in bovenstaande tabel voorgeschreven veiligheidspersoneel in onderdeel a)voor groep 1 .
-
- Op schepen voor dagtochten met een toegelaten aantal personen van niet meer dan 75 en op stilliggende passagiersschepen mogen de functies van deskundigen voor de passagiersvaart en eerste hulpverlener door één en dezelfde persoon worden waargenomen. In alle andere gevallen mag de taak van deskundige voor de passagiersvaart, eerste hulpverlener en persluchtmaskerdrager niet door één en dezelfde persoon worden waargenomen.
Artikel 5.10. Plichten van de schipper en de deskundige
-
- Onverminderd de voorschriften van het Rijnvaartpolitiereglement moet de schipper:
- a). de deskundige voor de passagiersvaart met het veiligheidsdossier en het veiligheidsplan, zoals bedoeld in artikel 19.13 van ES-TRIN vertrouwd maken,
- b). het veiligheidspersoneel instruëren en bekend maken met het passagiersschip,
- c). de vereiste bevoegdheid van het veiligheidspersoneel aan boord, zoals bedoeld in de artikelen 5.02 tot en met 5.07, op ieder momentaan de hand van de verklaringen zoals bedoeld in artikel 5.08 kunnen aantonen,
- d). ervoor zorgen dat gecontroleerd kan worden dat er regelmatig veiligheidsrondes plaatsvinden.
-
- De deskundige voor de passagiersvaart moet zorgdragen voor de surveillance van de veiligheidsinrichtingen en -uitrustingen overeenkomstig het veiligheiddossier en voor de veiligheid van de passagiersschepen in geval van gevaar en in noodsituaties aan boord. Hij moet het veiligheiddossier en het veiligheidsplan in detail kennen en overeenkomstig de door de schipper verstrekte instructies:
- a). de leden van de bemanning en het boordpersoneel die op grond van het veiligheidsdossier in noodsituaties bepaalde taken te vervullen hebben, deze taken toekennen;
- b). de leden van de bemanning en het boordpersoneel regelmatig over de hun toebedeelde taken informeren;
- c). de passagiers aan boord van hotelschepen bij het begin van de reis over de gedragsregels en de inhoud van het veiligheidsplan informeren.
Artikel 5.11. Toezicht
Zolang zich passagiers aan boord bevinden, moet er ’s nachts ieder uur een controleronde gemaakt worden. Er moet op een adequate wijze kunnen worden gecontroleerd of deze rondes plaatsvinden.
Deel III. Voorschriften betreffende de vaarbevoegdheidsbewijzen
Hoofdstuk 6. Op deel III van toepassing zijnde algemene bepalingen
Artikel 6.01. Goedkeuring van een opleidingsprogramma
-
- De bevoegde autoriteit mag een opleidingsprogramma alleen goedkeuren indien:
- a). de opleidingsdoelstellingen, leerinhoud, methoden, hulpmiddelen voor kennisoverdracht, procedures, met inbegrip van, in voorkomend geval, het gebruik van simulatoren, en het cursusmateriaal naar behoren zijn gedocumenteerd en aanvragers in staat stellen om de competentienormen te bereiken;
- b). de programma’s voor de beoordeling van de betrokken competenties worden uitgevoerd door gekwalificeerde personen met diepgaande kennis van het opleidingsprogramma;
- c). het examen wordt afgenomen door gekwalificeerde examinatoren die vrij zijn van belangenconflicten.
-
- Voor de afgifte van kwalificatiecertificaten erkennen de Rijnoeverstaten en België alle diploma’s die na succesvolle afronding van de overeenkomstig het eerste lid door andere landen op grond van dit reglement of Richtlijn (EU) 2017/2397 goedgekeurde opleidingsprogramma’s werden afgegeven.
-
- De bevoegde autoriteiten stellen de CCR op de hoogte van elk besluit over de goedkeuring van een opleidingsprogramma of over de intrekking of opschorting van de goedkeuring. De lijst van goedgekeurde opleidingsprogramma’s wordt door de CCR op de website geplaatst.
-
- De goedkeuring wordt verleend voor onbepaalde tijd. Na tien jaar moet de organisator van het opleidingsprogramma aan de bevoegde autoriteit schriftelijke stukken overleggen waaruit blijkt dat het opleidingsprogramma nog steeds voldoet aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden.
-
- Indien een opleidingsprogramma niet meer aan de voorwaarden van het eerste lid voldoet, wordt de goedkeuring onverwijld door de bevoegde autoriteit ingetrokken of opgeschort. Diploma’s die zijn uitgereikt na de intrekking of opschorting worden niet meer door de bevoegde autoriteit voor de afgifte van een kwalificatiecertificaat in aanmerking genomen.
Artikel 6.02. Verplichting tot het hebben van een schipperspatent
-
- Degene die op de Rijn een schip wil voeren, moet houder zijn van een overeenkomstig het onderhavige reglement afgegeven Rijnpatent of een door de CCR als gelijkwaardig erkend vaarbevoegdheidsbewijs voor het type en de afmetingen van het betreffende schip, alsmede voor het te bevaren riviergedeelte; de lijst van de als gelijkwaardig erkende vaarbevoegdheidsbewijzen alsmede de eventuele aanvullende voorwaarden voor deze erkenning zijn in bijlage D5 opgenomen.
-
- Het Rijnpatent wordt verleend voor de gehele Rijn of voor een bepaald gedeelte daarvan; wordt het voor een bepaald riviergedeelte afgegeven, dan geldt het ook voor de vaart benedenstrooms van het Spijksche Veer (km 857,40) en op het gedeelte tussen Bazel (Mittlere Rheinbrücke km 166,64) en de sluizen van Iffezheim (km 335,92). De als gelijkwaardig erkende vaarbevoegdheidsbewijzen gelden slechts op de in artikel 7.05 beschreven riviergedeelten, als de bezitter een bewijs voor riviergedeelten conform het model van bijlage D3 bezit.
-
- Voor de vaart benedenstrooms van het Spijksche Veer (km 857,40) en op het riviergedeelte tussen Bazel (Mittlere Rheinbrücke – km 166,64) en de sluizen van Iffezheim (km 335,92), kan worden volstaan met:
- a). in plaats van het in artikel 7.01 bedoelde patent , een vaarbewijs als bedoeld in bijlage I van Richtlijn 91/672/EEG, of een vaarbewijs afgegeven krachtens Richtlijn 96/50/EG;
- b). in plaats van het patent, zoals bedoeld in de artikelen 7.02 tot en met 7.04, een ander door de bevoegde autoriteit als gelijkwaardig erkend bewijs van vaarbekwaamheid.
-
- Voor schepen met een lengte van minder dan 15 m, met uitzondering van passagiersschepen, duw- en sleepboten, kan worden volstaan met een bewijs van vaarbekwaamheid voor de binnenwateren dat in overeenstemming is met de nationale voorschriften van de Rijnoeverstaten en België.
-
- De verplichting tot het hebben van een patent wordt uitsluitend geregeld door de nationale voorschriften van de Rijnoeverstaten
- a). voor veerponten;
- b). voor schepen die slechts door spierkracht worden voortbewogen;
- c). voor schepen met een lengte van minder dan 15 m die slechts door middel van zeilen worden voortbewogen of voorzien zijn van een aandrijvingsmotor met een vermogen van niet meer dan 3,68 kW.
Artikel 6.03. Verplichting tot het hebben van een radarpatent
-
- Degene die op de Rijn op radar wil varen moet, naast het voor het te bevaren riviergedeelte benodigde schipperspatent, houder zijn van een radarpatent dat in overeenstemming met dit reglement is afgegeven of van een ander door de CCR als gelijkwaardig erkendbewijs van bekwaamheid voor de radarvaart. De lijst van de als gelijkwaardig erkende ’bewijzen van bekwaamheid voor de radarvaart, alsmede de eventuele aanvullende voorwaarden voor deze erkenning zijn in bijlage D6 opgenomen.
-
- De bevoegde autoriteit kan binnen het gebied waar hij bevoegd is, in afwijking van artikel 8.05, voor het voeren van een veerpont een een radarpatent afgeven, waarinrekening wordt gehouden met de bijzonderheden van het traject waarvoor het radarpatent moet gelden.
Artikel 6.04. Soorten patent
In de zin van dit reglement onderscheidt men
-
- vier soorten Rijnpatenten: Met de bovengenoemde patenten is het eveneens geoorloofd een schip te voeren als bedoeld in artikel 6.02, vierde lid.
- a). het grote patent voor het voeren van alle schepen;
- b). het kleine patent voor het voeren van een schip met een lengte van minder dan 35 m, mits het geen sleep- of duwboot is, of dat het niet voor het voortbewegen van een gekoppeld samenstel dient of voor het voeren van een schip dat is bestemd voor het vervoer van niet meer dan 12 passagiers;
- c). het sportpatent voor het voeren van een pleziervaartuig met een lengte van minder dan 25 m;
- d). het overheidspatent voor het voeren van overheidsschepen en van brandweerboten.
-
- Een radarpatent voor de radarvaart.
Hoofdstuk 7. Bepalingen betreffende de Rijnpatenten
Paragraaf 1. : Voorwaarden voor het verkrijgen van een Rijnpatent
Subparagraaf 1. : Algemene eisen
Artikel 7.01. Toelating tot het administratief examen
-
- Een kandidaat voor een administratief examen wordt toegelaten tot het examen wanneer het aanvraagdossier volledig is, overeenkomstig de van toepassing zijnde vereisten.
-
- Indien uit de medische verklaring slechts een beperkte medische geschiktheid blijkt, kan de kandidaat toch tot het examen worden toegelaten. Een afwijzing van de aanvraag is met redenen omkleed.
Artikel 7.02. Inhoud van het administratief examen
-
- De kandidaat moet tijdens het examen voor de examencommissie aantonen dat hij beschikt over voldoende kennis en vaardigheden; deze competenties worden aangetoond door een examen dat bestaat uit een theoretisch en een praktisch deel.
-
- Indien het examen niet wordt gehaald, worden de redenen aan de kandidaat meegedeeld. De examencommissie kan aan het opnieuw deelnemen aan een examen vereisten of voorwaarden verbinden dan wel bepaalde vrijstellingen verlenen.
Artikel 7.03. Examencommissie voor het administratief examen
-
- De bevoegde autoriteit benoemt één of meer examencommissies voor het afnemen van het administratief examen. Iedere examencommissie bestaat uit een voorzitter die vertegenwoordiger is van de bevoegde autoriteit, en ten minste twee examinatoren die voldoende ter zake kundig zijn.
-
- De examencommissies voor mondelinge of praktijkexamens ten behoeve van kwalificatiecertificaten als bedoeld in dit reglement zijn zodanig samengesteld dat ten minste één examinator houder is van de dienovereenkomstige kwalificatie.
-
- Gedurende schriftelijke of aan een computer afgelegde examens kunnen de examinatoren vervangen worden door één of meerdere bevoegde supervisoren.
Artikel 7.04. Overheidspatent
-
- Degene die het overheidspatent wil verkrijgen, moet:
- a). ten minste 21 jaar oud zijn;
- b). deel uit maken van een politie- of douanedienst, een andere autoriteit dan wel van een erkende brandweerdienst;
- c). lichamelijk en geestelijk geschikt zijn om een schip te voeren. De lichamelijke en geestelijke geschiktheid wordt aangetoond door het overleggen van een medische verklaring overeenkomstig de bijlagen B1 en B2, die is afgegeven door een arts die door de bevoegde autoriteit erkend is;;
- d). bekwaam zijn, dat wil zeggen, beschikken over de noodzakelijke beroepsmatige vaardigheden en kennis, ook in nautisch opzicht, alsmede over voldoende kennis van de reglementen en de vaarweg. Aan de voorwaarden wordt geacht te zijn voldaan wanneer de kandidaat het daartoe ingestelde examen met goed gevolg heeft afgelegd.
- e). ten minste drie jaar praktische ervaring in de binnenvaart hebben opgedaan, waarvan ten minste drie maanden gedurende het laatste jaar.
-
- De autoriteit waaronder de kandidaat ressorteert, moet een verklaring hebben afgegeven waarin wordt bevestigd dat de kandidaat voldoet aan de in het eerste lid, onderdelen b) en e) en inde artikelen 7.05 en 7.06 genoemde vereisten..
Subparagraaf 2. : Kennis vanriviergedeelten
Artikel 7.05. Bedoeld riviergedeelte
Ongeacht het soort patent is specifieke kennis van riviergedeelten bovendien verplicht tussen de sluizen te Iffezheim (km 335,92) en het Spijksche Veer (km 857,40).
Artikel 7.06. Verkrijging van de kennis van een riviergedeelte
-
- Degene die een Rijnpatent of een bewijs voor een riviergedeelte wil verkrijgen, moet het aangevraagde gedeelte, dat zich tussen de sluizen te Iffezheim en het Spijksche Veer bevindt, in de laatste tien jaren ten minste zestien maal hebben bevaren, waarvan binnen de laatste drie jaren ten minste drie maal in elke richting.
- a). Degene die een grote patent, een kleine patent of een bewijs voor een riviergedeeltewil verkrijgen, moet zijn reizen als matroos, volmatroos of stuurman aan boord van een motorschip hebben gemaakt, voor het voeren waarvan het aangevraagde patent of een door de CCR als gelijkwaardig erkend vaarbevoegdheidsbewijs is voorgeschreven.
- b). Degene die een sportpatent wil verkrijgen, moet zijn reizen aan boord van een schip met een lengte van 15 m of meer hebben gemaakt; de reizen komen slechts in aanmerking, als de persoon ten minste 15 jaar oud is. Het aantal voorgeschreven reizen kan verminderd worden tot vier reizen in elke richting binnen het laatste jaar voorafgaand aan de aanvraag, als de reizen in het kader van een vakopleiding zijn afgelegd.
- c). Degene die een overheidspatent wil verkrijgen, moet zijn reizen aan boord van een schip met een lengte van 15 m of meer hebben gemaakt; de reizen komen slechts in aanmerking, als de persoon ten minste 15 jaar oud is.
-
- De kandidaat moet bovendien met goed gevolg een examen hebben afgelegd, dat een beschrijving van de vaarweg in de op- en de afvaart, een beschrijving van de afmetingen van de vaarweg en vragen moet omvatten, waarmee kan worden vastgesteld dat hij in staat is de specifieke voorschriften van het Politiereglement voor het riviergedeelte dat ligt tussen de sluizen van Iffezheim en het Spijksche Veer kan toepassen (bijlage D7).
Artikel 7.07. Bewijs van kennis voor een riviergedeelte
-
- De kandidaat voor een patent voor een riviergedeelte dat het in artikel 7.05 gedefinieerde riviergedeelte geheel of gedeeltelijk omvat, en de houder van een als gelijkwaardig erkend vaarbevoegdheidsbewijs, die het in artikel 7.05 gedefinieerde riviergedeelte geheel of gedeeltelijk willen bevaren, moeten de vereiste kennis van het riviergedeelte kunnen aantonen.
-
- Als bewijs van de kennis van riviergedeelten wordt op de patentkaart het riviergedeelte aangegeven waarvoor deze patentkaart geldig is. Voor vaarbevoegdheidsbewijzen die erkend zijn als gelijkwaardig aan het grote patent, wordt de kennis van het riviergedeelte door middel van een bewijs voor riviergedeelten overeenkomstig bijlage D3 aangetoond.
Paragraaf 2. : Toelatings- en examenprocedure
Artikel 7.08. Examencommissie
-
- De bevoegde autoriteit benoemt één of meer examencommissies voor het afnemen van de examens. Iedere examencommissie bestaat uit een voorzitter die vertegenwoordiger is van de overheid van één van de Rijnoeverstaten of België, en ten minste twee examinatoren die voldoende ter zake kundig zijn.
-
- De examencommissie voor het Rijnpatent moet zo zijn samengesteld, dat ten minste één examinator houder is van het patent van het type dat wordt aangevraagd dan wel van het grote patent en deze, of een ander lid van de examencommissie, houder is van het patent voor het aangevraagde riviergedeelte.
Artikel 7.09. Aanvraag voor de verkrijging of uitbreiding van een Rijnpatent
-
- Degene die een Rijnpatent wil verkrijgen of uitbreiden, moet aan de bevoegde autoriteit een aanvraag voor toelating tot het examen en afgifte van het patent richten, onder opgave van het volgende:
- a). voor- en achternaam, geboortedatum, geboorteplaats en adres;
- b). soort patent dat men wil verkrijgen;
- c). gedeelte van de Rijn waarvoor het patent wordt aangevraagd.
-
- Bij de aanvraag van een Rijnpatent moeten de volgende stukken worden overgelegd:
- a). een recente pasfoto;
- b). een kopie van de identiteitskaart of het paspoort;
- c). een medische verklaring overeenkomstig bijlage B2, die niet ouder dan drie maanden mag zijn. In geval van twijfel aan de lichamelijke en geestelijke geschiktheid kan de bevoegde autoriteit verlangen dat aanvullende verklaringen van een specialist worden overgelegd.
- d). een bewijs van de vaartijd en van de afgelegde reizen;
- e). bij aanvraag van een groot of een klein patent een kopie van het marifoonbedieningscertificaat;
- f). een uittreksel uit het strafregister.
-
- In plaats van een medische verklaring zoals bedoeld in bijlage B2, kan de lichamelijke en geestelijke geschiktheid eveneens worden aangetoond door één van de volgende, door de CCR erkende documenten:
- a). een geldig vaarbevoegdheidsbewijs, waarvoor dezelfde minimumeisen gelden als vastgesteld in de bijlagen B1 en B2 en dat conform artikel 3.04, onderdeel a) is vernieuwd, of
- b). een medische verklaring, die niet ouder dan drie maanden is en op zijn minst moet voldoen aan de eisen zoals vastgesteld in de bijlagen B1 en B2.
-
- In plaats van het uittreksel uit het strafregister kan de geschiktheid voor het voeren van het commando over een bemanning worden aangetoond met een gelijkwaardig document overeenkomstig het geldende recht van de woonplaats. Dit document moet nog geldig zijn en mag niet ouder zijn dan 6 maanden.
-
- Bij de aanvraag voor de uitbreiding van een Rijnpatent moeten de volgende stukken worden overgelegd:
- a). een recente pasfoto;
- b). een kopie van de identiteitskaart of het paspoort;
- c). een kopie van het geldige Rijnpatent;
- d). het bewijs van de afgelegde reizen.
-
- Bij de aanvraag voor een ander type Rijnpatent door een houder van een Rijnpatent moeten de volgende stukken worden gevoegd:
- a). een recente pasfoto;
- b). een kopie van de identiteitskaart of het paspoort;
- c). een kopie van het geldige Rijnpatent.
Artikel 7.10. Aanvraag voor de verkrijging of uitbreiding van een bewijs voor kennis van een riviergedeelte
-
- Degene die een bewijs voor kennis van een riviergedeelte wil verkrijgen of uitbreiden, moet een aanvraag tot de bevoegde autoriteit richten voor toelating tot het examen en afgifte van een bewijs voor een riviergedeelte, onder vermelding van de volgende gegevens:
- a). voor- en achternaam, geboortedatum, geboorteplaats en adres;
- b). gedeelte van de Rijn waarvoor het bewijs van kennis voor een riviergedeelte wordt aangevraagd.
-
- Bij de aanvraag voor het verkrijgen of uitbreiden van een bewijs van kennis voor een riviergedeelte moeten de volgende stukken worden gevoegd:
- a). een recente pasfoto;
- b). een kopie van de identiteitskaart of het paspoort;
- c). een kopie van het door de CCR, overeenkomstig artikel 6.02, eerste lid, als gelijkwaardig erkend geldig vaarbevoegdheidsbewijs
- d). het bewijs van de afgelegde reizen.
Artikel 7.11. Toelating tot het examen
-
- Een kandidaat voor een Rijnpatent wordt toegelaten tot het examen wanneer alle vereisten zoals bedoeld in de artikelen 7.01, 7.02, met uitzondering van het derde lid, onderdeel c), of 7.03, met uitzondering van het tweede lid, onderdeel c) worden nagekomen en het aanvraagdossier volledig is overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.09, eerste tot en met vierde lid. Indien uit de medische verklaring slechts een beperkte geschiktheid blijkt, wordt de kandidaat toch tot het examen toegelaten. De bevoegde autoriteit kan in dit geval aan het patent voorwaarden verbinden, die bij afgifte in het patent worden aangetekend. Een afwijzing van de aanvraag moet met redenen worden omkleed. De bevoegde autoriteit kan voor een kandidaat, wiens uittreksel uit het strafregister of een ander gelijkwaardig document niet aan de eisen voldoet, beslissen dat hij vóór afloop van een bepaalde termijn niet tot een examen kan worden toegelaten (uitsluitingstermijn).
-
- Degene die een Rijnpatent met een ander riviergedeelte wil uitbreiden, wordt tot het examen toegelaten, als het aanvraagdossier volledig is overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.09, eerste en vijfde lid.
-
- De houder van een Rijnpatent die een ander type Rijnpatent wil verkrijgen, wordt tot het examen toegelaten, als het aanvraagdossier volledig is overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.09, eerste en zesde lid.
-
- Degene die een bewijs voor kennis van een riviergedeelte wil verkrijgen of uitbreiden, wordt tot het examen toegelaten, als het aanvraagdossier volledig is, overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.10.
Artikel 7.12. Examen
-
- De kandidaat moet tijdens het examen voor de examencommissie aantonen dat hij:
- a). beschikt over voldoende kennis van de voorschriften met betrekking tot het voeren van schepen en de voor het veilig voeren van schepen vereiste nautische en technische kennis, beroepsvaardigheden en kennis van de grondbeginselen van de ongevallenpreventie; deze kennis wordt door een examen overeenkomstig het examenprogramma van bijlage D7 getoetst;
- b). beschikt over de vereiste kennis van het riviergedeelte, indien krachtens artikel 7.05 voor het desbetreffende riviergedeelte een dergelijk examen vereist is.
-
- Voor het verkrijgen van het grote patent of het kleine patent is een theoretisch examen, en voor het verkrijgen van het sportpatent of het overheidspatent een theoretisch en een praktisch examen vereist.
-
- Indien het examen niet wordt gehaald, wordende redenenaan de kandidaat meegedeeld. De examencommissie kan aan het opnieuw deelnemen aan een examen vereisten of voorwaarden verbinden dan wel bepaalde vrijstellingen verlenen.
Artikel 7.13. Vrijstellingen en verlaging van de eisen voor het examen
-
- Degene die het eindexamen van een beroepsopleiding met goed gevolg heeft afgelegd, kan worden vrijgesteld van dat gedeelte van het examen dat betrekking heeft op kennis en vaardigheden die reeds onderwerp waren van een door de CCR als gelijkwaardig erkend examen.
-
- De houder van een bewijs van vaarbekwaamheid zoals bedoeld in artikel 6.02, vierde lid, kan worden vrijgesteld bij het verwerven van het sportpatent van dat gedeelte van het examen dat betrekking heeft op nautische kennis.
-
- De houder van een vaarbewijs van één der Rijnoeverstaten of België dan wel een ander geldig en door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart als gelijkwaardig erkend bewijs van vaarbekwaamheid moet voor het verkrijgen van een Rijnpatent voldoen aan de toelatingseisen als bedoeld in artikel 7.11, doch tijdens het examen slechts de kennis van de op de Rijn van toepassing zijnde reglementen en bepalingen en de kennis van het betreffende riviergedeelte conform artikel 7.05 aantonen.
-
- De houder van een overheidspatent verkrijgt op aanvraag een sportpatent voor hetzelfde riviergedeelte zonder daarvoor examen te doen.
-
- Voor het verkrijgen van een ander patent als bedoeld in artikel 6.04 of van een uitbreiding tot een ander riviergedeelte kan de houder van een Rijnpatent van dat deel van het examen worden vrijgesteld dat betrekking heeft op de kennis of de vaardigheden, die reeds voor het verkrijgen van zijn huidige patent moesten worden aangetoond.
Artikel 7.14. Afgifte en uitbreiding van Rijnpatenten
-
- De bevoegde autoriteit geeft aan degene die het examen met goed gevolg heeft afgelegd het betreffende Rijnpatent af volgens het model van de bijlage D1. De patentkaart heeft één der navolgende opdrukken: ‘Groot Patent’, ‘Klein Patent’, ‘Sportpatent’ of ‘Overheidspatent’.
-
- De voorwaarden bedoeld in artikel 7.11, eerste lid, derde volzin, moeten op de patentkaart zijn aangetekend.
-
- Voor de tijd gelegen tussen het slagen voor het examen en de afgifte van het patent volgens het model van de bijlage D1, verstrekt de autoriteit die het patent afgeeft een voorlopig Rijnpatent volgens het model van de bijlage D2; ook kan de bevoegde autoriteit een voorlopig Rijnpatent verstrekken voor de tijd tussen de vervaldatum voor de vernieuwing van het patent en de afgifte van het nieuwe Rijnpatent.
-
- In geval van een uitbreiding kan een bevoegde autoriteit het in het derde lid bedoelde voorlopige Rijnpatent ook afgeven ter overbrugging van de tijd gelegen tussen het slagen voor het examen en de afgifte van het nieuwe Rijnpatent. In verband met de afgifte van een nieuw Rijnpatent volgens het model van de bijlage D1 wordt de autoriteit die het patent heeft afgegeven, hiervan in kennis gesteld.
-
- De autoriteit die het patent heeft afgegeven, geeft op verzoek een vervangend patent af indien het Rijnpatent onbruikbaar is geworden of verloren is gegaan. Dit patent wordt als zodanig gewaarmerkt. De houder moet bij de bevoegde autoriteit melding maken van het verlies. Een onbruikbaar geworden of een teruggevonden patent moet bij de autoriteit die het heeft afgegeven worden ingeleverd of worden overgelegd om ongeldig te worden gemaakt.
Artikel 7.15. Afgifte van een bewijs voor kennis van riviergedeelten
De bevoegde autoriteit geeft aan degene die het examen voor de kennis van riviergedeelten zoals voorzien in artikel 7.06, tweede lid, met goed gevolg heeft afgelegd een bewijs voor kennis van riviergedeelten af volgens het model van de bijlage D3.
Artikel 7.16. Kosten
Het examen, de afgifte, de uitbreiding, de verlenging en het verstrekken van het Rijnpatent of een bewijs voor kennis van riviergedeelten, evenals de afgifte van een duplicaat en het omruilen worden gedaan tegen een redelijke vergoeding van de kosten door de aanvrager. De hoogte van de kosten wordt door de bevoegde autoriteit vastgesteld. Deze kan vanaf het tijdstip van de aanvaarding van de aanvraag gehele of gedeeltelijke betaling eisen.
Paragraaf 3. : Controle van de lichamelijke en geestelije geschiktheid
Artikel 7.17. Regelmatige controle van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid
-
- De houder van het grote patent, het kleine patent, het sportpatent of een door de CCR als gelijkwaardig erkend vaarbevoegdheidsbewijs moet zijn lichamelijke en geestelijke geschiktheid opnieuw aantonen door het overleggen van een medische verklaring, overeenkomstig artikel 3.04, onderdeel a) van dit reglement.
-
- Hij moet zijn bewijs van lichamelijke en geestelijke geschiktheid voorleggen aan de autoriteit die het patent heeft afgegeven. Hij kan het bewijs ook aan een andere bevoegde autoriteit voorleggen. Deze autoriteit geeft de overgelegde stukken door aande autoriteit die het patent heeft afgegeven en kan in de plaats van deze autoriteit een tijdelijke Rijnpatent afgeven.
-
- Voor de houders van een als gelijkwaardig erkende verklaring, moet de medische verklaring worden overgelegd aan een autoriteit die voor de afgifte van een Rijnpatent gerechtigd is of aan de autoriteit die de als gelijkwaardig erkende verklaring heeft afgegeven.
Artikel 7.18. Bewijs van lichamelijke en geestelijke geschiktheid door houders van een Rijnpatent vanaf de leeftijd van 50 jaar
-
- De autoriteit die het patent heeft afgegeven, verstrekt de houder van een patent op vertoon van een medische verklaring, op basis van deze verklaring: Op het bewijs van lichamelijke en geestelijke geschiktheid als bedoeld in bijlage B3 moet een vervaldatum vermeld staan die de vervaldatum van de patentkaart vervangt.
- a). een nieuwe patentkaart bij het bereiken van de leeftijd van 50 en 65 jaar;
- b). een nieuwe patentkaart of een bewijs van lichamelijke en geestelijke geschiktheid als bedoeld in bijlage B3, bij het bereiken van de leeftijd van 55 en 60 jaar;
- c). een bewijs van lichamelijke en geestelijke geschiktheid als bedoeld in bijlage B3, voor de controles die na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar plaatsvinden.
-
- Het bewijs overeenkomstig bijlage B3, zoals bedoeld in het eerste lid, onderdelen b) en c), kan worden vervangen door een aantekening door de bevoegde autoriteit die het patent heeft afgegeven, op de overeenkomstig bijlage B2 afgegeven medische verklaring . De aantekening op de medische verklaring moet in dit geval ook de geldigheidsdatum vermelden, die de geldigheidsdatum van de patentkaart in dat geval vervangt.
-
- Blijkt uit de medische verklaring slechts een beperkte lichamelijke en geestelijke geschiktheid, dantekent de bevoegde autoriteit de aanvullende voorwaarden voor de geldigheid van het patent aan op de vernieuwde patentkaart, op het bewijs van lichamelijke en geestelijke geschiktheid of op de medische verklaring die is afgegeven overeenkomstig bijlage B2.
-
- Wordt geen nieuwe patentkaart afgegeven, dan is het Rijnpatent slechts geldig, als de houder van het patent in het bezit is van een bewijs van lichamelijke en geestelijke geschiktheid bedoeld in bijlage B3 of van een door de bevoegde autoriteit gewaarmerkte medische verklaring overeenkomstig bijlage B2.
Artikel 7.19. Bewijs van lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor houders van een als gelijkwaardig erkend vaarbevoegdheidsbewijs vanaf de leeftijd van 50 jaar
-
- De bevoegde autoriteit, zoals deze in artikel 7.17, derde lid, wordt gedefinieerd, geeft op vertoon van de medische verklaring en op basis daarvan, de houder van een door de CCR als gelijkwaardig erkend vaarbevoegdheidsbewijs vanaf de leeftijd van 50 jaar een verklaring van lichamelijke en geestelijke geschiktheid conform het model van bijlage B3. Gelden volgens de nationale regelgeving voor de vernieuwing van de verklaring van lichamelijke en geestelijke geschiktheid dezelfde eisen als volgens dit reglement en de met de aanvraag belaste autoriteit tevens de autoriteit is die het als gelijkwaardig erkende vaarbevoegdheidsbewijs afgeeft, dan kan deze ook in plaats van een verklaring voor de lichamelijke en geestelijke geschiktheid volgens het model van bijlage B3, bij elke vernieuwing van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid een nieuw vaarbevoegdheidsbewijs afgeven waarop de geldigheidsdatum vermeld staat.
-
- Blijkt uit de medische verklaring slechts een beperkte lichamelijke en geestelijke geschiktheid, dan vult de bevoegde autoriteit op het bewijs van lichamelijke en geestelijke geschiktheid of op het vernieuwde vaarbevoegdheidsbewijs de aanvullende voorwaarden voor de geldigheid van het als gelijkwaardig erkende vaarbevoegdheidsbewijs op de Rijn in.
-
- Als er geen nieuw vaarbevoegdheidsbewijs wordt afgegeven, dan is het als gelijkwaardig erkende vaarbevoegdheidsbewijs alleengeldig, als dit vergezeld gaat van een verklaring van lichamelijke en geestelijke geschiktheid overeenkomstig het model van bijlage B3.
Paragraaf 4. : Opschorting en intrekking
Artikel 7.20. Verlies van de geldigheid van het Rijnpatent
-
- De geldigheid van een Rijnpatent wordt opgeschort
- a). door een beslissing van de bevoegde autoriteit die daarbij de duur van de opschorting vaststelt. De bevoegde autoriteit kan een dergelijke beslissing tot opschorting nemen wanneer niet aan alle voorwaarden voor intrekking is voldaan, maar er twijfel bestaat over de geschiktheid van de patenthouder. Indien deze twijfel vóór het einde van de opschortingstermijn wordt weggenomen, dient de beslissing te worden ingetrokken;
- b). van ambtswege, zelfs zonder een dergelijke beslissing, tot aan de vernieuwing van het bewijs van lichamelijke en geestelijke geschiktheid, indien de lichamelijke en geestelijke geschiktheid niet binnen drie maanden na de verlengingstermijn, zoals vastgesteld in artikel 3.04, onderdeel a), opnieuw is aangetoond.
-
- Heeft de bevoegde autoriteit twijfels aan de lichamelijke en geestelijke geschiktheid van een Rijnpatenthouder,
- a). informeert ze de autoriteit die het patent heeft afgegeven. Deze kan verlangen dat een medische verklaring overeenkomstig bijlage B2, of een door de CCR als gelijkwaardig erkende medische verklaring betreffende de huidige staat van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid wordt overgelegd. De houder van het patent hoeft alleen dan op te komen voor de kosten hiervan, als het vermoeden gegrond blijkt te zijn;
- b). kan ze de geldigheid van het patent opschorten, voor een periode die de datum van het besluit vande autoriteit die het Rijnpatent heeft afgegeven op basis van de nieuwe medische verklaring niet mag overschrijden. In dit geval inormeert zij de CCR en de autoriteit die het patent heeft afgegeven over haar beslissing.
-
- In het geval zoals bedoeld in het eerste lid, onderdeel a), moet het Rijnpatent bij de bevoegde autoriteit in bewaring worden gegeven.
Artikel 7.21. Opschorting van de geldigheid van een als gelijkwaardig erkend vaarbevoegdheidsbewijs
Het door de CCR als gelijkwaardig erkend vaarbevoegdheidsbewijs verliest van amtbstwege, zijn geldigheid op de Rijn, zelfs zonder een beslissing,
- a). wanneer het bewijs van lichamelijke en geestelijke geschiktheid conform bijlage B3 niet wordt getoond, of niet binnen drie maanden na de in artikel 3.04, onderdeel a), bedoelde verlengingstermijn wordt vernieuwd, of
- b). wanneer in de gevallen waarin de CCR overeenkomstig artikel 7.19, eerste lid, de afgifte van een nieuw vaarbevoegdheidsbewijs als geldig bewijs voor de vernieuwing van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid erkent, de geldigheidsdatum van het als gelijkwaardig erkende vaarbevoegdheidsbewijs sedert ten minste drie maanden verstreken is.
Artikel 7.22. Intrekking van het Rijnpatent
-
- De autoriteit die het patent heeft afgegeven, moet het patent intrekken, indien blijkt dat de houder van een Rijnpatent in de zin van de artikelen 7.01, 7.02 en 7.03 niet bekwaam is tot het voeren van een schip.
-
- De autoriteit die het patent heeft afgegeven kan het patent intrekken, indien de houder van een Rijnpatent herhaaldelijk een voorwaarde of een beperking als bedoeld in artikel 7.14, tweede lid, niet nakomt.
-
- Bij intrekking verliest het Rijnpatent haar geldigheid. Het ongeldige patent dient onverwijld bij de autoriteit die het patent heeft afgegeven te worden ingeleverd dan wel te worden overgelegd, om ongeldig gemaakt te worden.
-
- De autoriteit die het patent heeft afgegeven, kan bij de intrekking bepalen dat:
- a). vóór het einde van een bepaalde termijn geen nieuw patent mag worden afgegeven, of
- b). de kandidaat voor een nieuw patent, om tot een nieuw examen te worden toegelaten, aan bepaalde voorwaarden moet voldoen.
-
- Na ontvangst van de aanvraag voor het verkrijgen van een nieuw patent kan de bevoegde autoriteit de aanvrager geheel of gedeeltelijk van het examen vrijstellen.
-
- De autoriteit die het patent intrekt, deelt dit aan de Centrale Commissie voor de Rijnvaart mee. Indien een bevoegde autoriteit feiten vaststelt die de intrekking van een patent zouden kunnen rechtvaardigen, stelt zij de autoriteit die het patent heeft afgegeven hiervan in kennis.
Artikel 7.23. Vaarverbod voor de houder van een als gelijkwaardig erkend vaarbevoegdheidsbewijs
-
- Indien er twijfel is over de lichamelijke en geestelijke geschiktheid van de schipper die houder is van een als gelijkwaardig erkend vaarbevoegdheidsbewijs, kan de bevoegde autoriteit of de bevoegde rechtbank een tijdelijk vaarverbod voor de Rijn opleggen, tot een nieuwe medische verklaring overeenkomstig bijlage B2 of een door de CCR als gelijkwaardig erkend bewijs wordt overgelegd; de bevoegde autoriteit informeert de CCR en de autoriteit van afgifte over haar besluit. Wordt de twijfel op vertoon van de medische verklaring weggenomen, dan moet het opgelegde vaarverbod worden opgeheven. De houder van het patent hoeft alleen dan op te komen voor de kosten hiervan, alshet vermoeden gegrond blijkt te zijn.
-
- De bevoegde autoriteit of de bevoegde rechtbank kan aan een schipper die houder van een als gelijkwaardig erkend vaarbevoegdheidsbewijs is, een tijdelijk of definitief vaarverbod op de Rijn opleggen:
- a). bij bewezen lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid, of
- b). bij veelvuldig overtreden van belangrijke veiligheids- of gedragsvoorschriften, in het bijzonder bij het herhaald voeren van een schip terwijl hij een alcoholconcentratie in het bloed heeft die het in het Rijnvaartpolitiereglement vastgelegde promillage overschrijdt.
-
- Met uitzondering van noodgevallen, wordt het besluit genomen na de houder van het desbetreffende vaarbevoegdheidsbewijs in het kader van een procedure op tegenspraak te hebben gehoord; de autoriteit die het vaarbevoegdheidsbewijs heeft afgegeven en de CCR worden van het verhoor en de door de bevoegde autoriteit genomen beslissing in kennis gesteld.
Artikel 7.24. Invordering van een Rijnpatent
-
- Indien er dringende redenen zijn om het Rijnpatent in te trekken (artikel 7.22) of de geldigheid daarvan op te schorten (artikel 7.20, eerste lid, onderdeel a), of er een ernstig vermoeden van fraude bestaat,kan de bevoegde autoriteit gelasten dat het patenttijdelijk wordt ingevorderd.
-
- Een Rijnpatent dat tijdelijk isingevorderd, moet onverwijld bij de autoriteit die het heeft afgegeven of bij de bevoegde rechtbank overeenkomstig de wettelijke nationale voorschriftenvan de Rijnoeverstaten en van Belgiëonder opgave van de redenen van de invordering , worden overgelegd.
-
- De autoriteit die het patent heeft afgegeven moet onverwijld, nadat zij van het besluit van de tijdelijke invordering kennis heeft genomen, een beslissing nemen over de opschorting van de geldigheid of de intrekking van het patent. Indien een rechtbank bevoegd is, beschikt de rechter overeenkomstig de nationale voorschriften van de Rijnoeverstaten of België. Totdat een besluit als bedoeld in eerste of tweede zin is genomen, geldt het besluit van de tijdelijke invordering als een besluit in de zin van artikel 7.20, eerste lid, onderdeel a).
-
- De tijdelijke invordering van het Rijnpatent moet worden beëindigd en het patent moet aan de houder worden teruggegeven, wanneer de oorzaak daarvan is komen te vervallen of wanneer er niet totopschorting of intrekking van het patent wordt besloten.
Artikel 7.25. Invordering van een als gelijkwaardig erkend vaarbevoegdheidsbewijs
-
- Bestaat een ernstig vermoeden dat een vaarbevoegdheidsbewijs door de autoriteit die het heeft afgegeven wordt ingetrokken of opgeschort, of bestaat er een ernstige verdenking van fraude, dan kan de bevoegde autoriteit de tijdelijke invordering van het patent gelasten.
-
- Een tijdelijk ingevorderd vaarbevoegdheidsbewijs moet onverwijld aan de autoriteit die dit heeft afgegeven, worden overgelegd.
-
- De autoriteit die het vaarbevoegdheidsbewijs heeft afgegeven, voert de noodzakelijke controles uit en informeert de bevoegde autoriteit die het vaarbevoegdheidsbewijs heeft ingevorderd en de CCR onverwijld over de geldigheid van het document.
Hoofdstuk 8. Bepalingen betreffende het radarpatent
Artikel 8.01. Opschorting van de geldigheid van het kwalificatiecertificaat
-
- De bevoegde autoriteit kan de geldigheid van een kwalificatiecertificaat omwille van de veiligheid of de openbare orde voor een bepaalde termijn opschorten.
-
- Indien er feiten zijn die twijfel over de medische geschiktheid van de houder van het kwalificatiecertificaat rechtvaardigen, kan de bevoegde autoriteit, de werkgever of de schipper om de geschiktheid van een bemanningslid vast te kunnen stellen een recente verklaring voor de desbetreffende medische geschiktheid verlangen, alsook het overleggen van aanvullende medische verklaringen van specialisten. De houder hoeft alleen zelf op te komen voor de kosten als de objectieve aanknopingspunten worden bevestigd. Indien deze verklaringen niet binnen de door de bevoegde autoriteit gestelde termijn worden overgelegd, wordt de geldigheid van het kwalificatiecertificaat opgeschort.
-
- In het kader van de opschorting kunnen aanvullende bepalingen (bijvoorbeeld voorwaarden) worden vastgesteld.
-
- De bevoegde autoriteit zorgt ervoor dat de opschorting van de geldigheid onverwijld geregistreerd wordt in de gegevensbank die genoemd is in artikel 2.01. De bevoegde autoriteit informeert de autoriteit die het kwalificatiecertificaat heeft afgegeven alsook de CCR over de opschorting, de duur van de opschorting en de redenen daarvoor. Indien de twijfel aan de geschiktheid vóór het einde van de opschortingstermijn wordt weggenomen, dient het besluit te worden ingetrokken.
-
- In het geval van opschorting moet het patent dat als fysiek document is afgegeven, bij de bevoegde autoriteit die daarom verzoekt in bewaring worden gegeven.
Artikel 8.02. Intrekking van het kwalificatiecertificaat
-
- De autoriteit die het kwalificatiecertificaat schipper heeft afgegeven, moet het kwalificatiecertificaat intrekken, indien blijkt dat de houder van een kwalificatiecertificaat schipper niet bekwaam is tot het voeren van een vaartuig als bedoeld in de artikelen 12.01, tweede lid, of 12.02, tweede lid.
-
- De autoriteit die het kwalificatiecertificaat heeft afgegeven trekt het kwalificatiecertificaat in, indien de houder van een certificaat niet bekwaam is tot het uitvoeren van zijn kwalificatie zoals bedoeld in de artikelen 14.01, 15.02 of 16.10. Niet bekwaam zoals bedoeld in de eerste zin is ook degene die niet langer medisch geschikt is als bedoeld in artikel 4.01 of artikel 4.03.
-
- Als gebleken is dat de houder van een krachtens dit reglement afgegeven dienstboekje ongeschikt is als bedoeld in artikel 4.01, eerste lid, of artikel 4.03, noteert de autoriteit van afgifte op pagina 1 van het dienstboekje de aantekening ‘ONGESCHIKT’, en waarmerkt hij die.
-
- De autoriteit die het kwalificatiecertificaat heeft afgegeven, kan het kwalificatiecertificaat intrekken, indien de houder van het certificaat herhaaldelijk een medische voorwaarde of een beperking als bedoeld in artikel 4.01, derde lid, niet nakomt.
-
- Bij intrekking verliest het kwalificatiecertificaat zijn geldigheid. Het ongeldige kwalificatiecertificaat dient onverwijld bij de autoriteit die het kwalificatiecertificaat heeft afgegeven te worden ingeleverd of, ingeval van een kwalificatiecertificaat in elektronische vorm, als ingetrokken te worden geregistreerd.
-
- De autoriteit die het kwalificatiecertificaat heeft afgegeven, kan bij de intrekking bepalen dat:
- a). vóór het einde van een bepaalde termijn geen nieuw kwalificatiecertificaat mag worden afgegeven, of
- b). de kandidaat om tot een nieuw examen te worden toegelaten, aan bepaalde voorwaarden moet voldoen.
-
- De autoriteit die het kwalificatiecertificaat intrekt, zorgt ervoor dat de intrekking onverwijld geregistreerd wordt in de gegevensbank die genoemd is in artikel 2.01en deelt dit aan de CCR mee. Indien een bevoegde autoriteit feiten vaststelt die de intrekking van een kwalificatiecertificaat zouden kunnen rechtvaardigen, stelt zij de autoriteit die het kwalificatiecertificaat heeft afgegeven hiervan in kennis.
Artikel 8.03. Invordering van het als fysiek document afgegeven kwalificatiecertificaat
-
- Indien er dringende redenen zijn om het kwalificatiecertificaat in te trekken (artikel 8.02) of de geldigheid daarvan op te schorten (artikel 8.01) of er een op feiten gebaseerd vermoeden van fraude bij de verkrijging van het kwalificatiecertificaat bestaat, kan de bevoegde autoriteit gelasten dat het kwalificatiecertificaat tijdelijk wordt ingevorderd.
-
- Een kwalificatiecertificaat dat tijdelijk is ingevorderd, wordt onverwijld overhandigd aan de autoriteit van afgifte of de bevoegde rechtbank, overeenkomstig de wettelijke nationale voorschriften van de Rijnoeverstaten en van België onder opgave van de redenen van de invordering.
-
- De autoriteit van afgifte, neemt onverwijld, nadat zij van het besluit van de tijdelijke invordering kennis heeft genomen, een besluit over de opschorting van de geldigheid of de intrekking van het kwalificatiecertificaat. Indien een rechtbank bevoegd is, beschikt de rechter overeenkomstig de nationale voorschriften van de Rijnoeverstaten en België. Totdat een besluit als bedoeld in de eerste of tweede zin is genomen, geldt het besluit van tijdelijke invordering als een besluit in de zin van artikel 8.01, eerste lid.
-
- De tijdelijke invordering van het kwalificatiecertificaat wordt beëindigd en het kwalificatiecertificaat wordt teruggegeven, wanneer de oorzaak daarvan is komen te vervallen of wanneer er niet tot opschorting of intrekking van het kwalificatiecertificaat wordt besloten.
Artikel 8.04. Examen
-
- De kandidaat moet tijdens het examen overeenkomstig het examenprogramma zoals vermeld in bijlage D8 (theoretisch en praktijkgedeelte), ten overstaan van een examencommissie zoals bedoeld in artikel 8.03 aantonen dat hij beschikt over voldoende kennis om een schip te voeren met behulp van radar.
-
- Het praktijkexamen kan ook op een door de bevoegde autoriteit hiervoor toegelaten radarsimulator worden afgenomen.
-
- Aan het in het eerste lid gestelde vereiste wordt voldaan wanneer de kandidaat een ander bewijs bezit dan voorgeschreven volgens dit reglement, voor zover dit bewijs door de bevoegde autoriteit van één der Rijnoeverstaten of België als gelijkwaardig is erkend.
-
- De kandidaat die voor het theoretische of praktische onderdeel van het examen is gezakt, kan voor dit onderdeel binnen een door de bevoegde autoriteit vastgestelde termijn, die niet korter dan twee maanden mag zijn, bij dezelfde examencommissie een herexamen doen. Indien de kandidaat niet binnen een jaar voor het herexamen is geslaagd, moet hij opnieuw alle onderdelen van het examen afleggen.
-
- De examencommissie deelt aan iedere kandidaat persoonlijk de uitslag van het examen mee. Op verzoek van de kandidaat moet de examencommissie mondeling inlichtingen verstrekken over de door hem gemaakte fouten en kan zij hem tevens toestaan zijn examendocumenten in te zien.
Artikel 8.05. Afgifte van het radarpatent
-
- Indien de kandidaat voor het examen is geslaagd, verstrekt de bevoegde autoriteit hem het radarpatent dat overeen moeten stemmen met het model van bijlage D4.
-
- De verkrijging van het radarpatent kan bovendien worden bevestigd door inschrijving van het woord ‘radar’ op de schipperspatentkaart.
-
- Op de radarpatenten, bedoeld in artikel 6.03, tweede lid, wordt aangetekend: ‘Alleen geldig voor het voeren van een veerpont tussen ........ en ..........’.
-
- Is een radarpatent onbruikbaar geworden of verloren gegaan,verstrekt de autoriteit die het heeft afgegeven op aanvraag een duplicaat, dat als zodanig is gewaarmerkt. De houder moet het verlies bij de bevoegde autoriteit melden. Een onbruikbaar geworden of een teruggevonden patent moet bij de autoriteit die het heeft afgegeven, worden ingeleverd of worden overgelegd om ongeldig te worden gemaakt.
Artikel 8.06. Intrekking van het radarpatent
Het radarpatent kan door de bevoegde autoriteit die het radarpatent heeft afgegeven, worden ingetrokken, wanneer de houder bij het voeren van een schip met behulp van radar een voor de scheepvaart gevaar veroorzakende onbekwaamheid aan de dag heeft gelegd. Het radarpatent kan tijdelijk dan wel permanent worden ingetrokken.
Artikel 8.07. Verbod voor houders van een als gelijkwaardig erkend getuigschrift voor het voeren van een schip op radar
-
- De bevoegde autoriteit of de bevoegde rechter kan de schipper die houder van een als gelijkwaardig erkend radargetuigschrift is, een tijdelijk of definitief verbod voor het voeren van een schip met radar op de Rijn opleggen, wanneer de houder bij het voeren van een schip een voor de scheepvaart gevaarzettende onbekwaamheid heeft begaan.
-
- Met uitzondering van noodgevallen, wordt het besluit genomen na de houder van het desbetreffende radargetuigschrift in het kader van een procedure op tegenspraak te hebben gehoord; de autoriteit die het radargetuigschrift heeft afgegeven en de CCR worden van het horen en de door de bevoegde autoriteit genomen beslissing in kennis gesteld.
Artikel 8.08. Kosten
Het examen, de afgifte, de verstrekking van een duplicaat en het omruilen van het radarpatent geschieden tegen een redelijke vergoeding van de kosten door de aanvrager. De hoogte van de kosten wordt door de bevoegde autoriteit vastgesteld. Deze kan verlangen dat de kosten in hun geheel of ten dele bij de aanvaarding van de aanvraag worden voldaan.
Hoofdstuk 9. Overgangsbepalingen
Artikel 9.01. Functies op instroom- en operationeel niveau
-
- De functies op instroomniveau zijn deksman en lichtmatroos. De functies op operationeel niveau zijn matroos, volmatroos en stuurman.
-
- Ook de machinist valt onder het toepassingsgebied van deze paragraaf.
Artikel 9.02. Geldigheid van bestaande patenten
-
- Patenten voor het varen op de Rijn, afgegeven overeenkomstig de voorschriften die van toepassing zijn tot aan de inwerkingtreding van dit reglement dan wel waarvan de geldigheid krachtens de genoemde voorschriften verlengd werd, blijven geldig met inachtneming van die voorschriften tot de eerste vernieuwing van het bewijs van lichamelijke en geestelijke geschiktheid.
-
- De bepalingen van artikel 7.17 betreffende de controle van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid zijn van toepassing op de houders van het in het eerste lid bedoelde Rijnschipperspatent, kleine patent en sportpatent, waarbij het anomaalquotiënt bij het kleuronderscheidingsvermogen 0,7 tot 3,0 mag bedragen. De houders van een patent die bij de inwerkingtreding van dit reglement reeds de leeftijd, bedoeld in artikel 3.04, onderdeel a), hebben bereikt, moeten hun bewijs van lichamelijke en geestelijke geschiktheid bij de eerstvolgende voorgeschreven onderzoeksdatum vernieuwen. Bij de eerste verlenging van het bewijs van lichamelijke en geestelijke geschiktheid wordt een patent volgens het model van de bijlage D1 afgegeven.
-
- De bepalingen van de artikelen 7.20 en 7.22 zijn van toepassing op de patenten als bedoeld in het eerste lid.
-
- Radarpatenten en radardiploma’s afgegeven overeenkomstig de voorschriften die van toepassing zijn tot aan de inwerkingtreding van dit reglement, blijven geldig met inachtneming van die voorschriften. Zij kunnen worden vervangen door radarpatenten conform dit reglement.
Artikel 9.03. Overeenstemming van de verschillende patenten
-
- Geldige patenten zoals bedoeld in artikel 9.02, eerste lid, stemmen overeen met de patenten zoals bedoeld in artikel 6.04, eerste lid, zoals in onderstaande tabel is aangegeven:
| De volgende geldige patenten als bedoeld in artikel 9.01, eerste lid | stemmen overeen met | de patenten als bedoeld in artikel 6.04, eerste lid, van dit reglement |
|---|---|---|
| Rijnschipperspatent | → | Groot patent |
| Klein patent | → | Klein patent |
| Politiebotenpatent | → | Overheidspatent |
| Douanebotenpatent | → | Overheidspatent |
| Brandweerbotenpatent | → | Overheidspatent |
| Sportpatent | → | Sportpatent |
-
- Een geldig patent kan volgens de tabel in het eerste lid worden omgewisseld voor het gelijkwaardige patent voor hetzelfde riviergedeelte.
Artikel 9.04. In beschouwing nemen van de vaartijd
De vaartijd en de reizen die vóór de inwerkingtreding van dit reglement zijn gemaakt, worden overeenkomstig de vroeger hiervoor geldende voorschriften in beschouwing genomen.
Bijlage A1. Vaartijdenboek (Model B-00734)
Volgnummer ......
Dit vaartijdenboek omvat 200 bladzijden, genummerd van 1 tot en met 200. De aantekeningen in dit boek dienen met inkt en duidelijk leesbaar (bijv. in drukletters) te worden aangebracht.
Volgnummer ......
Dit vaartijdenboek omvat 200 bladzijden, genummerd van 1 tot en met 200. De aantekeningen in dit boek dienen met inkt en duidelijk leesbaar (bijv. in drukletters) te worden aangebracht.
Aanwijzingen voor het bijhouden van het vaartijdenboek
Sancties
Overtreding van de bemanningsvoorschriften van het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn is strafbaar. Hetzelfde geldt voor het niet bijhouden, dan wel het niet volgens de voorschriften bijhouden van het vaartijdenboek.
Volgnummer ......
TEMPS DE REPOS – RUHEZEITEN – RUSTTIJDEN
Naam van het schip: ......
Uniek Europees scheepsidentificatienummer (ENI) of officieel scheepsnummer: ......
Mode d'exploitation
Bijlage 3. Sportpatent
De lijst van de sportpatenten van de Rijnoeverstaten en België, alsmede de modellen staan op de website van de CCR: www.ccr-zkr.org.
Overtreding van de bemanningsvoorschriften van het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn is strafbaar. Hetzelfde geldt voor het niet bijhouden, dan wel het niet volgens de voorschriften bijhouden van het vaartijdenboek.
(Gevolgd door de van kracht zijnde tekst van deel II van het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn in het Frans, Duits en Nederlands.)
Deel A. Eisen voor gedeelten van de Rijn met specifieke risico’s
Deel B. Delen van de Rijn waarvoor aanvullende competenties van de schipper vereist zijn
Betriebsform .............................
Aanvullende competentie
Een schipper die met een vaartuig dit binnenwaterwegtraject met specifieke risico’s bevaart, moet met het oog op de veiligheid de eigenschappen en plaatselijke omstandigheden van dit gedeelte van de Rijn kennen.
Le Livret de service est un document officiel au sens de l'article 1.10 du Règlement de police pour la navigation du Rhin et est délivré conformément au Règlement relatif au personnel de la navigation sur le Rhin. L'inscription d'indications erronées ou non conformes est passible de sanctions; en tout état de cause il s'agit d'infractions. L'autorité compétente est responsable des indications d'ordre général (pages 3 à 8). Le Livret de service est uniquement valable lorsqu'il porte les inscriptions officielles à la page 3. Le Livret de service n'est pas valable en l'absence de ces inscriptions officielles.
De aanvullende competentie komt overeen met de aanvullende competentie die genoemd wordt onder nummer I (Rijn van kmr 335,92 (sluis Iffezheim) tot kmr 352,07 (Duits-Franse grens)).
Titulaire/Inhaber (im ganzen Buch wird sowohl die weibliche und die männliche Form gemeint)/Houder (in het gehele dienstboekje wordt zowel de vrouwelijke als de mannelijke vorm bedoeld)
Aanvullende competentie
Een schipper die met een vaartuig dit binnenwaterwegtraject met specifieke risico’s bevaart, moet met het oog op de veiligheid de eigenschappen en plaatselijke omstandigheden van dit gedeelte van de Rijn kennen.
Le Livret de service est un document officiel au sens de l'article 1.10 du Règlement de police pour la navigation du Rhin et est délivré conformément au Règlement relatif au personnel de la navigation sur le Rhin. L'inscription d'indications erronées ou non conformes est passible de sanctions; en tout état de cause il s'agit d'infractions. L'autorité compétente est responsable des indications d'ordre général (pages 3 à 8). Le Livret de service est uniquement valable lorsqu'il porte les inscriptions officielles à la page 3. Le Livret de service n'est pas valable en l'absence de ces inscriptions officielles.
B). Instructions relatives à la tenue du Livret de service
Schifferdienstbuch – Hinweise und Anweisungen zur Führung
V. De Rijn van kmr 592,00 (Koblenz, monding van de Moezel) tot kmr 769,00 (Krefeld)
Aanvullende competentie
Een schipper die met een vaartuig dit gedeelte van de Rijn met specifieke risico’s bevaart, moet met het oog op de veiligheid de eigenschappen en plaatselijke omstandigheden van dit gedeelte van de Rijn kennen.
Il doit porter dans le Livret de service les inscriptions relatives à sa propre personne, il doit y inscrire régulièrement les temps de navigation et les secteurs parcourus et il doit conserver le Livret de service en lieu sûr jusqu'à la fin du service ou jusqu'au terme du contrat de travail ou de tout autre arrangement. Conformément au Règlement relatif au personnel de la navigation sur le Rhin, un timonier qui a porté sur la page 10 du livret de service la mention ‘n'a pas l'intention d'acquérir une patente de batelier’ suivie de sa signature est exonéré de l'obligation d'inscrire les temps de navigation et secteurs parcourus. A la demande du titulaire, le Livret de service doit être remis à ce dernier sans délai et à tout moment.
Aanvullende competentie
Een schipper die met een vaartuig dit gedeelte van de Rijn met specifieke risico’s bevaart, moet met het oog op de veiligheid de eigenschappen en plaatselijke omstandigheden van dit gedeelte van de Rijn kennen.
Inhaber des Schifferdienstbuches ist die Person, auf welche das Schifferdienstbuch ausgestellt ist. Das Schifferdienstbuch ist bei erstmaligem Dienstaufnahme dem Schiffsführer auszuhändigen und ab Ausgabedatum jeweils mindestens einmal innerhalb von zwölf Monaten bei der zuständigen Behörde zur Eintragung des Kontrollvermerks vorzulegen. Ein Steuermann, der kein großes Patent erwerben will, ist gem. der Verordnung über das Schiffspersonal auf dem Rhein von der Vorlagepflicht zur Eintragung des Kontrollvermerkes befreit. In diesem Fall hat er gem. der Verordnung über das Schiffspersonal auf dem Rhein auf der Seite 10 des Schifferdienstbuches den Vermerk: ‘Beabsichtigt nicht den Erwerb eines Schifferpatentes’ einzutragen und ordnungsgemäß zu unterzeichnen.
Es liegt im Interesse des Inhabers, darauf zu achten, dass der Schiffsführer die Eintragungen richtig und vollständig vornimmt. Es liegt ebenfalls in seinem Interesse, die zuständige Behörde bei der Prüfung des Schifferdienstbuches durch Vorlage geeigneter Unterlagen zu unterstützen. Stellt die zuständige Behörde fest, dass das Schifferdienstbuch bei einzelnen Reisen unvollständig ausgefüllt ist oder sich dabei Zweifel ergeben, die auch nachträglich nicht ausgeräumt werden können, können diese Reisen für die Berechnung der Fahrzeit oder als nachgewiesene Streckenfahrten nicht berücksichtigt werden.
A). Hinweise
Aanwijzingen en instructies voor het bijhouden van het dienstboekje
A). Aanwijzingen
Inhaber des Schifferdienstbuches ist die Person, auf welche das Schifferdienstbuch ausgestellt ist. Das Schifferdienstbuch ist bei erstmaligem Dienstaufnahme dem Schiffsführer auszuhändigen und ab Ausgabedatum jeweils mindestens einmal innerhalb von zwölf Monaten bei der zuständigen Behörde zur Eintragung des Kontrollvermerks vorzulegen. Ein Steuermann, der kein großes Patent erwerben will, ist gem. der Verordnung über das Schiffspersonal auf dem Rhein von der Vorlagepflicht zur Eintragung des Kontrollvermerkes befreit. In diesem Fall hat er gem. der Verordnung über das Schiffspersonal auf dem Rhein auf der Seite 10 des Schifferdienstbuches den Vermerk: ‘Beabsichtigt nicht den Erwerb eines Schifferpatentes’ einzutragen und ordnungsgemäß zu unterzeichnen.
Es liegt im Interesse des Inhabers, darauf zu achten, dass der Schiffsführer die Eintragungen richtig und vollständig vornimmt. Es liegt ebenfalls in seinem Interesse, die zuständige Behörde bei der Prüfung des Schifferdienstbuches durch Vorlage geeigneter Unterlagen zu unterstützen. Stellt die zuständige Behörde fest, dass das Schifferdienstbuch bei einzelnen Reisen unvollständig ausgefüllt ist oder sich dabei Zweifel ergeben, die auch nachträglich nicht ausgeräumt werden können, können diese Reisen für die Berechnung der Fahrzeit oder als nachgewiesene Streckenfahrten nicht berücksichtigt werden.
Er hat im Schifferdienstbuch die Eintragungen über seine eigene Person und regelmäßig Eintragungen über Fahrzeiten und Streckenfahrten vorzunehmen und es bis zur Beendigung des Dienst-, Arbeits- oder sonstigen Verhältnisses sicher aufzubewahren. Soweit ein Steuermann gem. der Verordnung über das Schiffspersonal auf dem Rhein auf Seite 10 des Schifferdienstbuches den Vermerk: ‘Beabsichtigt nicht den Erwerb eines Schifferpatentes’ eingetragen und ordnungsgemäß unterzeichnet hat, entfällt die Verpflichtung Fahrzeiten und Streckenfahrten einzutragen. Auf Wunsch des Inhabers ist diesem das Schifferdienstbuch jederzeit und unverzüglich auszuhändigen.
Einzelheiten über die Art und Weise der Führung des Schifferdienstbuches ergeben sich aus den nachfolgenden Anweisungen.
Sie hat die Pflicht, aber auch das Recht, vorgelegte Dienstbücher zu prüfen und je nach Ergebnis mit dem entsprechenden Kontrollvermerk zu versehen. In diesem Zusammenhang darf sie auch die Vorlage von Bordbüchern vollständig oder auszugsweise oder von anderen geeigneten Belegen verlangen.
Houder van een dienstboekje is degene op wiens naam het dienstboekje is afgegeven.
Het dienstboekje moet bij de eerste indiensttreding aan de schipper worden overhandigd en vanaf de datum van afgifte jaarlijks en op zijn minst eenmaal binnen twaalf maanden bij de bevoegde autoriteit ter waarmerking worden overgelegd. Een stuurman die geen groot Patent overeenkomstig Deel III van het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn wil verkrijgen, is krachtens artikel 3.06, punt 5 van het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn vrijgesteld van de verplichting het dienstboekje te overleggen voor aantekening van het controlewaarmerk. In dit geval moet hij overeenkomstig het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn op bladzijde 10 van het dienstboekje de aantekening: ‘Is niet voornemens een schipperspatent te verkrijgen’ aanbrengen en rechtsgeldig ondertekenen.
Het is in het belang van de houder ervoor te zorgen dat de aantekeningen die door de schipper in het dienstboekje worden aangebracht, juist en volledig zijn.
Het dienstboekje is een officieel document in de zin van artikel 1.10 van het Rijnvaartpolitiereglement en wordt afgegeven overeenkomstig het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn. Het maken van onjuiste aantekeningen of aantekeningen die niet aan de voorschriften voldoen, kan strafbaar zijn; het zijn op zijn minst overtredingen. Verantwoordelijk voor de algemene aantekeningen in het dienstboekje (pagina 3 tot en met 8) is de bevoegde autoriteit. Het dienstboekje is slechts geldig indien het is voorzien van de officiële aantekeningen op pagina 3. Een dienstboekje zonder de officiële aantekeningen is ongeldig.
B). Instructies voor het bijhouden van het dienstboekje
Bijlage A3. Eisen betreffende tachografen en voorschriften voor de inbouw van tachografen aan boord
A. Eisen betreffende tachografen
B). Instructies voor het bijhouden van het dienstboekje
Het is eveneens in zijn belang de bevoegde autoriteit bij de controle van het dienstboekje behulpzaam te zijn door de juiste documenten te overleggen. Stelt de bevoegde autoriteit vast dat het dienstboekje bij sommige reizen onvolledig is ingevuld of dat er twijfel bestaat die ook achteraf niet kan worden weggenomen, dan kan met deze reizen voor de berekening van de vaartijd of als bewijs van de bevaren riviergedeelten geen rekening worden gehouden.
Bijlage A4. Verklaring voor het aantonen van de vereiste rusttijd, bedoeld in artikel 3.12, tweede tot en met zesde lid (Model)
(geldt alleen tezamen met het dienstboekje, respectievelijk met het grote patent zoals bedoeld in bijlage D1, respectievelijk het voorlopige grote patent, zoals bedoeld in bijlage D2 van het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn)
Naam en voornaam:
Nummer van het dienstboekje, respectievelijk van het patent:
| Scheepsnaam, uniek Europees scheepsiden-tificatienummer of officieel scheepsnummer | Einde van de reis | Einde van de reis | Exploitatiewijze voor het einde van de reis | Laatste rusttijd voor het einde van de reis | Laatste rusttijd voor het einde van de reis | Handtekening van de schipper |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Scheepsnaam, uniek Europees scheepsiden-tificatienummer of officieel scheepsnummer | Datum | Tijdstip | Exploitatiewijze voor het einde van de reis | Begin | Einde | Handtekening van de schipper |
| E | E1 | E2 | E3 | E4 | ||
| 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 |
Deze verklaring maakt deel uit van het vaartijdenboek van het schip waarop het bemanningslid zijn nieuwe reis aanvangt en is daarmee een document als bedoeld in artikel 1.10 van het Rijnvaartpolitiereglement.
Het maken van onjuiste aantekeningen of aantekeningen die niet aan de voorschriften voldoen, kan strafbaar zijn; het gaat daarbij ten minste om overtredingen.
De schipper van het schip waarop de laatste reis van het bemanningslid heeft plaatsgevonden, is verantwoordelijk voor de gegevens die in deze verklaring worden verstrekt.
-
- De verklaring moet bij elke wisseling van schip door de schipper van het schip waarop de laatste reis van het bemanningslid heeft plaatsgevonden, worden ingevuld.
-
- De verklaring moet aan de schipper van het schip waarop de nieuwe reis wordt aangevangen, worden overgelegd.
-
- De gegevens in de verklaring moeten met de gegevens in het dienstboekje en het vaartijdenboek van het schip waarop de laatste reis van het bemanningslid heeft plaatsgevonden, overeenstemmen.
Bijlage A5. In het buitenland opgestelde, als gelijkwaardig erkende dienstboekjes (Model)
| Staat | Nationale autoriteit(en) van afgifte | Nationale autoriteit(en) van afgifte | Besluit |
|---|---|---|---|
| Tsjechische Republiek | 2000-I-26 | ||
| Státní plavební správa Praha | Jankovcova 4 170 00 Praha 7 | Tel : 234 637 111 Fax : 266 710 545 pobocka@spspraha.cz | 2000-I-26 |
| Státní plavební správa Děčín | Labská 694/21 405 01 Děčín 1 | Tel: 412 557 411 Fax: 412 557 410 pobocka@spsdecin.cz | 2000-I-26 |
| Státní plavební správa Přerov | Seifertova 33 750 02 Přerov | Tel: 581 284 254 Fax: 581 284 256 pobocka@spsprerov.cz | 2000-I-26 |
| Oostenrijk | Oostenrijk | Oostenrijk | 2010-II-3 |
| Bundesministerium für Verkehr, Innovation und Technologie, Oberste Schifffahrtsbehörde | Radetzkystraße 2 1030 Wien | Tel. +43 1 71162 Fax +43 1 7130326 mobiel: +43 664 818 88 68 +43 664 818 89 09 +43 664 818 89 10 w2@bmvit.gv.at | 2010-II-3 |
| Voor het aanbrengen van de controlestempels zijn ook de volgende instanties bevoegd: | Voor het aanbrengen van de controlestempels zijn ook de volgende instanties bevoegd: | Voor het aanbrengen van de controlestempels zijn ook de volgende instanties bevoegd: | 2010-II-3 |
| Schifffahrtsaufsicht Hainburg | Donaulände 2 2410 Hainburg | Tel.: +43 2165 62 365 Fax: +43 2165 62 365-99 mobiel: +43 664 818 88 50 +43 664 818 88 51 +43 664 818 88 52 schifffahrtsaufsicht.hainburg@bmvit.gv.at | 2010-II-3 |
| Schifffahrtsaufsicht Wien | Handelskai 267 1020 Wien | Tel.: +43 1 728 37 00 Fax: +43 1 728 37 00-99 mobiel: +43 664 / 818 88 53 +43 664 / 818 88 54 +43 664 / 818 88 55 +43 664 / 818 88 56 schifffahrtsaufsicht.wien@bmvit.gv.at | 2010-II-3 |
| Schifffahrtsaufsicht Krems | Am Schutzdamm 1 3500 Krems | Tel.: +43 2732 / 83 170 Fax: +43 2732 / 83 170-99 mobiel: +43 664 / 818 88 57 +43 664 / 818 88 58 +43 664 / 818 88 59 schifffahrtsaufsicht.krems@bmvit.gv.at | 2010-II-3 |
| Schifffahrtsaufsicht Grein | Am Hofberg 2 4360 Grein | Tel.: +43 7268 / 320 Fax: +43 7268 / 7431 mobiel: +43 664 / 818 88 60 +43 664 / 818 88 61 +43 664 / 818 88 62 schifffahrtsaufsicht.grein@bmvit.gv.at | 2010-II-3 |
| Schifffahrtsaufsicht Linz | Regensburgerstraße 4 4020 Linz | Tel.: +43 732 / 777 229 Fax: +43 732 / 777 229-99 mobiel: +43 664 / 818 88 63 +43 664 / 818 88 64 +43 664 / 818 88 65 schifffahrtsaufsicht.linz@bmvit.gv.at | |
| Schifffahrtsaufsicht Engelhartszell | Nibelungenstraße 3 4090 Engelhartszell | Tel.: +43 7717 / 8026 Fax: +43 7717 / 8026-99 mobiel: +43 664 / 818 88 66 +43 664 / 818 88 67 +43 664 / 818 88 70 schifffahrtsaufsicht.engelhartszell@bmvit.gv.at | |
| Bulgarije | 2010-II-3 | ||
| Maritime Administration | Ruse 7000 20 Pristanistna St. | Tel : +359 82 815 815 Fax : +359 82 824 009 stw_rs@marad.bg | 2010-II-3 |
| Maritime Administration | Lom 3600 3 Dunavski park St. | Tel : +359 971 66 963 Fax : +359 971 66 961 stw_lm@marad.bg | 2010-II-3 |
| Hongarije | 2010-II-3 | ||
| Directie Strategie en Methodologie Departement Scheepvaart en Burgerluchtvaart Nemzeti Közlekedési Hatóság, Stratégiai és Módszertani Igazgatóság, Hajózásiés Légiközlekedési Főosztály | Postadres: 1389 Boedapest 62, Postbus 102 Kantooradres: 1066 Boedapest, Teréz körút 62 | Tel. : +36 1 815 9646 Fax : +36 1 815 9659 hajozaslegikozlekedesfoo.smi@nkh.gov.hu | 2010-II-3 |
| Polen | 2010-II-3 | ||
| Inland Navigation Office in Bydgoszcz Urząd Zeglugi Śródlądowej w Bydgoszczy | ul. Konarskiego 1/3 85-066 Bydgoszcz | Tel. +48 52 322-02-73, Fax +48 52 322-68-84 urzad@bydg.uzs.gov.pl | 2010-II-3 |
| Inland Navigation Office in Gdansk Urząd Zeglugi Śródlądowej w Gdańsku | ul. Toruńska 8/4 80-841 Gdańsk | Tel. +48 58 301-84-14 Fax +48 58 301-84-14 urzad@gda.uzs.gov.pl | 2010-II-3 |
| Inland Navigation Office in Gizycko Urząd Zeglugi Śródlądowej w Giżycku | ul. Łuczańska 5 11-500 Giżycko | Tel. +48 87 428-56-51 Fax +48 87 428-56-51 urzad@giz.uzs.gov.pl | 2010-II-3 |
| Inland Navigation Office in Kedzierzyn-Kozle Urząd Zeglugi Śródlądowej w Kędzierzynie-Koźlu | ul. Chełmońskiego 1 47-205 Kędzierzyn-Koźle | Tel. +48 77 472-23-60 Fax +48 77 472-23-61 urzad@k-k.uzs.gov.pl | 2010-II-3 |
| Inland Navigation Office in Krakow Urząd Zeglugi Śródlądowej w Krakowie | ul. Skawińska 31/3 31-066 Kraków | Tel. +48 12 430-53-97 Fax +48 12 430-53-97 urzad@kr.uzs.gov.pl | 2010-II-3 |
| Inland Navigation Office in Szczecin Urząd Zeglugi Śródlądowej w Szczecinie | Plac Batorego 4 70-207 Szczecin | Tel. +48 91 434-02-79 Fax +48 91 434-01-29 urzad@szn.uzs.gov.pl | 2010-II-3 |
| Inland Navigation Office in Warszawa Urząd Zeglugi Śródlądowej w Warszawie | ul. Dubois 9 00-182 Warszawa | Tel. +48 22 635-93-30 Fax +48 22 635-93-30 urzad@waw.uzs.gov.pl | |
| Inland Navigation Office in Wroclaw Urząd Zeglugi Śródlądowej we Wrocławiu | ul. Kleczkowska 52 50-227 Wrocław | Tel. +48 71 329-18-93 Fax +48 71 329-18-93 urzad@wroc.uzs.gov.pl | |
| Roemenië | 2010-II-3 | ||
| Roemeense Scheepvaartautoriteit, Constanta | Port No. 1, 900900 Constanta | Tel: 0040241555676 Fax: 0040341730349 rna@rna.ro lgrigore@rna.ro | 2010-II-3 |
| Slowaakse Republiek | 2010-II-3 | ||
| Státna plavebná správa (ŠPS) Vedúci odboru plavebnej bezpečnosti | Prístavná 10, 821 09 Bratislava 2 | Tel: + 421 2 333 00217 Fax: +421 2 555 67 604 +421 2 335 23 913 sekretariat @sps.sk | 2010-II-3 |
Op de pagina van de website van de CCR die gewijd is aan informatie over de toepassing van de Administratieve Overeenstemming over de Wederzijdse Erkenning van Dienstboekjes, zal het model van de erkende dienstboekjes toegankelijk zijn.
Bijlage B1. Minimumeisen ten aanzien van de lichamelijke geschiktheid
B). Instructies voor het bijhouden van het dienstboekje
II. Gehoorvermogen:
Het gehoor is als voldoende te beschouwen, indien het gemiddeld gehoorverlies van beide oren bij de frequenties 500, 1000, 2000 en 3000 Hz de waarde van 40 dB(A) niet overschrijdt. Indien de waarde van 40 dB wordt overschreden, is het gehoorvermogen toch als voldoende aan te merken, als de conversatiespraak met een hoortoestel op 2 m met elk oor afzonderlijk duidelijk wordt verstaan.
B. Voorschriften met betrekking tot de inbouw van tachografen aan boord
Bij de installatie van tachografen aan boord moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:
Bijlage A4. Verklaring voor het aantonen van de vereiste rusttijd, bedoeld in artikel 3.12, tweede tot en met zesde lid (Model)
(geldt alleen tezamen met het dienstboekje, respectievelijk met het grote patent zoals bedoeld in bijlage D1, respectievelijk het voorlopige grote patent, zoals bedoeld in bijlage D2 van het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn)
Naam en voornaam:
Nummer van het dienstboekje, respectievelijk van het patent:
| Scheepsnaam, uniek Europees scheepsiden-tificatienummer of officieel scheepsnummer | Einde van de reis | Einde van de reis | Exploitatiewijze voor het einde van de reis | Laatste rusttijd voor het einde van de reis | Laatste rusttijd voor het einde van de reis | Handtekening van de schipper |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Scheepsnaam, uniek Europees scheepsiden-tificatienummer of officieel scheepsnummer | Datum | Tijdstip | Exploitatiewijze voor het einde van de reis | Begin | Einde | Handtekening van de schipper |
| E | E1 | E2 | E3 | E4 | ||
| 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 |
Deze verklaring maakt deel uit van het vaartijdenboek van het schip waarop het bemanningslid zijn nieuwe reis aanvangt en is daarmee een document als bedoeld in artikel 1.10 van het Rijnvaartpolitiereglement.
Het maken van onjuiste aantekeningen of aantekeningen die niet aan de voorschriften voldoen, kan strafbaar zijn; het gaat daarbij ten minste om overtredingen.
De schipper van het schip waarop de laatste reis van het bemanningslid heeft plaatsgevonden, is verantwoordelijk voor de gegevens die in deze verklaring worden verstrekt.
-
- De verklaring moet bij elke wisseling van schip door de schipper van het schip waarop de laatste reis van het bemanningslid heeft plaatsgevonden, worden ingevuld.
-
- De verklaring moet aan de schipper van het schip waarop de nieuwe reis wordt aangevangen, worden overgelegd.
-
- De gegevens in de verklaring moeten met de gegevens in het dienstboekje en het vaartijdenboek van het schip waarop de laatste reis van het bemanningslid heeft plaatsgevonden, overeenstemmen.
Bijlage A5. In het buitenland opgestelde als gelijkwaardig erkende dienstboekjes
De lijst van de in het buitenland opgestelde als gelijkwaardig erkende dienstboekjes en de bijbehorende informatie inzake de afgevende autoriteiten worden door de CCR gepubliceerd op haar website www.ccr-zkr.org.
| Staat | Nationale autoriteit(en) van afgifte | Nationale autoriteit(en) van afgifte | Besluit |
|---|---|---|---|
| Tsjechische Republiek | 2000-I-26 | ||
| Státní plavební správa Praha | Jankovcova 4 170 00 Praha 7 | Tel : 234 637 111 Fax : 266 710 545 pobocka@spspraha.cz | 2000-I-26 |
| Státní plavební správa Děčín | Labská 694/21 405 01 Děčín 1 | Tel: 412 557 411 Fax: 412 557 410 pobocka@spsdecin.cz | 2000-I-26 |
| Státní plavební správa Přerov | Seifertova 33 750 02 Přerov | Tel: 581 284 254 Fax: 581 284 256 pobocka@spsprerov.cz | 2000-I-26 |
| Oostenrijk | Oostenrijk | Oostenrijk | 2010-II-3 |
| Bundesministerium für Verkehr, Innovation und Technologie, Oberste Schifffahrtsbehörde | Radetzkystraße 2 1030 Wien | Tel. +43 1 71162 Fax +43 1 7130326 mobiel: +43 664 818 88 68 +43 664 818 89 09 +43 664 818 89 10 w2@bmvit.gv.at | 2010-II-3 |
| Voor het aanbrengen van de controlestempels zijn ook de volgende instanties bevoegd: | Voor het aanbrengen van de controlestempels zijn ook de volgende instanties bevoegd: | Voor het aanbrengen van de controlestempels zijn ook de volgende instanties bevoegd: | 2010-II-3 |
| Schifffahrtsaufsicht Hainburg | Donaulände 2 2410 Hainburg | Tel.: +43 2165 62 365 Fax: +43 2165 62 365-99 mobiel: +43 664 818 88 50 +43 664 818 88 51 +43 664 818 88 52 schifffahrtsaufsicht.hainburg@bmvit.gv.at | 2010-II-3 |
| Schifffahrtsaufsicht Wien | Handelskai 267 1020 Wien | Tel.: +43 1 728 37 00 Fax: +43 1 728 37 00-99 mobiel: +43 664 / 818 88 53 +43 664 / 818 88 54 +43 664 / 818 88 55 +43 664 / 818 88 56 schifffahrtsaufsicht.wien@bmvit.gv.at | 2010-II-3 |
| Schifffahrtsaufsicht Krems | Am Schutzdamm 1 3500 Krems | Tel.: +43 2732 / 83 170 Fax: +43 2732 / 83 170-99 mobiel: +43 664 / 818 88 57 +43 664 / 818 88 58 +43 664 / 818 88 59 schifffahrtsaufsicht.krems@bmvit.gv.at | 2010-II-3 |
| Schifffahrtsaufsicht Grein | Am Hofberg 2 4360 Grein | Tel.: +43 7268 / 320 Fax: +43 7268 / 7431 mobiel: +43 664 / 818 88 60 +43 664 / 818 88 61 +43 664 / 818 88 62 schifffahrtsaufsicht.grein@bmvit.gv.at | 2010-II-3 |
| Schifffahrtsaufsicht Linz | Regensburgerstraße 4 4020 Linz | Tel.: +43 732 / 777 229 Fax: +43 732 / 777 229-99 mobiel: +43 664 / 818 88 63 +43 664 / 818 88 64 +43 664 / 818 88 65 schifffahrtsaufsicht.linz@bmvit.gv.at | |
| Schifffahrtsaufsicht Engelhartszell | Nibelungenstraße 3 4090 Engelhartszell | Tel.: +43 7717 / 8026 Fax: +43 7717 / 8026-99 mobiel: +43 664 / 818 88 66 +43 664 / 818 88 67 +43 664 / 818 88 70 schifffahrtsaufsicht.engelhartszell@bmvit.gv.at | |
| Bulgarije | 2010-II-3 | ||
| Maritime Administration | Ruse 7000 20 Pristanistna St. | Tel : +359 82 815 815 Fax : +359 82 824 009 stw_rs@marad.bg | 2010-II-3 |
| Maritime Administration | Lom 3600 3 Dunavski park St. | Tel : +359 971 66 963 Fax : +359 971 66 961 stw_lm@marad.bg | 2010-II-3 |
| Hongarije | 2010-II-3 | ||
| Directie Strategie en Methodologie Departement Scheepvaart en Burgerluchtvaart Nemzeti Közlekedési Hatóság, Stratégiai és Módszertani Igazgatóság, Hajózásiés Légiközlekedési Főosztály | Postadres: 1389 Boedapest 62, Postbus 102 Kantooradres: 1066 Boedapest, Teréz körút 62 | Tel. : +36 1 815 9646 Fax : +36 1 815 9659 hajozaslegikozlekedesfoo.smi@nkh.gov.hu | 2010-II-3 |
| Polen | 2010-II-3 | ||
| Inland Navigation Office in Bydgoszcz Urząd Zeglugi Śródlądowej w Bydgoszczy | ul. Konarskiego 1/3 85-066 Bydgoszcz | Tel. +48 52 322-02-73, Fax +48 52 322-68-84 urzad@bydg.uzs.gov.pl | 2010-II-3 |
| Inland Navigation Office in Gdansk Urząd Zeglugi Śródlądowej w Gdańsku | ul. Toruńska 8/4 80-841 Gdańsk | Tel. +48 58 301-84-14 Fax +48 58 301-84-14 urzad@gda.uzs.gov.pl | 2010-II-3 |
| Inland Navigation Office in Gizycko Urząd Zeglugi Śródlądowej w Giżycku | ul. Łuczańska 5 11-500 Giżycko | Tel. +48 87 428-56-51 Fax +48 87 428-56-51 urzad@giz.uzs.gov.pl | 2010-II-3 |
| Inland Navigation Office in Kedzierzyn-Kozle Urząd Zeglugi Śródlądowej w Kędzierzynie-Koźlu | ul. Chełmońskiego 1 47-205 Kędzierzyn-Koźle | Tel. +48 77 472-23-60 Fax +48 77 472-23-61 urzad@k-k.uzs.gov.pl | 2010-II-3 |
| Inland Navigation Office in Krakow Urząd Zeglugi Śródlądowej w Krakowie | ul. Skawińska 31/3 31-066 Kraków | Tel. +48 12 430-53-97 Fax +48 12 430-53-97 urzad@kr.uzs.gov.pl | 2010-II-3 |
| Inland Navigation Office in Szczecin Urząd Zeglugi Śródlądowej w Szczecinie | Plac Batorego 4 70-207 Szczecin | Tel. +48 91 434-02-79 Fax +48 91 434-01-29 urzad@szn.uzs.gov.pl | 2010-II-3 |
| Inland Navigation Office in Warszawa Urząd Zeglugi Śródlądowej w Warszawie | ul. Dubois 9 00-182 Warszawa | Tel. +48 22 635-93-30 Fax +48 22 635-93-30 urzad@waw.uzs.gov.pl | |
| Inland Navigation Office in Wroclaw Urząd Zeglugi Śródlądowej we Wrocławiu | ul. Kleczkowska 52 50-227 Wrocław | Tel. +48 71 329-18-93 Fax +48 71 329-18-93 urzad@wroc.uzs.gov.pl | |
| Roemenië | 2010-II-3 | ||
| Roemeense Scheepvaartautoriteit, Constanta | Port No. 1, 900900 Constanta | Tel: 0040241555676 Fax: 0040341730349 rna@rna.ro lgrigore@rna.ro | 2010-II-3 |
| Slowaakse Republiek | 2010-II-3 | ||
| Dopravný úrad Divízia vnútrozemskej plavby | Letisko M.R. Štefánika 823 05 Bratislava | Tel. +421 2 333 00 217 plavba@nsat.sk | 2010-II-3 |
Op de pagina van de website van de CCR die gewijd is aan informatie over de toepassing van de Administratieve Overeenstemming over de Wederzijdse Erkenning van Dienstboekjes, zal het model van de erkende dienstboekjes toegankelijk zijn.
Bijlage B1. Minimumeisen ten aanzien van de lichamelijke geschiktheid
Bijlage B2. Medische verklaring met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid in de Rijnvaart (Model)
Bijlage B3. Verklaring betreffende de lichamelijke en geestelijke geschiktheid (Model)
Bijlage C1. Verklaring deskundige voor de passagiersvaart (Model)
Bijlage C2. Verklaring eerste hulpverlener in de passagiersvaart (Model)
Bijlage C3. Verklaring persluchtmaskerdrager in de passagiersvaart (Model)
Bijlage B2. Medische verklaring met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid in de Rijnvaart (Model)
Bijlage B3. Verklaring betreffende de lichamelijke en geestelijke geschiktheid (Model)
Bijlage C1. Verklaring deskundige voor de passagiersvaart (Model)
I. Vaarbevoegdheidsbewijzen van de lidstaten
Duits model:
Schipperspatent voor de binnenvaart A en B
(85 mm x 54 mm – basiskleur blauw; overeenkomstig ISO-Norm 7810.)
Duits model:
Schipperspatent voor de binnenvaart A en B
(85 mm x 54 mm – basiskleur blauw; overeenkomstig ISO-Norm 7810.)
Nederlands Model:
De lijst van de als gelijkwaardig erkende vaarbevoegdheidsbewijzen en de bijbehorende informatie inzake de afgevende autoriteiten en de modellen worden door de CCR gepubliceerd op haar website www.ccr-zkr.org.
Duits model:
Duits model:
Schipperspatent voor de binnenvaart A en B
(85 mm x 54 mm – basiskleur blauw; overeenkomstig ISO-Norm 7810.)
II. – Vaarbevoegdheidsbewijs van derde landen
Model van de Roemeense vaarbevoedheidsbewijzen van de klassen A en B
(85 mm x 54 mm – achtergrond blauw)
Groot vaarbewijs I en II:
Model van de Roemeense vaarbevoedheidsbewijzen van de klassen A en B
Groot vaarbewijs II2Dit document kan ook door de ‘Minister van Verkeer en Waterstaat, namens deze, De Directeur-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken’ worden afgegeven.
Hongaarse modellen vaarbewijs klasse A en klasse B
Vaarbewijs voor binnenvaartuigen A/B
(85 mm x 54 mm – Grondkleur blauw)
Groot vaarbewijs voor binnenvaartuigen A/B
(85 mm x 54 mm – Grondkleur blauw)
Belgisch Model:
Het materiaal van de kaart moet voldoen aan ISO-norm 7810.
Model van de Poolse vaarbevoedheidsbewijzen van de klassen A en B
Zwitsers Model
(585 mm × 54 mm – Achtergrond lichtblauw
Bijlage D6. Als gelijkwaardig erkende bevoegdheidsbewijzen voor de radarvaart
Model van de Poolse vaarbevoedheidsbewijzen van de klassen A en B
Modellen van het Tsjechische vaarbevoegdheidsbewijs
Modellen van het Tsjechische vaarbevoegdheidsbewijs
Bijlage D7. Examenprogramma ter verkrijging van een Rijnpatent
Opmerking vooraf:
| Soorten patent | (kolom 4 tot en met 7) |
|---|---|
| A – | Groot patent |
| B – | Klein patent |
| C – | Sportpatent |
| D – | verheidspatent |
| Vereiste kennis | (kolom 3) |
| 1 – | Gedetailleerde kennis |
| 2 – | Basiskennis |
| 1 | 2 |
| --- | --- |
| nr. | Examenstof |
| 1. | Kennis van de reglementen, gidsen en handboeken |
| 1.1 | Rijnvaartpolitiereglement (inclusief de tijdelijke wijzigingen) |
| Hoofdstuk 1 tot en met 7, 15 | |
| Hoofdstuk 8: | |
| Hoofdstuk 9, 10, 12, 14 (voor de betreffende riviergedeelten) | |
| Hoofdstuk 11: | |
| Bijlagen | |
| 3. Optische tekens van schepen | |
| 6. Geluidsseinen | |
| 7. Verkeerstekens | |
| 8. Verkeerstekens ter markering van de vaarweg | |
| 10. Olie-afgifteboekje | |
| Gidsen/Handboeken | |
| Marifonie in de binnenvaart | |
| Afvalverwijdering | |
| 1.2 | Verkeersvoorschriften voor zeescheepvaartwegen |
| (optische tekens van schepen, geluidsseinen, verkeerstekens, navigatiehulpmiddelen en betonningssystemen, vaarregels) | |
| 1.3 | Reglement onderzoek Schepen op de Rijn |
| Opzet en inhoud | |
| Inhoud certificaat van onderzoek | |
| 1.4 | Bemanningsvoorschriften, Deel II van het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn |
| 1.5 | ADN |
| Opzet | |
| Documenten/instructies | |
| Kennis van de voorgeschreven blauwe kegels/lichten | |
| Opzoeken van operationele voorschriften | |
| 1.6 | Bepalingen betreffende de Rijnpatenten: Deel III van het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn |
| Soorten patent | |
| Criteria voor de intrekking van een patent en de opschorting van de geldigheid | |
| 1.7 | Voorkoming van ongevallen |
| 2. | Nautische kennis en kennis van riviergedeelten |
| (aan de hand van kaarten) | |
| 2.1 | Rijn en nevenwateren |
| (belangrijkste geografische, hydrologische, meteorologische en morfologische kenmerken) | |
| 2.2 | Kennis van de gewenste riviergedeelten van de Rijn |
| Beschrijving van de vaarweg in de op- en afvaart | |
| Afmetingen van de vaarweg | |
| 2.3 | Navigatie op zeescheepvaartwegen |
| (koersbepaling, peilingen en plaatsbepaling, het gebruik van zeekaarten, procedures voor het controleren van het kompas, basiskennis inzake getijdewerking) | |
| 3. | Praktijkkennis |
| (Nautische zaken, scheepvaarttechnische zaken, praktische vaardigheden) | |
| 3.1 | Voeren van het schip |
| Praktijk van het sturen, manoeuvreereigenschappen | |
| Functie van de stuurinrichtingen en de aandrijving | |
| Invloed van stromingen, wind en zuiging | |
| Drijfvermogen, stabiliteit en toepassing daarvan in de praktijk | |
| Ankeren en meren | |
| 3.2 | Motorenkennis |
| Bouw, werking van de motoren, functie van de elektrische inrichtingen | |
| Bediening, bedrijfscontrole | |
| Maatregelen bij bedrijfsstoringen | |
| 3.3 | Laden en lossen |
| Bepalen van het gewicht van de lading aan de hand van de meetbrief | |
| Gebruik van de diepgangsschaal | |
| Stuwen van de lading | |
| 3.4 | Handelen onder bijzondere omstandigheden |
| Maatregelen bij schade, eerste hulp, stoppen van lekkage | |
| Bediening van reddingsmiddelen | |
| Bijzonderheden bij averij op zeescheepvaartwegen | |
| Behandeling van afval en voorkomen van verontreiniging van de waterwegen | |
| Informeren van de bevoegde autoriteiten | |
| Brandbestrijding |
Bijlage D8. Examenprogramma ter verkrijging van een radarpatent
Hongaarse modellen vaarbewijs klasse A en klasse B
Oostenrijkse modellen van de kapiteinspatenten categorie A en categorie B
Model van de Roemeense vaarbevoedheidsbewijzen van de klassen A en B
Vaarbevoegdheidsbewijs klasse A
Vaarbevoegdheidsbewijs klasse B
Vaarbewijs van kapitein klasse I (B)
Vaarbewijs categorie B (van kracht geworden op 15.3.2015)
Bijlage D6. Als gelijkwaardig erkende bevoegdheidsbewijzen voor de radarvaart
Model van het Tsjechische radarbevoegdheidsbewijs
Model van de Poolse vaarbevoedheidsbewijzen van de klassen A en B
Radarbevoegdheidsbewijs
(585 mm × 54 mm – Achtergrond lichtblauw
(De fysieke kenmerken van de kaart moeten voldoen aan de ISO-norm 7810.)
Bijlage D7. Examenprogramma ter verkrijging van een Rijnpatent
Opmerking vooraf:
| Soorten patent | (kolom 4 tot en met 7) |
|---|---|
| A – | Groot patent |
| B – | Klein patent |
| C – | Sportpatent |
| D – | verheidspatent |
| Vereiste kennis | (kolom 3) |
| 1 – | Gedetailleerde kennis |
| 2 – | Basiskennis |
| 1 | 2 |
| --- | --- |
| nr. | Examenstof |
| 1. | Kennis van de reglementen, gidsen en handboeken |
| 1.1 | Rijnvaartpolitiereglement (inclusief de tijdelijke wijzigingen) |
| Hoofdstuk 1 tot en met 7, 15 | |
| Hoofdstuk 8: | |
| Hoofdstuk 9, 10, 12, 14 (voor de betreffende riviergedeelten) | |
| Hoofdstuk 11: | |
| Bijlagen | |
| 3. Optische tekens van schepen | |
| 6. Geluidsseinen | |
| 7. Verkeerstekens | |
| 8. Verkeerstekens ter markering van de vaarweg | |
| 10. Olie-afgifteboekje | |
| Gidsen/Handboeken | |
| Marifonie in de binnenvaart | |
| Afvalverwijdering | |
| 1.2 | Verkeersvoorschriften voor zeescheepvaartwegen |
| (optische tekens van schepen, geluidsseinen, verkeerstekens, navigatiehulpmiddelen en betonningssystemen, vaarregels) | |
| 1.3 | Reglement onderzoek Schepen op de Rijn |
| Opzet en inhoud | |
| Inhoud certificaat van onderzoek | |
| 1.4 | Bemanningsvoorschriften, Deel II van het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn |
| 1.5 | ADN |
| Opzet | |
| Documenten/instructies | |
| Kennis van de voorgeschreven blauwe kegels/lichten | |
| Opzoeken van operationele voorschriften | |
| 1.6 | Bepalingen betreffende de Rijnpatenten: Deel III van het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn |
| Soorten patent | |
| Criteria voor de intrekking van een patent en de opschorting van de geldigheid | |
| 1.7 | Voorkoming van ongevallen |
| 2. | Nautische kennis en kennis van riviergedeelten |
| (aan de hand van kaarten) | |
| 2.1 | Rijn en nevenwateren |
| (belangrijkste geografische, hydrologische, meteorologische en morfologische kenmerken) | |
| 2.2 | Kennis van de gewenste riviergedeelten van de Rijn |
| Beschrijving van de vaarweg in de op- en afvaart | |
| Afmetingen van de vaarweg | |
| 2.3 | Navigatie op zeescheepvaartwegen |
| (koersbepaling, peilingen en plaatsbepaling, het gebruik van zeekaarten, procedures voor het controleren van het kompas, basiskennis inzake getijdewerking) | |
| 3. | Praktijkkennis |
| (Nautische zaken, scheepvaarttechnische zaken, praktische vaardigheden) | |
| 3.1 | Voeren van het schip |
| Praktijk van het sturen, manoeuvreereigenschappen | |
| Functie van de stuurinrichtingen en de aandrijving | |
| Invloed van stromingen, wind en zuiging | |
| Drijfvermogen, stabiliteit en toepassing daarvan in de praktijk | |
| Ankeren en meren | |
| 3.2 | Motorenkennis |
| Bouw, werking van de motoren, functie van de elektrische inrichtingen | |
| Bediening, bedrijfscontrole | |
| Maatregelen bij bedrijfsstoringen | |
| 3.3 | Laden en lossen |
| Bepalen van het gewicht van de lading aan de hand van de meetbrief | |
| Gebruik van de diepgangsschaal | |
| Stuwen van de lading | |
| 3.4 | Handelen onder bijzondere omstandigheden |
| Maatregelen bij schade, eerste hulp, stoppen van lekkage | |
| Bediening van reddingsmiddelen | |
| Bijzonderheden bij averij op zeescheepvaartwegen | |
| Behandeling van afval en voorkomen van verontreiniging van de waterwegen | |
| Informeren van de bevoegde autoriteiten | |
| Brandbestrijding |
Bijlage D8. Examenprogramma ter verkrijging van een radarpatent
Modellen van de Slowaakse vaarbewijzen categorie A en categorie B
Modellen van de Slowaakse vaarbewijzen categorie A en categorie B
Hoofdstuk 5. Aanvullende voorschriften voor het aan boord van passagiersschepen voorgeschreven veiligheidspersoneel
Paragraaf 1. : Eisen voor het verkrijgen van, en het bewijs van bekwaamheid
Paragraaf 2. : Verplichtingen bij de exploitatie van passagiersschepen
Deel III. Voorschriften betreffende de vaarbevoegdheidsbewijzen
Hoofdstuk 6. Op deel III van toepassing zijnde algemene bepalingen
Hoofdstuk 6. Op deel III van toepassing zijnde algemene bepalingen
Paragraaf 1. : Voorwaarden voor het verkrijgen van een Rijnpatent
Subparagraaf 1. : Algemene eisen
Subparagraaf 1. : Algemene eisen
Paragraaf 2. : Toelatings- en examenprocedure
Paragraaf 3. : Controle van de lichamelijke en geestelije geschiktheid
Paragraaf 4. : Opschorting en intrekking
Hoofdstuk 8. Bepalingen betreffende het radarpatent
Hoofdstuk 9. Overgangsbepalingen
Artikel 9.05. Verklaring van deskundigheid aangaande het gebruik van vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof
De bevoegde autoriteiten verstrekken een verklaring overeenkomstig artikel 4a.02 aan bemanningsleden van schepen die vóór 1 juli 2016 zijn begonnen met het gebruik van LNG als brandstof, wanneer de betrokken bemanningsleden op grond van een aanbeveling van de CCR krachtens artikel 2.19 van het ROSR zijn opgeleid en een vaartijd van ten minste 90 dagen op dergelijke schepen kunnen aantonen.
Bijlage A1. Vaartijdenboek (Model B-00734)
Naam van het schip: ......
Uniek Europees scheepsidentificatienummer (ENI) of officieel scheepsnummer: ......
Aanwijzingen voor het bijhouden van het vaartijdenboek
Sancties
Dit vaartijdenboek omvat 200 bladzijden, genummerd van 1 tot en met 200. De aantekeningen in dit boek dienen met inkt en duidelijk leesbaar (bijv. in drukletters) te worden aangebracht.
TEMPS DE REPOS – RUHEZEITEN – RUSTTIJDEN
Betriebsform .............................
Bijlage 5. Specifieke bepalingen voor het bevaren van gedeelten van de Rijn die als binnenwatertrajecten met specifieke risico’s geclassificeerd zijn
Bijlage A2. Dienstboekje (Model A-00735)
Mode d'exploitation
Indications et directives relatives à la tenue du Livret de service
A). Indications
Aanvullende competentie
Een schipper die met een vaartuig dit gedeelte van de Rijn met specifieke risico’s bevaart, moet met het oog op de veiligheid de eigenschappen en plaatselijke omstandigheden van dit gedeelte van de Rijn kennen.
Le Livret de service doit être remis au conducteur lors de la première prise de service et doit être présenté à l'autorité compétente au moins une fois tous les 12 mois à compter de la date à laquelle il a été établi, afin qu'elle y inscrive le visa de contrôle. Conformément au Règlement relatif au personnel de la navigation sur le Rhin, un timonier qui ne souhaite pas obtenir la grande patente est exonéré de l'obligation de présenter le livret de service pour inscription du visa de contrôle. Conformément au Règlement relatif au personnel de la navigation sur le Rhin, il doit dans ce cas porter sur la page 10 du livret de service la mention ‘ne souhaite pas acquérir une patente de batelier’ et sa signature.
B). Instructions relatives à la tenue du Livret de service
Schifferdienstbuch – Hinweise und Anweisungen zur Führung
VI. De Rijn van kmr 769,00 (Krefeld) tot kmr 857,40 (Spyck’sche Veer/Nederlandse grens)
Er hat im Schifferdienstbuch die Eintragungen über seine eigene Person und regelmäßig Eintragungen über Fahrzeiten und Streckenfahrten vorzunehmen und es bis zur Beendigung des Dienst-, Arbeits- oder sonstigen Verhältnisses sicher aufzubewahren. Soweit ein Steuermann gem. der Verordnung über das Schiffspersonal auf dem Rhein auf Seite 10 des Schifferdienstbuches den Vermerk: ‘Beabsichtigt nicht den Erwerb eines Schifferpatentes’ eingetragen und ordnungsgemäß unterzeichnet hat, entfällt die Verpflichtung Fahrzeiten und Streckenfahrten einzutragen. Auf Wunsch des Inhabers ist diesem das Schifferdienstbuch jederzeit und unverzüglich auszuhändigen.
Das Schifferdienstbuch ist ein Dokument nach § 1.10 der Rheinschifffahrtspolizeiverordnung. Falsche oder nicht ordnungsgemäße Eintragungen können strafbar sein und ist auf der Grundlage der Verordnung über das Schiffspersonal auf dem Rhein ausgestellt; zumindest handelt es sich um Ordnungswidrigkeiten. Verantwortlich für die Eintragungen der allgemeinen Angaben im Schifferdienstbuch (S. 3 bis 8) ist die zuständige Behörde. Das Schifferdienstbuch ist nur mit den amtlichen Eintragungen auf Seite 3 gültig. Ein Schifferdienstbuch ohne diese amtlichen Eintragungen ist ungültig.
Jedes Besatzungsmitglied muss zum jederzeitigen Nachweis seiner Befähigung und Tauglichkeit ein auf seine Person ausgestelltes Schifferdienstbuch haben. Es dient bei Personen, die ein Patent erwerben wollen, auch zum Nachweis der Fahrzeiten und Streckenfahrten auf dem Rhein und auf anderen Wasserstraßen. Mitglieder der Besatzung mit Rheinpatent brauchen das Schifferdienstbuch nicht zu führen. Der Inhaber eines Rheinpatentes oder eines von der ZKR als gleichwertig anerkannten Schifffsführerzeugnisses benötigt ein Schifferdienstbuch nur zur Eintragung der Streckenfahrten, wenn sein Patent oder Schiffsführerzeugnis für diese Strecken nicht gilt und er es erwerben möchte.
B). Anweisungen zur Führung des Schifferdienstbuches
Aanwijzingen en instructies voor het bijhouden van het dienstboekje
A). Aanwijzingen
Ieder bemanningslid moet te allen tijde zijn kwalificatie en geschiktheid door middel van een op zijn naam gesteld dienstboekje kunnen aantonen. Het is eveneens vereist voor personen die een patent of vaarbewijs willen verkrijgen, zodat zij hun vaartijd en scheepsreizen op de Rijn en op andere vaarwegen kunnen aantonen. Een lid van de bemanning dat in het bezit is van een Rijnpatent hoeft het dienstboekje niet meer bij te houden. De houder van een Rijnpatent of een door de CCR als gelijkwaardig erkend vaarbewijs heeft het dienstboekje slechts nodig voor het aantekenen van de scheepsreizen op die gedeelten waarvoor het Rijnpatent of zijn bewijs van bekwaamheid niet geldt en waarvoor hij een dienovereenkomstig document wenst te verkrijgen.
Houder van een dienstboekje is degene op wiens naam het dienstboekje is afgegeven.
Het dienstboekje moet bij de eerste indiensttreding aan de schipper worden overhandigd en vanaf de datum van afgifte jaarlijks en op zijn minst eenmaal binnen twaalf maanden bij de bevoegde autoriteit ter waarmerking worden overgelegd. Een stuurman die geen groot Patent overeenkomstig Deel III van het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn wil verkrijgen, is krachtens artikel 3.06, punt 5 van het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn vrijgesteld van de verplichting het dienstboekje te overleggen voor aantekening van het controlewaarmerk. In dit geval moet hij overeenkomstig het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn op bladzijde 10 van het dienstboekje de aantekening: ‘Is niet voornemens een schipperspatent te verkrijgen’ aanbrengen en rechtsgeldig ondertekenen.
Bijlage A3. Eisen betreffende tachografen en voorschriften voor de inbouw van tachografen aan boord
A. Eisen betreffende tachografen
B. Voorschriften met betrekking tot de inbouw van tachografen aan boord
Deze heeft de plicht, maar ook het recht, het overgelegde dienstboekje te controleren en afhankelijk van het resultaat te voorzien van een waarmerk ter controle. Hiertoe heeft de bevoegde instantie het recht te verlangen dat haar ook vaartijdenboeken, volledig of een uitreksel daarvan, dan wel andere relevante bewijsstukken worden overgelegd.
Bijlage A4. Verklaring voor het aantonen van de vereiste rusttijd, bedoeld in artikel 3.12, tweede tot en met zesde lid (Model)
(geldt alleen tezamen met het dienstboekje, respectievelijk met het grote patent zoals bedoeld in bijlage D1, respectievelijk het voorlopige grote patent, zoals bedoeld in bijlage D2 van het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn)
Naam en voornaam:
Nummer van het dienstboekje, respectievelijk van het patent:
| Scheepsnaam, uniek Europees scheepsiden-tificatienummer of officieel scheepsnummer | Einde van de reis | Einde van de reis | Exploitatiewijze voor het einde van de reis | Laatste rusttijd voor het einde van de reis | Laatste rusttijd voor het einde van de reis | Handtekening van de schipper |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Scheepsnaam, uniek Europees scheepsiden-tificatienummer of officieel scheepsnummer | Datum | Tijdstip | Exploitatiewijze voor het einde van de reis | Begin | Einde | Handtekening van de schipper |
| E | E1 | E2 | E3 | E4 | ||
| 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 |
Deze verklaring maakt deel uit van het vaartijdenboek van het schip waarop het bemanningslid zijn nieuwe reis aanvangt en is daarmee een document als bedoeld in artikel 1.10 van het Rijnvaartpolitiereglement.
Het maken van onjuiste aantekeningen of aantekeningen die niet aan de voorschriften voldoen, kan strafbaar zijn; het gaat daarbij ten minste om overtredingen.
De schipper van het schip waarop de laatste reis van het bemanningslid heeft plaatsgevonden, is verantwoordelijk voor de gegevens die in deze verklaring worden verstrekt.
-
- De verklaring moet bij elke wisseling van schip door de schipper van het schip waarop de laatste reis van het bemanningslid heeft plaatsgevonden, worden ingevuld.
-
- De verklaring moet aan de schipper van het schip waarop de nieuwe reis wordt aangevangen, worden overgelegd.
-
- De gegevens in de verklaring moeten met de gegevens in het dienstboekje en het vaartijdenboek van het schip waarop de laatste reis van het bemanningslid heeft plaatsgevonden, overeenstemmen.
Bijlage A3. Eisen betreffende tachografen en voorschriften voor de inbouw van tachografen aan boord
Bijlage B1. Minimumeisen ten aanzien van de lichamelijke geschiktheid
II. Gehoorvermogen:
Het gehoor is als voldoende te beschouwen, indien het gemiddeld gehoorverlies van beide oren bij de frequenties 500, 1000, 2000 en 3000 Hz de waarde van 40 dB(A) niet overschrijdt. Indien de waarde van 40 dB wordt overschreden, is het gehoorvermogen toch als voldoende aan te merken, als de conversatiespraak met een hoortoestel op 2 m met elk oor afzonderlijk duidelijk wordt verstaan.
III. Er mogen geen andere bevindingen uit medische keuring aanwezig zijn die de lichamelijke geschiktheid uitsluiten.
Indien de navolgende ziekten of lichamelijke gebreken voorkomen, kan dit aanleiding geven tot twijfel aan de lichamelijke geschiktheid van de gegadigde als schipper:
Bijlage C2. Verklaring eerste hulpverlener in de passagiersvaart (Model)
Bijlage C3. Verklaring persluchtmaskerdrager in de passagiersvaart (Model)
Bijlage C4. Boekje houdende de attesten voor de passagiersvaart (Model)
I. Vaarbevoegdheidsbewijzen van de lidstaten
Nederlands Model:
Groot vaarbewijs A en B voor de binnenvaart
II. – Vaarbevoegdheidsbewijs van derde landen
Nederlands model:
Modellen van het Tsjechische vaarbevoegdheidsbewijs
Hongaarse modellen vaarbewijs klasse A en klasse B
Het materiaal van de kaart moet voldoen aan ISO-norm 7810.
Vaarbevoegdheidsbewijs klasse A
Vaarbewijs van kapitein klasse I (B)
Modellen van de Slowaakse vaarbewijzen categorie A en categorie B
Vaarbewijs klasse A
(585 mm × 54 mm – Achtergrond lichtblauw)
(De fysieke kenmerken van de kaart moeten voldoen aan de ISO-norm 7810.)
Bijlage D6. Als gelijkwaardig erkende bevoegdheidsbewijzen voor de radarvaart
Model van het Roemeense bevoegdheidsbewijs voor het varen op radar
Model van de Poolse vaarbevoedheidsbewijzen van de klassen A en B
Vaarbewijs type A
Hongaars radarbevoegdheidsbewijs voor de binnenvaart
Bijlage D7. Examenprogramma ter verkrijging van een Rijnpatent
Opmerking vooraf:
| Soorten patent | (kolom 4 tot en met 7) |
|---|---|
| A – | Groot patent |
| B – | Klein patent |
| C – | Sportpatent |
| D – | verheidspatent |
| Vereiste kennis | (kolom 3) |
| 1 – | Gedetailleerde kennis |
| 2 – | Basiskennis |
| 1 | 2 |
| --- | --- |
| nr. | Examenstof |
| 1. | Kennis van de reglementen, gidsen en handboeken |
| 1.1 | Rijnvaartpolitiereglement (inclusief de tijdelijke wijzigingen) |
| Hoofdstuk 1 tot en met 7, 15 | |
| Hoofdstuk 8: | |
| Hoofdstuk 9, 10, 12, 14 (voor de betreffende riviergedeelten) | |
| Hoofdstuk 11: | |
| Bijlagen | |
| 3. Optische tekens van schepen | |
| 6. Geluidsseinen | |
| 7. Verkeerstekens | |
| 8. Verkeerstekens ter markering van de vaarweg | |
| 10. Olie-afgifteboekje | |
| Gidsen/Handboeken | |
| Marifonie in de binnenvaart | |
| Afvalverwijdering | |
| 1.2 | Verkeersvoorschriften voor zeescheepvaartwegen |
| (optische tekens van schepen, geluidsseinen, verkeerstekens, navigatiehulpmiddelen en betonningssystemen, vaarregels) | |
| 1.3 | Reglement onderzoek Schepen op de Rijn |
| Opzet en inhoud | |
| Inhoud certificaat van onderzoek | |
| 1.4 | Bemanningsvoorschriften, Deel II van het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn |
| 1.5 | ADN |
| Opzet | |
| Documenten/instructies | |
| Kennis van de voorgeschreven blauwe kegels/lichten | |
| Opzoeken van operationele voorschriften | |
| 1.6 | Bepalingen betreffende de Rijnpatenten: Deel III van het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn |
| Soorten patent | |
| Criteria voor de intrekking van een patent en de opschorting van de geldigheid | |
| 1.7 | Voorkoming van ongevallen |
| 2. | Nautische kennis en kennis van riviergedeelten |
| (aan de hand van kaarten) | |
| 2.1 | Rijn en nevenwateren |
| (belangrijkste geografische, hydrologische, meteorologische en morfologische kenmerken) | |
| 2.2 | Kennis van de gewenste riviergedeelten van de Rijn |
| Beschrijving van de vaarweg in de op- en afvaart | |
| Afmetingen van de vaarweg | |
| 2.3 | Navigatie op zeescheepvaartwegen |
| (koersbepaling, peilingen en plaatsbepaling, het gebruik van zeekaarten, procedures voor het controleren van het kompas, basiskennis inzake getijdewerking) | |
| 3. | Praktijkkennis |
| (Nautische zaken, scheepvaarttechnische zaken, praktische vaardigheden) | |
| 3.1 | Voeren van het schip |
| Praktijk van het sturen, manoeuvreereigenschappen | |
| Functie van de stuurinrichtingen en de aandrijving | |
| Invloed van stromingen, wind en zuiging | |
| Drijfvermogen, stabiliteit en toepassing daarvan in de praktijk | |
| Ankeren en meren | |
| 3.2 | Motorenkennis |
| Bouw, werking van de motoren, functie van de elektrische inrichtingen | |
| Bediening, bedrijfscontrole | |
| Maatregelen bij bedrijfsstoringen | |
| 3.3 | Laden en lossen |
| Bepalen van het gewicht van de lading aan de hand van de meetbrief | |
| Gebruik van de diepgangsschaal | |
| Stuwen van de lading | |
| 3.4 | Handelen onder bijzondere omstandigheden |
| Maatregelen bij schade, eerste hulp, stoppen van lekkage | |
| Bediening van reddingsmiddelen | |
| Bijzonderheden bij averij op zeescheepvaartwegen | |
| Behandeling van afval en voorkomen van verontreiniging van de waterwegen | |
| Informeren van de bevoegde autoriteiten | |
| Brandbestrijding |
Bijlage D8. Examenprogramma ter verkrijging van een radarpatent
Oostenrijkse modellen van de kapiteinspatenten categorie A en categorie B
Oostenrijkse modellen van de kapiteinspatenten categorie A en categorie B
E. : Bemanningsleden van schepen die vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof gebruiken
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Bijlage D6. Als gelijkwaardig erkende bevoegdheidsbewijzen voor de radarvaart
Bijlage D6. Als gelijkwaardig erkende bevoegdheidsbewijzen voor de radarvaart
Artikel 4a.01. Kennis en instructies
De schipper en de bij de bunkerprocedure betrokken bemanningsleden van schepen die vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof gebruiken, moeten over een deskundigheid aangaande het gebruik van vloeibaar aardgas als brandstof beschikken.
Een bemanningslid mag pas werkzaamheden aan boord uitoefenen na instructies van de schipper te hebben gekregen over het gebruik van vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof op het desbetreffende schip en met name over de bunkerprocedure.
Artikel 4a.02. Verklaring
De betrokken bemanningsleden tonen hun kennis aan door middel van een verklaring overeenkomstig het model van bijlage E1.
De verklaring wordt afgegeven wanneer de kandidaat voldoet aan de eisen van artikelen 4a.03 en 4a.04.
Artikel 4a.03. Cursus en examen
De cursus inzake de kennis bestaat uit een theoretisch gedeelte en een praktisch gedeelte en wordt door een examen afgesloten.
Het theoretische gedeelte van de cursus omvat de in bijlage E2, deel A, genoemde onderwerpen.
Het praktische gedeelte van de cursus betreft de toepassing van de verworven theoretische kennis in de praktijk aan boord van een schip dat vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof gebruikt en/of in een daartoe geschikte installatie aan de wal. Het omvat de in bijlage E2, deel B, genoemde onderwerpen.
Het examen bestaat uit een theoretisch en uit een praktisch deel. Het omvat alle in bijlage E2, deel A en deel B genoemde onderwerpen. Het examen is met goed gevolg afgelegd wanneer de kandidaat in beide geëxamineerde delen heeft aangetoond over voldoende kennis en vaardigheden te beschikken.
Het praktisch deel van het examen wordt aan boord van een schip en/of aan de wal afgenomen.
Artikel 4a.04. Geldigheid en verlenging van de verklaring
De verklaring heeft een geldigheidsduur van vijf jaar.
De geldige verklaring overeenkomstig het model van bijlage E1 wordt op verzoek van de houder door de bevoegde autoriteit met vijf jaar verlengd met ingang van de datum van aanvraag wanneer de houder:
- a). de onderstaande vaartijd kan aantonen op een schip dat vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof gebruikt: of, wanneer dit niet het geval is,
- –. ten minste 180 dagen voor de voorafgaande periode van vijf jaar, of
- –. ten minste 90 dagen voor de voorafgaande periode van een jaar;
- b). aan een opfriscursus met examen heeft deelgenomen. De bepalingen van artikel 4a.03 zijn van overeenkomstige toepassing op de inhoud van de opfriscursus en van het examen, waarbij de cursus- en examenomvang wordt teruggebracht.
Artikel 4a.05. Bevoegdheid
De bevoegdheid om erkende cursussen en opfriscursussen te verzorgen, examens af te nemen en verklaringen overeenkomstig het model van bijlage E1 af te geven ligt bij erkende opleidingsinstituten.
De cursussen, opfriscursussen en opleidingsinstituten worden erkend door de bevoegde autoriteiten op basis van de uniforme criteria die door de CCR zijn vastgelegd.
De bevoegde autoriteit kan zich het recht voorbehouden om zelf de verklaringen af te geven of te verlengen.
Elke bevoegde autoriteit is bevoegd voor de verlenging van verklaringen op grond van vaartijd.
De bevoegde autoriteiten stellen de CCR in kennis van elke beslissing over de erkenning van een opleidingsinstituut of over de intrekking of de opschorting van een dergelijke erkenning.
De lijst van de erkende opleidingsinstituten en cursussen wordt via elektronische weg gepubliceerd door de CCR.
Hoofdstuk 5. Aanvullende voorschriften voor het aan boord van passagiersschepen voorgeschreven veiligheidspersoneel
Paragraaf 1. : Eisen voor het verkrijgen van, en het bewijs van bekwaamheid
Paragraaf 2. : Verplichtingen bij de exploitatie van passagiersschepen
Deel III. Voorschriften betreffende de vaarbevoegdheidsbewijzen
Hoofdstuk 7. Bepalingen betreffende de Rijnpatenten
Paragraaf 1. : Voorwaarden voor het verkrijgen van een Rijnpatent
Subparagraaf 2. : Kennis vanriviergedeelten
Paragraaf 2. : Toelatings- en examenprocedure
Paragraaf 3. : Controle van de lichamelijke en geestelije geschiktheid
Paragraaf 4. : Opschorting en intrekking
Hoofdstuk 8. Bepalingen betreffende het radarpatent
Hoofdstuk 9. Overgangsbepalingen
Bijlage A1. Vaartijdenboek (Model B-00734)
Aanwijzingen voor het bijhouden van het vaartijdenboek
Overtredingen/strafbare handelingen
Bijlage A1a. Bevoegde autoriteiten voor de afgifte van op de Rijn geldige vaartijdenboeken
| Staat | Autoriteit | Periode van afgifte |
|---|---|---|
Bijlage A2. Dienstboekje (Model A-00735)
Indications et directives relatives à la tenue du Livret de service
A). Indications
B). Instructions relatives à la tenue du Livret de service
Schifferdienstbuch – Hinweise und Anweisungen zur Führung
B). Anweisungen zur Führung des Schifferdienstbuches
Aanwijzingen en instructies voor het bijhouden van het dienstboekje
A). Aanwijzingen
Het is in het belang van de houder ervoor te zorgen dat de aantekeningen die door de schipper in het dienstboekje worden aangebracht, juist en volledig zijn.
Hij moet in het dienstboekje de vereiste gegevens over hem zelf inschrijven en regelmatig aantekeningen over de vaartijden en de bevaren riviergedeelten maken en het dienstboekje tot het einde van het dienstverband, arbeidscontract of andere arbeidsverhoudingen op een veilige plaats bewaren. Als een stuurman overeenkomstig het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn op bladzijde 10 van het dienstboekje de aantekening: ‘Is niet voornemens een schipperspatent te verkrijgen’ heeft aangebracht en rechtsgeldig heeft ondertekend, is hij niet langer verplicht de vaartijden en bevaren riviergedeelten aan te tekenen. Op verzoek van de houder moet het dienstboekje te allen tijde en onverwijld aan hem worden overhandigd.
Meer details met betrekking tot de wijze waarop het dienstboekje moet worden bijgehouden, vindt u in de hierna volgende instructies.
A. Eisen betreffende tachografen
I. Gezichtsvermogen:
II. Gehoorvermogen:
Het gehoor is als voldoende te beschouwen, indien het gemiddeld gehoorverlies van beide oren bij de frequenties 500, 1000, 2000 en 3000 Hz de waarde van 40 dB(A) niet overschrijdt. Indien de waarde van 40 dB wordt overschreden, is het gehoorvermogen toch als voldoende aan te merken, als de conversatiespraak met een hoortoestel op 2 m met elk oor afzonderlijk duidelijk wordt verstaan.
III. Er mogen geen andere bevindingen uit medische keuring aanwezig zijn die de lichamelijke geschiktheid uitsluiten.
Indien de navolgende ziekten of lichamelijke gebreken voorkomen, kan dit aanleiding geven tot twijfel aan de lichamelijke geschiktheid van de gegadigde als schipper:
Bijlage D1. Rijnpatent (Model)
(Model)
Rijnpatent
(85 mm x 54 mm – Grondkleur blauw)
Bijlage D2. Voorlopig Rijnpatent (Model)
Bijlage D3. Bewijs voor riviergedeelten (Model)
Bijlage D4. Radarpatent (Model)
Bijlage D5. Als gelijkwaardig erkende vaarbevoegdheidsbewijzen
I. Vaarbevoegdheidsbewijzen van de lidstaten
Groot vaarbewijs I1Dit document kan ook door de ‘Minister van Verkeer en Waterstaat, namens deze, De Directeur-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken’ worden afgegeven.
II. – Vaarbevoegdheidsbewijs van derde landen
Model van de Roemeense vaarbevoedheidsbewijzen van de klassen A en B
II. – Vaarbevoegdheidsbewijs van derde landen
Vaarbewijs klasse A
Vaarbewijs Klasse B
Vaarbewijs type A
Vaarbewijs van kapitein klasse A
Vaarbewijs van kapitein klasse A
Bijlage D6. Als gelijkwaardig erkende bevoegdheidsbewijzen voor de radarvaart
Modellen van de Tsjechische bevoegdheidsbewijzen voor de radarvaart
Kapiteinspatent B
Hongaars radarbevoegdheidsbewijs voor de binnenvaart
Model van het Roemeense bevoegdheidsbewijs voor het varen op radar
Bijlage D7. Examenprogramma ter verkrijging van een Rijnpatent
Opmerking vooraf:
| Soorten patent | (kolom 4 tot en met 7) |
|---|---|
| A – | Groot patent |
| B – | Klein patent |
| C – | Sportpatent |
| D – | verheidspatent |
| Vereiste kennis | (kolom 3) |
| 1 – | Gedetailleerde kennis |
| 2 – | Basiskennis |
| 1 | 2 |
| --- | --- |
| nr. | Examenstof |
| 1. | Kennis van de reglementen, gidsen en handboeken |
| 1.1 | Rijnvaartpolitiereglement (inclusief de tijdelijke wijzigingen) |
| Hoofdstuk 1 tot en met 7, 15 | |
| Hoofdstuk 8: | |
| Hoofdstuk 9, 10, 12, 14 (voor de betreffende riviergedeelten) | |
| Hoofdstuk 11: | |
| Bijlagen | |
| 3. Optische tekens van schepen | |
| 6. Geluidsseinen | |
| 7. Verkeerstekens | |
| 8. Verkeerstekens ter markering van de vaarweg | |
| 10. Olie-afgifteboekje | |
| Gidsen/Handboeken | |
| Marifonie in de binnenvaart | |
| Afvalverwijdering | |
| 1.2 | Verkeersvoorschriften voor zeescheepvaartwegen |
| (optische tekens van schepen, geluidsseinen, verkeerstekens, navigatiehulpmiddelen en betonningssystemen, vaarregels) | |
| 1.3 | Reglement onderzoek Schepen op de Rijn |
| Opzet en inhoud | |
| Inhoud certificaat van onderzoek | |
| 1.4 | Bemanningsvoorschriften, Deel II van het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn |
| 1.5 | ADN |
| Opzet | |
| Documenten/instructies | |
| Kennis van de voorgeschreven blauwe kegels/lichten | |
| Opzoeken van operationele voorschriften | |
| 1.6 | Bepalingen betreffende de Rijnpatenten: Deel III van het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn |
| Soorten patent | |
| Criteria voor de intrekking van een patent en de opschorting van de geldigheid | |
| 1.7 | Voorkoming van ongevallen |
| 2. | Nautische kennis en kennis van riviergedeelten |
| (aan de hand van kaarten) | |
| 2.1 | Rijn en nevenwateren |
| (belangrijkste geografische, hydrologische, meteorologische en morfologische kenmerken) | |
| 2.2 | Kennis van de gewenste riviergedeelten van de Rijn |
| Beschrijving van de vaarweg in de op- en afvaart | |
| Afmetingen van de vaarweg | |
| 2.3 | Navigatie op zeescheepvaartwegen |
| (koersbepaling, peilingen en plaatsbepaling, het gebruik van zeekaarten, procedures voor het controleren van het kompas, basiskennis inzake getijdewerking) | |
| 3. | Praktijkkennis |
| (Nautische zaken, scheepvaarttechnische zaken, praktische vaardigheden) | |
| 3.1 | Voeren van het schip |
| Praktijk van het sturen, manoeuvreereigenschappen | |
| Functie van de stuurinrichtingen en de aandrijving | |
| Invloed van stromingen, wind en zuiging | |
| Drijfvermogen, stabiliteit en toepassing daarvan in de praktijk | |
| Ankeren en meren | |
| 3.2 | Motorenkennis |
| Bouw, werking van de motoren, functie van de elektrische inrichtingen | |
| Bediening, bedrijfscontrole | |
| Maatregelen bij bedrijfsstoringen | |
| 3.3 | Laden en lossen |
| Bepalen van het gewicht van de lading aan de hand van de meetbrief | |
| Gebruik van de diepgangsschaal | |
| Stuwen van de lading | |
| 3.4 | Handelen onder bijzondere omstandigheden |
| Maatregelen bij schade, eerste hulp, stoppen van lekkage | |
| Bediening van reddingsmiddelen | |
| Bijzonderheden bij averij op zeescheepvaartwegen | |
| Behandeling van afval en voorkomen van verontreiniging van de waterwegen | |
| Informeren van de bevoegde autoriteiten | |
| Brandbestrijding |
Bijlage D8. Examenprogramma ter verkrijging van een radarpatent
Hongaars radarbevoegdheidsbewijs voor de binnenvaart
Hongaars radarbevoegdheidsbewijs voor de binnenvaart
Bijlage D7. Examenprogramma ter verkrijging van een Rijnpatent
Opmerking vooraf:
| Soorten patent | (kolom 4 tot en met 7) |
|---|---|
| A – | Groot patent |
| B – | Klein patent |
| C – | Sportpatent |
| D – | verheidspatent |
| Vereiste kennis | (kolom 3) |
| 1 – | Gedetailleerde kennis |
| 2 – | Basiskennis |
| 1 | 2 |
| --- | --- |
| nr. | Examenstof |
| 1. | Kennis van de reglementen, gidsen en handboeken |
| 1.1 | Rijnvaartpolitiereglement (inclusief de tijdelijke wijzigingen) |
| Hoofdstuk 1 tot en met 7, 15 | |
| Hoofdstuk 8: | |
| Hoofdstuk 9, 10, 12, 14 (voor de betreffende riviergedeelten) | |
| Hoofdstuk 11: | |
| Bijlagen | |
| 3. Optische tekens van schepen | |
| 6. Geluidsseinen | |
| 7. Verkeerstekens | |
| 8. Verkeerstekens ter markering van de vaarweg | |
| 10. Olie-afgifteboekje | |
| Gidsen/Handboeken | |
| Marifonie in de binnenvaart | |
| Afvalverwijdering | |
| 1.2 | Verkeersvoorschriften voor zeescheepvaartwegen |
| (optische tekens van schepen, geluidsseinen, verkeerstekens, navigatiehulpmiddelen en betonningssystemen, vaarregels) | |
| 1.3 | Reglement onderzoek Schepen op de Rijn |
| Opzet en inhoud | |
| Inhoud certificaat van onderzoek | |
| 1.4 | Bemanningsvoorschriften, Deel II van het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn |
| 1.5 | ADN |
| Opzet | |
| Documenten/instructies | |
| Kennis van de voorgeschreven blauwe kegels/lichten | |
| Opzoeken van operationele voorschriften | |
| 1.6 | Bepalingen betreffende de Rijnpatenten: Deel III van het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn |
| Soorten patent | |
| Criteria voor de intrekking van een patent en de opschorting van de geldigheid | |
| 1.7 | Voorkoming van ongevallen |
| 2. | Nautische kennis en kennis van riviergedeelten |
| (aan de hand van kaarten) | |
| 2.1 | Rijn en nevenwateren |
| (belangrijkste geografische, hydrologische, meteorologische en morfologische kenmerken) | |
| 2.2 | Kennis van de gewenste riviergedeelten van de Rijn |
| Beschrijving van de vaarweg in de op- en afvaart | |
| Afmetingen van de vaarweg | |
| 2.3 | Navigatie op zeescheepvaartwegen |
| (koersbepaling, peilingen en plaatsbepaling, het gebruik van zeekaarten, procedures voor het controleren van het kompas, basiskennis inzake getijdewerking) | |
| 3. | Praktijkkennis |
| (Nautische zaken, scheepvaarttechnische zaken, praktische vaardigheden) | |
| 3.1 | Voeren van het schip |
| Praktijk van het sturen, manoeuvreereigenschappen | |
| Functie van de stuurinrichtingen en de aandrijving | |
| Invloed van stromingen, wind en zuiging | |
| Drijfvermogen, stabiliteit en toepassing daarvan in de praktijk | |
| Ankeren en meren | |
| 3.2 | Motorenkennis |
| Bouw, werking van de motoren, functie van de elektrische inrichtingen | |
| Bediening, bedrijfscontrole | |
| Maatregelen bij bedrijfsstoringen | |
| 3.3 | Laden en lossen |
| Bepalen van het gewicht van de lading aan de hand van de meetbrief | |
| Gebruik van de diepgangsschaal | |
| Stuwen van de lading | |
| 3.4 | Handelen onder bijzondere omstandigheden |
| Maatregelen bij schade, eerste hulp, stoppen van lekkage | |
| Bediening van reddingsmiddelen | |
| Bijzonderheden bij averij op zeescheepvaartwegen | |
| Behandeling van afval en voorkomen van verontreiniging van de waterwegen | |
| Informeren van de bevoegde autoriteiten | |
| Brandbestrijding |
Bijlage D7. Examenprogramma ter verkrijging van een Rijnpatent
Opmerking vooraf:
| Soorten patent | (kolom 4 tot en met 7) |
|---|---|
| A – | Groot patent |
| B – | Klein patent |
| C – | Sportpatent |
| D – | verheidspatent |
| Vereiste kennis | (kolom 3) |
| 1 – | Gedetailleerde kennis |
| 2 – | Basiskennis |
| 1 | 2 |
| --- | --- |
| nr. | Examenstof |
| 1. | Kennis van de reglementen, gidsen en handboeken |
| 1.1 | Rijnvaartpolitiereglement (inclusief de tijdelijke wijzigingen) |
| Hoofdstuk 1 tot en met 7, 15 | |
| Hoofdstuk 8: | |
| Hoofdstuk 9, 10, 12, 14 (voor de betreffende riviergedeelten) | |
| Hoofdstuk 11: | |
| Bijlagen | |
| 3. Optische tekens van schepen | |
| 6. Geluidsseinen | |
| 7. Verkeerstekens | |
| 8. Verkeerstekens ter markering van de vaarweg | |
| 10. Olie-afgifteboekje | |
| Gidsen/Handboeken | |
| Marifonie in de binnenvaart | |
| Afvalverwijdering | |
| 1.2 | Verkeersvoorschriften voor zeescheepvaartwegen |
| (optische tekens van schepen, geluidsseinen, verkeerstekens, navigatiehulpmiddelen en betonningssystemen, vaarregels) | |
| 1.3 | Reglement onderzoek Schepen op de Rijn |
| Opzet en inhoud | |
| Inhoud binnenschipcertificaat | |
| 1.4 | Bemanningsvoorschriften, Deel II van het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn |
| 1.5 | ADN |
| Opzet | |
| Documenten/instructies | |
| Kennis van de voorgeschreven blauwe kegels/lichten | |
| Opzoeken van operationele voorschriften | |
| 1.6 | Bepalingen betreffende de Rijnpatenten: Deel III van het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn |
| Soorten patent | |
| Criteria voor de intrekking van een patent en de opschorting van de geldigheid | |
| 1.7 | Voorkoming van ongevallen |
| 2. | Nautische kennis en kennis van riviergedeelten |
| (aan de hand van kaarten) | |
| 2.1 | Rijn en nevenwateren |
| (belangrijkste geografische, hydrologische, meteorologische en morfologische kenmerken) | |
| 2.2 | Kennis van de gewenste riviergedeelten van de Rijn |
| Beschrijving van de vaarweg in de op- en afvaart | |
| Afmetingen van de vaarweg | |
| 2.3 | Navigatie op zeescheepvaartwegen |
| (koersbepaling, peilingen en plaatsbepaling, het gebruik van zeekaarten, procedures voor het controleren van het kompas, basiskennis inzake getijdewerking) | |
| 3. | Praktijkkennis |
| (Nautische zaken, scheepvaarttechnische zaken, praktische vaardigheden) | |
| 3.1 | Voeren van het schip |
| Praktijk van het sturen, manoeuvreereigenschappen | |
| Functie van de stuurinrichtingen en de aandrijving | |
| Invloed van stromingen, wind en zuiging | |
| Drijfvermogen, stabiliteit en toepassing daarvan in de praktijk | |
| Ankeren en meren | |
| 3.2 | Motorenkennis |
| Bouw, werking van de motoren, functie van de elektrische inrichtingen | |
| Bediening, bedrijfscontrole | |
| Maatregelen bij bedrijfsstoringen | |
| 3.3 | Laden en lossen |
| Bepalen van het gewicht van de lading aan de hand van de meetbrief | |
| Gebruik van de diepgangsschaal | |
| Stuwen van de lading | |
| 3.4 | Handelen onder bijzondere omstandigheden |
| Maatregelen bij schade, eerste hulp, stoppen van lekkage | |
| Bediening van reddingsmiddelen | |
| Bijzonderheden bij averij op zeescheepvaartwegen | |
| Behandeling van afval en voorkomen van verontreiniging van de waterwegen | |
| Informeren van de bevoegde autoriteiten | |
| Brandbestrijding |
Bijlage D8. Examenprogramma ter verkrijging van een radarpatent
Deel A. – Theoretisch gedeelte
Het theoretische gedeelte van de cursus omvat de volgende onderwerpen:
B. Praktisch gedeelte van de cursus
Het praktische gedeelte van de cursus omvat de volgende onderwerpen:
I. Vaarbevoegdheidsbewijzen van de lidstaten
II. – Vaarbevoegdheidsbewijs van derde landen
Hongaarse modellen vaarbewijs klasse A en klasse B
Kapiteinspatent A
Kapiteinspatent A
De lijst van de als gelijkwaardig erkende bevoegdheidsbewijzen voor de radarvaart en de bijbehorende informatie inzake de afgevende autoriteiten en de modellen worden door de CCR gepubliceerd op haar website www.ccr-zkr.org.
Model van het Roemeense bevoegdheidsbewijs voor het varen op radar
(van kracht vanaf 15.3.2015)
Deel A. – Theoretisch gedeelte
E. Bemanningsleden van schepen die vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof gebruiken
E. Bemanningsleden van schepen die vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof gebruiken
Bijlage E1. Model van de verklaring van deskundigheid aangaande het gebruik van vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof
A. Theoretisch gedeelte van de cursus
Het theoretische gedeelte van de cursus omvat de volgende onderwerpen:
B. Praktisch gedeelte van de cursus
Het praktische gedeelte van de cursus omvat de volgende onderwerpen:
Model van de Poolse vaarbevoedheidsbewijzen van de klassen A en B
Vaarbewijs type B
Vaarbewijs van kapitein klasse I (B)
De lijst van de als gelijkwaardig erkende bevoegdheidsbewijzen voor de radarvaart en de bijbehorende informatie inzake de afgevende autoriteiten en de modellen worden door de CCR gepubliceerd op haar website www.ccr-zkr.org.
Modellen van de Tsjechische bevoegdheidsbewijzen voor de radarvaart
(van kracht vanaf 15.3.2015)
Radarbevoegdheidsbewijs
Deel B. – Praktisch gedeelte
Bijlage E2. Programma van de cursus voor bemanningsleden van schepen die vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof gebruiken
A. Theoretisch gedeelte van de cursus
Het theoretische gedeelte van de cursus omvat de volgende onderwerpen:
B. Praktisch gedeelte van de cursus
Het praktische gedeelte van de cursus omvat de volgende onderwerpen:
Deel I. Algemene bepalingen
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen voor de delen I, II en III
Artikel 1.04. Dienstinstructies
In het belang van een eenvoudige en uniforme toepassing van het onderhavige reglement kan de CCR dienstinstructies voor de bevoegde autoriteiten vaststellen. De bevoegde autoriteiten dienen zich aan deze dienstinstructies te houden. Daarnaast publiceert de CCR met het oog op de toepassing van het RSP diverse lijsten en tabellen in een digitaal format.
Artikel 1.05. Monitoring
-
- Op alle activiteiten die verband houden met opleiding, competentiebeoordeling en de afgifte, verlenging, schorsing, intrekking en actualisering van kwalificatiecertificaten, dienstboekjes en vaartijdenboeken, en die door of onder het gezag van de bevoegde autoriteit van de Rijnoeverstaten of België worden uitgevoerd, moet voortdurend toezicht worden gehouden door middel van een stelsel van kwaliteitsnormen, om de verwezenlijking van de doelstellingen van dit reglement te waarborgen.
-
- De bevoegde autoriteit zorgt ervoor dat de opleidingsdoelstellingen en de daarmee verband houdende te bereiken competentienormen duidelijk zijn omschreven met vermelding van de niveaus van kennis en vaardigheden die overeenkomstig dit reglement moeten worden beoordeeld en geëxamineerd.
-
- De bevoegde autoriteit zorgt ervoor dat de kwaliteitsnormen, met inachtneming van de beleidslijnen, systemen, controles en interne kwaliteitsbeoordelingen die zijn ingesteld ter verwezenlijking van de omschreven doelstellingen van toepassing zijn op:
- a). de afgifte, verlenging, schorsing en intrekking van kwalificatiecertificaten, dienstboekjes en vaartijdenboeken;
- b). alle opleidingscursussen en -programma’s;
- c). de door of onder het gezag van de Rijnoeverstaten of België afgenomen examens en de beoordelingen; en
- d). de van opleiders en examinatoren verlangde kwalificaties en ervaring.
Artikel 1.06. Evaluatie
-
- De bevoegde autoriteit laat de werkzaamheden met betrekking tot de verwerving en beoordeling van competenties, alsmede het beheer van de kwalificatiecertificaten, dienstboekjes en vaartijdenboeken, uiterlijk op 17 januari 2037 en vervolgens ten minste om de tien jaar door onafhankelijke instanties evalueren.
-
- De bevoegde autoriteit zorgt ervoor dat de resultaten van de evaluaties van deze onafhankelijke instanties vergezeld gaan van bewijsstukken en aan de desbetreffende bevoegde autoriteiten worden voorgelegd. Indien nodig neemt de bevoegde autoriteit passende maatregelen om de bij de onafhankelijke evaluatie geconstateerde tekortkomingen te verhelpen.
Hoofdstuk 2. Register
Deel II. Kwalificaties
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Hoofdstuk 3. Algemene bepalingen
Hoofdstuk 4. Medische geschiktheid
Artikel 4.02. Regelmatige controle van de medische geschiktheid
-
- Alle houders van een kwalificatiecertificaat moeten hun medische geschiktheid aantonen overeenkomstig de bepalingen van artikel 4.01, eerste en tweede lid:
- a). om de vijf jaar vanaf het bereiken van de leeftijd van 60 jaar;
- b). om de twee jaar vanaf het bereiken van de leeftijd van 70 jaar.
-
- Om een definitieve of tijdelijke beperkte medische geschiktheid die overeenkomstig artikel 4.01, derde lid, vermeld staat op het kwalificatiecertificaat te laten doorhalen, moet de houder van het kwalificatiecertificaat een medische verklaring overleggen overeenkomstig de voorwaarden van artikel 4.01, tweede lid.
-
- De houder van het kwalificatiecertificaat overlegt een medische verklaring aan de autoriteit van afgifte van het kwalificatiecertificaat. Hij kan de medische verklaring aan een andere bevoegde autoriteit overleggen wanneer hij een overeenkomstig dit reglement afgegeven kwalificatiecertificaat verlengt. De bevoegde autoriteit zendt de documenten door aan de autoriteit van afgifte. In geval van verlenging van een patent kan de bevoegde autoriteit een voorlopig Rijn- of sportpatent afgeven voor de periode tot de autoriteit van afgifte een besluit genomen heeft, op voorwaarde dat de vereiste medische geschiktheid is aangetoond.
Artikel 4.03. Medische geschiktheid van machinisten
In afwijking van artikel 4.01, eerste lid, tweede zin, zijn voor de houder van een kwalificatiecertificaat machinist voor het gezichtsvermogen de volgende voorwaarden voor de medische geschiktheid van toepassing:
De in de STCW Code tabel A-I/9: ‘Minimum in service eyesight standards for seafarers’ vermelde voorwaarden voor ‘All engineer officers’, behalve voor wat betreft het kleuren zien. Voor machinisten is een stoornis van het kleurenzien toegestaan.
Hoofdstuk 5. Dienstboekje en vaartijd
Hoofdstuk 6. Goedgekeurde opleidingsprogramma’s
Hoofdstuk 7. Toelating tot en procedure van het administratief examen
Hoofdstuk 8. Controle en intrekking van kwalificatiecertificaten
Paragraaf 2. Kwalificaties op instroom- en operationeel niveau
Hoofdstuk 9. Toepassingsgebied van deze paragraaf
Hoofdstuk 10. Voorwaarden voor de verkrijging van kwalificatiecertificaten op instroom- en operationeel niveau
Artikel 10.01. Minimumeisen met betrekking tot leeftijd, naleving van de administratieve voorschriften, competentie en vaartijd
Ter verkrijging van een kwalificatiecertificaat moeten de leden van de dekbemanning op instroom- en operationeel niveau voldoen aan de volgende minimumeisen inzake leeftijd, naleving van de administratieve voorschriften, competentie en vaartijd:
-
- voor de deksman:
- a). een minimumleeftijd van16 jaar en
- b). een afgeronde basisopleiding veiligheid overeenkomstig de nationale voorschriften;
-
- voor de lichtmatroos:
- a). een minimumleeftijd van 15 jaar en
- b). een leerovereenkomst die voorziet in een goedgekeurd opleidingsprogramma overeenkomstig hoofdstuk 6 voor het operationele niveau;
-
- voor de matroos:
- a). hetzij
- aa). een minimumleeftijd van 17 jaar en
- bb). een met goed gevolg afgerond, goedgekeurd opleidingsprogramma overeenkomstig hoofdstuk 6 van minstens twee jaar voor het operationele niveau, dat een vaartijd van ten minste 90 dagen omvat;
- b). of
- aa). een minimumleeftijd van 18 jaar en
- bb). een met goed gevolg afgelegd administratief examen voor het operationele niveau; en
- cc). een vaartijd als lid van de dekbemanning van ten minste 360 dagen; daarvan kunnen maximaal 180 dagen vaartijd vervangen worden door 250 dagen beroepservaring als lid van de dekbemanning aan boord van een zeeschip;
- c). of
- aa). een met goed gevolg afgerond goedgekeurd opleidingsprogramma overeenkomstig hoofdstuk 6 van ten minste negen maanden voor het operationele niveau, dat een vaartijd van ten minste 90 dagen omvat, alsook
- bb). ten minste vijf jaar werkervaring, voorafgaand aan de inschrijving voor dit opleidingsprogramma, of
- cc). ten minste 500 dagen werkervaring, voorafgaand aan de inschrijving voor dit opleidingsprogramma als lid van de dekbemanning aan boord van een zeeschip, of
- dd). voorafgaand aan de inschrijving voor dit programma een willekeurig beroepsopleidingsprogramma van ten minste drie jaar met goed gevolg afgerond hebben;
-
- voor de volmatroos:
- a). hetzij een vaartijd in de binnenvaart van ten minste 180 dagen als matroos;
- b). of een met goed gevolg afgesloten, goedgekeurd opleidingsprogramma overeenkomstig hoofdstuk 6 van ten minste drie jaar voor het operationele niveau, dat een vaartijd van ten minste 270 dagen omvat;
-
- voor de stuurman:
- a). hetzij een vaartijd in de binnenvaart van ten minste 180 dagen als volmatroos en houder zijn van een geldig marifoonbedieningscertificaat;
- b). of
- aa). een met goed gevolg afgesloten, goedgekeurd opleidingsprogramma als bedoeld in hoofdstuk 6 van ten minste drie jaar voor het operationele niveau, dat een vaartijd van ten minste 360 dagen omvat, en
- bb). houder zijn van een geldig marifoonbedieningscertificaat;
- c). of
- aa). werkervaring van ten minste 500 dagen als kapitein van een zeeschip;
- bb). een met goed gevolg afgelegd administratief examen voor het operationele niveau en
- cc). houder zijn van een geldig marifoonbedieningscertificaat.
Artikel 10.01*. Minimumeisen met betrekking tot leeftijd, naleving van de administratieve voorschriften, competentie en vaartijd van de machinist
Ter verkrijging van een kwalificatiecertificaat moet de machinist voldoen aan de volgende minimumeisen inzake leeftijd, naleving van de administratieve voorschriften, competentie en vaartijd:
- a). een minimumleeftijd van 18 jaar en een met goed gevolg afgelegd eindexamen van een vakopleiding op het gebied van motoren, werktuigbouwkunde of wanneer motorkennis daarvan deel uitmaakt, mechatronica; of
- b). een minimumleeftijd van 19 jaar en een vaartijd van ten minste 360 dagen als volmatroos op een gemotoriseerd schip.
Artikel 10.03. Geldigheid en afgifte van kwalificatiecertificaten op instroom – en operationeel niveau
-
- De geldigheid van kwalificatiecertificaten voor het instroom- en operationeel niveau eindigt uiterlijk op de dag van het volgende, in artikel 4.02, eerste lid, voorgeschreven medische onderzoek. Na dit tijdstip verliezen de kwalificatiecertificaten van ambtswege hun geldigheid, zelfs zonder een besluit van de bevoegde autoriteit.
-
- De kwalificatiecertificaten voor het instroom- en operationeel niveau worden volgens het toepasselijke model overeenkomstig de ES-QIN (Deel V, hoofdstuk 2) afgegeven.
Paragraaf 3. Kwalificaties op managementniveau
Hoofdstuk 11. Patentplicht en patentsoorten
Artikel 11.01. Patentplicht
-
- Degene die op de Rijn een vaartuig wil voeren, moet houder zijn van een Uniekwalificatiecertificaat schipper dat overeenkomstig Richtlijn (EU) 2017/2397 is afgegeven of van een kwalificatiecertificaat schipper dat overeenkomstig dit reglement is afgegeven.
-
- Voor het voeren van een vaartuig benedenstrooms van het Spijksche Veer (km 857,40) en op het riviergedeelte tussen Bazel (Mittlere Rheinbrücke – km 166,53) en de sluizen van Iffezheim (km 335,92), volstaat in plaats van de patenten, als bedoeld in de artikelen 12.02 en 12.03, een ander door de bevoegde autoriteit als gelijkwaardig erkend patent.
-
- Voor vaartuigen met een lengte van minder dan 20 m, met uitzondering van passagiersschepen, duw- en sleepboten, volstaat een kwalificatiecertificaat schipper voor binnenwateren dat in overeenstemming is met de nationale voorschriften van de Rijnoeverstaten en België.
-
- De verplichting tot het hebben van een patent wordt uitsluitend geregeld door de nationale voorschriften van de Rijnoeverstaten en België:
- a). voor veerponten;
- b). voor vaartuigen die slechts door spierkracht worden voortbewogen;
- c). voor vaartuigen met een lengte van minder dan 20 m die slechts door middel van zeilen worden voortbewogen of voorzien zijn van een voortstuwingsmotor met een vermogen van niet meer dan 11,03 kW;
- d). voor vaartuigen van de strijdkrachten.
Artikel 11.02. Soorten patent
Overeenkomstig dit reglement wordt een onderscheid gemaakt tussen:
- a). het Rijnpatent voor het voeren van alle vaartuigen;
- b). het sportpatent voor het voeren van een pleziervaartuig met een lengte van minder dan 25 m;
- c). het overheidspatent voor het voeren van overheidsvaartuigen en van brandweerboten.
Met de bovengenoemde patenten is het eveneens geoorloofd een vaartuig te voeren als bedoeld in artikel 11.01, derde lid.
Hoofdstuk 12. Verkrijging van patenten
Artikel 12.01. Rijnpatent
-
- Elke kandidaat voldoet aan de volgende voorwaarden:
- a). hetzij
- aa). een minimumleeftijd van 18 jaar;
- bb). een met goed gevolg afgesloten, goedgekeurd opleidingsprogramma als bedoeld in hoofdstuk 6 van ten minste drie jaar voor het managementniveau;
- cc). een vaartijd van ten minste 360 dagen als onderdeel van dit programma, of na het afronden ervan, en
- dd). houder zijn van een geldig marifoonbedieningscertificaat;
- b). of
- aa). een minimumleeftijd van 18 jaar;
- bb). houder zijn van een kwalificatiecertificaat stuurman als bedoeld in dit reglement of als bedoeld in Richtlijn (EU) 2017/2397;
- cc). een vaartijd van ten minste 180 dagen;
- dd). een met goed gevolg afgelegd administratief examen voor het managementniveau en
- ee). houder zijn van een geldig marifoonbedieningscertificaat;
- c). of
- aa). een minimumleeftijd van 18 jaar;
- bb). een vaartijd van ten minste 540 dagen, of van ten minste 180 dagen, wanneer bovendien werkervaring aan boord van een zeeschip als lid van de dekbemanning van ten minste 500 dagen kan worden aangetoond;
- cc). een met goed gevolg afgelegd administratief examen voor het managementniveau en
- dd). houder zijn van een geldig marifoonbedieningscertificaat;
- d). of
- aa). een met goed gevolg afgesloten, goedgekeurd opleidingsprogramma als bedoeld in hoofdstuk 6 van ten minste anderhalf jaar voor het managementniveau, dat een vaartijd van ten minste 180 dagen omvat, met in aanvulling daarop na afronding van deze opleiding een vaartijd van 180 dagen, alsook
- bb). ten minste vijf jaar werkervaring, voorafgaand aan de inschrijving voor dit opleidingsprogramma, of
- cc). ten minste 500 dagen werkervaring, voorafgaand aan de inschrijving voor dit opleidingsprogramma als lid van de dekbemanning aan boord van een zeeschip, of
- dd). voorafgaand aan de inschrijving voor dit programma een willekeurig beroepsopleidingsprogramma van ten minste drie jaar met goed gevolg afgerond hebben, en
- ee). houder zijn van een geldig marifoonbedieningscertificaat.
-
- Bovendien moet elke kandidaat geschikt zijn voor het beroep van schipper. Geschikt is degene die:
- a). medisch geschikt is als bedoeld in artikel 4.01 van dit reglement;
- b). capabel is, dat wil zeggen, beschikt over de vereiste beroepsmatige vaardigheden en kennis als bedoeld in de ES-QIN (Deel I, hoofdstuk 2).
-
- De kwalificatie als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b wordt aangetoond door een met goed gevolg afgelegd theoretisch examen met betrekking tot de vereiste kennis overeenkomstig de ES-QIN (Deel I, hoofdstuk 2) en een met goed gevolg afgelegd praktijkexamen overeenkomstig de ES-QIN (Deel II, hoofdstuk 4).
-
- Het praktijkexamen als bedoeld in het derde lid kan worden afgelegd aan boord van een vaartuig als genoemd in de ES-QIN of aan een door de bevoegde autoriteit overeenkomstig de ES-QIN hiervoor toegelaten simulator (Deel III, hoofdstuk 2). De simulator voldoet aan de technische en functionele eisen van de ES-QIN (Deel III, hoofdstuk 1).
Artikel 12.02. Sportpatent
-
- Elke kandidaat moet op de dag dat het sportpatent wordt afgegeven, ten minste 18 jaar oud zijn.
-
- De kandidaat bezit de benodigde kwalificaties. Gekwalificeerd is degene die:
- a). medisch geschikt is als bedoeld in artikel 4.01;
- b). geen strafbare feiten heeft begaan die zouden doen verwachten dat hij gezien zijn vroegere gedrag een schip niet veilig kan voeren;
- c). gekwalificeerd is, dat wil zeggen, beschikt over de noodzakelijke vaardigheden en kennis, ook in nautisch opzicht, alsmede over voldoende kennis van de reglementen en de vaarweg.
-
- De kwalificatie wordt door een met goed gevolg afgelegd theoretisch examen en praktijkexamen overeenkomstig bijlage 2 aangetoond.
Het praktijkexamen kan worden afgelegd aan boord van een sportvaartuig of aan een door de bevoegde autoriteit hiervoor toegelaten simulator.
Artikel 12.03. Overheidspatent
-
- Elke kandidaat moet op de dag dat het overheidspatent wordt afgegeven:
- a). ten minste 18 jaar oud zijn;
- b). in dienst zijn bij de overheid, in het bijzonder bij een politie- of douanedienst of een erkende noodhulpdienst, zoals bijvoorbeeld een particuliere brandweerdienst;
- c). medisch geschikt zijn als bedoeld in artikel 4.01 van dit reglement;
- d). gekwalificeerd zijn, dat wil zeggen, beschikken over de noodzakelijke vaardigheden en kennis ook in nautisch opzicht, alsmede over voldoende kennis van de reglementen en de vaarweg;
- e). ten minste drie jaar praktische ervaring in de binnenvaart hebben opgedaan, waarvan ten minste drie maanden gedurende het laatste jaar.
-
- De autoriteit waaronder de kandidaat ressorteert, moet een verklaring hebben afgegeven waarin wordt bevestigd dat de kandidaat voldoet aan de eisen in het eerste lid, onderdelen b en e.
-
- De kwalificatie wordt door een met goed gevolg afgelegd theoretisch examen en praktijkexamen overeenkomstig bijlage 2 aangetoond.
Het praktijkexamen kan worden afgelegd aan boord van een overheidsvaartuig of aan een door de bevoegde autoriteit hiervoor toegelaten simulator.
Artikel 12.04. Aanvraag om toegelaten te worden tot een administratief examen
-
- Degene die door middel van een administratief examen een kwalificatiecertificaat schipper wil verkrijgen, richt een aanvraag voor toelating tot dit examen en afgifte van het patent aan de bevoegde autoriteit, onder opgave van het volgende:
- a). voor- en achternaam, geboortedatum, geboorteplaats en adres;
- b). soort patent dat men wil verkrijgen.
-
- Bij de aanvraag van een patent worden de volgende stukken worden overhandigd:
- a). een recente pasfoto;
- b). een bewijs van medische geschiktheid overeenkomstig de bepalingen van artikel 4.02, tweede lid;
- c). een bewijs van de vaartijd;
- d). een kopie van het marifoonbedieningscertificaat.
-
- De identiteit moet door een identiteitsbewijs of paspoort worden aangetoond.
Artikel 12.05. Vrijstellingen en verlichting van de exameneisen
-
- Degene die met goed gevolg een eindexamen van een beroepsopleiding heeft afgelegd, kan voor de verkrijging van het Rijnpatent worden vrijgesteld van het theoretisch gedeelte van het examen dat betrekking heeft op kennis die reeds onderwerp was van een examen in het kader van de beroepsopleiding. De CCR publiceert een lijst van deze eindexamens van beroepsopleidingen en gedeelten van het examen ter verkrijging van het Rijnpatent die recht geven op een vrijstelling. De lijst van als gelijkwaardig erkende examens wordt door de CCR op de website geplaatst.
-
- De houder van een kwalificatiecertificaat zoals bedoeld in artikel 11.01, derde lid, voor de verkrijging van het sportpatent worden vrijgesteld van dat gedeelte van het examen dat betrekking heeft op nautische vakkennis.
-
- De houder van een overheidspatent verkrijgt op aanvraag een sportpatent zonder daarvoor examen te doen.
Artikel 12.06. Examen in het kader van een goedgekeurd opleidingsprogramma
-
- In het geval van een examen in het kader van een goedgekeurd opleidingsprogramma zoals bedoeld in artikel 12.01, eerste lid, onderdeel a of d verzoekt de kandidaat, nadat hij het opleidingsprogramma met goed gevolg heeft afgerond, de bevoegde autoriteit overeenkomstig de bepalingen van artikel 12.04, tweede tot en met vierde lid een Rijnpatent af te geven. Naast de in dit artikel genoemde documenten, voegt de kandidaat het diploma bij waaruit blijkt dat hij het opleidingsprogramma met goed gevolg heeft afgerond.
-
- De autoriteit controleert of voldaan is aan de voorwaarden van artikel 12.01. Een voorafgaande, aparte toelating tot het examen zoals bedoeld in artikel 7.01 in niet nodig.
-
- Als aan alle voorwaarden van artikel 12.01 is voldaan, geeft de bevoegde autoriteit het Rijnpatent af overeenkomstig de bepalingen van artikel 12.07, eerste lid.
Artikel 12.07. Geldigheid en afgifte van kwalificatiecertificaten schipper
-
- Onverminderd de bepalingen van artikel 4.01, eerste lid, wordt het Rijnpatent (artikel 12.01) afgegeven met een geldigheid van 13 jaar vanaf het tijdstip waarop het laatste vereiste examendeel met goed gevolg werd afgerond. Het Rijnpatent verliest na de in artikel 4.02, eerste lid genoemde datum van ambtswege zijn geldigheid, zelfs zonder dat hiervoor een specifiek besluit van de bevoegde autoriteit nodig is. Het Rijnpatent wordt door de bevoegde autoriteit overeenkomstig het model in de ES-QIN (Deel V, hoofdstuk 1) afgegeven.
-
- Het sportpatent (artikel 12.02) wordt met een geldigheid tot het in artikel 4.02, eerste lid genoemde tijdstip afgegeven. Het sportpatent verliest na deze datum van ambtswege zijn geldigheid, zelfs zonder dat hiervoor een specifiek besluit van de bevoegde autoriteit nodig is. De lijst van de door de Rijnoeverstaten en België afgegeven sportpatenten staat in bijlage 3.
-
- Het overheidspatent (artikel 12.03) wordt met een onbeperkte geldigheidsduur afgegeven, maar op voorwaarde dat het overheidspatent aan de bevoegde autoriteit wordt teruggegeven, nadat de houder de dienst heeft beëindigd. De lijst van de door de Rijnoeverstaten en België afgegeven overheidspatenten staat in bijlage 4.
Artikel 12.08. Voorlopig Rijnpatent
Indien de kandidaat na het slagen voor het examen voor een fysiek document kiest, verstrekt de bevoegde autoriteit voor de periode tussen het succesvol afleggen van het examen en de afgifte van de patentkaart een voorlopig Rijnpatent. Hiertoe print de autoriteit een uittreksel uit de elektronische gegevensbank, dat als voorlopig Rijnpatent geldt. De bevoegde autoriteit kan ook een voorlopig Rijnpatent verstrekken voor de tijd tussen de vervaldatum voor de verlenging van het patent en de afgifte van het nieuwe Rijnpatent.
Hoofdstuk 13. Verkrijging van specifieke vergunningen
Artikel 13.01. Specifieke vergunningen
-
- Voor het besturen van een schip moet de verantwoordelijke schipper beschikken over een specifieke vergunning als hij
- a). met behulp van een radar moet varen,
- b). waterwegen bevaart die als binnenwatertrajecten met specifieke risico’s geclassificeerd zijn,
- c). wateren bevaart die zijn geclassificeerd als binnenwateren van maritieme aard,
- d). vaartuigen voert die vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof gebruiken, of
- e). met grote konvooien vaart.
-
- Specifieke vergunningen met uitzondering van het eerste lid, onderdeel d worden op het kwalificatiecertificaat schipper vermeld.
-
- De voor specifieke vergunningen vereiste examens kunnen in het kader van een administratief examen of in het kader van een goedgekeurd opleidingsprogramma worden afgelegd.
-
- Bij de aanvraag van een specifieke vergunning worden de volgende stukken overhandigd: De identiteit moet door een identiteitsbewijs of paspoort worden aangetoond.
- a). een kopie van het kwalificatiecertificaat schipper of een document waarmee wordt aangetoond dat aan de minimumeisen voor het kwalificatiecertificaat schipper voldaan wordt;
- b). een kopie van de desbetreffende pagina´s van het dienstboekjes, indien nodig.
-
- De geldigheid van een specifieke vergunning is afhankelijk van het desbetreffende kwalificatiecertificaat schipper. De geldigheid van de specifieke vergunning eindigt wanneer de geldigheid van het kwalificatiecertificaat eindigt. De specifieke vergunning wordt op het kwalificatiecertificaat schipper overeenkomstig het model van de ES-QIN vermeld.
Artikel 13.02. Specifieke vergunning voor het varen met behulp van radar
-
- Voor het varen met behulp van een radar als radarvaart zoals bedoeld in het Rijnvaartpolitiereglement, is een specifieke vergunning vereist.
-
- Een kandidaat beschikt over de in de ES-QIN (Deel 1, hoofdstuk 4) genoemde competenties. Dit wordt aangetoond door een met goed gevolg afgelegd theoretisch examen met betrekking tot de vereiste kennis overeenkomstig de ES-QIN (Deel I, hoofdstuk 4) en een praktijkexamen overeenkomstig de ES-QIN (Deel II, hoofdstuk 1).
-
- Het praktijkexamen kan worden afgelegd aan boord van een vaartuig zoals genoemd in de ES-QIN of op een door de bevoegde autoriteit overeenkomstig de ES-QIN (Deel III, Hoofdstuk 2) hiervoor toegelaten simulator. De simulator moet voldoen aan de technische en functionele eisen van de ES-QIN (Deel III, hoofdstuk 1).
-
- De bevoegde autoriteit geeft de specifieke vergunning voor het varen met behulp van een radar af na te hebben vastgesteld dat de aanvrager aan de in het tweede en derde lid gestelde eisen voldoet en na de echtheid en de geldigheid van de door de aanvrager overeenkomstig artikel 13.01 verstrekte documenten te hebben gecontroleerd.
-
- Houders van nationale kwalificatiecertificaten als bedoeld in artikel 11.01, derde lid, kunnen eveneens de specifieke vergunning voor het varen met behulp van radar verkrijgen overeenkomstig de bepalingen van het tweede en derde lid.
Artikel 13.03. Specifieke vergunning voor het bevaren van waterwegen die als binnenwatertrajecten met specifieke risico’s geclassificeerd zijn
-
- Voor het besturen van een vaartuig op een waterweg die geclassificeerd is als binnenwatertraject met een specifiek risico als bedoeld in het tweede lid, is een specifieke vergunning vereist.
-
- Wanneer dit nodig is om de veiligheid van de scheepvaart te waarborgen, kunnen de Oeverstaten trajecten die door hun eigen grondgebied lopen, classificeren als binnenwateren met specifieke risico’s wanneer deze risico’s het gevolg zijn van een of meer van de volgende omstandigheden:
- a). vaak veranderende stroompatronen en -snelheid
- b). de hydromorfologische kenmerken van de binnenwaterweg en het ontbreken van passende vaarweginformatiediensten over de binnenwaterweg of van geschikte kaarten;
- c). de aanwezigheid van een specifieke lokale verkeersregeling die wordt gerechtvaardigd door specifieke hydromorfologische kenmerken van de binnenwaterweg, of
- d). een hoge ongevallenfrequentie op een specifiek traject van de binnenwateren, die wordt toegeschreven aan het ontbreken van een competentie die niet door de in ES-QIN, Deel I, Hoofdstuk 2 wordt gedekt.
-
- De binnenwatertrajecten met specifieke risico’s van de Rijn staan in bijlage 5.
-
- De aanvrager verstrekt de bevoegde autoriteit toereikende bewijsstukken voor:
- a). zijn identiteit;
- b). het voldoen aan de overeenkomstig het eerste lid bepaalde competentievereisten voor specifieke risico’s voor het specifieke binnenwatertraject waarvoor de vergunning vereist is;
- c). het beschikken over een kwalificatiecertificaat schipper of het voldoen aan de minimumeisen voor kwalificatiecertificaten schipper.
-
- Voor het verkrijgen van de specifieke vergunning voor de Rijn moet de houder van een kwalificatiecertificaat schipper het in bijlage 5 genoemde examen met succes afgelegd hebben. Om tot het examen voor een door de aanvrager bepaald traject toegelaten te worden, moet de bevoegde autoriteit het bewijs overgelegd worden van het bevaren van de desbetreffende riviergedeelten zoals bepaald in bijlage 5.
-
- De bevoegde autoriteit beoordeelt de competentie van de aanvragers voor specifieke risico’s en geeft de specifieke vergunning af na de echtheid en de geldigheid van de door de aanvrager verstrekte documenten te hebben gecontroleerd.
-
- Houders van nationale kwalificatiecertificaten als bedoeld in artikel 11.01, derde lid, kunnen eveneens de specifieke vergunning voor het bevaren van binnenwateren met specifieke risico’s verkrijgen overeenkomstig bijlage 5.
Artikel 13.04. Specifieke vergunning voor het varen op binnenwateren van maritieme aard
-
- Voor het besturen van een vaartuig op binnenwateren van maritieme aard is een specifieke vergunning vereist.
-
- Een kandidaat moet met goed gevolg een theoretisch examen overeenkomstig de ES-QIN (Deel I, hoofdstuk 3) afgelegd hebben.
-
- De bevoegde autoriteit geeft de specifieke vergunning voor het varen op binnenwateren van maritieme aard af na te hebben vastgesteld dat de aanvrager aan de in het tweede lid gestelde eisen voldoet en na de echtheid en de geldigheid van de door de aanvrager, overeenkomstig artikel 13.01, verstrekte documenten te hebben gecontroleerd.
Artikel 13.05. Specifieke vergunning voor het varen met vaartuigen die vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof gebruiken
Voor het besturen van een vaartuig dat vloeibaar aardgas als brandstof gebruikt, is een specifieke vergunning vereist. Deze wordt aangetoond door een kwalificatiecertificaat voor LNG-deskundige, dat wordt verkregen zoals bepaald in artikel 15.02 tot en met 15.04.
Artikel 13.06. Specifieke vergunning voor het varen met grote konvooien
-
- Voor het besturen van een groot konvooi is een specifieke vergunning vereist. Een kandidaat moet een vaartijd van ten minste 720 dagen kunnen aantonen, waarvan ten minste 540 dagen als schipper. Hij moet ten minste 180 dagen de koers en snelheid van een groot konvooi zelfstandig bepaald hebben.
-
- De bevoegde autoriteit geeft de specifieke vergunning voor het varen met grote konvooien af na te hebben vastgesteld dat de aanvrager aan de in het eerste lid gestelde eisen voldoet en na de echtheid en de geldigheid van de door de aanvrager, overeenkomstig artikel 13.01, verstrekte documenten te hebben gecontroleerd.
Paragraaf 4. Kwalificaties voor specifieke activiteiten
Hoofdstuk 14. Veiligheidspersoneel aan boord van schepen die onder het ADN vallen
Artikel 14.01. Verwijzing naar de bepalingen van het ADN
Onverminderd de bepalingen van Richtlijn 2008/68/EG is aan boord van schepen die gevaarlijke stoffen vervoeren een persoon aanwezig zoals bedoeld in de randnummers 7.1.3.15 en 7.2.3.15 van het ADN die houder is van een verklaring van deskundigen volgens het model van randnummer 8.6.2. van het ADN.
Hoofdstuk 15. Veiligheidspersoneel aan boord van schepen die vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof gebruiken
Artikel 15.01. Kennis en instructie
De schipper en de personen die houder zijn van een kwalificatiecertificaat en die betrokken zijn bij de bunkerprocedure van schepen die op vloeibaar aardgas (LNG) varen, zijn gekwalificeerd als deskundige op het gebied van vloeibaar aardgas (LNG).
Artikel 15.02. Kwalificatiecertificaat
-
- Deskundigen op het gebied van vloeibaar aardgas (LNG-deskundigen) tonen hun deskundigheid aan met een kwalificatiecertificaat deskundige op het gebied van vloeibaar aardgas (LNG) overeenkomstig het model in de ES-QIN (Deel V, hoofdstuk 1).
-
- Het kwalificatiecertificaat deskundige op het gebied van vloeibaar aardgas (LNG) wordt afgegeven aan degene die voldoet aan de eisen van de artikelen 15.03 en 15.04, en tenminste 18 jaar oud is.
Artikel 15.03. Cursus en examen
-
- De cursus om de vereiste kennis op te doen bestaat uit een theoretisch gedeelte en een praktisch gedeelte en wordt door een examen afgesloten.
-
- Het theoretisch gedeelte van de cursus omvat de in de ES-QIN (Deel I, hoofdstuk 6) genoemde competenties, aangegeven met ‘kennis van’.
-
- Het praktische gedeelte van de cursus betreft de toepassing van de verworven theoretische kennis in de praktijk aan boord van een schip dat vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof gebruikt en/of in een daarvoor geschikte walinstallatie. Het omvat de in de ES-QIN (Deel V, Hoofdstuk 6) genoemde competenties, aangegeven met ‘vaardigheid om’.
-
- Het examen bestaat uit een theoretisch en uit een praktisch deel. Het theoretisch deel van het examen is met goed gevolg afgelegd wanneer de kandidaat heeft aangetoond in voldoende mate over de competenties te beschikken die in de ES-QIN (Deel I, hoofdstuk 6) zijn aangegeven met ‘kennis van’. Het praktisch deel van het examen is met goed gevolg afgelegd wanneer de kandidaat is geslaagd voor het praktijkexamen ter verkrijging van het kwalificatiecertificaat van deskundige op het gebied van vloeibaar aardgas (LNG), als vastgelegd in de ES-QIN (Deel II, hoofdstuk 3).
-
- Het praktische deel van het examen wordt afgenomen aan boord van een schip en/of in een daarvoor geschikte walinstallatie, die voldoet aan de ‘Technische eisen inzake vaartuigen en faciliteiten aan de wal die voor praktijkexamens worden gebruikt’, als opgenomen in de ES-QIN (Deel II, hoofdstuk 3).
Artikel 15.04. Goedkeuring van cursussen
-
- De cursussen worden goedgekeurd door de bevoegde autoriteiten op basis van de uniforme criteria overeenkomstig artikel 15.05.
-
- De bevoegde autoriteiten stellen de CCR in kennis van elk besluit over de goedkeuring van een cursus of over de intrekking of schorsing van een dergelijke goedkeuring.
De lijst van goedgekeurde cursussen wordt door de CCR op de website geplaatst.
Artikel 15.05. Criteria voor de goedkeuring van cursussen
-
- De bevoegde autoriteit kan een cursus goedkeuren wanneer zij tot de overtuiging is gekomen dat het opleidingsinstituut cursussen aanbiedt en examens afneemt die garant staan voor de benodigde kennis van bemanningsleden van vaartuigen die vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof gebruiken. De cursussen en examens moeten voldoen aan artikel 15.03.
-
- De aanvraag om goedkeuring moet schriftelijk worden ingediend en de onderstaande documenten bevatten:
- a). een gedetailleerd programma van de cursussen, met vermelding van de te onderwijzen onderwerpen, het lesrooster en de voorgenomen onderwijsmethoden,
- b). een lijst van de onderwijskrachten, hun kwalificaties en werkterreinen,
- c). informatie over de ruimte waar de cursussen plaatsvinden, over het onderwijsmateriaal alsook de faciliteiten voor de praktijkoefeningen en voor het praktijkexamen,
- d). de voorwaarden voor deelname aan de cursussen, bijvoorbeeld het aantal deelnemers,
- e). een beschrijving van het examenprogramma (theoretische en praktijkexamens) en het vereiste examenniveau om voor het examen te slagen, zowel voor het initiële examen als voor het examen dat vereist is voor de verlenging van de kwalificatie,
- f). een verklaring waarin het opleidingsinstituut zich ertoe verplicht de bevoegde autoriteit onverwijld en op eigen initiatief op de hoogte te stellen van elke wijziging in de gegevens, die genoemd zijn in onderdelen a) tot e).
-
- De bevoegde autoriteit houdt toezicht op de cursussen en examens. De bevoegde autoriteit kan een verleende goedkeuring intrekken wanneer:
- a). blijkt dat niet aan de voorwaarden voor een goedkeuring voldaan was of niet meer aan deze voorwaarden wordt voldaan, of
- b). het opleidingsinstituut niet heeft voldaan aan zijn verplichting tot medewerking of andere verplichtingen.
Artikel 15.06. Geldigheid en verlenging van het kwalificatiecertificaat
-
- Het kwalificatiecertificaat heeft een geldigheidsduur van vijf jaar.
-
- Het geldige kwalificatiecertificaat overeenkomstig het model van de ES-QIN (Deel V, hoofdstuk 1) wordt op verzoek van de houder door de bevoegde autoriteit met vijf jaar verlengd met ingang van de datum van aanvraag wanneer de houder
- a). de onderstaande vaartijd kan aantonen op een vaartuig dat vaart op vloeibaar aardgas (LNG): of, wanneer dit niet het geval is,
- –. ten minste 180 dagen in de afgelopen vijf jaar, of
- –. ten minste 90 dagen in het afgelopen jaar;
- b). hij in het kader van een goedgekeurd opleidingsprogramma het examen zoals bedoeld in artikel 15.03 nogmaals met succes heeft afgelegd.
Hoofdstuk 16. Veiligheidspersoneel aan boord van passagiersschepen
Artikel 16.01. Veiligheidspersoneel aan boord van passagiersschepen
-
- Aan boord van elk passagiersschip is veiligheidspersoneel in voldoende aantal aanwezig zolang er passagiers aan boord zijn.
-
- De leden van het veiligheidspersoneel kunnen deel uitmaken van de bemanning of het boordpersoneel.
Artikel 16.02. Verkrijging van het kwalificatiecertificaat deskundige voor de passagiersvaart
Om voor de eerste maal het kwalificatiecertificaat deskundige voor de passagiersvaart te verkrijgen, is de kandidaat ten minste 18 jaar en beschikt over de in de ES-QIN (Deel I, hoofdstuk 5) genoemde competenties. Deze competenties worden geacht aanwezig te zijn indien de betreffende persoon geslaagd is voor een examen overeenkomstig artikel 16.03, dat werd georganiseerd:
- a). als onderdeel van een goedgekeurde opleiding overeenkomstig artikel 16.04, of
- b). onder verantwoordelijkheid van een bevoegde autoriteit.
Het kwalificatiecertificaat deskundige voor de passagiersvaart is vijf jaar geldig.
Iedere aanvrager van een verlenging van een kwalificatiecertificaat deskundige voor de passagiersvaart, legt het examen, genoemd in het eerste lid, opnieuw met succes af.
Artikel 16.03. Examen voor deskundigen voor de passagiersvaart
Het examen bestaat uit een theoretisch en praktijkgedeelte.
Aan het theoretisch gedeelte van het examen wordt voldaan wanneer de kandidaat aantoont dat hij beschikt over de in de ES-QIN (Deel I, hoofdstuk 5) genoemde kennis.
Aan het praktijkgedeelte wordt voldaan wanneer de kandidaat met goed gevolg een praktijkexamen heeft afgelegd overeenkomstig de ES-QIN (Deel II, hoofdstuk 2). Het praktijkgedeelte van het examen wordt afgelegd aan boord van een vaartuig of met behulp van een walinstallatie die voldoet aan de technische eisen zoals vastgelegd in de ES-QIN (Deel II, hoofdstuk 2).
Artikel 16.04. Opleiding voor deskundigen voor de passagiersvaart
De opleiding als bedoeld in artikel 16.02, eerste lid, tweede zin, onderdeel a, wordt door de bevoegde autoriteit overeenkomstig de in artikel 16.05 vastgelegde voorwaarden toegelaten en bestaat uit:
- a). een theoretische scholing om de in de ES-QIN (Deel I, hoofdstuk 5) genoemde kennis te verwerven;
- b). een praktische scholing om de in de ES-QIN (Deel II, hoofdstuk 2) genoemde vaardigheden op te doen.
Artikel 16.05. Goedkeuring van de opleidingen voor deskundige
-
- De goedkeuring van de opleidingen wordt gedaan door de bevoegde autoriteiten op basis van artikel 16.06.
-
- De bevoegde autoriteiten stellen de CCR op de hoogte van elke besluit over de goedkeuring van een cursus of de intrekking of opschorting van een goedkeuring.
De lijst van de goedgekeurde opleidingen wordt door de CCR op de website geplaatst.
Artikel 16.06. Criteria voor de goedkeuring van cursussen
-
- De bevoegde autoriteit kan op basis van de voorwaarden van artikel 16.03, een cursus goedkeuren wanneer zij tot de overtuiging is gekomen dat het opleidingsinstituut cursussen aanbiedt of examens afneemt die garant staan voor de benodigde kennis van deskundigen voor passagiersvaart.
-
- De aanvraag ter goedkeuring wordt schriftelijk ingediend en bevat de onderstaande documenten:
- a). een gedetailleerd programma van de cursussen, met vermelding van de te onderwijzen onderwerpen, het lesrooster en de voorgenomen onderwijsmethoden, zowel voor de initiële opleiding als de opfriscursus,
- b). een lijst van de onderwijskrachten, hun kwalificaties en werkterreinen,
- c). informatie over de ruimte waar de cursussen plaatsvinden, over het onderwijsmateriaal alsook de faciliteiten voor de praktijkoefeningen,
- d). de voorwaarden voor deelname aan de cursussen, bijvoorbeeld het aantal deelnemers,
- e). een beschrijving van het examenprogramma (theoretische en praktijkexamens) en de vereiste resultaten om voor het examen te slagen, zowel voor het initiële examen als voor het examen in het kader van de verlenging van het kwalificatiecertificaat,
- f). een verklaring waarin het opleidingsinstituut zich ertoe verplicht de bevoegde autoriteit onverwijld en op eigen initiatief op de hoogte te stellen van elke wijziging in de gegevens, die genoemd zijn in onderdelen a) tot e).
-
- De bevoegde autoriteit houdt toezicht op de cursussen en examens. De bevoegde autoriteit kan een verleende goedkeuring overeenkomstig de nationale voorschriften van een Rijnoeverstaat en België intrekken wanneer
- a). blijkt dat niet aan de voorwaarden voor een goedkeuring voldaan was of niet meer aan deze voorwaarden wordt voldaan, of
- b). het opleidingsinstituut niet heeft voldaan aan zijn verplichting tot medewerking of andere verplichtingen.
Artikel 16.07. Eerstehulpverlener
De eerstehulpverlener moet ten minste 17 jaar zijn en de vereiste kwalificatie bezitten. Deze wordt geacht aanwezig te zijn, indien de desbetreffende persoon
- a). aan een cursus voor eerstehulpverlener heeft deelgenomen, en
- b). regelmatig overeenkomstig artikel 16.09 aan de opfriscursussen heeft deelgenomen.
Artikel 16.08. Persluchtmaskerdrager
De persluchtmaskerdrager moet ten minste 18 jaar zijn en geschikt zijn om de ademhalingsapparatuur zoals bedoeld in artikel 19.12, tiende lid, onderdeel a, van de ES-TRIN, voor de redding van personen te kunnen gebruiken. Deze wordt geacht aanwezig te zijn, indien de betreffende persoon de lichamelijke en geestelijke geschiktheid en de kwalificatie overeenkomstig de nationale voorschriften van de Rijnoeverstaten of België aantoont en regelmatig overeenkomstig artikel 16.09 aan de opfriscursussen heeft deelgenomen.
Artikel 16.09. Cursussen en opfriscursussen voor eerstehulpverleners en persluchtmaskerdragers
De opleiding en opfriscursussen voor eerstehulpverleners en persluchtmaskerdragers worden gevolgd overeenkomstig de voorschriften van één van de Rijnoeverstaten of België.
Artikel 16.10. Aantonen van de functie
-
- De bevoegde autoriteit geeft na het succesvol afleggen van het examen, als bedoeld in artikel 16.03, het kwalificatiecertificaat af van deskundige voor de passagiersvaart overeenkomstig de ES-QIN (Deel V, hoofdstuk 1).
-
- Op vertoon van het bewijs van de opleiding zoals bedoeld in artikel 16.07 en 16.09 geeft de bevoegde autoriteit een verklaring af betreffende de bevoegdheid als eerstehulpverlener volgens het model van bijlage 6 of verlengt deze. Als verklaringen gelden ook de documenten van de nationale of regionale organisaties van het Rode Kruis of vergelijkbare nationale of regionale reddingsorganisaties die door de CCR bekend worden gemaakt.
-
- Op vertoon van het bewijs van de opleiding zoals bedoeld in artikel 16.08 en 16.09 geeft de bevoegde autoriteit een verklaring af betreffende de bevoegdheid als persluchtmaskerdrager volgens het model van bijlage 7 of verlengt deze.
Deze cursusbewijzen gelden als verklaring, als deze zijn afgegeven door een volgens het nationale recht van de Rijnoeverstaten of België erkend opleidingsinstituut en het dienovereenkomstige model door de CCR bekend gemaakt is.
Artikel 16.11. Aantal leden veiligheidspersoneel
-
- Deskundigen voor de passagiersvaart, eerstehulpverleners en persluchtmaskerdragers moeten ten minste in de navolgende aantallen aanwezig zijn: Voor hotelschepen met een lengte van 45 m of minder, waarvan de hutten voorzien zijn van een aantal vluchtmaskers dat overeenkomt met het aantal bedden en deze vluchtmaskers binnen handbereik liggen, zijn persluchtmaskerdragers niet vereist.
- a). gedurende de vaart aan boord:
| aa) schepen voor dagtochten | aa) schepen voor dagtochten | aa) schepen voor dagtochten | aa) schepen voor dagtochten |
|---|---|---|---|
| Groep | Aantal personen aan boord | Deskundige voor de passagiersvaart | Eerstehulpverleners |
| 1 | tot en met 250 | 1 | 1 |
| 2 | meer dan 250 | 1 | 2 |
| bb) hotelschepen | bb) hotelschepen | bb) hotelschepen | bb) hotelschepen |
| --- | --- | --- | --- |
| Groep | Aantal bezette bedden | Deskundigen voor de passagiersvaart | Eerstehulp-verleners |
| 1 | tot en met 100 | 1 | 1 |
| 2 | meer dan 100 | 1 | 2 |
- b). permanent beschikbaar tijdens het stilliggen: het in bovenstaande tabel voorgeschreven veiligheidspersoneel in onderdeel a voor groep 1.
-
- Op schepen voor dagtochten met een toegelaten aantal personen van niet meer dan 75 en op stilliggende passagiersschepen mogen de functies van deskundigen voor de passagiersvaart en eerstehulpverlener door één en dezelfde persoon worden waargenomen. In alle andere gevallen mag de taak van deskundige voor de passagiersvaart, eerstehulpverlener en persluchtmaskerdrager niet door één en dezelfde persoon worden waargenomen.
Artikel 16.12. Plichten van de schipper en de deskundige
-
- Onverminderd de voorschriften van het Rijnvaartpolitiereglement draagt de schipper er zorg voor:
- a). de deskundige voor de passagiersvaart met het veiligheidsdossier en het veiligheidsplan, zoals bedoeld in artikel 19.13 van de ES-TRIN vertrouwd te maken,
- b). het veiligheidspersoneel te instrueren en bekend maken met het passagiersschip,
- c). de vereiste kwalificatie van het veiligheidspersoneel aan boord, zoals bedoeld in de artikelen 16.02 tot en met 16.09, op ieder momentaan de hand van de verklaringen zoals bedoeld in artikel 16.10 te kunnen aantonen,
- d). ervoor te zorgen dat gecontroleerd kan worden dat er regelmatig veiligheidsrondes plaatsvinden.
-
- De deskundige voor de passagiersvaart draagt zorg voor het toezicht van de veiligheidsinrichtingen en -uitrustingen overeenkomstig het veiligheidsdossier en voor de veiligheid van de passagiers in geval van gevaar en in noodsituaties aan boord. Hij kent het veiligheidsdossier en het veiligheidsplan in detail en overeenkomstig de door de schipper verstrekte instructies moet hij:
- a). de leden van de bemanning en het boordpersoneel die op grond van het veiligheidsdossier in noodsituaties bepaalde taken te vervullen hebben, deze taken toekennen;
- b). de leden van de bemanning en het boordpersoneel regelmatig over de hun toebedeelde taken informeren;
- c). de passagiers aan boord van hotelschepen bij het begin van de reis over de inhoud van het veiligheidsplan informeren en wat zij moeten doen;
- d). passagiers bijstaan ten aanzien van hun rechten als passagiers.
Artikel 16.13. Toezicht
Zolang zich passagiers aan boord bevinden, moet er ’s nachts ieder uur een controleronde gemaakt worden. Er moet op een adequate wijze kunnen worden gecontroleerd of deze rondes plaatsvinden.
Deel III. Bemanning
Hoofdstuk 17. Algemene bepalingen
Artikel 17.01. Algemene bepalingen
-
- De bemanning en het veiligheidspersoneel die zich overeenkomstig het Rijnvaartpolitiereglement aan boord bevinden van schepen die de Rijn bevaren, voldoen aan de voorschriften van dit reglement. De voor de desbetreffende exploitatiewijze en vaartijd voorgeschreven bemanning en veiligheidspersoneel bevinden zich tijdens de vaart voortdurend aan boord. Het is niet toegestaan zonder de voorgeschreven bemanning of zonder het veiligheidspersoneel te vertrekken. Schepen waarvan door onvoorziene omstandigheden (bijvoorbeeld ziekte, ongeval, bevel van een bevoegde autoriteit) tijdens de vaart ten hoogste één lid van de voorgeschreven bemanning uitvalt, mogen niettemin hun reis voortzetten tot de eerstvolgende geschikte aanlegplaats in de richting waarin gevaren wordt – passagiersschepen tot het eindpunt van de reis van die dag – indien zich aan boord naast een persoon die houder is van een kwalificatiecertificaat schipper voor het desbetreffende riviergedeelte, nog een lid van de voorgeschreven bemanning bevindt. De persoon die belast is met het toezicht op en de verzorging van zich aan boord bevindende kinderen onder de zes jaar, mag geen lid van de minimumbemanning zijn, tenzij er maatregelen zijn getroffen om de veiligheid van de kinderen ook zonder voortdurend toezicht te waarborgen.
-
- Elke Rijnoeverstaat of België kan bepalen dat de nationale voorschriften betreffende de arbeidsbescherming van toepassing zijn op de Rijnschepen die in die staat zijn ingeschreven. Niet in een register ingeschreven schepen vallen onder de wettelijke voorschriften van die Rijnoeverstaat of België waarin het bedrijf zijn hoofdzetel of de eigenaar zijn wettelijke domicilie heeft. In afwijking hiervan kunnen de bevoegde autoriteiten van de Rijnoeverstaten of België bilateraal overeenkomen dat bepaalde schepen die in de ene staat zijn ingeschreven, onder de voorschriften van de andere staat vallen. Zwangere vrouwen en kraamvrouwen mogen gedurende ten minste 14 weken, waarvan ten minste zes weken voor en zeven weken na de bevalling geen deel uitmaken van de bemanning.
-
- Voor de toepassing van de artikelen 18.01, 18.02 en 18.03 wordt tevens rekening gehouden met vaar- en rusttijden die buiten het toepassingsgebied van dit reglement vervuld zijn.
-
- De houder van een Rijnpatent mag alleen de functie van schipper uitoefenen indien hij daartoe de nodige geschiktheid bezit.
-
- De in het vierde lid genoemde geschiktheid kan door de bevoegde autoriteiten krachtens nationaal recht worden onderzocht. Indien de bevoegde autoriteit tot de conclusie komt dat de houder van het Rijnpatent ongeschikt is kan hem de uitoefening van de functie van schipper worden verboden. Een intrekking of schorsing als bedoeld in artikel 8.01 of 8.02 uitsluitend om deze reden is niet toegestaan.
Artikel 17.02. Gelijkwaardigheid en afwijkingen
-
- Wanneer in de bepalingen van dit gedeelte is vastgelegd dat bepaalde bemanningsvoorschriften van toepassing zijn, kan de bevoegde autoriteit rekening houdend met de voorschriften in het Rijnvaartpolitiereglement toestaan dat andere bemanningsvoorschriften worden toegepast, op voorwaarde dat deze op grond van aanbevelingen van de CCR als gelijkwaardig zijn erkend.
-
- Bij wijze van proef en voor een beperkte tijdsduur kan een bevoegde autoriteit op grond van een aanbeveling van de CCR voor een vaartuig met nieuwe technische voorzieningen andere regelingen voor de minimumbemanning vastleggen, op voorwaarde dat deze regelingen in het kader van de nieuwe technische voorzieningen voldoende veiligheid waarborgen.
-
- De gelijkwaardigheden en afwijkingen zoals bedoeld in het eerste en tweede lid moeten in het binnenschipcertificaat worden ingeschreven.
-
- De bevoegde autoriteiten informeren de CCR binnen één maand over de toekenning van een gelijkwaardigheid of afwijking. De CCR publiceert een lijst met de toegekende gelijkwaardigheden en afwijkingen.
Hoofdstuk 18. Exploitatiewijzen, verplichte rusttijd, vaartijdenboek
Artikel 18.01. Exploitatiewijzen
-
- Men onderscheidt de volgende exploitatiewijzen: telkens binnen een periode van 24 uur.
- A1. vaart van ten hoogste 14 uur,
- A2. vaart van ten hoogste 18 uur,
- B. vaart van ten hoogste 24 uur,
-
- Bij exploitatiewijze A1 mag de vaart eenmaal per kalenderweek tot maximaal 16 uur worden verlengd, indien de vaartijd kan worden aangetoond met de registraties van een tachograaf die voldoet aan de eisen van Bijlage 5, Onderdeel V van de ES-TRIN betreffende minimumeisen en voorschriften omtrent de inbouw en de controle van het functioneren van tachografen in de binnenvaart, en wanneer afgezien van de schipper nog een ander bemanningslid van de minimumbemanning een kwalificatiecertificaat stuurman heeft.
-
- Een schip dat in exploitatiewijze A1, respectievelijk A2 wordt geëxploiteerd, moet de vaart gedurende acht, respectievelijk zes aaneengesloten uren onderbreken, te weten:
- a). in de exploitatiewijze A1 tussen 22.00 en 06.00 uur, en
- b). in de exploitatiewijze A2 tussen 23.00 en 05.00 uur.
Er mag van deze tijden worden afgeweken, indien de vaartijd wordt geregistreerd door middel van een tachograaf die voldoet aan de eisen van Bijlage 5, Onderdeel V van de ES-TRIN betreffende minimumeisen en voorschriften omtrent de inbouw en de controle van het functioneren van tachografen in de binnenvaart, en naar behoren functioneert. De tachograaf moet ten minste vanaf het begin van de laatste ononderbroken rusttijd van acht, respectievelijk zes uur zijn ingeschakeld en voor de controlerende diensten te allen tijde bereikbaar zijn.
Artikel 18.02. Verplichte rusttijd
-
- Bij exploitatiewijze A1 heeft elk bemanningslid recht op een ononderbroken rusttijd van acht uur buiten de vaartijd per periode van 24 uur, gerekend vanaf het einde van elke rusttijd van acht uur.
-
- Bij exploitatiewijze A2 heeft elk bemanningslid recht op een rusttijd van acht uur, waarvan zes uur ononderbroken buiten de vaartijd per periode van 24 uur, gerekend vanaf het einde van elke rusttijd van zes uur. Voor bemanningsleden onder de 18 jaar wordt een ononderbroken rusttijd van acht uur in acht genomen waarvan zes uur buiten de vaartijd.
-
- Bij exploitatiewijze B heeft elk bemanningslid recht op een rusttijd van 24 uur per periode van 48 uur, waarvan ten minste twee maal zes uur ononderbroken zijn.
-
- In afwijking van het eerste en tweede lid kan de rusttijd tevens tijdens de vaart plaatsvinden, indien:
- •. ook tijdens deze rusttijd te allen tijde het voor de veiligheid van het schip vereiste aantal bemanningsleden – waaronder tenminste één schipper – wordt ingezet, en
- •. de mogelijkheid bestaat de rusttijd door te brengen in een slechts aan één bemanningslid toegewezen ruimte die geschikt is om uit te rusten en afgeschermd is tegen geluid of trillingen boven de toegelaten grenswaarde. In deze ruimte wordt de geluidsdruk van 60 dB(A) niet overschreden, hetgeen moet blijken uit het binnenschipcertificaat, waarbij de geluidsdruk gemeten dient te worden overeenkomstig de geldende voorschriften van de ES-TRIN.
-
- Gedurende zijn verplichte rusttijd mag een bemanningslid niet voor enigerlei taak worden ingezet, ook niet om toezicht te houden of stand-by te zijn. De in de politievoorschriften bedoelde wacht- en toezichtstaken voor stilliggende vaartuigen worden niet als taak in de zin van dit lid beschouwd.
-
- Bepalingen in de arbeidsvoorschriften met inbegrip van bepalingen voortvloeiend uit het recht van de Europese Unie of collectieve arbeidsovereenkomsten die langere rusttijden voorschrijven, blijven onverlet.
Artikel 18.03. Wisseling of herhaling van exploitatiewijze
-
- In afwijking van artikel 18.02, eerste en derde lid, is een wisseling of herhaling van de exploitatiewijze slechts mogelijk met inachtneming van de bepalingen van het tweede tot met zesde lid.
-
- Van exploitatiewijze A1 mag slechts dan naar exploitatiewijze A2 worden gewisseld, indien:
- a). de bemanning in zijn geheel is afgelost, of
- b). de voor exploitatiewijze A2 bestemde bemanningsleden direct vóór de wisseling een rusttijd van acht uur, waarvan zes uur buiten de vaartijd, in acht genomen en aangetoond hebben en de voor exploitatiewijze A2 voorgeschreven versterking zich aan boord bevindt.
-
- Van exploitatiewijze A2 mag slechts dan naar exploitatiewijze A1 worden gewisseld, indien:
- a). de bemanning in zijn geheel is afgelost, of
- b). de voor exploitatiewijze A1 bestemde bemanningsleden direct vóór de wisseling een ononderbroken rust van acht uur buiten de vaartijd in acht genomen en aangetoond hebben.
-
- Van exploitatiewijze B mag slechts dan naar exploitatiewijze A1 of A2 worden gewisseld, indien:
- a). de bemanning in zijn geheel is afgelost, of
- b). de voor exploitatiewijze A1, respectievelijk A2 bestemde bemanningsleden direct vóór de wisseling een ononderbroken rusttijd van acht, respectievelijk zes uur in acht genomen en aangetoond hebben.
-
- Van exploitatiewijze A1 of A2 mag slechts dan naar exploitatiewijze B worden gewisseld, indien:
- a). de bemanning in zijn geheel is afgelost, of
- b). de voor exploitatiewijze B bestemde bemanningsleden direct vóór de wisseling een ononderbroken rusttijd van acht, respectievelijk zes uur buiten de vaartijd of overeenkomstig de voorschriften van artikel 18.02, vierde lid, in acht genomen en aangetoond hebben, en de voor exploitatiewijze B voorgeschreven versterking zich aan boord bevindt.
-
- Een vaartuig kan onmiddellijk in aansluiting op een reis in exploitatiewijze A1 of A2 voor een volgende reis in exploitatiewijze A1 of A2 worden ingezet, indien een voltallige uitwisseling van de bemanning heeft plaatsgevonden en de nieuwe bemanningsleden onmiddellijk voorafgaand aan de verdere exploitatiewijze A1 en A2 een ononderbroken rusttijd van acht, respectievelijk zes uur buiten de vaartijd in acht genomen en aangetoond hebben.
-
- Het bewijs van een rusttijd van acht, respectievelijk zes uur wordt aangetoond met een verklaring als bedoeld in bijlage 8 of door een kopie van de pagina van het vaartijdenboek van het vaartuig waarop de laatste reis van het bemanningslid heeft plaatsgevonden en de vaar-, respectievelijk rusttijden, vermeld staan. Indien de rusttijd tijdens de vaart plaatsvond, is tevens een kopie van het binnenschipcertificaat van het betreffende schip vereist waaruit blijkt dat de maximale geluidsdruk in die ruimte van dit schip voldoet aan de voorschriften van artikel 18.02, vierde lid.
Artikel 18.04. Vaartijdenboek – Tachograaf
-
- Aan boord van elk vaartuig, met uitzondering van sleep- en duwboten die slechts in havens verkeren, onbemande duwbakken, overheidsschepen en pleziervaartuigen, moet zich in de stuurhut een actief vaartijdenboek volgens het model in de ES-QIN (Deel V, hoofdstuk 5) bevinden. Dit wordt bijgehouden overeenkomstig de daarin vervatte aanwijzingen. De schipper is verantwoordelijk voor de aanwezigheid van het vaartijdenboek en de aantekeningen die daarin worden gemaakt. Het eerste vaartijdenboek wordt afgegeven door een bevoegde autoriteit op vertoon van een binnenschipcertificaat.
-
- Alle daaropvolgende vaartijdenboeken mogen worden afgegeven door elke bevoegde autoriteit, die het vaartijdenboek van een volgnummer voorziet; zij kunnen evenwel slechts worden afgegeven tegen overlegging van het voorgaande vaartijdenboek. Het voorgaande vaartijdenboek wordt voorzien van de onuitwisbare aantekening ‘ongeldig’ en dient aan de schipper te worden teruggegeven. De afgifte van een nieuw vaartijdenboek kan geschieden op vertoon van het in het vierde lid bedoelde document. De eigenaar van het schip zorgt ervoor dat het voorafgaande vaartijdenboek binnen 30 dagen na de afgiftedatum van het nieuwe vaartijdenboek wordt voorgelegd aan dezelfde bevoegde autoriteit die voor het nieuwe vaartijdenboek de in het vierde lid bedoelde verklaring heeft opgesteld, zodat deze autoriteit het bovengenoemde voorafgaande vaartijdenboek kan voorzien van de vermelding ‘ongeldig’. De eigenaar van het schip zorgt er bovendien voor dat het vaartijdenboek daarna weer aan boord wordt gebracht.
-
- Het ongeldig gemaakte vaartijdenboek wordt gedurende zes maanden na de laatste aantekening aan boord bewaard.
-
- Bij de afgifte van het eerste vaartijdenboek overeenkomstig het eerste lid bevestigt de autoriteit die het eerste vaartijdenboek afgeeft, deze afgifte door middel van een verklaring waarop de naam van het schip, het uniek Europees identificatienummer (ENI) van het schip, het nummer van het vaartijdenboek en de datum van afgifte zijn vermeld. Deze verklaring wordt aan boord bewaard en wordt op verzoek getoond. De afgifte van latere vaartijdenboeken overeenkomstig het tweede lid moet door de bevoegde autoriteit op de verklaring worden aangetekend.
-
- De naleving van de rusttijden kan bovendien door middel van een tachograaf worden aangetoond, die voldoet aan de technische vereisten van artikel 18.01, tweede lid. De registraties van de tachografen wordt gedurende zes maanden na de laatste registratie aan boord bewaard.
-
- Bij aflossing of versterking van de bemanning als bedoeld in artikel 18.03 is voor ieder nieuw bemanningslid een verklaring overeenkomstig bijlage 8 of een kopie van de pagina met de aantekeningen van de vaar-, respectievelijk rusttijden uit het vaartijdenboek van het vaartuig waarop de laatste reis van het bemanningslid heeft plaatsgevonden, voorhanden.
- 7.
- a). De regeling voor het bijhouden van het vaartijdenboek op grond waarvan één enkel schema per reis voor de aantekeningen van de rusttijden voldoende is, geldt uitsluitend voor de bemanningsleden in de exploitatiewijze B. In de exploitatiewijzen A1 en A2 moeten voor elk bemanningslid het begin en het einde van de rusttijden van elke dag gedurende de reis worden genoteerd.
- b). De na de wisseling van de exploitatiewijze vereiste aantekeningen moeten op een nieuwe bladzijde van het vaartijdenboek worden genoteerd.
- c). Worden per dag twee of meer reizen met ongewijzigde bemanning afgelegd, kan worden volstaan met het invullen van het tijdstip van het begin van de eerste dagvaart en van het einde van de laatste dagvaart.
Hoofdstuk 19. Minimumbemanning aan boord
Artikel 19.01. Uitrusting van vaartuigen
- 1.1. Standaard S1
- a). De voortstuwingsinstallaties is zo ingericht dat de verandering van de vaarsnelheid en de omkering van de richting van de stuwkracht van de schroef vanaf de stuurstelling kunnen geschieden. De hulpmotoren die nodig zijn bij het varen met het schip moeten vanaf de stuurstelling kunnen worden aan- en afgezet, tenzij dit automatisch geschiedt, dan wel deze motoren gedurende elke reis ononderbroken in bedrijf zijn.
- b). Het kritieke peil van de temperatuur van het koelwater van de hoofdmotoren, van de druk van de smeerolie van de hoofdmotoren en de transmissie, van de oliedruk en de luchtdruk van de omkeerinrichting van de hoofdmotoren, de keerkoppeling of de schroeven en van het bilgewater in de hoofdmachinekamer moet worden aangegeven door installaties die in het stuurhuis akoestische en optische alarmsignalen in werking stellen. De akoestische alarmsignalen mogen in één akoestisch apparaat verenigd zijn. Zij mogen worden uitgeschakeld zodra de storing is vastgesteld. De optische alarmsignalen mogen pas worden uitgeschakeld, nadat de desbetreffende storingen zijn verholpen.
- c). De brandstoftoevoer en de koeling van de hoofdmotoren dienen automatisch te geschieden.
- d). De bediening van de stuurinrichting moet zelfs bij de grootste toegelaten inzinking door één persoon zonder bijzondere krachtsinspanning kunnen worden verricht.
- e). De bij het Rijnvaartpolitiereglement voorgeschreven optische tekens en geluidsseinen van varende schepen dienen vanaf de stuurstelling te kunnen worden gegeven.
- f). Indien geen rechtstreeks contact mogelijk is tussen de stuurstelling en het voorschip, het achterschip, de verblijven en de machinekamer, dient een spreekverbinding te zijn aangebracht. Voor contact met de machinekamer mogen in plaats van een spreekverbinding optische en akoestische signalen worden gebruikt.
- g). De kracht die nodig is om zwengels en soortgelijke draaibare voorzieningen van hefwerktuigen te bedienen, mag niet meer dan 160 N bedragen.
- h). De in het binnenschipcertificaat vermelde sleeplieren dienen door een motor te worden aangedreven.
- i). De lenspompen en de dekwaspompen dienen door een motor te worden aangedreven.
- j). De voornaamste bedieningsinrichtingen en controle-instrumenten dienen ergonomisch te zijn aangebracht.
- k). De krachtens artikel 6.01, eerste lid, van de ES-TRIN vereiste inrichtingen dienen vanaf de stuurstelling te kunnen worden bediend.
- 1.2. Standaard S2
- a). voor alleen varende motorschepen: Standaard S1 en bovendien een uitrusting met een vanuit de stuurstelling bedienbare boegschroefinstallatie;
- b). voor motorschepen, die gekoppelde vaartuigen voortbewegen: Standaard S1 en bovendien een uitrusting met een vanuit de stuurstelling bedienbare boegschroefinstallatie;
- c). voor motorschepen die een duwstel, bestaande uit het motorschip en een vaartuig ervoor, voortbewegen: Standaard S1 en bovendien een uitrusting met hydraulisch of elektrisch aangedreven koppellieren. Deze uitrusting is echter niet vereist, wanneer het vaartuig aan de kop van het duwstel met een boegschroefinstallatie is uitgerust die vanuit de stuurstelling van het duwende motorschip te bedienen is;
- d). voor duwboten die een duwstel voortbewegen: Standaard S1 en bovendien een uitrusting met hydraulisch of elektrisch aangedreven koppellieren. Deze uitrusting is echter niet vereist, wanneer het vaartuig aan de kop van het duwstel met een boegschroefinstallatie is uitgerust die vanuit de stuurstelling van de duwende duwboot te bedienen is;
- e). voor passagiersschepen: Standaard S1 en bovendien een uitrusting met een vanuit de stuurstelling bedienbare boegschroefinstallatie. Deze uitrusting is echter niet vereist, indien de voortstuwingsinstallatie en de stuurinrichting van het passagiersschip gelijkwaardige manoeuvreereigenschappen waarborgen.
-
- Het voldoen of niet voldoen aan de voorschriften van 1.1 of 1.2 wordt door de Commissie van Deskundigen in het binnenschipcertificaat onder nummer 47 ingeschreven.
Artikel 19.02. Minimumbemanning van motorschepen en duwboten
-
- De minimumbemanning van motorschepen en duwboten bestaat uit: 1 De lichtmatroos of één van de lichtmatrozen mag worden vervangen door een deksman. 2 Eén van de lichtmatrozen moet ouder zijn dan 18 jaar. 3 De stuurman moet houder zijn van een Rijnpatent of Uniekwalificatiecertificaat schipper. Een specifieke vergunning als bedoeld in artikel 13.01, eerste lid, onderdeel b is niet vereist.
| Groep | Groep | Bemanningsleden | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| A1 | A1 | A2 | A2 | B | B | |||
| S1 | S2 | S1 | S2 | S1 | S2 | |||
| 1 | L ≤ 70 m | schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos | 1 – – 1 – | 2 – – – – | 2 – – 1 11 | 2 – – – 2 1'2 | ||
| 2 | 70 m < L ≤ 86 m | schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos | 1 of 1 – – 1 – – 1 – 1 | 1 – – 1 1 | 2 – – – 11 | 2 – – 2 – | 2 – – 1 1 | |
| 3 | L > 86 m | schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos | 1 of 1 1 1 – – 1 – – 2 | 1 1 – – 1 | 2 – – 1 11 | 2 – – – 21 | 2 of 2 1 13 – – 2 1 – – | 2 1 – 1 1 |
-
- De voorgeschreven matrozen overeenkomstig de in het eerste lid genoemde tabel mogen door lichtmatrozen worden vervangen die de minimumleeftijd van 17 jaar hebben bereikt, zich ten minste in het derde leerjaar bevinden en een jaar vaartijd in de binnenvaart kunnen aantonen.
-
- De voorgeschreven minimumbemanning overeenkomstig de onder 1 genoemde tabel, kan voor de ononderbroken duur van ten hoogste drie maanden per kalenderjaar met een lichtmatroos worden verminderd, als deze lichtmatroos gedurende deze tijd een schippersschool bezoekt. Opeenvolgende periodes met een gereduceerde bemanning moeten door een periode van minimaal één maand worden onderbroken. Het bezoek aan de schippersschool moet worden aangetoond met een verklaring van de schippersschool die zich aan boord moet bevinden en waarin de tijden van het schoolbezoek zijn aangegeven. De eerste zin, onderdeel a en het tweede alternatief van onderdeel c zijn slechts van toepassing wanneer gedurende de tijd dat de ene lichtmatroos een schippersschool bezoekt, de tweede lichtmatroos aan boord is. Deze bepalingen gelden niet voor de lichtmatroos zoals bedoeld in het tweede lid.
- a). in groep 1, exploitatiewijze B, Standaard S2,
- b). in groep 2, exploitatiewijze A1, Standaard S2, en
- c). in groep 3, exploitatiewijze A1, Standaard S1 en exploitatiewijze A2, Standaard S2
Artikel 19.03. Minimumbemanning van hechte samenstellen en andere hechte samenstellingen
-
- De minimumbemanning van hechte samenstellen en andere hechte samenstellingen bestaat uit: 1 De lichtmatroos of één van de lichtmatrozen mag worden vervangen door een deksman. 2 Eén van de lichtmatrozen moet ouder zijn dan 18 jaar. 3 De stuurman moet houder zijn van een Rijnpatent of Uniekwalificatiecertificaat schipper. Een specifieke vergunning als bedoeld in artikel 13.01, eerste lid, onderdeel b is niet vereist. 4 In dit artikel omvat het begrip ‘duwbak’ ook motorschepen zonder eigen in werking gestelde voortstuwingswerktuigen en sleepschepen. Bovendien is de volgende gelijkwaardigheid van toepassing: 1 duwbak = meerdere bakken met een totale lengte van niet meer dan 76,50 m en een totale breedte van niet meer dan 15 m.
| Groep | Groep | Bemanningsleden | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| A1 | A1 | A2 | A2 | B | B | B | |||
| S1 | S2 | S1 | S2 | S1 | S2 | S2 | |||
| 1 | afmeting van het samenstel L ≤ 37 m B ≤ 15 m | schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist | 1 – – 1 – – | 2 – – – – – | 2 – – 1 11 – | 2 – – – 21,2 – | 2 – – – 21,2 – | ||
| 2 | afmeting van het samenstel 37 m < L ≤ 86m B ≤ 15 m | schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist | 1 of 1 – – 1 – – 1 – 1 – –- | 1 – – 1 1 – | 2 – – – 11 – | 2 – – 2 – – | 2 – – 1 1 – | 2 – – 1 1 – | |
| 3 | duwboot + 1 duwbak met L > 86 m of afmeting van het samenstel 86 m < L ≤ 116,5 m B ≤ 15 m | schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist | 1 of 1 1 1 – – 1 – – 2 – – | 1 1 – – 1 – | 2 – – 1 11 – | 2 – – – 21 – | 2 of 2 1 13 – – 2 1 – – – – | 2 1 – 1 1 – | 2 1 – 1 1 – |
| 4 | duwboot + 2 duwbakken4 motorschip + 1 bak4 | schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist | 1 1 – 1 11 – | 1 1 – – 21 – | 2 – – 2 11 – | 2 – 1 – 21 – | 2 of 2 1 13 – – 2 2 – – 1 – | 2 of 2 1 13 1 1 – – 1 1 1 – | 2 of 2 1 13 1 1 – – 1 1 1 – |
| 5 | duwboot + 3 of meer duwbakken4 motorschip + 2 of meer duwbakken4 | schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist | 1 of 1 1 1 – – 2 1 – 2 1 1 | 1 1 – 1 1 1 | 2 – – 2 11 1 | 2 – 1 – 21 1 | 2 of 2 1 13 – – 2 2 11- 1 1 | 2 of 2 1 13 1 1 – – 2 1 1 1 | 2 of 2 1 13 1 1 – – 2 1 1 1 |
-
- De voorgeschreven matrozen overeenkomstig de in het eerste lid genoemde tabel mogen door lichtmatrozen worden vervangen die de minimumleeftijd van 17 jaar hebben bereikt, zich ten minste in het derde leerjaar bevinden en een jaar vaartijd in de binnenvaart kunnen aantonen.
-
- De voorgeschreven minimumbemanning overeenkomstig de in het eerste lid genoemde tabel, kan voor de ononderbroken duur van ten hoogste drie maanden per kalenderjaar met een lichtmatroos worden verminderd, als deze lichtmatroos gedurende deze tijd een schippersschool bezoekt. Opeenvolgende periodes met een gereduceerde bemanning moeten door een periode van minimaal één maand worden onderbroken. Het bezoek aan de schippersschool moet worden aangetoond met een verklaring van de schippersschool die zich aan boord moet bevinden en waarin de tijden van het schoolbezoek zijn aangegeven. De eerste zin, onderdeel a en het tweede alternatief van onderdeel c, d en het tweede alternatief van onderdeel e zijn slechts van toepassing wanneer gedurende de tijd dat de ene lichtmatroos een schippersschool bezoekt, de tweede lichtmatroos aan boord is. Deze bepalingen gelden niet voor de lichtmatroos zoals bedoeld in het tweede lid.
- a). in de groep 1, exploitatiewijze B, Standaard S2,
- b). in de groep 2, exploitatiewijze A1, Standaard S2,
- c). in de groep 3, exploitatiewijze A1, Standaard S1 en exploitatiewijze A2, Standaard S2,
- d). in de groep 4, exploitatiewijze A1, Standaard S2 en exploitatiewijze A2, Standaard S2, en
- e). in de groep 5, exploitatiewijze A1, Standaard S1, exploitatiewijze A2, Standaard S2, en exploitatiewijze B, Standaard S2
-
- De voorgeschreven machinisten overeenkomstig de in het eerste lid genoemde tabel mogen door bijkomende volmatrozen worden vervangen. Zij mogen ook door bijkomende matrozen worden vervangen, wanneer in de tabel in het eerste lid al een volmatroos is voorgeschreven.
Artikel 19.04. Minimumbemanning van passagiersschepen
-
- De minimumbemanning van schepen voor dagtochten bestaat uit: 1 De lichtmatroos of één van de lichtmatrozen mag worden vervangen door een deksman.
| Groep | Groep | Bemanningsleden | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| A1 | A1 | A2 | A2 | B | B | |||
| S1 | S2 | S1 | S2 | S1 | S2 | |||
| 1 | Toegestaan aantal passagiers tot en met 75 | schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist | 1 – – 1 – – | 2 – – 1 – – | 2 – – 2 – – | 2 – 1 – 1 – | ||
| 2 | Toegestaan aantal passagiers van 76 tot en met 250 | schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist | 1 of 1 – – – – 1 – 1 – – 1 | 1 – – 1 1 – | 2 – – – 11 1 | 2 – – 1 11 1 | ||
| 3 | Toegestaan aantal passagiers van 251 tot en met 600 | schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist | 1 of 1 – –- 1 1 – – – 2 1 – | 1 – 1 – 1 – | 2 – – 1 – 1 | 2 – – – 1 1 | 3 – – 1 – 1 | 3 – – – 1 1 |
| 4 | Toegestaan aantal passagiers van 601 tot en met 1000 | schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist | 1 1 – 1 11 1 | 1 1 – – 21 1 | 2 – – 2 – 1 | 2 – 1 – 1 1 | 3 – – 2 – 1 | 3 – 1 – 1 1 |
| 5 | Toegestaan aantal passagiers van 1001 tot en met 2000 | schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist | 2 of 2 – – – – 3 2 – 2 1 1 | 2 – 1 1 1 1 | 2 – – 3 11 1 | 2 – 1 1 21 1 | 3 – – 3 11 1 | 3 – 1 1 21 1 |
| 6 | Toegestaan aantal passagiers meer dan 2000 | schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist | 2 – – 3 11 1 | 2 – 1 1 21 1 | 2 – – 4 – 1 | 2 – 1 2 1 1 | 3 – – 4 11 1 | 3 – 1 2 21 1 |
-
- De minimumbemanning van stoomschepen voor dagtochten bestaat uit: 1 De Commissie van Deskundigen bepaalt of machinisten vereist zijn en schrijft dit in onder nummer 52 van het binnenschipcertificaat. 2 De lichtmatroos of één van de lichtmatrozen mag worden vervangen door een deksman.
| Groep | Groep | Bemanningsleden | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| A1 | A1 | A2 | A2 | B | B | |||
| S1 | S2 | S1 | S2 | S1 | S2 | |||
| 1 | Toegestaan aantal passagiers van 501 tot en met 1000 | schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist 1 | 1 1 1 1 – 2 | 1 1 1 – 1 2 | 2 – 1 1 – 2 | 2 – 1 – 1 2 | 3 – 1 1 – 3 | 3 – 1 – 1 3 |
| 2 | Toegestaan aantal passagiers van 1001 tot en met 2000 | schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist 1 | 2 of 2 – – – – 3 2 – 2 3 3 | 2 – 1 1 1 3 | 2 – – 3 12 3 | 2 – 1 1 22 3 | 3 – – 3 12 3 | 3 – 1 1 22 3 |
-
- De minimumbemanning van hotelschepen bestaat uit:
| Groep | Groep | Bemanningsleden | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| A1 | A1 | A2 | A2 | B | B | |||
| S1 | S2 | S1 | S2 | S1 | S2 | |||
| 1 | Toegestaan aantal bedden: tot en met 50 | schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist | 1 – 1 – – 1 | 1 – – – 2 1 | 2 – – 1 – 1 | 2 – – – 1 1 | 3 – – 1 – 1 | 3 – – – 1 1 |
| 2 | Toegestaan aantal bedden: van 51 tot en met 100 | schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist | 1 1 – 1 – 1 | 1 1 – – 1 1 | 2 – – 1 – 1 | 2 – – – 1 1 | 3 – – 1 – 1 | 3 – – – 1 1 |
| 3 | Toegestaan aantal bedden meer dan 100 | schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist | 1 of 1 1 1 – – 2 1 - 2 1 1 | 1 1 – 1 1 1 | 2 – – 3 – 1 | 2 – 1 1 1 1 | 3 – – 3 – 1 | 3 – 1 1 1 1 |
-
- Voor passagiersschepen zoals bedoeld in het eerste en het derde lid die zonder passagiers aan boord varen, wordt de minimumbemanning bepaald overeenkomstig artikel 19.02.
-
- De voorgeschreven matrozen overeenkomstig de in het eerste lid genoemde tabel mogen door lichtmatrozen worden vervangen die de minimumleeftijd van 17 jaar hebben bereikt, zich ten minste in het derde leerjaar bevinden en een jaar vaartijd in de binnenvaart kunnen aantonen.
-
- De minimumbemanning overeenkomstig de in het eerste lid genoemde tabel (schepen voor dagtochten), kan voor de ononderbroken duur van ten hoogste drie maanden per kalenderjaar met een lichtmatroos worden verminderd, als deze lichtmatroos gedurende deze tijd een schippersschool bezoekt. Opeenvolgende periodes met een gereduceerde bemanning moeten door een periode van minimaal één maand worden onderbroken. Het bezoek aan de schippersschool moet worden aangetoond met een verklaring van de schippersschool die zich aan boord moet bevinden en waarin de tijden van het schoolbezoek zijn aangegeven. De eerste zin, onderdeel c, d en het tweede en derde alternatief van onderdeel e zijn slechts van toepassing wanneer gedurende de tijd dat de ene lichtmatroos een schippersschool bezoekt, de tweede lichtmatroos aan boord is. Deze bepalingen gelden niet voor de lichtmatroos zoals bedoeld in het vijfde lid.
- a). in de groep 2, exploitatiewijze A1, Standaard S2,
- b). in de groep 3, exploitatiewijze A1, Standaard S1,
- c). in de groep 4, exploitatiewijze A1, Standaard S2,
- d). in de groep 5, exploitatiewijze A1, Standaard S1, exploitatiewijze A2, Standaard S2 en exploitatiewijze B, Standaard S2 en
- e). in de groep 6, exploitatiewijze A1, Standaard S2 en exploitatiewijze B, Standaard S2
-
- De minimumbemanning overeenkomstig de in het eerste lid genoemde tabel (stoomschepen voor dagtochten), kan voor de ononderbroken duur van ten hoogste drie maanden per kalenderjaar met een lichtmatroos worden verminderd, als deze lichtmatroos gedurende deze tijd een schippersschool bezoekt. Opeenvolgende periodes met een gereduceerde bemanning moeten door een periode van minimaal één maand worden onderbroken. Het bezoek aan de schippersschool moet worden aangetoond met een verklaring van de schippersschool, die zich aan boord moet bevinden en waarin de tijden van het schoolbezoek zijn aangegeven. De eerste zin, onderdeel b en c zijn slechts van toepassing wanneer gedurende de tijd dat de ene lichtmatroos een schippersschool bezoekt, de tweede lichtmatroos aan boord is. Deze bepalingen gelden niet voor de lichtmatroos zoals bedoeld in het vijfde lid.
- a). in de groep 2, exploitatiewijze A1, Standaard S1,
- b). in de groep 2, exploitatiewijze A2, Standaard S2, en
- c). in de groep 2, exploitatiewijze B, Standaard S2
-
- De minimumbemanning overeenkomstig de in het eerste lid genoemde tabel (hotelschepen), kan voor de ononderbroken duur van ten hoogste drie maanden per kalenderjaar met een lichtmatroos worden verminderd, als deze lichtmatroos gedurende deze tijd een schippersschool bezoekt. Opeenvolgende periodes met een gereduceerde bemanning moeten door een periode van minimaal één maand worden onderbroken. Het bezoek aan de schippersschool moet worden aangetoond met een verklaring van de schippersschool, die zich aan boord moet bevinden en waarin de tijden van het schoolbezoek zijn aangegeven.
- a). in de groep 1, exploitatiewijze A1, Standaard S2 en
- b). in de groep 3, exploitatiewijze A1, Standaard S1
-
- Bij dagtochtschepen met passagiers waarvan het aantal voor vertrek vaststaat en tijdens de vaart niet wijzigt (chartervaart), kan de overeenkomstig de groepen 2 tot en met 6 voorgeschreven minimumbemanning worden gereduceerd tot de eerst lagere groep, op voorwaarde dat het overeenkomstig de groepen 1 tot en met 6 toegelaten aantal passagiers tijdens de vaart lager is dan dit toegestane aantal. De eisen van hoofdstuk 16, alsmede de eisen die gelden voor de bemanning en het boordpersoneel uit hoofde van de veiligheidsrol gelden onverminderd.
-
- De machinisten die zijn voorgeschreven overeenkomstig de in het eerste tot derde lid genoemde tabellen mogen door bijkomende volmatrozen worden vervangen. Deze volmatrozen mogen door bijkomende matrozen worden vervangen, wanneer het aantal volmatrozen dat als minimumbemanning overeenkomstig de in het eerste tot derde lid genoemde tabellen is voorgeschreven, overeenstemt met het aantal te vervangen machinisten.
Artikel 19.05. Afwijking van de in artikel 19.01 voorgeschreven uitrusting
-
- Wanneer de uitrusting van een motorschip, een duwboot, een hecht samenstel, een andere hechte samenstelling of een passagiersschip niet voldoet aan de standaard S1, zoals bepaald in artikel 19.01 van het onderhavige reglement, dient de minimumbemanning, zoals bedoeld in de artikelen 19.02, 19.03 of 19.04, te worden verhoogd
- a). in de exploitatiewijze A1 en A2 telkens met één matroos, en
- b). in de exploitatiewijze B met twee matrozen. Wordt alleen niet voldaan aan de gestelde eisen in de onderdelen g en j, respectievelijk de onderdelen g of j van de standaard S1, zoals bedoeld in artikel 19.01, lid 1.1, dan wordt de bemanning bij exploitatiewijze B met één matroos in plaats van twee verhoogd.
-
- Voldoet de uitrusting van een vaartuig slechts gedeeltelijk aan de standaard S1 zoals deze is bepaald in artikel 19.01 van dit reglement, en niet aan één of meer van de in artikel 19.01, lid 1.1, onderdelen a tot en met c, van dit reglement gestelde eisen wordt voldaan, dan In het in de eerste zin bedoelde geval kunnen de volmatrozen door matrozen worden vervangen, indien de volmatrozen reeds deel uitmaken van de in artikel 19.02, artikel 19.03 of artikel 19.04 voorgeschreven minimumbemanning.
- a). moet in de exploitatiewijzen A1 en A2 de matroos, zoals voorgeschreven in het eerste lid, onderdeel a, door een volmatroos, en;
- b). moeten de twee matrozen in de exploitatiewijze B, zoals voorgeschreven in het eerste lid, onderdeel b door twee volmatrozen worden vervangen.
-
- De verhoging van de vereiste bemanning wordt door de Commissie van Deskundigen onder nummer 47 van het binnenschipcertificaat ingeschreven.
Artikel 19.06. Minimumbemanning van overige vaartuigen
-
- De Commissie van Deskundigen bepaalt voor de vaartuigen waarop de artikelen 19.02 tot en met 19.04 niet van toepassing zijn (zoals sleepboten, sleepschepen en drijvende werktuigen) naar gelang hun afmetingen, bouwwijze, inrichting en benutting, welke bemanning zich tijdens de vaart aan boord moet bevinden.
-
- Ten aanzien van bunkerschepen, die slechts op korte riviergedeelten ingezet mogen worden, kan de Commissie van Deskundigen een minimumbemanning voorschrijven die afwijkt van artikel 19.02.
-
- De Commissie van Deskundigen schrijft deze aantekeningen in onder nummer 48 van het binnenschipcertificaat.
Artikel 19.07. Minimumbemanning voor zeeschepen
-
- Voor de bepaling van de minimumbemanning van zeeschepen is deel II van dit reglement van toepassing.
-
- In afwijking van het eerste lid kunnen zeeschepen blijven varen onder de bemanningsregeling die voorzien is in de bepalingen van Resolutie A. 481 (XII) van de IMO en van de STCW-Overeenkomst, onder voorwaarde dat het aantal bemanningsleden ten minste overeenkomt met de minimumbemanning zoals voorgeschreven in deel II voor exploitatiewijze B, waarbij met name rekening dient te worden gehouden met artikel 19.02 en 19.06 van dit reglement.
In dit geval moeten de dienovereenkomstige documenten waaruit de bekwaamheid van de bemanningsleden en hun aantal blijkt, aan boord aanwezig zijn. Bovendien bevindt zich een persoon aan boord die houder is van het kwalificatiecertificaat schipper dat geldig is voor het te bevaren riviergedeelte. Na een vaartijd van ten hoogste 14 uur per periode van 24 uur wordt deze houder van het kwalificatiecertificaat schipper door een andere houder van het kwalificatiecertificaat schipper vervangen.
In het logboek worden de volgende aantekeningen gemaakt:
- a). de naam van de houders van het kwalificatiecertificaat schipper die zich aan boord bevinden, alsmede het begin en einde van hun diensttijd;
- b). begin, onderbreking, voortzetting en einde van de vaart met vermelding van de volgende gegevens: datum, tijdstip en plaats met aanduiding van de kilometerraai.
Artikel 19.08. Minimumbemanning voor kanaalspitsen
De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op kanaalspitsen. Desalniettemin bestaat de bemanning ten minste uit:
- –. een schipper die houder is van een patent als bedoeld in dit reglement;
- –. een persoon die ten minste 16 jaar oud is en die in staat is te helpen bij het manoeuvreren met het schip.
Artikel 19.09. Minimumbemanning voor pleziervaartuigen
De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op pleziervaartuigen.
Desalniettemin moet de bemanning ten minste bestaan uit:
- –. een schipper die houder is van een patent als bedoeld in dit reglement;
- –. een persoon die in staat is te helpen bij het manoeuvreren met het schip.
Artikel 19.10. Uitzondering
Voor de vaart beneden het Spijksche Veer (km 857,40) kan, voor zover de Duits-Nederlandse grens tijdens de vaart noch in de ene, noch in de andere richting wordt overschreden, worden volstaan met de toepassing van de voorschriften van de Nederlandse ‘Binnenvaartwet’ (Staatsblad 2007, Nummer 498).
Deel IV. Overgangsbepalingen
Hoofdstuk 20. Overgangsbepalingen
Artikel 20.01. Geldigheid van het dienstboekje
-
- Dienstboekjes die werden afgegeven overeenkomstig de voorschriften die van toepassing waren tot aan de inwerkingtreding van dit reglement dan wel waarvan de geldigheid verlengd werd, blijven geldig met inachtneming van die voorschriften tot aan het einde van de geldigheidsduur, uiterlijk echter tot en met 17 januari 2032. De eerste zin geldt ook voor door de CCR als gelijkwaardig erkende dienstboekjes.
-
- De houder van een dienstboekje als bedoeld in het eerste lid kan voor 18 januari 2032 een nieuw dienstboekje met de bestaande kwalificaties aanvragen dat zal worden afgegeven op grond van het onderhavige reglement. Voor de afgifte van dit dienstboekje gelden de bepalingen van artikel 5.01 van dit reglement. Indien de aanvrager ouder is dan 60 jaar, moet hij bovendien zijn medische geschiktheid aantonen zoals bedoeld in artikel 4.02. Zijn medische verklaring mag niet ouder zijn dan drie maanden. Indien de houder een nieuwe beroepskwalificatie wil toevoegen of de vervanging van een document wordt aangevraagd overeenkomstig artikel 3.03 van dit reglement, geeft de bevoegde autoriteit een nieuw dienstboekje af overeenkomstig de ES-QIN (Deel V, hoofdstuk 2).
-
- De houder van een dienstboekje als bedoeld in het eerste lid, kan vóór 18 januari 2032 een nieuw dienstboekje met een kwalificatiecertificaat waarvoor de eisen hoger zijn, aanvragen, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan: De vaarervaring moet worden aangetoond door middel van een dienstboekje, logboek of ander bewijsmateriaal. Deze minimumduur van de vaartijd, zoals bepaald in dit lid, onder a, b en c, kan met ten hoogste 360 dagen vaartijd worden verminderd wanneer de aanvrager een opleidingsprogramma heeft gevolgd dat is vermeld onder nr. 1 of nr. 3 van deel II van de lijsten en overzichten voor de implementatie van het RSP.
- a. voor een kwalificatiecertificaat voor een matroos: 540 dagen vaartijd inclusief ten minste 180 dagen in de binnenvaart;
- b. voor een kwalificatiecertificaat voor een volmatroos: 900 dagen vaartijd inclusief ten minste 540 dagen in de binnenvaart;
- c. voor een kwalificatiecertificaat voor een stuurman: 1.080 dagen vaartijd inclusief ten minste 720 dagen in de binnenvaart.
-
- Het dienstboekje kan bij elke bevoegde autoriteit van een lidstaat van de CCR worden aangevraagd, zoals voorzien in het tweede en derde lid. De bevoegde autoriteit geeft het dienstboekje af op grond van het onderhavige reglement wanneer de aanvrager zijn oude dienstboekje zoals bedoeld in het eerste lid en een kopie van zijn identiteitsbewijs heeft overgelegd. Indien de aanvrager ouder is dan 60 jaar, moet hij bovendien zijn medische geschiktheid aantonen zoals bedoeld in artikel 4.02. Zijn medische verklaring mag niet ouder zijn dan drie maanden.
Artikel 20.02. Geldigheid van het vaartijdenboek
-
- Vaartijdenboeken die werden afgegeven overeenkomstig de voorschriften die van toepassing waren tot aan de inwerkingtreding van dit reglement dan wel waarvan de geldigheid verlengd werd, blijven geldig met inachtneming van die voorschriften tot aan het einde van de geldigheidsduur, uiterlijk echter tot en met 17 januari 2032. De eerste zin geldt ook voor door de CCR als gelijkwaardig erkende vaartijdenboeken.
-
- Een vaartijdenboek als bedoeld in het eerste lid kan voor 18 januari 2032 voor een vaartijdenboek overeenkomstig dit reglement worden ingewisseld.
Artikel 20.03. Geldigheid van reeds afgegeven Rijnpatenten
-
- Een groot of klein Rijnpatent dat is afgegeven overeenkomstig de voorschriften die van toepassing waren tot aan de inwerkingtreding van dit reglement dan wel waarvan de geldigheid verlengd werd, blijft geldig met inachtneming van die voorschriften tot het einde van de geldigheidsduur, uiterlijk echter tot en met 17 januari 2032.
-
- De in het eerste lid genoemde Rijnpatenten kunnen voor het einde van de in dit lid genoemde geldigheidsduur op grond van dit reglement worden ingewisseld. Om een klein Rijnpatent in te kunnen ruilen moet de houder aantonen dat hij na verkrijging van dit kleine Rijnpatent op zijn minst een jaar gevaren heeft. Het dienstboekje kan bij elke bevoegde autoriteit van een lidstaat van de CCR worden ingewisseld. De bevoegde autoriteit geeft een Rijnpatent af op grond van het onderhavige reglement, wanneer de aanvrager zijn oude Rijnpatent zoals bedoeld in het eerste lid en een kopie van zijn identiteitsbewijs heeft voorgelegd. Indien de aanvrager ouder is dan 60 jaar, moet hij bovendien zijn medische geschiktheid aantonen zoals bedoeld in artikel 4.02. Zijn medisch verklaring mag niet ouder zijn dan drie maanden.
-
- De op de Rijn door de CCR als gelijkwaardig erkende vaarbewijzen voor schipper blijven geldig tot aan het einde van de geldigheidsduur, uiterlijk echter tot en met 17 januari 2032. Deze vaarbewijzen kunnen volgens de in het tweede lid genoemde procedure bij een bevoegde autoriteit tegen een Rijnpatent worden ingewisseld.
Artikel 20.04. Geldigheid van de overheids- en sportpatenten
De overheids- en sportpatenten die geldig zijn op grond van de voorschriften die van toepassing waren tot aan de inwerkingtreding van dit reglement blijven zonder wijziging geldig.
Artikel 20.05. Geldigheid van reeds bestaande kennis van riviergedeelten
De houder van een groot of klein Rijnpatent, een overheids- of sportpatent dat werd afgegeven overeenkomstig de voorschriften die van toepassing waren tot aan de inwerkingtreding van dit reglement dan wel waarvan de geldigheid verlengd werd en die voor de in bijlage 5 van dit reglement genoemde riviergedeelten met succes het examen afgelegd heeft dat in dit reglement voorgeschreven is, mag met inachtneming van die voorschriften de riviergedeelten waarvoor het genoemde examen voor het bewijs van kennis van riviergedeelten werd afgelegd, blijven bevaren.
Artikel 20.06. Geldigheid van een reeds bestaand bewijs van kennis van riviergedeelten
-
- Indien de houder van een op de Rijn als gelijkwaardig erkend vaarbewijs voor schipper een bewijs van kennis van riviergedeelten heeft voor de in bijlage 5 van dit reglement genoemde riviergedeelten, mag hij de desbetreffende riviergedeelten blijven bevaren tot en met 17 januari 2032.
-
- Het bewijs van kennis van riviergedeelten zoals bedoeld in het eerste lid toont aan dat de houder beschikt over de specifieke vergunning voor het bevaren van de dienovereenkomstige binnenwateren met specifieke risico’s zoals bepaald in artikel 13.03.
Artikel 20.07. Geldigheid van de specifieke vergunning voor binnenwateren van maritieme aard
-
- Met een groot of klein Rijnpatent zoals bedoeld in artikel 20.03, eerste lid, mag tot aan het einde van de geldigheidsduur, uiterlijk echter tot en met 17 januari 2032, gevaren worden op binnenwateren van maritieme aard zoals bedoeld in artikel 13.04.
-
- Als het groot of klein Rijnpatent zoals bedoeld in artikel 20.03 wordt ingewisseld, wordt het nieuwe Rijnpatent meteen afgegeven met de specifieke vergunning voor het bevaren van binnenwateren van maritieme aard zoals bedoeld in artikel 13.04.
Artikel 20.08. Geldigheid van kwalificatiecertificaten krachtens de STCW-Overeenkomst
Bemanningsleden van zeeschepen die op de Rijn varen, kunnen hun kwalificatie bewijzen door middel van een in overeenstemming met de STCW-Overeenkomst afgegeven of erkend kwalificatiecertificaat. Dit geldt voor schippers slechts tot 17 januari 2038 en op voorwaarde dat de binnenvaartactiviteit wordt uitgevoerd bij het begin of aan het eind van een reis in het kader van zeevervoer.
Artikel 20.09. Geldigheid van het radarpatent
-
- Radarpatenten die zijn afgegeven overeenkomstig de voorschriften die van toepassing waren tot aan de inwerkingtreding van dit reglement of waarvan de geldigheid verlengd werd, blijven met inachtneming van die voorschriften geldig voor het varen met behulp van radar op de Rijn tot aan het einde van de geldigheidsduur.
-
- Met het omruilen van een groot of klein Rijnpatent zoals bedoeld in artikel 20.03 wordt het nieuwe Rijnpatent meteen afgegeven met de specifieke vergunning om met behulp van radar te mogen varen zoals bedoeld in artikel 13.02.
-
- De houder van een op de Rijn als gelijkwaardig erkend radarpatent mag blijven varen met behulp van radar tot en met 17 januari 2032.
Artikel 20.10. Geldigheid van de kwalificatie van deskundige voor de passagiersvaart of LNG-deskundige
-
- De verklaringen deskundige voor de passagiersvaart en de verklaringen van deskundigheid aangaande het gebruik van vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof die door de bevoegde instanties overeenkomstig de voorschriften die van toepassing waren tot aan de inwerkingtreding van dit reglement werden afgegeven of waarvan de geldigheid verlengd werd, blijven geldig met inachtneming van die voorschriften tot aan het einde van hun huidige geldigheidsduur.
-
- Houders van de in het eerste lid genoemde verklaringen kunnen voor het einde van de geldigheidsduur van de verklaring bij de bevoegde autoriteiten een aanvraag indienen voor de afgifte van een nieuw kwalificatiecertificaat overeenkomstig artikel 15.06 of artikel 16.10. De bevoegde autoriteit geeft het aangevraagde kwalificatiecertificaat af wanneer de aanvrager zijn oude verklaring zoals bedoeld in het eerste lid en een kopie van zijn identiteitsbewijs, alsmede de in artikel 15.06 of de in artikel 16.10 vereiste bewijzen heeft voorgelegd.
Artikel 20.11. Erkenning van vaartijd
Er kan rekening worden gehouden met de volbrachte vaartijd die op grond van het onderhavige reglement vereist is, wanneer deze vaartijd werd volbracht overeenkomstig de voorschriften die van toepassing waren tot aan de inwerkingtreding van dit reglement werd volbracht.
Bijlage 1. Medische verklaring ter vaststelling van de medische geschiktheid voor de binnenvaart (Model)
| Naam, voornaam (evt. geboortenaam) van de onderzochte persoon | Naam, voornaam (evt. geboortenaam) van de onderzochte persoon |
|---|---|
| Geboortedatum en -plaats | Getoond legitimatiebewijs |
| Naam en voornaam van de keuringsarts | Naam en voornaam van de keuringsarts |
| --- | --- |
| Adres | Telefonisch te bereiken onder |
De lichamelijke en geestelijke geschiktheid van de bovengenoemde persoon werd onderzocht overeenkomstig de ES-QIN-standaarden inzake de medische geschiktheid (algemene medische geschiktheid, gezichtsvermogen, gehoorvermogen). De resultaten daarvan zijn de volgende:
- □. Permanent ongeschikt
- □. Tijdelijk ongeschikt, naar verwachting tot ...............
- □. Geschikt zonder beperkingen
- □. Geschiktheid beperkt tot ...............10Is uitsluitend van toepassing indien dit in de ES-QIN-standaarden inzake de medische geschiktheid bij de desbetreffende aandoening uitdrukkelijk voorzien is.
- □. Geschikt met een of meer van de volgende beperkingen (code overeenkomstig de ES-QIN)
- □. 01 Optische correctie (bril en/of contactlenzen) vereist
- □. 02 Gehoorapparaat vereist
- □. 03 Ledemaatprothese vereist
- □. 04 Alleen werken in het stuurhuis niet toegestaan
- □. 05 Alleen bij daglicht
- □. 06 Geen navigatietaken toegestaan
- □. 07 Beperkt tot het volgende vaartuig: ...............
- □. 08 Beperkt tot het volgende vaargebied: ...............
- □. 09 Beperkt tot de volgende taak: ...............
- □. Geschikt op voorwaarde dat het vaarbewijs overeenkomstig Richtlijn 96/50/EG is afgegeven vóór 1 april 2004
Stempel
..............................
Datum en handtekening van de arts
Bijlage 2. examenprogramma ter verkrijging van een sportpatent en een overheidspatent
Opmerking vooraf:
Soorten patent(kolom 4 tot en met 6)
A – Sportpatent
B – Overheidspatent
Vereiste kennis(kolom 3)
1 – Gedetailleerde kennis
2 – Basiskennis
| 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 5 |
|---|---|---|---|---|---|
| nr. | Examenstof | A | B | B | |
| 1. | Kennis van de reglementen, gidsen en handboeken | ||||
| 1.1 | Rijnvaartpolitiereglement (inclusief de tijdelijke wijzigingen) | ||||
| Hoofdstuk 1 tot en met 7, 15 | 1 | x | x | x | |
| Hoofdstuk 8: | 1 | ||||
| Hoofdstuk 9, 10, 12, 14 (voor de betreffende riviergedeelten) | 1 | x | x | x | |
| Hoofdstuk 11: | 1 | ||||
| Bijlagen | |||||
| 3. Optische tekens van schepen | 1 | x | x | x | |
| 6. Geluidsseinen | 1 | x | x | x | |
| 7. Verkeerstekens | 1 | x | x | x | |
| 8. Verkeerstekens ter markering van de vaarweg | 1 | x | x | x | |
| 10. Olie-afgifteboekje | 1 | x | x | x | |
| Gidsen/Handboeken | |||||
| Marifonie in de binnenvaart | 2 | x | x | x | |
| Afvalverwijdering | 2 | x | x | x | |
| 1.2 | Verkeersvoorschriften voor zeescheepvaartwegen | 1 | x | ||
| (optische tekens van schepen, geluidsseinen, verkeerstekens, navigatiehulpmiddelen en betonningssystemen, vaarregels) | |||||
| 1.3 | Reglement Onderzoek Schepen op de Rijn en Europese Standaard voor technische voorschriften voor binnenschepen | ||||
| Opzet en inhoud | 2 | x | x | x | |
| Inhoud van binnenschipcertificaat | 2 | x | x | x | |
| 1.4 | Bemanningsvoorschriften, Deel III van het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn | 1 | x | x | |
| 1.5 | ADN | ||||
| Opzet | 2 | x | x | ||
| Documenten/instructies | 2 | x | x | ||
| Kennis van de voorgeschreven blauwe kegels/lichten | 1 | x | x | ||
| Opzoeken van operationele voorschriften | 2 | x | x | ||
| 1.6 | Bepalingen betreffende de Patenten: Delen II en III van het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn | ||||
| Soorten patent en specifieke vergunningen | 2 | x | x | x | |
| Criteria voor de intrekking van een patent en de opschorting van de geldigheid | 1 | x | x | x | |
| 1.7 | Voorkoming van ongevallen | 2 | x | x | x |
| 2. | Nautische kennis | ||||
| 2.1 | Rijn en nevenwateren | 2 | x | x | x |
| (belangrijkste geografische, hydrologische, meteorologische en morfologische kenmerken) | |||||
| 2.2 | Kennis van de gewenste riviergedeelten van de Rijn | ||||
| Beschrijving van de vaarweg in de op- en afvaart | 1 | x | x | x | |
| Afmetingen van de vaarweg | 1 | x | x | x | |
| 2.3 | Navigatie op zeescheepvaartwegen | 2 | x | ||
| (koersbepaling, peilingen en plaatsbepaling, het gebruik van zeekaarten, procedures voor het controleren van het kompas, basiskennis inzake getijdewerking) | |||||
| 3. | Praktijkkennis | ||||
| (Nautische zaken, scheepvaarttechnische zaken, praktische vaardigheden) | |||||
| 3.1 | Voeren van het schip | ||||
| Praktijk van het sturen, manoeuvreereigenschappen | 2 | x | x | x | |
| Functie van de stuurinrichtingen en de aandrijving | 2 | x | x | x | |
| Invloed van stromingen, wind en zuiging | 2 | x | x | x | |
| Drijfvermogen, stabiliteit en toepassing daarvan in de praktijk | 2 | x | x | x | |
| Ankeren en meren | 2 | x | x | x | |
| 3.2 | Motorenkennis | ||||
| Bouw, werking van de motoren, functie van de elektrische inrichtingen | 2 | x | x | x | |
| Bediening, bedrijfscontrole | 2 | x | x | x | |
| Maatregelen bij bedrijfsstoringen | 2 | x | x | x | |
| 3.3 | Laden en lossen | ||||
| Bepalen van het gewicht van de lading aan de hand van de meetbrief | 2 | ||||
| Gebruik van de diepgangsschaal | 2 | ||||
| Stuwen van de lading | 2 | x | x | ||
| 3.4 | Handelen onder bijzondere omstandigheden | ||||
| Maatregelen bij schade, eerste hulp, stoppen van lekkage | 2 | x | x | x | |
| Bediening van reddingsmiddelen | 2 | x | x | x | |
| Bijzonderheden bij averij op zeescheepvaartwegen | 2 | x | |||
| Behandeling van afval en voorkomen van verontreiniging van de waterwegen | 2 | x | x | x | |
| Informeren van de bevoegde autoriteiten | 2 | x | x | x | |
| Brandbestrijding | 2 | x | x | x |
Bijlage 4. Overheidspatent
De lijst van de overheidspatenten van de Rijnoeverstaten en België, alsmede de modellen staan op de website van de CCR: www.ccr-zkr.org.
I. De Rijn van kmr 335,92 (sluis Iffezheim) tot kmr 352,07 (Duits-Franse grens)
II. De Rijn vanaf kmr 352,07 (Duits-Franse grens) tot kmr 425,00 (Mannheim)
III. De Rijn van kmr 425,00 (Mannheim) tot kmr 498 (Mainz, Mainspitze)
IV. De Rijn van kmr 498,00 (Mainz, Mainspitze) tot kmr 592,00 (Koblenz, monding van de Moezel)
Bijlage 6. Verklaring eerstehulpverlener in de passagiersvaart (Model)
Bijlage 7. Verklaring persluchtmaskerdrager in de passagiersvaart (Model)
Bijlage 8. Verklaring voor het aantonen van de vereiste rusttijd, bedoeld in artikel 18.03, tweede tot en met zesde lid (Model)
(geldt alleen tezamen met het dienstboekje,
respectievelijk met het kwalificatiecertificaat schipper zoals bedoeld in artikel 11.01, eerste lid, respectievelijk het voorlopig Rijnpatent zoals bedoeld in artikel 12.08 Rsp)
Naam en voornaam:
Nummer van het dienstboekje, respectievelijk van het kwalificatiecertificaat schipper:
| Nam van het schip, uniek Europees scheepsidentificatienummer (ENI) | Einde van de reis Datum | Einde van de reis Tijdstip | Exploitatiewijze voor het einde van de reis | Laatste rusttijd voor het einde van de reis | Laatste rusttijd voor het einde van de reis | Handtekening van de schipper |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Begin | Einde | |||||
| E | E1 | E2 | E3 | E4 | ||
| 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 |
-
- De verklaring moet bij elke wisseling van schip door de schipper van het schip waarop de laatste reis van het bemanningslid heeft plaatsgevonden, worden ingevuld.
-
- De verklaring moet aan de schipper van het schip waarop de nieuwe reis wordt aangevangen, worden overgelegd.
-
- De gegevens in de verklaring moeten met de gegevens in het dienstboekje en het vaartijdenboek van het schip waarop de laatste reis van het bemanningslid heeft plaatsgevonden, overeenstemmen.