Wet van 1 december 2011, houdende regels met betrekking tot de financiële markten in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en het toezicht op die markten (Wet financiële markten BES)
Op de in het eerste lid bedoelde waarden zijn, behoudens vorderingen die door pand of hypotheek op deze waarden zijn gedekt, geen andere vorderingen verhaalbaar, tenzij vaststaat dat alle vorderingen, bedoeld in het tweede lid, kunnen worden voldaan en dat in de toekomst zodanige vorderingen niet meer zullen ontstaan.
Ingeval de in het tweede lid bedoelde vorderingen niet volledig uit de in het eerste lid bedoelde waarden zijn voldaan, nemen de betrokken schuldeisers voor het overblijvende deel van hun vorderingen rang na de overige schuldeisers bij de verdeling van de opbrengst van de overige goederen van de verzekeraar.
§ 4. Depositogarantiestelsel
Artikel 8:26. (depositogarantiestelsel)
Er is een depositogarantiestelsel dat tot doel heeft depositohouders te compenseren in het geval een kredietinstelling niet in staat is te voldoen aan haar verplichtingen die voortvloeien uit vorderingen uit deposito’s. Kredietinstellingen dragen de kosten van het depositogarantiestelsel.
Het depositogarantiestelsel, bedoeld in het eerste lid, kan deel uitmaken van een Caribisch depositogarantiestelsel waarin ook andere landen uit het Caribische deel van het Koninkrijk deelnemen.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot:
- a. de categorieën ondernemingen en personen die onder de reikwijdte van het depositogarantiestelsel vallen, dan wel daarvan worden uitgesloten;
- b. de categorieën vorderingen die onder de reikwijdte van het depositogarantiestelsel vallen, de wijze van indiening en vaststelling daarvan, de voorwaarden voor vergoeding van deze vorderingen en de hoogte van de vergoeding;
- c. de toepassing van het depositogarantiestelsel en de uitvoering daarvan in samenhang met de noodregeling;
- d. de financiering, bekostiging en verdeling van baten van het depositogarantiestelsel.
Artikel 8:27. (stichting tot beheer van middelen)
De middelen ter financiering en bekostiging van het depositogarantiestelsel kunnen worden ondergebracht in een door de Nederlandsche Bank of, in het geval van een Caribisch depositogarantiestelsel als bedoeld in het artikel 8:26, tweede lid, een mede door de Nederlandsche Bank op te richten stichting tot beheer van die middelen.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid, alsmede regels met betrekking tot het bestuur van een stichting als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 8:28. (uitvoering door DNB)
De Nederlandsche Bank is belast met de uitvoering van het depositogarantiestelsel in de openbare lichamen.
De Nederlandsche Bank draagt bij toepassing van het depositogarantiestelsel zorg voor betaling van de vergoeding van de ingevolge artikel 8:26, derde lid, onderdelen a en b, daarvoor in aanmerking komende vorderingen van depositohouders.
De Nederlandsche Bank is bevoegd de uitvoering van het depositogarantiestelsel, alsmede de uitvoering van de in het tweede lid bedoelde taak geheel of gedeeltelijk uit te besteden. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld.
Artikel 8:29. (subrogatie)
De Nederlandsche Bank treedt in de rechten die een depositohouder ter zake van een vordering op de betalingsonmachtige kredietinstelling heeft, voor zover zij aan die depositohouder een vergoeding als bedoeld in artikel 8:28, tweede lid, heeft betaald.
Indien de middelen ter financiering en bekostiging van het depositogarantiestelsel zijn ondergebracht in een stichting als bedoeld in artikel 8:27, eerste lid, treedt in afwijking van het eerste lid die stichting in de in het eerste lid bedoelde rechten van de depositohouder.
Artikel 8:30. (geen hoofdelijke aansprakelijkheid DNB)
De samenloop van vorderingen van depositohouders op een kredietinstelling ten aanzien waarvan het depositogarantiestelsel is toegepast, met aanspraken op vergoeding van de ingevolge artikel 8:26, derde lid, onderdelen a en b, daarvoor in aanmerking komende vorderingen, leidt er niet toe dat de Nederlandsche Bank en de boedel of de kredietinstelling hoofdelijk zijn verbonden.
Hoofdstuk 9. Strafbepalingen
Artikel 9:1. (misdrijven)
Overtreding van de artikelen 2:1, eerste lid, en 2:3, eerste of tweede lid, of van een verbod als bedoeld in artikel 7:20 wordt, voor zover opzettelijk begaan, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Overtreding van de artikelen 1:20, eerste lid, 2:21, eerste lid, 2:22, eerste lid, 2:23, eerste lid, 3:28, eerste lid, 3:39, 3:40, 4:9, 5:3, 5:15, 5:19, 5:25, eerste lid, 5:26, eerste lid, 5:27, eerste of tweede lid, 6:5, eerste lid, 6:6, 6:8, eerste lid, 6:9, 6:10, eerste lid, 6:11, 6:12, 7:11, eerste lid, en 8:11, tweede lid, jo. artikel 7:11, eerste lid, wordt, voor zover opzettelijk begaan, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vijfde categorie.
De in het eerste en tweede lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.
Artikel 9:2. (overtredingen)
Overtreding van de artikelen 2:1, eerste lid, en 2:3, eerste of tweede lid, of van een verbod als bedoeld in artikel 7:20 wordt, voor zover niet opzettelijk begaan, gestraft met hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie.
Overtreding van de artikelen 1:20, eerste lid, 2:21, eerste lid, 2:22, eerste lid, 2:23, eerste lid, 3:28, eerste lid, 3:39, 3:40, 4:9, 5:3, 5:15, 5:19, 5:25, eerste lid, 5:26, eerste lid, 5:27, eerste of tweede lid, 6:5, eerste lid, 6:6, 6:8, eerste lid, 6:9, 6:10, eerste lid,6:11, 6:12, 7:11, eerste lid, en 8:11, tweede lid, jo. artikel 7:11, eerste lid, wordt, voor zover niet opzettelijk begaan, gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie.
De in het eerste en tweede lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
Artikel 9:3. (opsporing van strafbare feiten)
Met de opsporing van de in de artikelen 9:1 en 9:2 strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering BES, belast de daartoe bij besluit van Onze Minister van Justitie in overeenstemming met Onze Minister aangewezen ambtenaren. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 185 tot en met 188 en 190 van het Wetboek van Strafrecht BES, voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.
Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Hoofdstuk 10. Overgangs- en slotbepalingen
§ 1. Overgangsrecht
Artikel 10:1. (vergunningen)
Vergunningen tot uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling of geldtransactiekantoor, verleend op grond van artikel 2 van de Wet toezicht bank- en kredietwezen 1994 BES, berusten na de inwerkingtreding van deze wet op artikel 2:1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, met dien verstande dat vergunningen tot uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling die zijn verleend aan een kredietaanbieder, niet zijnde een kredietinstelling, na de inwerkingtreding van deze wet op artikel 2:3, eerste lid, onderdeel c, berusten.
Vergunningen tot uitoefening van het verzekeringsbedrijf, verleend op grond van artikel 9 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf BES, berusten na de inwerkingtreding van deze wet op artikel 2:1, eerste lid, onderdeel b.
Vergunningen voor het werkzaam zijn als trustkantoor, verleend op grond van artikel 4 van de Wet toezicht trustwezen BES, berusten, met uitzondering van bij die vergunningen behorende bijlagen als bedoeld in de artikelen 6 en 7 van die wet, na de inwerkingtreding van deze wet op artikel 2:1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°.
Vergunningen voor het houden van een effectenbeurs, verleend op grond van artikel 2 van de Wet toezicht effectenbeurzen BES, berusten na de inwerkingtreding van deze wet op artikel 2:3, eerste lid, onderdeel d.
Vergunningen aan beleggingsinstellingen, verleend op grond van artikel 3 van de Wet toezicht beleggingsinstellingen en administrateurs BES, berusten na de inwerkingtreding van deze wet op artikel 2:3, tweede lid.
Artikel 10:2. (van rechtswege vergunningen)
Aan personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet waren vermeld op een bijlage als bedoeld in artikel 6 of 7 van de Wet toezicht trustwezen BES, wordt van rechtswege vergunning als bedoeld in artikel 2:1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, verleend, met dien verstande dat die vergunning uitsluitend strekt tot het verlenen van beheersdiensten als bedoeld in artikel 1 van de Wet toezicht trustwezen BES.
De op grond van het eerste lid verleende vergunningen vervallen na verloop van zes maanden, gerekend vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.
Aan bemiddelaars die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet waren ingeschreven in het register voor assurantiebemiddelaars op grond van artikel 4 van de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf BES, wordt van rechtswege vergunning als bedoeld in artikel 2:3, eerste lid, onderdeel a, verleend om als bemiddelaar in verzekeringen op te treden.
Artikel 10:3. (buitenlandse zetelhouders)
Artikel 3:1, eerste lid, is, zolang een onderneming haar zetel niet verplaatst naar een andere staat, niet van toepassing op financiële ondernemingen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet hun zetel hadden buiten de openbare lichamen, Curaçao en Sint Maarten.
Artikel 10:4. (ontheffingen)
Ontheffingen, verleend op grond van de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf BES, de Wet toezicht bank- en kredietwezen 1994 BES, de Wet toezicht beleggingsinstellingen en administrateurs BES, de Wet toezicht effectenbeurzen BES, de Wet toezicht trustwezen BES of de Wet toezicht verzekeringsbedrijf BES, die betrekking hebben op een mede op grond van deze wet bestaande verplichting, berusten, voor zover van die verplichting ingevolge de bij of krachtens artikel 1:27 gestelde regels ontheffing kan worden verleend, na de inwerkingtreding van deze wet op artikel 1:27.
Ontheffingen, verleend op grond van artikel 9 van de Wet zeggenschap in ter beurze genoteerde vennootschappen BES, worden na de inwerkingtreding van deze wet aangemerkt als ontheffingen, bedoeld in artikel 6:10.
Artikel 10:5. (betrouwbaarheid en geschiktheid beleidsbepalers)
Indien de Nederlandsche Bank of de Autoriteit Financiële Markten op grond van de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf BES, de Wet toezicht bank- en kredietwezen 1994 BES, de Wet toezicht beleggingsinstellingen en administrateurs BES, de Wet toezicht effectenbeurzen BES, de Wet toezicht trustwezen BES of de Wet toezicht verzekeringsbedrijf BES de betrouwbaarheid heeft vastgesteld van een persoon als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, staat de betrouwbaarheid van die persoon voor de toepassing van deze wet buiten twijfel, zolang niet een wijziging in de relevante feiten of omstandigheden een redelijke aanleiding geeft tot een nieuwe beoordeling en zolang geen nieuwe beoordeling als bedoeld in artikel 3:4, vierde lid, is voorgeschreven.
Indien een persoon als bedoeld in artikel 3:5, eerste lid, op grond van een in het eerste lid genoemde wet voldoende deskundig is bevonden, wordt hij voor de toepassing van deze wet eveneens geschikt geacht, zolang niet een wijziging in de relevante feiten of omstandigheden een redelijke aanleiding geeft tot een nieuwe beoordeling.
Artikel 10:6. (verklaringen van geen bezwaar)
Verklaringen van geen bezwaar, verkregen op grond van artikel 46 van de Wet toezicht bank- en kredietwezen 1994 BES of artikel 81 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf BES, worden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aangemerkt als een op grond van artikel 3:28 verkregen verklaring van geen bezwaar.
Artikel 10:7. (aanwijzingen en aanzeggingen)
Een op grond van de Wet toezicht bank- en kredietwezen 1994 BES, de Wet toezicht beleggingsinstellingen en administrateurs BES, de Wet toezicht trustwezen BES of deWet toezicht verzekeringsbedrijf BES, gegeven aanwijzing wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet gelijkgesteld met een op grond van artikel 7:12 gegeven aanwijzing.
Een op grond van artikel 22, eerste lid, van de Wet toezicht bank- en kredietwezen 1994 BES gedaan verzoek om bepaalde maatregelen te nemen of een bepaalde gedragslijn te volgen wordt voor de toepassing van het eerste lid aangemerkt als aanwijzing.
Een op grond van de Wet toezicht bank- en kredietwezen 1994 BES, de Wet toezicht beleggingsinstellingen en administrateurs BES of de Wet toezicht verzekeringsbedrijf BES gedane aanzegging wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aangemerkt als een besluit op grond van artikel 7:14.
Artikel 10:8. (bestuurlijke boeten)
Een bestuurlijke boete, opgelegd terzake van overtreding van een voorschrift, gesteld bij of krachtens de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf BES, de Wet toezicht bank- en kredietwezen 1994 BES, de Wet toezicht beleggingsinstellingen en administrateurs BES, de Wet toezicht trustwezen BES of de Wet toezicht verzekeringsbedrijf BES, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet gelijkgesteld met een op grond van artikel 7:30 opgelegde bestuurlijke boete.
De toezichtautoriteit kan na de inwerkingtreding van deze wet tot een jaar na de dag waarop de overtreding is begaan, een bestuurlijke boete opleggen terzake van overtreding van een voorschrift, gesteld bij of krachtens een in het eerste lid genoemde wet. Op het opleggen van de boete blijft het recht van toepassing dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.
De artikelen 7:50 en 7:51 zijn niet van toepassing op boeten als bedoeld in het eerste en tweede lid.
Artikel 10:9. (noodregeling en faillissement)
Op de afhandeling van een noodregeling of faillietverklaring van een kredietinstelling of verzekeraar die is uitgesproken voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijft het op het tijdstip van het uitspreken van de noodregeling of faillietverklaring geldende recht van toepassing.
Artikel 10:10. (geheimhoudingsplicht en vertrouwelijke gegevens)
De artikelen 1:20 tot en met 1:25 zijn van overeenkomstige toepassing op gegevens en inlichtingen die zijn verstrekt of verkregen op grond van de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf BES, de Wet toezicht bank- en kredietwezen 1994 BES, de Wet toezicht beleggingsinstellingen en administrateurs BES, de Wet toezicht effectenbeurzen BES, de Wet toezicht trustwezen BES of de Wet toezicht verzekeringsbedrijf BES.
Artikel 10:10a. (aansprakelijkheidsbeperking toezichtautoriteiten)
Artikel 1:13a is niet van toepassing op een handelen of nalaten van de Nederlandsche Bank, de Autoriteit Financiële Markten, de leden van hun organen of hun werknemers dat heeft plaatsgevonden voor de inwerkingtreding van artikel II van de Wet aansprakelijkheidsbeperking DNB en AFM en bonusverbod staatsgesteunde ondernemingen.
§ 2. Wijziging van andere wetten
Artikel 10:11. (intrekking bestaande toezichtwetten)
De volgende wetten worden ingetrokken:
- e. de Wet toezicht trustwezen BES;
Artikel 10:12. (Burgerlijk Wetboek BES)
1.
Wijzigt Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES
2.
Wijzigt Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES
Artikel 10:13. (Comptabiliteitswet 2001)
Wijzigt de Comptabiliteitswet 2001.
Artikel 10:14. (Deurwaarderswet BES)
Wijzigt de Deurwaarderswet BES.
Artikel 10:15. (Pensioenwet BES)
Wijzigt de Pensioenwet BES.
Artikel 10:16. (Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen BES)
Wijzigt de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen BES.
Artikel 10:17. (Wet algemene verzekering bijzondere ziektekosten BES)
Wijzigt de Wet algemene verzekering bijzondere ziektekosten BES.
Artikel 10:18. (Wet geldstelsel BES)
Wijzigt de Wet geldstelsel BES.
Artikel 10:19. (Wet op het notarisambt BES)
Wijzigt de Wet op het notarisambt BES.
Artikel 10:20. (Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES)
Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES.
§ 3. Inwerkingtreding en citeertitel
Artikel 10:21. (inwerkingtreding)
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen en onderdelen daarvan en voor de verschillende op grond van deze wet te onderscheiden categorieën financiële ondernemingen verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 10:22. (citeertitel)
Deze wet wordt aangehaald als: Wet financiële markten BES.
Bijlage. als bedoeld in de artikelen 7:21, eerste lid, en 7:30, eerste lid
A. Artikelen ter zake waarvan een last onder dwangsom kan worden opgelegd
2:23, eerste, derde en vijfde lid,
3:29,
3:44,
3:45, derde tot en met vijfde lid,
3:46, derde tot en met vijfde lid,
4:5, eerste, tweede en vierde lid,
4:13,
4:15,
4:17,
4:22,
4:25,
4:27 jo.4:26, derde lid,
4:35, eerste tot en met derde lid,
4:43,
4:46,
4:48,
5:14,
5:21,
7:17, eerste en tweede lid, onderdeel a,
7:19,
8:3,
8:5, eerste tot en met derde lid,
8:6,
B. Artikelen ter zake waarvan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd
2:18,
2:23, eerste, derde en vijfde lid,
3:29,
3:44,
3:45, derde tot en met vijfde lid,
3:46, derde tot en met vijfde lid,
4:22,
4:25,
4:27 jo. 4:26, derde lid,
4:35, eerste tot en met derde lid,
4:43,
4:46,
4:48,
5:14,
5:21,
7:17, eerste en tweede lid, onderdeel a,
7:19,
8:3,
8:5, eerste tot en met derde lid,
8:6,
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)