← Geldende tekst · Geschiedenis

Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 12 oktober 2011, nr. WJZ/337681 (8299), houdende voorschriften betreffende de verstrekking van subsidie in 2011 en volgende jaren voor de instelling van een haalbaarheidsonderzoek voor de herbestemming van monumenten en voor het treffen van tijdelijke maatregelen ter voorkoming van het verval van monumenten (Subsidieregeling stimulering herbestemming monumenten)

Geldende tekst a fecha 2016-04-01

Gelet op artikel 34, zesde en zevende lid, van de Monumentenwet 1988;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen
1.

In deze regeling wordt verstaan onder:

2.

In deze regeling wordt onder monument tevens zelfstandig onderdeel begrepen, tenzij het tegendeel blijkt.

Artikel 2. Reikwijdte

Subsidie kan worden verstrekt ten behoeve van een op grond van de Monumentenwet 1988, een provinciale verordening of een gemeentelijke verordening beschermd monument dan wel ten behoeve van een monument dat niet op grond van een van die regelingen is beschermd.

Artikel 3. Begrotingsvoorbehoud
1.

Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.

In geval van het niet vervullen van de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, worden de op grond van deze regeling verleende subsidiebedragen verlaagd tot het bedrag van de subsidie dat na de vaststelling van de begroting ter beschikking staat, een en ander naar rato van het aantal subsidieaanvragers aan wie subsidie is verleend, en van de hoogte van de verleende subsidiebedragen.

Hoofdstuk 2. Subsidie voor onderzoek naar herbestemming voor gebouwde monumenten

Paragraaf 2.1. Algemeen

Artikel 4. Begripsbepalingen hoofdstuk 2

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

Artikel 5. Te subsidiëren activiteiten
1.

De minister kan subsidie verstrekken ten behoeve van:

2.

Een onderzoek als bedoeld in het eerste lid heeft betrekking op een of meer monumenten dan wel op een of meer zelfstandige onderdelen.

3.

Een haalbaarheidsonderzoek heeft betrekking op een of meer van de volgende onderwerpen:

4.

Indien een monument uit zelfstandige onderdelen bestaat of indien er sprake is van een samenstel van monumenten, kunnen voor dat monument onderscheidenlijk dat samenstel ten hoogste drie aanvragen om subsidie worden ingediend.

Artikel 6. Aanvragers
1.

Subsidie kan worden aangevraagd door:

2.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een ander monument dan een woonhuis tevens begrepen een woonhuis dat onderdeel is van een samenstel van monumenten. Subsidie voor een woonhuis als bedoeld in de eerste volzin kan uitsluitend worden aangevraagd, indien voor dat samenstel van monumenten dan wel voor een of meer onderdelen daarvan tevens subsidie is aangevraagd.

Artikel 7. Subsidieplafond
1.

Voor de subsidieverstrekking op grond van dit hoofdstuk is per subsidietijdvak telkens een bedrag van € 1,7 miljoen beschikbaar.

2.

Indien in enig subsidietijdvak een beschikbaar bedrag niet geheel wordt verstrekt, kan de minister het resterende bedrag toevoegen aan:

Artikel 8. Subsidiebedrag; minimum- en maximumbedrag aan kosten
1.

De subsidie voor een onderzoek bedraagt 70 procent van de kosten van dat onderzoek.

2.

Het bedrag aan kosten voor een onderzoek waarover subsidie kan worden verstrekt, is ten minste € 10.000 en ten hoogste € 25.000 per aanvraag.

Paragraaf 2.2. Aanvraag

Artikel 9. Aanvraag en indieningsvereisten
1.

De subsidie wordt op aanvraag verstrekt.

2.

De aanvraag wordt ingediend op een door de minister vastgesteld formulier. Daarop wordt in elk geval aangegeven:

3.

De aanvraag gaat vergezeld van:

Artikel 10. Indieningstermijn
1.

De aanvraag wordt per subsidietijdvak ingediend van 1 oktober tot en met 30 november.

2.

De aanvraag wordt ingediend bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed te Amersfoort.

Paragraaf 2.3. Subsidievaststelling

Artikel 11. Weigeringsgronden

Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de verstrekking van een subsidie in elk geval geweigerd, voor zover:

Artikel 12. Wijze van verdeling van de beschikbare middelen
1.

De minister voorziet in een gelijktijdige beslissing op aanvragen om subsidie met betrekking tot de activiteiten, bedoeld in artikel 5, eerste lid.

2.

De minister rangschikt de aanvragen in de volgorde als hierna vermeld:

3.

Indien bij toepassing van het tweede lid het subsidieplafond, bedoeld in artikel 7, eerste lid, dreigt te worden overschreden of wordt overschreden door subsidieverstrekking aan alle aanvragers in een van de categorieën aanvragen als bedoeld in het tweede lid, wordt op de aanvragen in die categorie beslist in de volgorde van de opgave van de kosten, bedoeld in artikel 9, derde lid, onderdeel b, waarvoor subsidie wordt aangevraagd, waarbij een aanvraag met een lagere opgave van de kosten voorrang krijgt.

Artikel 13. Beschikking tot subsidievaststelling
1.

De minister beslist binnen 13 weken na afloop van de periode, bedoeld in artikel 10, eerste lid, op de aanvragen in de volgorde van de rangschikking, bedoeld in artikel 12, tweede lid, en zonodig met toepassing van artikel 12, derde lid.

2.

De subsidie wordt vastgesteld zonder voorafgaande subsidieverlening.

3.

De beschikking tot subsidievaststelling vermeldt de aard van het onderzoek waarvoor subsidie wordt verstrekt, het subsidiebedrag en het tijdstip waarop het onderzoek uiterlijk is afgerond.

Paragraaf 2.4. Verplichtingen en verantwoording

Artikel 14. Subsidieverplichtingen
1.

De ontvanger van een subsidie voltooit het onderzoek uiterlijk op het tijdstip, bedoeld in artikel 13, derde lid.

2.

De ontvanger van een subsidie doet onmiddellijk schriftelijk mededeling aan de minister, indien aannemelijk is dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt niet voor het tijdstip, bedoeld in artikel 13, derde lid, zijn verricht dan wel niet of niet geheel zullen worden verricht.

Artikel 15. Desgevraagd verantwoorden
1.

De ontvanger van een subsidie toont op verzoek van de minister aan dat:

2.

Aan het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is in elk geval toepassing gegeven, indien de ontvanger van een subsidie een rapport overlegt waarin de resultaten van het onderzoek zijn vastgelegd.

Hoofdstuk 3. Subsidie voor wind- en waterdicht maken van gebouwde monumenten

Paragraaf 3.1. Algemeen

Artikel 16. Begripsbepalingen hoofdstuk 3

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

Artikel 17. Te subsidiëren activiteiten
1.

De minister kan subsidie verstrekken ten behoeve van het treffen van tijdelijke maatregelen die er toe strekken om een monument wind- en waterdicht te maken dan wel om verval, verzakking of instorting van een monument te voorkomen met het oog op mogelijke herbestemming van een monument.

2.

Subsidie wordt uitsluitend verstrekt, indien met betrekking tot een monument recent een onderzoek is ingesteld of een aanvraag om subsidie voor een onderzoek is ingediend. Onder een onderzoek als bedoeld in de eerste volzin wordt mede begrepen een ander vergelijkbaar haalbaarheidsonderzoek.

3.

Voor zover een subsidie betrekking heeft op een woonhuis als bedoeld in artikel 18, tweede lid, wordt die subsidie onverminderd het tweede lid uitsluitend verstrekt, indien met betrekking tot het desbetreffende samenstel van monumenten dan wel een of meer onderdelen daarvan recent een onderzoek is ingesteld of een aanvraag om subsidie voor een onderzoek is ingediend. De tweede volzin van het tweede lid is van toepassing.

4.

Maatregelen als bedoeld in het eerste lid hebben betrekking op een of meer monumenten dan wel op een of meer zelfstandige onderdelen.

5.

Indien een monument uit zelfstandige onderdelen bestaat of indien er sprake is van een samenstel van monumenten, kunnen voor dat monument onderscheidenlijk dat samenstel ten hoogste twee aanvragen om subsidie worden ingediend.

Artikel 18. Aanvragers
1.

Subsidie kan worden aangevraagd door eigenaren van een ander monument dan een woonhuis.

2.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een ander monument dan een woonhuis tevens begrepen een woonhuis dat onderdeel is van een samenstel van monumenten.

Artikel 19. Subsidieplafond
1.

Voor de subsidieverstrekking op grond van dit hoofdstuk is per subsidietijdvak telkens een bedrag van € 0,7 miljoen beschikbaar.

2.

Indien in enig subsidietijdvak een beschikbaar bedrag niet geheel wordt verstrekt, kan de minister het resterende bedrag toevoegen aan:

Artikel 20. Subsidiabele kosten
1.

Als subsidiabele kosten worden aangemerkt de rechtstreeks aan het treffen van tijdelijke maatregelen toe te rekenen kosten, voor zover de werkzaamheden ter uitvoering van die maatregelen naar het oordeel van de minister technisch noodzakelijk zijn en sober en doelmatig zijn.

2.

Kosten als bedoeld in het eerste lid zijn in elk geval:

Artikel 21. Niet-subsidiabele kosten
1.

Niet voor subsidie komen in ieder geval in aanmerking:

2.

Voorts komen niet voor subsidie in aanmerking kosten, voor zover die in geval van schade op grond van een verzekering worden vergoed.

Artikel 22. Subsidiebedrag; minimum- en maximumbedrag aan subsidiabele kosten
1.

De subsidie voor tijdelijke maatregelen bedraagt 70 procent van de subsidiabele kosten.

2.

Het bedrag aan subsidiabele kosten voor tijdelijke maatregelen waarover subsidie kan worden verstrekt, is ten minste € 10.000 en ten hoogste € 50.000 per aanvraag.

Paragraaf 3.2. Aanvraag

Artikel 23. Aanvraag en indieningsvereisten
1.

De subsidie wordt op aanvraag verleend.

2.

De aanvraag wordt ingediend op een door de minister vastgesteld formulier. Daarop wordt in elk geval aangegeven:

3.

De aanvraag gaat vergezeld van:

Artikel 24. Indieningstermijn
1.

De aanvraag wordt per subsidietijdvak ingediend van 1 oktober tot en met 30 november.

2.

Artikel 10, tweede lid, is van toepassing.

Paragraaf 3.3. Subsidieverstrekking

Artikel 25. Weigeringsgronden

Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de verstrekking van een subsidie in elk geval geweigerd, voor zover:

Artikel 26. Wijze van verdeling van de beschikbare middelen
1.

De minister voorziet in een gelijktijdige beslissing op aanvragen om subsidie met betrekking tot de activiteiten, bedoeld in artikel 17, eerste lid.

2.

De minister rangschikt de aanvragen in de volgorde als hierna vermeld:

3.

Indien bij toepassing van het tweede lid het subsidieplafond, bedoeld in artikel 19, eerste lid, dreigt te worden overschreden of wordt overschreden door subsidieverstrekking aan alle aanvragers in een van de categorieën aanvragen als bedoeld in het tweede lid, wordt op de aanvragen in die categorie beslist in de volgorde van de opgave van de kosten, bedoeld in artikel 23, derde lid, onderdeel c, waarvoor subsidie wordt aangevraagd, waarbij een aanvraag met een lagere opgave van de kosten voorrang krijgt.

Artikel 27. Beschikking op de subsidieaanvraag
1.

Indien de te verstrekken subsidie € 25.000 of meer bedraagt, geeft de minister de beschikking tot subsidieverlening binnen 13 weken na afloop van de periode, bedoeld in artikel 24, eerste lid, in de volgorde van de rangschikking, bedoeld in artikel 26, tweede lid, en zonodig met toepassing van artikel 26, derde lid.

2.

Indien de te verstrekken subsidie minder dan € 25.000 bedraagt, stelt de minister de subsidie zonder voorafgaande subsidieverlening vast binnen 13 weken na afloop van de periode, bedoeld in artikel 24, eerste lid, in de volgorde van de rangschikking, bedoeld in artikel 26, tweede lid, en zonodig met toepassing van artikel 26, derde lid.

3.

De beschikking vermeldt de aard van de werkzaamheden waarvoor subsidie wordt verstrekt, het subsidiebedrag en het tijdstip waarop de werkzaamheden uiterlijk zijn afgerond.

Paragraaf 3.4. Bevoorschotting en verplichtingen

Artikel 28. Bevoorschotting

Indien de subsidie € 25.000 of meer bedraagt, verstrekt de minister een voorschot van 90 procent van het verleende subsidiebedrag onmiddellijk na de verlening van de subsidie. De minister verstrekt het resterende voorschot onmiddellijk na indiening van de prestatieverklaring, bedoeld in artikel 31, eerste lid.

Artikel 29. Subsidieverplichtingen
1.

De ontvanger van een subsidie voltooit de werkzaamheden uiterlijk op het tijdstip, bedoeld in artikel 27, derde lid.

2.

Artikel 14, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 3.5. Subsidievaststelling en verantwoording

Artikel 30. Aanvraag tot subsidievaststelling
1.

Indien de subsidie € 25.000 of meer bedraagt, dient de ontvanger van een subsidie binnen 13 weken na het tijdstip, bedoeld in artikel 27, derde lid, een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in.

2.

De aanvraag wordt ingediend bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed te Amersfoort.

Artikel 31. Verantwoording
1.

Indien de subsidie € 25.000 of meer bedraagt, toont de ontvanger van een subsidie aan de hand van een prestatieverklaring aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan. De minister stelt voor de prestatieverklaring een model vast. De prestatieverklaring wordt gevoegd bij de aanvraag, bedoeld in artikel 30.

2.

Indien de subsidie minder dan € 25.000 bedraagt, is artikel 15, eerste lid, van toepassing. Aan de eerste volzin is in elk geval toepassing gegeven, indien de ontvanger van een subsidie een prestatieverklaring als bedoeld in het eerste lid overlegt.

Artikel 32. Subsidievaststelling

Indien de subsidie € 25.000 of meer bedraagt, stelt de minister de subsidie vast binnen 22 weken na ontvangst van de aanvraag, bedoeld in artikel 30.

Artikel 33. Terugvordering
1.

De subsidieontvanger is na de subsidievaststelling, bedoeld in artikel 32, verplicht onverschuldigd betaalde subsidiebedragen onmiddellijk terug te betalen, tenzij de minister tot verrekening heeft besloten.

2.

In geval van terugvordering van onverschuldigde subsidiebedragen kan de minister de subsidieontvanger verplichten de met de terugvordering verband houdende kosten te voldoen. Tevens kan de minister in dat geval de wettelijke rente vorderen.

Hoofdstuk 4. Slotbepalingen

Artikel 34. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 november 2011.

Artikel 35. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling stimulering herbestemming monumenten.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 33a. Vervaldatum regeling

Deze regeling vervalt met ingang van 1 oktober 2021.

Artikel 33b. Overgangsbepaling

Vervallen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 1a. Grondslag

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Hoofdstuk 2. Subsidie voor onderzoek naar herbestemming voor gebouwde monumenten

Paragraaf 2.1. Algemeen

Paragraaf 2.2. Aanvraag

Paragraaf 2.3. Subsidievaststelling

Paragraaf 2.4. Verplichtingen en verantwoording

Hoofdstuk 3. Subsidie voor wind- en waterdicht maken van gebouwde monumenten

Paragraaf 3.1. Algemeen

Paragraaf 3.2. Aanvraag

Paragraaf 3.3. Subsidieverstrekking

Paragraaf 3.4. Bevoorschotting en verplichtingen

Paragraaf 3.5. Subsidievaststelling en verantwoording

Hoofdstuk 4. Slotbepalingen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.