Wet primair onderwijs BES

Type Wet Bes
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 306
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
  • d. de beoogde en bereikte kwalitatieve en kwantitatieve resultaten ten aanzien van de onderwijskundige opvang van de leerlingen, deelnemers, vavo-studenten en studenten met een specifieke onderwijsbehoefte,
  • e. de procedures voor de handelingsgerichte diagnose van leerlingen, deelnemers, vavo-studenten en studenten, en
  • f. de wijze waarop aan de ouders informatie wordt verstrekt over de zorgvoorzieningen.
3.

Het eilandelijk zorgplan wordt voor 15 mei voorafgaand aan het schooljaar waarop het betrekking heeft, toegezonden aan de inspectie.

Artikel 28. Expertisecentrum onderwijszorg
1.

Onze Minister kan op verzoek een rechtspersoon aanwijzen die naar zijn oordeel in staat is deskundige ondersteuning te bieden aan leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte waarin binnen de school redelijkerwijs niet kan worden voorzien en waaronder in elk geval de volgende taken worden verstaan:

  • a. het verzorgen van onderwijsondersteunende activiteiten aan leerlingen met een lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke, geestelijke of meervoudige handicap of stoornis,
  • b. het verzorgen van ambulante begeleiding ten behoeve van leerlingen met een lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke, geestelijke of meervoudige handicap of stoornis,
  • c. het verrichten van handelingsgerichte diagnostiek ten behoeve van de leerlingen op verzoek van het bevoegd gezag, het samenwerkingsverband of de ouders, of
  • d. het op verzoek van een bevoegd gezag, het samenwerkingsverband of de ouders van leerlingen adviseren en collegiaal consulteren.
2.

De rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, wordt voor de toepassing van deze wet aangeduid als expertisecentrum onderwijszorg.

3.

Een leerling die binnen een locatie van het expertisecentrum onderwijszorg wordt begeleid, blijft ingeschreven bij de school. Het bevoegd gezag van deze school blijft verantwoordelijk voor de leerling tijdens het verblijf binnen het expertisecentrum onderwijszorg. Onder deze verantwoordelijkheid valt in elk geval de zorg voor het geven van adequaat onderwijs door een leraar die daartoe bevoegd is op grond van artikel 3.

4.

Met inachtneming van artikel 99, derde lid vergoedt het bevoegd gezag voor het begeleiden van zijn leerling, bedoeld in het derde lid, naar redelijkheid en indien dit naar het oordeel van het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 26, nodig is, de kosten die worden gemaakt door:

  • a. het expertisecentrum onderwijszorg, en
5.

Per openbaar lichaam is er één expertisecentrum onderwijszorg.

6.

Het expertisecentrum onderwijszorg treft een regeling voor de behandeling van klachten over gedragingen en beslissingen van het bestuur van dit centrum of het personeel, waaronder discriminatie, dan wel het nalaten van gedragingen en het niet nemen van beslissingen door het bestuur of het personeel voor zover het betreft zijn onderscheidenlijk hun werkzaamheden in het kader van het onderwijsproces of de deskundige ondersteuning, bedoeld in het eerste lid. Artikel 17 is van overeenkomstige toepassing.

7.

Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven over de taken van het expertisecentrum onderwijszorg.

Artikel 29. Toezicht expertisecentrum onderwijszorg
1.

Met het toezicht op de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 28, eerste lid, en voor zover van toepassing het zevende lid van dat artikel, zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren.

3.

Onze Minister is bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde ambtenaren.

Artikel 30. Taakverwaarlozing door expertisecentrum onderwijszorg
1.

Onze Minister is bevoegd tot het treffen van noodzakelijke voorzieningen indien het expertisecentrum onderwijszorg naar het oordeel van Onze Minister zijn taken ernstig verwaarloost.

2.

De voorzieningen, bedoeld in het eerste lid, worden niet eerder getroffen dan nadat het expertisecentrum onderwijszorg in de gelegenheid is gesteld om binnen een door Onze Minister te stellen redelijke termijn alsnog zijn taken naar behoren uit te voeren.

§ 3. Personeel

§ 4. Leerlingen

Artikel 43. Toelatingsleeftijd; duur onderwijs
1.

Om als leerling tot een school te worden toegelaten, moet een kind de leeftijd van 4 jaar hebben bereikt.

2.

Het bevoegd gezag kan voor kinderen die nog niet eerder tot een school zijn toegelaten, toelatingstijdstippen vaststellen op ten minste eenmaal per maand.

3.

In de periode vanaf de leeftijd van 3 jaar en 10 maanden tot het bereiken van de leeftijd van 4 jaar kan het bevoegd gezag kinderen gedurende ten hoogste 5 dagen toelaten. Deze kinderen zijn geen leerlingen in de zin van de wet.

4.

Leerlingen bij wie naar het oordeel van de directeur van de school de grondslag voor het volgen van aansluitend voortgezet onderwijs in voldoende mate is gelegd, verlaten aan het einde van het schooljaar de school, mits hierover met de ouders overeenstemming bestaat. In elk geval verlaten de leerlingen de school aan het einde van het schooljaar waarin zij de leeftijd van 14 jaar hebben bereikt.

Artikel 44. Toelating en verwijdering van leerlingen
1.

De beslissing over toelating, schorsing en verwijdering van leerlingen berust bij het bevoegd gezag. De toelating tot de school is niet afhankelijk van het houden van rechtmatig verblijf in de zin van de artikelen 3, 5a of 6 van de Wet toelating en uitzetting BES. De toelating mag niet afhankelijk worden gesteld van een geldelijke bijdrage van de ouders.

2.

Overeenkomsten waarbij ouders worden verplicht tot het betalen van een geldelijke bijdrage zijn nietig, behoudens voor zover zij na de toelating van de leerling tot de school schriftelijk zijn aangegaan en in het desbetreffende schriftelijke stuk aan de ouders kenbaar is gemaakt dat het een vrijwillige bijdrage betreft waarvoor de overeenkomst niet behoeft te worden aangegaan, doch waarvoor geldt dat na de ondertekening wel een verplichting tot betaling van de overeengekomen bijdrage bestaat. Zodanige overeenkomsten zijn evenzeer nietig, indien deze niet hebben voorzien in de vermelding dat de ouders de mogelijkheid hebben er voor te kiezen om de overeenkomst slechts voor bepaalde voorzieningen aan te gaan en ten behoeve daarvan niet een specificatie voor de te onderscheiden voorzieningen in de overeenkomst is opgenomen. Zodanige overeenkomsten zijn voorts nietig indien ten aanzien daarvan geen reductie- en kwijtscheldingsregeling geldt en de inhoud van die regeling niet in de overeenkomst is opgenomen. Een overeenkomst wordt telkens voor de periode van een schooljaar aangegaan.

3.

Toelating van leerlingen tot een school voor bijzonder onderwijs wordt slechts geweigerd op grond van godsdienstige of levensbeschouwelijke redenen of aantoonbaar plaatsgebrek.

4.

Voordat wordt besloten tot schorsing van drie dagen of meer of definitieve verwijdering, hoort het bevoegd gezag de betrokken ouders. Definitieve verwijdering van een leerling vindt niet plaats dan nadat het bevoegd gezag ervoor heeft zorg gedragen dat een andere school bereid is de leerling toe te laten.

5.

Indien de beslissing, bedoeld in het eerste lid, is genomen door het bevoegd gezag van een openbare school en tegen die beslissing bezwaar is gemaakt, besluit het bevoegd gezag, in afwijking van artikel 69, eerste lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES, binnen vier weken na ontvangst van het bezwaarschrift.

Artikel 45. Handelingsplan
1.

Het bevoegd gezag van een school waar een leerling met een specifieke onderwijsbehoefte is ingeschreven, stelt in overeenstemming met de ouders en met inachtneming van artikel 28, derde lid, voor elk schooljaar een handelingsplan op. Indien de inschrijving van de in de eerste volzin bedoelde leerling plaatsvindt op of na 1 augustus wordt het handelingsplan zo spoedig mogelijk doch uiterlijk een maand na die inschrijving opgesteld.

2.

Het bevoegd gezag stelt het handelingsplan op nadat het bevoegd gezag de leerling in de gelegenheid heeft gesteld op een door de leerling te bepalen wijze vrijelijk zijn mening hierover naar voren te brengen. Het bevoegd gezag biedt de leerling daartoe de ondersteuning die hij nodig heeft.

3.

Het bevoegd gezag omschrijft in het handelingsplan de inbreng van de leerling en hoe deze van invloed is geweest op de vast- of bijstelling van het handelingsplan.

4.

Het bevoegd gezag licht aan de leerling toe op welke wijze diens mening van invloed is geweest op de vast- of bijstelling van het handelingsplan.

5.

Het bevoegd gezag evalueert het handelingsplan ten minste één keer per schooljaar met de ouders en de leerling.

Artikel 46. Te verstrekken gegevens bij toelating
1.

Onverminderd bij algemene maatregel van bestuur gegeven voorschriften met betrekking tot de in- en uitschrijving van leerlingen, vindt toelating van een leerling als bedoeld in artikel 44 slechts plaats nadat de ouders de gegevens betreffende de geslachtsnaam, de voorletters, de geboortedatum, het geslacht en het persoonsgebonden nummer BES van de leerling hebben overgelegd. Indien de ouders aannemelijk maken dat zij geen persoonsgebonden nummer BES van de leerling kunnen overleggen, vindt de toelating plaats met inachtneming van het derde lid.

2.

De in het eerste lid bedoelde gegevens worden overgelegd door middel van een van overheidswege verstrekt document dan wel een door een andere school verstrekt bewijs van uitschrijving, waarin de desbetreffende gegevens zijn opgenomen.

3.

Indien de ouders aannemelijk maken dat zij geen persoonsgebonden nummer BES van de leerling kunnen overleggen, meldt het bevoegd gezag binnen twee weken na het besluit tot toelating aan Onze Minister de beschikbare gegevens van de leerling, bedoeld in het eerste lid, alsmede zijn adres en woonplaats

4.

Dit lid is nog niet in werking getreden.

5.

Het bevoegd gezag neemt de in het eerste lid bedoelde gegevens op in de leerlingenadministratie van de school. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald welke andere gegevens in de leerlingenadministratie worden opgenomen.

6.

Dit lid is nog niet in werking getreden.

Artikel 47. Verplichte deelname leerlingen aan het onderwijs
1.

De leerlingen nemen deel aan alle voor hen bestemde onderwijsactiviteiten, met dien verstande dat die onderwijsactiviteiten voor de leerlingen onderling kunnen verschillen.

2.

Het bevoegd gezag kan op verzoek van de ouders een leerling vrijstellen van het deelnemen aan bepaalde onderwijsactiviteiten met uitzondering van een doorstroomtoets als bedoeld in artikel 51b, eerste lid. Een vrijstelling kan slechts worden verleend op door het bevoegd gezag vastgestelde gronden. Het bevoegd gezag bepaalt bij de vrijstelling welke onderwijsactiviteiten voor de leerling in de plaats komen van die waarvan vrijstelling is verleend.

Artikel 48. Onderwijskundig rapport

Over iedere leerling die de school verlaat, stelt de directeur, na overleg met het onderwijzend personeel, ten behoeve van de ontvangende school of school voor voortgezet onderwijs een onderwijskundig rapport op. Afschrift van dit rapport wordt aan de ouders van de leerling verstrekt. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften omtrent dit rapport gegeven.

§ 5. Ouders

Artikel 49. Ondersteunende werkzaamheden ouders

Vervallen

Artikel 50. Tussenschoolse opvang
1.

Het bevoegd gezag draagt zorg voor een voorziening voor leerlingen om de middagpauze onder toezicht door te brengen, indien ouders hierom verzoeken. Ingeval de voorziening, bedoeld in de eerste volzin, tot stand komt, draagt het bevoegd gezag er zorg voor dat:

  • a. er een overblijfaanpak tot stand komt,
  • b. overleg over de overblijfaanpak tot stand komt met degenen die met het toezicht op de leerlingen worden belast, en met de ouders,
  • c. het overblijven plaats vindt in een veilige en kindvriendelijke ruimte, en
  • d. ten minste de helft van degenen die met het toezicht op de leerlingen worden belast, een scholing heeft gevolgd op het gebied van het overblijven.
2.

De kosten die hieruit voortvloeien komen voor rekening van de ouders. Indien de leerlingen van de voorziening, bedoeld in de eerste volzin, gebruik maken, draagt het bevoegd gezag er zorg voor dat degene, die met het toezicht op de leerlingen wordt belast, voor wettelijke aansprakelijkheid verzekerd is. Het bevoegd gezag van een bijzondere school is, telkenmale voor de duur van een schooljaar, ontheven van de verplichting tot verzekering indien:

  • a. deze verplichting zich naar zijn oordeel niet verdraagt met de godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging die aan de school ten grondslag ligt; en
  • b. het bevoegd gezag van zijn oordeel mededeling heeft gedaan aan de ouders.
3.

Het bevoegd gezag van een school draagt op daarvoor met ouders afgesproken dagen, zorg voor de organisatie van opvang van leerlingen, op doordeweekse niet-schooldagen, niet zijnde algemeen erkende feestdagen en op schooldagen gedurende de voor- en naschoolse periode, tussen bij ministeriële regeling te bepalen tijdstippen, indien een of meer ouders hierom verzoeken. De kosten die uit de opvang als bedoeld in de eerste volzin voortvloeien, komen voor rekening van de ouders.

Artikel 51. Informeren ouders bij zeer zwakke school
1.

Indien de inspectie op basis van een onderzoek als bedoeld in artikel 11 of artikel 15 van de Wet op het onderwijstoezicht, in het inspectierapport, bedoeld in artikel 20 van genoemde wet, tot het oordeel is gekomen dat sprake is van een zeer zwakke school, informeert het bevoegd gezag de ouders van de leerlingen van de school hierover door middel van in ieder geval de toezending van de door de inspectie opgestelde samenvatting van het inspectierapport welke samenvatting gelijktijdig met het inspectierapport ter beschikking is gesteld van het bevoegd gezag. De toezending, bedoeld in de eerste volzin, geschiedt binnen vier weken na de vaststelling van het inspectierapport.

2.

Indien het bevoegd gezag niet of niet tijdig voldoet aan de verplichting, bedoeld in het eerste lid, zendt Onze Minister de samenvatting van het inspectierapport, bedoeld in het eerste lid, in de vijfde week na vaststelling van het inspectierapport aan de ouders van de leerlingen.

Afdeling 2. Overige regelen voor het openbaar onderwijs

Afdeling 3. Overige voorwaarden voor bekostiging uit de openbare kassen van het bijzonder onderwijs

Titel III. Bekostiging

Afdeling 3. Overige voorwaarden voor bekostiging uit de openbare kassen van het bijzonder onderwijs

Afdeling 1. Algemeen

§ 1. Scholen

§ 2. Nadere voorschriften voor de uitvoering van afdeling 2

Afdeling 4. Materiële instandhouding

Afdeling 4. Materiële instandhouding

Afdeling 4. Grondslag bekostiging

Afdeling 6. Budget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid

§ 1. Huisvesting

§ 1. Huisvesting

§ 1. Lichamelijke oefening

§ 2. Eilandelijk beleid

§ 1. Lichamelijke oefening

§ 2. Eilandelijk beleid

§ 6. Bestedingsmogelijkheden

Afdeling 8. Beëindiging van de bekostiging

§ 6. Bestedingsmogelijkheden en financieel beheer

§ 1. Scholen

Afdeling 8. Verslaglegging en informatieverstrekking

Artikel 128. Reikwijdte voorschriften

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Afdeling 8. Verslaglegging en informatieverstrekking

Afdeling 10. Experimenten

Hoofdstuk II. Slotbepalingen

Artikel 167c. Inwerkingtreding

De artikelen die niet bij Besluit van 3 februari 2011, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van een aantal onderdelen van de Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Stb. 2011, 34) in werking zijn getreden, treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan, verschillend kan worden vastgesteld.

Afdeling 11. Overige bepalingen

Hoofdstuk II. Slotbepalingen

Artikel 145a. Ruimte voor innovatie
1.

Met het oog op verbetering van de kwaliteit, toegankelijkheid of doelmatigheid van het basisonderwijs kan bij wijze van experiment bij algemene maatregel van bestuur worden afgeweken van hoofdstuk I, titel I, artikelen 1 en 2, titel II, afdeling 1 en afdeling 2, artikelen 53 en 54 en titel III, afdelingen 1, 2, 4 tot en met 6, afdeling 7, paragrafen 2, 3, 6 en 7, en afdeling 8, paragraaf 1, van de wet.

2.

In geval van toepassing van het eerste lid wordt bij algemene maatregel van bestuur in elk geval bepaald:

  • a. het doel van het experiment,
  • b. op welke wijze van welke in het eerste lid bedoelde voorschriften wordt afgeweken,
  • c. de duur van het experiment, en
  • d. op welke wijze en aan de hand van welke criteria de met het experiment beoogde effecten worden geëvalueerd.
3.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de uitvoering van een experiment.

4.

Een experiment duurt ten hoogste zes jaar, tenzij een langere duur gezien de bijzondere aard van het experiment noodzakelijk is. Alsdan wordt de duur van het experiment op ten hoogste acht jaar bepaald. Indien een voorstel van wet is ingediend bij de Staten-Generaal om het experiment om te zetten in een structurele wettelijke regeling, voordat een experiment is afgelopen, kan Onze Minister het experiment verlengen tot het tijdstip waarop het wetsvoorstel tot wet is verheven en in werking treedt.

5.

Onze Minister zendt drie maanden voor het einde van de werkingsduur van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid aan de Staten-Generaal, een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment in de praktijk, evenals een standpunt over de voortzetting van die algemene maatregel van bestuur, anders dan een voortzetting als experiment.

6.

In verband met een experiment als bedoeld in het eerste lid, kan bij algemene maatregel van bestuur eveneens bij wijze van experiment worden afgeweken van artikel 1 van de Leerplichtwet BES.

7.

Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsverband van een school met een school als bedoeld in artikel 1, of een school als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs BES. Bij samenwerking met een school als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs BES kan worden afgeweken van titel II, afdeling I, hoofdstuk I en titel III, afdeling III van de Wet voortgezet onderwijs BES. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid, wordt geregeld welke bij of krachtens de wet, of de Wet voortgezet onderwijs BES vastgestelde voorschriften van toepassing of van overeenkomstige toepassing zijn op de samenwerking.

Afdeling 8. Verslaglegging en informatieverstrekking

Hoofdstuk II. Slotbepalingen

Artikel 21a. Fusies
1.

Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven omtrent fusies.

2.

Onder fusie wordt verstaan: een fusie waarbij een of meer rechtspersonen de instandhouding van een school overdragen.

3.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder school mede verstaan: een school als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs BES.

4.

De voorschriften, bedoeld in het eerste lid, kunnen inhouden:

  • a. dat toestemming vooraf is vereist;
  • b. dat bij die regeling vast te stellen criteria in acht worden genomen;
  • c. dat bij die regeling voorgeschreven procedures in acht worden genomen.

§ 2. Zorgstructuur

§ 3. Personeel

§ 4. Leerlingen

§ 5. Ouders

Afdeling 3. Overige voorwaarden voor bekostiging uit de openbare kassen van het bijzonder onderwijs

Titel III. Bekostiging

Afdeling 1. Algemeen

§ 1. Scholen

§ 1. Scholen

Afdeling 1. Algemeen

Afdeling 4. Materiële instandhouding

Afdeling 4. Grondslag bekostiging

Afdeling 6. Budget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid

§ 1. Huisvesting

§ 1. Huisvesting

§ 2. Materiële instandhouding

§ 4. Eilandelijk beleid met betrekking tot personele en materiële voorzieningen

§ 1. Overschrijdingsregeling

§ 1. Overschrijdingsregeling

§ 6. Bestedingsmogelijkheden

Afdeling 8. Beëindiging van de bekostiging

§ 2. Betaling

§ 1. Scholen

Afdeling 9. Verslaglegging en informatieverstrekking

Artikel 128. Reikwijdte voorschriften

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Afdeling 10a. Experimenten

Hoofdstuk II. Slotbepalingen

Artikel 167ba. Wijziging overeenkomst inzake ouderbijdrage

Op het tijdstip waarop artikel 16 in werking treedt, vervalt het tweede lid van artikel 44, onder vernummering van het derde tot en met het vijfde lid tot tweede tot en met vierde lid.

Artikel 6a. Zorgplicht veiligheid op school
1.

Het bevoegd gezag draagt zorg voor de veiligheid op school, waarbij het bevoegd gezag in ieder geval:

  • a. beleid met betrekking tot de veiligheid voert,
  • b. de veiligheid van leerlingen op school monitort met een instrument dat een representatief en actueel beeld geeft, en
  • c. er zorg voor draagt dat bij een persoon ten minste de volgende taken zijn belegd:
  • 1°. het coördineren van het beleid in het kader van het tegengaan van pesten, en
  • 2°. het fungeren als aanspreekpunt in het kader van pesten.
2.

Onder veiligheid, bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan de sociale, psychische en fysieke veiligheid van leerlingen.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over het instrument, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, dat door de school wordt vormgegeven of gekozen, waaronder:

  • a. de aandachtsgebieden die het instrument inzichtelijk maakt,
  • b. de representativiteit van het instrument, en
  • c. de frequentie waarmee het instrument wordt ingezet.
4.

Het bevoegd gezag zendt onverwijld de resultaten van de monitor, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, aan de inspectie.

Titel II. Openbaar en uit de openbare kassen bekostigd bijzonder onderwijs

Afdeling 1. Regelen voor het openbaar onderwijs, tevens voorwaarden voor bekostiging van het bijzonder onderwijs

§ 2. Zorgstructuur

§ 3. Personeel

§ 4. Leerlingen

§ 5. Ouders

Afdeling 2. Overige regelen voor het openbaar onderwijs

Afdeling 3. Overige voorwaarden voor bekostiging uit de openbare kassen van het bijzonder onderwijs

Titel III. Bekostiging

Afdeling 2. Aanvang van de bekostiging

§ 1. Scholen

§ 1. Scholen

Afdeling 4. Materiële instandhouding

Afdeling 5. Grondslag bekostiging personeelskosten

Afdeling 7. Wijze van bekostiging

§ 2. Materiële instandhouding

§ 2. Eilandelijk beleid

§ 3. Personeel

§ 4. Eilandelijk beleid met betrekking tot personele en materiële voorzieningen

§ 1. Overschrijdingsregeling

Afdeling 8. Beëindiging van de bekostiging

§ 7. Betaling van de bekostiging

§ 1. Scholen

Afdeling 9. Verslaglegging en informatieverstrekking

Artikel 128. Reikwijdte voorschriften

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Afdeling 11. Overige bepalingen

Hoofdstuk II. Slotbepalingen

Artikel 167d. Evaluatie zorgplicht veiligheid op school

Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van artikel IV van de Wet van 4 juni 2015 tot wijziging van enige onderwijswetten in verband met het invoeren van de verplichting voor scholen om zorg te dragen voor de veiligheid op school (Stb. 238) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en effecten van de artikelen 6a en 16, eerste lid, onderdeel m, in de praktijk.

Artikel 22a. Samenwerkingsschool
1.

Een samenwerkingsschool is een school waarin zowel openbaar onderwijs als bijzonder onderwijs wordt aangeboden. Een samenwerkingsschool kan uitsluitend tot stand komen door samenvoeging van één of meer openbare scholen met één of meer bijzondere scholen en wordt in stand gehouden door een stichting, een stichting als bedoeld in artikel 22 of een stichting als bedoeld in artikel 54 waarvan het statutaire doel in ieder geval is het in stand houden van een samenwerkingsschool. De artikelen 55 en 61 zijn van overeenkomstige toepassing.

2.

Een samenwerkingsschool kan uitsluitend tot stand komen indien:

  • a. met die totstandkoming van de samenwerkingsschool de continuïteit van het openbaar of bijzonder onderwijs gehandhaafd kan blijven; en
  • b. de betrokken scholen ten minste zes schooljaren zijn bekostigd.
3.

Van een situatie als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, is sprake indien één van de betrokken scholen op 1 oktober van het eerste of tweede schooljaar voorafgaand aan de fusiedatum werd bezocht door ten hoogste 83 leerlingen.

4.

Samenwerkingsscholen zijn toegankelijk voor alle kinderen zonder onderscheid van godsdienst of levensbeschouwing.

5.

Aan een samenwerkingsschool is een identiteitscommissie verbonden.

6.

De identiteitscommissie adviseert gevraagd en ongevraagd het bevoegd gezag en de directeur over alle aangelegenheden die betrekking hebben op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan het openbare karakter en de identiteit van de samenwerkingsschool. De identiteitscommissie kan tevens voorstellen doen over de aangelegenheden, bedoeld in de eerste volzin.

7.

De statuten van de stichting die de samenwerkingsschool in stand houdt, voorzien in een regeling over de identiteitscommissie waarin in ieder geval de samenstelling, benoeming, herbenoeming, ontslag, duur van de benoeming, werkwijze, inrichting en bevoegdheden van de identiteitscommissie zijn vastgelegd alsmede een voorziening voor het beslechten van geschillen tussen het bevoegd gezag en de identiteitscommissie. Bij de samenstelling van de identiteitscommissie is sprake van een evenwichtige verdeling tussen openbaar en bijzonder onderwijs.

8.

Wijziging van de statuten van de stichting die de samenwerkingsschool in stand houdt voor zover die betrekking hebben op de regeling over de identiteitscommissie, is slechts mogelijk indien het bevoegd gezag en de identiteitscommissie daartoe gezamenlijk besluiten. Indien het een stichting betreft anders dan een stichting als bedoeld in artikel 22 en anders dan bedoeld in artikel 54, kan een wijziging als bedoeld in de eerste volzin uitsluitend tot stand komen met goedkeuring van de eilandsraad van het openbaar lichaam waarin de samenwerkingsschool gelegen is. Goedkeuring kan slechts worden onthouden indien overheersende invloed van de overheid in de identiteitscommissie niet is verzekerd voor zover het openbaar onderwijs binnen de samenwerkingsschool betreft.

9.

De stichting anders dan een stichting als bedoeld in artikel 22 en anders dan bedoeld in artikel 54 brengt jaarlijks aan de eilandsraad van het openbaar lichaam waarin de samenwerkingsschool gelegen is, verslag uit over de werkzaamheden waarbij in ieder geval aandacht wordt geschonken aan de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs. Het verslag wordt bekendgemaakt.

10.

De voorschriften van deze wet en van andere wetten die het primair onderwijs betreffen, alsmede de daarop gebaseerde regelingen, voor zover die voorschriften en regelingen betrekking hebben op een bijzondere school, zijn van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsschool als bedoeld in het eerste lid, tenzij het tegendeel blijkt.

11.

In geval van ernstige taakverwaarlozing door het bestuur of functioneren in strijd met de wet, voor zover het openbaar onderwijs betreft, neemt de eilandsraad van het openbaar lichaam waar de samenwerkingsschool gelegen is, de maatregelen die hij nodig acht om de continuïteit van het onderwijsproces te waarborgen voor zover het openbaar onderwijs betreft. De feitelijke samenwerking wordt beëindigd op 1 augustus van het jaar na een daartoe door de eilandsraad van het openbaar lichaam waar de samenwerkingsschool gelegen is, en het bevoegd gezag van de samenwerkingsschool gezamenlijk genomen besluit.

§ 2. Zorgstructuur

§ 3. Personeel

§ 4. Leerlingen

§ 5. Ouders

Afdeling 3. Overige voorwaarden voor bekostiging uit de openbare kassen van het bijzonder onderwijs

Titel III. Bekostiging

Afdeling 2. Aanvang van de bekostiging

§ 1. Scholen

§ 2. Nadere voorschriften voor de uitvoering van afdeling 2

Afdeling 3. Voorziening in de huisvesting

Afdeling 4. Materiële instandhouding

Afdeling 5. Grondslag bekostiging personeelskosten

Afdeling 6. Budget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid

§ 1. Lichamelijke oefening

§ 1. Lichamelijke oefening

§ 1. Scholen

Afdeling 8. Beëindiging van de bekostiging

§ 2. Overige bepalingen

§ 1. Scholen

Afdeling 9. Verslaglegging en informatieverstrekking

Artikel 128. Reikwijdte voorschriften

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Afdeling 9. Zij-instroom in het beroep

Hoofdstuk II. Slotbepalingen

Artikel 167e. Evaluatie in verband met het pseudonimiseren van het persoonsgebonden nummer van een onderwijsdeelnemer

Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Wet van 29 november 2017 tot wijziging van diverse onderwijswetten in verband met het pseudonimiseren van het persoonsgebonden nummer van een onderwijsdeelnemer ten behoeve van het bieden van voorzieningen in het kader van het onderwijs en de begeleiding van onderwijsdeelnemers (Stb. 508) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en effecten van artikel 147, achtste tot en met elfde lid, in de praktijk.

Artikel 16a. Vaststelling en beschikbaarstelling schoolplan en schoolgids
1.

Het bevoegd gezag stelt ten minste eenmaal in de vier jaar het schoolplan vast en stelt dit zo spoedig mogelijk na de vaststelling beschikbaar voor de inspectie.

2.

Het bevoegd gezag stelt jaarlijks de schoolgids vast ten behoeve van het eerstvolgende schooljaar en stelt deze zo spoedig mogelijk na de vaststelling beschikbaar voor de ouders en de inspectie.

§ 2. Zorgstructuur

§ 3. Personeel

§ 4. Leerlingen

§ 5. Ouders

Afdeling 2. Overige regelen voor het openbaar onderwijs

Afdeling 3. Overige voorwaarden voor bekostiging uit de openbare kassen van het bijzonder onderwijs

Titel III. Bekostiging

§ 1. Scholen

Artikel 72a. Belangstellingsmeting
1.

De belangstellingsmeting, bedoeld in artikel 72, tweede lid, onderdeel a, wordt uitgevoerd aan de hand van hetzij ouderverklaringen dan wel, in bij ministeriële regeling te bepalen gevallen, een marktonderzoek.

2.

De belangstellingsmeting:

  • a. geeft inzicht in het te verwachten aantal kinderen op 1 januari van het elfde jaar na de indiening van de aanvraag; en
  • b. vindt plaats binnen het voedingsgebied dat het eiland omvat van de beoogde plaats van vestiging van de school.
3.

Het te verwachten aantal leerlingen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt berekend overeenkomstig de formule q = (y/x *100%) * w * z, waarbij:

  • a. in het geval van keuze voor de ouderverklaring geldt: y = aantal kinderen in de leeftijd van 2 tot en met 4 jaar van wie in de ouderverklaring is aangegeven belangstelling te hebben voor de school in de aanvraag; x = totaal aantal kinderen in de leeftijd van 2 tot en met 4 jaar op 1 januari van het kalenderjaar waarin de aanvraag wordt gedaan, in het voedingsgebied, bedoeld in het tweede lid, onder b; w = het totaal aantal kinderen in de leeftijd van 4 tot en met 11 jaar, vermeerderd met 30 procent van het aantal kinderen in de leeftijd van 12 jaar in het voedingsgebied, bedoeld in het tweede lid onder b, op 1 januari van het elfde jaar na de indiening van de aanvraag, gebaseerd op gegevens onder meer verstrekt door het Centraal Bureau voor de Statistiek; z = een bij ministeriële regeling te bepalen correctiefactor;
  • b. in het geval van keuze voor het marktonderzoek geldt: y = aantal kinderen in de leeftijd van 2 tot en met 4 jaar ten aanzien van wie in het marktonderzoek is aangegeven dat er belangstelling is voor de school in de aanvraag; x = totaal aantal kinderen in de leeftijd van 2 tot en met 4 jaar, ten aanzien van wie in het marktonderzoek is deelgenomen; w = het totaal aantal kinderen in de leeftijd van 4 tot en met 11 jaar vermeerderd met 30 procent van het aantal kinderen in de leeftijd van 12 jaar in het voedingsgebied, bedoeld in het tweede lid onder b, op 1 januari van het elfde jaar na de indiening van de aanvraag, gebaseerd op gegevens onder meer verstrekt door het Centraal Bureau voor de Statistiek; z = een bij ministeriële regeling te bepalen correctiefactor.

De aanvraag bevat de berekeningen die tot de uitkomst van de formules, bedoeld onder a en b, hebben geleid

4.

De ouderverklaring, bedoeld in het eerste lid, heeft betrekking op één kind in de leeftijd van 2 tot en met 4 jaar op 1 november van het kalenderjaar waarin de aanvraag wordt gedaan en wordt ingediend door de ouder van deze leerling.

5.

Het marktonderzoek, bedoeld in het eerste lid,:

  • a. heeft betrekking op kinderen in de leeftijd van 2 tot en met 4 jaar;
  • b. wordt afgenomen onder de ouders van kinderen, bedoeld in onderdeel a, op een wetenschappelijk verantwoorde manier door een onafhankelijk onderzoeksbureau dat aantoonbaar werkt volgens een door een brancheorganisatie opgestelde gedragscode met betrekking tot de uitvoering van marktonderzoek;
  • c. wordt uitgevoerd aan de hand van een aselecte steekproef uit de kinderen, bedoeld in onderdeel a, die aantoonbaar representatief is voor die kinderen; en
  • d. mag niet ouder zijn dan 24 maanden voorafgaand aan de uiterste indieningsdatum van de aanvraag.
6.

Indien uit de belangstellingsmeting van meer dan één aanvraag blijkt dat de betrokken postcodegebieden, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, elkaar overlappen en daardoor de som van de kinderen voor wie belangstelling is aangetoond in het overlappende voedingsgebied groter is dan het totaal aantal kinderen in het overlappende voedingsgebied, worden de aantallen van de kinderen voor wie belangstelling is aangetoond in het overlappende voedingsgebied naar evenredigheid verminderd tot de som van het totaal kinderen in het overlappende voedingsgebied voor wie belangstelling is aangetoond gelijk is aan het totaal aantal kinderen in het overlappende voedingsgebied.

7.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld aan de uitvoering van de belangstellingsmeting over:

  • a. de wijze waarop de belangstellingsmeting wordt uitgevoerd; en
  • b. de omvang van het marktonderzoek in relatie tot de minimale verhoudingen tussen de verschillende onderdelen van de formule voor de belangstellingsmeting, bedoeld in het derde lid.

Afdeling 2. Aanvang van de bekostiging

Afdeling 4. Grondslag bekostiging

§ 5. Overschrijdingsregeling

Artikel 119a. Beheer van de middelen

Het bevoegd gezag beheert de middelen van de school op zodanige wijze dat het voortbestaan van de school is verzekerd.

Afdeling 8. Beëindiging van de bekostiging

§ 2. Overige bepalingen

Artikel 128. Reikwijdte voorschriften

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Afdeling 10. Experimenten

Afdeling 8a. Deze afdeling treedt niet meer in werking. De afdeling is ingetrokken door Stb. 2025/280.

Hoofdstuk II. Slotbepalingen

Artikel 167f. Evaluatie in verband met nieuwe stichtingssystematiek

Onze Minister zendt na vijf, tien en vijftien jaar na de inwerkingtreding van de Wet van 20 mei 2020 tot wijziging van diverse onderwijswetten door het wijzigen van de systematiek van het in aanmerking brengen voor bekostiging van nieuwe openbare en bijzondere scholen zodat er meer ruimte is voor een nieuw onderwijsaanbod (Wet meer ruimte voor nieuwe scholen) (Stb. 2020, 160) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de gewijzigde systematiek van het in aanmerking brengen voor bekostiging van nieuwe scholen in de praktijk. Daarbij wordt in ieder geval gelet op de effecten op de segregatie.

Artikel 47a. Deelname leerlingen aan extra activiteiten
1.

De deelname van leerlingen aan activiteiten die geen onderdeel uitmaken van het verplichte onderwijsprogramma en worden georganiseerd onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag, wordt niet afhankelijk gesteld van een bijdrage als bedoeld in artikel 44, eerste lid.

2.

Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan voor de daar bedoelde activiteiten, indien:

  • a. deze activiteiten buiten de kerndoelen, bedoeld in artikel 11, vierde lid, langdurig aan leerlingen worden aangeboden door een school die door dat bevoegd gezag in stand gehouden wordt,
  • b. die school is aangesloten bij een verband van scholen die dergelijke activiteiten organiseren, en
  • c. krachtens een door dat verband vastgestelde code een regeling is getroffen voor de leerlingen ten aanzien van wie niet of niet geheel de gevraagde ouderbijdrage wordt betaald.
3.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gesteld aan de scholen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, en aan de code, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c.

Afdeling 2. Overige regelen voor het openbaar onderwijs

Afdeling 2. Overige regelen voor het openbaar onderwijs

Titel III. Bekostiging

Afdeling 1. Algemeen

Afdeling 2. Aanvang van de bekostiging

§ 1. Scholen

§ 2. Nadere voorschriften voor de uitvoering van afdeling 2

Afdeling 3. Voorziening in de huisvesting

Afdeling 6. Budget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid

Afdeling 8. Beëindiging van de bekostiging

§ 2. Overige bepalingen

Artikel 128. Reikwijdte voorschriften

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Afdeling 10a. Experimenten

Afdeling 11. Overige bepalingen

Hoofdstuk II. Slotbepalingen

Artikel 142. Gebruik persoonsgebonden nummer BES door bevoegd gezag
1.

Het bevoegd gezag kan het persoonsgebonden nummer BES van een leerling gebruiken in het verkeer met de leerling op wie het nummer betrekking heeft, of met de ouders van deze leerling.

2.

Het bevoegd gezag verstrekt het persoonsgebonden nummer BES van iedere leerling aan Onze Minister, tezamen met de volgende gegevens van de leerling:

  • a. geslacht, geboortedatum en postcode van de woonplaats;
  • b. de datum van in- of uitschrijving;
  • c. de groep;
  • d. indien van toepassing voor- en vroegschoolse educatie;
  • e. indien van toepassing de uitslag van een onder verantwoordelijkheid van de school afgenomen onafhankelijke eindtoets basisonderwijs;
  • f. het advies omtrent het volgen van aansluitend voortgezet onderwijs bij het verlaten van de school, zoals opgenomen in het onderwijskundig rapport, bedoeld in artikel 48;
  • g. het registratienummer van de school;
  • h. bekostigingsindicatie.
3.

Bij ministeriële regeling kan een nadere specificatie worden gegeven van de gegevens, bedoeld in het tweede en zevende lid, en kan worden bepaald welke van de gegevens, bedoeld in het tweede en zevende lid, niet langer behoeven te worden verstrekt. Bij ministeriële regeling kunnen voorts regels worden gesteld omtrent de tijdstippen en de wijze van verstrekking van de gegevens, bedoeld in het tweede en zevende lid.

4.

Het bevoegd gezag kan het persoonsgebonden nummer BES van een leerling, al dan niet tezamen met een of meer van de gegevens, bedoeld in het tweede en zevende lid, gebruiken in het verkeer met Onze Minister ten behoeve van de vaststelling van de bekostiging van de school.

5.

Het bevoegd gezag en het hoofd, bedoeld in artikel 1, onder d, van de Leerplichtwet BES, gebruiken het persoonsgebonden nummer BES van een leerling in contacten met een openbaar lichaam in het kader van de Leerplichtwet BES, tezamen met de gegevens die noodzakelijk zijn voor het toezicht op de naleving van die wet door het openbaar lichaam.

6.

Het bevoegd gezag gebruikt het persoonsgebonden nummer BES van een leerling in het contact met een andere school of een school voor ander onderwijs ten behoeve van de in- en uitschrijving van die leerling en bij het overleggen van het onderwijskundig rapport, bedoeld in artikel 48.

7.

Indien de gegevens over de nationaliteit van de leerling niet zijn opgenomen in de basisadministratie, bedoeld in artikel 1 van de Wet basisadministraties persoonsgegevens BES, worden deze gegevens door het bevoegd gezag verstrekt aan Onze Minister.

8.

Het bevoegd gezag kan het persoonsgebonden nummer BES van een leerling eenmalig gebruiken ten behoeve van het genereren van een pseudoniem voor deze leerling met het oog op het bieden van voorzieningen in het kader van het onderwijs en de begeleiding van leerlingen. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat het pseudoniem wordt bewaard in de systemen waarin de leerlingen zijn geregistreerd.

9.

Het bevoegd gezag kan het pseudoniem, bedoeld in het achtste lid, gebruiken voor het genereren van een ander pseudoniem voor een leerling in het kader van de toegang tot en het gebruik van digitale leermiddelen of het digitaal afnemen van toetsen, waarbij het bevoegd gezag er zorg voor draagt dat dit andere pseudoniem wordt bewaard in de systemen waarin de leerlingen zijn geregistreerd. Dit andere pseudoniem wordt uitsluitend verstrekt aan een leverancier die een digitaal product of een digitale dienst aanbiedt bestaande uit leerstof of toetsen en de daarmee samenhangende digitale diensten.

10.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere gevallen worden aangewezen dan het geval, bedoeld in het negende lid, waarvoor het bevoegd gezag op basis van het pseudoniem, bedoeld in het achtste lid, een ander pseudoniem kan genereren. Daarbij worden in ieder geval de categorieën van ontvangers van dit andere pseudoniem aangewezen.

11.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de voorwaarden waaronder de pseudoniemen, bedoeld in het achtste tot en met het tiende lid, kunnen worden gegenereerd en gebruikt. Deze voorwaarden betreffen in ieder geval de duur en de beveiliging, waaronder de gescheiden opslag van de pseudoniemen.

Artikel 143. Gebruik persoonsgebonden nummer BES door het openbaar lichaam

Onverminderd het overigens bij of krachtens de wet bepaalde omtrent het gebruik van het ID-nummer dat van de leerling is opgenomen in de basisadministratie persoonsgegevens van het openbaar lichaam, gebruikt het openbaar lichaam het persoonsgebonden nummer BES van een leerling uitsluitend ten behoeve van een registratie van leerplichtige jongeren in het belang van het toezicht op de naleving van de Leerplichtwet BES.

Artikel 13a. Zeer zwak onderwijs
1.

De kwaliteit van het onderwijs is zeer zwak indien de leerresultaten op de school aan het eind van het zevende of het achtste schooljaar op groepsniveau ernstig en langdurig tekortschieten en het bevoegd gezag in verband met dit tekortschieten eveneens tekortschiet in de naleving van een of meer bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften. Het bevoegd gezag voldoet in elk geval niet aan de wettelijke opdracht om zorg te dragen voor de kwaliteit van het onderwijs, bedoeld in artikel 13, indien de kwaliteit van het onderwijs zeer zwak is.

2.

Er is sprake van onvoldoende leerresultaten als bedoeld in het eerste lid indien op de school de leerresultaten op het gebied van Nederlandse taal en rekenen en wiskunde en, voor wat betreft het openbare lichaam Bonaire, op het gebied van Papiaments of, voor wat betreft de openbare lichamen Sint Eustatius en Saba, de Engelse taal, gemeten over een periode van 3 schooljaren, liggen onder de in het vijfde lid bedoelde normering die daarvoor geldt in vergelijking tot die leerresultaten over diezelfde schooljaren van scholen met een vergelijkbaar leerlingenbestand.

3.

De leerresultaten van de school worden, voor wat betreft het openbaar lichaam Bonaire, jaarlijks beoordeeld op basis van de resultaten van de afgelegde doorstroomtoetsen, bedoeld in artikel 51b, eerste lid, op het gebied van Papiaments, Nederlandse taal en rekenen en wiskunde, met uitzondering van de resultaten van doorstroomtoetsen afgelegd door:

  • a. zeer moeilijk lerende leerlingen;
  • b. meervoudig gehandicapte leerlingen voor wie het zeer moeilijk lerend zijn een van de handicaps is; en
  • c. leerlingen die vier jaar of korter in het openbaar lichaam Bonaire zijn en om die reden de Nederlandse taal onvoldoende beheersen.
4.

De leerresultaten van de school worden, voor wat betreft de openbare lichamen Sint Eustatius en Saba, jaarlijks beoordeeld op basis van de resultaten van door leerlingen in het laatste leerjaar van het basisonderwijs afgelegde toetsen, bedoeld in artikel 51a, eerste lid, op het gebied van Engelse taal, Nederlandse taal en rekenen en wiskunde.

5.

Indien de leerresultaten van de school niet kunnen worden beoordeeld op grond van de regels gesteld bij of krachtens het zesde lid, is de kwaliteit van het onderwijs zeer zwak indien de school tekortschiet in de naleving van twee of meer bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften en de school dientengevolge tekortschiet in het zorg dragen voor de veiligheid op school, bedoeld in artikel 6a, of het zodanig inrichten van het onderwijs dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen dan wel het afstemmen van het onderwijs op de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen, bedoeld in artikel 10, eerste lid.

6.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop leerresultaten worden gemeten, genormeerd en beoordeeld. Voorts wordt de normering, bedoeld in het derde lid, bepaald en wordt bepaald bij welk aantal leerlingen in het achtste schooljaar van een bepaalde school voor die school voor de periode van 3 schooljaren, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt gelezen 5 schooljaren.

7.

De voordracht voor een krachtens het zesde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

§ 2. Zorgstructuur

§ 4. Leerlingen

§ 6. Toetsing basisonderwijs en doorstroom voortgezet onderwijs

Afdeling 2. Overige regelen voor het openbaar onderwijs

Afdeling 3. Overige voorwaarden voor bekostiging uit de openbare kassen van het bijzonder onderwijs

Titel III. Bekostiging

Afdeling 1. Algemeen

§ 1. Scholen

Afdeling 2. Aanvang van de bekostiging

Afdeling 6. Overschrijding en betaling

Afdeling 8. Verslaglegging en informatieverstrekking

Afdeling 9. Zij-instroom in het beroep

Afdeling 9. Zij-instroom in het beroep

Artikel 140. Ruimte voor innovatie
1.

Met het oog op verbetering van de kwaliteit, toegankelijkheid of doelmatigheid van het basisonderwijs kan bij wijze van experiment bij algemene maatregel van bestuur worden afgeweken van hoofdstuk I, titel I, artikelen 1 en 2, titel II, afdeling 1 en afdeling 2, artikelen 53 en 54, en titel III, afdelingen 1, 2 en 4 tot en met 6 en afdeling 7, paragraaf 1, van de wet.

2.

In geval van toepassing van het eerste lid wordt bij algemene maatregel van bestuur in elk geval bepaald:

  • a. het doel van het experiment,
  • b. op welke wijze van welke in het eerste lid bedoelde voorschriften wordt afgeweken,
  • c. de duur van het experiment, en
  • d. op welke wijze en aan de hand van welke criteria de met het experiment beoogde effecten worden geëvalueerd.
3.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de uitvoering van een experiment.

4.

Een experiment duurt ten hoogste zes jaar, tenzij een langere duur gezien de bijzondere aard van het experiment noodzakelijk is. Alsdan wordt de duur van het experiment op ten hoogste acht jaar bepaald. Indien een voorstel van wet is ingediend bij de Staten-Generaal om het experiment om te zetten in een structurele wettelijke regeling, voordat een experiment is afgelopen, kan Onze Minister het experiment verlengen tot het tijdstip waarop het wetsvoorstel tot wet is verheven en in werking treedt.

5.

Onze Minister zendt drie maanden voor het einde van de werkingsduur van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid aan de Staten-Generaal, een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment in de praktijk, evenals een standpunt over de voortzetting van die algemene maatregel van bestuur, anders dan een voortzetting als experiment.

6.

In verband met een experiment als bedoeld in het eerste lid, kan bij algemene maatregel van bestuur eveneens bij wijze van experiment worden afgeweken van artikel 1 van de Leerplichtwet BES.

7.

Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsverband van een school met een school als bedoeld in artikel 1 of een school als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020. Bij samenwerking met een school als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020 kan worden afgeweken van de Wet voortgezet onderwijs 2020, met uitzondering van hoofdstuk 3, paragrafen 7 en 10, de hoofdstukken 4, 6 en 9, en hoofdstuk 11, paragrafen 4 en 6, van die wet. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid, wordt geregeld welke bij of krachtens de wet, of de Wet voortgezet onderwijs 2020 vastgestelde voorschriften van toepassing of van overeenkomstige toepassing zijn op de samenwerking.

Artikel 141. Vermindering bekostiging i.v.m. schuld of nalatigheid
1.

Onze Minister kan bepalen dat geen of slechts een gedeeltelijke bekostiging wordt verstrekt voor uitgaven die het gevolg zijn van schuld of nalatigheid van het bevoegd gezag.

2.

Indien de uitgaven bedoeld in het eerste lid, voor bekostiging door het Rijk in aanmerking komen, treedt het Rijk op het moment van een uitdrukkelijk besluit tot bekostiging in alle rechten die het bevoegd gezag ter zake tegen derden mocht hebben.

3.

Indien het openbaar lichaam een collectieve verzekering heeft afgesloten voor de vergoeding van schade, ontstaan aan gebouwen, terreinen of roerende zaken van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school, heeft het bevoegd gezag van de desbetreffende school jegens het openbaar lichaam geen aanspraak op vergoeding van dergelijke schade, voor zover die collectieve verzekering de schade dekt.

4.

Indien schade, ontstaan aan gebouwen, terreinen of roerende zaken van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school voor vergoeding door het openbaar lichaam in aanmerking komt, treedt het openbaar lichaam op het moment van een uitdrukkelijk besluit tot vergoeding in alle rechten die het bevoegd gezag ter zake van die schade tegen derden mocht hebben.

Artikel 144. Schadevergoeding bij termijnoverschrijding
1.

Indien een bij of krachtens de wet gestelde termijn door het bevoegd gezag wordt overschreden en het openbaar lichaam daardoor geen bekostiging van het Rijk dan wel lagere bekostiging of met ingang van een latere datum bekostiging van het Rijk ontvangt dan het geval zou zijn geweest indien deze termijn wel in acht was genomen, vergoedt het bevoegd gezag de door het openbaar lichaam geleden schade.

2.

Indien een bij of krachtens de wet gestelde termijn door het bestuurscollege wordt overschreden en het bevoegd gezag daardoor geen bekostiging van het Rijk dan wel lagere bekostiging of met ingang van een latere datum bekostiging van het Rijk ontvangt dan het geval zou zijn geweest indien deze termijn wel in acht was genomen, vergoedt het openbaar lichaam de door het bevoegd gezag geleden schade.

3.

Het bestuurscollege en het bevoegd gezag kunnen in onderling overleg de in het eerste en tweede lid bedoelde verplichting tot schadevergoeding matigen. Indien dit overleg niet tot overeenstemming leidt, is artikel 106 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek BES van toepassing.

Artikel 145. Gebruik ontvangen gelden overeenkomstig bestemming; boekhoudvoorschriften

Het bevoegd gezag van een bijzondere school is verplicht de uit de overheidskassen ontvangen gelden overeenkomstig de bestemming te gebruiken. Van de inkomsten en uitgaven wordt volgens bij algemene maatregel van bestuur te geven voorschriften nauwkeurig boekgehouden.

Hoofdstuk II. Slotbepalingen

Artikel 122a. Spoedaanwijzing
1.

Onze Minister kan het bevoegd gezag een spoedaanwijzing tot het nemen van een of meer voorlopige maatregelen geven, indien:

  • a. het bevoegd gezag tekortschiet in de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet;
  • b. uit dat tekortschieten of mede uit dat tekortschieten een wezenlijk vermoeden van wanbeheer als bedoeld in artikel 122, tweede lid, volgt; en
  • c. dat is vereist in verband met onverwijlde spoed.
2.

Onze Minister motiveert in de spoedaanwijzing waarom het doel van de spoedaanwijzing niet met een minder zwaar middel kan worden bereikt.

3.

De spoedaanwijzing vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd.

4.

De spoedaanwijzing bepaalt de duur waarvoor zij geldt. Deze geldigheidsduur bedraagt ten hoogste zes maanden. Onze Minister kan de geldingsduur eenmalig verlengen met ten hoogste zes maanden. Op een verlengingsbesluit is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

5.

Voordat Onze Minister een spoedaanwijzing geeft heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld in artikel 11 of artikel 15 van de Wet op het onderwijstoezicht verricht en daarover een inspectierapport uitgebracht als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht, waaruit volgt dat is voldaan aan de vereisten, bedoeld in het eerste lid.

6.

Onze Minister informeert de beide Kamers der Staten-Generaal onverwijld nadat toepassing is gegeven aan het eerste lid.

Afdeling 8. Verslaglegging en informatieverstrekking

Hoofdstuk II. Slotbepalingen

Artikel 34a. Verklaring omtrent het gedrag in het aanvullend onderwijs
1.

Het bevoegd gezag bewaart een afschrift van de verklaring omtrent het gedrag van een persoon die:

  • a. werkzaam is als of voor een particuliere onderwijsaanbieder; en
  • b. werkzaamheden verricht die een bijdrage leveren aan het onderwijsleerproces en die plaatsvinden:
  • 1°. in het schoolgebouw tijdens of aansluitend op de onderwijstijd; of
  • 2°. onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag.
2.

Het bevoegd gezag bewaart het afschrift, bedoeld in het eerste lid, gedurende het schooljaar waarin de werkzaamheden worden verricht.

3.

Het bevoegd gezag controleert ieder schooljaar voorafgaand aan de eerste keer dat de persoon, bedoeld in het eerste lid, werkzaamheden verricht of de verklaring omtrent het gedrag waarvan een afschrift wordt verstrekt niet ouder is dan zes maanden.

§ 5. Ouders

§ 6. Toetsing basisonderwijs en doorstroom voortgezet onderwijs

Afdeling 2. Overige regelen voor het openbaar onderwijs

Titel III. Bekostiging

Afdeling 2. Aanvang van de bekostiging

§ 2. Nadere voorschriften voor de uitvoering van afdeling 2

Afdeling 3. Voorziening in de huisvesting

Afdeling 7. Beëindiging van de bekostiging

§ 2. Betaling

Artikel 51a. Toetsen leerling- en onderwijsvolgsysteem
1.

Het bevoegd gezag gebruikt een leerling- en onderwijsvolgsysteem waaruit de vorderingen in de kennis en vaardigheden blijken op het niveau van de leerling, de groep en de school. Aan een leerling- en onderwijsvolgsysteem zijn, behoudens voor de eerste twee schooljaren, in elk geval door het College voor toetsen en examens erkende toetsen verbonden.

2.

De toetsen, bedoeld in het eerste lid, meten kennis en vaardigheden van de leerling, voor wat betreft het openbare lichaam Bonaire in elk geval op het terrein van Papiaments, Nederlandse taal en rekenen en wiskunde, en voor wat betreft de openbare lichamen Sint Eustatius en Saba in elk geval op het terrein van Engelse taal, Nederlandse taal en rekenen en wiskunde.

Artikel 51b. Doorstroomtoets openbaar lichaam Bonaire
1.

In het openbaar lichaam Bonaire neemt het bevoegd gezag in de eerste of tweede volledige week van februari bij een leerling in het laatste leerjaar van het basisonderwijs een door het College voor toetsen en examens erkende doorstroomtoets af. De doorstroomtoets is een objectief, tweede gegeven voor het vaststellen van het niveau van de leerling voor het volgen van aansluitend voortgezet onderwijs.

2.

Een doorstroomtoets meet kennis en vaardigheden van de leerling op het terrein van Papiaments, Nederlandse taal en rekenen en wiskunde. Het bevoegd gezag kan bij een leerling tevens een doorstroomtoets voor de kennisgebieden, genoemd in artikel 11, tweede lid, onderdelen a, b en c, afnemen.

Artikel 51c. Uitzondering deelname leerling aan doorstroomtoets openbaar lichaam Bonaire
1.

In het openbaar lichaam Bonaire neemt het bevoegd gezag, indien de leerling verhinderd is de doorstroomtoets als bedoeld in artikel 51b, eerste lid, af te leggen, binnen drie weken na het reguliere moment van afname de doorstroomtoets alsnog af, tenzij dit voor de leerling om medische redenen onmogelijk is.

2.

Het bevoegd gezag kan, mede op basis van de gegevens van de toetsen, bedoeld in artikel 51a, eerste lid, bepalen dat door een leerling geen doorstroomtoets wordt afgelegd, indien de leerling:

  • a. zeer moeilijk lerend is;
  • b. meervoudig gehandicapt is en voor wie het zeer moeilijk lerend zijn een van de handicaps is; of
  • c. vier jaar of korter in het openbaar lichaam Bonaire is en om die reden de Nederlandse taal onvoldoende beheerst.
3.

Indien het bevoegd gezag toepassing wil geven aan het tweede lid, overlegt het daarover met de ouders voor het reguliere moment van afname, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 51d. Schooladvies openbaar lichaam Bonaire
1.

In het openbaar lichaam Bonaire stelt het bevoegd gezag in de periode van 10 januari tot en met 31 januari, voorafgaand aan de afname van de doorstroomtoets, voor een leerling in het laatste leerjaar van het basisonderwijs een schooladvies op voor het volgen van aansluitend voortgezet onderwijs. Het bevoegd gezag deelt het schooladvies mee aan de ouders.

2.

Indien uit de uitslag van de door de leerling afgelegde doorstroomtoets, bedoeld in artikel 51b, eerste lid, blijkt dat de leerling beschikt over meer kennis en vaardigheden dan waarop het schooladvies berust, stelt het bevoegd gezag het schooladvies overeenkomstig de uitslag van de doorstroomtoets bij. Het bevoegd gezag kan gemotiveerd van de eerste volzin afwijken, wanneer dat in het belang van de leerling is.

3.

Na de uitslag van de doorstroomtoets en, indien van toepassing, een bijstelling van het schooladvies, stelt het bevoegd gezag uiterlijk 24 maart het definitieve schooladvies vast en maakt dit bekend aan de ouders. Indien de leerling, als gevolg van een omstandigheid als bedoeld in artikel 51c, geen doorstroomtoets heeft afgelegd, stelt het bevoegd gezag uiterlijk 24 maart het definitieve schooladvies vast conform het schooladvies. Het bevoegd gezag maakt het definitieve schooladvies bekend aan de ouders.

4.

Het definitieve schooladvies maakt onderdeel uit van het onderwijskundig rapport, bedoeld in artikel 48.

Artikel 51e. Delegatie en voorhang
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

  • b. de afnamevoorschriften, onregelmatigheden en onvoorziene omstandigheden bij de afname van een doorstroomtoets als bedoeld in 51b, eerste lid.
2.

De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Artikel 51f. Calamiteitentoets

Onze Minister draagt zorg voor de beschikbaarheid van een doorstroomtoets als bedoeld in artikel 51b, tweede lid, voor situaties waarin, als gevolg van onvoorziene omstandigheden, voor een school geen doorstroomtoets beschikbaar is.

Titel III. Bekostiging

§ 2. Nadere voorschriften voor de uitvoering van afdeling 2

Afdeling 3. Voorziening in de huisvesting

Afdeling 6. Overschrijding en betaling

Afdeling 7. Beëindiging van de bekostiging

§ 2. Overige bepalingen

Artikel 164a. Evaluatie leerling- en onderwijsvolgsysteem en doorstroomtoets

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)