Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 31 oktober 2011, nr. IENM/BSK-IENM/BSK-2011/145875, houdende vaststelling van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011
§ 1. Inleidende bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- ademalcoholgehalte: ademalcoholgehalte dat wordt geconstateerd tijdens een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, of derde lid, onderdeel a, van de wet;
- beginnende bestuurder: bestuurder als bedoeld in artikel 8, derde lid, van de wet;
- bloedalcoholgehalte: bloedalcoholgehalte dat wordt geconstateerd tijdens een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, of derde lid, onderdeel b, van de wet;
- directeur: directeur van de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR);
- handset: handset als bedoeld in artikel 1 van bijlage XII bij de Regeling voertuigen;
- hertest: in het kader van het alcoholslotprogramma tijdens de rit afgeven van een ademmonster in het in het motorrijtuig ingebouwde alcoholslot;
- initieel ademmonster: initieel ademmonster als bedoeld in artikel 1 van bijlage XII bij de Regeling voertuigen;
- vaste eenheid: vaste eenheid als bedoeld in artikel 1 van bijlage XII bij de Regeling voertuigen;
- wet: Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2
Een vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet wordt gebaseerd op feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1.
Indien een vermoeden als bedoeld in het eerste lid wordt gebaseerd op het gestelde in de bij deze regeling behorende bijlage 1, onder B, onderdeel III, ‘Drogerende stoffen Alcohol’, dient betrokkene bij minimaal één feit bestuurder te zijn geweest van een motorrijtuig waarvoor een rijbewijs is vereist.
Artikel 3
Feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 2 kunnen blijken uit:
- a. eigen waarneming en gegevens afkomstig van de politie;
- b. gegevens afkomstig van de officier van justitie, of
- c. door de politie nagetrokken gegevens uit andere bron.
Feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 2 kunnen voor zover het de geschiktheid betreft bovendien blijken uit:
- a. gegevens door de directeur verkregen in het kader van aanvragen van verklaringen van geschiktheid als bedoeld in artikel 97 van het Reglement rijbewijzen;
- b. gegevens, door de directeur van een arts verkregen, of
- c. gegevens, door de directeur uit andere bron verkregen.
Het meest recente feit, bedoeld in artikel 2, is ten tijde van de mededeling niet langer dan zes maanden geleden geconstateerd. Indien het een mededeling betreft van de officier van justitie inzake bijlage 1, onder IV, dient de mededeling uiterlijk binnen zes maanden nadat de laatste afdoening onherroepelijk is geworden, te worden gedaan. Een uitzondering is slechts mogelijk, indien in de aard van de zaak gelegen omstandigheden dit rechtvaardigen.
Artikel 4
De mededeling, bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet kan schriftelijk worden gedaan volgens het model, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 2, of op andere wijze, mits daarbij dezelfde gegevens als in dat model worden vermeld. Hieronder wordt tevens verstaan aanlevering via geautomatiseerde systemen, dan wel via digitale gegevensdragers.
De in artikel 130, derde lid, van de wet bedoelde toezending aan het CBR van een ingevorderd rijbewijs geschiedt bij aangetekende brief.
§ 2. Vordering tot overgifte van het rijbewijs en schorsing geldigheid
Artikel 5
Een vordering tot overgifte van het rijbewijs, bedoeld in artikel 130, tweede lid, van de wet geschiedt in de volgende gevallen:
- a. betrokkene heeft een motorrijtuig bestuurd onder invloed van drogerende stoffen, andere dan alcohol;
- b. betrokkene heeft een poging tot zelfdoding met een motorrijtuig ondernomen;
- c. er zijn duidelijke aanwijzingen dat betrokkene lijdt aan een aandoening waardoor hij geestelijk en/of lichamelijk niet goed functioneert, dan wel ernstige psychiatrische problemen ondervindt, hetgeen bij twijfel bevestigd wordt door een medisch deskundige;
- d. betrokkene heeft met een motorrijtuig tegen de rijrichting in gereden (spookrijden);
- e. betrokkene heeft binnen een periode van een jaar ten minste drie aanrijdingen veroorzaakt;
- f. betrokkene is als bestuurder van een motorrijtuig rechtstreeks betrokken bij een aanrijding met duidelijke materiële dan wel letselschade en verklaart de aanrijding niet te hebben bemerkt;
- g. betrokkene is niet in staat het motorrijtuig in bedwang te houden;
- h. betrokkene heeft een aanrijding veroorzaakt door het intrappen van het onjuiste pedaal of door het niet intrappen van het juiste pedaal;
- i. betrokkene is bewust ingereden op een andere weggebruiker;
- j. bij betrokkene wordt als bestuurder van een motorrijtuig een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 570 µg/l, respectievelijk 1,3‰;
- k. bij betrokkene wordt, in de hoedanigheid van beginnende bestuurder, een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 435 µg/l, respectievelijk 1,0‰;
- l. betrokkene heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8 van de wet, tenzij de constatering heeft plaatsgevonden ten aanzien van een bestuurder van een motorrijtuig van de categorie AM;
- m. ten aanzien van betrokkene is binnen een periode van vijf jaar ten minste vier maal proces-verbaal opgemaakt op verdenking van overtreding van artikel 8, tweede, derde of vierde lid, van de wet, waarbij de laatste overtreding moet zijn begaan als houder van een rijbewijs;
- n. betrokkene heeft drie maal als beginnende bestuurder een of meer van de in bijlage 1, onderdeel IV, opgenomen feiten begaan en voor deze feiten is hij tijdens of na de in artikel 1, onder beginnende bestuurder, genoemde termijn onherroepelijk veroordeeld, dan wel is voor deze feiten tijdens of na die termijn ten aanzien van hem een onherroepelijke strafbeschikking uitgevaardigd;
- o. ten aanzien van betrokkene is tijdens de duur van het alcoholslotprogramma proces-verbaal opgemaakt op verdenking van overtreding van artikel 8, derde juncto vierde lid, van de wet of artikel 9, negende lid, van de wet;
- p. betrokkene, die voor zijn achttiende verjaardag in het kader van begeleid rijden een rijbewijs voor de categorie B heeft behaald, heeft in de periode tot zijn achttiende verjaardag een motorrijtuig bestuurd zonder een op de begeleiderspas geregistreerde begeleider, dan wel met een begeleider van wie hij weet dat deze onder zodanige invloed verkeert van een stof, waarvan het gebruik - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kan verminderen, dat deze niet tot behoorlijk begeleiden in staat moet worden geacht.
In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel j, vindt geen vordering tot overgifte plaats, indien de constatering heeft plaatsgevonden ten aanzien van een bestuurder van een motorrijtuig van de categorie AM en het een adem- of bloedalcoholgehalte betreft dat gelijk is aan dan wel hoger is dan 570 µg/l respectievelijk 1,3‰, maar lager dan 785 µg/l respectievelijk 1,8‰.
In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel k, vindt geen vordering tot overgifte plaats, indien de constatering heeft plaatsgevonden ten aanzien van een bestuurder van een motorrijtuig van de categorie AM en het een adem- of bloedalcoholgehalte betreft dat gelijk is aan dan wel hoger is dan 435 µg/l respectievelijk 1,0‰, maar lager dan 785 µg/l respectievelijk 1,8‰.
Artikel 6
In de gevallen, bedoeld in artikel 5, schorst het CBR overeenkomstig artikel 131, tweede lid, van de wet de geldigheid van het rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, tenzij een educatieve maatregel als bedoeld in artikel 131, eerste lid, onderdeel a, van de wet wordt opgelegd of het rijbewijs ongeldig wordt verklaard op grond van artikel 132b, tweede lid, van de wet.
§ 3. Lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer
§ 3. Lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer
§ 5. Educatieve maatregel gedrag en verkeer
§ 6. Alcoholslotprogramma
§ 7. Onderzoeken
§ 8. Ongeldigverklaring van het rijbewijs
§ 4. Educatieve maatregel alcohol en verkeer
Bijlage 1. bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Bijlage 2. bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Gelet op de artikelen 130, eerste en derde lid, 131, eerste en derde lid, 132, tweede lid, 132a, tweede, derde en vijfde lid, 132b, vijfde lid, 132c, vijfde, zesde, zevende en negende lid, 132d, eerste, tweede, derde en vijfde lid, 133, vierde en vijfde lid, 134, tweede, derde, zevende en achtste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
Besluit:
§ 1. Inleidende bepalingen
§ 2. Vordering tot overgifte van het rijbewijs en schorsing geldigheid
Artikel 7
Het CBR besluit tot een lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer indien:
- a. bij betrokkene een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 350 µg/l, respectievelijk 0,8‰, maar lager is dan 435 µg/l, respectievelijk 1,0‰;
- b. bij betrokkene, in de hoedanigheid van beginnende bestuurder, een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 220 µg/l, respectievelijk 0,5‰, maar lager is dan 350 µg/l, respectievelijk 0,8‰.
Artikel 8
Betrokkene komt niet in aanmerking voor de lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer indien:
- a. hij een ongeval heeft veroorzaakt waardoor een ander is gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel is toegebracht;
- b. blijkt dat hij de Nederlandse taal dan wel een andere taal waarin de lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer wordt gegeven, niet of niet in voldoende mate beheerst;
- c. hij de afgelopen vijf jaar aan een lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer heeft deelgenomen;
- d. hij de afgelopen vijf jaar aan een educatieve maatregel alcohol en verkeer heeft deelgenomen;
- e. hij de afgelopen vijf jaar aan het alcoholslotprogramma heeft deelgenomen;
- f. hij zich de afgelopen vijf jaar heeft moeten onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid wegens alcohol;
- g. hij naar het oordeel van een medisch deskundige lijdt aan een ernstige psychiatrische stoornis of dementie, dan wel aan een langdurige lichamelijke stoornis die deelname onmogelijk maakt;
- h. het vermoeden bestaat dat er bij betrokkene sprake is van alcoholafhankelijkheid, of
- i. het bij de politie bekend is dat hij regelmatig drogerende stoffen gebruikt.
Artikel 9
Betrokkene verleent onder meer niet de vereiste medewerking aan de educatieve maatregel, indien hij:
- a. de kosten van de educatieve maatregel niet heeft voldaan binnen de termijn of op de wijze die is vastgelegd bij het besluit waarbij de verplichting tot het zich onderwerpen aan die maatregelen is opgelegd;
- b. onder invloed van alcohol of andere drogerende stoffen op de desbetreffende cursus verschijnt;
- c. demonstratief niet aan de cursus deelneemt;
- d. zich tijdens de cursus agressief gedraagt, of
- e. tijdens de cursus op andere wijze het groepsproces verstoort.
Artikel 10
De ten laste van betrokkene komende kosten verbonden aan het opleggen van de lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer worden onderscheiden in:
- a. kosten van het opleggen van de maatregel, die € 300,– bedragen en
- b. kosten van de uitvoering van de maatregel, die € 80,– bedragen.
De in het eerste lid bedoelde bedragen worden telkenjare voor het komende kalenderjaar vastgesteld met toepassing van de volgende rekenformule:
| bedrag voor het huidige kalenderjaar | = | bedrag voor het komende kalenderjaar | |
|---|---|---|---|
Voor de toepassing van deze rekenformule wordt verstaan onder:
- C1:. het CBS-prijsindexcijfer (totaal, zonder verrekeningen) van de gezinsconsumptie over de maand juni van het lopende kalenderjaar zoals dat is gepubliceerd in het Statistisch Bulletin;
- Cv:. het CBS-prijsindexcijfer (totaal, zonder verrekeningen) van de gezinsconsumptie over de maand juni van het kalenderjaar voorafgaande aan het lopende kalenderjaar zoals dat is gepubliceerd in het Statistisch Bulletin;
- R1:. het CBS-indexcijfer van regelingslonen voor de particuliere bedrijven over de maand juni van het lopende kalenderjaar zoals dat is gepubliceerd in het Statistisch Bulletin;
- Rv:. het CBS-indexcijfer van regelingslonen voor de particuliere bedrijven over de maand juni van het kalenderjaar voorafgaande aan het lopende kalenderjaar zoals dat is gepubliceerd in het Statistisch Bulletin.
Alle in het eerste lid bedoelde kosten worden betaald binnen vijf weken nadat het besluit tot oplegging van de lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer aan betrokkene bekend is gemaakt, op de wijze zoals aangegeven bij die bekendmaking.
De in het derde lid bedoelde termijn kan niet worden verlengd.
Artikel 11
Het CBR besluit tot oplegging van een educatieve maatregel alcohol en verkeer indien:
- a. bij betrokkene een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 435 µg/l, respectievelijk 1,0‰, maar lager is dan 570 µg/l, respectievelijk 1,3‰;
- b. bij betrokkene in de hoedanigheid van beginnende bestuurder een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 350 µg/l, respectievelijk 0,8‰, maar lager is dan 435 µg/l, respectievelijk 1,0‰;
- c. ten aanzien van betrokkene binnen een periode van vijf jaar tenminste twee maal proces-verbaal opgemaakt op verdenking van overtreding van artikel 8, tweede, derde of vierde lid, van de wet, waarbij bij één van die verdenkingen een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat hoger is dan 220 µg/l, respectievelijk 0,5‰, dan wel hoger is dan 88 µg/l, respectievelijk 0,2‰ indien een van de feiten is begaan als beginnende bestuurder,
- d. betrokkene op grond van artikel 8, onderdeel c, niet in aanmerking komt voor een lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer;
- e. betrokkene op grond van artikel 18, onderdeel g, niet in aanmerking komt voor het alcoholslotprogramma en er niet eerder een mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet is uitgebracht ten aanzien van de betrokken rijbewijshouder, gebaseerd dan wel mede gebaseerd op bijlage 1, onderdeel B, subonderdeel III, bij deze Regeling, die heeft geleid tot het opleggen van een educatieve maatregel alcohol en verkeer.
Artikel 9 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 12
Betrokkene komt niet in aanmerking voor de educatieve maatregel alcohol en verkeer indien:
- a. hij een ongeval heeft veroorzaakt waardoor een ander is gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel is toegebracht,
- b. blijkt dat hij de Nederlandse taal dan wel een andere taal waarin de educatieve maatregel alcohol en verkeer wordt gegeven, niet of niet in voldoende mate beheerst;
- c. hij de afgelopen vijf jaar aan een educatieve maatregel alcohol en verkeer heeft deelgenomen;
- d. hij de afgelopen vijf jaar aan het alcoholslotprogramma heeft deelgenomen;
- e. hij zich de afgelopen vijf jaar heeft moeten onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid wegens alcohol;
- f. hij naar het oordeel van een medisch deskundige lijdt aan een ernstige psychiatrische stoornis of dementie, dan wel aan een langdurige lichamelijke stoornis die deelname onmogelijk maakt,
- g. het vermoeden bestaat dat er bij betrokkene sprake is van alcoholafhankelijkheid, of
- h. dat het bij de politie bekend is dat hij regelmatig drogerende stoffen gebruikt.
Artikel 13
De ten laste van betrokkene komende kosten verbonden aan het opleggen van de educatieve maatregel alcohol en verkeer worden onderscheiden in:
- a. kosten met betrekking tot het opleggen van de maatregel, die € 300,– bedragen en
- b. kosten met betrekking tot de uitvoering van de maatregel, die € 432,– bedragen.
Artikel 10, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Alle in het eerste lid bedoelde kosten worden betaald binnen tien weken nadat het besluit tot oplegging van de educatieve maatregel aan betrokkene bekend is gemaakt, op de wijze zoals aangegeven bij die bekendmaking.
Indien betrokkene zich in een dusdanig financiële situatie bevindt dat betaling binnen de termijn redelijkerwijs niet mogelijk is, kan voor de kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, de in het derde lid genoemde termijn worden verlengd.
§ 5. Educatieve maatregel gedrag en verkeer
Artikel 14
Het CBR besluit tot oplegging van een educatieve maatregel gedrag en verkeer indien:
- a. betrokkene tijdens een rit herhaaldelijk gedragingen heeft verricht als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1, onder A, onderdeel III, Rijgedrag;
- b. ten aanzien van betrokkene als bestuurder van een motorrijtuig, niet zijnde een bromfiets, een overschrijding is geconstateerd van de toegestane maximumsnelheid met 50 kilometer of meer op wegen binnen de bebouwde kom;
- c. ten aanzien van betrokkene als bestuurder van een bromfiets een overschrijding is geconstateerd van de toegestane maximumsnelheid met 31 kilometer of meer op wegen binnen de bebouwde kom;
- d. ten aanzien van betrokkene als bestuurder van een motorrijtuig een overschrijding is geconstateerd van de toegestane maximumsnelheid met 31 kilometer of meer op wegen binnen de bebouwde kom bij wegwerkzaamheden,.
- e. de uitslag van het ingevolge artikel 23, tweede lid, opgelegde onderzoek geen aanleiding geeft tot ongeldigverklaring van het rijbewijs.
Artikel 9 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 15
Betrokkene komt niet in aanmerking voor de educatieve maatregel gedrag en verkeer indien:
- a. hij een ongeval heeft veroorzaakt waardoor een ander is gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel is toegebracht;
- b. hij bewust op een andere weggebruiker is ingereden;
- c. blijkt dat hij de Nederlandse taal dan wel een andere taal waarin de educatieve maatregel gedrag en verkeer wordt gegeven, niet of niet in voldoende mate beheerst;
- d. hij de afgelopen vijf jaar reeds twee maal aan de educatieve maatregel gedrag en verkeer heeft deelgenomen;
- e. hij naar het oordeel van een medisch deskundige lijdt aan een ernstige psychiatrische stoornis of dementie, dan wel aan een langdurige lichamelijke stoornis die deelname onmogelijk maakt;
- f. het vermoeden bestaat dat er bij betrokkene sprake is van alcoholafhankelijkheid, of
- g. dat het bij de politie bekend is dat hij regelmatig drogerende stoffen gebruikt.
Artikel 16
De ten laste van betrokkene komende kosten verbonden aan het opleggen van de educatieve maatregel gedrag en verkeer worden onderscheiden in:
- a. kosten met betrekking tot het opleggen van de maatregel, die € 300,– bedragen en
- b. kosten met betrekking tot de uitvoering van de maatregel, die € 510,– bedragen.
De artikelen 10, tweede lid, en 13, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 6. Alcoholslotprogramma
Artikel 17
Het CBR besluit dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan het alcoholslotprogramma indien:
- a. bij betrokkene een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 570 µg/l, respectievelijk 1,3‰, maar lager is dan 785 µg/l, respectievelijk 1,8‰;
- b. bij betrokkene, in de hoedanigheid van beginnende bestuurder, een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 435 µg/l, respectievelijk 1,0‰, maar lager is dan 785 µg/l, respectievelijk 1,8‰;
- c. betrokkene heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de wet;
- d. ten aanzien van betrokkene binnen een periode van vijf jaar tenminste drie maal proces-verbaal opgemaakt op verdenking van overtreding van artikel 8, tweede, derde of vierde lid, van de wet, waarbij bij één van die verdenkingen een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat hoger is dan 220 µg/l, respectievelijk 0,5‰, dan wel 88 µg/l, respectievelijk 0,2‰ indien een van de feiten is begaan als beginnende bestuurder, of waarbij hij ten minste eenmaal heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in dat artikel;
- e. betrokkene op grond van artikel 8, onderdelen a, d of h, niet in aanmerking komt voor een lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer;
- f. betrokkene op grond van artikel 12, onderdelen a, c of g, niet in aanmerking komt voor een educatieve maatregel alcohol en verkeer, of
- g. de uitslag van het ingevolge artikel 23, eerste lid, opgelegde onderzoek geen aanleiding geeft tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, tenzij oplegging van dit onderzoek heeft plaatsgevonden op grond van artikel 23, eerste lid, onderdelen b, onder I, of c, onder I.
In afwijking van artikel 18, onderdeel b, komt betrokkene in aanmerking voor oplegging van het alcoholslotprogramma indien:
- a. hem in de afgelopen vijf jaar op grond van artikel 7 deelname aan een lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer is opgelegd, maar hij op grond van artikel 23, eerste lid, onderdeel b, onder I, een onderzoek naar de geschiktheid heeft ondergaan;
- b. hem in de afgelopen vijf jaar op grond van artikel 11 deelname aan een lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer is opgelegd, maar hij op grond van artikel 23, eerste lid, onderdeel c, onder I, een onderzoek naar de geschiktheid heeft ondergaan.
Artikel 18
Betrokkene komt niet in aanmerking voor het alcoholslotprogramma indien:
- a. hij de afgelopen vijf jaar aan het alcoholslotprogramma heeft deelgenomen, tenzij de doorverwijzing naar het alcoholslotprogramma plaatsvindt op basis van de uitslag van het ingevolge artikel 23, eerste lid, opgelegde onderzoek;
- b. hij zich de afgelopen vijf jaar heeft moeten onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid, tenzij de doorverwijzing naar het alcoholslotprogramma plaatsvindt op basis van de uitslag van het ingevolge artikel 23, eerste lid, opgelegde onderzoek;
- c. hij naar het oordeel van een medisch deskundige lijdt aan een ernstige psychiatrische stoornis of dementie, dan wel aan een langdurige lichamelijke stoornis die deelname onmogelijk maakt;
- d. dat het bij de politie bekend is dat hij regelmatig drogerende stoffen, anders dan alcohol, gebruikt;
- e. hij uitsluitend de beschikking had over een rijbewijs voor de categorie A, het rijbewijs voor de categorie AM niet meegerekend, of
- f. hij beschikt over een door het daartoe bevoegde gezag in Nederland afgegeven rijbewijs, maar op het moment van het nemen van het besluit, bedoeld in artikel 131, eerste lid, onderdeel b, van de wet niet in Nederland woonachtig is;
- g. de overtreding waarop de mededeling is gebaseerd, is begaan als bestuurder van een motorrijtuig van de categorie AM.
Artikel 19
Het alcoholslotprogramma omvat de volgende onderdelen:
- a. de inbouw van een alcoholslot als bedoeld in artikel 132e, eerste lid, van de wet;
- b. de periodieke uitlezing van de gegevens uit het alcoholslot door de erkenninghouder, bedoeld in artikel 132k, eerste lid, van de wet;
- c. het volgen van het begeleidingsprogramma.
Voor de toepassing van dit artikel wordt het alcoholslotprogramma verdeeld in perioden van zes maanden.
Bij de aanvang van het alcoholslotprogramma bepaalt het CBR dat de periodieke uitlezing van het alcoholslot uiterlijk elke 46 dagen dient plaats te vinden. Het CBR doet van de data waarop de uitlezingen uiterlijk moeten hebben plaatsgevonden mededeling aan betrokkene.
In afwijking van het derde lid bepaalt het CBR dat na de eerste periode van zes maanden de periodieke uitlezing van het alcoholslot uiterlijk elke 92 dagen plaatsvindt, indien:
- a. bij de laatste uitlezing in de eerste periode van zes maanden van het alcoholslotprogramma is gebleken dat er ten hoogste driemaal een blaaspoging, niet zijnde een hertest, is geregistreerd hoger dan 88 µg/l;
- b. bij een uitlezing in de tweede periode van zes maanden van het alcoholslotprogramma is gebleken dat er ten hoogste tweemaal een blaaspoging, niet zijnde een hertest, is geregistreerd hoger dan 88 µg/l
- c. bij een uitlezing in de derde periode van zes maanden van het alcoholslotprogramma ten hoogste één maal een blaaspoging, niet zijnde een hertest, is geregistreerd hoger dan 88 µg/l.
- d. bij een uitlezing in de vierde periode van zes maanden van het alcoholslotprogramma, dan wel bij de laatste uitlezing tijdens een verlenging, géén blaaspoging, niet zijnde een hertest, is geregistreerd hoger dan 88 µg/l.
Het CBR doet van de data waarop de uitlezingen uiterlijk moeten hebben plaatsgevonden mededeling aan betrokkene.
Indien bij de eerstvolgende uitlezing na de uitlezing, bedoeld in het vierde lid, onderdelen a, b of c, blijkt dat betrokkene niet aan de in het vierde lid bedoelde eisen voldoet, dan stelt het CBR de uitleesperiode vast op uiterlijk elke 46 dagen. De laatste volzin van het vierde lid is van overeenkomstige toepassing.
De betrokkene dient, in aanvulling op de periodieke uitlezingen zoals vastgesteld door het CBR overeenkomstig het derde, vierde of vijfde lid, het alcoholslot extra te laten uitlezen, indien:
- a. minder dan 10 % van de geheugencapaciteit voor de opslag van gegevens resteert;
- b. het alcoholslot bij zelfdiagnose constateert dat er onregelmatigheden of technische mankementen zijn;
- c. het alcoholslot na de laatste uitlezing tenminste drie keer een spanningsonderbreking heeft geregistreerd;
- d. het motorrijtuig is gestart zonder dat vooraf een geldig ademmonster is afgegeven of nadat uit het ademmonster blijkt dat het gemeten ademalcoholgehalte hoger is dan 88 µg/l;
- e. de bestuurder niet heeft voldaan aan het verzoek een hertest af te leggen;
- f. een hertest is afgelegd, maar uit het bij de hertest afgegeven ademmonster blijkt dat het gemeten ademalcoholgehalte hoger was dan 88 µg/l.
Artikel 20
Betrokkene verleent onder meer niet de vereiste medewerking, bedoeld in artikel 132, eerste lid, van de wet aan het alcoholslotprogramma indien:
- a. hij de kosten, bedoeld in artikel 132c, zesde en zevende lid, van de wet niet, niet binnen de gestelde termijn of niet op de voorgeschreven dan wel overeengekomen wijze voldoet;
- b. hij niet of niet binnen de gestelde termijn meewerkt aan de uitlezing van de gegevens uit het alcoholslot, met uitzondering van de in artikel 19, zesde lid, onderdelen a, b of c, genoemde gevallen;
- c. hij niet of niet binnen de door het CBR gestelde termijn meewerkt aan de vastgestelde bijeenkomsten of begeleidingsafspraken in het kader van het alcoholslotprogramma zonder dat daarvoor tijdig een geldige reden van verhindering is opgegeven;
- d. hij onder invloed van alcohol of andere drogerende stoffen op de vastgestelde periodieke bijeenkomsten of begeleidingsafspraken verschijnt;
- e. hij demonstratief niet aan de vastgestelde bijeenkomsten of begeleidingsafspraken deelneemt;
- f. hij zich tijdens de vastgestelde bijeenkomsten of begeleidingsafspraken agressief gedraagt;
- g. hij tijdens de vastgestelde bijeenkomsten op andere wijze het groepsproces verstoort;
- h. hij tijdens het alcoholslotprogramma een motorrijtuig bestuurt waarvoor een rijbewijsplicht geldt, met uitzondering van een bromfiets:
- I. dat niet is voorzien van een alcoholslot als bedoeld in artikel 132e, eerste lid, van de wet, of
- II. waarin een zodanig alcoholslot is ingebouwd waarvan door een van de in artikel 159, onderdeel a, van de wet bedoelde personen is geconstateerd dat het niet functioneert, of
- III. waarin wel een alcoholslot is ingebouwd, maar waarvan het kenteken niet in het kader van het alcoholslotprogramma aan de bestuurder is gekoppeld;
- IV. en door een van de in artikel 159, onderdeel a, van de wet bedoelde personen proces-verbaal is opgemaakt op basis van eigen constatering, dan wel op basis van een bekentenis van de bestuurder of van een verklaring of verklaringen van getuigen, dat een ander dan de bestuurder heeft geblazen in het alcoholslot, bedoeld in artikel 132e, eerste lid, van de wet;
- i. ten aanzien van hem, tijdens het alcoholslotprogramma, bedoeld in artikel 132b, eerste lid, van de wet na een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de wet een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat hoger is dan 88 µg/l, respectievelijk 0,2‰, dan wel indien hij tijdens de duur van het alcoholslotprogramma heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de wet;
- j. ten aanzien van hem tijdens het alcoholslotprogramma een rijontzegging van kracht is geworden;
- k. het op zijn naam gestelde rijbewijs van rechtswege ongeldig is geworden op grond van artikel 123b van de wet of indien een aantekening is gemaakt op grond van artikel 123b, derde lid, van de wet;
- l. tijdens het alcoholslotprogramma vier of meer foutieve hertesten zijn geregistreerd;
- m. hij de meting of de werking van het alcoholslot heeft omzeild;
- n. indien tijdens het alcoholslotprogramma uitbouw van het alcoholslot heeft plaatsgevonden zonder dat een ander alcoholslot als bedoeld in artikel 132e, van de wet is ingebouwd;
- o. indien tijdens de duur van het alcoholslotprogramma is geconstateerd dat:
- I. de bij de installatie aangebrachte verzegeling van de behuizing van het alcoholslot of van de bedrading van het alcoholslot is verbroken,
- II. een voorziening is aangebracht waardoor het alcoholslot geheel of gedeeltelijk buiten werking is gesteld, dan wel is gebleken dat het motorrijtuig op andere wijze is gestart dan met gebruikmaking van het alcoholslot of dat met het motorrijtuig is gereden zonder dat periodiek een hertest is afgelegd;
- III. de software van het alcoholslot zodanig is aangepast of omzeild dat het motorrijtuig kan worden gestart zonder het afleggen van een initieel ademmonster of
- IV. kan worden gereden zonder dat periodiek een hertest moet worden afgelegd;
- p. indien tijdens het alcoholslotprogramma is gebleken dat voor de tweede keer bedrading is onderbroken of beschadigd, de behuizing van het alcoholslot is beschadigd of onregelmatigheden zijn geconstateerd betreffende de aansluitpunten tussen de vaste eenheid en de uitleesapplicatie.
Artikel 21
De ten laste van betrokkene komende kosten verbonden aan het opleggen van het alcoholslotprogramma, voor zover niet betrekking hebbend op de kosten van het huren of kopen, de inbouw, het uitlezen, het testen, het kalibreren, het onderhoud en de uitbouw van het typegoedgekeurde alcoholslot worden onderscheiden in:
- a. kosten met betrekking tot het opleggen van het alcoholslotprogramma, die € 300,– bedragen;
- b. kosten met betrekking tot de uitvoering van het alcoholslotprogramma voor de in artikel 132c, vierde lid, van de wet bedoelde periode, die € 700,– bedragen;
- c. kosten met betrekking tot de uitvoering van het alcoholslotprogramma voor de in artikel 132d, tweede of vierde lid, van de wet bedoelde verlenging, die per verlenging € 270,– bedragen;
- d. kosten verbonden aan het in stand houden van het alcoholslotregister, welke kostenbij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994zijn vastgesteld.
Artikel 10, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en c.
De kosten, bedoeld in het eerste lid, worden betaald in termijnen op de wijze zoals door het CBR aangegeven bij het besluit, bedoeld in artikel 132c, eerste lid, van de wet, dan wel bij het besluit, bedoeld in artikel 132d, tweede of vierde lid, van de wet.
De in het derde lid bedoelde termijnen kunnen niet worden verlengd.
Artikel 22
Het CBR besluit tot verlenging van het alcoholslotprogramma indien uit de in artikel 132d, eerste of derde lid, van de wet bedoelde evaluatie is gebleken dat in de laatste zes maanden dan wel tijdens de verlenging van het alcoholslotprogramma tenminste één blaaspoging, niet zijnde een hertest, is geregistreerd hoger dan 88 µg/l.
§ 7. Onderzoeken
Artikel 23
Het CBR besluit dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid, bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de wet indien:
- a. bij betrokkene, al dan niet in hoedanigheid van beginnende bestuurder, een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 785 µg/l, respectievelijk 1,8‰;
- b. betrokkene niet in aanmerking komt voor een lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer op grond van:
- II,. artikel 8, onderdeel e,
- III. artikel 8, onderdeel f,
- IV. artikel 8, onderdeel g of
- c. betrokkene niet in aanmerking komt voor een educatieve maatregel alcohol en verkeer op grond van:
- II,. artikel 12, onderdeel d,
- III. artikel 12, onderdeel e,
- IV. artikel 12, onderdeel f of
- d. betrokkene op grond van artikel 18 niet in aanmerking komt voor een alcoholslotprogramma, tenzij artikel 11, eerste lid, onderdeel e, van toepassing is.
Het CBR besluit voorts dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid, meer in het bijzonder het rijgedrag, indien betrokkene op grond van artikel 15, onderdeel d, niet in aanmerking komt voor een educatieve maatregel gedrag en verkeer.
Het CBR besluit ten slotte dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid dan wel geschiktheid:
- a. in geval van feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1, anders dan die vermeld onder A, onderdeel III, Rijgedrag, of onder B, onderdeel III, Drogerende stoffen ‘Alcohol’, alsmede
- b. indien betrokkene op grond van artikel 15, onderdelen a, b, c, e, f of g, niet in aanmerking komt voor een educatieve maatregel gedrag en verkeer.
Indien de mededeling, bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet is gedaan op basis van feiten en omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1, vermeld onder A, onderdeel IV, Herhaaldelijk niet of niet op de juiste wijze naleven van essentiële verkeersregels dan wel verkeerstekens, kan het CBR besluiten af te zien van het opleggen van een onderzoek, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Artikel 24
Betrokkene verleent onder meer niet de vereiste medewerking aan het onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid indien hij:
- a. de kosten bedoeld in artikel 25, eerste lid, niet, niet tijdig of niet op de voorgeschreven dan wel overeengekomen wijze voldoet, of
- b. geen gehoor geeft aan oproepen voor het onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid, zonder dat daarvoor tijdig een geldige reden is opgegeven.
Artikel 25
De kosten verbonden aan een onderzoek naar de geschiktheid komen voor rekening van de betrokken rijbewijshouder:
- a. in de in artikel 23, eerste lid, bedoelde gevallen, en
- b. in de in artikel 23, derde lid, onderdeel a, bedoelde gevallen, voor zover het de gevallen betreft, bedoeld in bijlage 1, onder B, onderdeel III, Andere drogerende stoffen.
De in het eerste lid bedoelde kosten worden onderscheiden in:
- a. kosten met betrekking tot het opleggen van het onderzoek, die € 300,– bedragen;
- b. kosten met betrekking tot de uitvoering van die maatregel, die € 666,– bedragen.
De artikelen 10, tweede lid, en 13, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 26
De kosten van het tweede onderzoek, bedoeld in artikel 134, derde lid, van de wet bedragen voor 2011 € 618,–. artikel 10, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
De kosten van het tweede onderzoek worden betaald binnen twee weken na de mededeling van het CBR, bedoeld in artikel 134, derde lid, van de wet, op de wijze zoals bij die mededeling is aangegeven. Deze termijn wordt niet verlengd.
§ 8. Ongeldigverklaring van het rijbewijs
Artikel 27
Het CBR besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, bedoeld in artikel 134, derde lid, van de wet, indien de uitslag van het onderzoek, respectievelijk de onderzoeken, inhoudt dat betrokkene:
- a. niet de rijvaardigheid bezit voor de desbetreffende categorie of categorieën motorrijtuigen;
- b. niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijk en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën motorrijtuigen.
§ 9. Slotbepalingen
Artikel 28
De Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid wordt ingetrokken.
Artikel 29
Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de artikelen I, onderdelen A, E tot en met DD, en GG tot en met PP, en II tot en met VIII, van de wet van 4 juni 2010 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de aanpassing van de vorderingsprocedure en de invoering van het alcoholslotprogramma (Stb. 259) in werking treden.
Artikel 30
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011.
Bijlage 1. bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011
Feiten dan wel omstandigheden, die een vermoeden rechtvaardigen dat betrokkene niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor een rijbewijs is afgegeven, dan wel, met uitzondering van de categorie AM, over de vereiste lichamelijke of geestelijke geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen waarvoor een rijbewijs is afgegeven:
A. Rijvaardigheid en rijgedrag
I. Vaardigheid in het omgaan met het motorrijtuig
I.1. Bediening van het motorrijtuig
I.2. Beheersing van het motorrijtuig
II. Bedrevenheid in het deelnemen aan het verkeer
III. rijgedrag
IV. Herhaaldelijk niet of niet op de juiste wijze naleven van essentiële verkeersregels dan wel verkeerstekens
In de hoedanigheid van beginnende bestuurder, onverminderd het overigens in deze bijlage bepaalde, drie maal een of meer van de navolgende feiten hebben begaan waarvoor hij tijdens of na de in artikel 1, onder beginnende bestuurder, genoemde termijn onherroepelijk is veroordeeld, dan wel indien voor deze feiten tijdens of na die termijn ten aanzien van hem een onherroepelijk geworden strafbeschikking is uitgevaardigd:
B. Geschiktheid
I. Lichamelijke geschiktheid
II. geestelijke geschiktheid
III. Drogerende stoffen
Alcohol
Andere drogerende stoffen
Bijlage 2. bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011
Model mededeling
Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen
Divisie Vorderingen
Postbus 3012
2280 GA RIJSWIJK (ZH)
Regiopolitie / Openbaar Ministerie / CBR:
Afdeling / district:
PL-code:
Contactpersoon:
Adres:
Postcode + Plaatsnaam:
Telefoonnummer:
Ons kenmerk:
Mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994
Gegevens betrokkene
Naam:
Voornamen:
Geslacht:
Geboortedatum:
Geboorteplaats:
Adres:
Postcode:
Woonplaats:
Rijbewijsgegevens
Rijbewijsnummer:
Burger Service Nummer:
Afgifte autoriteit:
Afgegeven op:
Geldig tot:
Categorie(ën): /.. / ../.. /
Datum feit of feiten
Het vermoeden dat betrokkene niet beschikt over de vereiste geschiktheid is gebaseerd op de volgende, aan alcohol gerelateerde, feiten en omstandigheden:
Het vermoeden dat betrokkene niet beschikt over de vereiste rijvaardigheid of zodanig rijgedrag heeft vertoond dat daardoor het vermoeden is ontstaan dat hij niet beschikt over de vereiste rijvaardigheid, is gebaseerd op de volgende, niet aan alcohol gerelateerde, feiten en omstandigheden:
Het vermoeden dat betrokkene niet beschikt over de vereiste rijvaardigheid of geschiktheid is gebaseerd op de volgende, niet aan alcohol gerelateerde, feiten en omstandigheden:
Het vertoonde gedrag is:
Vordering in het kader van begeleid rijden
Indien van toepassing:
Invordering als bedoeld in artikel 130, tweede en derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 heeft op grond van het volgende plaatsgevonden:
Overige:
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.