Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 23 juni 2014, nr. WJZ / 14101632, houdende regels voor diergeneeskundigen (Regeling diergeneeskundigen)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-01-01
Laatst bijgewerkt 2026-08-31
State In force
Source BWB
artikelen 112
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Het bedrijfsbehandelplan bevat:

  • b. de naam van de houder voor wie het plan wordt opgesteld;
  • c. het unieke registratienummer, bedoeld in artikel 93, slot, van verordening (EU) nr. 2016/429, of het unieke erkenningsnummer, bedoeld in artikel 2, onderdeel 16, van verordening (EU) nr. 2019/2035 dat aan de inrichting waarop de dieren worden gehouden is toegekend;
  • d. de datum van opstellen van het plan;
  • e. een overzicht dat specifiek is voor een bedrijf, waarin aandoeningen en ziektes zijn opgenomen die voorkomen of waarvan het aannemelijk is dat deze voor kunnen komen bij de dieren en waarbij is weergegeven op welke wijze de aandoeningen en ziektes worden behandeld.
Artikel 5.18. Aanvullende eisen bedrijfsbehandelplan kippen en kalkoenen
1.

Indien het bedrijfsbehandelplan wordt opgesteld voor een houder van kippen of kalkoenen, bevat het plan ook het unieke subregistratienummer, bedoeld in artikel 5a.1, derde lid, van de Regeling houders van dieren, dat aan de inrichting is toegekend voor het doel waarvoor het koppel wordt gehouden.

2.

Indien het bedrijfsbehandelplan wordt opgesteld voor een houder van kippen of kalkoenen, omvat het overzicht, bedoeld in artikel 5.17, onderdeel e, ten minste de volgende onderdelen:

  • a. vaccinatieschema’s;
  • b. afspraken over het beoordelen van de effectiviteit van een behandeling.
3.

Indien het bedrijfsbehandelplan wordt opgesteld voor een houder van kippen of kalkoenen, omvat het overzicht, bedoeld in artikel 5.17, onderdeel e, per behandeling van een ziekte of aandoening ten minste de volgende onderdelen:

  • a. naam en registratienummer van het diergeneesmiddel;
  • b. de noodzaak tot het uitvoeren van een bacteriologisch onderzoek of gevoeligheidsbepaling.
4.

In afwijking van het derde lid kunnen de gegevens, genoemd in het derde lid, onderdeel a, worden vervangen door de werkzame stof, mits de gegevens, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, in een bijlage bij het plan, bedoeld in het derde lid, worden opgenomen.

Artikel 5.19. Aanvullende eisen bedrijfsbehandelplan runderen

Indien het bedrijfsbehandelplan wordt opgesteld voor een houder van runderen, omvat het overzicht, bedoeld in artikel 5.17, onderdeel e, per behandeling van een ziekte of aandoening ten minste de volgende onderdelen:

  • a. naam en registratienummer van het diergeneesmiddel;
  • b. dosering;
  • c. toedieningswijze;
  • d. toedieningsfrequentie;
  • e. behandelduur;
  • f. wachttijden.
Artikel 5.20. Aanvullende eisen bedrijfsbehandelplan kalveren

Indien het bedrijfsbehandelplan wordt opgesteld voor een houder van kalveren, omvat het overzicht, bedoeld in artikel 5.17, onderdeel e, een behandeling met maximaal vier in voorkeursvolgorde weergegeven werkzame stoffen van ten minste de volgende ziektes of aandoeningen:

  • a. diarree;
  • b. luchtweginfectie;
  • c. gewrichtsontsteking;
  • d. navelontsteking;
  • e. oorontsteking;
  • f. ectoparasieten.
Artikel 5.21. Aanvullende eisen bedrijfsbehandelplan varkens
1.

Indien het bedrijfsbehandelplan wordt opgesteld voor een houder van varkens, omvat het overzicht, bedoeld in artikel 5.17, onderdeel e, ten minste de volgende onderdelen:

  • a. per behandeling van een ziekte of aandoening:
  • 1°. naam en registratienummer van het diergeneesmiddel;
  • 2°. dosering;
  • 3°. behandelduur;
  • 4°. wachttijden.
  • b. vaccinatieschema’s.
2.

In afwijking van het eerste lid kunnen de gegevens, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, worden vervangen door de werkzame stof, mits de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, in een bijlage bij het plan, bedoeld in het eerste lid, worden opgenomen.

Artikel 5.22. Evaluatie bedrijfsgezondheidsplan en bedrijfsbehandelplan
1.

De dierenarts die het bedrijfsgezondheidsplan en het bedrijfsbehandelplan heeft opgesteld, evalueert deze plannen jaarlijks in overleg met de houder, bedoeld in artikel 1.28, eerste lid, van het Besluit houders van dieren, en past de plannen, indien nodig, aan.

2.

De dierenarts maakt een verslag van de evaluatie.

Hoofdstuk 6. Vergoedingen leden veterinaire tuchtcolleges

Artikel 6.1. Vergoedingen leden veterinair tuchtcollege
1.

Aan de voorzitter van het veterinair tuchtcollege wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op 20% van het maximum overeenkomstig schaal 15 als overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst die is gesloten voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn.

2.

Aan de overige leden en hun plaatsvervangers van het veterinair tuchtcollege wordt een vergoeding per eindbeslissing toegekend van € 95.

Artikel 6.2. Vergoeding leden veterinair beroepscollege
1.

Aan de voorzitter van het veterinair beroepscollege wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op 10% van het maximum overeenkomstig schaal 17 als overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst die is gesloten voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn.

2.

Aan de overige leden en hun plaatsvervangers van het veterinair beroepscollege wordt een vergoeding per eindbeslissing toegekend van € 95.

Artikel 6.3. Vergoedingen bijzondere omstandigheden
1.

Indien een bij het veterinair tuchtcollege of het veterinair beroepscollege aanhangig gemaakte zaak vijf werkdagen of minder voorafgaand aan de zitting wordt ingetrokken, wordt aan de personen bedoeld in de artikelen 6.1, tweede lid, en 6.2, tweede lid, een vergoeding toegekend van € 50.

2.

Aan personen als bedoeld in de artikelen 6.1, tweede lid, en 6.2, tweede lid, tegen wie vijf werkdagen of minder voorafgaand aan de zitting een wrakingsverzoek wordt ingediend, wordt een vergoeding toegekend van € 50 indien het wrakingsverzoek is toegewezen.

3.

Aan personen als bedoeld in de artikelen 6.1, tweede lid, en 6.2, tweede lid, tegen wie op of na de zitting een wrakingsverzoek wordt ingediend, wordt een vergoeding toegekend van € 80 indien het wrakingsverzoek wordt toegewezen.

4.

Aan personen als bedoeld in de artikelen 6.1, tweede lid, en 6.2, tweede lid, die tijdens de behandeling van een zaak een verschoningsverzoek hebben gedaan en in die zaak worden vervangen, wordt een vergoeding toegekend van € 50.

Artikel 6.4. Declaratietermijn

Degene die op grond van de artikelen 6.1, 6.2, en 6.3 in aanmerking komt voor een vergoeding dient daarvoor binnen drie maanden na de datum van de eindbeslissing, bedoeld in artikel 1, een declaratie in bij de minister.

Artikel 6.5. Vergoeding reis- en verblijfkosten

Aan de voorzitter, de overige leden en hun plaatsvervangers worden reis- en verblijfskosten toegekend overeenkomstig hetgeen daarover is overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst die is gesloten voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn op basis van declaratie achteraf.

Hoofdstuk 7. Overige bepalingen

Artikel 7.1. Wijziging Regeling diergeneesmiddelen

Wijzigt de Regeling diergeneesmiddelen.

Artikel 7.2. Vrijstelling handmatig identificeren varkens met een merk

Vervallen

Artikel 7.3. Vrijstelling snavelbehandeling pluimvee
1.

Van het verbod, bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, van de wet en voor zover wordt voldaan aan artikel 2.7, eerste lid, van het besluit, wordt tot 1 januari 2019 vrijstelling verleend voor het verkorten van de boven- of ondersnavel bij kalkoenen en kippen, mits:

  • a. de ingreep is verricht wanneer het dier jonger is dan tien dagen;
  • b. de ingreep dient ter voorkoming van pikkerij en kannibalisme;
  • c. het dier gehouden wordt of aantoonbaar bestemd is om te worden gehouden in een huisvestingssysteem waarin de kippen of kalkoenen zich vrijelijk over de vloer van de stal of op en naar verschillende niveaus van de stal kunnen bewegen of in een aangepast kooihuisvestingssysteem, en
  • d. gebruik gemaakt wordt van de infraroodmethode om de snavels te verkorten, met uitzondering van de gevallen waarin het dier is geïmporteerd en waarvan in het land van herkomst de snavel niet is verkort of het dier nakomeling is van een jong moederdier.
2.

In afwijking van het eerste lid, aanhef, geldt de vrijstelling voor:

  • a. dieren die dienen als moederdieren van trager groeiende vleeskuikens tot 1 september 2026; en
  • b. dieren die dienen als legouderdieren of (over)grootouderdieren, eendagskuikens van kippen bestemd voor de export of kalkoenen tot 1 september 2028.
3.

In afwijking van het eerste lid, aanhef, geldt de vrijstelling voor pluimvee dat op moment van inwerkingtreding van deze regeling wordt gehouden in verandastallen met geïntegreerde plastic voerpannen, tot 1 januari 2027.

Artikel 7.4. Vrijstelling vriesbranden runderen
1.

Van het verbod, bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, van de wet en artikel 2.7, tweede lid, van het besluit wordt, voor zover aan het eerste lid van laatstbedoeld artikel wordt voldaan, aan de houder van runderen vrijstelling verleend voor het verrichten van de ingreep, bedoeld in artikel 2.6, onderdeel d, van het besluit bij runderen, naast de bij of krachtens enig ander wettelijk voorschrift voorgeschreven of toegestane identificatie-ingrepen.

2.

De houder van de runderen is slechts vrijgesteld indien de ingreep vóór 1 juni 2019 deel uitmaakte van zijn bedrijfsvoering en hij zich daartoe vóór 1 augustus 2019 bij de minister aanmeldt met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel.

3.

De vrijstelling heeft betrekking op de door de houder op zijn bedrijf, met het daaraan toegewezen UBN, gehouden runderen.

4.

De vrijstelling vervalt bij overdracht of een andere wijziging in de juridische vorm of structuur van het bedrijf.

5.

De vrijstelling is niet van toepassing op runderen die zijn geboren na 31 december 2024.

6.

De vrijstelling geldt tot 1 januari 2027.

Artikel 7.5. Vrijstelling elektronische identificatie runderen

Van het verbod, bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, van de wet en artikel 2.7, tweede lid, van het besluit wordt, voor zover aan het eerste lid van laatstbedoeld artikel wordt voldaan, vrijstelling verleend voor het verrichten van ten hoogste twee lichamelijke ingrepen bedoeld in artikel 2.6, onderdelen b en c, van het besluit wanneer onder toepassing van artikel 38 van verordening (EU) nr. 2019/2035 de conventionele oormerken worden vervangen door een nieuw conventioneel oormerk en een elektronisch merk, naast de bij of krachtens enig ander wettelijk voorschrift voorgeschreven of toegestane identificatie-ingrepen.

Artikel 7.6. Vrijstelling behandeling achterste teen hanen

Van het verbod, bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, van de wet wordt voor zover wordt voldaan aan artikel 2.7, eerste lid, van het besluit, tot 1 juli 2028 vrijstelling verleend voor het verwijderen van een deel van de achterste teen bij mannelijke kippen, mits:

  • a. het dier niet ouder is dan twee dagen, en
  • b. het dier bestemd is voor de fokkerij waarbij nakomelingen gewoonlijk worden gehouden voor menselijke consumptie.
Artikel 7.7. Identificatie van de houder bij aanbrengen injecteerbare transponder bij een hond

Voordat een injecteerbare transponder bij een hond wordt aangebracht, identificeert de houder van de hond zich bij aanbrenger van de injecteerbare transponder met het registratienummer van de houder.

Artikel 7.8. Registraties door de aanbrenger van de injecteerbare transponder
1.

De registratie, bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, van het besluit, wordt gedaan binnen een week nadat de injecteerbare transponder bij het dier is aangebracht.

2.

Bij de registratie wordt vermeld:

  • a. de datum waarop de injecteerbare transponder is aangebracht;
  • b. de identificatiecode van het dier;
  • d. het praktijkadres van degene die de injecteerbare transponder heeft aangebracht.
3.

In afwijking van het eerste lid wordt de registratie, bedoeld in artikel 2.9 van het besluit, gedaan binnen twee werkdagen indien het dier een hond betreft. Bij de registratie van een hond wordt in aanvulling op het tweede lid vermeld:

  • a. dat de registratie een hond betreft; en
  • b. het registratienummer van de houder van de hond.
4.

Bij de registratie van een paardachtige wordt in aanvulling op het tweede lid de diersoort vermeld.

Artikel 7.9. Registratie van de aanbrenger van injecteerbare transponders bij de minister
1.

Bij de registratie, bedoeld in artikel 2.9, derde lid, van het besluit, wordt vermeld:

  • a. naam, adres en burgerservicenummer van degene die de registratie doet;
  • b. het adres of de adressen waarop de degene die de registratie doet injecteerbare transponders geleverd krijgt;
  • c. het nummer van inschrijving in het handelsregister; en
2.

Indien degene die de registratie doet injecteerbare transponders aanbrengt bij paardachtigen, wordt in aanvulling op het eerste lid het registratienummer vermeld dat is verkregen van een instantie waaraan de minister mandaat en machtiging heeft verleend tot het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen die verband houden met artikel 38t, eerste lid, voor paardachtigen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, van verordening (EU) 262/2015.

Hoofdstuk 8. Slotbepalingen

Artikel 8.1. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2014.

Artikel 8.2. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling diergeneeskundigen.

Bijlage. behorende bij de artikelen 2.2 tot en met 2.10 van de Regeling diergeneeskundigen

Leerplan dierfysiotherapie

1. Beroepsomschrijving

De dierenfysiotherapeut richt zich in het bijzonder op honden, katten en paarden en in meer algemene zin op de gehouden diersoorten. De dierfysiotherapie is met name gericht op het bewegingsapparaat. De kennis en vaardigheden van de dierenfysiotherapeut hebben betrekking op:

De dierenfysiotherapeut maakt een keuze uit één of meer behandelmethoden zoals massagetherapie, bewegingstherapie, en fysische therapie in engere zin. Hij richt zich op de bestrijding van pijn, op het optimaliseren van spiertonus en van de houdings- en bewegingscoördinatie waaronder beïnvloeding van de mobiliteit en op training van het algemeen en locaal uithoudingsvermogen. Verder richt de dierfysiotherapie zich op de perifere circulatie alsmede de functie van de huid. De diergeneeskundige handelingen die door een toegelaten en geregistreerde dierenfysiotherapeut mogen worden verricht, zijn genoemd in het Besluit diergeneeskundigen.

2. Leerdoelen

A. Functionele Morfologie

De cursist heeft kennis van:

De cursist kan:

B. Fysiologie

De cursist heeft kennis van:

C. Ziektekunde van orgaansystemen

De cursist heeft kennis van:

D. Farmacologie

De cursist heeft kennis van:

E. Zoötechniek

De cursist heeft kennis van:

F. Fysiotherapie

De cursist heeft kennis van:

De cursist kan:

3. Opleidingsprogramma

A. Toelatingsvoorwaarden

Het bezit van een getuigschrift als bedoeld in artikel 28 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.

B. Opleidingsprogramma:

De opleiding bestaat uit theoretisch onderwijs, dat een tijdsperiode van maximaal twee jaar beslaat, en een stageperiode.

Het theoretisch onderwijs en de stageperiode zijn erop gericht dat de cursist voldoet aan de door de minister vastgestelde eisen die zijn verwoord in de leerdoelen, bedoeld in hoofdstuk 2 van dit leerplan.

Het onderwijs beslaat een tijdsperiode van maximaal twee jaar. Voordat de cursist wordt toegelaten tot het examen van de opleiding fysiotherapie bij dieren, voldoet deze aan de eisen gesteld in het leerplan van deze opleiding. In het theoretisch onderwijs worden de volgende programmaonderdelen gedoceerd en getoetst:

De stage is een onderdeel van de opleiding tot dierenfysiotherapeut. De stage heeft tot doel de cursisten in de gelegenheid te stellen hun kennis, inzicht en vaardigheden op het gebied van de dierfysiotherapie onder begeleiding te oefenen en te hanteren, zodat zij aan het einde van de opleiding tot dierenfysiotherapeut zelfstandig beroepsmatig kunnen functioneren.

Tijdens de stageperiode, welke geen vast omschreven tijdsperiode omvat, dient de stagiaire ten minste 36 behandelingen te hebben bijgewoond of uitgevoerd. Daarbij wordt ernaar gestreefd dat de werkdiagnose door de betreffende cursist wordt gesteld. Deze handelingen dienen zo veel mogelijk gelijkwaardig verdeeld te worden over de onderdelen hond en paard. Van ten minste twee casus wordt een verslag gemaakt, waaronder minimaal één casus binnen het onderdeel hond en één casus binnen het onderdeel paard.

De stagiaire kan voor de casus hond van een ander stageadres gebruik maken dan voor de casus paard, doch slechts met voorafgaande toestemming van de opleiding kan van meer dan twee stageadressen gebruik gemaakt worden.

De onderwijsinstelling is verantwoordelijk voor de organisatie van de stage.

De onderwijsinstelling is verantwoordelijk voor het toewijzen van stage adressen.

In samenspraak met de stagebegeleider en de onderwijsinstelling kan de stagiaire een ander stageadres toegewezen worden.

De stagiair dient zich te houden aan de interne regels van de stage-instelling.

De stagiair heeft de verplichting van geheimhouding omtrent al hetgeen hem als geheim is toevertrouwd of waarvan hij het vertrouwelijk karakter moet begrijpen.

De stagiaire heeft recht op goede begeleiding.

Bij de stagebeoordeling ‘onvoldoende’ zal de stage in gelijke categorie maar op een ander adres moeten worden overgedaan. Bij herhaald ‘onvoldoende’ is het in belang van alle betrokkenen dat de stagiaire met de stage stopt.

Stagiair: een cursist van de onderwijsinstelling die, in de dierfysiotherapie bij dierenpraktijk van de stagebegeleider, onder begeleiding van de stagebegeleider en onder controle van de onderwijsinstelling activiteiten ontplooit ter realisering van de doelstellingen van de stage.

Stagebegeleider: beroepskracht die werkzaam is in en toegelaten is tot het verrichten van dierfysiotherapie en zich bezig houdt met de praktische en patiëntgerichte begeleiding van de stagiaire. De taken van een stagebegeleider zijn in ieder geval:

Onderwijsinstelling: de organisatie welke een opleiding tot dierenfysiotherapeut verzorgt en via een door haar aangewezen vertegenwoordiger contact houdt met de stagiair en de stagebegeleider.

De stagiair kan op een juiste wijze het contact met de patiënt leggen, waardoor de patiënt het onderzoek of de behandeling accepteert. De stagiaire is in staat met behulp van de verstrekte onderzoeksgegevens van de dierenarts zelfstandig anamnese, inspectie en onderzoek af te nemen, of uit te voeren en een behandelingsplan in te stellen of uit te voeren.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)