Wijzigingsgeschiedenis

Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 12 december 2013, nr. HO&S/558908, inzake de aanvullende voorziening reisrecht op grond van artikel 11.5 Wet studiefinanciering 2000

6 versions · 2024-09-01
2024-09-01
Beleidsregel inzake aanvullende voorziening reisrecht ex artikel 11.5 W

Wijzigingen op 2024-09-01

@@ -12,43 +12,45 @@
- c. **uitwonende mbo-student:** mbo-student die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in [artikel 1.5 van de WSF 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=1.5),
- d. **ho-student:** degene die hoger onderwijs volgt, niet zijnde extraneus,
- d. **thuiswonende ho-student:** ho-student die niet een uitwonende ho-student is, niet zijnde extraneus,
- e. **student:** thuis- en uitwonende mbo-student of ho-student,
- e. **uitwonende ho-student:** ho-student die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in [artikel 1.5 van de WSF 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=1.5), niet zijnde extraneus,
- f. **adres van de onderwijsinstelling:** het adres waar de student daadwerkelijk aan het onderwijs deelneemt,
- f. **student:** thuis- en uitwonende mbo-student of thuis- en uitwonende ho-student,
- g. **stageadres:** het adres waar de student daadwerkelijk zijn stage vervult,
- g. **adres van de onderwijsinstelling:** het adres waar de student daadwerkelijk aan het onderwijs deelneemt,
- h. **woonadres:** adres waaronder de student in de basisregistratie personen staat ingeschreven.
- h. **stageadres:** het adres waar de student daadwerkelijk zijn stage vervult,
2. In afwijking van het eerste lid wordt onder thuiswonende, onderscheidenlijk uitwonende mbo-student eveneens verstaan de thuiswonende, onderscheidenlijk uitwonende ho-student die op grond van [artikel 12.14 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=12.14) nog een basisbeurs ontvangt voor een thuiswonende of uitwonende ho-student.
- i. **woonadres:** adres waaronder de student in de basisregistratie personen staat ingeschreven.
2. Vervallen.
##### Artikel 2. Doelgroepen
1. Op verzoek van een thuiswonende mbo-student, die kan aantonen dat hij voor het verkeer tussen het woonadres en het adres van de onderwijsinstelling waarbij hij is ingeschreven of het stageadres voor het vervoer als voetganger op een pontveer per maand meer dan € 30,– moet besteden, kan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het meerdere vergoeden.
1. Op verzoek van een thuiswonende mbo- of thuiswonende ho-student, die kan aantonen dat hij voor het verkeer tussen het woonadres en het adres van de onderwijsinstelling waarbij hij is ingeschreven of het stageadres voor het vervoer als voetganger op een pontveer per maand meer dan € 30,– moet besteden, kan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het meerdere vergoeden.
2. Op verzoek van een uitwonende mbo-student, die kan aantonen dat hij voor het verkeer tussen het woonadres en het stageadres voor het vervoer als voetganger op een pontveer per maand meer dan € 30,– moet besteden, kan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het meerdere vergoeden.
2. Op verzoek van een uitwonende mbo- of uitwonende ho-student, die kan aantonen dat hij voor het verkeer tussen het woonadres en het stageadres voor het vervoer als voetganger op een pontveer per maand meer dan € 30,– moet besteden, kan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het meerdere vergoeden.
3. Op verzoek van een ho-student, die kan aantonen dat hij voor het verkeer tussen het woonadres en het adres van de onderwijsinstelling waarbij hij is ingeschreven of het stageadres voor het vervoer als voetganger op een pontveer per maand meer dan € 30,– moet besteden, kan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het meerdere vergoeden.
3. Op verzoek van een thuiswonende mbo- of thuiswonende ho-student, die kan aantonen dat hij de onderwijsinstelling, waarbij hij is ingeschreven, of het stageadres, met gebruikmaking van het openbaar vervoer niet of niet tijdig kan bereiken of met gebruikmaking van het openbaar vervoer niet meer thuis kan komen, kan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een tegemoetkoming toekennen gelijk aan het bedrag, bedoeld in [artikel 5.3, eerste lid, van de WSF 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=5.3).
4. Op verzoek van een thuiswonende mbo-student, die kan aantonen dat hij de onderwijsinstelling, waarbij hij is ingeschreven, of het stageadres, met gebruikmaking van het openbaar vervoer niet of niet tijdig kan bereiken of met gebruikmaking van het openbaar vervoer niet meer thuis kan komen, kan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een tegemoetkoming toekennen gelijk aan het bedrag, bedoeld in [artikel 5.3, eerste lid, van de WSF 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=5.3).
4. Op verzoek van een uitwonende mbo- of uitwonende ho-student, die kan aantonen dat hij het stageadres met gebruikmaking van het openbaar vervoer niet of niet tijdig kan bereiken of met gebruikmaking van het openbaar vervoer niet meer thuis kan komen, kan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een tegemoetkoming toekennen gelijk aan het bedrag, bedoeld in [artikel 5.3, eerste lid, van de WSF 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=5.3).
5. Op verzoek van een uitwonende mbo-student, die kan aantonen dat hij het stageadres met gebruikmaking van het openbaar vervoer niet of niet tijdig kan bereiken of met gebruikmaking van het openbaar vervoer niet meer thuis kan komen, kan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een tegemoetkoming toekennen gelijk aan het bedrag, bedoeld in [artikel 5.3, eerste lid, van de WSF 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=5.3).
5. Het derde en het vierde lid zijn niet van toepassing indien de afstand tussen het adres van de onderwijsinstelling of het stageadres en het woonadres van de student minder dan 10 kilometer bedraagt.
6. Op verzoek van een ho-student, die kan aantonen dat hij de onderwijsinstelling, waarbij hij is ingeschreven of het stageadres, met gebruikmaking van het openbaar vervoer niet of niet tijdig kan bereiken of met gebruikmaking van het openbaar vervoer niet meer thuis kan komen, kan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een tegemoetkoming toekennen gelijk aan het bedrag, bedoeld in [artikel 5.3, eerste lid, van de WSF 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=5.3).
7. Het vierde tot en met zesde lid zijn niet van toepassing indien de afstand tussen het adres van de onderwijsinstelling of het stageadres en het woonadres van de student minder dan 10 kilometer bedraagt.
6. In afwijking van [artikel 1, onder h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034495&artikel=1&z=2024-09-01&g=2024-09-01), zijn het derde tot en met vijfde lid ook van toepassing op studenten die een woonadres in het buitenland hebben.
##### Artikel 3. Reikwijdte
1. De situatie waarin de student met gebruikmaking van het openbaar vervoer de onderwijsinstelling of het stageadres niet tijdig kan bereiken of niet meer thuis kan komen, moet zich ten minste twaalf dagen per maand voordoen. De situatie dat een student op één en dezelfde dag, met gebruikmaking van het openbaar vervoer, zowel het adres van de onderwijsinstelling of het stageadres niet tijdig kan bereiken dan wel niet meer tijdig kan thuiskomen, telt als één dag.
1. De student komt in aanmerking voor een aanvullende voorziening als bedoeld in deze beleidsregel voor zover de student aanspraak maakt op een reisrecht als bedoeld in [artikel 3.7 van de WSF 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=3.7).
2. De onderwijsinstelling of het stageadres wordt geacht niet tijdig bereikbaar te zijn, indien, conform de dienstregeling, de eerste verbinding met het openbaar vervoer voor dit verkeer te laat aanvangt, gerekend vanaf een halte die of een station dat zich bevindt binnen een aanvaardbare reisafstand van het woonadres.
2. De situatie waarin de student met gebruikmaking van het openbaar vervoer de onderwijsinstelling of het stageadres niet tijdig kan bereiken of niet meer thuis kan komen, moet zich ten minste twaalf dagen per maand voordoen. De situatie dat een student op één en dezelfde dag, met gebruikmaking van het openbaar vervoer, zowel het adres van de onderwijsinstelling of het stageadres niet tijdig kan bereiken dan wel niet meer tijdig kan thuiskomen, telt als één dag.
3. Een halte die of een station dat ligt op een afstand van maximaal 10 kilometer van het woonadres wordt geacht zich te bevinden binnen een aanvaardbare reisafstand van het woonadres.
3. De onderwijsinstelling of het stageadres wordt geacht niet tijdig bereikbaar te zijn, indien, conform de dienstregeling, de eerste verbinding met het openbaar vervoer voor dit verkeer te laat aanvangt, gerekend vanaf een halte die of een station dat zich bevindt binnen een aanvaardbare reisafstand van het woonadres.
4. De stage moet een verplicht karakter hebben en de student moet geen keuze hebben gehad ten aanzien van de locatie van de stageplaats of ten aanzien van de werktijden.
4. Een halte die of een station dat ligt op een afstand van maximaal 10 kilometer van het woonadres wordt geacht zich te bevinden binnen een aanvaardbare reisafstand van het woonadres.
5. De stage moet een verplicht karakter hebben en de student moet geen keuze hebben gehad ten aanzien van de locatie van de stageplaats of ten aanzien van de werktijden.
##### Artikel 4. Het verzoek
@@ -62,14 +64,14 @@
##### Artikel 3a. Vorm aanvullende voorziening
1. De aanvullende voorziening, bedoeld in [artikel 2, eerste, tweede, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034495&artikel=2&z=2020-11-25&g=2020-11-25), wordt voor een mbo-student die een opleiding niveau 1 of 2 volgt, toegekend in de vorm van een gift overeenkomstig [artikel 4.2 van de WSF 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=4.2).
1. De aanvullende voorziening, bedoeld in [artikel 2, eerste tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034495&artikel=2&z=2024-09-01&g=2024-09-01), wordt voor een mbo-student die een opleiding niveau 1 of 2 volgt, toegekend in de vorm van een gift overeenkomstig [artikel 4.2 van de WSF 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=4.2).
2. De aanvullende voorziening, bedoeld in [artikel 2, eerste, tweede, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034495&artikel=2&z=2020-11-25&g=2020-11-25), wordt voor een mbo-student die een opleiding niveau 3 of 4 volgt, toegekend in de vorm van een prestatiebeurs overeenkomstig [artikel 4.6a van de WSF 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=4.6a).
2. De aanvullende voorziening, bedoeld in [artikel 2, eerste tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034495&artikel=2&z=2024-09-01&g=2024-09-01), wordt voor een mbo-student die een opleiding niveau 3 of 4 volgt, toegekend in de vorm van een prestatiebeurs overeenkomstig [artikel 4.6a van de WSF 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=4.6a).
3. De aanvullende voorziening, bedoeld in [artikel 2, derde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034495&artikel=2&z=2020-11-25&g=2020-11-25), wordt toegekend overeenkomstig [artikel 5.1 van de WSF 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=5.1).
3. De aanvullende voorziening, bedoeld in [artikel 2, eerste tot en met vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034495&artikel=2&z=2024-09-01&g=2024-09-01), wordt voor een ho-student toegekend overeenkomstig [artikel 5.1 van de WSF 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=5.1).
##### Artikel 4a. Overgangsrecht
Op een student die vóór de inwerkingtreding van de beleidsregel houdende wijziging van de beleidsregel inzake aanvullende voorziening reisrecht ex [artikel 11.5 Wet studiefinanciering 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=11.5) met het oog op aanpassing en verduidelijking van de systematiek reeds een aanvullende voorziening als bedoeld in [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034495&artikel=2&z=2020-11-25&g=2020-11-25) heeft aangevraagd, blijft het door DUO uitgevoerde beleid, zoals dat luidde vóór het tijdstip van inwerkingtreding van die beleidsregel van toepassing.
Op een ho-student die voor de periode na 1 september 2015 studiefinanciering toegekend heeft gekregen en op 1 september 2024 geen aanspraak meer maakt op een basisbeurs, maar wel aanspraak maakt op een reisrecht als bedoeld in [artikel 3.7 van de WSF 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=3.7), blijven [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034495&artikel=1&z=2024-09-01&g=2024-09-01) en [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034495&artikel=2&z=2024-09-01&g=2024-09-01), zoals die luidden op 31 augustus 2024, van toepassing.
Deze beleidsregel zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
2020-11-25
Beleidsregel inzake aanvullende voorziening reisrecht ex artikel 11.5 W
2017-09-01
Beleidsregel inzake aanvullende voorziening reisrecht ex artikel 11.5 W
2015-09-01
Beleidsregel inzake aanvullende voorziening reisrecht ex artikel 11.5 W
2014-01-01
Beleidsregel inzake aanvullende voorziening reisrecht ex artikel 11.5 W
2014-01-01
Beleidsregel inzake aanvullende voorziening reisrecht ex artikel 11.
original version Tekst op deze datum