Besluit van 9 februari 2004 houdende de algemene eisen voor de opleiding, registratie en herregistratie van medisch specialisten en voor de erkenning van opleiders, plaatsvervangend opleiders, stageopleiders en opleidingsinrichtingen
- d. de duur van de stage bedraagt ten hoogste één jaar;
- e. de inrichting toont aan dat de patiëntenpopulatie specifiek is voor dat gedeelte van de opleiding waarop de stage is gericht
Voor een stage gelden de volgende verplichtingen:
- a. er is voor de aios voldoende tijd beschikbaar voor theoretische verdieping van het betreffende onderdeel van de opleiding;
- b. de aios moet kunnen profiteren van de bijzondere kennis van de stafleden en van het wetenschappelijk klimaat van de afdeling;
- c. de verplichtingen bedoeld in artikel C.12. zijn van overeenkomstige toepassing.
De inrichting waar de stage plaatsvindt kan over meerdere locaties verspreid zijn. In dat geval zijn het eerste, tweede lid en artikel C.14. van overeenkomstige toepassing.
Uit de erkenning blijkt duidelijk voor welke stage en voor welke stageduur de inrichting wordt erkend.
Titel III. Procedure erkenning opleider, plaatsvervangend opleider, stageopleider en opleidingsinrichting
Artikel C.18. Aanvraag erkenning
De aanvraag tot erkenning tot opleider, plaatsvervangend opleider, stageopleider of opleidingsinrichting wordt door de betreffende medisch specialist respectievelijk inrichting, bij de MSRC ingediend op een door de MSRC verstrekt aanvraagformulier onder overlegging van documenten waaruit blijkt dat aan de eisen en verplichtingen van dit besluit en de specifieke besluiten wordt voldaan.
De aanvraag voor erkenning tot opleider, plaatsvervangend opleider of stageopleider en de aanvraag voor erkenning van de inrichting tot opleidingsinrichting worden gelijktijdig bij de MSRC ingediend, tenzij de inrichting al is erkend.
Tenminste drie maanden voor het verstrijken van de termijn waarvoor de erkenning is verleend wordt door de betreffende opleider, plaatsvervangend opleider, stageopleider of opleidingsinrichting een schriftelijke aanvraag voor het opnieuw verlenen van de erkenning bij de MSRC ingediend.
Artikel C.19. Visitatie
Alvorens een erkenning wordt verleend of opnieuw wordt verleend doet de MSRC nader onderzoek.
Alvorens een erkenning als opleidingsinrichting voor de eerste maal wordt verleend wordt de inrichting gevisiteerd.
Indien een erkenning al eerder is verleend kan de opleider, plaatsvervangend opleider of de opleidingsinrichting worden gevisiteerd.
Gedurende de periode van de erkenning kan de MSRC tussentijds visitaties laten uitvoeren.
De MSRC kan het onderzoek en de visitatie, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, zelf uitvoeren of de visitatie door een of meer visitatoren laten uitvoeren.
Tijdens het onderzoek of de visitatie verkrijgen de MSRC of de visitatoren inzage in alle noodzakelijke stukken voor de erkenning en hebben toegang tot de gehele inrichting. Tevens zijn de aanvragers beschikbaar voor de MSRC of de visitatiecommissie.
Ter uitvoering van de visitaties stelt de MSRC nadere voorschriften vast.
Artikel C.20. Beslissing tot erkenning
Indien niet aan de betreffende eisen voor erkenning is voldaan, kan geen erkenning worden verleend.
Indien niet aan de betreffende eisen en verplichtingen voor erkenning wordt voldaan wordt de erkenning niet opnieuw verleend.
In afwijking van het eerste en tweede lid, kan de erkenning onder door de MSRC bepaalde voorwaarden opnieuw worden verleend, indien niet aan de betreffende eisen of verplichtingen voor erkenning wordt voldaan en blijkt dat de tekortkomingen incidenteel van aard of van korte duur zullen zijn.
De voorwaarden, bedoeld in het derde lid, zijn gericht op het herstellen van de tekortkomingen die zijn geconstateerd ten aanzien van de betreffende eisen of verplichtingen en op de wijze waarop het herstellen gedocumenteerd wordt.
De erkenning van de opleider, de plaatsvervangend opleider en de opleidingsinrichting geschiedt onder eensluidende voorwaarden.
De MSRC deelt haar beslissing, bedoeld in het eerste, tweede of het derde lid, schriftelijk mede aan de opleider, de opleidingsinrichting en de betrokken aios onder toezending van het visitatierapport.
Artikel C.21. Duur erkenning
Een erkenning wordt voor vijf jaar verleend.
De MSRC kan, gehoord de plenaire visitatiecommissie van de betrokken wetenschappelijke medisch specialisten vereniging, een medisch specialist die niet of niet volledig voldoet aan de eisen voor erkenning, als opleider, plaatsvervangend opleider of stageopleider erkennen op grond van diens bijzondere kwaliteiten.
In afwijking van het eerste lid kan de MSRC bij een eerste erkenning besluiten tot een erkenning voor een kortere periode dan vijf jaar.
In afwijking van het eerste lid kan de MSRC een erkenning opnieuw verlenen voor een kortere periode, indien niet aan de verplichtingen voor erkenning wordt voldaan en uit de bevindingen van de visitatiecommissie blijkt dat de tekortkomingen incidenteel van aard of van korte duur zullen zijn.
De duur van een erkenning van een opleider, plaatsvervangend opleider of stageopleider kan niet de resterende duur van een bestaande erkenning van een opleidingsinrichting, waaraan de opleider is verbonden, overstijgen.
Artikel C.22. Ingangsdatum erkenning
Indien een erkenning voor de eerste maal wordt verleend bepaalt de MSRC de ingangsdatum van de erkenning.
Indien een erkenning opnieuw wordt verleend geldt deze vanaf de einddatum van de vorige erkenning.
Artikel C.23. Eén opleidingsinrichting
De erkenning als opleider wordt in verband met één opleidingsinrichting gegeven. Deze opleidingsinrichting kan op verschillende locaties gehuisvest zijn.
Vervallen.
Artikel C.24. Alle onderdelen opleiding
De erkenning van een inrichting als opleidingsinrichting wordt verleend voor het volgen van alle onderdelen van de opleiding in een medisch specialisme.
In afwijking van het eerste lid kan een inrichting als opleidingsinrichting worden erkend voor het volgen van een gedeelte van de opleiding of een stage in een medisch specialisme
Artikel C.25. Koppeling erkenning opleider en opleidingsinrichting
Indien de erkenning van de opleidingsinrichting vervalt, vervalt de erkenning van de opleider, de plaatsvervangend opleider of de stageopleider voor dat medisch specialisme met ingang van dezelfde datum.
Zodra de opleidingsinrichting niet voldoet aan de erkenningeis, bedoeld in artikel C.10., eerste lid onder f, en niet is voorzien in waarneming als bedoeld in artikel C.6., vervalt de erkenning van de opleidingsinrichting voor dat medisch specialisme met ingang van dezelfde datum.
Artikel C.26. Tussentijdse wijziging erkenning
Indien de opleider, plaatsvervangend opleider, stageopleider of de opleidingsinrichting de in dit besluit en de specifieke besluiten omschreven eisen en verplichtingen niet nakomt, kan de MSRC besluiten de erkenning:
- a. voor een nader te bepalen periode te schorsen;
- b. tussentijds in te trekken;
- c. om te zetten in een erkenning voor een kortere periode of onder door haar bepaalde voorwaarden.
In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder b en c, wordt eerst een visitatierapport opgemaakt alvorens de MSRC ter zake een beslissing neemt.
De MSRC deelt haar terzake genomen beslissing, bedoeld in het eerste lid, schriftelijk mede aan de opleider, de opleidingsinrichting en de betrokken aios onder toezending van het visitatierapport.
Indien de erkenning van de opleidingsinrichting wordt geschorst of tussentijds wordt ingetrokken, kunnen vanaf dat moment geen nieuwe aios in opleiding worden genomen.
Artikel C.27. Einde van rechtswege
De erkenning van de opleider eindigt van rechtswege:
- a. bij overlijden van de opleider;
- b. indien de opleider ingevolge een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld wegens geestelijke stoornis;
- c. indien de opleider ingevolge een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak al dan niet tijdelijk de bevoegdheid om zijn medisch specialisme uit te oefenen is ontnomen;
- d. indien een opleider zijn taak neerlegt of zijn arbeidsovereenkomst wordt beëindigd;
- e. indien de opleider of de opleidingsinrichting gedurende twee achtereenvolgende jaren geen aios meer heeft opgeleid;
- f. indien geen aanvraag voor vernieuwing van een erkenning wordt aangevraagd.
Artikel C.28. Voortzetting opleiding bij einde erkenning
In geval de erkenning niet opnieuw is verleend, is geschorst, is geëindigd van rechtswege of is ingetrokken zal de MSRC, voor zover nodig in overleg met de betrokken aios, nader bepalen op welke wijze zij hun opleiding kunnen voortzetten.
De MSRC kan indien zich een situatie voordoet, bedoeld in het eerste lid, en de aios onevenredig wordt benadeeld van de voor de opleiding gestelde bepalingen ontheffing verlenen.
Hoofdstuk D. De registratie en herregistratie van medisch specialisten
Titel I. Inschrijving
Paragraaf I-A. Medisch specialistenregister
Artikel D.1. Inschrijving
Voor inschrijving in één van de registers van medisch specialisten komt in aanmerking:
- Een arts die met goed gevolg in Nederland de opleiding in een specialisme als bedoeld in artikel A.5. heeft gevolgd en voltooid;
- Een arts, onderdaan van een der landen behorende tot de EER of Zwitserland, die in het bezit is van een in bijlage V.1, punt 5.1.3. van Richtlijn 2005/36/EG vermelde opleidingstitel;
- Een arts, onderdaan van een der landen behorende tot de EER of Zwitserland, die in het bezit is van een andere opleidingstitel dan genoemd in artikel A.3., en die op grond van Richtlijn 2005/36/EG recht heeft op inschrijving;
- Een arts die in het bezit is van een bewijs van het voltooid hebben van een buiten Nederland gevolgde opleiding op wie Richtlijn 2005/36/EG niet van toepassing is en die voldoet aan de eisen voor inschrijving zoals neergelegd in artikel D.4.;
- Een arts die met goed gevolg een beoordelingsstage als bedoeld in paragraaf II-B heeft gevolgd en voltooid;
- Een arts die met goed gevolg een individueel scholingsprogramma als bedoeld in paragraaf II-C heeft gevolgd en voltooid.
Paragraaf I-B. Inhoud individueel scholingsprogramma
Artikel D.2. Registratie arts tot medisch specialist
De arts als bedoeld in artikel D.1. eerste lid, sub a dient na voltooiing van de opleiding bij de MSRC een aanvraag in tot registratie in het betreffende register van medisch specialisten. Voorts verschaft hij de MSRC de gegevens en bescheiden die de MSRC voor de beoordeling van de aanvraag nodig acht en waarover de arts redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Indien de aanvraag bedoeld in het eerste lid, meer dan drie maanden na het eind van de opleiding bij de MSRC wordt ingediend dient de arts aan te tonen dat hij voldoet aan de eisen voor herregistratie zoals neergelegd in titel III. Bij de aanvraag tot registratie in het betreffende register van medisch specialisten overlegt de arts die gedeeltelijk buiten Nederland is opgeleid, over de betreffende periode aan de MSRC de schriftelijke bewijsstukken en verstrekt de MSRC desgevraagd alle nadere inlichtingen. De MSRC schrijft de arts die aan alle eisen gesteld in dit besluit en in de specifieke besluiten voldoet en die het door de MSRC daarvoor vastgestelde bedrag heeft voldaan, alsmede voorzover de opleider een positieve beoordeling, bedoeld in artikel B.9., heeft verstrekt, op verzoek van de arts en met inachtneming van het bepaalde in de Regeling in het betreffende register van medisch specialisten in.
Artikel D.3. Registratie op basis van Richtlijn 2005/36/EEG
Indien een arts, als bedoeld in artikel D.1., onder b, in een specialistenregister wenst te worden ingeschreven, meldt hij zich schriftelijk bij de MSRC. De aanvraag gaat vergezeld van:
- een bewijs dat hij is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet BIG;
- een bewijs van het voltooid hebben van een opleiding tot medisch specialist, afgegeven door de bevoegde autoriteiten van het land van oorsprong of herkomst
De MSRC schrijft de arts, bedoeld in het eerste lid, na ontvangst van de stukken, genoemd in het eerste lid, in. Indien een arts als bedoeld in artikel D.1., onder c. in een specialistenregister wenst te worden ingeschreven, meldt hij zich schriftelijk bij de MSRC. De aanvraag gaat vergezeld van:
- een bewijs dat hij is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet BIG;
- een bewijs van het hebben gevolgd en voltooid van een opleiding in een specialisme met een inhoud en een duur die ten minste gelijkwaardig is aan de Nederlandse opleiding in een specialisme als bedoeld in artikel A.5., afgegeven door de bevoegde autoriteiten van het land van oorsprong of herkomst;
- documenten waaruit blijkt over welke beroepservaring hij beschikt alsmede welke aanvullende opleiding en medische bij- en nascholing hij gevolgd heeft. De arts verschaft de MSRC de gegevens en bescheiden die de MSRC voor de beoordeling van de aanvraag nodig acht en waarover de arts redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Op basis van de in het derde lid overgelegde documenten beoordeelt de MSRC of de door de arts gevolgde en voltooide opleiding gelijkwaardig is aan de Nederlandse opleiding in het betreffende specialisme.
Indien de MSRC van oordeel is dat van gelijkwaardigheid als bedoeld in het vierde lid, sprake is, schrijft zij de arts in. Indien de MSRC van oordeel is dat van gelijkwaardigheid geen sprake is, wijst zij het verzoek tot inschrijving af en kan zij toestemming verlenen voor het volgen van een individueel scholingprogramma als bedoeld in paragraaf II-C.
Artikel D.4. Registratie anders dan op basis van Richtlijn 2005/36/EEG
Indien een arts, als bedoeld in artikel D.1., onder d, in een specialistenregister wenst te worden ingeschreven, meldt hij zich schriftelijk bij de MSRC. De aanvraag gaat vergezeld van:
- een bewijs van inschrijving in het register, als bedoeld in artikel 3 van de Wet BIG en
- een bewijs voltooid hebben van een opleiding in een specialisme als bedoeld in artikel A.5. met een inhoud en duur die ten minste overeenkomt met de inhoud en duur van de Nederlandse opleiding in het betreffende specialisme, afgegeven door de bevoegde autoriteiten van het land van oorsprong of herkomst;
- een bewijs dat hij gerechtigd is tot de beroepsuitoefening in het betreffende specialisme in het land van herkomst; een bewijs dat hij de Nederlandse taal beheerst als bedoeld in artikel D.14.
De arts dient een bewijs te overleggen dat hij vanaf het moment van voltooiing van de opleiding ten minste 16 uur per week in het betreffende specialisme werkzaam is geweest. De MSRC gaat na in hoeverre de inhoud van de elders voltooide opleiding overeenkomt met die van de Nederlandse opleiding in het betreffende specialisme. De arts verschaft de MSRC de gegevens en bescheiden die de MSRC voor de beoordeling van de aanvraag nodig acht en waarover de arts redelijkerwijs te beschikking kan krijgen. Indien de MSRC van oordeel is dat de door de arts voltooide opleiding gelijkwaardig is aan de Nederlandse opleiding in het betreffende specialisme, schrijft de MSRC de arts na ontvangst van de stukken in het eerste lid en met inachtneming van het bepaalde in de Regeling in het betreffende register in. Indien de MSRC van oordeel is dat van gelijkwaardigheid van door de arts voltooide opleiding geen sprake is, wijst zij het verzoek tot inschrijving af en kan zij bepalen dat een beoordelingsstage als bedoeld in paragraaf II-B dient te worden gevolgd. Indien de MSRC tot de vaststelling komt dat de arts, bedoeld in het vierde lid, niet voldoet aan de gestelde eisen om in aanmerking te komen voor een beoordelingsstage, beoordeelt de MSRC of de arts in aanmerking komt voor het volgen van een individueel scholingprogramma. Daarbij gelden de eisen als gesteld in paragraaf II-C.
Titel II. Registratie
Paragraaf II-A. Aanvraag registratie
Artikel D.5. Registratie na individueel scholingsprogramma of beoordelingsstage
De arts, bedoeld in artikel D.1., onder c., d. e. of f., wendt zich aan het eind van het individueel scholingsprogramma of de beoordelingsstage tot de MSRC voor registratie in een van de registers van medisch specialisten. Hij verschaft de MSRC de gegevens en bescheiden die de MSRC voor de beoordeling van de aanvraag nodig acht en waarover de arts redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De arts overlegt:
- een bewijs van inschrijving in het register, als bedoeld in artikel 3 van de Wet BIG, en
- een verklaring van de opleider dat de arts in staat is het betreffende medisch specialisme in Nederland zelfstandig en naar behoren uit te oefenen.
Indien de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, meer dan drie maanden na het afgeven van de verklaring, bedoeld in het eerste lid, onder b, bij de MSRC wordt ingediend dient de arts aan te tonen dat hij voldoet aan de eisen voor herregistratie, zoals neergelegd in titel III. De MSRC schrijft de arts na ontvangst van stukken bedoeld in het eerste en tweede lid en met inachtneming van het bepaalde in de Regeling in het betreffende register van medisch specialisten in.
Artikel D.6. Inschrijving korter dan 5 jaar
De MSRC kan met toepassing van artikel 29, tweede lid van de Regeling, besluiten tot inschrijving van een arts in een specialistenregister voor een periode korter dan vijf jaar. Artikel 31, vijfde lid van de Regeling is van overeenkomstige toepassing.
Artikel D.7. Beoordelingsstage
Voor het volgen van een beoordelingsstage komt in aanmerking een arts als bedoeld in artikel D.4., vierde lid. De beoordelingsstage wordt gevolgd onder begeleiding van een opleider in een opleidingsinrichting.
Artikel D.8. Aanvraag beoordelingsstage
De arts dient tijdig voorafgaand aan de aanvang van de beoordelingsstage bij de MSRC een aanvraag in, vergezeld met de gegevens en bescheiden als genoemd in artikel D.4., eerste lid. De arts verschaft de MSRC de gegevens en bescheiden die de MSRC voor de beoordeling van de aanvraag nodig acht en waarover de arts redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De beoordelingsstage kan eerst aanvangen nadat de MSRC hiervoor toestemming heeft gegeven.
Paragraaf II-B. Individueel scholingsprogramma EER en Zwitserse Bondsstaat
Artikel D.9. Toestemming MSRC
In het kader van het verlenen van toestemming voor de aanvang van de beoordelingsstage gaat de MSRC na of de arts voldoet aan de in artikel D.4., eerste lid, genoemde eisen. Indien de MSRC tot de vaststelling komt dat op verantwoorde wijze met de beoordelingsstage kan worden gestart, verleent de MSRC toestemming voor het volgen van de beoordelingsstage. In het geval de MSRC de arts toestemming verleent de beoordelingsstage aan te vangen, bepaalt de MSRC tevens conform artikel D.11., de tijdsduur hiervan.
Paragraaf II-C. Beoordelingsstage
Artikel D.10. Ontheffing beoordelingsstage
De MSRC kan in bijzondere gevallen besluiten ontheffing te verlenen van de beoordelingsstage, bedoeld in artikel D.7. De ontheffing, bedoeld in het eerste lid, kan worden verleend indien een arts die buiten Nederland een specialisatie heeft gevolgd en op grond van door hem verstrekte en door de MSRC geverifieerde inlichtingen over zijn opleiding en wetenschappelijke prestaties, blijkt te beschikken over bijzondere theoretische kennis en praktische bekwaamheid op het terrein van het betreffende medisch specialisme. De betreffende arts kan worden ingeschreven nadat hij met goed gevolg een taaltest heeft afgelegd en is ingeschreven in het artsregister als bedoeld in artikel 3 van de Wet BIG, inschrijven volgens artikel 26 van de Regeling.
Artikel D.11. Duur beoordelingsstage
De duur van de beoordelingsstage bedraagt 6 maanden bij een volledige werkweek. Bij deeltijd wordt de duur naar rato aangepast. In afwijking van het eerste lid kan de MSRC voorafgaande aan de beoordelingstage of in overleg met de opleider tussentijds bepalen dat gedurende een langere of een kortere periode een beoordelingsstage wordt gevolgd. De beoordelingsstage inclusief de eventuele verlenging genoemd in het tweede lid, duurt ten hoogste 12 maanden bij een volledige werkweek. Bij deeltijd wordt de duur naar rato aangepast.
Artikel D.12. Tussentijdse beëindiging beoordelingsstage
Om zwaarwegende redenen kan de MSRC op aangeven van de opleider besluiten de stage tussentijds te beëindigen. Van zwaarwegende redenen is in ieder geval sprake indien het gelet op de risico’s voor de volksgezondheid niet verantwoord is de stage voort te zetten.
Artikel D.13. Oordeel van de opleider
De opleider is verplicht de arts iedere drie maanden tussentijds te beoordelen, deze beoordelingen schriftelijk vast te leggen in door de MSRC vastgestelde formulieren en ter kennis te brengen van de MSRC en de arts. De opleider is verplicht zijn oordeel over de arts aan het eind van de beoordelingsstage ter kennis te brengen van de MSRC, nadat hij heeft nagegaan of diens kennis en kunde gelijkwaardig is aan die van in Nederland opgeleide medisch specialisten en of de arts in staat is het betreffende medisch specialisme in Nederland zelfstandig en naar behoren uit te oefenen. Indien de opleider een positieve beoordeling afgeeft, kan de arts conform artikel. D.5. een verzoek om inschrijving in het betreffende register van medisch specialisten indienen. Indien de opleider een negatieve beoordeling afgeeft, beoordeelt de MSRC op verzoek van de arts of aanleiding is voor het volgen van een individueel scholingsprogramma. Daarbij zijn de eisen, bedoeld in paragraaf II-C overeenkomstige toepassing.
Artikel D.14. Beheersing Nederlandse taal
Inschrijving in het register, bedoeld in de artikelen D.1. onder d, alsmede de aanvang van de beoordelingsstage, bedoeld in artikel D.4., vierde lid, kan eerst geschieden nadat de arts op een door de MSRC aangegeven wijze heeft aangetoond een zodanige kennis van de Nederlandse taal in woord en geschrift alsmede voldoende luistervaardigheid te hebben verworven, dat een goede communicatie met patiënten, collegae en andere werkers in de gezondheidszorg gewaarborgd is
Artikel D.15. Individueel scholingsprogramma
Er is een individueel scholingsprogramma dat tot doel heeft een arts, bedoeld in artikel D.13, vierde lid, D.20, vierde lid of D.26, vierde lid, zodanig te scholen dat hij de medische zorg in het betreffende specialisme zelfstandig en op verantwoorde wijze kan uitvoeren.
De duur van het individueel scholingsprogramma bedraagt ten minste één en ten hoogste twee jaar indien de werkzaamheden van de betreffende arts of medisch specialist een volledige werkweek omvatten. Bij deeltijd wordt deze periode naar rato van de deeltijd aangepast.
Het individuele scholingsprogramma wordt gevolgd bij een opleider in een opleidingsinrichting.
Artikel D.16. Inhoud individueel scholingsprogramma
De opleider stelt het individueel scholingsprogramma, bedoeld in artikel D.15. op. Bij het opstellen van het individueel scholingsprogramma houdt de opleider rekening met de uitgangssituatie van de betreffende arts of medisch specialist en maakt daartoe gebruik van de voor de betreffende opleiding geldende toetsmethoden. Nadat de opleider het individueel scholingsprogramma heeft opgesteld vraagt hij ter zake goedkeuring aan de MSRC.
Paragraaf II-D. Taaltest
Artikel D.17. Beoordeling individueel scholingsprogramma
Gedurende het individueel scholingsprogramma beoordeelt de opleider iedere drie maanden de voortgang van de arts of medisch specialist. De conclusies van deze beoordelingen worden - voor gezien of akkoord meeondertekend door de arts of medisch specialist - schriftelijk vastgelegd. Aan het eind van het individueel scholingsprogramma beoordeelt de opleider of de betreffende arts geacht kan worden en in staat is de medische zorg in het betreffende medisch specialisme zelfstandig en op verantwoorde wijze uit te voeren. De opleider geeft over de beoordeling, bedoeld in het derde lid, een verklaring aan de arts of medisch specialist af voor de MSRC ten behoeve van de registratie.
Artikel D.18. Inhoud Taaltest:
Vervallen
Artikel D.19. Uitslag Taaltest:
Vervallen
Titel III. Herregistratie
Artikel D.20. Eisen herregistratie
De MSRC herregistreert een medisch specialist in een specialistenregister als bedoeld in artikel 26 van de Regeling, als de medisch specialist in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de expiratie van de vigerende registratie heeft voldaan aan de volgende eisen:
- a. hij heeft zijn medisch specialisme regelmatig uitgeoefend;
- b. hij heeft in voldoende mate deelgenomen aan deskundigheidsbevordering op het terrein van het betreffende medisch specialisme;
- c. hij heeft deelgenomen aan het visitatieprogramma van de betreffende wetenschappelijke medisch specialistenvereniging volgens de systematiek van die wetenschappelijke vereniging.
De MSRC kan ontheffing verlenen van het eerste lid, onder c.
Onvoorziene omstandigheden of verplichtingen, al dan niet vrijwillig aangegaan, waardoor de arts niet voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid, worden bij de beoordeling van het recht op hernieuwing van de inschrijving niet in aanmerking genomen.
Indien de medisch specialist niet voldoet aan de in het eerste lid genoemde eisen, kan hij worden geherregistreerd onder de voorwaarde dat de medisch specialist direct na de expiratie van de vigerende registratie een individueel scholingsprogramma, bedoeld in titel I, paragraaf II-C, volgt en met goed gevolg afsluit.
Zodra de medisch specialist, bedoeld in het vierde lid, niet voldoet aan de gestelde voorwaarde, wordt zijn inschrijving in het register doorgehaald.
Artikel D.21. Regelmatige uitoefening specialisme
Van regelmatige uitoefening van het medisch specialisme, bedoeld in artikel D.20., eerste lid, onder a, is sprake indien de medisch specialist gemiddeld over vijf jaar ten minste zestien uur per week patiëntgebonden zorg verleent, waaronder worden begrepen klinische werkzaamheid, poliklinische werkzaamheid, consultatieve activiteiten, patiëntgebonden opleidingsactiviteiten en patiëntbesprekingen. In specifieke besluiten kunnen voor medisch specialismen, op voorstel van de betreffende wetenschappelijke medisch specialistenvereniging, het eerste lid aanvullende eisen worden gesteld.
Artikel D.22. Deskundigheidsbevordering
De omvang van de deskundigheidsbevordering, bedoeld in artikel D.20., eerste lid, onder b, bedraagt gemiddeld over vijf jaar ten minste veertig uur per jaar.
In specifieke besluiten kunnen voor medisch specialismen, op voorstel van de betreffende wetenschappelijke medisch specialistenvereniging, het eerste lid aanvullende eisen worden gesteld.
Artikel D.23. Bewijsstukken
De medisch specialist legt ten behoeve van de herregistratie de schriftelijke bewijzen van het gevolgd hebben van deskundigheidsbevordering en van de regelmatige uitoefening van het specialisme over aan de MSRC.
Artikel D.24. Visitatieprogramma
De medisch specialist toont aan dat hij heeft deelgenomen aan het visitatieprogramma, bedoeld in artikel D.20., eerste lid, onder c, en verstrekt dit gegeven desgevraagd aan de MSRC ten behoeve van de individuele herregistratie.
Artikel D.25. Gelijkgestelde werkzaamheden
In het geval dat de medisch specialist niet als zodanig werkzaam is kan de MSRC besluiten de medisch specialist te herregistreren indien ten minste zestien uur per week sprake is van gelijkgestelde werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid.
De uitoefening van de volgende functies worden als gelijkgestelde werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, aangemerkt indien het behouden van de titel voor het betreffende medisch specialisme van belang is voor de beroepsuitoefening:
- a. hoogleraar in een medisch specialisme;
- b. beleids- of stafmedewerker bij een beroepsvereniging of wetenschappelijke medische specialistenvereniging;
- c. docent in de geneeskunde bij een geneeskundige faculteit onderscheidenlijk een universitair medisch centrum;
- d. wetenschappelijk onderzoeker op een relevant gebied van de geneeskunde;
- e. managementfunctionaris op het terrein van de medisch specialistische geneeskunde;
- f. inspecteur voor de gezondheidszorg.
Bij herregistratie op grond van gelijkgestelde werkzaamheden zijn de eisen ten aanzien van het deelnemen aan deskundigheidsbevordering, bedoeld in artikel D.22., onverminderd van toepassing.
De inschrijving als medisch specialist blijft in stand voor zolang de medisch specialist gelijkgestelde werkzaamheden verricht. De inschrijving wordt doorgehaald op het moment dat de gelijkgestelde werkzaamheden worden beëindigd.
Indien de medisch specialist na het beëindigen van zijn gelijkgestelde werkzaamheden opnieuw zonder beperkingen als medisch specialist wenst te worden geherregistreerd volgt hij een individueel scholingsprogramma, bedoeld in titel I, paragraaf II-C. Artikel D.26., eerste, vierde en vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
Gedurende het individueel scholingsprogramma wordt de medisch specialist geherregistreerd indien het individueel scholingsprogramma direct na het staken van de gelijkgestelde werkzaamheden wordt gevolgd.
Artikel D.26. Herintreding
Een arts die in één van de registers van de MSRC ingeschreven is geweest, maar van wie de inschrijving is doorgehaald, kan bij de MSRC een aanvraag indienen om opnieuw te worden ingeschreven.
De MSRC beoordeelt op grond van de door de arts overgelegde bewijsstukken of de arts in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de doorhaling tot het tijdstip van de aanvraag om opnieuw te worden ingeschreven, aan de eisen voor herregistratie heeft voldaan.
Indien de MSRC vaststelt dat de arts aan de eisen voor herregistratie heeft voldaan kan hij opnieuw worden ingeschreven.
Indien de MSRC vaststelt dat de arts niet aan de eisen voor herregistratie heeft voldaan, kan de arts opnieuw worden ingeschreven nadat hij met goed gevolg het individueel scholingsprogramma, bedoeld in titel I, paragraaf II-C, heeft voltooid.
De MSRC gaat slechts over tot het opnieuw inschrijven in het betreffende register op grond van een verklaring van de opleider dat de arts in staat wordt geacht het betreffende medisch specialisme zelfstandig en naar behoren uit te kunnen oefenen.
Artikel D.27. Duur herregistratie
Indien de medisch specialist voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel D.20., wordt de medisch specialist voor vijf jaar geherregistreerd.
Indien de medisch specialist niet of niet volledig voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel D.20., kan de MSRC besluiten tot herregistratie voor een beperkte periode.
De periode waarmee wordt geherregistreerd wordt bepaald aan de hand van artikel 31, vierde en vijfde lid, van de Regeling.
Artikel D.28. Herregistratie zenuw- en zielsziekten
De medisch specialist voor zenuwen zielsziekten kan kiezen voor herregistratie in het register voor neurologen of herregistratie in het register voor psychiaters.
Herregistratie in het register voor neurologen kan plaatsvinden indien voldaan is aan 16 uur patiëntgebonden zorgverlening per week in het specialisme neurologie en aan de overige bepalingen voor herregistratie in deze paragraaf.
Herregistratie in het register voor psychiaters kan plaatsvinden indien voldaan is aan 16 uur patiëntgebonden zorgverlening per week in het specialisme psychiatrie en aan de overige bepalingen voor herregistratie in deze paragraaf.
Herregistratie voor zowel neurologie als psychiatrie is slechts mogelijk wanneer de medisch specialist aan de herregistratie-eisen voor beide specialismen voldoet.
Artikel D.29. Herregistratie allergologen
Herregistratie in het register voor allergologie kan plaatsvinden indien voldaan is aan 16 uur patiëntgebonden zorgverlening per week in het specialisme interne geneeskunde aandachtsgebied allergologie, en aan de overige bepalingen voor herregistratie in deze paragraaf.
Artikel D.30. Herregistratie artsen voor klinische chemie
Herregistratie in het register voor artsen klinische chemie kan plaatsvinden indien voldaan is aan 16 uur patiëntgebonden zorgverlening per week in het betreffende vakgebied, en aan de overige bepalingen voor herregistratie in deze paragraaf.
Hoofdstuk E. Overige bepalingen
Artikel E.1. Overgangsbepalingen
Eisen en verplichtingen te stellen aan de aios of de arts ten aanzien van de opleiding zijn verbindend op 1 januari 2005.
In afwijking van het eerste lid, blijven op de aios of de arts die de opleiding is aangevangen vóór 1 januari 2005, de artikelen B.5., B.6., B.7., B.8., B.9., B.14., B.18., alsmede de termijnen in de artikelen B.15., B.16. en B.17., buiten toepassing, voorzover de aios of de arts aantoont aan een of meer van die bepalingen of termijnen niet te kunnen voldoen. In dat geval blijven de dienaangaande bepalingen respectievelijk termijnen van toepassing die van kracht waren tot 1 januari 2005.
Eisen en verplichtingen te stellen aan de opleider en de opleidingsinrichting aan wie een erkenning is verleend vóór 1 januari 2005 zijn verbindend vanaf de eerstvolgende datum waarop de erkenning als opleider of opleidingsinrichting opnieuw wordt verleend. Tot die datum blijven de bepalingen omtrent erkenning van toepassing die golden op het moment dat de oorspronkelijke erkenning werd verleend.
Medisch specialisten die in een register van medisch specialisten zijn geregistreerd vóór 1 januari 2005, behouden deze registratie tot de eerstvolgende datum waarop de registratie opnieuw moet worden aangevraagd. Tot die datum blijven de bepalingen omtrent herregistratie van toepassing die golden voor 1 januari 2005.
In afwijking van het vierde lid treedt voor de in dat lid bedoelde medisch specialisten de artikelen D.21, eerste lid en artikel D.22., eerste lid, met ingang van 1 januari 2006.
De titel ‘allergoloog’, verbonden aan het medisch specialisme ‘allergologie’, blijft als medische specialistentitel gelden voor degene die op 1 januari 2005 in het register van allergologen zijn ingeschreven.
De titel ‘internist-allergoloog’, verbonden aan het medische specialisme ‘interne geneeskunde-allergologie’, blijft als medische specialistentitel gelden voor degene die op 1 januari 2005 in opleiding tot internist-allergoloog waren en vervolgens in het register van internist-allergologen worden ingeschreven alsmede voor degenen die op dat moment reeds in het register van internist-allergologen waren ingeschreven.
De titel ‘zenuwarts’ verbonden aan het medisch specialisme ‘zenuw- en zielsziekten’ blijft als medische specialistentitel gelden voor degenen op 1 januari 2005 in het register van zenuwartsen waren ingeschreven.
De titel ‘arts klinische chemie’, verbonden aan het medische specialisme ‘klinische chemie’, blijft als medische specialistentitel gelden voor degene die op 1 januari 2005 reeds in het register van artsen klinische chemie waren ingeschreven.
Artikel E.2. Intrekking besluiten
- De volgende besluiten worden ingetrokken:
- a. CCMS no. 2-1998 (gedeeltelijke) opleiding buiten Nederland;
- b. CCMS no. 3-1998 assistent-geneeskundige in opleiding tot klinisch onderzoeker (AGIKO);
- c. CCMS no. 1-1999 titelaanduiding medisch-specialistische geneeskunde;
- d. CCMS no. 5-1999 algemene eisen voor de opleiding van medisch specialisten;
- e. CCMS no. 2-2000 basiscursus heelkundig specialismen;
- f. CCMS no. 9-2000 inschrijving in een medisch specialistenregister van in het buitenland opgeleide medisch specialisten;
- g. CCMS no. 23-2000 buitenlandse artsen in opleiding tot medisch specialist;
- h. CCMS no. 28-2000 kwantitatieve eisen en voorwaarden inzake de herregistratie van medisch specialisten;
- i. CCMS no. 3-2001 eisen en voorwaarden voor de erkenning van opleiders en opleidingsinrichtingen;
- j. CCMS no. 2-2002 meetellen van specialistische kennis en ervaring verkregen buiten het kader van de opleiding.
- Besluit CCMS no. 3-2000 detachering van assistent-geneeskundigen wordt met ingang van 1 januari 2006 ingetrokken.
- De volgende specifieke besluiten worden ingetrokken:
- a. CCMS no. 4-1998 opleidingseisen radiotherapie;
- b. CCMS no. 5-1998 opleidingseisen oogheelkunde;
- c. CCMS no. 2-1999 opleidingseisen cardiologie;
- d. CCMS no. 3-1999 opleidingseisen cardio-thoracale chirurgie;
- e. CCMS no. 6-1999 aanpassing opleidingseisen inwendige geneeskunde;
- f. CCMS no. 8-1999 opleidingseisen klinische geriatrie;
- g. CCMS no. 5-2000 opleidingseisen pathologie;
- h. CCMS no. 7-2000 opleidingseisen psychiatrie;
- i. CCMS no. 11-2000 opleidingseisen dermatologie en venerologie;
- j. CCMS no. 12-2000 opleidingseisen heelkunde;
- k. CCMS no. 14-2000 opleidingseisen kindergeneeskunde;
- l. CCMS no. 16-2000 opleidingseisen longziekten en tuberculose;
- m. CCMS no. 17-2000 opleidingseisen medische microbiologie;
- n. CCMS no. 18-2000 opleidingseisen neurochirurgie;
- o. CCMS no. 20-2000 opleidingseisen radiologie;
- p. CCMS no. 21-2000 opleidingseisen revalidatiegeneeskunde;
- q. CCMS no. 22-2000 opleidingseisen verloskunde en gynaecologie;
- r. CCMS no. 24-2000 opleidingseisen leer van maag-darm-leverziekten;
- s. CCMS no. 26-2000 opleidingseisen reumatologie;
- t. CCMS no. 27-2000 opleidingseisen urologie;
- u. CCMS no. 1-2001 opleidingseisen neurologie;
- v. CCMS no. 2-2001 opleidingseisen nucleaire geneeskunde;
- w. CCMS no. 1-2002 opleidingseisen anesthesiologie;
- x. CCMS no. 6-2002 opleidingseisen interne geneeskunde;
- y. CCMS no. 7-2002 opleidingseisen plastische chirurgie;
- z. CCMS no. 10-2002 opleidingseisen orthopedie;
- aa. CCMS no. 3-2003 opleidingseisen keel-neus-oorheelkunde;
- bb. CCMS no. 4-2003 opleidingseisen klinische genetica.
Ingeval de datum van inwerkingtreding van een specifiek besluit, bedoeld in het derde lid, ligt na 1 januari 2005, prevaleren de bepalingen van het kaderbesluit die een nadere uitwerking in het betreffende specifieke besluit voorschrijven of toestaan.
Artikel E.3. Publicatie
Dit besluit wordt gelijktijdig met het besluit van de Minister, inhoudende de goedkeuring van dit besluit, gepubliceerd in de Staatscourant
In het officiële orgaan van de KNMG wordt mededeling gedaan van dit besluit.
Artikel E.4. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2005.
Indien de Staatscourant waarin dit besluit en het goedkeuringsbesluit, bedoeld in artikel E.3., eerste lid, worden geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 2004, treedt dit besluit in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt zij terug tot en met 1 januari 2005.
Artikel E.5. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Kaderbesluit CCMS.
Bijlage 1. Aanvullende voorschriften bij hoofdstuk B, titel II Geschillen
De leden en plaatsvervangend leden worden voor een periode van vier jaar benoemd. Zij zijn aansluitend eenmaal herbenoembaar.
Een benoeming van een lid of plaatsvervangend lid op een plaats die vacant komt terwijl de zittingstermijn van het te vervangen lid nog niet verstreken is geschiedt voor de volle, in het eerste lid genoemde termijn.
De benoeming van de leden van de CvG en de plaatsvervangend leden eindigt door:
a. het verstrijken van de benoemingstermijn, overlijden van het lid of het plaatsvervangend lid, onder curatele stelling of onder bewindstelling van het lid of het plaatsvervangend lid telkens een dag nadat een van de voornoemde omstandigheden zich heeft voorgedaan;
b. door schriftelijke opzegging door het lid of het plaatsvervangende lid tegen het einde van een kalenderjaar met inachtneming van een opzegtermijn van minimaal een maand.
Gedurende diens benoemingstermijn kan de benoeming van een lid of plaatsvervangend lid van de CvG ingetrokken of geschorst worden vanwege: a. diens beëindiging van de actieve beroeps- of functie-uitoefening; b. verandering van functie, indien deze functie mede ten grondslag lag aan de voordracht tot benoeming; c. het in diskrediet brengen van de medische stand door of vanwege zijn persoonlijke gedragingen.
Intrekking vindt schriftelijk plaats met inachtneming van een termijn van ten minste een maand.
Schorsing vindt plaats met onmiddellijke ingang voor een termijn van maximaal een jaar.
De CvG houdt zitting met zeven leden.
In afwijking van het eerste lid kan de voorzitter, indien de zaak hem daartoe geschikt voorkomt, bepalen dat de zitting wordt gehouden door de voorzitter en twee dan wel vier door hem aan te wijzen leden.
Alvorens de partij die een geschil heeft als bedoeld in artikel B.28. een verzoek indient bij de CvG legt hij het geschil binnen vier weken na het ontstaan hiervan schriftelijk aan de centrale opleidingscommissie van het betreffende ziekenhuis voor, voorzover het de competentie van de centrale opleidingscommissie, bedoeld in artikel C.13., betreft . Bij overschrijding van deze termijn neemt de centrale opleidingscommissie het geschil niet in behandeling.
De centrale opleidingscommissie kan gebruik maken van een mediator. In dat geval worden de kosten van de mediation gezamenlijk en voor gelijke delen door partijen gedragen, tenzij bij de mediation anders is overeengekomen. De centrale opleidingscommissie tracht het geschil binnen zes weken nadat het geschil aan haar is voorgelegd in der minne te schikken.
Het verzoek wordt binnen twee weken na het verstrijken van de termijn van zes weken, bedoeld in het tweede lid, bij de CvG ingediend in de vorm van een verzoekschrift. Bij overschrijding van deze termijn neemt de CvG het verzoekschrift niet in behandeling.
Voorzover het geschil betrekking heeft op een genomen besluit, hebben de volgende omstandigheden opschortende werking ten aanzien van dat besluit: a. het voorleggen van het geschil aan de centrale opleidingscommissie, bedoeld in het eerste lid; b. de mediation, bedoeld in het tweede lid; c. het indienen van een verzoekschrift bij de CvG; d. het binnen twee weken na het besluit van de CvG vragen om een voorlopige voorziening aan dan wel starten van een kort geding bij de rechter.
Een verzoekschrift kan mondeling worden ingetrokken tijdens een hoorzitting. Totdat de CvG uitspraak doet kan een verzoekschrift schriftelijk worden ingetrokken.
Het verzoekschrift wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van het geschil waarop het verzoekschrift zich richt; d. de gronden van het verzoek.
Bij het verzoekschrift worden voorzover mogelijk alle relevante stukken waarop het geschil betrekking heeft overgelegd.
Een verzoekschrift is tijdig ingediend indien het voor de termijn, bedoeld in de artikel 5., derde lid is ontvangen door de CvG.
Bij verzending per post is een verzoekschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn per post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
De secretaris van de CvG informeert alle betrokken partijen onverwijld omtrent de behandeling van het verzoekschrift verzoekschrift en stuurt aan hen de op het verzoekschrift betrekking hebbende stukken toe.
Indien niet is voldaan aan de in dit besluit gestelde eisen voor het in behandeling nemen van het verzoekschrift, kan dit niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe door de CvG gestelde termijn.
Ten aanzien van een verzoekschrift dat is ingediend na afloop van de termijn bedoeld in het eerste lid, blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
De voorzitter van de CvG bepaalt plaats en tijdstip van de zitting waarin partijen in de gelegenheid worden gesteld zich door de CvG te doen horen.
Van het horen van partijen kan worden afgezien indien: a. het verzoekschrift kennelijk nietontvankelijk is; b. het verzoekschrift kennelijk ongegrond is; c. partijen hebben verklaard geen gebruik te willen maken van het recht om te worden gehoord.
De CvG deelt de partijen ten minste drie weken voor de zitting schriftelijk mee, dat zij in de gelegenheid worden gesteld zich tijdens de zitting te doen horen.
Partijen kunnen zich tijdens de zitting laten bijstaan of vertegenwoordigen. De vertegenwoordiger is bij de behandeling van het verzoekschrift bij de hoorzitting voorzien van een schriftelijke lastgeving, tenzij de advocaat of procureur is ingeschreven dan wel de betreffende partij zelf met hem op de hoorzitting verschijnt.
De CvG hoort de partijen binnen vier weken na ontvangst van het verzoekschrift en doet vervolgens binnen zes weken een uitspraak.
De CvG kan de uitspraak voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan aan partijen.
Tot tien dagen voor het horen kunnen de bij het geschil betrokken partijen nadere stukken indienen.
Partijen worden in elkaars aanwezigheid gehoord, waarbij hoor en wederhoor wordt toegepast.
Van het horen wordt een verslag gemaakt.
Op verzoek van de bij het geschil betrokken partijen kunnen door hen meegebrachte getuigen en deskundigen worden gehoord. De wederpartij wordt hiervan ten minste vijf dagen voor de zitting op de hoogte gesteld.
De voorzitter van de CvG kan uit eigen beweging of op verlangen van de CvG bij deskundigen advies of inlichtingen inwinnen en deze zonodig uitnodigen daartoe ter zitting te verschijnen. Partijen worden hiervan ten minste vijf dagen voor de zitting op de hoogte gesteld.
De zitting van de CvG is openbaar.
Indien de voorzitter van de CvG of één van de aanwezige leden het nodig oordeelt of indien een belanghebbende daartoe een gemotiveerd verzoek doet kan de voorzitter bepalen dat de zitting achter gesloten deuren plaatsvindt.
In het verslag, bedoeld in artikel 11., derde lid, worden de namen vermeld van de aanwezigen en hun hoedanigheid.
Het verslag houdt een korte beschrijving in van hetgeen over en weer is gezegd en ter zitting is voorgevallen.
Het verslag verwijst naar de op de zitting overgelegde bescheiden, die aan het verslag worden gehecht.
Het verslag wordt ondertekend door de voorzitter en de secretaris van de CvG.
Na afloop van de zitting kan de voorzitter van de CvG uit eigen beweging of op verzoek van de CvG nader onderzoek houden.
De uit het onderzoek verkregen informatie wordt in afschrift aan de leden van de CvG, aan de indiener van het verzoekschrift en de andere betrokken partijen gezonden.
De leden van de CvG, de indiener van het verzoekschrift en de andere partijen kunnen binnen een week na verzending van de informatie, bedoeld in het tweede lid, aan de voorzitter van de CvG een verzoek richten tot het beleggen van een nieuwe hoorzitting. De voorzitter beslist omtrent een dergelijk verzoek.
Op een nieuwe hoorzitting als bedoeld in het derde lid, zijn de artikelen 10. tot en met 13. van overeenkomstige toepassing.
Indien de voorzitter een verzoek als bedoeld in het derde lid afwijst, stelt de CvG partijen in de gelegenheid binnen twee weken schriftelijk te reageren op de uit het onderzoek verkregen informatie. De secretaris van de CvG verzendt de schriftelijke reacties in afschrift aan de leden van de CvG en de bij het geschil betrokken partijen.
Wanneer na het horen aan de CvG feiten en omstandigheden bekend worden die voor de uitspraak van aanmerkelijk belang kunnen zijn, wordt dit aan de indiener van het verzoekschrift en de andere betrokken partijen meegedeeld en worden partijen in de gelegenheid gesteld daarover te worden gehoord.
De CvG beraadslaagt en beslist achter gesloten deuren en doet uitspraak.
De CvG beslist bij meerderheid van stemmen over de door haar uit te brengen uitspraak.
De uitspraak naar aanleiding van het verzoekschrift berust op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de uitspraak wordt vermeld.
De uitspraak wordt door de voorzitter en de secretaris van de CvG ondertekend.
De indiener van het verzoekschrift en andere betrokken partijen ontvangen een exemplaar van de uitspraak.
Artikel A.7. Doorwerking toekomstige wijzigingen EG-regelgeving
Een wijziging van Richtlijn 2005/36/EG gaat voor de toepassing van dit besluit gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
Hoofdstuk B. De opleiding
Titel I. Opleidingseisen
Paragraaf I-A. Algemeen
Paragraaf I-B. Bijzondere bepalingen
Paragraaf I-C. Opleiding en klinisch wetenschappelijk onderzoek
Paragraaf I-D. De stage
Paragraaf I-E. Gedeeltelijke opleiding buiten Nederland
Titel II. Geschillen
Hoofdstuk C. De erkenning tot opleider en opleidingsinrichting
Titel I. De opleider, de plaatsvervangend opleider en de stageopleider
Paragraaf I-A. Eisen voor erkenning van de medisch specialist tot opleider
Paragraaf I-B. Verplichtingen van de opleider
Paragraaf I-C. De plaatsvervangend opleider en de waarnemer
Paragraaf I-D. De stageopleider
Titel II. De opleidingsinrichting
Paragraaf II-A. Eisen voor de erkenning van de inrichting tot opleidingsinrichting voor de totale opleiding op één locatie
Paragraaf II-B. Aanvullende eisen voor de erkenning van de inrichting tot opleidingsinrichting voor de totale opleiding op meerdere locaties
Paragraaf II-C. Verplichtingen voor de opleidingsinrichting voor de totale opleiding op één locatie
Paragraaf II-D. Aanvullende verplichtingen voor de opleidingsinrichting op meerdere locaties
Paragraaf II-E. De opleidingsinrichting voor een gedeelte van de opleiding of een stage
Titel III. Procedure erkenning opleider, plaatsvervangend opleider, stageopleider en opleidingsinrichting
Hoofdstuk D. De registratie en herregistratie van medisch specialisten
Titel I. Inschrijving
Titel II. Registratie
Paragraaf II-A. Aanvraag registratie
Paragraaf II-B. Beoordelingsstage
Paragraaf II-C. Individueel scholingsprogramma
Titel III. Herregistratie
Hoofdstuk E. Overige bepalingen
Bijlage 1. Aanvullende voorschriften bij hoofdstuk B, titel II Geschillen
De leden en plaatsvervangend leden worden voor een periode van vier jaar benoemd. Zij zijn aansluitend eenmaal herbenoembaar.
Een benoeming van een lid of plaatsvervangend lid op een plaats die vacant komt terwijl de zittingstermijn van het te vervangen lid nog niet verstreken is geschiedt voor de volle, in het eerste lid genoemde termijn.
De benoeming van de leden van de CvG en de plaatsvervangend leden eindigt door:
a. het verstrijken van de benoemingstermijn, overlijden van het lid of het plaatsvervangend lid, onder curatele stelling of onder bewindstelling van het lid of het plaatsvervangend lid telkens een dag nadat een van de voornoemde omstandigheden zich heeft voorgedaan;
b. door schriftelijke opzegging door het lid of het plaatsvervangende lid tegen het einde van een kalenderjaar met inachtneming van een opzegtermijn van minimaal een maand.
Gedurende diens benoemingstermijn kan de benoeming van een lid of plaatsvervangend lid van de CvG ingetrokken of geschorst worden vanwege: a. diens beëindiging van de actieve beroeps- of functie-uitoefening; b. verandering van functie, indien deze functie mede ten grondslag lag aan de voordracht tot benoeming; c. het in diskrediet brengen van de medische stand door of vanwege zijn persoonlijke gedragingen.
Intrekking vindt schriftelijk plaats met inachtneming van een termijn van ten minste een maand.
Schorsing vindt plaats met onmiddellijke ingang voor een termijn van maximaal een jaar.
De CvG houdt zitting met zeven leden.
In afwijking van het eerste lid kan de voorzitter, indien de zaak hem daartoe geschikt voorkomt, bepalen dat de zitting wordt gehouden door de voorzitter en twee dan wel vier door hem aan te wijzen leden.
Alvorens de partij die een geschil heeft als bedoeld in artikel B.28. een verzoek indient bij de CvG legt hij het geschil binnen vier weken na het ontstaan hiervan schriftelijk aan de centrale opleidingscommissie van het betreffende ziekenhuis voor, voorzover het de competentie van de centrale opleidingscommissie, bedoeld in artikel C.13., betreft . Bij overschrijding van deze termijn neemt de centrale opleidingscommissie het geschil niet in behandeling.
De centrale opleidingscommissie kan gebruik maken van een mediator. In dat geval worden de kosten van de mediation gezamenlijk en voor gelijke delen door partijen gedragen, tenzij bij de mediation anders is overeengekomen. De centrale opleidingscommissie tracht het geschil binnen zes weken nadat het geschil aan haar is voorgelegd in der minne te schikken.
Het verzoek wordt binnen twee weken na het verstrijken van de termijn van zes weken, bedoeld in het tweede lid, bij de CvG ingediend in de vorm van een verzoekschrift. Bij overschrijding van deze termijn neemt de CvG het verzoekschrift niet in behandeling.
Voorzover het geschil betrekking heeft op een genomen besluit, hebben de volgende omstandigheden opschortende werking ten aanzien van dat besluit: a. het voorleggen van het geschil aan de centrale opleidingscommissie, bedoeld in het eerste lid; b. de mediation, bedoeld in het tweede lid; c. het indienen van een verzoekschrift bij de CvG; d. het binnen twee weken na het besluit van de CvG vragen om een voorlopige voorziening aan dan wel starten van een kort geding bij de rechter.
Een verzoekschrift kan mondeling worden ingetrokken tijdens een hoorzitting. Totdat de CvG uitspraak doet kan een verzoekschrift schriftelijk worden ingetrokken.
Het verzoekschrift wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van het geschil waarop het verzoekschrift zich richt; d. de gronden van het verzoek.
Bij het verzoekschrift worden voorzover mogelijk alle relevante stukken waarop het geschil betrekking heeft overgelegd.
Een verzoekschrift is tijdig ingediend indien het voor de termijn, bedoeld in de artikel 5., derde lid is ontvangen door de CvG.
Bij verzending per post is een verzoekschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn per post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
De secretaris van de CvG informeert alle betrokken partijen onverwijld omtrent de behandeling van het verzoekschrift verzoekschrift en stuurt aan hen de op het verzoekschrift betrekking hebbende stukken toe.
Indien niet is voldaan aan de in dit besluit gestelde eisen voor het in behandeling nemen van het verzoekschrift, kan dit niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe door de CvG gestelde termijn.
Ten aanzien van een verzoekschrift dat is ingediend na afloop van de termijn bedoeld in het eerste lid, blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
De voorzitter van de CvG bepaalt plaats en tijdstip van de zitting waarin partijen in de gelegenheid worden gesteld zich door de CvG te doen horen.
Van het horen van partijen kan worden afgezien indien: a. het verzoekschrift kennelijk nietontvankelijk is; b. het verzoekschrift kennelijk ongegrond is; c. partijen hebben verklaard geen gebruik te willen maken van het recht om te worden gehoord.
De CvG deelt de partijen ten minste drie weken voor de zitting schriftelijk mee, dat zij in de gelegenheid worden gesteld zich tijdens de zitting te doen horen.
Partijen kunnen zich tijdens de zitting laten bijstaan of vertegenwoordigen. De vertegenwoordiger is bij de behandeling van het verzoekschrift bij de hoorzitting voorzien van een schriftelijke lastgeving, tenzij de advocaat of procureur is ingeschreven dan wel de betreffende partij zelf met hem op de hoorzitting verschijnt.
De CvG hoort de partijen binnen vier weken na ontvangst van het verzoekschrift en doet vervolgens binnen zes weken een uitspraak.
De CvG kan de uitspraak voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan aan partijen.
Tot tien dagen voor het horen kunnen de bij het geschil betrokken partijen nadere stukken indienen.
Partijen worden in elkaars aanwezigheid gehoord, waarbij hoor en wederhoor wordt toegepast.
Van het horen wordt een verslag gemaakt.
Op verzoek van de bij het geschil betrokken partijen kunnen door hen meegebrachte getuigen en deskundigen worden gehoord. De wederpartij wordt hiervan ten minste vijf dagen voor de zitting op de hoogte gesteld.
De voorzitter van de CvG kan uit eigen beweging of op verlangen van de CvG bij deskundigen advies of inlichtingen inwinnen en deze zonodig uitnodigen daartoe ter zitting te verschijnen. Partijen worden hiervan ten minste vijf dagen voor de zitting op de hoogte gesteld.
De zitting van de CvG is openbaar.
Indien de voorzitter van de CvG of één van de aanwezige leden het nodig oordeelt of indien een belanghebbende daartoe een gemotiveerd verzoek doet kan de voorzitter bepalen dat de zitting achter gesloten deuren plaatsvindt.
In het verslag, bedoeld in artikel 11., derde lid, worden de namen vermeld van de aanwezigen en hun hoedanigheid.
Het verslag houdt een korte beschrijving in van hetgeen over en weer is gezegd en ter zitting is voorgevallen.
Het verslag verwijst naar de op de zitting overgelegde bescheiden, die aan het verslag worden gehecht.
Het verslag wordt ondertekend door de voorzitter en de secretaris van de CvG.
Na afloop van de zitting kan de voorzitter van de CvG uit eigen beweging of op verzoek van de CvG nader onderzoek houden.
De uit het onderzoek verkregen informatie wordt in afschrift aan de leden van de CvG, aan de indiener van het verzoekschrift en de andere betrokken partijen gezonden.
De leden van de CvG, de indiener van het verzoekschrift en de andere partijen kunnen binnen een week na verzending van de informatie, bedoeld in het tweede lid, aan de voorzitter van de CvG een verzoek richten tot het beleggen van een nieuwe hoorzitting. De voorzitter beslist omtrent een dergelijk verzoek.
Op een nieuwe hoorzitting als bedoeld in het derde lid, zijn de artikelen 10. tot en met 13. van overeenkomstige toepassing.
Indien de voorzitter een verzoek als bedoeld in het derde lid afwijst, stelt de CvG partijen in de gelegenheid binnen twee weken schriftelijk te reageren op de uit het onderzoek verkregen informatie. De secretaris van de CvG verzendt de schriftelijke reacties in afschrift aan de leden van de CvG en de bij het geschil betrokken partijen.
Wanneer na het horen aan de CvG feiten en omstandigheden bekend worden die voor de uitspraak van aanmerkelijk belang kunnen zijn, wordt dit aan de indiener van het verzoekschrift en de andere betrokken partijen meegedeeld en worden partijen in de gelegenheid gesteld daarover te worden gehoord.
De CvG beraadslaagt en beslist achter gesloten deuren en doet uitspraak.
De CvG beslist bij meerderheid van stemmen over de door haar uit te brengen uitspraak.
De uitspraak naar aanleiding van het verzoekschrift berust op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de uitspraak wordt vermeld.
De uitspraak wordt door de voorzitter en de secretaris van de CvG ondertekend.
De indiener van het verzoekschrift en andere betrokken partijen ontvangen een exemplaar van de uitspraak.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)