← Geldende tekst · Geschiedenis

Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 31 oktober 2011, nr. IENM/BSK-IENM/BSK-2011/145875, houdende vaststelling van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

Geldende tekst a fecha 2014-04-24

§ 1. Inleidende bepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2
1.

Een vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet wordt gebaseerd op feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1.

2.

Indien een vermoeden als bedoeld in het eerste lid wordt gebaseerd op het gestelde in de bij deze regeling behorende bijlage 1, onder B, onderdeel III, ‘Drogerende stoffen Alcohol’, dient betrokkene bij minimaal één feit bestuurder te zijn geweest van een motorrijtuig waarvoor een rijbewijs is vereist.

Artikel 3
1.

Feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 2 kunnen blijken uit:

2.

Feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 2 kunnen voor zover het de geschiktheid betreft bovendien blijken uit:

3.

Het meest recente feit, bedoeld in artikel 2, is ten tijde van de mededeling niet langer dan zes maanden geleden geconstateerd. Indien het een mededeling betreft van de officier van justitie inzake bijlage 1, onder IV, dient de mededeling uiterlijk binnen zes maanden nadat de laatste afdoening onherroepelijk is geworden, te worden gedaan. Een uitzondering is slechts mogelijk, indien in de aard van de zaak gelegen omstandigheden dit rechtvaardigen.

Artikel 4
1.

De mededeling, bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet kan schriftelijk worden gedaan volgens het model, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 2, of op andere wijze, mits daarbij dezelfde gegevens als in dat model worden vermeld. Hieronder wordt tevens verstaan aanlevering via geautomatiseerde systemen, dan wel via digitale gegevensdragers.

2.

De in artikel 130, derde lid, van de wet bedoelde toezending aan het CBR van een ingevorderd rijbewijs geschiedt bij aangetekende brief.

§ 2. Vordering tot overgifte van het rijbewijs en schorsing geldigheid

Artikel 5
1.

Een vordering tot overgifte van het rijbewijs, bedoeld in artikel 130, tweede lid, van de wet geschiedt in de volgende gevallen:

2.

In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel j, vindt geen vordering tot overgifte plaats, indien de constatering heeft plaatsgevonden ten aanzien van een bestuurder van een motorrijtuig van de categorie AM en het een adem- of bloedalcoholgehalte betreft dat gelijk is aan dan wel hoger is dan 570 µg/l respectievelijk 1,3‰, maar lager dan 785 µg/l respectievelijk 1,8‰.

3.

In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel k, vindt geen vordering tot overgifte plaats, indien de constatering heeft plaatsgevonden ten aanzien van een bestuurder van een motorrijtuig van de categorie AM en het een adem- of bloedalcoholgehalte betreft dat gelijk is aan dan wel hoger is dan 435 µg/l respectievelijk 1,0‰, maar lager dan 785 µg/l respectievelijk 1,8‰.

Artikel 6

In de gevallen, bedoeld in artikel 5, schorst het CBR overeenkomstig artikel 131, tweede lid, van de wet de geldigheid van het rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, tenzij een educatieve maatregel als bedoeld in artikel 131, eerste lid, onderdeel a, van de wet wordt opgelegd of het rijbewijs ongeldig wordt verklaard op grond van artikel 132b, tweede lid, van de wet.

§ 3. Lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer

§ 3. Lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer

§ 5. Educatieve maatregel gedrag en verkeer

§ 6. Alcoholslotprogramma

§ 7. Onderzoeken

§ 8. Ongeldigverklaring van het rijbewijs

§ 4. Educatieve maatregel alcohol en verkeer

Bijlage 1. bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Bijlage 2. bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Gelet op de artikelen 130, eerste en derde lid, 131, eerste en derde lid, 132, tweede lid, 132a, tweede, derde en vijfde lid, 132b, vijfde lid, 132c, vijfde, zesde, zevende en negende lid, 132d, eerste, tweede, derde en vijfde lid, 133, vierde en vijfde lid, 134, tweede, derde, zevende en achtste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

Besluit:

§ 1. Inleidende bepalingen

§ 2. Vordering tot overgifte van het rijbewijs en schorsing geldigheid

Artikel 7

Het CBR besluit tot een lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer indien:

Artikel 8

Betrokkene komt niet in aanmerking voor de lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer indien:

Artikel 9

Betrokkene verleent onder meer niet de vereiste medewerking aan de educatieve maatregel, indien hij:

Artikel 10
1.

De ten laste van betrokkene komende kosten verbonden aan het opleggen van de lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer worden onderscheiden in:

2.

Alle in het eerste lid bedoelde kosten worden betaald binnen vijf weken nadat het besluit tot oplegging van de lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer aan betrokkene bekend is gemaakt, op de wijze zoals aangegeven bij die bekendmaking.

3.

De in het tweede lid bedoelde termijn kan niet worden verlengd.

Artikel 11
1.

Het CBR besluit tot oplegging van een educatieve maatregel alcohol en verkeer indien:

2.

Artikel 9 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 12

Betrokkene komt niet in aanmerking voor de educatieve maatregel alcohol en verkeer indien:

Artikel 13
1.

De ten laste van betrokkene komende kosten verbonden aan het opleggen van de educatieve maatregel alcohol en verkeer worden onderscheiden in:

2.

Alle in het eerste lid bedoelde kosten worden betaald binnen tien weken nadat het besluit tot oplegging van de educatieve maatregel aan betrokkene bekend is gemaakt, op de wijze zoals aangegeven bij die bekendmaking.

3.

Indien betrokkene zich in een dusdanig financiële situatie bevindt dat betaling binnen de termijn redelijkerwijs niet mogelijk is, kan voor de kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, de in het tweede lid genoemde termijn worden verlengd.

§ 5. Educatieve maatregel gedrag en verkeer

Artikel 14
1.

Het CBR besluit tot oplegging van een educatieve maatregel gedrag en verkeer indien:

2.

Artikel 9 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 15

Betrokkene komt niet in aanmerking voor de educatieve maatregel gedrag en verkeer indien:

Artikel 16
1.

De ten laste van betrokkene komende kosten verbonden aan het opleggen van de educatieve maatregel gedrag en verkeer worden onderscheiden in:

2.

Artikel 13, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

§ 6. Alcoholslotprogramma

Artikel 17
1.

Het CBR besluit dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan het alcoholslotprogramma indien:

2.

In afwijking van artikel 18, eerste lid, onderdeel b, komt betrokkene in aanmerking voor oplegging van het alcoholslotprogramma indien:

Artikel 18
1.

Betrokkene komt niet in aanmerking voor het alcoholslotprogramma indien:

2.

De in het eerste lid, onderdeel h, bedoelde inkomensafhankelijkheid kan in ieder geval worden aangetoond door:

Artikel 19
1.

Het alcoholslotprogramma omvat de volgende onderdelen:

2.

Voor de toepassing van dit artikel wordt het alcoholslotprogramma verdeeld in perioden van zes maanden.

3.

Bij de aanvang van het alcoholslotprogramma bepaalt het CBR dat de periodieke uitlezing van het alcoholslot uiterlijk elke 46 dagen dient plaats te vinden. Het CBR doet van de data waarop de uitlezingen uiterlijk moeten hebben plaatsgevonden mededeling aan betrokkene.

4.

In afwijking van het derde lid bepaalt het CBR dat na de eerste periode van zes maanden de periodieke uitlezing van het alcoholslot uiterlijk elke 92 dagen plaatsvindt, indien:

Het CBR doet van de data waarop de uitlezingen uiterlijk moeten hebben plaatsgevonden mededeling aan betrokkene.

5.

Indien bij de eerstvolgende uitlezing na de uitlezing, bedoeld in het vierde lid, onderdelen a, b of c, blijkt dat betrokkene niet aan de in het vierde lid bedoelde eisen voldoet, dan stelt het CBR de uitleesperiode vast op uiterlijk elke 46 dagen. De laatste volzin van het vierde lid is van overeenkomstige toepassing.

6.

De betrokkene dient, in aanvulling op de periodieke uitlezingen zoals vastgesteld door het CBR overeenkomstig het derde, vierde of vijfde lid, het alcoholslot extra te laten uitlezen, indien:

Artikel 20

Betrokkene verleent onder meer niet de vereiste medewerking, bedoeld in artikel 132, eerste lid, van de wet aan het alcoholslotprogramma indien:

Artikel 21
1.

De ten laste van betrokkene komende kosten verbonden aan het opleggen van het alcoholslotprogramma, voor zover niet betrekking hebbend op de kosten van het huren of kopen, de inbouw, het uitlezen, het testen, het kalibreren, het onderhoud en de uitbouw van het typegoedgekeurde alcoholslot worden onderscheiden in:

2.

De kosten, bedoeld in het eerste lid, worden betaald in termijnen op de wijze zoals door het CBR aangegeven bij het besluit, bedoeld in artikel 132c, eerste lid, van de wet, dan wel bij het besluit, bedoeld in artikel 132d, tweede of vierde lid, van de wet.

3.

De in het tweede lid bedoelde termijnen kunnen niet worden verlengd.

Artikel 22

Het CBR besluit tot verlenging van het alcoholslotprogramma indien uit de in artikel 132d, eerste of derde lid, van de wet bedoelde evaluatie is gebleken dat in de laatste zes maanden dan wel tijdens de verlenging van het alcoholslotprogramma tenminste één blaaspoging, niet zijnde een hertest, is geregistreerd hoger dan 88 µg/l.

§ 7. Onderzoeken

Artikel 23
1.

Het CBR besluit dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid, bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de wet indien:

2.

Het CBR besluit voorts dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid, meer in het bijzonder het rijgedrag, indien betrokkene op grond van artikel 15, onderdeel d, niet in aanmerking komt voor een educatieve maatregel gedrag en verkeer.

3.

Het CBR besluit ten slotte dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid dan wel geschiktheid:

4.

Indien de mededeling, bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet is gedaan op basis van feiten en omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1, vermeld onder A, onderdeel IV, Herhaaldelijk niet of niet op de juiste wijze naleven van essentiële verkeersregels dan wel verkeerstekens, kan het CBR besluiten af te zien van het opleggen van een onderzoek, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Artikel 24

Betrokkene verleent onder meer niet de vereiste medewerking aan het onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid indien hij:

Artikel 25
1.

De kosten verbonden aan een onderzoek naar de geschiktheid komen voor rekening van de betrokken rijbewijshouder:

2.

De in het eerste lid bedoelde kosten worden onderscheiden in:

3.

Artikel 13, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

4.

Indien betrokkene niet of niet binnen de door het CBR gestelde termijn heeft meegewerkt aan het opgelegde onderzoek of de opgelegde onderzoeken zonder dat daarvoor naar het oordeel van het CBR een geldige reden voor de verhindering is opgegeven, bedragen de kosten van uitvoering € 500,–. Het verschil tussen het bedrag, genoemd in het tweede lid, onderdeel b, en het in dit lid bedoelde bedrag wordt door het CBR terugbetaald aan degene die het in het tweede lid, onderdeel b, genoemde bedrag heeft betaald.

Artikel 26
1.

De kosten van het tweede onderzoek, bedoeld in artikel 134, derde lid, van de wet bedragen € 653,–’.

2.

De kosten van het tweede onderzoek worden betaald binnen twee weken na de mededeling van het CBR, bedoeld in artikel 134, derde lid, van de wet, op de wijze zoals bij die mededeling is aangegeven. Deze termijn wordt niet verlengd.

3.

Indien betrokkene niet of niet binnen de door het CBR gestelde termijn heeft meegewerkt aan het tweede onderzoek zonder dat daarvoor naar het oordeel van het CBR een geldige reden van verhindering is opgegeven, bedragen de kosten van uitvoering € 500,–. Het verschil tussen het bedrag, bedoeld in het eerste lid, en het in dit lid genoemde bedrag wordt door het CBR terugbetaald aan degene die het in het eerste lid genoemde bedrag heeft betaald.

§ 8. Ongeldigverklaring van het rijbewijs

Artikel 27

Het CBR besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, bedoeld in artikel 134, derde lid, van de wet, indien de uitslag van het onderzoek, respectievelijk de onderzoeken, inhoudt dat betrokkene:

§ 9. Slotbepalingen

Artikel 28

De Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid wordt ingetrokken.

Artikel 29

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de artikelen I, onderdelen A, E tot en met DD, en GG tot en met PP, en II tot en met VIII, van de wet van 4 juni 2010 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de aanpassing van de vorderingsprocedure en de invoering van het alcoholslotprogramma (Stb. 259) in werking treden.

Artikel 30

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011.

Bijlage 1. bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

Feiten dan wel omstandigheden, die een vermoeden rechtvaardigen dat betrokkene niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor een rijbewijs is afgegeven, dan wel, met uitzondering van de categorie AM, over de vereiste lichamelijke of geestelijke geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen waarvoor een rijbewijs is afgegeven:

A. Rijvaardigheid en rijgedrag

I. Vaardigheid in het omgaan met het motorrijtuig

I.1. Bediening van het motorrijtuig

I.2. Beheersing van het motorrijtuig

II. Bedrevenheid in het deelnemen aan het verkeer

III. rijgedrag

IV. Herhaaldelijk niet of niet op de juiste wijze naleven van essentiële verkeersregels dan wel verkeerstekens

In de hoedanigheid van beginnende bestuurder, onverminderd het overigens in deze bijlage bepaalde, drie maal een of meer van de navolgende feiten hebben begaan waarvoor hij tijdens of na de in artikel 1, onder beginnende bestuurder, genoemde termijn onherroepelijk is veroordeeld, dan wel indien voor deze feiten tijdens of na die termijn ten aanzien van hem een onherroepelijk geworden strafbeschikking is uitgevaardigd:

B. Geschiktheid

I. Lichamelijke geschiktheid

II. geestelijke geschiktheid

III. Drogerende stoffen

Alcohol

Andere drogerende stoffen

Bijlage 2. bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

Model mededeling

Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen

Divisie Vorderingen

Postbus 3012

2280 GA RIJSWIJK (ZH)

Politie / Openbaar Ministerie / CBR:

Afdeling / district:

PL-code:

Contactpersoon:

Adres:

Postcode + Plaatsnaam:

Telefoonnummer:

Ons kenmerk:

Mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994

Gegevens betrokkene

Naam:

Voornamen:

Geslacht:

Geboortedatum:

Geboorteplaats:

Adres:

Postcode:

Woonplaats:

Rijbewijsgegevens

Rijbewijsnummer:

Burger Service Nummer:

Afgifte autoriteit:

Afgegeven op:

Geldig tot:

Categorie(ën): /.. / ../.. /

Datum feit of feiten

Het vermoeden dat betrokkene niet beschikt over de vereiste geschiktheid is gebaseerd op de volgende, aan alcohol gerelateerde, feiten en omstandigheden:

Het vermoeden dat betrokkene niet beschikt over de vereiste rijvaardigheid of zodanig rijgedrag heeft vertoond dat daardoor het vermoeden is ontstaan dat hij niet beschikt over de vereiste rijvaardigheid, is gebaseerd op de volgende, niet aan alcohol gerelateerde, feiten en omstandigheden:

Het vermoeden dat betrokkene niet beschikt over de vereiste rijvaardigheid of geschiktheid is gebaseerd op de volgende, niet aan alcohol gerelateerde, feiten en omstandigheden:

Het vertoonde gedrag is:

Vordering in het kader van begeleid rijden

Indien van toepassing:

Invordering als bedoeld in artikel 130, tweede en derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 heeft op grond van het volgende plaatsgevonden:

Overige:

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.