Wet van 1 december 2011, houdende regels met betrekking tot de financiële markten in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en het toezicht op die markten (Wet financiële markten BES)
Hoofdstuk 3, met uitzondering van de artikelen 3:1 en 3:15, en hoofdstuk 4, paragraaf 4, met uitzondering van de artikelen 4:31 tot en met 4:34, zijn niet van toepassing op een verzekeraar als bedoeld in het derde lid.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen aanvullende regels worden gesteld met betrekking tot de voorwaarden waaronder het is toegestaan vanuit een vestiging in het buitenland verzekeringen aan te bieden in de openbare lichamen, alsmede nadere regels met betrekking tot het eerste tot en met vierde lid.
Hoofdstuk 3. Algemene bepalingen betreffende financiële ondernemingen
§ 1. Zetel en rechtsvorm
Artikel 3:1. (plaats van zetel)
Een financiële onderneming heeft haar zetel in de openbare lichamen, Curaçao of Sint Maarten.
Bij regeling van Onze Minister kan worden bepaald dat het financiële ondernemingen in bij die regeling te bepalen gevallen tevens is toegestaan hun zetel in een door Onze Minister aangewezen andere staat of ander deel van het Koninkrijk te hebben.
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat een financiële onderneming met zetel in het buitenland die in of vanuit de openbare lichamen vergunningplichtige activiteiten als bedoeld in artikel 2:1 of 2:3 verricht, die activiteiten vanuit een bijkantoor in de openbare lichamen verricht.
Artikel 3:2. (buitenlandse ondernemingen)
Een financiële onderneming met zetel in het buitenland die in of vanuit de openbare lichamen vergunningplichtige activiteiten als bedoeld in artikel 2:1 of 2:3 verricht, is in de staat van zetel bevoegd tot uitoefening van die activiteiten.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen beperkingen worden gesteld aan de aard of de omvang van de activiteiten die financiële ondernemingen met zetel in het buitenland in of vanuit de openbare lichamen mogen verrichten, alsmede regels met betrekking tot de voorwaarden waaronder zij die activiteiten mogen verrichten.
Artikel 3:3. (rechtsvorm)
Een verzekeraar met zetel in de openbare lichamen heeft de rechtsvorm van naamloze vennootschap of onderlinge waarborgmaatschappij.
Een verzekeraar met zetel in het buitenland bezit naar het recht van de staat van zetel rechtspersoonlijkheid.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de rechtsvorm van financiële ondernemingen, alsmede regels met betrekking tot de structurering en inrichting van die ondernemingen.
§ 2. Bestuur, inrichting en bedrijfsvoering
Artikel 3:4. (betrouwbaarheid beleidsbepalers)
Het beleid van een financiële onderneming wordt bepaald of mede bepaald door personen wier betrouwbaarheid buiten twijfel staat. Indien binnen de onderneming een orgaan is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de onderneming, wordt dit toezicht gehouden door personen wier betrouwbaarheid eveneens buiten twijfel staat.
De betrouwbaarheid van personen staat, wanneer die betrouwbaarheid eenmaal voor de toepassing van deze wet is vastgesteld, buiten twijfel, zolang niet een wijziging in de relevante feiten of omstandigheden een redelijke aanleiding geeft tot een nieuwe beoordeling en zolang geen nieuwe beoordeling als bedoeld in het vierde lid is voorgeschreven.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop wordt vastgesteld of de betrouwbaarheid van personen als bedoeld in het eerste lid buiten twijfel staat, en de feiten en omstandigheden die daarbij in aanmerking worden genomen, alsmede regels met betrekking tot de misdrijven die, indien begaan door een persoon als bedoeld in het eerste lid, met het oog op de belangen die deze wet beoogt te beschermen, tot de vaststelling moeten leiden dat de betrouwbaarheid van die persoon niet buiten twijfel staat.
Bij de maatregel, bedoeld in het derde lid, kan worden bepaald dat periodiek een nieuwe beoordeling van de betrouwbaarheid plaatsvindt.
Artikel 3:5. (geschiktheid beleidsbepalers)
Het dagelijks beleid van een financiële onderneming wordt bepaald door personen die geschikt zijn in verband met de uitoefening van het bedrijf van die onderneming. Indien binnen de onderneming een orgaan is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken binnen de onderneming, wordt dit toezicht gehouden door personen die geschikt zijn in verband met de uitoefening van dit toezicht.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de geschiktheid van personen als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3:6. (vierogenprincipe en plaats van werkzaamheden)
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het aantal natuurlijke personen dat het dagelijks beleid van een financiële onderneming bepaalt, en het aantal natuurlijke personen dat belast is met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken binnen de onderneming.
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat een of meer personen die het dagelijks beleid van een financiële onderneming bepalen of mede bepalen, hun werkzaamheden in verband daarmee vanuit de openbare lichamen verrichten.
Artikel 3:7. (benoeming beleidsbepalers)
Het is verboden zonder voorafgaande toestemming van de toezichtautoriteit personen die het beleid van een financiële onderneming bepalen of mede bepalen, of leden van een orgaan dat is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken binnen een financiële onderneming, te benoemen.
Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het eerste lid.
Artikel 3:8. (integere bedrijfsuitoefening)
Een financiële onderneming voert een adequaat beleid voor een integere uitoefening van haar bedrijf, en richt haar bedrijfsvoering zodanig in dat de integere uitoefening van haar bedrijf is gewaarborgd.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de integere uitoefening van het bedrijf. Deze regels kunnen betrekking hebben op:
- a. het tegengaan van belangenverstrengeling;
- b. het tegengaan van het witwassen van geld of de financiering van terrorisme, alsmede de naleving van de bij of krachtens de Sanctiewet 1977 met betrekking tot het financieel verkeer gestelde regels;
- c. het tegengaan van strafbare feiten of andere wetsovertredingen door de onderneming of haar werknemers, die het vertrouwen in de onderneming of in de financiële markten kunnen schaden;
- d. relaties met consumenten, cliënten of andere derden, die het vertrouwen in de onderneming of in de financiële markten kunnen schaden;
- e. andere handelingen door de onderneming of haar werknemers, die zodanig ingaan tegen hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt dat daardoor het vertrouwen in de onderneming of in de financiële markten kan worden geschaad.
Artikel 3:9. (beheerste bedrijfsuitoefening)
Een financiële onderneming voert een adequaat beleid voor een beheerste uitoefening van haar bedrijf, en richt haar bedrijfsvoering zodanig in dat een beheerste uitoefening van haar bedrijf is gewaarborgd.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de beheerste uitoefening van het bedrijf. Deze regels kunnen betrekking hebben op:
- a. het beheersen van bedrijfsprocessen en bedrijfsrisico’s;
- b. het beheersen van financiële risico’s en andere risico’s die de soliditeit van de onderneming kunnen aantasten, alsmede het zorgen voor de instandhouding van de vereiste financiële waarborgen;
- c. ordelijke en transparante financiëlemarktprocessen, zuivere verhoudingen tussen marktpartijen en de zorgvuldige behandeling van consumenten of cliënten.
Artikel 3:10. (doorzichtige zeggenschapstructuur)
Een financiële onderneming is niet met personen verbonden in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur die in zodanige mate ondoorzichtig is dat deze een belemmering vormt of kan vormen voor het adequaat uitoefenen van toezicht op die onderneming.
Een financiële onderneming is niet met personen verbonden in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur, indien op die personen buitenlands recht van toepassing is en dat buitenlandse recht een belemmering vormt of kan vormen voor het adequaat uitoefenen van toezicht op die onderneming.
Artikel 3:11. (vakbekwaamheid werknemers)
Een financiële onderneming die financiële producten aanbiedt of financiële diensten verleent, draagt zorg voor de vakbekwaamheid van zijn werknemers en van andere natuurlijke personen die zich onder zijn verantwoordelijkheid rechtstreeks bezighouden met het aanbieden van die producten of het verlenen van die diensten. Hiertoe beschikt in ieder geval een zodanig aantal feitelijk leidinggevenden van de onderneming over voldoende vakbekwaamheid, dat de kwaliteit van de dienstverlening aan de consument of cliënt kan worden gewaarborgd.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de vakbekwaamheid van de personen, bedoeld in het eerste lid. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat Onze Minister volgens daarbij te stellen regels exameninstituten erkent die bevoegd zijn tot het afgeven van diploma’s waarmee de vakbekwaamheid wordt aangetoond. Daarbij kunnen tevens regels worden gesteld met betrekking tot het toezicht op de naleving van die regels.
Artikel 3:12. (klachtbehandeling)
Een financiële onderneming die financiële producten aanbiedt of financiële diensten verleent, beschikt over een procedure voor de zorgvuldige en consistente behandeling van klachten van consumenten of cliënten binnen een redelijke termijn. De onderneming draagt er zorg voor dat deze procedure genoegzaam bekend is bij alle personen die vanwege de onderneming betrokken zijn bij de afhandeling van klachten.
Een financiële onderneming als bedoeld in het eerste lid is met betrekking tot de financiële producten of financiële diensten die zij aanbiedt of verleent aan consumenten of cliënten, aangesloten bij een door Onze Minister erkende instantie voor de behandeling van geschillen met betrekking tot die producten of diensten, tenzij er geen zodanige instantie is.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de klachtenprocedure, bedoeld in het eerste lid, alsmede regels met betrekking tot de erkenning en werkwijze van een geschilleninstantie als bedoeld in het tweede lid.
Artikel 3:13. (uitbesteding aan derden)
Indien een financiële onderneming werkzaamheden uitbesteedt aan derden, draagt zij er zorg voor dat deze derden de ingevolge deze wet met betrekking tot die werkzaamheden op de uitbestedende onderneming van toepassing zijnde regels naleven.
Een financiële onderneming besteedt geen werkzaamheden uit aan derden waarvan zij weet of behoort te weten dat die derden niet over een op grond van deze wet vereiste vergunning beschikken, dan wel dat het die derden anderszins niet is toegestaan bedoelde werkzaamheden te verrichten.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid. Bij algemene maatregel van bestuur kan tevens worden bepaald dat bij die maatregel aan te wijzen werkzaamheden niet worden uitbesteed.
Artikel 3:14. (buitenlandse ondernemingen)
De artikelen 3:4 tot en met 3:9 en3:11 tot en met 3:13 zijn, indien een financiële onderneming haar zetel in het buitenland heeft, slechts van toepassing met betrekking tot de activiteiten die de betrokken onderneming in of vanuit de openbare lichamen verricht.
Artikel 3:15. (verplichte vertegenwoordiger)
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat een financiële onderneming met zetel in het buitenland die in of vanuit de openbare lichamen vergunningplichtige activiteiten als bedoeld in artikel 2:1 of 2:3verricht, gehouden is in de openbare lichamen een vertegenwoordiger aan te stellen.
De vertegenwoordiger beschikt ten aanzien van het dagelijkse beleid van de onderneming, voor zover dat betrekking heeft op de activiteiten die in of vanuit de openbare lichamen worden verricht, over volledige vertegenwoordigingsbevoegdheid.
De vertegenwoordiger is gehouden namens de financiële onderneming te voldoen aan de bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften. Het ontbreken van de vertegenwoordiger of diens in gebreke zijn ontslaat de betrokken onderneming niet van de verplichting aan die voorschriften te voldoen.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde vertegenwoordiging, alsmede regels met betrekking tot de aan de vertegenwoordiger te stellen eisen.
§ 3. Financiële waarborgen
Artikel 3:16. (minimumvermogen)
Een beleggingsmaatschappij, bemiddelaar in effecten, elektronischgeldinstelling, kredietinstelling, vermogensbeheerder of verzekeraar beschikt over een minimumbedrag aan eigen vermogen.
Onverminderd het eerste lid beschikt een verzekeraar over financiële middelen tot dekking van de kosten voor de inrichting van de administratie en van het productienet.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de omvang en samenstelling van het minimumbedrag aan eigen vermogen. Bij de vaststelling van het minimumbedrag aan eigen vermogen wordt bepaald wat daarbij voor de onderscheiden categorieën financiële ondernemingen onder eigen vermogen wordt verstaan.
Het minimumbedrag aan eigen vermogen van een verzekeraar wordt uitgedrukt in een minimumbedrag van het garantiefonds, bedoeld in artikel 3:17, vierde lid.
Artikel 3:17. (solvabiliteit)
Een bemiddelaar in effecten, elektronischgeldinstelling, kredietinstelling, vermogensbeheerder of verzekeraar beschikt over voldoende solvabiliteit.
De aan te houden solvabiliteit van een verzekeraar wordt uitgedrukt in een solvabiliteitsmarge. De aan te houden solvabiliteit van overige financiële ondernemingen wordt uitgedrukt in een toetsingsvermogen.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de berekening van de minimumomvang van de ingevolge het eerste lid aan te houden solvabiliteit, de samenstelling van de solvabiliteit en de waardering van de vermogensbestanddelen die tot de solvabiliteit kunnen worden gerekend, en van de waarden die dienen ter dekking van de solvabiliteit.
Een derde gedeelte van het overeenkomstig het derde lid berekende minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge van een verzekeraar vormt het garantiefonds.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het aanhouden van balansposten of posten buiten de balanstelling door kredietinstellingen en elektronischgeldinstellingen.
Artikel 3:18. (liquiditeit)
Een kredietinstelling of, in bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen, beleggingsinstelling beschikt over voldoende liquiditeit.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de minimumomvang, de samenstelling en de berekening van de in het eerste lid bedoelde liquiditeit.
Artikel 3:19. (technische voorzieningen verzekeraar)
Een verzekeraar houdt toereikende technische voorzieningen aan. De technische voorzieningen worden volledig door waarden gedekt.
Een verzekeraar die het levensverzekeringsbedrijf uitoefent, stelt, rekening houdend met alle financiële aspecten van zijn onderneming, de premies voor de te sluiten levensverzekeringen op adequate wijze vast.
Een verzekeraar dekt de verplichtingen die voortvloeien uit vorderingen als bedoeld in artikel 8:25, tweede lid, volledig door waarden.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de ingevolge het eerste lid aan te houden technische voorzieningen, de waarden ter dekking van die voorzieningen, de lokalisatie van die waarden en de muntsoort waarin zij worden uitgedrukt.
Artikel 3:20. (bewijsvermoeden buitenlandse ondernemingen)
Een financiële onderneming met zetel in het buitenland die in de staat van zetel onder prudentieel toezicht staat wordt, onverminderd de bevoegdheden van de toezichtautoriteit en de door haar aangewezen toezichthouders uit hoofde van artikel 1:7 en hoofdstuk 7, vermoed te voldoen aan de ingevolge de artikelen 3:16 tot en met 3:19 op haar van toepassing zijnde eisen, zolang zij in de staat van zetel is toegelaten tot de uitoefening van haar bedrijf.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid.
Artikel 3:21. (bijzondere waarborgen buitenlandse ondernemingen)
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat een verzekeraar met zetel in het buitenland verplicht is in de openbare lichamen een solvabiliteitsfonds aan te houden, overeenkomstig bij of krachtens die maatregel te stellen regels.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen van ondernemingen als bedoeld in de artikelen 3:16 tot en met 3:18 met zetel in het buitenland, niet zijnde verzekeraars, aanvullende financiële waarborgen worden geëist ter dekking van verplichtingen die zij in of vanuit de openbare lichamen zijn aangegaan jegens consumenten, cliënten of andere bij die maatregel aan te wijzen derden.
Artikel 3:22. (waarborgen houders van een effectenbeurs)
Een houder van een effectenbeurs beschikt over voldoende financiële middelen om een ordelijke werking van de markt te bevorderen, gelet op de aard en omvang van de op de markt uitgevoerde transacties en de risico’s waaraan hij is blootgesteld.
Artikel 3:23. (vermogensscheiding)
Een vermogensbeheerder of bemiddelaar in effecten die effecten of gelden onder zich houdt die toebehoren aan een consument of cliënt, treft adequate maatregelen ter bescherming van de rechten van die consument of cliënt op bedoelde effecten of gelden, en ter voorkoming van het gebruik van die effecten of gelden voor eigen rekening door de vermogensbeheerder of bemiddelaar in effecten.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een trustkantoor dat gelden of geldswaarden onder zich houdt die toebehoren aan derden.
Een elektronischgeldinstelling treft adequate maatregelen om de voor de uitgifte van elektronisch geld ontvangen middelen veilig te stellen.
In afwijking van het eerste lid mag een vermogensbeheerder of bemiddelaar in effecten de in dat lid bedoelde effecten voor eigen rekening gebruiken, indien de cliënt daar uitdrukkelijk mee heeft ingestemd.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste tot en met vierde lid.
Artikel 3:24. (beroepsaansprakelijkheidsverzekering tussenpersonen)
Een adviseur, bemiddelaar, niet zijnde een bemiddelaar in effecten, of een gevolmachtigd of ondergevolmachtigd agent heeft ter dekking van aansprakelijkheid, voortvloeiende uit de uitoefening van zijn beroep of bedrijf, een verzekeringsovereenkomst afgesloten die voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels.
Artikel 3:25. (meldingsplicht bij niet-voldoen)
Indien een financiële onderneming voorziet of redelijkerwijze kan voorzien dat zij niet voldoet of niet zal voldoen aan de ingevolge de artikelen 3:16 tot en met 3:21 op haar van toepassing zijnde eisen, stelt zij de Nederlandsche Bank daarvan onverwijld in kennis.
Artikel 3:26. (ontbinding of liquidatie)
Een elektronischgeldinstelling, kredietinstelling of verzekeraar met zetel in de openbare lichamen, die tot ontbinding dan wel algehele of gedeeltelijke liquidatie van haar of zijn bedrijf heeft besloten, raadpleegt ten minste dertien weken voordat aan dat besluit uitvoering wordt gegeven, de Nederlandsche Bank over de wijze waarop de ontbinding onderscheidenlijk de liquidatie zal plaatsvinden.
De Nederlandsche Bank kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, verkorten.
§ 4. Deelnemingen in financiële ondernemingen
Artikel 3:27. (begrip gekwalificeerde deelneming)
Onder gekwalificeerde deelneming wordt in deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen verstaan: een rechtstreeks of middellijk belang van ten minste tien procent van het geplaatste aandelenkapitaal van een onderneming of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van ten minste tien procent van de stemrechten in een onderneming dan wel het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van een daarmee vergelijkbare zeggenschap.
Artikel 3:28. (verklaring van geen bezwaar)
Het is verboden, anders dan na verkregen verklaring van geen bezwaar van de Nederlandsche Bank, een gekwalificeerde deelneming in een beleggingsinstelling, elektronischgeldinstelling, kredietinstelling, trustkantoor, vermogensbeheerder of verzekeraar met zetel in de openbare lichamen te houden, te verwerven of te vergroten, dan wel enige zeggenschap, verbonden aan een dergelijke deelneming, uit te oefenen.
De aanvrager van een verklaring van geen bezwaar dient de aanvraag in bij de Nederlandsche Bank onder opgave van door de Nederlandsche Bank te bepalen gegevens. De artikelen 2:7 tot en met 2:9 zijn van overeenkomstige toepassing.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op:
- a. het houden, verwerven of vergroten van een gekwalificeerde deelneming in een vermogensbeheerder, indien die vermogensbeheerder tevens kredietinstelling is en de aanvrager voor het houden, verwerven of vergroten van een gekwalificeerde deelneming in die kredietinstelling al over een verklaring van geen bezwaar van de Nederlandsche Bank beschikt dan wel zodanige verklaring heeft aangevraagd en op die aanvraag nog niet is beslist;
- b. het houden, verwerven of vergroten van gekwalificeerde deelnemingen in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen.
Indien een verklaring van geen bezwaar wordt verleend kan de aanvrager tevens toestemming worden verleend tot het vergroten van zijn gekwalificeerde deelneming, waarbij als bovengrens 20, 33, 50 of 100 procent kan gelden.
Indien een verklaring van geen bezwaar wordt verleend kan op aanvraag worden bepaald dat die verklaring van geen bezwaar geldt voor alle groepsmaatschappijen gezamenlijk.
Artikel 3:29. (betrouwbaarheid houder van deelneming)
De betrouwbaarheid van personen die op grond van een gekwalificeerde deelneming het beleid van een in artikel 3:28, eerste lid, genoemde onderneming bepalen of mede bepalen of kunnen bepalen of mede bepalen, moet buiten twijfel staan. Artikel 3:4, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3:30. (verlening van verklaring van geen bezwaar)
De Nederlandsche Bank verleent een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:28, eerste lid, tenzij:
- a. de betrouwbaarheid van een of meer personen die op grond van de voorgenomen gekwalificeerde deelneming het beleid van de financiële onderneming zullen bepalen of mede bepalen of zullen kunnen bepalen of medebepalen, niet buiten twijfel staat;
- b. de personen die op grond van de voorgenomen gekwalificeerde deelneming het dagelijks beleid van de financiële onderneming zullen bepalen, ter zake niet geschikt zijn;
- c. de financiële soliditeit van de aanvrager, rekening houdend met de bedrijfsactiviteiten van de financiële onderneming, niet is gewaarborgd;
- d. de financiële onderneming als gevolg van de gekwalificeerde deelneming niet zal kunnen blijven voldoen aan de op grond van deze wet gestelde prudentiële eisen;
- e. er goede redenen zijn om te vermoeden dat er sprake is of zal zijn van het witwassen van geld of de financiering van terrorisme in de zin van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES, dan wel dat de voorgenomen verwerving of vergroting van de deelneming het risico daarop zou kunnen vergroten.
De artikelen 2:12, 2:14, aanhef en onderdelen a tot en met e, en 2:16 zijn van overeenkomstige toepassing.
Het eerste lid, onderdelen c en d, is niet van toepassing op trustkantoren.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de weigeringsgronden in het eerste lid.
Artikel 3:31. (indiening aanvraag van vvgb bij AFM)
Een aanvraag van een verklaring van geen bezwaar die betrekking heeft op een gekwalificeerde deelneming in een beleggingsinstelling of vermogensbeheerder, kan indien die financiële onderneming op het moment van de aanvraag nog niet over een vergunning op grond van deze wet beschikt, tevens bij de Autoriteit Financiële Markten worden ingediend.
Indien de aanvraag van een verklaring van geen bezwaar overeenkomstig het eerste lid bij de Autoriteit Financiële Markten is ingediend, zendt de Nederlandsche Bank de beslissing op die aanvraag aan de Autoriteit Financiële Markten, die haar aan de betrokken financiële onderneming meedeelt.
Artikel 3:32. (vernietigbaarheid besluiten zonder vvgb)
Indien enige zeggenschap, verbonden aan een gekwalificeerde deelneming in een in artikel 3:28, eerste lid, genoemde onderneming, is uitgeoefend zonder dat een verklaring van geen bezwaar is verkregen of indien daarbij de aan een verklaring van geen bezwaar gestelde beperkingen niet in acht zijn genomen, is een mede door uitoefening van die zeggenschap tot stand gekomen besluit vernietigbaar.
Een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt op vordering van de Nederlandsche Bank door het Gerecht vernietigd, indien het besluit zonder uitoefening van de in het eerste lid bedoelde zeggenschap anders zou hebben geluid of niet zou zijn genomen, tenzij voor het tijdstip van de uitspraak alsnog een verklaring van geen bezwaar wordt verleend dan wel de niet in acht genomen beperkingen worden ingetrokken.
Het Gerecht regelt voor zover nodig de gevolgen van de vernietiging van het besluit.
§ 5. Boekhouding en rapportage
Artikel 3:33. (aanhouden boeken in openbare lichamen)
Een financiële onderneming met zetel in de openbare lichamen houdt de op haar boekhouding betrekking hebbende boeken, bescheiden en andere informatiedragers aan in de openbare lichamen.
Artikel 3:34. (afzonderlijke boekhouding buitenlandse ondernemingen)
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat een financiële onderneming met zetel in het buitenland een afzonderlijke boekhouding voert met betrekking tot haar activiteiten in de openbare lichamen.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid.
Artikel 3:35. (jaarrekening en jaarverslag)
Een beleggingsinstelling, bemiddelaar in effecten, elektronischgeldinstelling, kredietinstelling, vermogensbeheerder of verzekeraar dient jaarlijks binnen een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen termijn bij de toezichtautoriteit een jaarrekening en een jaarverslag over het afgelopen boekjaar in. De jaarrekening omvat ten minste een balans en een verlies- en winstrekening met een toelichting daarop.
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de jaarrekening vergezeld gaat van een door een externe of andere deskundige afgegeven verklaring omtrent de getrouwheid, alsmede van andere bij of krachtens die maatregel te bepalen bescheiden.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud van de jaarrekening en het jaarverslag en de daarbij behorende bescheiden, alsmede regels met betrekking tot de vorm en de wijze van indiening.
Artikel 3:36. (staten)
Een kredietinstelling of verzekeraar dient periodiek, op bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstippen en binnen een bij of krachtens die maatregel te bepalen termijn, bij de Nederlandsche Bank staten in, al dan niet op geconsolideerde basis, die tezamen een getrouw beeld geven van het door de betrokken onderneming gevoerde beheer en haar financiële toestand.
De staten gaan vergezeld van een door een externe deskundige afgegeven verklaring omtrent de getrouwheid. De externe deskundige waarmerkt de staten.
Met betrekking tot het levensverzekeringsbedrijf bevatten de staten tevens een actuarieel verslag en een sterftevergelijking. De desbetreffende staten worden voorzien van een verklaring van de actuaris, inhoudende dat de in het actuariële verslag genoemde voorzieningen prudent zijn vastgesteld, en dat de sterftevergelijking juist is weergeven. De actuaris waarmerkt de desbetreffende staten.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud van de staten en de daarbij behorende bescheiden, alsmede regels met betrekking tot de vorm en de wijze van indiening. Voorts kunnen bij de maatregel regels worden gesteld met betrekking tot de openbaarmaking van de staten.
Artikel 3:37. (indieningstermijnen)
De Nederlandsche Bank kan, indien zich een gebeurtenis voordoet of heeft voorgedaan die ernstige gevolgen heeft of kan hebben voor de financiële positie van een elektronischgeldinstelling, kredietinstelling of verzekeraar, voorschrijven dat een of meer staten tijdelijk worden verstrekt met een hogere frequentie of op een kortere termijn dan ingevolge artikel 3:36, vierde lid, is bepaald. Deze staten worden niet openbaar gemaakt.
Artikel 3:38. (overige rapportage- en meldingsverplichtingen)
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot door financiële ondernemingen in te dienen periodieke verslagen of rapportages, alsmede regels met betrekking tot incidenteel te melden voorvallen of omstandigheden.
§ 6. Externe deskundige en actuaris
Artikel 3:39. (meldingsplicht externe deskundige)
Een externe deskundige die een onderzoek uitvoert naar de getrouwheid van de jaarrekening of de staten van een financiële onderneming, stelt de toezichtautoriteit zo spoedig mogelijk in kennis van elke omstandigheid waarvan hij bij de uitvoering van het onderzoek kennis heeft gekregen en die:
- a. in strijd is met de bij of krachtens deze wet gestelde regels;
- b. in strijd is met krachtens deze wet aan de betrokken onderneming opgelegde verplichtingen;
- c. het voortbestaan van de financiële onderneming bedreigt;
- d. leidt tot weigering om een verklaring omtrent de getrouwheid af te geven of tot het maken van een voorbehoud.
Artikel 3:40. (meldingsplicht actuaris)
Een actuaris die een onderzoek uitvoert naar de toereikendheid van de technische voorzieningen en de getrouwheid van het actuarieel verslag van een verzekeraar, stelt de Nederlandsche Bank zo spoedig mogelijk in kennis van elke omstandigheid waarvan hij bij de uitvoering van het onderzoek kennis heeft gekregen en die een bedreiging vormt of kan vormen voor de toereikendheid van de technische voorzieningen of de financiële positie van die verzekeraar.
Artikel 3:41. (toelichting door externe deskundige of actuaris)
Indien de toezichtautoriteit zulks noodzakelijk acht, kan zij een externe deskundige of actuaris oproepen om een mondelinge toelichting te geven bij een kennisgeving als bedoeld in artikel 3:39 of 3:40.
De toezichtautoriteit stelt de betrokken financiële onderneming in de gelegenheid bij de mondelinge toelichting aanwezig te zijn.
Artikel 3:42. (aansprakelijkheid externe deskundige of actuaris)
De externe deskundige of actuaris die op grond van artikel 3:39 of 3:40 tot een kennisgeving is overgegaan, is niet aansprakelijk voor schade die een derde dientengevolge lijdt, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat, gelet op alle feiten en omstandigheden, in redelijkheid niet tot kennisgeving of het verstrekken van inlichtingen had mogen worden overgegaan.
Artikel 3:43. (bezwaar tegen externe deskundige of actuaris)
Indien een externe deskundige of actuaris niet de nodige waarborgen biedt dat hij zijn taak met betrekking tot een financiële onderneming naar behoren zal kunnen vervullen, kan de toezichtautoriteit ten aanzien van de deskundige of actuaris bepalen dat deze niet langer bevoegd is de in deze wet bedoelde verklaringen met betrekking tot die financiële onderneming af te leggen.
Een beslissing als bedoeld in het eerste lid is met redenen omkleed en wordt schriftelijk bekendgemaakt aan de externe deskundige of actuaris die het betreft, alsmede aan de betrokken financiële onderneming.
§ 7. Financiële groepen
Artikel 3:44. (algemene bepalingen betreffende financiële groepen)
Een onderneming met zetel in een openbaar lichaam die aan het hoofd staat van een groep als bedoeld in artikel 3:45 of 3:46, draagt zorg voor een zodanige bedrijfsvoering dat de financiële soliditeit van de groep en de tot de groep behorende kredietinstellingen en verzekeraars niet in gevaar wordt gebracht door:
- a. het risicobeheer van de groep als geheel of van de afzonderlijke groepsleden;
- b. de strategie en het beleid van de groep als geheel of van de afzonderlijke groepsleden;
- c. mogelijke belangentegenstellingen en relaties tussen de groepsleden;
- d. door groepsleden verrichte activiteiten die van wezenlijk belang zijn voor de bedrijfsvoering van een kredietinstelling of verzekeraar als bedoeld in artikel 3:45, onderscheidenlijk artikel 3:46.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid.
Artikel 3:45. (geconsolideerd toezicht op kredietinstellingen)
Op een kredietinstelling met zetel in de openbare lichamen die deel uitmaakt van een groep, wordt door de Nederlandsche Bank geconsolideerd toezicht uitgeoefend.
De Nederlandsche Bank betrekt in het geconsolideerd toezicht de geconsolideerde jaarrekening van de tot de groep behorende ondernemingen alsmede, voor zover het ondernemingen betreft die niet in het geconsolideerd toezicht worden betrokken, significante intragroepsovereenkomsten en -posities tussen de kredietinstelling en die ondernemingen.
Een kredietinstelling waarop geconsolideerd toezicht wordt uitgeoefend, berekent haar solvabiliteit op basis van haar geconsolideerde financiële positie.
Een kredietinstelling als bedoeld in het eerste lid dient periodiek bij de Nederlandsche Bank een rapportage in, waarin zijn opgenomen de in het tweede lid bedoelde overeenkomsten en posities, voor zover die van significante betekenis zijn, en de geconsolideerde financiële positie bedoeld in het derde lid.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste tot en met vierde lid.
Artikel 3:46. (aanvullend toezicht op verzekeraars)
Op een verzekeraar met zetel in de openbare lichamen die deel uitmaakt van een groep, wordt door de Nederlandsche Bank aanvullend toezicht uitgeoefend.
De Nederlandsche Bank betrekt in het aanvullend toezicht intragroepsovereenkomsten en -posities tussen:
- a. met de verzekeraar verbonden ondernemingen;
- b. in de verzekeraar deelnemende ondernemingen;
- c. ondernemingen die zijn verbonden met in onderdeel b bedoelde ondernemingen.
Een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid berekent in bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen de aangepaste solvabiliteit.
Een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid dient periodiek binnen de door de Nederlandsche Bank vastgestelde termijnen een rapportage in bij de Nederlandsche Bank, waarin zijn opgenomen overeenkomsten en posities, voor zover die van significante betekenis zijn, en indien van toepassing de aangepaste solvabiliteit, bedoeld in het derde lid.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste tot en met vierde lid.
Artikel 3:47. (maatregelen door DNB)
Indien uit de bedrijfsvoering, bedoeld in artikel 3:44, of uit het toezicht, bedoeld in de artikelen 3:45, eerste lid, en 3:46, eerste lid, blijkt dat de financiële positie van de kredietinstelling of verzekeraar in gevaar is of zou kunnen komen, neemt de Nederlandsche Bank jegens die kredietinstelling of verzekeraar maatregelen.
Artikel 3:48. (uitzonderingen)
De Nederlandsche Bank kan besluiten een onderneming niet in het toezicht, bedoeld in artikel 3:45, eerste lid, of 3:46, eerste lid, te betrekken, indien:
- a. de onderneming haar zetel heeft in een staat waar wettelijke belemmeringen bestaan voor het verstrekken van de voor het toezicht noodzakelijke informatie;
- b. de bij dat toezicht te betrekken onderneming in het licht van de doelstellingen van dat toezicht slechts van te verwaarlozen betekenis is;
- c. het in aanmerking nemen van de financiële positie van die onderneming in het licht van de doelstellingen van dat toezicht misplaatst of misleidend zou zijn.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid, onderdeel b.
Hoofdstuk 4. Bepalingen betreffende specifieke categorieën financiële ondernemingen
§ 1. Beleggingsinstellingen
Artikel 4:1. (beheer van beleggingsfondsen)
Een beleggingsfonds wordt beheerd door een beheerder.
Als beheerder van een beleggingsfonds mag slechts optreden een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid.
De ingevolge deze wet op beleggingsinstellingen rustende verplichtingen zijn, indien de beleggingsinstelling een beleggingsfonds is, gericht tot de beheerder van dat fonds.
Artikel 4:2. (beheer van beleggingsmaatschappijen)
Indien een beleggingsmaatschappij een beheerder heeft, is die beheerder statutair bestuurder van de beleggingsmaatschappij. Artikel 4:1, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4:3. (vermogensscheiding activa beleggingsfonds)
De beheerder van een beleggingsfonds treft maatregelen, opdat:
- a. de activa van het beleggingsfonds ten behoeve van de deelnemers worden verkregen door een van de beheerder onafhankelijke bewaarder;
- b. de bewaarder slechts met medewerking van de beheerder over de vermogensbestanddelen van het beleggingsfonds kan beschikken.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid.
Artikel 4:4. (bewaring van activa)
Indien de activa van een beleggingsinstelling door een bewaarder worden bewaard, gaat de beleggingsinstelling met de bewaarder een schriftelijke overeenkomst inzake beheer en bewaring aan. De overeenkomst voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels.
Als bewaarder mag slechts optreden een rechtspersoon met als enig statutair doel het bewaren en administreren van de goederen waarin een beleggingsinstelling belegt. De artikelen 3:4 tot en met 3:10 en 3:13zijn van overeenkomstige toepassing op de bewaarder.
Indien er op grond van het beleggingsbeleid van een beleggingsinstelling een reëel risico bestaat dat het vermogen van die instelling en het vermogen van haar bewaarder ontoereikend zullen zijn om daaruit de vorderingen, bedoeld in artikel 4:6, te voldoen, worden de activa van de beleggingsinstelling bewaard door een bewaarder die uitsluitend als bewaarder voor die beleggingsinstelling optreedt.
Artikel 4:5. (minimumvermogen)
De beheerder van een beleggingsfonds beschikt over een minimumbedrag aan eigen vermogen. Gelijke verplichting rust op de aan een beleggingsinstelling verbonden bewaarder.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de omvang en samenstelling van het minimumbedrag aan eigen vermogen, bedoeld in het eerste lid.
Indien een beheerder of bewaarder als bedoeld in het eerste lid voorziet of redelijkerwijze kan voorzien dat zijn minimumbedrag aan eigen vermogen niet voldoet of niet zal voldoen aan de regels, bedoeld in het tweede lid, geeft hij hiervan onverwijld kennis aan de Nederlandsche Bank.
Artikel 3:35 is van overeenkomstige toepassing op een beheerder of bewaarder als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 4:6. (vorderingen op vermogen beleggingsfonds)
Het vermogen van een beleggingsfonds dient uitsluitend tot voldoening van vorderingen die voortvloeien uit:
- a. schulden die verband houden met het beheer en de bewaring van het fonds;
- b. rechten van deelneming.
In afwijking van het eerste lid zijn andere vorderingen verhaalbaar op het vermogen van een beleggingsfonds, indien vaststaat dat de in het eerste lid bedoelde vorderingen zullen kunnen worden voldaan en dat in de toekomst dergelijke vorderingen niet meer zullen ontstaan.
Indien het vermogen van een beleggingsfonds bij vereffening ontoereikend is om daaruit de vorderingen, bedoeld in het eerste lid, te voldoen, wordt dat vermogen niet aangewend tot voldoening van de vorderingen, voortvloeiend uit de rechten van deelneming, dan nadat de vorderingen die verband houden met het beheer en de bewaring van het fonds, daaruit zijn voldaan.
Indien de vorderingen, bedoeld in het eerste lid, niet volledig uit het vermogen van het beleggingsfonds kunnen worden voldaan, dient, behoudens de door de wet erkende andere redenen van voorrang, het vermogen van de bewaarder eerst tot voldoening van deze vorderingen. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4:7. (subfondsen)
Voor de toepassing van artikel 4:6 wordt een subfonds gelijkgesteld met een zelfstandig beleggingsfonds.
Onder subfonds wordt verstaan: een administratief afgescheiden gedeelte van het vermogen van een beleggingsinstelling waarvoor een separaat beleggingsbeleid wordt gevoerd en waarin specifiek voor dat gedeelte ter collectieve belegging gevraagde of verkregen gelden of andere goederen zijn of worden opgenomen teneinde de deelnemers in de opbrengst van de beleggingen te doen delen onder specifiek voor dat gedeelte geldende voorwaarden.
Artikel 4:8. (behartiging belangen deelnemers)
Een beleggingsinstelling handelt in het belang van de deelnemers in de beleggingsinstelling. Zij behandelt de deelnemers in de beleggingsinstelling onder vergelijkbare omstandigheden op vergelijkbare wijze.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de beheerder van een beleggingsinstelling en de aan een beleggingsinstelling verbonden bewaarder.
Artikel 4:9. (oneigenlijke transacties)
Door of namens een beleggingsinstelling worden voor rekening van die instelling geen transacties uitgevoerd met een zodanige frequentie of van een zodanige omvang dat dit gezien de omstandigheden kennelijk slechts strekt tot bevoordeling van de beleggingsinstelling, de beheerder, de bewaarder of een met de beleggingsinstelling, beheerder of bewaarder gelieerde partij.
Artikel 4:10. (prospectus)
Een beleggingsinstelling heeft een prospectus beschikbaar met betrekking tot de door haar aangeboden rechten van deelneming, dat ten minste de in artikel 5:4 bedoelde informatie bevat. Het prospectus wordt geactualiseerd, zodra daartoe aanleiding bestaat.
De beleggingsinstelling draagt er zorg voor dat het prospectus kosteloos verkrijgbaar is voor het publiek. Indien de instelling over een website beschikt, stelt zij het prospectus tevens op haar website beschikbaar.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de door een beleggingsinstelling over de door haar aangeboden rechten van deelneming te publiceren of te verstrekken informatie, alsmede nadere regels met betrekking tot het prospectus en het verkrijgbaar stellen daarvan.
Artikel 4:11. (intrinsieke waarde rechten van deelneming)
Telkens wanneer een beleggingsinstelling rechten van deelneming aanbiedt, verkoopt, inkoopt of daarop terugbetaalt, bepaalt zij de intrinsieke waarde van die rechten.
Ten minste een maal per jaar voert een onafhankelijke deskundige een waardering uit van de activa van een beleggingsinstelling die geen effecten zijn die zijn toegelaten tot de handel op een effectenbeurs.
Indien de beleggingsinstelling over een website beschikt, plaatst zij de informatie, bedoeld in het eerste lid, onverwijld op haar website, met vermelding van het tijdstip waarop de bepaling van de intrinsieke waarde plaatsvond. Indien de beleggingsinstelling niet over een website beschikt, draagt zij er zorg voor dat de informatie, bedoeld in het eerste lid, op een andere daartoe geschikte wijze beschikbaar wordt gesteld.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het bepalen van de intrinsieke waarde, bedoeld in het eerste lid, en de waardering van activa, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 4:12. (opschorting inkoop rechten van deelneming)
Indien een beleggingsinstelling de inkoop van rechten van deelneming of de terugbetaling op zodanige rechten opschort, stelt zij de Autoriteit Financiële Markten daarvan onverwijld op de hoogte.
Artikel 4:13. (voorkomen van naamsverwarring)
De Autoriteit Financiële Markten kan, indien zij van oordeel is dat van de in de openbare lichamen gevoerde of te voeren naam van een beleggingsinstelling gevaar voor verwarring te duchten is, van de beleggingsinstelling verlangen dat aan de naam van de instelling een verklarende vermelding wordt toegevoegd of dat de naam wordt gewijzigd.
Artikel 4:14. (ontbinding en vereffening)
Een beleggingsmaatschappij waarvan de vergunning is ingetrokken, wordt op verzoek van de Autoriteit Financiële Markten door het Gerecht ontbonden. Het Gerecht wijst een of meer vereffenaars aan.
Het vermogen van een beleggingsfonds waarvan de vergunning is ingetrokken, wordt binnen een door de Autoriteit Financiële Markten te bepalen termijn vereffend. Het Gerecht wijst op verzoek van de Autoriteit Financiële Markten een of meer vereffenaars aan.
Ontbinding of vereffening als bedoeld in het eerste en tweede lid vindt niet eerder plaats dan nadat de intrekking van de vergunning onherroepelijk is geworden.
§ 2. Effectenbeurzen
Artikel 4:15. (houden van een effectenbeurs)
De houder van een effectenbeurs zorgt ervoor dat het houden van de effectenbeurs, de voor de effectenbeurs te hanteren regels, de toepassing van die regels en de controle op de naleving van die regels voldoen aan hetgeen met het oog op een adequaat functioneren van de effectenmarkten en de positie van de beleggers op die markten nodig is.
Artikel 4:16. (regels en procedures effectenbeurs)
De houder van een effectenbeurs beschikt over:
- a. regels en procedures die voor een billijke en ordelijke handel zorgen, alsmede objectieve criteria voor de doelmatige uitvoering van orders;
- b. duidelijke en transparante regels inzake de toelating van effecten tot de handel op de effectenbeurs;
- c. objectieve, transparante en niet-discriminerende regels inzake de toegang tot de handel of het lidmaatschap van de effectenbeurs;
- d. regels inzake de initiële, doorlopende of incidentele informatieverstrekking door uitgevende instellingen die effecten hebben uitgegeven die tot de handel op de effectenbeurs zijn toegelaten;
- e. effectieve regels en procedures om toe te zien op de naleving van de door de effectenbeurs gehanteerde regels;
- f. doeltreffende regels voor een doelmatige en tijdige afhandeling van via de effectenbeurs uitgevoerde transacties.
De houder van een effectenbeurs meldt elke voorgenomen wijziging in regels en procedures als bedoeld in het eerste lid aan de Autoriteit Financiële Markten. De wijziging wordt niet ten uitvoer gelegd, indien de Autoriteit Financiële Markten binnen vier weken na ontvangst van de melding tegen de wijziging bezwaar heeft gemaakt.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid.
§ 3. Kredietinstellingen, elektronischgeldinstellingen en geldtransactiekantoren
Artikel 4:17. (deelname aan depositogarantiestelsel)
Een kredietinstelling waaraan op grond van deze wet vergunning tot uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling is verleend, neemt deel aan het depositogarantiestelsel, bedoeld in artikel 8:26.
De Nederlandsche Bank stelt met inachtneming van artikel 8:26, derde lid, de door kredietinstellingen als bedoeld in het eerste lid verschuldigde bijdragen aan het depositogarantiestelsel vast. De bijdrageplichtige kredietinstellingen voldoen deze bijdragen binnen een door de Nederlandsche Bank vastgestelde termijn.
Een deelnemende kredietinstelling als bedoeld in het eerste lid stelt op verzoek en op eigen initiatief informatie ter beschikking over het depositogarantiestelsel waaraan zij deelneemt. De informatie is zodanig dat depositohouders of potentiële depositohouders in staat worden gesteld om na te gaan of een vordering onder de dekking van het depositogarantiestelsel valt.
Het is kredietinstellingen niet toegestaan informatie over het depositogarantiestelsel voor reclamedoeleinden te gebruiken.
Het vierde lid is niet van toepassing op kredietinstellingen die in een reclame-uiting vermelden dat op hen het depositogarantiestelsel van toepassing is.
Artikel 4:18. (geschiktheid voor betalingsverkeer in openbare lichamen)
Een kredietinstelling draagt er zorg voor dat de door haar in een openbaar lichaam aangeboden betaal- of spaarrekeningen met de daaraan verbonden betaal- of spaarfaciliteiten geschikt zijn voor deelname aan het betalingsverkeer in de openbare lichamen.
De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet voor rekeningen die zijn bestemd voor deelname aan het betalingsverkeer met het buitenland.
Artikel 4:19. (informatie over betaler bij geldovermakingen)
Een kredietinstelling, geldtransactiekantoor of elektronischgeldinstelling is verplicht bij geldovermakingen informatie over de betaler en de ontvanger bij te voegen.
Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid, alsmede regels met betrekking tot het bewaren en beschikbaar houden van de over de betaler bij te voegen informatie, de behandeling van ontvangen geldovermakingen waarbij niet alle vereiste informatie is gevoegd, en het optreden als intermediaire dienstverlener bij geldovermakingen.
Artikel 4:20. (uitgifte en omwisseling elektronisch geld)
Een elektronischgeldinstelling of kredietinstelling geeft slechts elektronisch geld uit tegen een waarde die ten hoogste gelijk is aan de waarde van de voor de uitgifte ontvangen gelden.
Een elektronischgeldinstelling of kredietinstelling wisselt op verzoek van de houder van door haar uitgegeven elektronisch geld het elektronisch geld om door middel van uitbetaling van het elektronische geld in chartaal geld of door storting op een betaal- of spaarrekening, waarbij uitsluitend de voor de omwisseling noodzakelijke kosten kunnen worden berekend.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de uitgifte en omwisseling van elektronisch geld.
Artikel 4:21. (geconsolideerd toezicht op kredietinstellingen)
Een kredietinstelling met zetel in de openbare lichamen die een dochtermaatschappij is van een kredietinstelling met zetel in het buitenland, staat in de staat waar de laatstbedoelde kredietinstelling haar zetel heeft, onder voldoende geconsolideerd toezicht.
Artikel 4:22. (verbod op correspondentbankrelatie met shellbank)
Het is een kredietinstelling verboden om een vaste relatie voor de afwikkeling van transacties of de uitvoering van opdrachten aan te gaan of voort te zetten met:
- a. een buitenlandse kredietinstelling of daarmee vergelijkbare onderneming, die geen fysieke aanwezigheid heeft in de Staat waarin zij is opgericht en die geen deel uitmaakt van een groep waartoe ook de kredietinstelling zelf behoort;
- b. een buitenlandse kredietinstelling waarvan bekend is dat zij instellingen of ondernemingen als bedoeld in onderdeel a toestaat om gebruik te maken van haar rekeningen.
Artikel 4:23. (vvgb-plichtige handelingen van kredietinstellingen)
Het is een kredietinstelling met zetel in de openbare lichamen, anders dan na verkregen verklaring van geen bezwaar van de Nederlandsche Bank, verboden:
- a. haar eigen vermogen door terugbetaling van kapitaal of uitkering van reserves te verminderen;
- b. een deelneming in een andere onderneming te houden, te verwerven of te vergroten die meer bedraagt dan een procent van het balanstotaal van de kredietinstelling;
- c. de activa en passiva van een andere onderneming of instelling geheel of voor een belangrijk deel al dan niet middellijk over te nemen;
- d. een fusie aan te gaan met een andere onderneming of instelling;
- e. over te gaan tot financiële of vennootschappelijke reorganisatie;
- f. filialen, bijkantoren en kassen onder welke naam dan ook te vestigen; of
- g. haar statuten te wijzigen.
De aanvrager van een verklaring van geen bezwaar dient de aanvraag in bij de Nederlandsche Bank onder opgave van door de Nederlandsche Bank te bepalen gegevens. De artikelen 2:7 tot en met 2:9 zijn van overeenkomstige toepassing.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid.
Indien een verklaring van geen bezwaar wordt verleend voor een handeling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, kan de aanvrager tevens toestemming worden verleend tot het vergroten van zijn gekwalificeerde deelneming, waarbij als bovengrens 20, 33, 50 of 100 procent kan gelden.
Indien een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt verleend, kan deze betrekking hebben op door de aanvrager:
- a. via een dochtermaatschappij verworven en nog te verwerven middellijke deelnemingen; of
- b. verworven dan wel nog te verwerven middellijke deelnemingen, niet zijnde deelnemingen als bedoeld in onderdeel a, voor zover deze deelnemingen buiten de invloedssfeer van de aanvrager zijn verworven dan wel worden verworven.
Artikel 4:24. (verklaring van geen bezwaar)
De Nederlandsche Bank verleent de in artikel 4:23 bedoelde verklaring van geen bezwaar, tenzij de handeling waarvoor de verklaring wordt gevraagd:
- a. in strijd zou zijn of kunnen komen met de ingevolge artikel 3:17 voor de betrokken instelling met betrekking tot haar solvabiliteit geldende regels;
- b. anderszins in strijd zou zijn of kunnen komen met een gezonde en prudente bedrijfsuitoefening;
- c. zou leiden of kunnen leiden tot een ongewenste ontwikkeling van de financiële sector.
De artikelen 2:12, 2:14, aanhef en onderdelen a tot en met d, en 2:16 zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 4. Verzekeraars
Artikel 4:25. (combinatie leven en schade)
Het is een verzekeraar met zetel in de openbare lichamen verboden zowel het bedrijf van levensverzekeraar als dat van schadeverzekeraar uit te oefenen.
Het is een verzekeraar met zetel in het buitenland, die in het buitenland zowel het levensverzekeringsbedrijf als het schadeverzekeringsbedrijf uitoefent, verboden in de openbare lichamen het levensverzekeringsbedrijf uit te oefenen.
Artikel 4:26. (branches van het schadeverzekeringsbedrijf)
Het bedrijf van schadeverzekeraar wordt onderscheiden in de volgende branches:
- a. ongevallen- en ziekteverzekering;
- b. motorrijtuigverzekering;
- c. zee-, transport- en luchtvaartverzekering;
- d. verzekering van brandschade en andere schade aan goederen;
- e. overige schadeverzekeringen.
Een vergunning tot uitoefening van het bedrijf van schadeverzekeraar wordt verleend voor een of meer specifieke branches als bedoeld in het eerste lid.
Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke risico’s die behoren tot een andere branche dan de branche of branches waarvoor vergunning tot uitoefening van het bedrijf van schadeverzekeraar is verleend, als bijkomend risico mogen worden verzekerd, alsmede welke risico’s niet als bijkomende risico’s met andere branches mogen worden gecombineerd.
Artikel 4:27. (nadere regels betreffende verzekeringsbranches)
Bij algemene maatregel kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de branches waarin het bedrijf van schadeverzekeraar wordt onderscheiden, alsmede regels met betrekking tot de branches waarin het bedrijf van levensverzekeraar wordt onderscheiden. Artikel 4:26, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4:28. (verbod uitoefening verzekeringsbedrijf in andere branches)
Het is verboden het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar uit te oefenen in een branche waarvoor geen vergunning is verleend.
Het eerste lid is niet van toepassing op risico’s die op grond van artikel 4:26, derde lid, als bijkomende risico’s mogen worden verzekerd.
Artikel 4:29. (verbod op nevenbedrijf)
Het is een verzekeraar aan wie vergunning tot uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar, natura-uitvaartverzekeraar of schadeverzekeraar is verleend, verboden een ander bedrijf uit te oefenen dan het verzekeringsbedrijf waarvoor de vergunning is verleend.
In afwijking van het eerste lid is het een verzekeraar aan wie vergunning tot uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar is verleend, tevens toegestaan het bedrijf van natura-uitvaartverzekeraar uit te oefenen.
Artikel 4:30. (verbod op verzekeren van molest)
Het is een verzekeraar verboden schaden te verzekeren, veroorzaakt door of ontstaan uit gewapend conflict, burgeroorlog, opstand, binnenlandse onlusten, oproer of muiterij. In zee-, transport-, luchtvaart- en reisverzekeringen is het evenwel toegestaan risico’s van molest te verzekeren in de algemeen gebruikelijke molestclausules, zolang de Nederlandsche Bank daartegen geen bedenkingen naar voren heeft gebracht.
Artikel 4:31. (krediet, borgtocht en rechtsbijstand)
Kredietverzekeringen, borgtochtverzekeringen en rechtsbijstandsverzekeringen mogen elk slechts worden gesloten bij een overeenkomst waarbij uitsluitend de onder de desbetreffende verzekering gedekte risico’s worden verzekerd.
Artikel 4:32. (aansprakelijkheid motorrijtuigen)
Een verzekeraar die verzekeringen aanbiedt tot dekking van wettelijke aansprakelijkheid, voortvloeiend uit het gebruik van motorrijtuigen, voldoet aan de in de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen BES ter zake van de verzekeringsvoorwaarden gestelde eisen.
Artikel 4:33. (nadere regels voor specifieke branches of verzekeringen)
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)