Wijzigingsgeschiedenis
Wet van 24 november 2011, houdende de oprichting van het College voor de rechten van de mens (Wet College voor de rechten van de mens)
8 versions
· 2026-01-01
2026-01-01
Wet College voor de rechten van de mens — arts. 19, 20, 35 y 7 más
Wijzigingen op 2026-01-01
@@ -66,7 +66,7 @@
##### Artikel 19
Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de werkwijze van de afdeling, bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&hoofdstuk=2&artikel=9&z=2020-01-01&g=2020-01-01), waaronder in elk geval regels betreffende:
Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de werkwijze van de afdeling, bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&hoofdstuk=2&artikel=9&z=2026-01-01&g=2026-01-01), waaronder in elk geval regels betreffende:
- a. de wijze van behandeling;
@@ -78,9 +78,9 @@
1. De [artikelen 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=12) en [21 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=21) zijn niet van toepassing.
2. In afwijking van [artikel 20 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=20) is het College niet verplicht Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Veiligheid en Justitie inlichtingen te verstrekken of inzage te geven in zakelijke gegevens en bescheiden, met betrekking tot de inhoud en de aanpak van lopende onderzoeken van het College als bedoeld in [artikel 3, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2020-01-01&g=2020-01-01), en [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&hoofdstuk=2&artikel=10&z=2020-01-01&g=2020-01-01).
3. In afwijking van [artikel 22 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=22) kunnen Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Veiligheid en Justitie een besluit van het College dat betrekking heeft op het onderzoek of het oordeel, bedoeld in [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&hoofdstuk=2&artikel=10&z=2020-01-01&g=2020-01-01), niet vernietigen.
2. In afwijking van [artikel 20 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=20) is het College niet verplicht Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Veiligheid en Justitie inlichtingen te verstrekken of inzage te geven in zakelijke gegevens en bescheiden, met betrekking tot de inhoud en de aanpak van lopende onderzoeken van het College als bedoeld in [artikel 3, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01), en [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&hoofdstuk=2&artikel=10&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
3. In afwijking van [artikel 22 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020495&artikel=22) kunnen Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Veiligheid en Justitie een besluit van het College dat betrekking heeft op het onderzoek of het oordeel, bedoeld in [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&hoofdstuk=2&artikel=10&z=2026-01-01&g=2026-01-01), niet vernietigen.
### Hoofdstuk 4. Verslag en rapport
@@ -90,19 +90,19 @@
##### Artikel 35
1. In afwijking van [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&hoofdstuk=3&artikel=16&z=2020-01-01&g=2020-01-01) worden de benoemingen van de leden en de plaatsvervangende leden van de Commissie gelijke behandeling, onder wie de voorzitter en twee ondervoorzitters, van rechtswege gewijzigd in een benoeming tot leden en plaatsvervangende leden van het College voor de rechten van de mens. [Artikel 17, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&hoofdstuk=3&artikel=17&z=2020-01-01&g=2020-01-01), is van overeenkomstige toepassing. De datum van benoeming in het latere ambt wordt gelijkgesteld met de datum van benoeming in het eerdere ambt.
1. In afwijking van [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&hoofdstuk=3&artikel=16&z=2026-01-01&g=2026-01-01) worden de benoemingen van de leden en de plaatsvervangende leden van de Commissie gelijke behandeling, onder wie de voorzitter en twee ondervoorzitters, van rechtswege gewijzigd in een benoeming tot leden en plaatsvervangende leden van het College voor de rechten van de mens. [Artikel 17, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&hoofdstuk=3&artikel=17&z=2026-01-01&g=2026-01-01), is van overeenkomstige toepassing. De datum van benoeming in het latere ambt wordt gelijkgesteld met de datum van benoeming in het eerdere ambt.
2. De overgang van de in het eerste lid bedoelde leden en plaatsvervangende leden vindt plaats met dezelfde rechtspositie als die welke voor elk van hen gold bij de Commissie gelijke behandeling.
##### Artikel 36
1. Op het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2020-01-01&g=2020-01-01) van deze wet behoren de personen die tot het bureau van de Commissie gelijke behandeling behoren, bedoeld in [artikel 17 van de Algemene wet gelijke behandeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006502&artikel=17), tot het bureau van het College voor de rechten van de mens.
1. Op het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01) van deze wet behoren de personen die tot het bureau van de Commissie gelijke behandeling behoren, bedoeld in [artikel 17 van de Algemene wet gelijke behandeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006502&artikel=17), tot het bureau van het College voor de rechten van de mens.
2. De overgang van de in het eerste lid bedoelde personen vindt plaats met dezelfde rechtspositie als die welke voor elk van hen gold bij de Commissie gelijke behandeling.
##### Artikel 37
Onderzoeken op schriftelijk verzoek als bedoeld in [artikel 12, eerste lid, van de Algemene wet gelijke behandeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006502&artikel=12), die nog niet zijn voltooid op het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2020-01-01&g=2020-01-01) van deze wet worden voortgezet door het College voor de rechten van de mens.
Onderzoeken op schriftelijk verzoek als bedoeld in [artikel 12, eerste lid, van de Algemene wet gelijke behandeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006502&artikel=12), die nog niet zijn voltooid op het tijdstip van inwerkingtreding van [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01) van deze wet worden voortgezet door het College voor de rechten van de mens.
##### Artikel 38
@@ -112,7 +112,7 @@
1. De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
2. Voor zover de [artikelen 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&hoofdstuk=3&artikel=15&z=2020-01-01&g=2020-01-01) en [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&hoofdstuk=3&artikel=16&z=2020-01-01&g=2020-01-01) eerder in werking treden dan [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2020-01-01&g=2020-01-01), neemt de Commissie gelijke behandeling voor de toepassing van de artikelen 15, derde lid, en 16, tweede en derde lid, de plaats in van het College tot het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 1.
2. Voor zover de [artikelen 15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&hoofdstuk=3&artikel=15&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&hoofdstuk=3&artikel=16&z=2026-01-01&g=2026-01-01) eerder in werking treden dan [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01), neemt de Commissie gelijke behandeling voor de toepassing van de artikelen 15, derde lid, en 16, tweede en derde lid, de plaats in van het College tot het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 1.
##### Artikel 40
@@ -130,19 +130,17 @@
##### Artikel 2
Deze wet, met uitzondering van [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&hoofdstuk=2&z=2020-01-01&g=2020-01-01), is mede van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, met dien verstande dat [artikel 3, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2020-01-01&g=2020-01-01), wordt gelezen als volgt:
- a. het doen van onderzoek naar de bescherming van de rechten van de mens;.
Deze wet is mede van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint Eustatius.
##### Artikel 3
De taak van het College is:
- a. het doen van onderzoek naar de bescherming van de rechten van de mens, waaronder het onderzoeken of een onderscheid is of wordt gemaakt en het geven van een oordeel daarover, bedoeld in [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&hoofdstuk=2&artikel=10&z=2020-01-01&g=2020-01-01);
- a. het doen van onderzoek naar de bescherming van de rechten van de mens, waaronder het onderzoeken of een onderscheid is of wordt gemaakt en het geven van een oordeel daarover, bedoeld in [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&hoofdstuk=2&artikel=10&z=2026-01-01&g=2026-01-01);
- b. het rapporteren en het doen van aanbevelingen over de bescherming van de rechten van de mens, waaronder het jaarlijks rapporteren over de mensenrechtensituatie in Nederland;
- c. het geven van advies, bedoeld in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&hoofdstuk=1&artikel=5&z=2020-01-01&g=2020-01-01);
- c. het geven van advies, bedoeld in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&hoofdstuk=1&artikel=5&z=2026-01-01&g=2026-01-01);
- d. het geven van voorlichting en het stimuleren en coördineren van onderwijs over de rechten van de mens;
@@ -186,7 +184,7 @@
##### Artikel 8
1. De onderzoeken, rapporten en aanbevelingen, bedoeld in [artikel 3, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2020-01-01&g=2020-01-01), en de adviezen, bedoeld in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&hoofdstuk=1&artikel=5&z=2020-01-01&g=2020-01-01), worden door het College openbaar gemaakt.
1. De onderzoeken, rapporten en aanbevelingen, bedoeld in [artikel 3, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01), en de adviezen, bedoeld in [artikel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&hoofdstuk=1&artikel=5&z=2026-01-01&g=2026-01-01), worden door het College openbaar gemaakt.
2. Onze Minister wie het aangaat stelt het College in de gelegenheid de onderzoeken, rapporten, aanbevelingen en adviezen met hem te bespreken.
@@ -198,19 +196,27 @@
##### Artikel 10
1. Het College kan op schriftelijk verzoek onderzoeken of een onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in de [Algemene wet gelijke behandeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006502), de [Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003299) of [artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=646), en zijn oordeel daaromtrent kenbaar maken. Voorts kan het College uit eigen beweging onderzoeken of zodanig onderscheid stelselmatig wordt gemaakt en zijn oordeel daarover kenbaar maken.
2. Een schriftelijk verzoek als bedoeld in het eerste lid kan worden ingediend door:
- a. degene die meent dat te zijnen nadele een onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in de [Algemene wet gelijke behandeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006502), de [Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003299) of [artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=646);
- b. de natuurlijke persoon, de rechtspersoon of het bevoegd gezag, die wensen te weten of zij een onderscheid maken als bedoeld in de [Algemene wet gelijke behandeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006502), de [Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003299) of [artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=646);
- c. degene die belast is met de beslissing over een geschil met betrekking tot onderscheid als bedoeld in de [Algemene wet gelijke behandeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006502), de [Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003299) of [artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=646);
- d. een ondernemingsraad, die meent dat in de onderneming waarvoor deze is ingesteld, onderscheidenlijk een met die ondernemingsraad vergelijkbaar medezeggenschapsorgaan, dat meent dat in het organisatorisch samenwerkingsverband waarvoor het is ingesteld, onderscheid wordt gemaakt als bedoeld in de [Algemene wet gelijke behandeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006502), de [Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003299) en in [artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=646);
- e. een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid of stichting, die in overeenstemming met haar statuten de belangen behartigt van diegenen in wier bescherming de [Algemene wet gelijke behandeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006502), de [Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003299) of [artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=646) beoogt te voorzien.
1. Het College
- a.
- 1°. kan op schriftelijk verzoek onderzoeken of een onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in de volgende wetten en bepalingen en zijn oordeel daarover kenbaar maken: de [Algemene wet gelijke behandeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006502); de [Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003299); [artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=646); [artikel 1614aa van Boek 7a van het Burgerlijk Wetboek BES](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028752&artikel=1614aa); de [Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014915); de [Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016185); de [Wet van 7 november 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014195) tot uitvoering van de [richtlijn 1999/70/EG](31999L0070) van de Raad van de Europese Unie van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (Stb. 2002, 560); de [Wet van 3 juli 1996 houdende wijziging van het Burgerlijk Wetboek en de Ambtenarenwet in verband met het verbod tot maken van onderscheid tussen werknemers naar arbeidsduur](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008161) (Stb. 1996, 391);
- 2°. kan op schriftelijk verzoek onderzoeken of gehandeld is in strijd met [artikel 2 van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014915&artikel=2) en zijn oordeel daarover kenbaar maken;
- b. kan uit eigen beweging onderzoeken of zodanig onderscheid stelselmatig wordt gemaakt en zijn oordeel daarover kenbaar maken.
2. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid, onder a, kan worden ingediend door:
- a. degene die meent dat te zijnen nadele een onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in een of meer van de in het eerste lid genoemde wetten;
- b. de natuurlijke persoon, de rechtspersoon of het bevoegd gezag, die wensen te weten of zij een onderscheid maken als bedoeld in een of meer van de in het eerste lid genoemde wetten;
- c. degene die belast is met de beslissing over een geschil met betrekking tot onderscheid als bedoeld in een of meer van de in het eerste lid genoemde wetten;
- d. een ondernemingsraad, die meent dat in de onderneming waarvoor deze is ingesteld, onderscheidenlijk een met die ondernemingsraad vergelijkbaar medezeggenschapsorgaan, dat meent dat in het organisatorisch samenwerkingsverband waarvoor het is ingesteld, onderscheid wordt gemaakt als bedoeld in een of meer van de in het eerste lid genoemde wetten;
- e. een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid of stichting, die in overeenstemming met haar statuten de belangen behartigt van diegenen in wier bescherming een of meer van de in het eerste lid genoemde wetten beoogt te voorzien.
3. In het geval een schriftelijk verzoek als bedoeld in het tweede lid, onderdelen d en e, personen noemt ten nadele van wie zou zijn gehandeld, dan wel indien een onderzoek ingesteld uit eigen beweging, betrekking heeft op zodanige personen, stelt het College deze personen op de hoogte van het voornemen tot onderzoek. Het College is niet bevoegd in het onderzoek en de beoordeling personen als bedoeld in de eerste volzin te betrekken die schriftelijk hebben verklaard daartegen bedenkingen te hebben.
@@ -226,17 +232,17 @@
1. Het College stelt geen onderzoek in of beëindigt het onderzoek, indien:
- a. het in [artikel 10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&hoofdstuk=2&artikel=10&z=2020-01-01&g=2020-01-01), bedoelde verzoek kennelijk ongegrond is;
- a. het in [artikel 10, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&hoofdstuk=2&artikel=10&z=2026-01-01&g=2026-01-01), bedoelde verzoek kennelijk ongegrond is;
- b. het belang van de verzoeker of het gewicht van de gedraging kennelijk onvoldoende is;
- c. sinds het in [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&hoofdstuk=2&artikel=10&z=2020-01-01&g=2020-01-01) bedoelde onderscheid een zodanige termijn is verstreken dat in redelijkheid geen onderzoek meer kan plaatsvinden.
- c. sinds het in [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&hoofdstuk=2&artikel=10&z=2026-01-01&g=2026-01-01) bedoelde onderscheid een zodanige termijn is verstreken dat in redelijkheid geen onderzoek meer kan plaatsvinden.
2. Indien zich gevallen als bedoeld in het eerste lid voordoen, doet het College daarover aan verzoeker schriftelijk en met redenen omkleed mededeling.
##### Artikel 13
1. Het College kan in rechte vorderen dat een gedraging die in strijd is met de [Algemene wet gelijke behandeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006502), de [Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003299) of [artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=646) onrechtmatig wordt verklaard, dat deze wordt verboden of dat een bevel wordt gegeven om de gevolgen van die gedraging ongedaan te maken.
1. Het College kan in rechte vorderen dat een gedraging die in strijd is met een of meer van de in [artikel 10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&hoofdstuk=2&artikel=10&z=2026-01-01&g=2026-01-01), genoemde wetten en bepalingen, onrechtmatig wordt verklaard, dat deze wordt verboden of dat een bevel wordt gegeven om de gevolgen van die gedraging ongedaan te maken.
2. Een gedraging kan niet ten grondslag worden gelegd aan een vordering als bedoeld in het eerste lid, voor zover degene die door deze gedraging wordt getroffen, daartegen bedenkingen heeft.
@@ -270,7 +276,7 @@
##### Artikel 23
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zendt zo spoedig mogelijk na ontvangst van het in [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&hoofdstuk=4&artikel=22&z=2020-01-01&g=2020-01-01) bedoelde rapport aan de Staten-Generaal een verslag over de werking in de praktijk van deze wet, de [Algemene wet gelijke behandeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006502), de [Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003299) en [artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=646).
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zendt zo spoedig mogelijk na ontvangst van het in [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030733&hoofdstuk=4&artikel=22&z=2026-01-01&g=2026-01-01) bedoelde rapport aan de Staten-Generaal een verslag over de werking in de praktijk van deze wet, de [Algemene wet gelijke behandeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006502), de [Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003299) en [artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005290&artikel=646).
### Hoofdstuk 5. Wijziging van deze wet en andere wetten
2020-01-01
Wet College voor de rechten van de mens — arts. 19, 20, 35 y 8 más
2019-01-01
Wet College voor de rechten van de mens — arts. 19, 20, 35 y 8 más
2016-01-18
Wet College voor de rechten van de mens — arts. 19, 20, 35 y 8 más
2013-01-01
Wet College voor de rechten van de mens — arts. 19, 20, 35 y 8 más
2012-10-01
Wet College voor de rechten van de mens
2011-12-17
Wet College voor de rechten van de mens — arts. 1, 2, 3 y 16 más
2011-12-17
Wet College voor de rechten van de mens
original version
Tekst op deze datum