Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn (RSP)
-
- Als volgens de nationale voorschriften van de Rijnoeverstaten of van België voor de binnenwateren die niet in verbinding staan met het vaarwegennet van een andere staat, met inbegrip van wateren die geclassificeerd zijn als binnenwateren van maritieme aard, of als overeenkomstig Richtlijn (EU) 2017/2397 geen dienstboekje aanwezig hoeft te zijn, kan de vaartijd ook door een officieel document worden aangetoond dat ten minste de volgende gegevens dient te bevatten: Voor het overheidspatent worden de voorgeschreven reizen en vaartijd aan de hand van een verklaring aangetoond dat door de instantie waar de aanvrager bij in dienst is, wordt opgesteld.
- a). type, afmetingen, aantal passagiers en naam van de vaartuigen waarop de aanvrager heeft gevaren;
- b). naam van de schipper;
- c). tijdstip van het begin en het einde van de reizen;
- d). de uitgeoefende functies;
- e). de bevaren riviergedeelten (precieze aanduiding met plaatsen van vertrek en aankomst).
-
- De vaartijd kan eveneens aan de hand van een kwalificatiecertificaat schipper zoals bedoeld in de artikelen 12.01 of 12.03 worden aangetoond voor de duur van de vaartijd die voor het verkrijgen van dit certificaat vereist was.
-
- De vaartijd op zee wordt door middel van een monsterboekje aangetoond. De vaartijd in de kustvaart en visserij wordt aangetoond door een officieel document.
-
- De tijd die is doorgebracht voor het bezoeken van een schippersschool wordt door middel van het getuigschrift van de school aangetoond.
-
- Indien nodig worden de officiële documenten, zoals bedoeld in het tweede lid, samen met een beëdigde vertaling in de Duitse, Franse of Nederlandse taal overgelegd.
Artikel 5.03. Basisopleiding voor deskundigen
Personen die de taak als deskundige in de zin van artikel 5.02 moeten waarnemen, moeten voor het verkrijgen van de vakkennis aan een basisopleiding deelnemen. De basisopleiding moet in het kader van een door de bevoegde autoriteit georganiseerde of door haar erkende opleiding worden gevolgd en moet ten minste bestaan uit:
- a). theoretische scholing over:
- •. voorgeschreven inrichting en uitrusting van passagiersschepen;
- •. veiligheidsvoorschriften en inleiding over de vereiste hulpmaatregelen;
- •. taken van de bemanning en van het boordpersoneel overeenkomstig het veiligheidsdossier;
- •. grondbeginselen betreffende de stabiliteit van passagiersschepen bij averij;
- •. voorkoming van brand, brandbestrijding, gebruik van brandblusinrichtingen (werking van automatische sprinklerinstallaties, brandmeldsystemen en vast geïnstalleerde brandblusinstallaties);
- •. keuringsbewijs van de veiligheidsinrichtingen en -uitrustingen;
- •. principes van conflictbeheersing;
- •. grondbeginselen ter voorkoming van paniekreacties;
- b). praktische scholing over:
- •. kennis betreffende de bediening en het gebruik van de veiligheidsuitrusting van passagiersschepen (bijvoorbeeld het gebruik van reddingsvesten, het gebruik van drijflichamen, de omgang met de bijboot en met de overige reddingsmiddelen, de bediening van draagbare brandblusapparaten);
- •. kennis betreffende de praktische omzetting van veiligheidsvoorschriften en het treffen van de noodzakelijke reddingsmaatregelen (bijvoorbeeld de evacuatie van passagiers uit een ruimte vol rook naar een veilige omgeving, de bestrijding van een beginnende brand, het gebruik van de waterdichte en brandwerende deuren);
- c). een afsluitend examen.
Artikel 5.04. Opfriscursus voor deskundigen
-
- De deskundige voor de passagiersvaart moet voor het einde van een termijn van 5 jaar na een succesvolle deelname aan de basisopleiding, aan een door de bevoegde autoriteit erkende opfriscursus deelnemen.
-
- De opfriscursus moet met name betrekking hebben op typische gevaarsituaties (zoals bijvoorbeeld het voorkomen van paniek, brandbestrijding) en – voor zover mogelijk – informeren over nieuwe ontwikkelingen op het gebied van passagiersveiligheid. Tijdens de herhalingscursus moet door middel van oefeningen en tests worden vastgesteld dat de deelnemer actief aan de cursus heeft deelgenomen.
-
- De deskundige voor de passagiersvaart moet telkens voor het einde van een termijn van 5 jaar na deelname aan de vorige herhalingscursus opnieuw aan een herhalingscursus deelnemen.
Artikel 5.05. Eerste hulpverlener
De eerste hulpverlener moet ten minste 17 jaar zijn en de vereiste bekwaamheid bezitten. Deze wordt geacht aanwezig te zijn, indien de desbetreffende persoon
- a). aan een cursus voor eerste hulpverlener heeft deelgenomen, en
- b). regelmatig overeenkomstig artikel 5.07 wordt bijgeschoold.
Artikel 5.06. Persluchtmaskerdrager
De persluchtmaskerdrager moet ten minste 18 jaar zijn en de vereiste bekwaamheid bezitten, om de ademhalingsapparatuur zoals bedoeld in artikel 19.12, tiende lid, onderdeel a, van ES-TRIN, voor de redding van personen te kunnen gebruiken. Deze wordt geacht aanwezig te zijn, indien de betreffende persoon de lichamelijke en geestelijke geschiktheid en de bekwaamheid overeenkomstig de nationale voorschriften van de Rijnoeverstaten of België aantoont en regelmatig overeenkomstig artikel 5.07 is bijgeschoold.
Artikel 5.07. Cursussen en bijscholing voor eerste hulpverleners en persluchtmaskerdragers
De opleiding en bijscholing voor eerste hulpverleners en persluchtmaskerdragers moeten gevolgd worden overeenkomstig de voorschriften van één van de Rijnoeverstaten of België.
Artikel 5.08. Wijze van aantonen van bekwaamheid
-
- De bekwaamheid van deskundige voor de passagiersvaart wordt bevestigd door een verklaring van deskundige voor de passagiersvaart volgens het model van bijlage C1, die wordt afgegeven door de bevoegde autoriteit of het opleidingsinstituut. Na deelname aan een herhalingscursus verlengt de bevoegde autoriteit of het opleidingsinstituut de verklaring van de deelnemer als deskundige voor de passagiersvaart met 5 jaar, of wordt hem een nieuwe verklaring verstrekt.
-
- Op vertoon van het cursusbewijs geeft de bevoegde autoriteit een verklaring af betreffende de bevoegdheidals eerste hulpverlener volgens het model van bijlage C2 of verlengt deze. Als verklaringen gelden ook de documenten van de nationale of regionale organisaties van het Rode Kruis of vergelijkbare nationale of regionale reddingsorganisaties die door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart gepubliceerd worden.
-
- Op vertoon van het cursusbewijs geeft de bevoegde autoriteit een verklaring af betreffende de bevoegdheid als persluchtmaskerdrager volgens het model van bijlage C3 of verlengt deze. Deze cursusbewijzen gelden als verklaring, als deze zijn afgegeven door een volgens het nationale recht van de Rijnoeverstaten of België erkend opleidingsinstituut en door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart gepubliceerd zijn.
-
- De verklaring van deskundige voor de passagiersvaart overeenkomstig bijlage C1, de verklaring van eerste hulpverlener overeenkomstig bijlage C2 en de verklaring van persluchtmaskerdrager overeenkomstige bijlage C3 kunnen in één enkel document overeenkomstig bijlage C4 worden samengevat.
Paragraaf 2. : Verplichtingen bij de exploitatie van passagiersschepen
Artikel 5.09. Aantal leden veiligheidspersoneel
-
- Deskundigen voor de passagiersvaart, eerste hulpverleners en persluchtmaskerdragers moeten ten minste in de navolgende aantallen aanwezig zijn: Voor hotelschepen met een lengte van 45 m of minder, waarvan de kabines voorzien zijn van een aantal vluchtmaskers dat overeenkomt met het aantal bedden en die voor het grijpen liggen, zijn persluchtmaskerdragers niet vereist.
- a). gedurende de vaart aan boord:
- aa). schepen voor dagtochten
| groep | Aantal personenaan boord | Deskundige voor de passagiersvaart | Eerste hulpverleners |
|---|---|---|---|
| 1 | tot 250 | 1 | 1 |
| 2 | meer dan 250 | 1 | 2 |
- bb). hotelschepen
| groep | Aantal bezette bedden | Deskundigen voor de passagiersvaart | Eerste hulpverleners | Persluchtmaskerdragers |
|---|---|---|---|---|
| 1 | tot 100 | 1 | 1 | 2 |
| 2 | meer dan 100 | 1 | 2 | 2 |
- b). permanent beschikbaar tijdens het stilliggen: het in bovenstaande tabel voorgeschreven veiligheidspersoneel in onderdeel a)voor groep 1 .
-
- Op schepen voor dagtochten met een toegelaten aantal personen van niet meer dan 75 en op stilliggende passagiersschepen mogen de functies van deskundigen voor de passagiersvaart en eerste hulpverlener door één en dezelfde persoon worden waargenomen. In alle andere gevallen mag de taak van deskundige voor de passagiersvaart, eerste hulpverlener en persluchtmaskerdrager niet door één en dezelfde persoon worden waargenomen.
Artikel 5.10. Plichten van de schipper en de deskundige
-
- Onverminderd de voorschriften van het Rijnvaartpolitiereglement moet de schipper:
- a). de deskundige voor de passagiersvaart met het veiligheidsdossier en het veiligheidsplan, zoals bedoeld in artikel 19.13 van ES-TRIN vertrouwd maken,
- b). het veiligheidspersoneel instruëren en bekend maken met het passagiersschip,
- c). de vereiste bevoegdheid van het veiligheidspersoneel aan boord, zoals bedoeld in de artikelen 5.02 tot en met 5.07, op ieder momentaan de hand van de verklaringen zoals bedoeld in artikel 5.08 kunnen aantonen,
- d). ervoor zorgen dat gecontroleerd kan worden dat er regelmatig veiligheidsrondes plaatsvinden.
-
- De deskundige voor de passagiersvaart moet zorgdragen voor de surveillance van de veiligheidsinrichtingen en -uitrustingen overeenkomstig het veiligheiddossier en voor de veiligheid van de passagiersschepen in geval van gevaar en in noodsituaties aan boord. Hij moet het veiligheiddossier en het veiligheidsplan in detail kennen en overeenkomstig de door de schipper verstrekte instructies:
- a). de leden van de bemanning en het boordpersoneel die op grond van het veiligheidsdossier in noodsituaties bepaalde taken te vervullen hebben, deze taken toekennen;
- b). de leden van de bemanning en het boordpersoneel regelmatig over de hun toebedeelde taken informeren;
- c). de passagiers aan boord van hotelschepen bij het begin van de reis over de gedragsregels en de inhoud van het veiligheidsplan informeren.
Artikel 5.11. Toezicht
Zolang zich passagiers aan boord bevinden, moet er ’s nachts ieder uur een controleronde gemaakt worden. Er moet op een adequate wijze kunnen worden gecontroleerd of deze rondes plaatsvinden.
Deel III. Voorschriften betreffende de vaarbevoegdheidsbewijzen
Hoofdstuk 6. Op deel III van toepassing zijnde algemene bepalingen
Artikel 6.01. Goedkeuring van een opleidingsprogramma
-
- De bevoegde autoriteit mag een opleidingsprogramma alleen goedkeuren indien:
- a). de opleidingsdoelstellingen, leerinhoud, methoden, hulpmiddelen voor kennisoverdracht, procedures, met inbegrip van, in voorkomend geval, het gebruik van simulatoren, en het cursusmateriaal naar behoren zijn gedocumenteerd en aanvragers in staat stellen om de competentienormen te bereiken;
- b). de programma’s voor de beoordeling van de betrokken competenties worden uitgevoerd door gekwalificeerde personen met diepgaande kennis van het opleidingsprogramma;
- c). het examen wordt afgenomen door gekwalificeerde examinatoren die vrij zijn van belangenconflicten.
-
- Voor de afgifte van kwalificatiecertificaten erkennen de Rijnoeverstaten en België alle diploma’s die na succesvolle afronding van de overeenkomstig het eerste lid door andere landen op grond van dit reglement of Richtlijn (EU) 2017/2397 goedgekeurde opleidingsprogramma’s werden afgegeven.
-
- De bevoegde autoriteiten stellen de CCR op de hoogte van elk besluit over de goedkeuring van een opleidingsprogramma of over de intrekking of opschorting van de goedkeuring. De lijst van goedgekeurde opleidingsprogramma’s wordt door de CCR op de website geplaatst.
-
- De goedkeuring wordt verleend voor onbepaalde tijd. Na tien jaar moet de organisator van het opleidingsprogramma aan de bevoegde autoriteit schriftelijke stukken overleggen waaruit blijkt dat het opleidingsprogramma nog steeds voldoet aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden.
-
- Indien een opleidingsprogramma niet meer aan de voorwaarden van het eerste lid voldoet, wordt de goedkeuring onverwijld door de bevoegde autoriteit ingetrokken of opgeschort. Diploma’s die zijn uitgereikt na de intrekking of opschorting worden niet meer door de bevoegde autoriteit voor de afgifte van een kwalificatiecertificaat in aanmerking genomen.
Artikel 6.02. Verplichting tot het hebben van een schipperspatent
-
- Degene die op de Rijn een schip wil voeren, moet houder zijn van een overeenkomstig het onderhavige reglement afgegeven Rijnpatent of een door de CCR als gelijkwaardig erkend vaarbevoegdheidsbewijs voor het type en de afmetingen van het betreffende schip, alsmede voor het te bevaren riviergedeelte; de lijst van de als gelijkwaardig erkende vaarbevoegdheidsbewijzen alsmede de eventuele aanvullende voorwaarden voor deze erkenning zijn in bijlage D5 opgenomen.
-
- Het Rijnpatent wordt verleend voor de gehele Rijn of voor een bepaald gedeelte daarvan; wordt het voor een bepaald riviergedeelte afgegeven, dan geldt het ook voor de vaart benedenstrooms van het Spijksche Veer (km 857,40) en op het gedeelte tussen Bazel (Mittlere Rheinbrücke km 166,64) en de sluizen van Iffezheim (km 335,92). De als gelijkwaardig erkende vaarbevoegdheidsbewijzen gelden slechts op de in artikel 7.05 beschreven riviergedeelten, als de bezitter een bewijs voor riviergedeelten conform het model van bijlage D3 bezit.
-
- Voor de vaart benedenstrooms van het Spijksche Veer (km 857,40) en op het riviergedeelte tussen Bazel (Mittlere Rheinbrücke – km 166,64) en de sluizen van Iffezheim (km 335,92), kan worden volstaan met:
- a). in plaats van het in artikel 7.01 bedoelde patent , een vaarbewijs als bedoeld in bijlage I van Richtlijn 91/672/EEG, of een vaarbewijs afgegeven krachtens Richtlijn 96/50/EG;
- b). in plaats van het patent, zoals bedoeld in de artikelen 7.02 tot en met 7.04, een ander door de bevoegde autoriteit als gelijkwaardig erkend bewijs van vaarbekwaamheid.
-
- Voor schepen met een lengte van minder dan 15 m, met uitzondering van passagiersschepen, duw- en sleepboten, kan worden volstaan met een bewijs van vaarbekwaamheid voor de binnenwateren dat in overeenstemming is met de nationale voorschriften van de Rijnoeverstaten en België.
-
- De verplichting tot het hebben van een patent wordt uitsluitend geregeld door de nationale voorschriften van de Rijnoeverstaten
- a). voor veerponten;
- b). voor schepen die slechts door spierkracht worden voortbewogen;
- c). voor schepen met een lengte van minder dan 15 m die slechts door middel van zeilen worden voortbewogen of voorzien zijn van een aandrijvingsmotor met een vermogen van niet meer dan 3,68 kW.
Artikel 6.03. Verplichting tot het hebben van een radarpatent
-
- Degene die op de Rijn op radar wil varen moet, naast het voor het te bevaren riviergedeelte benodigde schipperspatent, houder zijn van een radarpatent dat in overeenstemming met dit reglement is afgegeven of van een ander door de CCR als gelijkwaardig erkendbewijs van bekwaamheid voor de radarvaart. De lijst van de als gelijkwaardig erkende ’bewijzen van bekwaamheid voor de radarvaart, alsmede de eventuele aanvullende voorwaarden voor deze erkenning zijn in bijlage D6 opgenomen.
-
- De bevoegde autoriteit kan binnen het gebied waar hij bevoegd is, in afwijking van artikel 8.05, voor het voeren van een veerpont een een radarpatent afgeven, waarinrekening wordt gehouden met de bijzonderheden van het traject waarvoor het radarpatent moet gelden.
Artikel 6.04. Soorten patent
In de zin van dit reglement onderscheidt men
-
- vier soorten Rijnpatenten: Met de bovengenoemde patenten is het eveneens geoorloofd een schip te voeren als bedoeld in artikel 6.02, vierde lid.
- a). het grote patent voor het voeren van alle schepen;
- b). het kleine patent voor het voeren van een schip met een lengte van minder dan 35 m, mits het geen sleep- of duwboot is, of dat het niet voor het voortbewegen van een gekoppeld samenstel dient of voor het voeren van een schip dat is bestemd voor het vervoer van niet meer dan 12 passagiers;
- c). het sportpatent voor het voeren van een pleziervaartuig met een lengte van minder dan 25 m;
- d). het overheidspatent voor het voeren van overheidsschepen en van brandweerboten.
-
- Een radarpatent voor de radarvaart.
Hoofdstuk 7. Bepalingen betreffende de Rijnpatenten
Paragraaf 1. : Voorwaarden voor het verkrijgen van een Rijnpatent
Subparagraaf 1. : Algemene eisen
Artikel 7.01. Toelating tot het administratief examen
-
- Een kandidaat voor een administratief examen wordt toegelaten tot het examen wanneer het aanvraagdossier volledig is, overeenkomstig de van toepassing zijnde vereisten.
-
- Indien uit de medische verklaring slechts een beperkte medische geschiktheid blijkt, kan de kandidaat toch tot het examen worden toegelaten. Een afwijzing van de aanvraag is met redenen omkleed.
Artikel 7.02. Inhoud van het administratief examen
-
- De kandidaat moet tijdens het examen voor de examencommissie aantonen dat hij beschikt over voldoende kennis en vaardigheden; deze competenties worden aangetoond door een examen dat bestaat uit een theoretisch en een praktisch deel.
-
- Indien het examen niet wordt gehaald, worden de redenen aan de kandidaat meegedeeld. De examencommissie kan aan het opnieuw deelnemen aan een examen vereisten of voorwaarden verbinden dan wel bepaalde vrijstellingen verlenen.
Artikel 7.03. Examencommissie voor het administratief examen
-
- De bevoegde autoriteit benoemt één of meer examencommissies voor het afnemen van het administratief examen. Iedere examencommissie bestaat uit een voorzitter die vertegenwoordiger is van de bevoegde autoriteit, en ten minste twee examinatoren die voldoende ter zake kundig zijn.
-
- De examencommissies voor mondelinge of praktijkexamens ten behoeve van kwalificatiecertificaten als bedoeld in dit reglement zijn zodanig samengesteld dat ten minste één examinator houder is van de dienovereenkomstige kwalificatie.
-
- Gedurende schriftelijke of aan een computer afgelegde examens kunnen de examinatoren vervangen worden door één of meerdere bevoegde supervisoren.
Artikel 7.04. Overheidspatent
-
- Degene die het overheidspatent wil verkrijgen, moet:
- a). ten minste 21 jaar oud zijn;
- b). deel uit maken van een politie- of douanedienst, een andere autoriteit dan wel van een erkende brandweerdienst;
- c). lichamelijk en geestelijk geschikt zijn om een schip te voeren. De lichamelijke en geestelijke geschiktheid wordt aangetoond door het overleggen van een medische verklaring overeenkomstig de bijlagen B1 en B2, die is afgegeven door een arts die door de bevoegde autoriteit erkend is;;
- d). bekwaam zijn, dat wil zeggen, beschikken over de noodzakelijke beroepsmatige vaardigheden en kennis, ook in nautisch opzicht, alsmede over voldoende kennis van de reglementen en de vaarweg. Aan de voorwaarden wordt geacht te zijn voldaan wanneer de kandidaat het daartoe ingestelde examen met goed gevolg heeft afgelegd.
- e). ten minste drie jaar praktische ervaring in de binnenvaart hebben opgedaan, waarvan ten minste drie maanden gedurende het laatste jaar.
-
- De autoriteit waaronder de kandidaat ressorteert, moet een verklaring hebben afgegeven waarin wordt bevestigd dat de kandidaat voldoet aan de in het eerste lid, onderdelen b) en e) en inde artikelen 7.05 en 7.06 genoemde vereisten..
Subparagraaf 2. : Kennis vanriviergedeelten
Artikel 7.05. Bedoeld riviergedeelte
Ongeacht het soort patent is specifieke kennis van riviergedeelten bovendien verplicht tussen de sluizen te Iffezheim (km 335,92) en het Spijksche Veer (km 857,40).
Artikel 7.06. Verkrijging van de kennis van een riviergedeelte
-
- Degene die een Rijnpatent of een bewijs voor een riviergedeelte wil verkrijgen, moet het aangevraagde gedeelte, dat zich tussen de sluizen te Iffezheim en het Spijksche Veer bevindt, in de laatste tien jaren ten minste zestien maal hebben bevaren, waarvan binnen de laatste drie jaren ten minste drie maal in elke richting.
- a). Degene die een grote patent, een kleine patent of een bewijs voor een riviergedeeltewil verkrijgen, moet zijn reizen als matroos, volmatroos of stuurman aan boord van een motorschip hebben gemaakt, voor het voeren waarvan het aangevraagde patent of een door de CCR als gelijkwaardig erkend vaarbevoegdheidsbewijs is voorgeschreven.
- b). Degene die een sportpatent wil verkrijgen, moet zijn reizen aan boord van een schip met een lengte van 15 m of meer hebben gemaakt; de reizen komen slechts in aanmerking, als de persoon ten minste 15 jaar oud is. Het aantal voorgeschreven reizen kan verminderd worden tot vier reizen in elke richting binnen het laatste jaar voorafgaand aan de aanvraag, als de reizen in het kader van een vakopleiding zijn afgelegd.
- c). Degene die een overheidspatent wil verkrijgen, moet zijn reizen aan boord van een schip met een lengte van 15 m of meer hebben gemaakt; de reizen komen slechts in aanmerking, als de persoon ten minste 15 jaar oud is.
-
- De kandidaat moet bovendien met goed gevolg een examen hebben afgelegd, dat een beschrijving van de vaarweg in de op- en de afvaart, een beschrijving van de afmetingen van de vaarweg en vragen moet omvatten, waarmee kan worden vastgesteld dat hij in staat is de specifieke voorschriften van het Politiereglement voor het riviergedeelte dat ligt tussen de sluizen van Iffezheim en het Spijksche Veer kan toepassen (bijlage D7).
Artikel 7.07. Bewijs van kennis voor een riviergedeelte
-
- De kandidaat voor een patent voor een riviergedeelte dat het in artikel 7.05 gedefinieerde riviergedeelte geheel of gedeeltelijk omvat, en de houder van een als gelijkwaardig erkend vaarbevoegdheidsbewijs, die het in artikel 7.05 gedefinieerde riviergedeelte geheel of gedeeltelijk willen bevaren, moeten de vereiste kennis van het riviergedeelte kunnen aantonen.
-
- Als bewijs van de kennis van riviergedeelten wordt op de patentkaart het riviergedeelte aangegeven waarvoor deze patentkaart geldig is. Voor vaarbevoegdheidsbewijzen die erkend zijn als gelijkwaardig aan het grote patent, wordt de kennis van het riviergedeelte door middel van een bewijs voor riviergedeelten overeenkomstig bijlage D3 aangetoond.
Paragraaf 2. : Toelatings- en examenprocedure
Artikel 7.08. Examencommissie
-
- De bevoegde autoriteit benoemt één of meer examencommissies voor het afnemen van de examens. Iedere examencommissie bestaat uit een voorzitter die vertegenwoordiger is van de overheid van één van de Rijnoeverstaten of België, en ten minste twee examinatoren die voldoende ter zake kundig zijn.
-
- De examencommissie voor het Rijnpatent moet zo zijn samengesteld, dat ten minste één examinator houder is van het patent van het type dat wordt aangevraagd dan wel van het grote patent en deze, of een ander lid van de examencommissie, houder is van het patent voor het aangevraagde riviergedeelte.
Artikel 7.09. Aanvraag voor de verkrijging of uitbreiding van een Rijnpatent
-
- Degene die een Rijnpatent wil verkrijgen of uitbreiden, moet aan de bevoegde autoriteit een aanvraag voor toelating tot het examen en afgifte van het patent richten, onder opgave van het volgende:
- a). voor- en achternaam, geboortedatum, geboorteplaats en adres;
- b). soort patent dat men wil verkrijgen;
- c). gedeelte van de Rijn waarvoor het patent wordt aangevraagd.
-
- Bij de aanvraag van een Rijnpatent moeten de volgende stukken worden overgelegd:
- a). een recente pasfoto;
- b). een kopie van de identiteitskaart of het paspoort;
- c). een medische verklaring overeenkomstig bijlage B2, die niet ouder dan drie maanden mag zijn. In geval van twijfel aan de lichamelijke en geestelijke geschiktheid kan de bevoegde autoriteit verlangen dat aanvullende verklaringen van een specialist worden overgelegd.
- d). een bewijs van de vaartijd en van de afgelegde reizen;
- e). bij aanvraag van een groot of een klein patent een kopie van het marifoonbedieningscertificaat;
- f). een uittreksel uit het strafregister.
-
- In plaats van een medische verklaring zoals bedoeld in bijlage B2, kan de lichamelijke en geestelijke geschiktheid eveneens worden aangetoond door één van de volgende, door de CCR erkende documenten:
- a). een geldig vaarbevoegdheidsbewijs, waarvoor dezelfde minimumeisen gelden als vastgesteld in de bijlagen B1 en B2 en dat conform artikel 3.04, onderdeel a) is vernieuwd, of
- b). een medische verklaring, die niet ouder dan drie maanden is en op zijn minst moet voldoen aan de eisen zoals vastgesteld in de bijlagen B1 en B2.
-
- In plaats van het uittreksel uit het strafregister kan de geschiktheid voor het voeren van het commando over een bemanning worden aangetoond met een gelijkwaardig document overeenkomstig het geldende recht van de woonplaats. Dit document moet nog geldig zijn en mag niet ouder zijn dan 6 maanden.
-
- Bij de aanvraag voor de uitbreiding van een Rijnpatent moeten de volgende stukken worden overgelegd:
- a). een recente pasfoto;
- b). een kopie van de identiteitskaart of het paspoort;
- c). een kopie van het geldige Rijnpatent;
- d). het bewijs van de afgelegde reizen.
-
- Bij de aanvraag voor een ander type Rijnpatent door een houder van een Rijnpatent moeten de volgende stukken worden gevoegd:
- a). een recente pasfoto;
- b). een kopie van de identiteitskaart of het paspoort;
- c). een kopie van het geldige Rijnpatent.
Artikel 7.10. Aanvraag voor de verkrijging of uitbreiding van een bewijs voor kennis van een riviergedeelte
-
- Degene die een bewijs voor kennis van een riviergedeelte wil verkrijgen of uitbreiden, moet een aanvraag tot de bevoegde autoriteit richten voor toelating tot het examen en afgifte van een bewijs voor een riviergedeelte, onder vermelding van de volgende gegevens:
- a). voor- en achternaam, geboortedatum, geboorteplaats en adres;
- b). gedeelte van de Rijn waarvoor het bewijs van kennis voor een riviergedeelte wordt aangevraagd.
-
- Bij de aanvraag voor het verkrijgen of uitbreiden van een bewijs van kennis voor een riviergedeelte moeten de volgende stukken worden gevoegd:
- a). een recente pasfoto;
- b). een kopie van de identiteitskaart of het paspoort;
- c). een kopie van het door de CCR, overeenkomstig artikel 6.02, eerste lid, als gelijkwaardig erkend geldig vaarbevoegdheidsbewijs
- d). het bewijs van de afgelegde reizen.
Artikel 7.11. Toelating tot het examen
-
- Een kandidaat voor een Rijnpatent wordt toegelaten tot het examen wanneer alle vereisten zoals bedoeld in de artikelen 7.01, 7.02, met uitzondering van het derde lid, onderdeel c), of 7.03, met uitzondering van het tweede lid, onderdeel c) worden nagekomen en het aanvraagdossier volledig is overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.09, eerste tot en met vierde lid. Indien uit de medische verklaring slechts een beperkte geschiktheid blijkt, wordt de kandidaat toch tot het examen toegelaten. De bevoegde autoriteit kan in dit geval aan het patent voorwaarden verbinden, die bij afgifte in het patent worden aangetekend. Een afwijzing van de aanvraag moet met redenen worden omkleed. De bevoegde autoriteit kan voor een kandidaat, wiens uittreksel uit het strafregister of een ander gelijkwaardig document niet aan de eisen voldoet, beslissen dat hij vóór afloop van een bepaalde termijn niet tot een examen kan worden toegelaten (uitsluitingstermijn).
-
- Degene die een Rijnpatent met een ander riviergedeelte wil uitbreiden, wordt tot het examen toegelaten, als het aanvraagdossier volledig is overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.09, eerste en vijfde lid.
-
- De houder van een Rijnpatent die een ander type Rijnpatent wil verkrijgen, wordt tot het examen toegelaten, als het aanvraagdossier volledig is overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.09, eerste en zesde lid.
-
- Degene die een bewijs voor kennis van een riviergedeelte wil verkrijgen of uitbreiden, wordt tot het examen toegelaten, als het aanvraagdossier volledig is, overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.10.
Artikel 7.12. Examen
-
- De kandidaat moet tijdens het examen voor de examencommissie aantonen dat hij:
- a). beschikt over voldoende kennis van de voorschriften met betrekking tot het voeren van schepen en de voor het veilig voeren van schepen vereiste nautische en technische kennis, beroepsvaardigheden en kennis van de grondbeginselen van de ongevallenpreventie; deze kennis wordt door een examen overeenkomstig het examenprogramma van bijlage D7 getoetst;
- b). beschikt over de vereiste kennis van het riviergedeelte, indien krachtens artikel 7.05 voor het desbetreffende riviergedeelte een dergelijk examen vereist is.
-
- Voor het verkrijgen van het grote patent of het kleine patent is een theoretisch examen, en voor het verkrijgen van het sportpatent of het overheidspatent een theoretisch en een praktisch examen vereist.
-
- Indien het examen niet wordt gehaald, wordende redenenaan de kandidaat meegedeeld. De examencommissie kan aan het opnieuw deelnemen aan een examen vereisten of voorwaarden verbinden dan wel bepaalde vrijstellingen verlenen.
Artikel 7.13. Vrijstellingen en verlaging van de eisen voor het examen
-
- Degene die het eindexamen van een beroepsopleiding met goed gevolg heeft afgelegd, kan worden vrijgesteld van dat gedeelte van het examen dat betrekking heeft op kennis en vaardigheden die reeds onderwerp waren van een door de CCR als gelijkwaardig erkend examen.
-
- De houder van een bewijs van vaarbekwaamheid zoals bedoeld in artikel 6.02, vierde lid, kan worden vrijgesteld bij het verwerven van het sportpatent van dat gedeelte van het examen dat betrekking heeft op nautische kennis.
-
- De houder van een vaarbewijs van één der Rijnoeverstaten of België dan wel een ander geldig en door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart als gelijkwaardig erkend bewijs van vaarbekwaamheid moet voor het verkrijgen van een Rijnpatent voldoen aan de toelatingseisen als bedoeld in artikel 7.11, doch tijdens het examen slechts de kennis van de op de Rijn van toepassing zijnde reglementen en bepalingen en de kennis van het betreffende riviergedeelte conform artikel 7.05 aantonen.
-
- De houder van een overheidspatent verkrijgt op aanvraag een sportpatent voor hetzelfde riviergedeelte zonder daarvoor examen te doen.
-
- Voor het verkrijgen van een ander patent als bedoeld in artikel 6.04 of van een uitbreiding tot een ander riviergedeelte kan de houder van een Rijnpatent van dat deel van het examen worden vrijgesteld dat betrekking heeft op de kennis of de vaardigheden, die reeds voor het verkrijgen van zijn huidige patent moesten worden aangetoond.
Artikel 7.14. Afgifte en uitbreiding van Rijnpatenten
-
- De bevoegde autoriteit geeft aan degene die het examen met goed gevolg heeft afgelegd het betreffende Rijnpatent af volgens het model van de bijlage D1. De patentkaart heeft één der navolgende opdrukken: ‘Groot Patent’, ‘Klein Patent’, ‘Sportpatent’ of ‘Overheidspatent’.
-
- De voorwaarden bedoeld in artikel 7.11, eerste lid, derde volzin, moeten op de patentkaart zijn aangetekend.
-
- Voor de tijd gelegen tussen het slagen voor het examen en de afgifte van het patent volgens het model van de bijlage D1, verstrekt de autoriteit die het patent afgeeft een voorlopig Rijnpatent volgens het model van de bijlage D2; ook kan de bevoegde autoriteit een voorlopig Rijnpatent verstrekken voor de tijd tussen de vervaldatum voor de vernieuwing van het patent en de afgifte van het nieuwe Rijnpatent.
-
- In geval van een uitbreiding kan een bevoegde autoriteit het in het derde lid bedoelde voorlopige Rijnpatent ook afgeven ter overbrugging van de tijd gelegen tussen het slagen voor het examen en de afgifte van het nieuwe Rijnpatent. In verband met de afgifte van een nieuw Rijnpatent volgens het model van de bijlage D1 wordt de autoriteit die het patent heeft afgegeven, hiervan in kennis gesteld.
-
- De autoriteit die het patent heeft afgegeven, geeft op verzoek een vervangend patent af indien het Rijnpatent onbruikbaar is geworden of verloren is gegaan. Dit patent wordt als zodanig gewaarmerkt. De houder moet bij de bevoegde autoriteit melding maken van het verlies. Een onbruikbaar geworden of een teruggevonden patent moet bij de autoriteit die het heeft afgegeven worden ingeleverd of worden overgelegd om ongeldig te worden gemaakt.
Artikel 7.15. Afgifte van een bewijs voor kennis van riviergedeelten
De bevoegde autoriteit geeft aan degene die het examen voor de kennis van riviergedeelten zoals voorzien in artikel 7.06, tweede lid, met goed gevolg heeft afgelegd een bewijs voor kennis van riviergedeelten af volgens het model van de bijlage D3.
Artikel 7.16. Kosten
Het examen, de afgifte, de uitbreiding, de verlenging en het verstrekken van het Rijnpatent of een bewijs voor kennis van riviergedeelten, evenals de afgifte van een duplicaat en het omruilen worden gedaan tegen een redelijke vergoeding van de kosten door de aanvrager. De hoogte van de kosten wordt door de bevoegde autoriteit vastgesteld. Deze kan vanaf het tijdstip van de aanvaarding van de aanvraag gehele of gedeeltelijke betaling eisen.
Paragraaf 3. : Controle van de lichamelijke en geestelije geschiktheid
Artikel 7.17. Regelmatige controle van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid
-
- De houder van het grote patent, het kleine patent, het sportpatent of een door de CCR als gelijkwaardig erkend vaarbevoegdheidsbewijs moet zijn lichamelijke en geestelijke geschiktheid opnieuw aantonen door het overleggen van een medische verklaring, overeenkomstig artikel 3.04, onderdeel a) van dit reglement.
-
- Hij moet zijn bewijs van lichamelijke en geestelijke geschiktheid voorleggen aan de autoriteit die het patent heeft afgegeven. Hij kan het bewijs ook aan een andere bevoegde autoriteit voorleggen. Deze autoriteit geeft de overgelegde stukken door aande autoriteit die het patent heeft afgegeven en kan in de plaats van deze autoriteit een tijdelijke Rijnpatent afgeven.
-
- Voor de houders van een als gelijkwaardig erkende verklaring, moet de medische verklaring worden overgelegd aan een autoriteit die voor de afgifte van een Rijnpatent gerechtigd is of aan de autoriteit die de als gelijkwaardig erkende verklaring heeft afgegeven.
Artikel 7.18. Bewijs van lichamelijke en geestelijke geschiktheid door houders van een Rijnpatent vanaf de leeftijd van 50 jaar
-
- De autoriteit die het patent heeft afgegeven, verstrekt de houder van een patent op vertoon van een medische verklaring, op basis van deze verklaring: Op het bewijs van lichamelijke en geestelijke geschiktheid als bedoeld in bijlage B3 moet een vervaldatum vermeld staan die de vervaldatum van de patentkaart vervangt.
- a). een nieuwe patentkaart bij het bereiken van de leeftijd van 50 en 65 jaar;
- b). een nieuwe patentkaart of een bewijs van lichamelijke en geestelijke geschiktheid als bedoeld in bijlage B3, bij het bereiken van de leeftijd van 55 en 60 jaar;
- c). een bewijs van lichamelijke en geestelijke geschiktheid als bedoeld in bijlage B3, voor de controles die na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar plaatsvinden.
-
- Het bewijs overeenkomstig bijlage B3, zoals bedoeld in het eerste lid, onderdelen b) en c), kan worden vervangen door een aantekening door de bevoegde autoriteit die het patent heeft afgegeven, op de overeenkomstig bijlage B2 afgegeven medische verklaring . De aantekening op de medische verklaring moet in dit geval ook de geldigheidsdatum vermelden, die de geldigheidsdatum van de patentkaart in dat geval vervangt.
-
- Blijkt uit de medische verklaring slechts een beperkte lichamelijke en geestelijke geschiktheid, dantekent de bevoegde autoriteit de aanvullende voorwaarden voor de geldigheid van het patent aan op de vernieuwde patentkaart, op het bewijs van lichamelijke en geestelijke geschiktheid of op de medische verklaring die is afgegeven overeenkomstig bijlage B2.
-
- Wordt geen nieuwe patentkaart afgegeven, dan is het Rijnpatent slechts geldig, als de houder van het patent in het bezit is van een bewijs van lichamelijke en geestelijke geschiktheid bedoeld in bijlage B3 of van een door de bevoegde autoriteit gewaarmerkte medische verklaring overeenkomstig bijlage B2.
Artikel 7.19. Bewijs van lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor houders van een als gelijkwaardig erkend vaarbevoegdheidsbewijs vanaf de leeftijd van 50 jaar
-
- De bevoegde autoriteit, zoals deze in artikel 7.17, derde lid, wordt gedefinieerd, geeft op vertoon van de medische verklaring en op basis daarvan, de houder van een door de CCR als gelijkwaardig erkend vaarbevoegdheidsbewijs vanaf de leeftijd van 50 jaar een verklaring van lichamelijke en geestelijke geschiktheid conform het model van bijlage B3. Gelden volgens de nationale regelgeving voor de vernieuwing van de verklaring van lichamelijke en geestelijke geschiktheid dezelfde eisen als volgens dit reglement en de met de aanvraag belaste autoriteit tevens de autoriteit is die het als gelijkwaardig erkende vaarbevoegdheidsbewijs afgeeft, dan kan deze ook in plaats van een verklaring voor de lichamelijke en geestelijke geschiktheid volgens het model van bijlage B3, bij elke vernieuwing van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid een nieuw vaarbevoegdheidsbewijs afgeven waarop de geldigheidsdatum vermeld staat.
-
- Blijkt uit de medische verklaring slechts een beperkte lichamelijke en geestelijke geschiktheid, dan vult de bevoegde autoriteit op het bewijs van lichamelijke en geestelijke geschiktheid of op het vernieuwde vaarbevoegdheidsbewijs de aanvullende voorwaarden voor de geldigheid van het als gelijkwaardig erkende vaarbevoegdheidsbewijs op de Rijn in.
-
- Als er geen nieuw vaarbevoegdheidsbewijs wordt afgegeven, dan is het als gelijkwaardig erkende vaarbevoegdheidsbewijs alleengeldig, als dit vergezeld gaat van een verklaring van lichamelijke en geestelijke geschiktheid overeenkomstig het model van bijlage B3.
Paragraaf 4. : Opschorting en intrekking
Artikel 7.20. Verlies van de geldigheid van het Rijnpatent
-
- De geldigheid van een Rijnpatent wordt opgeschort
- a). door een beslissing van de bevoegde autoriteit die daarbij de duur van de opschorting vaststelt. De bevoegde autoriteit kan een dergelijke beslissing tot opschorting nemen wanneer niet aan alle voorwaarden voor intrekking is voldaan, maar er twijfel bestaat over de geschiktheid van de patenthouder. Indien deze twijfel vóór het einde van de opschortingstermijn wordt weggenomen, dient de beslissing te worden ingetrokken;
- b). van ambtswege, zelfs zonder een dergelijke beslissing, tot aan de vernieuwing van het bewijs van lichamelijke en geestelijke geschiktheid, indien de lichamelijke en geestelijke geschiktheid niet binnen drie maanden na de verlengingstermijn, zoals vastgesteld in artikel 3.04, onderdeel a), opnieuw is aangetoond.
-
- Heeft de bevoegde autoriteit twijfels aan de lichamelijke en geestelijke geschiktheid van een Rijnpatenthouder,
- a). informeert ze de autoriteit die het patent heeft afgegeven. Deze kan verlangen dat een medische verklaring overeenkomstig bijlage B2, of een door de CCR als gelijkwaardig erkende medische verklaring betreffende de huidige staat van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid wordt overgelegd. De houder van het patent hoeft alleen dan op te komen voor de kosten hiervan, als het vermoeden gegrond blijkt te zijn;
- b). kan ze de geldigheid van het patent opschorten, voor een periode die de datum van het besluit vande autoriteit die het Rijnpatent heeft afgegeven op basis van de nieuwe medische verklaring niet mag overschrijden. In dit geval inormeert zij de CCR en de autoriteit die het patent heeft afgegeven over haar beslissing.
-
- In het geval zoals bedoeld in het eerste lid, onderdeel a), moet het Rijnpatent bij de bevoegde autoriteit in bewaring worden gegeven.
Artikel 7.21. Opschorting van de geldigheid van een als gelijkwaardig erkend vaarbevoegdheidsbewijs
Het door de CCR als gelijkwaardig erkend vaarbevoegdheidsbewijs verliest van amtbstwege, zijn geldigheid op de Rijn, zelfs zonder een beslissing,
- a). wanneer het bewijs van lichamelijke en geestelijke geschiktheid conform bijlage B3 niet wordt getoond, of niet binnen drie maanden na de in artikel 3.04, onderdeel a), bedoelde verlengingstermijn wordt vernieuwd, of
- b). wanneer in de gevallen waarin de CCR overeenkomstig artikel 7.19, eerste lid, de afgifte van een nieuw vaarbevoegdheidsbewijs als geldig bewijs voor de vernieuwing van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid erkent, de geldigheidsdatum van het als gelijkwaardig erkende vaarbevoegdheidsbewijs sedert ten minste drie maanden verstreken is.
Artikel 7.22. Intrekking van het Rijnpatent
-
- De autoriteit die het patent heeft afgegeven, moet het patent intrekken, indien blijkt dat de houder van een Rijnpatent in de zin van de artikelen 7.01, 7.02 en 7.03 niet bekwaam is tot het voeren van een schip.
-
- De autoriteit die het patent heeft afgegeven kan het patent intrekken, indien de houder van een Rijnpatent herhaaldelijk een voorwaarde of een beperking als bedoeld in artikel 7.14, tweede lid, niet nakomt.
-
- Bij intrekking verliest het Rijnpatent haar geldigheid. Het ongeldige patent dient onverwijld bij de autoriteit die het patent heeft afgegeven te worden ingeleverd dan wel te worden overgelegd, om ongeldig gemaakt te worden.
-
- De autoriteit die het patent heeft afgegeven, kan bij de intrekking bepalen dat:
- a). vóór het einde van een bepaalde termijn geen nieuw patent mag worden afgegeven, of
- b). de kandidaat voor een nieuw patent, om tot een nieuw examen te worden toegelaten, aan bepaalde voorwaarden moet voldoen.
-
- Na ontvangst van de aanvraag voor het verkrijgen van een nieuw patent kan de bevoegde autoriteit de aanvrager geheel of gedeeltelijk van het examen vrijstellen.
-
- De autoriteit die het patent intrekt, deelt dit aan de Centrale Commissie voor de Rijnvaart mee. Indien een bevoegde autoriteit feiten vaststelt die de intrekking van een patent zouden kunnen rechtvaardigen, stelt zij de autoriteit die het patent heeft afgegeven hiervan in kennis.
Artikel 7.23. Vaarverbod voor de houder van een als gelijkwaardig erkend vaarbevoegdheidsbewijs
-
- Indien er twijfel is over de lichamelijke en geestelijke geschiktheid van de schipper die houder is van een als gelijkwaardig erkend vaarbevoegdheidsbewijs, kan de bevoegde autoriteit of de bevoegde rechtbank een tijdelijk vaarverbod voor de Rijn opleggen, tot een nieuwe medische verklaring overeenkomstig bijlage B2 of een door de CCR als gelijkwaardig erkend bewijs wordt overgelegd; de bevoegde autoriteit informeert de CCR en de autoriteit van afgifte over haar besluit. Wordt de twijfel op vertoon van de medische verklaring weggenomen, dan moet het opgelegde vaarverbod worden opgeheven. De houder van het patent hoeft alleen dan op te komen voor de kosten hiervan, alshet vermoeden gegrond blijkt te zijn.
-
- De bevoegde autoriteit of de bevoegde rechtbank kan aan een schipper die houder van een als gelijkwaardig erkend vaarbevoegdheidsbewijs is, een tijdelijk of definitief vaarverbod op de Rijn opleggen:
- a). bij bewezen lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid, of
- b). bij veelvuldig overtreden van belangrijke veiligheids- of gedragsvoorschriften, in het bijzonder bij het herhaald voeren van een schip terwijl hij een alcoholconcentratie in het bloed heeft die het in het Rijnvaartpolitiereglement vastgelegde promillage overschrijdt.
-
- Met uitzondering van noodgevallen, wordt het besluit genomen na de houder van het desbetreffende vaarbevoegdheidsbewijs in het kader van een procedure op tegenspraak te hebben gehoord; de autoriteit die het vaarbevoegdheidsbewijs heeft afgegeven en de CCR worden van het verhoor en de door de bevoegde autoriteit genomen beslissing in kennis gesteld.
Artikel 7.24. Invordering van een Rijnpatent
-
- Indien er dringende redenen zijn om het Rijnpatent in te trekken (artikel 7.22) of de geldigheid daarvan op te schorten (artikel 7.20, eerste lid, onderdeel a), of er een ernstig vermoeden van fraude bestaat,kan de bevoegde autoriteit gelasten dat het patenttijdelijk wordt ingevorderd.
-
- Een Rijnpatent dat tijdelijk isingevorderd, moet onverwijld bij de autoriteit die het heeft afgegeven of bij de bevoegde rechtbank overeenkomstig de wettelijke nationale voorschriftenvan de Rijnoeverstaten en van Belgiëonder opgave van de redenen van de invordering , worden overgelegd.
-
- De autoriteit die het patent heeft afgegeven moet onverwijld, nadat zij van het besluit van de tijdelijke invordering kennis heeft genomen, een beslissing nemen over de opschorting van de geldigheid of de intrekking van het patent. Indien een rechtbank bevoegd is, beschikt de rechter overeenkomstig de nationale voorschriften van de Rijnoeverstaten of België. Totdat een besluit als bedoeld in eerste of tweede zin is genomen, geldt het besluit van de tijdelijke invordering als een besluit in de zin van artikel 7.20, eerste lid, onderdeel a).
-
- De tijdelijke invordering van het Rijnpatent moet worden beëindigd en het patent moet aan de houder worden teruggegeven, wanneer de oorzaak daarvan is komen te vervallen of wanneer er niet totopschorting of intrekking van het patent wordt besloten.
Artikel 7.25. Invordering van een als gelijkwaardig erkend vaarbevoegdheidsbewijs
-
- Bestaat een ernstig vermoeden dat een vaarbevoegdheidsbewijs door de autoriteit die het heeft afgegeven wordt ingetrokken of opgeschort, of bestaat er een ernstige verdenking van fraude, dan kan de bevoegde autoriteit de tijdelijke invordering van het patent gelasten.
-
- Een tijdelijk ingevorderd vaarbevoegdheidsbewijs moet onverwijld aan de autoriteit die dit heeft afgegeven, worden overgelegd.
-
- De autoriteit die het vaarbevoegdheidsbewijs heeft afgegeven, voert de noodzakelijke controles uit en informeert de bevoegde autoriteit die het vaarbevoegdheidsbewijs heeft ingevorderd en de CCR onverwijld over de geldigheid van het document.
Hoofdstuk 8. Bepalingen betreffende het radarpatent
Artikel 8.01. Opschorting van de geldigheid van het kwalificatiecertificaat
-
- De bevoegde autoriteit kan de geldigheid van een kwalificatiecertificaat omwille van de veiligheid of de openbare orde voor een bepaalde termijn opschorten.
-
- Indien er feiten zijn die twijfel over de medische geschiktheid van de houder van het kwalificatiecertificaat rechtvaardigen, kan de bevoegde autoriteit, de werkgever of de schipper om de geschiktheid van een bemanningslid vast te kunnen stellen een recente verklaring voor de desbetreffende medische geschiktheid verlangen, alsook het overleggen van aanvullende medische verklaringen van specialisten. De houder hoeft alleen zelf op te komen voor de kosten als de objectieve aanknopingspunten worden bevestigd. Indien deze verklaringen niet binnen de door de bevoegde autoriteit gestelde termijn worden overgelegd, wordt de geldigheid van het kwalificatiecertificaat opgeschort.
-
- In het kader van de opschorting kunnen aanvullende bepalingen (bijvoorbeeld voorwaarden) worden vastgesteld.
-
- De bevoegde autoriteit zorgt ervoor dat de opschorting van de geldigheid onverwijld geregistreerd wordt in de gegevensbank die genoemd is in artikel 2.01. De bevoegde autoriteit informeert de autoriteit die het kwalificatiecertificaat heeft afgegeven alsook de CCR over de opschorting, de duur van de opschorting en de redenen daarvoor. Indien de twijfel aan de geschiktheid vóór het einde van de opschortingstermijn wordt weggenomen, dient het besluit te worden ingetrokken.
-
- In het geval van opschorting moet het patent dat als fysiek document is afgegeven, bij de bevoegde autoriteit die daarom verzoekt in bewaring worden gegeven.
Artikel 8.02. Intrekking van het kwalificatiecertificaat
-
- De autoriteit die het kwalificatiecertificaat schipper heeft afgegeven, moet het kwalificatiecertificaat intrekken, indien blijkt dat de houder van een kwalificatiecertificaat schipper niet bekwaam is tot het voeren van een vaartuig als bedoeld in de artikelen 12.01, tweede lid, of 12.02, tweede lid.
-
- De autoriteit die het kwalificatiecertificaat heeft afgegeven trekt het kwalificatiecertificaat in, indien de houder van een certificaat niet bekwaam is tot het uitvoeren van zijn kwalificatie zoals bedoeld in de artikelen 14.01, 15.02 of 16.10. Niet bekwaam zoals bedoeld in de eerste zin is ook degene die niet langer medisch geschikt is als bedoeld in artikel 4.01 of artikel 4.03.
-
- Als gebleken is dat de houder van een krachtens dit reglement afgegeven dienstboekje ongeschikt is als bedoeld in artikel 4.01, eerste lid, of artikel 4.03, noteert de autoriteit van afgifte op pagina 1 van het dienstboekje de aantekening ‘ONGESCHIKT’, en waarmerkt hij die.
-
- De autoriteit die het kwalificatiecertificaat heeft afgegeven, kan het kwalificatiecertificaat intrekken, indien de houder van het certificaat herhaaldelijk een medische voorwaarde of een beperking als bedoeld in artikel 4.01, derde lid, niet nakomt.
-
- Bij intrekking verliest het kwalificatiecertificaat zijn geldigheid. Het ongeldige kwalificatiecertificaat dient onverwijld bij de autoriteit die het kwalificatiecertificaat heeft afgegeven te worden ingeleverd of, ingeval van een kwalificatiecertificaat in elektronische vorm, als ingetrokken te worden geregistreerd.
-
- De autoriteit die het kwalificatiecertificaat heeft afgegeven, kan bij de intrekking bepalen dat:
- a). vóór het einde van een bepaalde termijn geen nieuw kwalificatiecertificaat mag worden afgegeven, of
- b). de kandidaat om tot een nieuw examen te worden toegelaten, aan bepaalde voorwaarden moet voldoen.
-
- De autoriteit die het kwalificatiecertificaat intrekt, zorgt ervoor dat de intrekking onverwijld geregistreerd wordt in de gegevensbank die genoemd is in artikel 2.01en deelt dit aan de CCR mee. Indien een bevoegde autoriteit feiten vaststelt die de intrekking van een kwalificatiecertificaat zouden kunnen rechtvaardigen, stelt zij de autoriteit die het kwalificatiecertificaat heeft afgegeven hiervan in kennis.
Artikel 8.03. Invordering van het als fysiek document afgegeven kwalificatiecertificaat
-
- Indien er dringende redenen zijn om het kwalificatiecertificaat in te trekken (artikel 8.02) of de geldigheid daarvan op te schorten (artikel 8.01) of er een op feiten gebaseerd vermoeden van fraude bij de verkrijging van het kwalificatiecertificaat bestaat, kan de bevoegde autoriteit gelasten dat het kwalificatiecertificaat tijdelijk wordt ingevorderd.
-
- Een kwalificatiecertificaat dat tijdelijk is ingevorderd, wordt onverwijld overhandigd aan de autoriteit van afgifte of de bevoegde rechtbank, overeenkomstig de wettelijke nationale voorschriften van de Rijnoeverstaten en van België onder opgave van de redenen van de invordering.
-
- De autoriteit van afgifte, neemt onverwijld, nadat zij van het besluit van de tijdelijke invordering kennis heeft genomen, een besluit over de opschorting van de geldigheid of de intrekking van het kwalificatiecertificaat. Indien een rechtbank bevoegd is, beschikt de rechter overeenkomstig de nationale voorschriften van de Rijnoeverstaten en België. Totdat een besluit als bedoeld in de eerste of tweede zin is genomen, geldt het besluit van tijdelijke invordering als een besluit in de zin van artikel 8.01, eerste lid.
-
- De tijdelijke invordering van het kwalificatiecertificaat wordt beëindigd en het kwalificatiecertificaat wordt teruggegeven, wanneer de oorzaak daarvan is komen te vervallen of wanneer er niet tot opschorting of intrekking van het kwalificatiecertificaat wordt besloten.
Artikel 8.04. Examen
-
- De kandidaat moet tijdens het examen overeenkomstig het examenprogramma zoals vermeld in bijlage D8 (theoretisch en praktijkgedeelte), ten overstaan van een examencommissie zoals bedoeld in artikel 8.03 aantonen dat hij beschikt over voldoende kennis om een schip te voeren met behulp van radar.
-
- Het praktijkexamen kan ook op een door de bevoegde autoriteit hiervoor toegelaten radarsimulator worden afgenomen.
-
- Aan het in het eerste lid gestelde vereiste wordt voldaan wanneer de kandidaat een ander bewijs bezit dan voorgeschreven volgens dit reglement, voor zover dit bewijs door de bevoegde autoriteit van één der Rijnoeverstaten of België als gelijkwaardig is erkend.
-
- De kandidaat die voor het theoretische of praktische onderdeel van het examen is gezakt, kan voor dit onderdeel binnen een door de bevoegde autoriteit vastgestelde termijn, die niet korter dan twee maanden mag zijn, bij dezelfde examencommissie een herexamen doen. Indien de kandidaat niet binnen een jaar voor het herexamen is geslaagd, moet hij opnieuw alle onderdelen van het examen afleggen.
-
- De examencommissie deelt aan iedere kandidaat persoonlijk de uitslag van het examen mee. Op verzoek van de kandidaat moet de examencommissie mondeling inlichtingen verstrekken over de door hem gemaakte fouten en kan zij hem tevens toestaan zijn examendocumenten in te zien.
Artikel 8.05. Afgifte van het radarpatent
-
- Indien de kandidaat voor het examen is geslaagd, verstrekt de bevoegde autoriteit hem het radarpatent dat overeen moeten stemmen met het model van bijlage D4.
-
- De verkrijging van het radarpatent kan bovendien worden bevestigd door inschrijving van het woord ‘radar’ op de schipperspatentkaart.
-
- Op de radarpatenten, bedoeld in artikel 6.03, tweede lid, wordt aangetekend: ‘Alleen geldig voor het voeren van een veerpont tussen ........ en ..........’.
-
- Is een radarpatent onbruikbaar geworden of verloren gegaan,verstrekt de autoriteit die het heeft afgegeven op aanvraag een duplicaat, dat als zodanig is gewaarmerkt. De houder moet het verlies bij de bevoegde autoriteit melden. Een onbruikbaar geworden of een teruggevonden patent moet bij de autoriteit die het heeft afgegeven, worden ingeleverd of worden overgelegd om ongeldig te worden gemaakt.
Artikel 8.06. Intrekking van het radarpatent
Het radarpatent kan door de bevoegde autoriteit die het radarpatent heeft afgegeven, worden ingetrokken, wanneer de houder bij het voeren van een schip met behulp van radar een voor de scheepvaart gevaar veroorzakende onbekwaamheid aan de dag heeft gelegd. Het radarpatent kan tijdelijk dan wel permanent worden ingetrokken.
Artikel 8.07. Verbod voor houders van een als gelijkwaardig erkend getuigschrift voor het voeren van een schip op radar
-
- De bevoegde autoriteit of de bevoegde rechter kan de schipper die houder van een als gelijkwaardig erkend radargetuigschrift is, een tijdelijk of definitief verbod voor het voeren van een schip met radar op de Rijn opleggen, wanneer de houder bij het voeren van een schip een voor de scheepvaart gevaarzettende onbekwaamheid heeft begaan.
-
- Met uitzondering van noodgevallen, wordt het besluit genomen na de houder van het desbetreffende radargetuigschrift in het kader van een procedure op tegenspraak te hebben gehoord; de autoriteit die het radargetuigschrift heeft afgegeven en de CCR worden van het horen en de door de bevoegde autoriteit genomen beslissing in kennis gesteld.
Artikel 8.08. Kosten
Het examen, de afgifte, de verstrekking van een duplicaat en het omruilen van het radarpatent geschieden tegen een redelijke vergoeding van de kosten door de aanvrager. De hoogte van de kosten wordt door de bevoegde autoriteit vastgesteld. Deze kan verlangen dat de kosten in hun geheel of ten dele bij de aanvaarding van de aanvraag worden voldaan.
Hoofdstuk 9. Overgangsbepalingen
Artikel 9.01. Functies op instroom- en operationeel niveau
-
- De functies op instroomniveau zijn deksman en lichtmatroos. De functies op operationeel niveau zijn matroos, volmatroos en stuurman.
-
- Ook de machinist valt onder het toepassingsgebied van deze paragraaf.
Artikel 9.02. Geldigheid van bestaande patenten
-
- Patenten voor het varen op de Rijn, afgegeven overeenkomstig de voorschriften die van toepassing zijn tot aan de inwerkingtreding van dit reglement dan wel waarvan de geldigheid krachtens de genoemde voorschriften verlengd werd, blijven geldig met inachtneming van die voorschriften tot de eerste vernieuwing van het bewijs van lichamelijke en geestelijke geschiktheid.
-
- De bepalingen van artikel 7.17 betreffende de controle van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid zijn van toepassing op de houders van het in het eerste lid bedoelde Rijnschipperspatent, kleine patent en sportpatent, waarbij het anomaalquotiënt bij het kleuronderscheidingsvermogen 0,7 tot 3,0 mag bedragen. De houders van een patent die bij de inwerkingtreding van dit reglement reeds de leeftijd, bedoeld in artikel 3.04, onderdeel a), hebben bereikt, moeten hun bewijs van lichamelijke en geestelijke geschiktheid bij de eerstvolgende voorgeschreven onderzoeksdatum vernieuwen. Bij de eerste verlenging van het bewijs van lichamelijke en geestelijke geschiktheid wordt een patent volgens het model van de bijlage D1 afgegeven.
-
- De bepalingen van de artikelen 7.20 en 7.22 zijn van toepassing op de patenten als bedoeld in het eerste lid.
-
- Radarpatenten en radardiploma’s afgegeven overeenkomstig de voorschriften die van toepassing zijn tot aan de inwerkingtreding van dit reglement, blijven geldig met inachtneming van die voorschriften. Zij kunnen worden vervangen door radarpatenten conform dit reglement.
Artikel 9.03. Overeenstemming van de verschillende patenten
-
- Geldige patenten zoals bedoeld in artikel 9.02, eerste lid, stemmen overeen met de patenten zoals bedoeld in artikel 6.04, eerste lid, zoals in onderstaande tabel is aangegeven:
| De volgende geldige patenten als bedoeld in artikel 9.01, eerste lid | stemmen overeen met | de patenten als bedoeld in artikel 6.04, eerste lid, van dit reglement |
|---|---|---|
| Rijnschipperspatent | → | Groot patent |
| Klein patent | → | Klein patent |
| Politiebotenpatent | → | Overheidspatent |
| Douanebotenpatent | → | Overheidspatent |
| Brandweerbotenpatent | → | Overheidspatent |
| Sportpatent | → | Sportpatent |
-
- Een geldig patent kan volgens de tabel in het eerste lid worden omgewisseld voor het gelijkwaardige patent voor hetzelfde riviergedeelte.
Artikel 9.04. In beschouwing nemen van de vaartijd
De vaartijd en de reizen die vóór de inwerkingtreding van dit reglement zijn gemaakt, worden overeenkomstig de vroeger hiervoor geldende voorschriften in beschouwing genomen.
Bijlage A1. Vaartijdenboek (Model B-00734)
Volgnummer ......
Dit vaartijdenboek omvat 200 bladzijden, genummerd van 1 tot en met 200. De aantekeningen in dit boek dienen met inkt en duidelijk leesbaar (bijv. in drukletters) te worden aangebracht.
Volgnummer ......
Dit vaartijdenboek omvat 200 bladzijden, genummerd van 1 tot en met 200. De aantekeningen in dit boek dienen met inkt en duidelijk leesbaar (bijv. in drukletters) te worden aangebracht.
Aanwijzingen voor het bijhouden van het vaartijdenboek
Sancties
Overtreding van de bemanningsvoorschriften van het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn is strafbaar. Hetzelfde geldt voor het niet bijhouden, dan wel het niet volgens de voorschriften bijhouden van het vaartijdenboek.
Volgnummer ......
TEMPS DE REPOS – RUHEZEITEN – RUSTTIJDEN
Naam van het schip: ......
Uniek Europees scheepsidentificatienummer (ENI) of officieel scheepsnummer: ......
Mode d'exploitation
Bijlage 3. Sportpatent
De lijst van de sportpatenten van de Rijnoeverstaten en België, alsmede de modellen staan op de website van de CCR: www.ccr-zkr.org.
Overtreding van de bemanningsvoorschriften van het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn is strafbaar. Hetzelfde geldt voor het niet bijhouden, dan wel het niet volgens de voorschriften bijhouden van het vaartijdenboek.
(Gevolgd door de van kracht zijnde tekst van deel II van het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn in het Frans, Duits en Nederlands.)
Deel A. Eisen voor gedeelten van de Rijn met specifieke risico’s
Deel B. Delen van de Rijn waarvoor aanvullende competenties van de schipper vereist zijn
Betriebsform .............................
Aanvullende competentie
Een schipper die met een vaartuig dit binnenwaterwegtraject met specifieke risico’s bevaart, moet met het oog op de veiligheid de eigenschappen en plaatselijke omstandigheden van dit gedeelte van de Rijn kennen.
Le Livret de service est un document officiel au sens de l'article 1.10 du Règlement de police pour la navigation du Rhin et est délivré conformément au Règlement relatif au personnel de la navigation sur le Rhin. L'inscription d'indications erronées ou non conformes est passible de sanctions; en tout état de cause il s'agit d'infractions. L'autorité compétente est responsable des indications d'ordre général (pages 3 à 8). Le Livret de service est uniquement valable lorsqu'il porte les inscriptions officielles à la page 3. Le Livret de service n'est pas valable en l'absence de ces inscriptions officielles.
De aanvullende competentie komt overeen met de aanvullende competentie die genoemd wordt onder nummer I (Rijn van kmr 335,92 (sluis Iffezheim) tot kmr 352,07 (Duits-Franse grens)).
Titulaire/Inhaber (im ganzen Buch wird sowohl die weibliche und die männliche Form gemeint)/Houder (in het gehele dienstboekje wordt zowel de vrouwelijke als de mannelijke vorm bedoeld)
Aanvullende competentie
Een schipper die met een vaartuig dit binnenwaterwegtraject met specifieke risico’s bevaart, moet met het oog op de veiligheid de eigenschappen en plaatselijke omstandigheden van dit gedeelte van de Rijn kennen.
Le Livret de service est un document officiel au sens de l'article 1.10 du Règlement de police pour la navigation du Rhin et est délivré conformément au Règlement relatif au personnel de la navigation sur le Rhin. L'inscription d'indications erronées ou non conformes est passible de sanctions; en tout état de cause il s'agit d'infractions. L'autorité compétente est responsable des indications d'ordre général (pages 3 à 8). Le Livret de service est uniquement valable lorsqu'il porte les inscriptions officielles à la page 3. Le Livret de service n'est pas valable en l'absence de ces inscriptions officielles.
B). Instructions relatives à la tenue du Livret de service
Schifferdienstbuch – Hinweise und Anweisungen zur Führung
V. De Rijn van kmr 592,00 (Koblenz, monding van de Moezel) tot kmr 769,00 (Krefeld)
Aanvullende competentie
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)