Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn (RSP)
Deel I. Algemene bepalingen
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen voor de delen I, II en III
Artikel 1.01. Toepassingsgebied
Dit reglement is van toepassing op
- a). schepen met een lengte van 20 m of meer;
- b). schepen waarvan het product van L. B. T gelijk is aan een inhoud van 100 m3 of meer;
- c). sleep- en duwboten die ervoor zijn ingericht, vaartuigen als bedoeld in de onderdelen a, b of f te slepen, te duwen of langszij vastgemaakt mee te voeren;
- d). schepen die een toelatingscertificaat als bedoeld in het ADN-Reglement bezitten;
- e). passagiersschepen;
- f). drijvende werktuigen
tenzij in dit reglement anders is bepaald.
Artikel 1.02. Begripsbepalingen
In dit reglement wordt verstaan onder:
-
- ‘vaartuig’: een binnenschip, een zeeschip of een drijvend werktuig;
-
- ‘binnenschip’: een schip dat uitsluitend of overwegend voor de vaart op binnenwateren bestemd is;
-
- ‘zeeschip’: een schip dat voor de zee- of kustvaart is toegelaten en overwegend daartoe bestemd is;
-
- ‘motorschip’: een schip dat voor het vervoer van goederen bestemd is en door middel van zijn eigen mechanische middelen tot voortbeweging zelfstandig kan varen;
-
- ‘veerpont’: een schip dat een veerdienst onderhoudt waarbij de vaarweg wordt overgestoken en door de bevoegde autoriteit als veerpont wordt aangemerkt;
-
- ‘overheidsvaartuig’: een schip dat ter uitvoering van overheidstaken wordt ingezet;
-
- ‘brandweerboot’: een schip dat ter uitvoering van hulpverlening wordt ingezet;
-
- ‘sleepboot’: een schip dat speciaal gebouwd is om te slepen;
-
- ‘duwboot’: een schip dat speciaal gebouwd is voor het voortbewegen van een duwstel;
-
- ‘sleepschip’: een schip dat bestemd is voor het vervoer van goederen en is gebouwd om te worden gesleept, met of zonder eigen mechanische middelen tot voortbeweging waardoor slechts verplaatsingen over kleine afstanden mogelijk zijn;
-
- ‘duwbak’: een schip dat is bestemd voor het vervoer van goederen en gebouwd of in het bijzonder geschikt is om te worden geduwd, met of zonder eigen mechanische middelen tot voortbeweging, waardoor slechts verplaatsingen over kleine afstanden mogelijk zijn, wanneer het geen deel uitmaakt van een duwstel;
-
- ‘passagiersschip’: een schip dat is gebouwd en ingericht voor het vervoer van meer dan 12 passagiers;
-
- ‘schip voor dagtochten’: een passagiersschip zonder hutten voor overnachting van passagiers;
-
- ‘hotelschip’: een passagiersschip met hutten voor overnachting van passagiers;
-
- ‘drijvend werktuig’: een drijvend bouwsel waarop zich werkinstallaties bevinden zoals kranen, baggermolens, hei-installaties, elevatoren;
-
- ‘pleziervaartuig’: een vaartuig dat bestemd is en aantoonbaar gebruikt wordt voor sportieve of recreatieve doeleinden en waarvan de personen aan boord voor sportieve of recreatieve doeleinden varen;
-
- ‘samenstel’: een hecht samenstel of een sleep;
-
- ‘hecht samenstel’ : een duwstel of een gekoppeld samenstel;
-
- ‘duwstel’: een hecht samenstel van vaartuigen, waarvan er ten minste één geplaatst is vóór het schip of de twee schepen met motoraandrijving die dienen voor het voortbewegen van het samenstel en worden aangeduid als ‘duwboot’ of ‘duwboten’. Hieronder wordt ook een duwstel verstaan dat is samengesteld uit een duwend en een geduwd vaartuig waarvan de koppelingen een beheerst knikken mogelijk maken;
-
- ‘gekoppeld samenstel’: een hecht samenstel van langszij aan elkaar vastgemaakte schepen die geen van beide vóór het motorschip geplaatst zijn dat voor het voortbewegen van het samenstel dient;
-
- ‘sleep’: een samenstel van één of meer vaartuigen, drijvende inrichtingen of drijvend materieel dat wordt gesleept door één of meer tot het samenstel behorende vaartuigen met motoraandrijving;
-
- ‘groot konvooi’: een duwstel waarbij het product van de totale lengte en totale breedte van de geduwde vaartuigen 7.000 m2 of meer bedraagt;
-
- ‘lengte of L’: de grootste lengte van de scheepsromp in meters, gemeten zonder roer en boegspriet;
-
- ‘breedte of B’: de grootste breedte van de scheepsromp in meters, gemeten op de buitenkant van de huidbeplating (zonder schoepraderen, schuurlijsten en dergelijke);
-
- ‘diepgang of T’: de verticale afstand in meters van het laagste punt van de scheepsromp zonder rekening te houden met de kiel of andere vaste onderdelen tot het vlak van de grootste inzinking van de scheepsromp;
-
- ‘schipper’: een dekbemanningslid dat gekwalificeerd is om een vaartuig op de binnenwateren te besturen en om aan boord de algemene verantwoordelijkheid te dragen, ook voor de bemanning, de passagiers en de lading;
-
- ‘bemanning’: de dekbemanning en het machinekamerpersoneel;
-
- ‘dekbemanning’: de bemanning zonder het machinekamerpersoneel;
-
- ‘dekbemanningsleden’: personen die betrokken zijn bij de algemene bediening van een vaartuig dat de binnenwateren bevaart en die verschillende taken uitvoeren, zoals taken in verband met het besturen van een vaartuig, de beheersing van het vaartuig, ladingsbehandeling, stouwen, het vervoer van passagiers, scheepswerktuigbouwkundige aspecten, onderhoud en reparatie, communicatie, gezondheid, veiligheid en milieubescherming, niet zijnde personen die uitsluitend worden ingezet voor de bediening van de motoren, kranen, of elektrische en elektronische uitrusting;
-
- ‘minimumbemanning’: de voorgeschreven minimumbemanning overeenkomstig hoofdstuk 19 van dit reglement;
-
- ‘boordpersoneel’: alle aan boord van een passagiersschip werkende personen die niet tot de bemanning behoren;
-
- ‘veiligheidspersoneel’: het veiligheidspersoneel zoals voorgeschreven door het ADN-Reglement, de deskundige op het gebied van vloeibaar aardgas (LNG), de deskundige voor de passagiersscheepvaart, de eerstehulpverlener alsmede de persluchtmaskerdrager;
-
- ‘deskundige op het gebied van vloeibaar aardgas’: een persoon die gekwalificeerd is om actief te zijn bij de bunkeringsprocedure van schepen die op vloeibaar aardgas varen of om als schipper een dergelijk vaartuig te besturen;
-
- ‘deskundige voor de passagiersvaart’: een persoon die dienst doet aan boord van het schip en bevoegd is om aan boord van passagiersschepen maatregelen te nemen in noodsituaties;
-
- ‘passagier’: iedere persoon aan boord die niet tot de bemanning of tot het boordpersoneel behoort;
-
- ‘vaartijd’: de tijd; uitgedrukt in dagen, die dekbemanningsleden aan boord hebben doorgebracht tijdens een reis met een vaartuig op binnenwateren, met inbegrip van laad- en losactiviteiten die actieve scheepvaartoperaties vereisen;
-
- ‘radarvaart’: de vaart bij slecht zicht op radar;
-
- ‘specifiek risico’: een veiligheidsrisico als gevolg van bijzondere navigatie-omstandigheden waarvoor schippers competenties moeten hebben die verder gaan dan wat in het kader van de algemene normen voor managementcompetenties wordt verwacht;
-
- ‘kwalificatiecertificaat’: een krachtens dit reglement afgegeven certificaat;
-
- ‘kwalificatiecertificaat van de Unie’: een certificaat dat afgegeven is door een daarvoor aangewezen autoriteit van een lidstaat van de Europese Unie of door een derde land waarvan de certificaten door de Europese Commissie als geldig erkend zijn en waarmee wordt aangetoond dat een persoon aan de voorschriften van Richtlijn (EU) 2017/2397 voldoet;
-
- ‘marifoonbedieningscertificaat’: een nationaal certificaat dat is afgegeven in overeenstemming met het radioreglement dat is gehecht aan het Internationaal Verdrag betreffende de telecommunicatie, waarbij machtiging wordt verleend voor de exploitatie van een radiocommunicatiestation op een vaartuig voor de binnenwaterwegen;
-
- ‘Rijnpatent’: een kwalificatiecertificaat overeenkomstig artikel 12.01 van dit reglement voor het voeren van een vaartuig;
-
- ‘dienstboekje’: een persoonlijk register waarin de gegevens met betrekking tot het arbeidsverleden van een bemanningslid staan genoteerd, met name de vaartijden en de gemaakte reizen;
-
- ‘vaartijdenboek’: een officiële registratie van de reizen die een vaartuig en zijn bemanning hebben gemaakt;
-
- ‘actief dienstboekje’ of ‘actief vaartijdenboek’: een dienstboekje of vaartijdenboek waarin gegevens kunnen worden geregistreerd;
-
- ‘competentie’: het bewezen vermogen om gebruik te maken van de door de vastgestelde normen voorgeschreven kennis en vaardigheden om de taken die nodig zijn voor het besturen van binnenvaartuigen goed uit te voeren;
-
- ‘managementniveau’: de mate van verantwoordelijkheid die samenhangt met het werk als schipper en waarborgt dat alle andere dekbemanningsleden alle taken bij de bediening van een vaartuig goed uitvoeren;
-
- ‘operationeel niveau’: de mate van verantwoordelijkheid die samenhangt met het werk als matroos, als volmatroos of als stuurman en het onder controle houden van de uitvoering van alle taken binnen het kader van diens verantwoordelijkheid, overeenkomstig passende procedures en onder leiding van een persoon die op managementniveau werkzaam is;
-
- ‘binnenwater’: een waterweg niet zijnde de zee die bevaarbaar is voor de in artikel 1.01 bedoelde vaartuigen;
-
- ‘ADN-Reglement’: het bij het Europees Verdrag over het internationale Vervoer van gevaarlijke Stoffen over Binnenwateren (ADN) gevoegde Reglement in de versie die van kracht is;
-
- ‘binnenschipcertificaat’: het certificaat van onderzoek voor Rijnschepen of het Uniecertificaat voor binnenschepen overeenkomstig artikel 1.04 van het Reglement Onderzoek Schepen op de Rijn (ROSR);
-
- ‘Commissie van Deskundigen’: de nationale autoriteit die bevoegd is voor de afgifte van het certificaat van onderzoek en waarvan de samenstelling is vastgesteld in artikel 2.01 van het ROSR;
-
- ‘bevoegde autoriteit’: de nationale autoriteit van een Rijnoeverstaat of van België die is aangewezen om taken in overeenstemming met dit reglement uit te voeren;
-
- ‘autoriteit van afgifte’: de bevoegde autoriteit van een staat die het betreffende certificaat heeft afgegeven;
-
- ‘vloeibaar aardgas (LNG)’: aardgas dat vloeibaar is gemaakt door afkoeling tot een temperatuur van -161 °C;
-
- ‘ES-TRIN’: ES-TRIN als bedoeld in artikel 1.1 van de Binnenvaartregeling. Bij de toepassing van de ES-TRIN moet onder lidstaat een Rijnoeverstaat of België worden verstaan;
-
- ‘ES-QIN’: de Europese Standaard voor kwalificaties in de binnenvaart, editie 2024/18Europese standaard voor kwalificaties in de binnenvaart (ES-QIN), editie 2024/1, aangenomen door het Europees Comité voor de opstelling van standaarden voor de binnenvaart (CESNI) bij Besluit 2024-I-1 van 11 april 2024.;
-
- ‘STCW-Overeenkomst’: de overeenkomst van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst (1978), in de versie die van kracht is, met inbegrip van de overgangsbepalingen van artikel VII en regeling 1/15 van de Overeenkomst, alsook de in het desbetreffende geval toepasselijke bepalingen van de STCW-Code, die van kracht is.
Artikel 1.03. Voorschriften van tijdelijke aard van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart
-
- De Centrale Commissie voor de Rijnvaart kan voorschriften van tijdelijke aard vaststellen met een geldigheidsduur van ten hoogste drie jaren, wanneer het noodzakelijk wordt geacht om
- a). in dringende gevallen afwijkingen van dit reglement toe te laten dan wel
- b). proefnemingen mogelijk te maken, waarbij de veiligheid en de vlotte afwikkeling van het scheepvaartverkeer niet worden aangetast.
-
- Afwijkende voorschriften moeten verenigbaar zijn met de bepalingen van Richtlijn (EU) 2017/2397 en de op grond van deze richtlijn uitgevaardigde rechtshandelingen van de Europese Unie.
Deel II. Bemanningsvoorschriften
Hoofdstuk 2. Algemene bepalingen voor deel II
Artikel 2.01. Opname in een digitaal register
-
- Elk door een bevoegde autoriteit afgegeven kwalificatiecertificaat, dienstboekje en vaartijdenboek wordt samen met de daarin vermelde gegevens opgenomen in het door die autoriteit overeenkomstig artikel 25 van Richtlijn (EU) 2017/2397 bij te houden nationale register.
-
- De nationale registers van de bevoegde autoriteiten worden gekoppeld aan de gegevensbank die overeenkomstig artikel 25 van Richtlijn (EU) 2017/2397 door de Commissie van de Europese Unie wordt beheerd, overeenkomstig de bepalingen van de Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/4739Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/473 van de Commissie van 20 januari 2020 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2017/2397 van het Europees parlement en de Raad met betrekking tot de normen voor gegevensbanken voor EU-kwalificatiecertificaten, dienstboekjes en logboeken, PB L 100 van 1.4.2020, p.1.
Artikel 2.02. Algemeen
-
- De bemanning en het veiligheidspersoneel die zich overeenkomstig het Rijnvaartpolitiereglement aan boord moeten bevinden van schepen die de Rijn bevaren, dienen in overeenstemming te zijn met de voorschriften van dit reglement. De voor de desbetreffende exploitatiewijze en vaartijd voorgeschreven bemanning en veiligheidspersoneel moeten zich tijdens de vaart voortdurend aan boord bevinden. Het is niet toegestaan zonder de voorgeschreven bemanning of zonder het veiligheidspersoneel te vertrekken. Schepen waarvan door onvoorziene omstandigheden (bijvoorbeeld ziekte, ongeval, bevel van een bevoegde autoriteit) tijdens de vaart ten hoogste één lid van de voorgeschreven bemanning uitvalt, mogen niettemin hun reis voortzetten tot de eerstvolgende geschikte aanlegplaats in de richting waarin gevaren wordt – passagiersschepen tot het eindpunt van de reis van die dag – indien zich aan boord naast een persoon die houder is van een patent voor het desbetreffende riviergedeelte, nog een lid van de voorgeschreven bemanning bevindt. De persoon die belast is met het toezicht op en de verzorging van zich aan boord bevindende kinderen onder de zes jaar, mag geen lid van de minimumbemanning zijn, tenzij er maatregelen zijn getroffen om de veiligheid van de kinderen ook zonder voortdurend toezicht te waarborgen.
-
- Elke Rijnoeverstaat of België kan bepalen dat de nationale voorschriften betreffende de arbeidsbescherming van toepassing zijn op de Rijnschepen die in die staat zijn ingeschreven. Niet in een register ingeschreven schepen vallen onder de wettelijke voorschriften van die Rijnoeverstaat of België waarin het bedrijf zijn hoofdzetel of de eigenaar zijn wettelijke domicilie heeft. In afwijking hiervan kunnen de bevoegde autoriteiten van de Rijnoeverstaten of België bilateraal overeenkomen dat bepaalde schepen die in de ene staat zijn ingeschreven, onder de voorschriften van de andere staat vallen. Zwangere vrouwen en kraamvrouwen mogen gedurende ten minste 14 weken, waarvan ten minste zes weken voor en zeven weken na de bevalling geen deel uitmaken van de bemanning.
-
- Voor de toepassing van de artikelen 3.10, 3.11 en 3.13 dient tevens rekening te worden gehouden met vaar- en rusttijden diebuiten het toepassingsgebied van dit reglement vervuld zijn.
Hoofdstuk 3. Voorschriften voor alle typen schepen
Paragraaf 1. : Bepalingen betreffende de bekwaamheden van de bemanningsleden
Artikel 3.01. Beschrijving van de functies
-
- Leden van de dekbemanning zijn de deksman, de lichtmatroos, de matroos, de volmatroos, de stuurman en de schipper. Het machinekamerpersoneel bestaat uit de machinist.
-
- Andere functies zijn de deskundige voor de passagiersvaart, de deskundige op gebied van vloeibaar aardgas (LNG), de eerstehulpverlener, de persluchtmaskerdrager en het veiligheidspersoneel aan boord van schepen die gevaarlijke goederen vervoeren.
Subparagraaf 1. : Voorwaarden voor het verkrijgen van de bekwaamheid
Artikel 3.02. Geldigheid van bemanningsdocumenten
-
- Op de Rijn zijn de kwalificatiecertificaten van de Unie, evenals de dienstboekjes en vaartijdenboeken geldig die krachtens Richtlijn (EU) 2017/2397 zijn afgegeven, alsmede de kwalificatiecertificaten, dienstboekjes en vaartijdenboeken die zijn afgegeven krachtens dit reglement, waarin eisen zijn vastgelegd die identiek zijn aan die van de bovengenoemde richtlijn. De kwalificatie voor een functie aan boord moet te allen tijde aangetoond kunnen worden Afwijkend van de onderdelen b en c kunnen bemanningsleden van zeeschepen die op de Rijn varen, met uitzondering van de schipper, hun kwalificatie aantonen door een bewijs dat in overeenstemming met de STCW-Overeenkomst is afgegeven of erkend is.
- a). door de schipper aan de hand van een kwalificatiecertificaat schipper voor het desbetreffende type vaartuig en de desbetreffende scheepsafmetingen of een kwalificatiecertificaat schipper van de Unie, alsmede de eventueel vereiste specifieke vergunningen;
- b). door de overige leden van de bemanning aan de hand van een op hun naam afgegeven dienstboekje dat een kwalificatiebewijs of een kwalificatiecertificaat van de Unie bevat;
- c). door de deskundige voor de passagiersvaart en de LNG-deskundige aan de hand van een kwalificatiecertificaat of een kwalificatiecertificaat van de Unie, alsmede door de eerstehulpverlener, persluchtmaskerdrager en het veiligheidspersoneel aan boord van schepen die gevaarlijke goederen vervoeren, door een certificaat voor de specifieke activiteit.
-
- De houder van een kwalificatiecertificaat schipper mag ook als deksman, matroos, volmatroos of stuurman worden ingezet. De houder van een kwalificatiecertificaat stuurman mag ook als deksman, matroos of volmatroos worden ingezet. De houder van een kwalificatiecertificaat volmatroos mag ook als deksman of matroos worden ingezet. De houder van een kwalificatiecertificaat matroos mag ook als deksman worden ingezet.
-
- Op de Rijn zijn eveneens de kwalificatiecertificaten en verklaringen geldig die zijn afgegeven of die geldig zijn op grond van dit reglement en die niet onder het materiële toepassingsgebied van de Richtlijn (EU) 2017/2397 vallen.
Artikel 3.03. Duplicaat
Indien een kwalificatiecertificaat, dienstboekje of vaartijdenboek onbruikbaar is geworden, verloren is gegaan of om andere reden niet meer voorhanden is, wordt dit door de autoriteit van afgifte in het nationale register geregistreerd. De autoriteit van afgifte verstrekt op verzoek een nieuw kwalificatiecertificaat, dienstboekje of vaartijdenboek. De houder moet bij de autoriteit van afgifte het verlies aannemelijk maken. Een onbruikbaar geworden of een teruggevonden kwalificatiecertificaat, dienstboekje of vaartijdenboek, moet bij de autoriteit van afgifte worden ingeleverd of worden overgelegd om ongeldig te worden gemaakt.
Artikel 3.04. Kosten
Het examen of de afgifte van een kwalificatiecertificaat, dienstboekje of vaartijdenboek, evenals de afgifte van een duplicaat en het omruilen worden gedaan tegen een redelijke vergoeding van de kosten door de aanvrager. De hoogte van de kosten wordt door de lidstaten van de CCR overeenkomstig nationale regelingen vastgesteld.
Subparagraaf 2. : Wijze van aantonen van bekwaamheid
Artikel 3.05. Bewijs van bekwaamheid
-
- De bekwaamheid voor een functie aan boord moet te allen tijde aangetoond kunnen worden
- a). door de schipper aan de hand van een Rijnpatent of een door de CCR als gelijkwaardig erkend vaarbevoegdheidsbewijs voor het desbetreffende scheepstype en de desbetreffende scheepsafmetingen, alsmede het bewijs voor het te bevaren riviergedeelte overeenkomstig artikel 6.02 van dit reglement,
- b). door de overige leden van de bemanning aan de hand van een op hun naam afgegeven geldig dienstboekje, overeenkomstig het model van bijlage A2, of een ander door de CCR als gelijkwaardig erkend, geldig dienstboekje; de lijst van de als gelijkwaardig erkende dienstboekjes is in bijlage A6 van dit reglement opgenomen.
-
- De leden van de bemanning kunnen, met uitzondering van de machinist, hun bekwaamheid ook aantonen door een groot patent of een daarmee overeenstemmend en door de CCR als gelijkwaardig erkend vaarbevoegdheidsbewijs overeenkomstig deel III van dit reglement.
Artikel 3.06. Dienstboekje
-
- De persoon op wiens naam het dienstboekje is afgegeven, wordt als houder van het dienstboekje aangemerkt. Een bemanningslid mag slechts in het bezit van één dienstboekje zijn. Het dienstboekje moet door de bevoegde autoriteit worden afgegeven en moet op zijn minst in één van de officiële talen van de CCR zijn gesteld.
-
- Het dienstboekje bevat enerzijds algemene gegevens, zoals de medische verklaringen en de bekwaamheid van de houder, zoals bedoeld in artikel 3.02, en anderzijds specifieke gegevens betreffende de afgelegde reizen.
-
- De bevoegde autoriteit is verantwoordelijk voor het invullen van de algemene gegevens en de afstempeling ter controle. Zij heeft het recht het overleggen van vaartijdenboeken dan wel uittreksels daarvan of andere relevante bewijsstukken te verlangen. Zij mag alleen ingeschreven reizen van een stempel voorzien die niet langer dan 15 maanden geleden zijn afgelegd. Voor de aantekening van specifieke gegevens met betrekking tot de afgelegde reizen is de schipper verantwoordelijk.
-
- De houder moet het dienstboekje
- a). bij de eerste indiensttreding aan boord aan de schipper overhandigen, en
- b). ten minste één keer per jaar, te rekenen vanaf de datum van afgifte overleggen en overeenkomstig het bepaalde in het derde lid door een bevoegde autoriteit laten afstempelen.
-
- Een stuurman die geen groot patent, als bedoeld in deel III van dit reglement, verkrijgen wil, is van de verplichting tot het overleggen, als bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, vrijgesteld. Indien de stuurman later alsnog een patent wil verkrijgen, wordt slechts met die riviergedeelten rekening gehouden die in het dienstboekje zijn ingevuld en overeenkomstig het derde lid zijn afgestempeld.
-
- De schipper moet
- a). overeenkomstig de aanwijzingen en instructies voor het bijhouden van een dienstboekje regelmatig alle gegevens in het dienstboekje invullen, , behalve indien de houder van een dienstboekje stuurman is en op pagina 10 van zijn dienstboekje de navolgende, zoals voorgeschreven ondertekende, aantekening is aangebracht: ‘is niet voornemens een schipperspatent te verkrijgen’;
- b). het dienstboekje tot aan het einde van het dienstverband, arbeidscontract dan wel andere regeling op een veilige plaats in het stuurhuis bewaren;
- c). het dienstboekje te allen tijdemeteen aan de houder teruggeven, als deze daarom verzoekt.
Artikel 3.07. Verlies van de geldigheid van het dienstboekje
-
- De geldigheid van een dienstboekje wordt ook zonder ambtelijke beschikking tot aan de verlenging van het bewijs van lichamelijke en geestelijke geschiktheid ambtshalve opgeschort, , als de lichamelijke en geestelijke geschiktheid niet binnen drie maanden na de verlengingstermijn zoals vastgesteld in artikel 3.04, onderdeel b, opnieuw is aangetoond.
-
- Heeft de bevoegde autoriteit twijfel aan de lichamelijke en geestelijke geschiktheid van de houder van een dienstboekje zoals bedoeld in artikel 3.05, eerste lid, onderdeel b,
- a). informeert ze de autoriteit die het dienstboekje heeft afgegeven. Deze kan verlangen dat een medische verklaring die is afgegeven overeenkomstig bijlage B2 of een door de CCR als gelijkwaardig erkend medische verklaring betreffende de huidige staat van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid wordt overgelegd. De kosten hiervoor worden alleen dan door de houder van het dienstboekje gedragen, indien de twijfels gegrond blijken te zijn;
- b). kan ze de geldigheid van het dienstboekje voor een bepaalde tijd opschorten, maar niet langer dan de datum die door de autoriteit die het dienstboekje heeft afgegeven, voor het overleggen van een nieuwe medische verklaringis vastgesteld . De CCR en de autoriteit die het dienstboekje heeft afgeven, dienen in dit geval van haar beslissing op de hoogte te worden gesteld.
-
- Als gebleken is dat de houder ongeschikt is, als bedoeld in het eerste en tweede lid, vermeldt de afgevende autoriteit op pagina 2 en 7 van het dienstboekje de goed leesbare aantekening ‘ONGESCHIKT’ en waarmerkt hij die.
Subparagraaf 3. : Vaartijd
Artikel 3.08. Berekening van de vaartijd
Als één jaar vaartijd gelden 180 effectieve vaardagen in de binnenvaart. Binnen een periode van 365 opeenvolgende dagen kunnen maximaal 180 dagen als daadwerkelijke vaartijd worden meegerekend. 250 vaardagen in de zee- en kustvaart alsmede de visserij gelden als één jaar vaartijd.
Artikel 3.09. Bewijs van vaartijd en reizen op bepaalde riviergedeelten
-
- De vereiste vaartijd en de reizen op bepaalde riviergedeelten van de Rijn moeten worden aangetoond aan de hand van een naar behoren ingevuld en gewaarmerkt dienstboekje, overeenkomstig het model van bijlage A2 van dit reglement, of aan de hand van een door de CCR voor de Rijn als gelijkwaardig erkend dienstboekje. De lijst van de als gelijkwaardig erkende dienstboekjes staat in bijlage A5 van dit reglement vermeld.
-
- Als volgens de nationale voorschriften van de Rijnoeverstaten of van België voor de vaarwegen buiten de Rijn geen dienstboekje aanwezig hoeft te zijn, kan de vaartijd ook door een geldig, officieel document worden aangetoond dat ten minste de volgende gegevens dient te bevatten: Voor het overheidspatent worden de voorgeschreven reizen en vaartijden aan de hand van een certificaat aangetoond dat door de instantie waar de aanvrager bij in dienst is, wordt opgesteld.
- a). type, afmetingen, aantal passagiers en naam van de schepen waarop de aanvrager heeft gevaren;
- b). naam van de schippers;
- c). tijdstip van het begin en het einde van de reizen;
- d). de uitgeoefende functies;
- e). de bevaren riviergedeelten (precieze aanduiding met plaatsen van vertrek en aankomst).
-
- De vaartijd kan eveneens aan de hand van een bewijs van vaarbekwaamheid zoals bedoeld in artikel 7.13, derde lid, worden aangetoond en wel voor de duur van de vaartijd die voor het verkrijgen van dit bewijs vereist was.
-
- De vaartijd op zee moet door middel van een monsterboekje worden aangetoond. De vaartijd in de kustvaart en de visserij moet worden aangetoond door een geldig ambtelijk document.
-
- De tijd die is doorgebracht voor het bezoeken van een vakschool voor schippers moet door het getuigschrift van de school worden aangetoond.
-
- Indien nodig, moeten de officiële documenten, zoals bedoeld in het tweede tot en met het vijfde lid, samen met een beëdigde vertaling in de Duitse, Franse of Nederlandse taal worden overgelegd.
Paragraaf 2. : Verplichte rusttijd
Artikel 3.10. Exploitatiewijzen
-
- Men onderscheidt de volgende exploitatiewijzen: A1 vaart van ten hoogste 14 uur, A2 vaart van ten hoogste 18 uur, B vaart van ten hoogste 24 uur, telkens binnen een periode van 24 uur.
-
- Bij exploitatiewijze A1 mag de vaart eenmaal per kalenderweek tot maximaal 16 uur worden verlengd, indien de vaartijd kan worden aangetoond met de registraties van een goed functionerende tachograaf van een type dat overeenkomstig bijlage A3 van dit reglement door de bevoegde autoriteit van een Rijnoeverstaat of van België is goedgekeurd en wanneer er behalve de schipper nog een bemanningslid met de kwalificatie van stuurman aan boord is.
-
- Een schip dat in exploitatiewijze A1, respectievelijk A2 wordt geëxploiteerd, moet de vaart gedurende acht, respectievelijk zes aaneengesloten uren onderbreken, te weten: Er mag van deze tijden worden afgeweken, indien de vaartijd wordt geregistreerd door middel van een tachograaf van een type dat door de bevoegde autoriteit van een Rijnoeverstaat of België is goedgekeurd en toegelaten, aan de vereisten van bijlage A3 van dit reglement voldoet en naar behoren functioneert. De tachograaf moet ten minste vanaf het begin van de laatste ononderbroken rusttijd van acht, respectievelijk zes uur zijn ingeschakeld en voor de controlerende diensten te allen tijde bereikbaar zijn.
- a). in de exploitatiewijze A1 tussen 22.00 en 06.00 uur, en
- b). in de exploitatiewijze A2 tussen 23.00 en 05.00 uur.
Artikel 3.11. Verplichte rusttijd
-
- Bij exploitatiewijze A1 heeft elk bemanningslid recht op een ononderbroken rusttijd van acht uur buiten de vaartijd per periode van 24 uur, gerekend vanaf het einde van elke rusttijd van acht uur.
-
- Bij exploitatiewijze A2 heeft elk bemanningslid recht op een rusttijd van acht uur, waarvan zes uur ononderbroken buiten de vaartijd per periode van 24 uur, gerekend vanaf het einde van elke rusttijd van zes uur. Voor bemanningsleden onder de 18 jaar moet een ononderbroken rusttijd van acht uur in acht worden genomen waarvan zes uur buiten de vaartijd.
-
- Bij exploitatiewijze B heeft elk bemanningslid recht op een rusttijd van 24 uur per periode van 48 uur, waarvan ten minste twee maal zes uur ononderbroken moeten zijn.
-
- In afwijking van het eerste en tweede lid kan de rusttijd tevens tijdens de vaart plaatsvinden, indien:
- •. ook tijdens deze rusttijd te allen tijde het voor de veiligheid van het schip vereiste aantal bemanningsleden – waaronder tenminste één schipper –wordt ingezet, en
- •. de mogelijkheid bestaat de rusttijd door te brengen in een slechts aan één bemanningslid toegewezen ruimte die geschikt is om uit te rusten en afgeschermd is tegen de invloed van niet toegelaten geluid of trillingen. In deze ruimte mag de geluidsdruk 60 dB(A) niet overschrijden, hetgeen moet blijken uit het binnenschipcertificaat, waarbij de geluidsdruk gemeten dient te worden overeenkomstig de geldende voorschriften van de ES-TRIN.
-
- Gedurende zijn verplichte rusttijd mag een bemanningslid niet voor enigerlei taak wordeningezet, ook niet om toezicht te houden of stand-by te zijn. De in de politievoorschriften bedoelde wacht- en toezichtstaken voor stilliggende vaartuigen worden niet als taak in de zin van dit lid beschouwd.
-
- Bepalingen in de arbeidsvoorschriften met inbegrip van bepalingen voortvloeiend uit het recht van de Europese Unie of collectieve arbeidsovereenkomsten die langere rusttijden voorschrijven, blijven onverlet.
Artikel 3.12. Wisseling of herhaling van exploitatiewijze
-
- In afwijking van artikel 3.10, eerste en derde lid, is een wisseling of herhaling van de exploitatiewijze slechts mogelijk met inachtneming van de bepalingen van het tweede tot met zesde lid.
-
- Van exploitatiewijze A1 mag slechts dan naar exploitatiewijze A2 worden gewisseld, indien:
- a). de bemanning in zijn geheel is afgelost, of
- b). de voor exploitatiewijze A2 bestemde bemanningsleden direct vóór de wisseling een rusttijd van acht uur, waarvan zes uur buiten de vaartijd, in acht genomen en aangetoond hebben en de voor exploitatiewijze A2 voorgeschreven versterking zich aan boord bevindt.
-
- Van exploitatiewijze A2 mag slechts dan naar exploitatiewijze A1 worden gewisseld, indien:
- a). de bemanning in zijn geheel is afgelost, of
- b). de voor exploitatiewijze A1 bestemde bemanningsleden direct vóór de wisseling een ononderbroken rust van acht uur buiten de vaartijd in acht genomen en aangetoond hebben.
-
- Van exploitatiewijze B mag slechts dan naar exploitatiewijze A1 of A2 worden gewisseld, indien:
- a). de bemanning in zijn geheel is afgelost, of
- b). de voor exploitatiewijze A1, respectievelijk A2 bestemde bemanningsleden direct vóór de wisseling een ononderbroken rusttijd van acht, respectievelijk zes uur in acht genomen en aangetoond hebben.
-
- Van exploitatiewijze A1 of A2 mag slechts dan naar exploitatiewijze B worden gewisseld, indien:
- a). de bemanning in zijn geheel is afgelost, of
- b). de voor exploitatiewijze B bestemde bemanningsleden direct vóór de wisseling een ononderbroken rusttijd van acht, respectievelijk zes uur buiten de vaartijd of overeenkomstig de voorschriften van artikel 3.11, vierde lid, in acht genomen en aangetoond hebben, en de voor exploitatiewijze B voorgeschreven versterking zich aan boord bevindt.
-
- Een schip kan onmiddellijk in aansluiting op een reis in exploitatiewijze A1 of A2 voor een volgende reis in exploitatiewijze A1 of A2 worden ingezet, indien een voltallige uitwisseling van de bemanning heeft plaatsgevonden en de nieuwe bemanningsleden onmiddellijk voorafgaand aan de verdere exploitatiewijze A1 en A2 een ononderbroken rusttijd van acht, respectievelijk zes uur buiten de vaartijd in acht genomen en aangetoond hebben.
-
- Het bewijs van een rusttijd van acht, respectievelijk zes uur wordt aangetoond met een verklaring als bedoeld in bijlage A4 van dit reglement of door een kopie van de pagina van het vaartijdenboek van het schip waarop de laatste reis van het bemanningslid heeft plaatsgevonden en de vaar-, respectievelijk rusttijden, vermeld staan. Indien de rusttijd tijdens de vaart plaatsvond, is tevens een kopie van het binnenschipcertificaat van onderzoek van het betreffende schip vereist waaruit blijkt dat de maximale geluidsdruk in die ruimte van dat schip voldoet aan de voorschriften van artikel 3.11, vierde lid.
Artikel 3.13. Vaartijdenboek – Tachograaf
-
- Aan boord van elk schip, met uitzondering van sleep- en duwboten die slechts in havens verkeren, onbemande duwbakken, overheidsschepen en pleziervaartuigen, moet zich in de stuurhut een vaartijdenboek bevinden overeenkomstig het model van bijlage A1. Dit boek dient te worden bijgehouden overeenkomstig de daarin vervatte aanwijzingen. De schipper is verantwoordelijk voor de aanwezigheid van het vaartijdenboek en de aantekeningen die daarin moeten worden gemaakt. Het eerste vaartijdenboek, waarop het nummer 1, de naam van het schip en het uniek Europees scheepsidentificatienummer (ENI) of het officiële scheepsnummer dienen te staan, moet worden afgegeven door een bevoegde autoriteit van een Rijnoeverstaat of België op vertoon van een geldig binnenschipcertificaat. Aan boord van schepen die over een krachtens Bijlage O van het ROSR op de Rijn erkend communautair certificaat beschikken, kan zich in plaats van het door een bevoegde autoriteit van een Rijnoeverstaat of België afgegeven vaartijdenboek, een door een bevoegde autoriteit van een derde staat afgegeven en door de CCR erkend vaartijdenboek bevinden. Erkende vaartijdenboeken moeten in ten minste één van de officiële talen van de CCR worden bijgehouden. De bevoegde autoriteiten voor de afgifte van op de Rijn geldige vaartijdenboeken staan vermeld in bijlage A1a.
-
- Alle daarop volgende vaartijdenboeken mogen worden afgegeven door elke bevoegde autoriteit van een Rijnoeverstaat of België, die het van een volgnummer voorziet; zij kunnen evenwel slechts worden afgegeven tegen overlegging van het voorgaande vaartijdenboek. Het voorgaande vaartijdenboek moet worden voorzien van de onuitwisbare aantekening ‘ ongeldig’ en dient aan de schipper te worden teruggegeven. De afgifte van een nieuw vaartijdenboek kan geschieden op vertoon van het in het vierde lid bedoelde document. De eigenaar van het schip moet ervoor zorgen, dat het voorafgaande vaartijdenboek binnen 30 dagen na de afgiftedatum van het nieuwe vaartijdenboek wordt voorgelegd aan dezelfde bevoegde autoriteit die voor het nieuwe vaartijdenboek de in het vierde lid bedoelde verklaring heeft opgesteld, zodat deze autoriteit het bovengenoemde vooafgaande vaartijdenboek kan voorzien van de vermelding ‘ongeldig’. De eigenaar van het schip moet er bovendien voor zorgen, dat het vaartijdenboek daarna weer aan boord wordt gebracht.
-
- Het ongeldig gemaakte vaartijdenboek moet gedurende zes maanden na de laatste aantekening aan boord worden bewaard.
-
- Bij de afgifte van het eerste vaartijdenboek overeenkomstig het eerste lid bevestigt de autoriteit die het eerste vaartijdenboek afgeeft, deze afgifte door middel van een verklaring waarop de naam van het schip, het uniek Europees identificatienummer (ENI) van het schip, of het officiële scheepsnummer, het nummer van het vaartijdenboek en de datum van afgifte zijn vermeld. Deze verklaring dient aan boord te worden bewaard en op verzoek te worden getoond. De afgifte van latere vaartijdenboeken overeenkomstig het tweede lid moet door de bevoegde autoriteit op de verklaring worden aangetekend.
-
- De naleving van de rusttijden kan bovendien door een tachograaf worden aangetoond, die voldoet aan de technische vereisten van bijlage A3 van dit reglement. De registraties van de tachografen moeten gedurende zes maanden na de laatste registratie aan boord worden bewaard.
-
- Bij aflossing of versterking van de bemanning zoals bedoeld in artikel 3.12 moet voor ieder nieuw bemanningslid een verklaring overeenkomstig bijlage A4 of een kopie van de pagina met de aantekeningen van de vaar-, respectievelijk rusttijden uit het vaartijdenboek van het schip waarop de laatste reis van het bemanningslid heeft plaatsgevonden, voorhanden zijn.
- 7.
- a). Punt 2 van de instructies betreffende het bijhouden van het vaartijdenboek, volgens welke één enkel schema per reis voor de aantekeningen van de rusttijden voldoende is, geldt uitsluitend voor de bemanningsleden in de exploitatiewijze B. In de exploitatiewijzen A1 en A2 moeten voor elk bemanningslid het begin en het einde van de rusttijden van elke dag gedurende de reis worden genoteerd.
- b). De na de wisseling van de exploitatiewijze vereiste aantekeningen moeten op een nieuwe bladzijde van het vaartijdenboek worden genoteerd.
- c). Worden per dag twee of meer reizen met ongewijzigde bemanning afgelegd, kan worden volstaan met het invullen van het tijdstip van het begin van de eerste dagvaart en van het einde van de laatste dagvaart.
Paragraaf 3. : Minimumbemanning aan boord
Artikel 3.14. Uitrusting van schepen
-
- Onverminderd de bepalingen van het ES-TRIN moeten motorschepen, duwboten, duwstellen en passagiersschepen, om met een minimumbemanning overeenkomstig deze paragraaf te worden geëxploiteerd, aan een van de volgende uitrustingsstandaarden voldoen:
- 1.1. Standaard S1
- a). De voortstuwingsinstallaties moeten zo zijn ingericht dat de verandering van de vaarsnelheid en de omkering van de richting van de stuwkracht van de schroef vanaf de stuurstelling kunnen geschieden. De hulpmotoren die nodig zijn bij het varen met het schip moeten vanaf de stuurstelling kunnen worden aan- en afgezet, tenzij dit automatisch geschiedt, dan wel deze motoren gedurende elke reis ononderbroken in bedrijf zijn.
- b). Het kritieke peil van de temperatuur van het koelwater van de hoofdmotoren, van de druk van de smeerolie van de hoofdmotoren en de transmissie, van de oliedruk en de luchtdruk van de omkeerinrichting van de hoofdmotoren, de keerkoppeling of de schroeven en van het bilgewater in de hoofdmachinekamer moet worden aangegeven door installaties die in het stuurhuis akoestische en optische alarmsignalen in werking stellen. De akoestische alarmsignalen mogen in één akoestisch apparaat verenigd zijn. Zij mogen worden uitgeschakeld zodra de storing is vastgesteld. De optische alarmsignalen mogen pas worden uitgeschakeld, nadat de desbetreffende storingen zijn verholpen;
- c). De brandstoftoevoer en de koeling van de hoofdmotoren dienen automatisch te geschieden;
- d). De bediening van de stuurinrichting moet zelfs bij de grootste toegelaten inzinking door één persoon zonder bijzondere krachtsinspanning kunnen worden verricht;
- e). De bij het Rijnvaartpolitiereglement voorgeschreven optische tekens en geluidsseinen van varende schepen dienen vanaf de stuurstelling te kunnen worden gegeven;
- f). Indien geen rechtstreeks contact mogelijk is tussen de stuurstelling en het voorschip, het achterschip, de verblijven en de machinekamer, dient een spreekverbinding te zijn aangebracht. Voor contact met de machinekamer mogen in plaats van een spreekverbinding optische en akoestische signalen worden gebruikt;
- g). (Vervallen);
- h). (Vervallen);
- i). De kracht die nodig is om zwengels en soortgelijke draaibare voorzieningen van hefwerktuigen te bedienen, mag niet meer dan 160 N bedragen;
- j). De in het binnenschipcertificaat vermelde sleeplieren dienen door een motor te worden aangedreven;
- k). De lenspompen en de dekwaspompen dienen door een motor te worden aangedreven;
- l). De voornaamste bedieningsinrichtingen en controle-instrumenten dienen ergonomisch te zijn aangebracht.
- m). De krachtens artikel 6.01, eerste lid, van ES-TRIN vereiste inrichtingen dienen vanaf de stuurstelling te kunnen worden bediend.
- 1.2. Standaard S2
- a). voor alleen varende motorschepen: Standaard S1 en bovendien een uitrusting met een vanuit de stuurhut bedienbare boegschroefinstallatie;
- b). voor motorschepen, die gekoppelde vaartuigen voortbewegen: Standaard S1 en bovendien een uitrusting met een vanuit de stuurhut bedienbare boegschroefinstallatie;
- c). voor motorschepen die een duwstel, bestaande uit het motorschip en een vaartuig ervoor, voortbewegen: Standaard S1 en bovendien een uitrusting met hydraulisch of elektrisch aangedreven koppellieren. Deze uitrusting is echter niet vereist, wanneer het vaartuig aan de kop van het duwstel met een boegschroefinstallatie is uitgerust die vanuit de stuurhut van het duwende motorschip te bedienen is;
- d). voor duwboten die een duwstel voortbewegen: Standaard S1 en bovendien een uitrusting met hydraulisch of elektrisch aangedreven koppellieren. Deze uitrusting is echter niet vereist, wanneer het vaartuig aan de kop van het duwstel met een boegschroefinstallatie is uitgerust die vanuit de stuurhut van het duwende duwboot te bedienen is;
- e). voor passagiersschepen: Standaard S1 en bovendien een uitrusting met een vanuit de stuurhut bedienbare boegschroefinstallatie. Deze uitrusting is echter niet vereist, indien de voortstuwingsinstallatie en de stuurinrichting van het passagiersschip gelijkwaardige manoeuvreereigenschappen waarborgen.
-
- Het voldoen of niet voldoen aan de voorschriften van 1.1 of 1.2 wordt door de Commissie van Deskundigen in het binnenschipcertificaat onder nummer 47 gewaarmerkt.
Artikel 3.15. Minimumbemanning van motorschepen en duwboten
-
- De minimumbemanning van motorschepen en duwboten bestaat uit: 1) De lichtmatroos of één van de lichtmatrozen mag worden vervangen door een deksman. 2) De stuurman moet in het bezit zijn van het overeenkomstig dit reglement vereiste schipperspatent. 3) Eén van de lichtmatrozen moet ouder zijn dan 18 jaar.
| Groep | Groep | Bemanningsleden | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Groep | Groep | Bemanningsleden | A1 | A1 | A1 | A2 | A2 | B | B | B |
| Groep | Groep | Bemanningsleden | S1 | S1 | S2 | S1 | S2 | S1 | S1 | S2 |
| 1 | L ≤ 70 m | schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos | 1 – – 1 – | 2 – – – – | 2 – – 1 11) | 2 – – – 21)3) | ||||
| 2 | 70 m < L ≤ 86 m | schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos | 1 of – 1 – – | 1 – – 1 1 | 1 – – 1 1 | 2 – – – 11) | 2 – – 2 – | 2 – – 1 1 | ||
| 3 | L > 86 m | schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos | 1 of 1 – 1 – | 1 1 – – 2 | 1 1 – – 1 | 2 – – 1 11) | 2 – – – 21) | 2 of 1 – 2 – | 2 12) – 1 – | 2 1 – 1 1 |
-
- De voorgeschreven matrozen overeenkomstig de in het eerste lid genoemde tabel mogen door lichtmatrozen worden vervangen die de minimumleeftijd van 17 jaar hebben bereikt, zich ten minste in het derde leerjaar bevinden en een jaar vaartijd in de binnenvaart kunnen aantonen.
-
- De voorgeschreven minimumbemanning overeenkomstig de onder 1 genoemde tabel, kan voor de ononderbroken duur van ten hoogste drie maanden per kalenderjaar met een lichtmatroos worden verminderd, als deze lichtmatroos gedurende deze tijd een schippersschool bezoekt. Opeenvolgende periodes met een gereduceerde bemanning moeten door een periode van minimaal één maand worden onderbroken. Het bezoek aan de schippersschool moet worden aangetoond met een verklaring van de schippersschool, die zich aan boord moet bevinden en waarin de tijden van het schoolbezoek zijn aangegeven. De eerste zin, onderdeel a en het tweede alternatief van onderdeel c zijn slechts van toepassing wanneer gedurende de tijd dat de ene lichtmatroos een schippersschool bezoekt, de tweede lichtmatroos aan boord is. Deze bepalingen gelden niet voor de lichtmatrozen zoals bedoeld in het tweede lid.
- a). in groep 1, exploitatiewijze B, Standaard S2,
- b). in groep 2, exploitatiewijze A1, Standaard S2, en
- c). in groep 3, exploitatiewijze A1, Standaard S1 en exploitatiewijze A2, Standaard S2,
Artikel 3.16
Minimumbemanning van hechte samenstellen en andere hechte samenstellingen
-
- De minimumbemanning van hechte samenstellen en andere hechte samenstellingen bestaat uit: ’ 1 De lichtmatroos of één van de lichtmatrozen mag worden vervangen door een deksman. 2 De stuurman moet in het bezit zijn van het overeenkomstig dit reglement vereiste schipperspatent. 3 Eén van de lichtmatrozen moet ouder zijn dan 18 jaar. * In dit artikel omvat het begrip ‘duwbak’ ook motorschepen zonder eigen in werking gestelde voortstuwingswerktuigen en sleepschepen. Bovendien is de volgende gelijkwaardigheid van toepassing: 1 duwbak = meerdere bakken met een totale lengte van niet meer dan 76,50 m en een totale breedte van niet meer dan 15 m.
| Groep | Groep | Bemanningsleden | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Groep | Groep | Bemanningsleden | A1 | A1 | A1 | A2 | A2 | B | B | B | B |
| Groep | Groep | Bemanningsleden | S1 | S1 | S2 | S1 | S2 | S1 | S1 | S2 | S2 |
| 1 | afmeting van het samenstel L ≤ 37 m B ≤ 15 m | schipper | 1 | 1 | 2 | 2 | 2 | 2 | 2 | ||
| 1 | afmeting van het samenstel L ≤ 37 m B ≤ 15 m | stuurman | – | – | – | – | – | – | – | ||
| 1 | afmeting van het samenstel L ≤ 37 m B ≤ 15 m | volmatroos | – | – | – | – | – | – | – | ||
| 1 | afmeting van het samenstel L ≤ 37 m B ≤ 15 m | matroos | 1 | 1 | – | 1 | 1 | – | – | ||
| 1 | afmeting van het samenstel L ≤ 37 m B ≤ 15 m | lichtmatroos | – | – | – | 11 | 11 | 21 3 | 21 3 | ||
| 1 | afmeting van het samenstel L ≤ 37 m B ≤ 15 m | machinist | – | – | – | – | – | – | – | ||
| 2 | afmeting van het samenstel 37 m < L ≤ 86m B ≤ 15 m | schipper | 1 of | 1 | 1 | 2 | 2 | 2 | 2 | 2 | |
| 2 | afmeting van het samenstel 37 m < L ≤ 86m B ≤ 15 m | stuurman | – | – | – | – | – | – | – | – | |
| 2 | afmeting van het samenstel 37 m < L ≤ 86m B ≤ 15 m | volmatroos | 1 | – | – | – | – | – | – | – | |
| 2 | afmeting van het samenstel 37 m < L ≤ 86m B ≤ 15 m | matroos | – | 1 | 1 | – | 2 | 2 | 1 | 1 | |
| 2 | afmeting van het samenstel 37 m < L ≤ 86m B ≤ 15 m | lichtmatroos | – | 1 | 1 | 11 | – | – | 1 | 1 | |
| 2 | afmeting van het samenstel 37 m < L ≤ 86m B ≤ 15 m | machinist | – | – | – | – | – | – | – | – | |
| 3 | duwboot + 1 duwbak met L > 86 m of afmeting van het samenstel 86 m < L ≤ 116,5 m B ≤ 15 m | schipper | 1 of | 1 | 1 | 2 | 2 | 2 of | 2 | 2 | 2 |
| 3 | duwboot + 1 duwbak met L > 86 m of afmeting van het samenstel 86 m < L ≤ 116,5 m B ≤ 15 m | stuurman | 1 | 1 | 1 | – | – | 1 | 12 | 1 | 1 |
| 3 | duwboot + 1 duwbak met L > 86 m of afmeting van het samenstel 86 m < L ≤ 116,5 m B ≤ 15 m | volmatroos | – | – | – | – | – | – | – | – | – |
| 3 | duwboot + 1 duwbak met L > 86 m of afmeting van het samenstel 86 m < L ≤ 116,5 m B ≤ 15 m | matroos | 1 | – | – | 1 | – | 2 | 1 | 1 | 1 |
| 3 | duwboot + 1 duwbak met L > 86 m of afmeting van het samenstel 86 m < L ≤ 116,5 m B ≤ 15 m | lichtmatroos | – | 2 | 1 | 11 | 21 | – | – | 1 | 1 |
| 3 | duwboot + 1 duwbak met L > 86 m of afmeting van het samenstel 86 m < L ≤ 116,5 m B ≤ 15 m | machinist | – | – | – | – | – | – | – | – | – |
| 4 | duwboot + 2 duwbakken motorschip + 1 bak | schipper | 1 | 1 | 1 | 2 | 2 | 2 of | 2 | 2 of | 2 |
| 4 | duwboot + 2 duwbakken motorschip + 1 bak | stuurman | 1 | 1 | 1 | – | – | 1 | 12 | 1 | 12 |
| 4 | duwboot + 2 duwbakken motorschip + 1 bak | volmatroos | – | – | – | – | 1 | – | – | 1 | 1 |
| 4 | duwboot + 2 duwbakken motorschip + 1 bak | matroos | 1 | 1 | – | 2 | – | 2 | 2 | – | – |
| 4 | duwboot + 2 duwbakken motorschip + 1 bak | lichtmatroos | 11 | 11 | 21 | 11 | 21 | – | – | 1 | 1 |
| 4 | duwboot + 2 duwbakken motorschip + 1 bak | machinist | – | – | – | – | – | 1 | – | 1 | – |
| 5 | duwboot + 3 of meer duwbakken motorschip + 2 of meer duwbakken | schipper | 1 of | 1 | 1 | 2 | 2 | 2 of | 2 | 2 of | 2 |
| 5 | duwboot + 3 of meer duwbakken motorschip + 2 of meer duwbakken | stuurman | 1 | 1 | 1 | – | – | 1 | 12 | 1 | 12 |
| 5 | duwboot + 3 of meer duwbakken motorschip + 2 of meer duwbakken | volmatroos | – | – | – | – | 1 | – | – | 1 | 1 |
| 5 | duwboot + 3 of meer duwbakken motorschip + 2 of meer duwbakken | matroos | 2 | 1 | 1 | 2 | – | 2 | 2 | – | – |
| 5 | duwboot + 3 of meer duwbakken motorschip + 2 of meer duwbakken | lichtmatroos | – | 2 | 1 | 11 | 21 | 11 | – | 2 | 1 |
| 5 | duwboot + 3 of meer duwbakken motorschip + 2 of meer duwbakken | machinist | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 |
-
- De voorgeschreven matrozen overeenkomstig de in het eerste lid genoemde tabel mogen door lichtmatrozen worden vervangen die de minimumleeftijd van 17 jaar hebben bereikt, zich ten minste in het derde leerjaar bevinden en een jaar vaartijd in de binnenvaart kunnen aantonen.
-
- De voorgeschreven minimumbemanning overeenkomstig de in het eerste lid genoemde tabel, kan
- a). in de groep 1, exploitatiewijze B, Standaard S2,
- b). in de groep 2, exploitatiewijze A1, Standaard S2,
- c). in de groep 3, exploitatiewijze A1, Standaard S1 en exploitatiewijze A2, Standaard S2,
- d). in de groep 4, exploitatiewijze A1, Standaard S2 en exploitatiewijze A2, Standaard S2, en
- e). in de groep 5, exploitatiewijze A1, Standaard S1, exploitatiewijze A2, Standaard S2, en exploitatiewijze B, Standaard S2 voor de ononderbroken duur van ten hoogste drie maanden per kalenderjaar met een lichtmatroos worden verminderd, als deze lichtmatroos gedurende deze tijd een schippersschool bezoekt. Opeenvolgende periodes met een gereduceerde bemanning moeten door een periode van minimaal één maand worden onderbroken. Het bezoek aan de schippersschool moet worden aangetoond met een verklaring van de schippersschool, die zich aan boord moet bevinden en waarin de tijden van het schoolbezoek zijn aangegeven. De eerste zin, onderdeel a en het tweede alternatief van onderdeel c, d en het tweede alternatief van onderdeel e zijn slechts van toepassing wanneer gedurende de tijd dat de ene lichtmatroos een schippersschool bezoekt, de tweede lichtmatroos aan boord is. Deze bepalingen gelden niet voor de lichtmatroos zoals bedoeld in het tweede lid.
-
- De voorgeschreven machinisten overeenkomstig de in het eerste lid genoemde tabel mogen door bijkomende volmatrozen worden vervangen. Zij mogen ook door bijkomende matrozen worden vervangen, wanneer in de tabel in het eerste lid al een volmatroos is voorgeschreven.
Artikel 3.17. Minimumbemanning van passagiersschepen
-
- De minimumbemanning van schepen voor dagtochten bestaat uit: 1 De lichtmatroos of één van de lichtmatrozen mag worden vervangen door een deksman.
| Groep | Groep | Bemanningsleden | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Groep | Groep | Bemanningsleden | A1 | A1 | A1 | A2 | A2 | B | B |
| Groep | Groep | Bemanningsleden | S1 | S1 | S2 | S1 | S2 | S1 | S2 |
| 1 | Toegestaan aantal passagiers tot en met 75 | schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist | 1 – – 1 – – | 1 – – 1 – – | 2 – – 1 – – | 2 – – 2 – – | 2 – 1 – 1 – | ||
| 2 | Toegestaan aantal passagiers van 76 tot en met 250 | schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist | 1 of – – 1 1 – | 1 – – – – 1 | 1 – – 1 1 – | 2 – – – 11 1 | 2 – – 1 11 1 | 2 – – 1 11 1 | |
| 3 | Toegestaan aantal passagiers van 251 tot en met 600 | schipper stuurman volmatroos matroos. lichtmatroos machinist | 1 of – 1 – – 1 | 1 – 1 – 2 – | 1 – 1 – 1 – | 2 – – 1 – 1 | 2 – – – 1 1 | 3 – – 1 – 1 | 3 – – – 1 1 |
| 4 | Toegestaan aantal passagiers van 601 tot en met 1.000 | schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist | 1 1 – 1 11 1 | 1 1 – 1 11 1 | 1 1 – – 21 1 | 2 – – 2 – 1 | 2 – 1 – 1 1 | 3 – – 2 – 1 | 3 – 1 – 1 1 |
| 5 | Toegestaan aantal passagiers van 1.001 tot en met 2.000 | schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist | 2 of – – 3 – 1 | 2 – – 2 2 1 | 2 – 1 1 1 1 | 2 – – 3 11 1 | 2 – 1 1 21 1 | 3 – – 3 11 1 | 3 – 1 1 21 1 |
| 6 | Toegestaan aantal passagiers meer dan 2.000 | schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist | 2 – – 3 11 1 | 2 – – 3 11 1 | 2 – 1 1 21 1 | 2 – – 4 – 1 | 2 – 1 2 1 1 | 3 – – 4 11 1 | 3 – 1 2 21 1 |
-
- De minimumbemanning van stoomschepen voor dagtochten bestaat uit: 1 De lichtmatroos of één van de lichtmatrozen mag worden vervangen door een deksman. 2 De Commissie van Deskundigen bepaalt of machinisten vereist zijn en vult dit onder nummer 52 van binnenschipcertificaat in.
| Groep | Groep | Bemanningsleden | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1, S2 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Groep | Groep | Bemanningsleden | A1 | A1 | A1 | A1 | A2 | A2 | A2 | B | B | B |
| Groep | Groep | Bemanningsleden | S1 | S1 | S1 | S2 | S1 | S2 | S2 | S1 | S1 | S2 |
| 1. | Toegestaan aantal passagiers: van 501 tot en met 1.000 | schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist2 | 1 1 1 1 – 2 | 1 1 1 1 – 2 | 1 1 1 1 – 2 | 1 1 1 – 1 2 | 2 – 1 1 – 2 | 2 – 1 – 1 2 | 2 – 1 – 1 2 | 3 – 1 1 – 3 | 3 – 1 1 – 3 | 3 – 1 – 1 3 |
| 2. | Toegestaan aantal passagiers: van 1.001 tot en met 2.000 | schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos Machinist2 | 2 of – – 3 – 3 | 2 of – – 3 – 3 | 2 – – 2 2 3 | 2 – 1 1 1 3 | 2 – – 3 11 3 | 2 – 1 1 21 3 | 2 – 1 1 21 3 | 3 – – 3 11 3 | 3 – – 3 11 3 | 3 – 1 1 21 3 |
-
- De minimumbemanning van hotelschepen bestaat uit:
| Groep | Groep | Bemanningsleden | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 | Aantal bemanningsleden bij de exploitatiewijze A1, A2 of B en voor de uitrustingsstandaard S1 of S2 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Groep | Groep | Bemanningsleden | A1 | A1 | A1 | A2 | A2 | B | B |
| Groep | Groep | Bemanningsleden | S1 | S1 | S2 | S1 | S2 | S1 | S2 |
| 1 | Toegestaan aantal bedden: tot en met 50 | schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist | 1 – 1 – – 1 | 1 – 1 – – 1 | 1 – – – 2 1 | 2 – – 1 – 1 | 2 – – – 1 1 | 3 – – 1 – 1 | 3 – – – 1 1 |
| 2 | Toegestaan aantal bedden: van 51 tot 100 | schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist | 1 1 – 1 – 1 | 1 1 – 1 – 1 | 1 1 – – 1 1 | 2 – – 1 – 1 | 2 – – – 1 1 | 3 – – 1 – 1 | 3 – – – 1 1 |
| 3 | Toegestaan aantal bedden meer dan 100 | schipper stuurman volmatroos matroos lichtmatroos machinist | 1 of 1 – 2 – 1 | 1 1 – 1 2 1 | 1 1 – 1 1 1 | 2 – – 3 – 1 | 2 – 1 1 1 1 | 3 – – 3 – 1 | 3 – 1 1 1 1 |
-
- Voor passagiersschepen, zoals bedoeld in het eerste en het derde lid, die zonder passagiers aan boord varen, wordt de minimumbemanning bepaald overeenkomstig artikel 3.15.
-
- De voorgeschreven matrozen overeenkomstig de in het eerste lid genoemde tabel mogen door lichtmatrozen worden vervangen die de minimumleeftijd van 17 jaar hebben bereikt, zich ten minste in het derde leerjaar bevinden en een jaar vaartijd in de binnenvaart kunnen aantonen.
-
- De minimumbemanning overeenkomstig de in het eerste lid genoemde tabel (schepen voor dagtochten), kan voor de ononderbroken duur van ten hoogste drie maanden per kalenderjaar met een lichtmatroos worden verminderd, als deze lichtmatroos gedurende deze tijd een schippersschool bezoekt. Opeenvolgende periodes met een gereduceerde bemanning moeten door een periode van minimaal één maand worden onderbroken. Het bezoek aan de schippersschool moet worden aangetoond met een verklaring van de schippersschool, die zich aan boord moet bevinden en waarin de tijden van het schoolbezoek zijn aangegeven. De eerste zin, onderdeel c, d en het tweede en derde alternatief van onderdeel e zijn slechts van toepassing wanneer gedurende de tijd dat de ene lichtmatroos een schippersschool bezoekt, de tweede lichtmatroos aan boord is. Deze bepalingen gelden niet voor de lichtmatroos zoals bedoeld in het vijfde lid.
- a). in de groep 2, exploitatiewijze A1, Standaard S2,
- b). in de groep 3, exploitatiewijze A1, Standaard S1,
- c). in de groep 4, exploitatiewijze A1, Standaard S2,
- d). in de groep 5, exploitatiewijze A1, Standaard S1, exploitatiewijze A2, Standaard S2 en exploitatiewijze B, Standaard S2 en
- e). in de groep 6, exploitatiewijze A1, Standaard S2 en exploitatiewijze B, Standaard S2,
-
- De minimumbemanning overeenkomstig de in het eerste lid genoemde tabel (stoomschepen voor dagtochten), kan voor de ononderbroken duur van ten hoogste drie maanden per kalenderjaar met een lichtmatroos worden verminderd, als deze lichtmatroos gedurende deze tijd een schippersschool bezoekt. Opeenvolgende periodes met een gereduceerde bemanning moeten door een periode van minimaal één maand worden onderbroken. Het bezoek aan de schippersschool moet worden aangetoond met een verklaring van de schippersschool, die zich aan boord moet bevinden en waarin de tijden van het schoolbezoek zijn aangegeven. De eerste zin, onderdeel b en c zijn slechts van toepassing wanneer gedurende de tijd dat de ene lichtmatroos een schippersschool bezoekt, de tweede lichtmatroos aan boord is. Deze bepalingen gelden niet voor de lichtmatroos zoals bedoeld in het vijfde lid.
- a). in de groep 2, exploitatiewijze A1, Standaard S1,
- b). in de groep 2, exploitatiewijze A2, Standaard S2, en
- c). in de groep 2, exploitatiewijze B, Standaard S2,
-
- De minimumbemanning overeenkomstig de in het eerste lid genoemde tabel (hotelschepen) kan
- a). in de groep 1, exploitatiewijze A1, Standaard S2 en
- b). in de groep 3, exploitatiewijze A1, Standaard S1, voor de ononderbroken duur van ten hoogste drie maanden per kalenderjaar met een lichtmatroos worden verminderd, als deze lichtmatroos gedurende deze tijd een schippersschool bezoekt. Opeenvolgende periodes met een gereduceerde bemanning moeten door een periode van minimaal één maand worden onderbroken. Het bezoek aan de schippersschool moet worden aangetoond met een verklaring van de schippersschool, die zich aan boord moet bevinden en waarin de tijden van het schoolbezoek zijn aangegeven.
-
- Bij dagtochtschepen met passagiers waarvan het aantal voor vertrek vaststaat en tijdens de vaart niet wijzigt (chartervaart), kan de overeenkomstig de groepen 2 tot en met 6 voorgeschreven minimumbemanning worden gereduceerd tot de eerst lagere groep, op voorwaarde dat het overeenkomstig de groepen 1 tot en met 6 toegelaten aantal passagiers tijdens de vaart lager is dan dit toegestane aantal. De eisen van hoofdstuk 5, alsmede de eisen die gelden voor de bemanning en het boordpersoneel uit hoofde van de veiligheidsrol gelden onverminderd.
-
- De machinisten die zijn voorgeschreven overeenkomstig de in het eerste tot derde lid genoemde tabellen mogen door bijkomende volmatrozen worden vervangen. Deze volmatrozen mogen door bijkomende matrozen worden vervangen, wanneer het aantal volmatrozen dat als minimumbemanning overeenkomstig de in het eerste tot derde lid genoemde tabellen is voorgeschreven, overeenstemt met het aantal te vervangen machinisten.
Artikel 3.18. Afwijking van de in artikel 3.14 voorgeschreven uitrusting
-
- Wanneer de uitrusting van een motorschip, een duwboot, een hecht samenstel, een andere hechte samenstelling of een passagiersschip niet voldoet aan de standaard S1, zoals bepaald in artikel 3.14 van het onderhavige reglement, dient de minimumbemanning, zoals bedoeld in de artikelen 3.15, 3.16 of 3.17, te worden verhoogd
- a). in de exploitatiewijze A1 en A2 telkens met één matroos, en
- b). in de exploitatiewijze B met twee matrozen. Wordt alleen niet voldaan aan de gestelde eisen in de onderdelen i) en l), respectievelijk de onderdelen i) of l) van de standaard S1, zoals bedoeld in artikel 3.14, lid 1.1, dan wordt de bemanning bij exploitatiewijze B met één matroos in plaats van twee verhoogd.
-
- Voldoet de uitrusting van een schip slechts gedeeltelijk aan de Standaard S1 zoals deze is bepaald in artikel 3.14 van dit Reglement, en niet aan één of meer van de in artikel 3.14, lid 1.1, onderdelen a tot en met c, van dit Reglement gestelde eisen wordt voldaan, dan In het in de eerste zin bedoelde geval kunnen de volmatrozen door matrozen worden vervangen, indien de volmatrozen reeds deel uitmaken van de in artikel 3.15, artikel 3.16 of artikel 3.17 voorgeschreven minimumbemanning.
- a). moet in de exploitatiewijzen A1 en A2 de matroos, zoals voorgeschreven in het eerste lid, onderdeel a, door een volmatroos, en
- b). moeten de twee matrozen in de exploitatiewijze B, zoals voorgeschreven in het eerste lid, onderdeel b door twee volmatrozen worden vervangen.
-
- De verhoging van de vereiste bemanning wordt door de Commissie van Deskundigen onder nummer 47 van het binnenschipcertificaat ingeschreven.
Artikel 3.19. Minimumbemanning van overige vaartuigen
-
- De Commissie van Deskundigen bepaalt voor de vaartuigen waarop de artikelen 3.15 tot en met 3.17 niet van toepassing zijn(zoals sleepboten, sleepschepen en drijvende werktuigen) naar gelang hun afmetingen, bouwwijze, inrichting en benutting, welke bemanning zich tijdens de vaart aan boord moet bevinden.
-
- Ten aanzien van bunkerschepen, die slechts op korte riviergedeelten ingezet mogen worden, kan de Commissie van Deskundigen een minimumbemanning voorschrijven die afwijkt van artikel 3.15.
-
- De Commissie van Deskundigen schrijft deze aantekeningen in onder nummer 48 van het binnenschipcertificaat.
Artikel 3.20. Minimumbemanning voor zeeschepen
-
- Voor de bepaling van de minimumbemanning van zeeschepen is deel II van dit reglement van toepassing.
-
- In afwijking van het eerste lid kunnen zeeschepen blijven varen onder de bemanningsregeling die voorzien is in de bepalingen vanResolutie A. 481 (XII) van de IMO en van het Internationaal Verdrag van 1978 over de normen voor zeevarenden betreffende opleiding, diplomering en wachtdienst, onder de voorwaarde dat het aantal bemanningsleden ten minste overeenkomt met de minimumbemanning zoals voorgeschreven in deel II voor exploitatiewijze B, waarbij met name rekening dient te worden gehouden met artikel 3.14 en 3.18 van dit reglement In dit geval moeten de dienovereenkomstige documenten waaruit de bekwaamheid van de bemanningsleden en hun aantal blijkt, aan boord aanwezig zijn. Bovendien moet zich een persoon aan boord bevinden die houder is van het grote patent overeenkomstig dit reglement, dat geldig is voor het te bevaren riviergedeelte. Na een vaartijd van ten hoogste 14 uur per periode van 24 uur moet deze patenthouder door een andere patenthouder worden vervangen. In het vaartijdenboek moeten de volgende aantekeningen worden gemaakt:
- a). de naam van de patenthouders die zich aan boord bevinden, alsmede het begin en einde van hun diensttijd;
- b). begin, onderbreking, voortzetting en einde van de vaart met vermelding van de volgende gegevens: datum, tijdstip en plaats met aanduiding van de kilometerraai.
Artikel 3.21. Minimumbemanning voor kanaalspitsen
De bepalingen van hoofdstuk 3 zijn niet van toepassing op kanaalspitsen. Desalniettemin moet de bemanning ten minste bestaan uit:
- –. een schipper die houder is van een patent als bedoeld in dit reglement;
- –. een persoon die ten minste 16 jaar oud is en die in staat is te helpen bij het manoeuvreren met het schip.
Artikel 3.22. Minimumbemanning voor pleziervaartuigen
De bepalingen van hoofdstuk 3 zijn niet van toepassing op pleziervaartuigen.
Desalniettemin moet de bemanning ten minste bestaan uit:
- –. een schipper die houder is van een patent als bedoeld in dit reglement;
- –. een persoon die in staat is te helpen bij het manoeuvreren met het schip.
Artikel 3.23. Uitzondering
Voor de vaart beneden het Spijksche Veer (km 857,40) kan, voor zover de Duits-Nederlandse grens tijdens de vaart noch in de ene, noch in de andere richting wordt overschreden, worden volstaan met de toepassing van de voorschriften van de Nederlandse ‘Binnenvaartwet’ (Staatsblad 2007, Nummer 498).
Hoofdstuk 4. Aanvullende voorschriften voor het voorgeschreven veiligheidspersoneel aan boord van schepen die gevaarlijke stoffen vervoeren
Artikel 4.01. Geschiktheid van bemanningsleden
-
- De houders van een kwalificatiecertificaat moeten medisch geschikt zijn. Dit is het geval als zij voldoen aan de voorwaarden voor de medische geschiktheid volgens de ES-QIN (Deel IV).
-
- De medische geschiktheid van de aanvrager moet voor de eerste afgifte van het kwalificatiecertificaat worden aangetoond door middel van een medische verklaring overeenkomstig bijlage 1, die afgegeven werd door een erkende arts en niet ouder dan drie maanden mag zijn. Indien er dan nog twijfels over de medische geschiktheid bestaan, kan de bevoegde autoriteit van de aanvrager aanvullende medische verklaringen of verklaringen van medische specialisten eisen.
-
- Blijkt uit de medische verklaring een definitieve of tijdelijke beperkte medische geschiktheid, dan worden de maatregelen ter vermindering van het risico en de beperkingen overeenkomstig de voorwaarden zoals bepaald in de ES-QIN (Deel IV) op het kwalificatiecertificaat vermeld.
Hoofdstuk 4a. Aanvullende voorschriften voor de kennis van de bemanningsleden van schepen die vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof gebruiken
Artikel 5.01. Dienstboekje
-
- Het krachtens dit reglement afgegeven dienstboekje voor de leden van de bemanning, met uitzondering van de schipper bevat algemene gegevens, zoals het bewijs van medische geschiktheid en de kwalificatiecertificaten van de houder als bedoeld in artikel 3.02, en specifieke gegevens over de afgelegde reizen en met name gedetailleerde gegevens met betrekking tot de door de houder gemaakte vaartijd.
-
- Het krachtens dit reglement afgegeven dienstboekje voor de leden van de bemanning die geen schipper zijn, wordt volgens het model in de ES-QIN (Deel V, hoofdstuk 2) afgegeven. Het dienstboekje voor de schipper wordt volgens het model in de ES-QIN (Deel V, hoofdstuk 4) afgegeven.
-
- De bevoegde autoriteit is verantwoordelijk voor het invullen van de algemene gegevens en de afstempeling ter controle. De bevoegde autoriteit kan verlangen dat vaartijdenboeken dan wel uittreksels daarvan of andere relevante bewijsstukken getoond worden. De bevoegde autoriteit voorziet alleen ingeschreven reizen van een stempel die niet langer dan 15 maanden geleden zijn afgelegd.
-
- Een bemanningslid dat houder is van een kwalificatiecertificaat is slechts in het bezit van één actief dienstboekje.
-
- De houder overhandigt het dienstboekje aan de schipper bij de eerste indiensttreding aan boord.
-
- De schipper is verantwoordelijk voor de regelmatige aantekening van specifieke gegevens met betrekking tot de afgelegde reizen in het dienstboekje. De schipper
- a). bewaart het dienstboekje op een veilige plaats in het stuurhuis tot aan het einde van het dienstverband, arbeidscontract dan wel andere regeling;
- b). geeft het dienstboekje te allen tijde meteen aan de houder terug, als deze daarom verzoekt.
Paragraaf 1. : Eisen voor het verkrijgen van, en het bewijs van bekwaamheid
Artikel 5.02. Bewijs van vaartijd en reizen op bepaalde riviergedeelten
-
- De vereiste vaartijd en de reizen op bepaalde riviergedeelten worden aangetoond aan de hand van een naar behoren ingevuld en afgestempeld dienstboekje. Vaartijd kan worden opgebouwd
- a). op de Rijn en
- b). op binnenwateren waarop vaartijd kan worden opgebouwd voor de kwalificatiecertificaten van de Unie.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)