Regeling van de Minister van Economische Zaken van 11 juli 2014, nr. WJZ / 13125043, houdende vaststelling van nationale subsidie-instrumenten op het terrein van Economische Zaken (Regeling nationale EZ-subsidies)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-07-17
Laatst bijgewerkt 2026-08-24
State In force
Source BWB
artikelen 1509
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
  • a. materiële goederen produceert, waarbij grondstoffen worden verwerkt en waarbij sprake is van een hoge graad van mechanisering en automatisering, genoemd in de Standaardbedrijfsindeling 2025, versie 2024, van het Centraal Bureau voor de Statistiek, hoofdgroep C;
  • b. afvalwater inzamelt en behandelt, genoemd in de Standaardbedrijfsindeling 2025, versie 2024, van het Centraal Bureau voor de Statistiek, hoofdgroep E, subgroep 37; of
  • c. doet aan terugwinning uit afval, genoemd in de Standaardbedrijfsindeling 2025, versie 2024, van het Centraal Bureau voor de Statistiek, hoofdgroep E, subgroep 38.2;
  • investeringsactiviteiten: activiteiten die nodig zijn om tot ingebruikname van de NIKI-installatie of -installaties te komen;
  • NIKI-installatie: een productie-installatie die in het NIKI-project wordt aangepast of gebouwd om CO2-emissies te verminderen. De NIKI-installatie betreft alleen de productie-installatie van de aanvrager, geen onderdelen van de voorgaande of navolgende stappen in de productieketen;
  • NIKI-product: een meetbare eenheid die in de NIKI-installatie of -installaties wordt geproduceerd, die fysiek getransporteerd kan worden, de poort van de productielocatie kan verlaten, economisch verhandelbaar is en een bron van opbrengsten is voor de industriële onderneming. CO2 wordt, ook als aan deze voorwaarden wordt voldaan, niet gezien als NIKI-product;
  • NIKI-project: een samenhangend geheel van activiteiten uitgevoerd in Nederland door een industriële onderneming waarbij een investering in een NIKI-installatie of -installaties plaatsvindt, dat binnen tien jaar na ingebruikname van de NIKI-installatie of -installaties leidt tot een CO2-emissiereductie van minimaal 100.000 ton CO2 ten opzichte van het referentieproduct of de referentieproducten en dat past binnen de in bijlage 4.13.1, onderdeel B, opgenomen omschrijving;
  • NIKI-rekenmethode: de rekenmethode die is opgenomen in bijlage 4.13.3;
  • overtollige dispensatierechten: het overschot aan dispensatierechten dat toe te schrijven is aan het NIKI-project en verhandeld zou kunnen worden;
  • opt out-regeling: het krijgen van toestemming om, bij wijze van uitzondering, niet deel te nemen aan het Europese emissiehandelssysteem, hoewel de installatie wel aan een van de deelnamecriteria voldoet;
  • productievolume: de totale hoeveelheid van NIKI-producten die door de NIKI-installatie of -installaties binnen de exploitatiefase, na ingebruikname van de NIKI-installatie of -installaties, worden vervaardigd;
  • referentieproduct: een verhandelbaar product dat in de markt wordt vervangen door een NIKI-product. De aanvrager wijst een referentieproduct aan dat dezelfde functie vervult als het NIKI-product, waarbij het niet noodzakelijkerwijs fysiek hetzelfde hoeft te zijn;
  • subsidie-intensiteit: het bedrag in euro’s subsidie per ton CO2-emissiereductie.
Artikel 4.13.2. Subsidieverstrekking

De minister verstrekt op aanvraag een subsidie voor het uitvoeren van een NIKI-project aan een ondernemer die een industriële onderneming drijft en die zelfstandig het NIKI-project zal uitvoeren.

Artikel 4.13.3. Verdeling van het subsidieplafond en hoogte subsidie
1.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

2.

De subsidie voor een NIKI-project bedraagt minimaal € 30.000.000 en bedraagt ten hoogste het bedrag van het subsidieplafond.

3.

In afwijking van het tweede lid, kan de subsidie voor een NIKI-project minder dan € 30.000.000 bedragen, indien door toekenning van hoger gerangschikte aanvragen een restbudget van minder dan € 30.000.000 overblijft.

Artikel 4.13.4. Subsidiabele kosten

De subsidiabele kosten worden berekend in overeenstemming met de op het moment van indiening van de aanvraag geldende NIKI-rekenmethode.

Artikel 4.13.5. Realisatietermijnen
1.

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is veertien jaar.

2.

Met de uitvoering van de investeringsactiviteiten wordt gestart binnen twaalf maanden na de beschikking tot subsidieverlening.

3.

De subsidieontvanger neemt de NIKI-installatie of -installaties uiterlijk binnen vier jaar na de start van het NIKI-project in gebruik.

4.

De exploitatieactiviteiten duren tien jaar na de ingebruikname van de NIKI-installatie of -installaties.

5.

Op verzoek van de subsidieontvanger kan de minister de termijn, bedoeld in het tweede lid, verlengen met zes maanden. Daarnaast kan de minister de termijn bedoeld in het derde lid verlengen met twaalf maanden. Verlenging geschiedt slechts indien dit naar oordeel van de minister passend en geboden is.

Artikel 4.13.6. Afwijzingsgronden

Onverminderd de artikelen 22 en 23 van het besluit, beslist de minister afwijzend op een aanvraag, indien:

  • a. de subsidieverlening in strijd is met het klimaat, milieu- en energiesteunkader;
  • b. de subsidieaanvrager geen investeerder is in de NIKI-installatie of -installaties waarvoor subsidie wordt aangevraagd;
  • c. de investeringskosten minder bedragen dan twintig procent van de volgende som: investeringskosten + verdisconteerde exploitatiekosten – verdisconteerde operationele voordelen;
  • d. de haalbaarheid, bestaande uit financiële, technische, operationele en markt-haalbaarheid, van het NIKI-project onvoldoende is, blijkend uit de beoordeling van het ingediende projectplan en de vereiste bijlagen, bedoeld in artikel 4.13.10, tweede lid;
  • e. binnen het NIKI-project een techniek is gedefinieerd:
  • 1°. die onder een categorie opgenomen in de op het moment van indiening van de aanvraag gepubliceerde Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie valt; en
  • 2°. waarbij de investeringskosten voor het toepassen van deze techniek tien procent of meer van de totale investeringskosten, bedoeld in artikel 4.13.4, van het NIKI-project bedragen;
  • g. het bod meer dan € 300/ton CO2 bedraagt;
  • h. de opgevoerde kosten niet aannemelijk zijn;
  • i. een ongeschikt referentieproduct is gekozen;
  • j. de berekening van de CO2-emissiereductie:
  • 1°. niet of in onvoldoende mate volgens de voorgeschreven methode in de op het moment van indiening van de aanvraag geldende NIKI CO2-emissiereductiemethode is uitgevoerd, blijkend uit de keuzes en onderbouwingen van de subsidieaanvrager;
  • 2°. onvoldoende nauwkeurig is, blijkend uit de kwaliteit van de gebruikte data en bronnen;
  • k. subsidie wordt aangevraagd voor een investering in een NIKI-installatie of -installaties die:
  • 1°. de subsidieaanvrager in staat stelt alleen te voldoen aan bindende Unienormen die reeds van kracht zijn; of
  • 2°. niet verder gaat dan de gevestigde commerciële praktijk die algemeen in de gehele Unie en in alle technologieën wordt toegepast;
  • l. het niet aannemelijk is dat de NIKI-installatie of -installaties waarvoor subsidie is aangevraagd na tien jaar exploitatie zonder subsidie operationeel blijft respectievelijk blijven;
  • m. het NIKI-project niet past in een reeks activiteiten die uiterlijk in 2050 bij de aanvrager zal leiden tot een fossielvrije klimaat-neutrale productie blijkend uit het klimaatplan, bedoeld in artikel 4.13.10, derde lid;
  • n. het NIKI-project niet voldoet aan het principe van Do No Significant Harm;
  • o. het NIKI-project hoofdzakelijk gericht is op de aanleg van infrastructuur;
  • p. het NIKI-project gericht is op de productie van energie uit warmtekrachtkoppeling;
  • q. binnen het NIKI-project fossiele brandstoffen worden ingezet in het kader van een nieuwe installatie. Uitgezonderd zijn investeringen in het gebruik van aardgas, als de investering bijdraagt aan het behalen van de klimaatdoelstelling van de Europese Unie voor 2030 en de doelstelling van een klimaatneutrale Europese Unie tegen 2050;
  • r. het NIKI-product voor meer dan tien procent van de totale uitgaande massa van het productieproces als brandstof wordt ingezet. Indien de productie van het NIKI-product volledig gebaseerd is op koolstof die gewonnen is uit Direct Air Capture, mag meer dan tien procent van de productie output als synthetische brandstof worden ingezet.
Artikel 4.13.7. Rangschikkingscriterium

De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger, naarmate het bod lager is.

Artikel 4.13.8. Verplichtingen subsidieontvanger
1.

De subsidieontvanger monitort en evalueert op aantoonbare en systematische wijze de resultaten van het NIKI-project door middel van:

  • a. een jaarlijkse rapportage ten aanzien van de activiteiten, bedoeld in artikel 4.13.11, op een door de minister bepaald moment, op basis van de mijlpalen van de investeringsactiviteiten;
  • b. een jaarlijkse rapportage ten aanzien van de activiteiten tijdens de exploitatiefase, bedoeld in artikel 4.13.12, op een door de minister bepaald moment, op basis van een herberekening van de benodigde subsidie, in overeenstemming met de op het moment van indiening van de aanvraag geldende NIKI-rekenmethode.
2.

Indien de subsidieontvanger ten tijde van de rapportage, bedoeld onder het eerste lid, onderdeel b, een exploitant van een industriële installatie als bedoeld in artikel 71h, onderdeel g, in samenhang met de artikelen 71i en 71k, tweede lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag is, bevat de rapportage tevens:

  • a. een verklaring dat de subsidieontvanger gebruik heeft gemaakt van de opt out-regeling voor de NIKI-installatie of -installaties; of
  • b. een verklaring dat de subsidieontvanger in het voorafgaande jaar geen overtollige dispensatierechten heeft verhandeld, een herberekening van het aantal overtollige dispensatierechten over de voorafgaande heffingsperiode en een verklaring dat de overtollige dispensatierechten niet zal verhandelen in de resterende exploitatieperiode.
3.

Indien uit de jaarlijkse rapportage, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, blijkt dat het aantal overtollige dispensatierechten in het voorgaande kalenderjaar geheel of voor een gedeelte is verhandeld, wordt per verhandeld overtollig dispensatierecht het in dat kalenderjaar geldende tarief, bedoeld in artikel 71p, eerste lid, onder a van de Wet belastingen op milieugrondslag, in mindering gebracht op het subsidiebedrag.

4.

De rapportage, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, gaat op verzoek van de minister of in ieder geval eens per vijf jaar, vergezeld van een rapport van feitelijke bevindingen opgesteld door een accountant over de productieoutput van de NIKI-installatie of -installaties, de kostprijs en de marktprijs van de producten.

5.

Een verzoek met betrekking tot een essentiële wijziging als bedoeld in artikel 37, derde lid, van het besluit gaat vergezeld van een beschrijving van de essentiële wijziging, inclusief argumentatie waarom deze wijziging noodzakelijk is binnen het NIKI-project.

6.

De subsidieontvanger verleent medewerking aan een evaluatie van de effecten van het door hem uitgevoerde NIKI-project, bedoeld in artikel 4.13.1, voor zover deze medewerking redelijkerwijs van hem verlangd kan worden.

7.

De subsidieontvanger is eigenaar van de NIKI-installatie of -installaties waarin wordt geïnvesteerd en blijft eigenaar gedurende de investerings- en exploitatiefase.

Artikel 4.13.9. Cumulatie

Indien reeds energie-investeringsaftrek, bedoeld in artikel 3.42 van de Wet inkomstenbelasting 2001, is verstrekt voor de subsidiabele kosten of een deel daarvan, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan het bedrag dat krachtens dit besluit kan worden verstrekt noch meer bedraagt dan toegestaan is volgens de toepasselijke Europese steunkaders.

Artikel 4.13.10. Informatieverplichtingen subsidieaanvraag
1.

De aanvraag voor subsidie bevat:

  • a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de industriële onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer;
  • b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
  • c. de locatie waar de NIKI-installatie wordt geplaatst;
  • d. stukken waaruit blijkt dat de basic engineering is afgerond;
  • e. een projectplan;
  • f. een klimaatplan;
  • g. het bod.
2.

Het projectplan, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, bevat in ieder geval de volgende onderdelen:

  • a. een beschrijving van het NIKI-project, inclusief een planning met mijlpalenbegroting en de go-no go momenten in de fase tot de start van het NIKI-project, onderbouwd met stukken;
  • b. een beschrijving van de technische haalbaarheid van het NIKI-project, inclusief de energie- en massabalans van het productieproces met de NIKI-installatie of -installaties en, indien van toepassing, referentie-installatie of -installaties;
  • c. een beschrijving van de financiële haalbaarheid van het NIKI-project, inclusief:
  • 1°. een prognose van de productieoutput gedurende tien jaar;
  • 2°. een begroting waarin de totale kosten van de subsidiabele activiteiten en de omvang van de gevraagde subsidie zijn opgenomen met daarbij een onderbouwing van de toegepaste referentie en een onderbouwing van de productieoutput van de NIKI-installatie of -installaties, de kostprijs en de marktprijs van de producten, gebruikmakend van de op het moment van indiening van de aanvraag geldende NIKI-rekenmethode; en
  • 3°. informatie over de wijze waarop de aanvrager het eigen aandeel in de projectkosten financiert;
  • d. een beschrijving van de markthaalbaarheid van het NIKI-project inclusief een marktonderzoek;
  • e. een beschrijving van de operationele haalbaarheid van het NIKI-project, inclusief de juridische vereisten;
  • f. een onderbouwing van de CO2-emissiereductie die met het NIKI-project wordt gerealiseerd, gebruikmakend van de op het moment van indiening van de aanvraag geldende NIKI CO2-emissiereductiemethode;
  • g. een analyse van risico’s en mitigerende maatregelen voor het gehele NIKI-project, bestaande uit ten minste, maar niet uitsluitend, de technische, financiële en operationele haalbaarheid en een gevoeligheidsanalyse van de CO2-emissiereductie berekening.
3.

Het klimaatplan, bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, bevat in ieder geval een beschrijving hoe het NIKI-project past binnen de investeringsagenda en vervolgstappen van de aanvrager die leiden tot een fossielvrije klimaat-neutrale productie in 2050, inclusief:

  • a. de te zetten vervolgstappen die de aanvrager na afloop van het NIKI-project verwacht te zetten;
  • b. de stappen die de aanvrager al heeft ondernomen om het finale energieverbruik van het productieproces te minimaliseren; en
  • c. de stappen die gedurende de operationele fase nog genomen zullen worden.
4.

Indien de aanvrager een exploitant van een industriële installatie als bedoeld in artikel 71h, onderdeel g, in samenhang met de artikelen 71i en 71k, tweede lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag is, bevat het klimaatplan, bedoeld in het derde lid, tevens:

  • a. een verklaring dat de aanvrager gebruik heeft gemaakt van de opt out-regeling voor de NIKI-installatie of -installaties; of
  • b. een verklaring dat de aanvrager tijdens de exploitatiefase geen overtollige dispensatierechten zal verhandelen en een berekening waarin de aanvrager het aantal overtollige dispensatierechten over de exploitatieperiode aannemelijk maakt.
5.

De informatie, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onderdeel c, sub 2, gaat vergezeld van een rapportage van een accountant op basis van Standaard 3400 van de Nederlandse Beroepsorganisatie van accountants.

Artikel 4.13.11. Voorschot investeringsactiviteiten
1.

Een voorschot voor investeringsactiviteiten wordt verstrekt conform artikel 46, zesde lid, van het besluit.

2.

In afwijking van artikel 46, vierde lid, van het besluit, bedraagt het voorschot:

  • a. 40 procent van het maximaal verleende subsidiebedrag; of
  • b. de totale investeringskosten conform de goedgekeurde begroting van het NIKI-project,

afhankelijk van welk van deze bedragen het laagst is.

Artikel 4.13.12. Voorschot exploitatieactiviteiten

Een voorschot voor exploitatieactiviteiten wordt verstrekt conform artikel 46, zevende lid, van het besluit.

Artikel 4.13.13. Bijstelling voorschot exploitatieactiviteiten
1.

Het voorschot, bedoeld in artikel 4.13.12, kan binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar worden bijgesteld aan de hand van de jaarlijkse rapportage, bedoeld in artikel 4.13.8, eerste lid, onderdeel b, conform de op het moment van indiening van de aanvraag NIKI-rekenmethode, rekening houdend met het gerealiseerde productievolume.

2.

Indien de som van de bedragen die in het voorgaande kalenderjaar zijn verstrekt, minder bedraagt dan het op grond van het eerste lid bijgestelde voorschot, wordt het tekort aan verstrekte bedragen verrekend. De minister verstrekt het te weinig betaalde bedrag binnen zes weken na de datum van de bijstelling aan de subsidieontvanger, met dien verstande dat het maximaal te verstrekken voorschotbedrag voor de totale subsidieperiode niet wordt overschreden.

3.

Indien de som van de bedragen die in een kalenderjaar zijn verstrekt, meer bedraagt dan het op grond van het eerste lid bijgestelde voorschot, wordt het teveel aan verstrekte bedragen verrekend. De minister brengt het te veel betaalde bedrag aan verstrekte bedragen in mindering op het eerstvolgende toekomstig te verstrekken bedragen en vervolgens op zoveel maandelijkse bedragen als nodig is om het teveel betaalde voorschot volledig te verrekenen. Indien er geen maandelijkse bedragen meer verschuldigd zijn, wordt een teveel betaald voorschot teruggevorderd.

4.

De bijstelling, bedoeld in het derde lid, bedraagt 60 procent van het verschil tussen het herrekende benodigde steunbedrag conform de NIKI-rekenmethode, rekening houdend met het gerealiseerde productievolume.

Artikel 4.13.14. Aanvraag subsidievaststelling

Het eindverslag, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, waarmee de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld gaat, bevat, voor zover van toepassing, in ieder geval:

  • a. een algemene en technische omschrijving van de aangeschafte en gebruikte installaties en infrastructuur op de productielocatie;
  • b. een actuele berekening van de benodigde subsidie conform de op het moment van indiening van de subsidieaanvraag geldende NIKI-rekenmethode; en
  • c. een berekening van de gerealiseerde CO2-emissiereductie op basis van de bij aanvraag berekende CO2-emissiereductie per vollastuur en de totale productieoutput gedurende de exploitatiefase.
Artikel 4.13.15. Kennisverspreiding
1.

Op verzoek van de minister verleent de subsidieontvanger medewerking aan het verspreiden van de resultaten en medewerking aan een evaluatie van de effecten van de op grond van deze titel gesubsidieerde activiteiten.

2.

De subsidieontvanger maakt de niet bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het NIKI-project worden opgedaan na afloop van het NIKI-project openbaar in een, naar het oordeel van de minister, kwalitatief voldoende verslag.

3.

De minister kan de jaarlijkse rapportage, bedoeld in artikel 4.13.8, eerste lid, gebruiken voor de openbare brede verspreiding van de niet-bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het NIKI-project worden opgedaan.

Artikel 4.13.16. Staatssteun

De subsidie, bedoeld in artikel 4.13.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door staatssteunmaatregel SA.103901 (2025/N).

Artikel 4.13.17. Vervaltermijn

Deze titel en bijlages 4.13.1, 4.13.2 en 4.13.3 vervallen met ingang van 1 juni 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op aanvragen die voor deze datum zijn ingediend.

Hoofdstuk 4a. Telecommunicatie

Titel 4a.1. Verbetering telecommunicatievoorzieningen Caribisch Nederland

Artikel 4a.1.1. Begripsomschrijvingen

Vervallen

Artikel 4a.1.2. Subsidieaanvraag

Vervallen

Artikel 4a.1.3. Subsidiabele kosten

Vervallen

Artikel 4a.1.4. Hoogte subsidie

Vervallen

Artikel 4a.1.5. Verdeling van het subsidieplafond

Vervallen

Artikel 4a.1.6. Start- en realisatietermijn

Vervallen

Artikel 4a.1.7. Afwijzingsgronden

Vervallen

Artikel 4a.1.8. Informatieverplichtingen

Vervallen

Artikel 4a.1.9. Administratie

Vervallen

Artikel 4a.1.10. Staatssteun

Vervallen

Artikel 4a.1.11. Vervaltermijn

Vervallen

Titel 4a.2. Beleidsexperiment cyberweerbaarheid

Titel 4a.3. Cyberbeveiligingsinnovatieprojecten

Artikel 4a.3.1. Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • Europees samenwerkingsverband: een samenwerkingsverband van onafhankelijke juridische entiteiten;
  • Nederlands samenwerkingsverband: een samenwerkingsverband van in Nederland gevestigde onafhankelijke juridische entiteiten;
  • verordening (EU) 2021/694: verordening (EU) 2021/694 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2021 tot oprichting van het programma Digitaal Europa en tot intrekking van Besluit (EU) 2015/2240 (PbEU 2021 L 166/1).
Artikel 4a.3.2. Subsidieverstrekking
1.

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie voor het uitvoeren van een cyberbeveiligingsinnovatieproject dat gericht is op de verwezenlijking van één of meer van de operationele doelstellingen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van verordening (EU) 2021/694 op de volgende deelgebieden:

  • a. het bevorderen van crypto-agility, waaronder mede begrepen het ontwikkelen van vernieuwende methoden of technieken ten behoeve van het beheer en de vernieuwing van cryptografische middelen binnen de organisatie van de mogelijke afnemers van de subsidieaanvrager, bestaande uit onder meer algoritmes, sleutels en certificaten, in het belang van de nationale cyberveiligheid;
  • b. het vereenvoudigen en meer kostenefficiënt maken van cyberbeveiligingsoplossingen, waaronder mede begrepen het ontwikkelen of doorontwikkelen van vernieuwende respectievelijk bestaande methoden of technieken dan wel de opschaling hiervan ten behoeve van het binnen de organisatie van de subsidieaanvrager geautomatiseerd kunnen detecteren van cyberdreigingen, controleren van codes van software, versleutelen van data en elektronische communicatie, netwerk- en toegangsbeveiliging en verbetering hiervan via zelflerende systemen.
2.

Een cyberbeveiligingsinnovatieproject bevat een samenhangend geheel van activiteiten, bestaande uit industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of procesinnovatie.

3.

De subsidieontvanger is een in Nederland gevestigde juridische entiteit, die de activiteiten, bedoeld in het tweede lid, zelfstandig dan wel in een Nederlands of Europees samenwerkingsverband uitvoert, en ten behoeve van de uitvoering van deze activiteiten geen onderneming in stand houdt die actief is in:

  • a. de sector visserij en aquacultuur;
  • b. de primaire productie van landbouwproducten; of
  • c. de sector verwerking en afzet van landbouwproducten in de gevallen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de algemene de-minimisverordening.
Artikel 4a.3.3. Hoogte subsidie
1.

De subsidie bedraagt voor een cyberbeveiligingsinnovatieproject:

  • a. 70% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op de activiteiten binnen het deelgebied ‘het bevorderen van crypto-agility’;
  • b. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op de activiteiten binnen het deelgebied ‘het vereenvoudigen en meer kostenefficiënt maken van cyberbeveiligingsoplossingen’.
2.

De subsidie per cyberbeveiligingsinnovatieproject bedraagt ten hoogste € 100.000.

3.

Het totale bedrag aan de-minimissteun per subsidieontvanger bedraagt niet meer dan het maximumbedrag, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de algemene de-minimisverordening.

Artikel 4a.3.4. Subsidiabele kosten
1.

Voor subsidie komen in aanmerking:

  • a. personeelskosten, waaronder mede begrepen de kosten verbonden aan de inzet van onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel;
  • b. kosten van de aanschaf en het gebruiksklaar maken van apparatuur en uitrusting;
  • c. kosten van contractonderzoek, consultancy of gelijkwaardige diensten;
  • d. kosten voor het gebruik van onderzoek-, simulatie- of testfaciliteiten of materialen.
2.

In afwijking van artikel 11, eerste lid, onderdelen a en b, van het besluit berekent de subsidieaanvrager de subsidiabele kosten uitsluitend overeenkomstig de vaste-uurtarief-systematiek, opgenomen in artikel 14 van het besluit.

3.

Voor de toepassing van deze titel bedraagt het uurtarief, bedoeld in artikel 14 van het besluit, € 60.

Artikel 4a.3.5. Verdeling van het subsidieplafond

De Minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen om subsidieverlening.

Artikel 4a.3.6. Start- en Realisatietermijn
1.

Met de uitvoering van een op grond van deze titel gesubsidieerd cyberbeveiligingsinnovatieproject wordt gestart uiterlijk één maand na subsidieverlening.

2.

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is één jaar na subsidieverlening.

Artikel 4a.3.7. Afwijzingsgronden

De Minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidieverlening betreffende een cyberbeveiligingsinnovatieproject indien:

  • b. de te verlenen subsidie:
  • 1°. minder dan € 60.000 voor het cyberbeveiligingsinnovatieproject zou bedragen; of
  • 2°. minder dan € 25.000 voor een subsidieaanvrager zou bedragen, in het geval het cyberbeveiligingsinnovatieproject wordt uitgevoerd in een samenwerkingsverband;
  • c. de subsidieaanvrager in de afgelopen drie volledige kalenderjaren niet actief zijn beroep of bedrijf heeft uitgeoefend in Nederland, waaronder mede begrepen geen producten of diensten heeft aangeboden op de Nederlandse markt;
  • d. het cyberbeveiligingsinnovatieproject uitsluitend gericht is op het verhogen van de cyberweerbaarheid binnen de organisatie van de subsidieaanvrager; of
  • e. de aanvraagactiviteiten bevat die direct verband houden met:
  • 1°. de omvang van de uitvoer naar andere lidstaten van de Europese Unie of derde landen;
  • 2°. het oprichten en exploiteren van een distributienet ten behoeve van de uitvoer; of
  • 3°. andere lopende uitgaven direct verband houdend met activiteiten op het gebied van uitvoer.
Artikel 4a.3.8. Rangschikkingscriteria
1.

De Minister kent aan een aanvraag om subsidieverlening betreffende een cyberbeveiligingsinnovatieproject een hoger aantal punten toe naarmate:

  • b. de kwaliteit van het projectplan en begroting van het cyberbeveiligingsinnovatieproject beter is, blijkend uit:
  • 1°. de uitwerking van de aanpak, methodiek en te behalen resultaten en onderbouwing hiervan;
  • 2°. de wijze waarop zal worden omgegaan met risico’s voor de succesvolle uitvoering van het project;
  • 3°. de mate van uitvoerbaarheid en verwachte haalbaarheid van de projectplanning; en
  • 4°. de mate waarin de beschikbare middelen effectiever en efficiënter worden ingezet;
  • c. de aanvrager die of het samenwerkingsverband dat het cyberbeveiligingsinnovatieproject uitvoert meer geschikt is om het project uit te voeren, blijkend uit:
  • 1°. de mate waarin de daarvoor benodigde competenties en ervaring aanwezig zijn binnen de subsidieaanvrager respectievelijk het samenwerkingsverband;
  • 2°. de kwaliteit van de inrichting van de projectorganisatie binnen het project, waaronder mede begrepen de structuur van de projectorganisatie en de taakverdeling binnen de subsidieaanvrager respectievelijk binnen het samenwerkingsverband;
  • 3°. de mate waarin de subsidieaanvrager respectievelijk het samenwerkingsverband beschikt over bewezen expertise van het uitvoeren van dergelijke projecten en het toepassingsgebied van de te ontwikkelen of door te ontwikkelen methode of techniek; en
  • 4°. voor zover van toepassing, een grotere mate van samenwerking van de deelnemers binnen het samenwerkingsverband, waaronder mede begrepen een adequate verdeling en verbinding van de werkpakketten en deelname van een potentiële gebruiker van de te ontwikkelen of de door te ontwikkelen methoden of technieken; en
  • d. de impact van het project op de markt groter is, blijkend uit ten minste de toepassingsmogelijkheden en slaagkans van de met het project te ontwikkelen innovatie of innovaties op de Nederlandse en internationale markt, de ontwikkeling van omzet en arbeidsplaatsen binnen cyberbeveiligingssectoren en de snelheid waarmee impact kan worden gerealiseerd op het gebied van cyberbeveiliging.
2.

De Minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste vijf punten toe.

3.

De Minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.

4.

Geen subsidie wordt verleend voor een project dat lager is gerangschikt dan een project met soortgelijke activiteiten.

Artikel 4a.3.9. Verplichtingen betreffende niet-economische activiteiten door een onderzoeksorganisatie

Vervallen

Artikel 4a.3.10. Verplichtingen betreffende proces- en organisatie-innovatie door een grote onderneming

Vervallen

Artikel 4a.3.11. Verplichtingen betreffende voorlichting

Vervallen

Artikel 4a.3.12. Informatieverplichtingen
1.

Een aanvraag om subsidieverlening bevat ten minste:

  • a. gegevens over de subsidieaanvrager, waaronder het post- en bezoekadres, het rekeningnummer en, voor zover van toepassing, het nummer waarmee de subsidieaanvrager is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel;
  • b. gegevens over de contactpersoon bij de subsidieaanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
  • c. kerngegevens over het cyberbeveiligingsinnovatieproject, die bestaan uit een voor openbare publicatie geschikte samenvatting van de projectomschrijving en, voor zover van toepassing, een lijst met deelnemers in het Nederlandse of Europese samenwerkingsverband dat het cyberbeveiligingsinnovatieproject zal uitvoeren;
  • d. een verklaring de-minimissteun van de subsidieaanvrager.
2.

De aanvraag gaat vergezeld van:

  • a. een projectplan met daarin een projectomschrijving van de doelen, de deelgebieden en de activiteiten, bedoeld in artikel 4a.2.2, eerste en tweede lid, van het cyberbeveiligingsinnovatieproject;
  • b. een projectbegroting waarin per projectfase en deelnemer een omschrijving wordt gegeven van:
  • 1°. de omvang van de gevraagde subsidie;
  • 2°. de totale subsidiabele kosten van het cyberbeveiligingsinnovatieproject en op welke activiteiten als bedoeld in artikel 4a.3.2, tweede lid, deze kosten betrekking hebben;
  • c. een beknopte beschrijving van de competenties van de bij de uitvoering van het cyberbeveiligingsinnovatieproject betrokken organisaties of personen;
  • d. een beknopte beschrijving van de strategie en ontwikkelprioriteiten van de subsidieaanvrager en op welke termijn het te ontwikkelen product of dienst de markt naar verwachting zal bereiken en welke impact het daar zal hebben;
  • e. de meest recente jaarrekening of, voor zover van toepassing, andere vergelijkbare documenten waaruit de financiële situatie van de subsidieaanvrager kan worden afgeleid;
  • f. een door de Minister beschikbaar gesteld ingevuld formulier, waaruit volgt dat de subsidieaanvrager niet in een groep verbonden is met één of meer andere juridische entiteiten die niet zijn gevestigd in één van de landen als bedoeld in artikel 18 van verordening (EU) 2021/694.
Artikel 4a.3.13. Aanvraag subsidievaststelling

Het eindverslag, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, waarvan de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld gaat, bevat in ieder geval:

  • a. een omschrijving van de projectresultaten van het cyberbeveiligingsinnovatieproject;
  • b. op welke wijze het cyberbeveiligingsinnovatieproject heeft bijgedragen aan de doelen en deelgebieden, bedoeld in artikel 4a.3.2, eerste lid.
Artikel 4a.3.14. Staatssteun

De subsidie, bedoeld in artikel 4a.3.2, eerste lid, bevat staatsteun en wordt gerechtvaardigd door de algemene de-minimisverordening.

Artikel 4a.3.15. Vervaltermijn

Deze titel vervalt met ingang van 1 oktober 2028, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor deze datum zijn verleend.

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Artikel 5.1
3.

De Subsidieregeling innoveren wordt ingetrokken.

5.

De Regeling steunintensiteit wordt ingetrokken.

6.

De Regeling sterktes in de regio wordt ingetrokken.

Artikel 5.2

Wijzigt de Regeling LNV-subsidies.

Artikel 5.3
1.

Op aanvragen om subsidie die vóór de inwerkingtreding van deze regeling zijn ingediend, op subsidies die vóór de inwerkingtreding van deze regeling zijn verleend en op subsidies die vóór de inwerkingtreding van deze regeling zijn vastgesteld blijft het recht van toepassing zoals dat luidde onmiddellijk vóór dat tijdstip.

2.

Op subsidies die vóór 1 januari 2015 zijn verleend en op subsidies die vóór 1 januari 2015 zijn vastgesteld blijft het recht van toepassing zoals dat luidde vóór dat tijdstip.

Artikel 5.4. Overgangsrecht

Op aanvragen om subsidie die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van een wijziging van deze regeling, op subsidies die voor dat tijdstip zijn verleend en op subsidies die voor dat tijdstip zijn vastgesteld, blijft deze regeling van toepassing zoals deze luidde voor dat tijdstip tenzij de wijziging met terugwerkende kracht in werking treedt.

Artikel 5.5

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, met dien verstande dat titel 2.2 terugwerkt tot en met het tijdstip waarop de Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 30 juni 2014, nr. WJZ / 14104248, houdende wijziging van de Regeling LNV-subsidies in verband met de openstelling van de mogelijkheid van subsidies ten behoeve van de verduurzaming van de veehouderij in werking is getreden.

Artikel 5.6

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies.

Bijlage 1.1. behorende bij artikel 1.2, eerste lid, van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies

Het rapport van feitelijke bevindingen wordt opgesteld in overeenstemming met de Nederlandse Standaard 4400N ‘Opdrachten tot het verrichten van overeengekomen specifieke werkzaamheden’. In het rapport van feitelijke bevindingen rapporteert de accountant over de hieronder genoemde aspecten en aandachtspunten van de integrale kostensystematiek.

1. Beschrijving integrale kostensystematiek 1. Beschrijving integrale kostensystematiek
Opzet systematiek Opzet systematiek
1.1 Welke kostendragers gebruikt de organisatie in de integrale kostensystematiek?
1.2 Hoe worden de indirecte kosten toegerekend aan de kostendragers?
1.3 Worden de jaarlijkse tarieven op basis van de integrale kostensystematiek voorcalculatorisch vastgesteld? Als de subsidie-ontvanger jaarlijks vooraf de tarieven vaststelt, is aan het begin van het jaar duidelijk wat de tarieven van dat jaar zijn. Deze tarieven worden gehanteerd bij begroting en ook bij de vaststelling van projecten. Als de subsidie-ontvanger niet met voorcalculatorische tarieven werkt dan toelichten.
1.4 Hoe worden de uitgangscijfers bepaald die voor de jaarlijkse berekening van de tarieven gebruikt worden?
1.5 Sinds wanneer wordt deze integrale kostensystematiek door de organisatie toegepast?
1.6 Is er een wijziging van de integrale kostensystematiek gepland en zo ja wanneer?
Over personeelskosten Over personeelskosten
1.7 Is het personeel ingedeeld in tariefgroepen? Zo ja, welke?
1.8 Hoe wordt het aantal direct productieve uren per voltijd werknemer berekend en wat is het aantal direct productieve uren per voltijd werknemer? Is dit aantal gelijk voor alle personen? Zo nee, licht toe.
Over machines en apparatuur Over machines en apparatuur
1.9 Zijn de kosten voor machines en apparatuur onderdeel van de integrale kostensystematiek? Zo ja, geldt dat voor alle machines en apparatuur of zijn er ook machines en apparaten die in projecten als aparte post worden begroot?
2. Basisvoorwaarden integrale kostensystematiek 2. Basisvoorwaarden integrale kostensystematiek
--- ---
2.1 De toerekeningssystematiek en -principes (verdeelsleutels en -mechanismen van indirecte kosten; normen voor percentages, etc.) worden in de hele organisatie stelselmatig toegepast.
2.2 Kosten worden op een bedrijfseconomische aanvaardbare en stelselmatige wijze aan kostendragers toegerekend. Deze toerekening is transparant en controleerbaar.
2.3 Specifieke indirecte kosten van bepaalde activiteiten worden niet toegerekend aan andere activiteiten. Bijvoorbeeld: specifieke indirecte kosten van onderwijsactiviteiten worden niet toegerekend aan onderzoeksactiviteiten en specifieke indirecte kosten van de marketingafdeling worden niet toegerekend aan R&D activiteiten.
2.4 Toerekenbare indirecte kosten worden evenredig omgeslagen over de activiteiten.
2.5 Directe kosten worden niet nogmaals meegenomen in de indirecte kosten.
2.6 In de systematiek zijn geen winstopslagen opgenomen1
2.7 In de systematiek zijn geen toeslagen voor risico’s opgenomen.

1Winstopslagen bij transacties binnen een groep worden wel in aanmerking genomen, maar alleen voor zover het gebruikelijk is die winstopslagen ook bij soortgelijke transacties buiten de groep in rekening te brengen (art. 10 lid 5 Kaderbesluit nationale EZ subsidies).

3. Niet in de integrale kostensystematiek op te nemen kostencomponenten 3. Niet in de integrale kostensystematiek op te nemen kostencomponenten
3.1 Kosten van algemene research.1
3.2 Kosten die al door de overheid of derden zijn of worden gefinancierd. Bijvoorbeeld afschrijvingskosten van reeds gefinancierde gebouwen, installaties en apparatuur.
3.3 Kosten die het gevolg zijn van buitensporige of roekeloze uitgaven.2
3.4 Kosten die door crediteuren in rekening worden gebracht bij te laat betalen.
3.5 Kosten van incourante voorraden.
3.6 Kosten van vaste activa als gevolg van leegstand buiten de normale bezetting.
3.7 Kosten van externe subsidie-adviseurs voor zover deze specifiek betrokken zijn bij de aanvraag van individuele projecten.
3.8 Voorzieningen en reserveringen voor verliezen en schulden3.
3.9 Alle indirecte belastingen, waaronder BTW, voor zover die kunnen worden teruggevorderd of verrekend.
3.10 Bemiddelingskosten, transactiekosten en provisies bij het afsluiten van leningen.
3.11 Bemiddelingskosten, transactiekosten en provisies bij het beleggen van geld.
3.12 Rentekosten, met uitzondering van rente voor gebouwen en technische installaties, mits toerekenbaar aan de subsidiabele activiteiten.
3.13 Rekenrente op met eigen vermogen gefinancierde activa4
3.14 Wisselkoersverliezen.

1Onder algemene research valt basisonderzoek, waaronder het eerste geldstroom onderzoek van universiteiten. De directe kosten van algemene research mogen niet zonder meer deel uitmaken van de integrale kostensytematiek. De indirecte kosten die aan algemene research zijn verbonden kunnen wel deel uitmaken van de systematiek, mits deze kosten evenredig worden omgeslagen over alle activiteiten.

2Van buitensporige uitgaven is sprake als subsidie-ontvanger beduidend meer betaalt voor producten, diensten of personeel dan tegen de gangbare markttarieven, waardoor een vermijdbaar verlies wordt geleden of een vermijdbare hoge prijs wordt betaald. Roekeloze uitgaven betreft het onzorgvuldig omgaan met het selecteren van producten, diensten of personeel waardoor eveneens een vermijdbaar verlies wordt geleden of een vermijdbare hoge prijs wordt betaald.

3Deze uitsluiting betreft reserveringen en voorzieningen die niet rechtstreeks aan kosten voor normale bedijfsuitoefening verbonden zijn. Overlopende activa en passiva zijn dus niet uitgesloten.

4Voor universiteiten geldt hier een uitzondering, voor zover activa van universiteiten beslag leggen op eigen vermogen en voor zover die activa toerekenbaar zijn aan de subsidiabele activiteiten. Als rekenrente moet dan de 10-jaars rente van de Bank Nederlandse Gemeenten per primo van een betreffend jaar gehanteerd worden.

Bijlage 1.2. , behorende bij artikel 1.3 van de Regeling nationale EZ-subsidies

Vervallen

Bijlage 1.3. behorende bij artikel 1.5 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies

Controleprotocol Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies

1. Uitgangspunten

1.1. Doelstelling

Dit protocol heeft als doel het geven van aanwijzingen over de reikwijdte en de diepgang van de controle aan de accountant, belast met de controle van de door de subsidieontvanger bij het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) en het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) in te dienen financiële verantwoording opgenomen in de aanvraag om subsidievaststelling. Financiële afrekening door EZK of LNV vindt plaats op basis van de in de aanvraag tot subsidievaststelling opgenomen financiële verantwoording als bedoeld in artikel 50 van het Kaderbesluit nationale EZK-en LNV-subsidies, voorzien van een controleverklaring van de accountant.

1.2. Definities

1.3. Wet- en regelgeving

Voor de controle van de financiële verantwoording is de volgende wet- en regelgeving van toepassing, voor zover deze financiële verantwoording onderdeel van het verzoek tot subsidievaststelling van de subsidieontvanger is:

2. Controleaanpak

De controle van de financiële verantwoording moet voldoen aan de controlestandaarden die onderdeel zijn van de Nadere voorschriften controle- en overige standaarden (NV COS), die door de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) zijn vastgesteld en aan de aanwijzingen zoals opgenomen in dit protocol. De controle van de financiële verantwoording is een opdracht die wordt uitgevoerd op basis van Standaard 800 ‘Bijzondere overwegingen – controles van financiële overzichten die zijn opgesteld in overeenstemming met de stelsels voor bijzondere doeleinden’ en Standaard 805 ‘Bijzondere overwegingen – controles van enkel financieel overzicht en controles van specifieke elementen, rekeningen of posten van een financieel overzicht’.

Bij de uitvoering van de controle stelt de accountant vast dat:

3. Betrouwbaarheid en materialiteit

Betrouwbaarheid betreft de mate van zekerheid. Materialiteit of tolerantie betreft de vereiste nauwkeurigheid die de accountant hierbij moet hanteren.

Bij zijn oordeelsvorming over de naleving van de subsidievoorwaarden streeft de accountant naar een redelijke mate van zekerheid. Indien dit begrip voor het gebruik van statistische technieken gekwantificeerd moet worden, wordt een betrouwbaarheid van 95 procent gehanteerd.

Een controleverklaring met een goedkeurende strekking impliceert dat, gegeven eerder genoemde betrouwbaarheid, de som van de afwijking en de onzekerheid niet groter is dan twee procent van het totaalbedrag aan subsidiabele kosten dat in de financiële verantwoording wordt verantwoord. De hierna vermelde materialiteitsgrenzen zijn in dit kader van toepassing voor de bepaling van de strekking van de af te geven controleverklaring.

4. Verslaglegging

De accountant legt de uitkomsten van de controle vast in een controleverklaring. Hiervoor wordt de meest actuele NBA-voorbeeldtekst als basis gehanteerd.

5. Reviewbeleid

De minister heeft als subsidieverstrekker altijd de mogelijkheid een review uit te voeren of te laten uitvoeren bij de accountant belast met het onderzoek naar de informatie opgenomen in de aanvraag tot subsidievaststelling, teneinde na te gaan of het onderzoek met inachtneming van de relevante regelgeving van de NBA en dit controleprotocol is uitgevoerd. Deze reviews komen niet in de plaats van andere controles dan wel reviews uitgevoerd door de Algemene Rekenkamer.

De accountant die belast is met het onderzoek en verantwoordelijk is voor het verstrekken van het accountantsproduct bij de aanvraag tot subsidievaststelling stemt er mee in dat de onderzoeksdossiers ten behoeve van bovengenoemde reviews integraal aan de reviewers ter inzage worden gegeven. Voorts zal de accountant, schriftelijk dan wel mondeling, alle gevraagde gegevens verstrekken die in het kader van voornoemde reviews worden opgevraagd. In dit kader wordt verwezen naar de bepalingen in hoofdstuk 6, paragraaf 1, van de Comptabiliteitswet 2016.

Bijlage 2.2. behorende bij artikel 2.2.1 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (lijst overbelaste Natura 2000-gebieden)

Vervallen

Bijlage 2.2.1. behorende bij artikel 2.2.2

Hoofdthema’s onderzoek Kas als Energiebron:

    1. Energiebesparing en efficiënt gebruik van energie, onder andere:
  • •. duurzame kas- en teeltconcepten;
  • •. schermen en kasdekmaterialen;
  • •. ontvochtiging en terugwinning latente warmte;
  • •. warmteopslag;
  • •. verdamping en vochtbeheersing, of
  • •. belichting.
    1. Duurzame opwek en energiebronnen, onder andere:
  • •. duurzame energiebronnen, zoals geothermie, acquathermie, zonne-energie, waterstof;
  • •. gebruik restwarmte, of
  • •. warmtepompen.
    1. Besparing CO2-verbruik en nieuwe bronnen, onder andere:
  • •. CO2 doseren, of
  • •. nieuwe bronnen van duurzame CO2.
    1. Digitalisering, smart grid en lokale energie- en CO2-systemen.

De hoofdthema’s worden hieronder nader toegelicht aan de hand van een aantal voorbeeld subthema’s. Dit is geen limitatieve lijst van subthema’s. Onderzoeksvoorstellen kunnen breder zijn dan deze subthema’s, of zelfs betrekking hebben op een geheel nieuw subthema, zo lang zij binnen de hoofdthema’s blijven.

Bij alle (sub)thema’s is het van belang om rekening te houden met de praktijk en de toepasing van Het Nieuwe Telen en de samenhang en het integrale karakter van de verschillende teeltfactoren in praktijkonderzoek en onderzoek in proefkassen. Het Nieuwe Telen combineert energiezuinig telen met het behalen van een optimale productie. Hierbij staat de plant centraal waardoor een gezond en weerbaar gewas met hoge opbrengst en kwaliteit samen kan gaan met een laag energiegebruik. Bij onderzoek naar energiebesparing en energie-efficientie is ook aandacht nodig voor de plantgezondheid, weerbaar telen, de rol van mineralen, water en het wortelmilieu.1https://www.kasalsenergiebron.nl/besparen-hnt/het-nieuwe-telen/.

Dit subthema richt zich op het bepalen van het optimale kasconcepten of teeltconcepten voor verschillende gewasgroepen. Het doel is energiebesparing en zo efficient mogelijk gebruik van energie of zelfs klimaatneutraliteit, met behoud van kwaliteit en kwantiteit van de gewasproductie.

Binnen een kas- of teeltconcept zijn de volgende aspecten van belang voor het energiegebruik en de gewasgroei: temperatuur (verwarming/koeling), luchtvochtigheid, licht, ventilatie en CO2 niveau. Aan al deze aspecten kan gesleuteld worden om het energiegebruik en de CO2 uitstoot omlaag te brengen.

Daarbij zijn onder andere de volgende vragen van belang:

Welke kas- en teeltconcepten dragen bij aan een zo energiezuinig mogelijke teelt per gewasgroep? Welke aspecten zijn daarbij van belang en hoe kunnen die geadresseerd worden? Welke restvraag aan energie blijft er nog over voor de verschillende gewasgroepen en hoe kan die klimaatneutraal worden ingevuld? Welke stappen kunnen bestaande kassen maken inclusief economische haalbaarheid nu en in de toekomst? Welke stappen en opties zijn er voor nieuwe kassen? Wat zijn no-regret maatregelen, wat zijn mogelijke vervolgstappen en met welke aspecten moet rekening worden gehouden bij (ver)nieuwbouw? Welke knelpunten zijn er nog bij de ontwikkeling van techniek, kennis en configuratie?

Ook onderzoeksvoorstellen gericht op het ontwikkelen en demonstreren van nieuwe kas- en teeltconcepten gericht op energiebesparing en efficient gebruik van energie passen binnen dit subthema. Daarnaast is onderzoek naar compleet nieuwe teeltsystemen gericht op energiebesparing mogelijk.

Schermen en kasdekmaterialen kunnen in belangrijke mate bijdragen aan energiebesparing, maar brengen ook uitdagingen met zich mee op het gebied van lichtdoorlatendheid en ontvochtiging. Onderzoek dat zich bezig houdt met het ontwikkelen of testen van nieuwe kasdekken, schermen of materialen passen binnen dit subthema. Te denken valt aan hoog isolerende schermen met goede lichtdoorlating, andere vormen van flexibele isolatie, de combinatie van schermen met ontvochtigingsinstallaties en belichting, terugwinning van latente warmte en dergelijke. Het effect op zowel energie als op gewas(productie) is daarbij van belang.

Met name voor belichte- en koelere teelten is ontvochtiging en de (terug)winning van latente warmte interessant. De inpassing qua klimaat en economische aspecten (dimensionering bijvoorbeeld) is nog een uitdaging, met name de samenhang tussen de water- en voedingshuishouding van het gewas en de gebruikte schermen. Belangrijke aspecten daarbij zijn een constant klimaat in samenhang met de luchtbeweging en de invloed daarvan op de verdamping van het gewas. Onderzoeken naar nieuwe ontwikkelingen rondom de verschillende ontvochtigingsystemen en doorbraken die deze toepassing (sneller) mogelijk maken voor de glastuinbouw in de nabije toekomst passen ook binnen dit subthema. Ook de toepassing van technieken die zich in kleiner proefkassen bewezen hebben op grotere schaal is van belang. Er is daarom behoefte aan meer demonstratieprojecten in de praktijk inclusief monitoring.

De seizoensopslag van warmte om warmte vanuit de zomer op te kunnen slaan voor gebruik in winter kan een belangrijke mogelijkheid zijn om bij te dragen aan de energiebalans. Hiervoor zijn al diverse opties onderzocht, waaronder warmte koude opslag in acquifers. Onderzoeken naar het toepassen van middelhogetemperatuuropslag (MTO) en hogetemperatuuropslag (HTO) vallen ook binnen dit thema, inclusief het ontwikkelen van beheerstrategieen per type teelt en het optimaliseren van de warmteopslag en restwarmte. Ideeën over vervolgonderzoek of nieuwe mogelijkheden zijn welkom.

Als een kas heel goed geïsoleerd is, is de verdamping of vochtbeheersing de grootste warmtevrager. Het is daarom van belang om deze verdamping te beperken en/of goed te beheersen en zo mogelijk de latente warmte terug te winnen. Daarnaast heeft het overschakelen op LED-belichting ook gevolgen voor de verdamping en de warmtevraag. Hoe kan dat in de praktijk goed gemeten worden, wat zijn de grenzen van verdamping van het gewas en wat zijn de effecten van verschillende klimaatbeheersingssystemen op de verdamping? Hoe kan de teler datagedreven beslissingen nemen over de benodigde verdamping?

Belichting is na warmte de belangrijkste energievrager in de glastuinbouw, hoewel dit sterk verschilt per teelt. Het is van belang om zoveel mogelijk te besparen op belichting en de resterende energievraag zo efficient en duurzaam mogelijk in te vullen. Door over te schakelen van SON-T op LED wordt een belangrijke besparing bereikt. Uit de praktijk blijkt dat de inzet van LED echter allerlei vraagstukken met zich mee brengt. Van belang hierbij is onder andere de samenhang van lichtintensiteit, spectrum, daglengte, warmte en vocht. Voorbeelden zijn wat het gemis aan warmtestraling betekent voor de energie, vocht- en assimilatenbalans van het gewas, maar ook voor de balansen van de kas en de (verticale) temperatuurverdeling. Bij LED moet ook nagedacht worden over wat dat betekent voor de voedings- en wateropname van het gewas en de gevolgen voor de gift. Ook kan LED spectrale effecten hebben op bijvoorbeeld de plantweerbaarheid en biologische bestrijders en zijn er vragen rondom de lichtbenuttingsefficientie. Onderzoek naar oorzaken en mogelijke oplossingen van deze vraagstukken zijn nodig. Onderzoek in proefkassen en/of monitoring in de praktijk kan daarbij ondersteunend zijn.

In de glastuinbouw wordt al gewerkt met diverse duurzame energiebronnen waaronder geothermie, acquathermie, gebruik van restwarmte, zonnepanelen, gebruik van eigen reststromen voor opwek van energie. Welke gevolgen heeft de inzet van deze bronnen voor energiegebruik en gewasproductie? Hoe kunnen deze bronnen door zoveel mogelijk tuinders gebruikt worden? Welke nieuwe mogelijkheden zijn er nog meer voor tuinders om zelf te voorzien in behoefte aan duurzame energie? Hoe passen duurzame energiebronnen in de kas en teeltsystemen? Welke mogelijkheden zijn er om de kas te elektrificeren per type bedrijf met of zonder collectieve warmte? Welke rol kunnen warmtepompen met en zonder WKO daarbij spelen?

Onderzoek naar efficiënt doseren, het tijdelijk bufferen van CO2 en alternatieve CO2-bronnen vallen onder dit subthema. CO2 is van groot belang voor de gewasproductie. De hoeveelheid doseerbare CO2 uit aardgas neemt af door minder en efficienter gebruik van de WKK. Het aanbod van (groene) CO2 uit de industrie neemt eveneens af doordat opslag van CO2 voor de industrie gunstiger wordt dan hergebruik. Een optimale dosering en een optimalere benutting door het gewas en minimalisatie van het verlies van CO2 is daarom van groot belang. Daarvoor zijn nieuwe ideeën nodig en aandacht voor bewustwording/kennisoverdracht rond efficiënt CO2 doseren. Daarnaast is er onderzoek nodig naar de mogelijkheden voor en het gebruik van nieuwe externe CO2 bronnen, zoals direct air capture en het tijdelijk bufferen van CO2. Dit laatste is met name van belang bij het overbruggen van perioden waar geen vraag is vanuit het gewas (bijvoorbeeld ’s nachts) en er wel productie is van CO2. Een belangrijke voorwaarde bij gebruik van CO2 uit nieuwe bronnen is dat de kwaliteit van de CO2 voldoende is en veilig is voor plant en mens.

Een goed energiemanagementsysteem is van groot belang voor efficient energiegebruik. Meten is weten. Data spelen daarin een belangrijke rol. De ontwikkeling van sensoren, energiesystemen, data-analyse, gebruik van artificial intelligence en monitoring is daarbij van belang. Door realtime monitoring van energiegebruik en gewasgroei kan energie zo efficient mogelijk ingezet worden en kan de teler datagedreven teeltbeslissingen nemen.

Een smart grid is een intelligent elektriciteitsnetwerk dat energieaanbod en -vraag slim op elkaar afstemt. Dat kan binnen het bedrijf, maar hier wordt dit gedefinieerd als een slim systeem waarmee tuinders bedrijfsoverstijgend energie kunnen uitwisselen en daarmee efficiënter met energie kunnen omgaan en kosten kunnen besparen. Welke mogelijkheden en uitdagingen zijn er voor bedrijven om met anderen energie uit te wisselen, gezamenlijk duurzame energie op te wekken of op te slaan (batterij, WKO), restenergie in te kopen (warmte van industrie, biomassa), overtollige energie te verhandelen, energie efficiënter te gebruiken of in te spelen op fluctuaties in het energiesysteem? Het ontwikkelen van algemene kennis voor de aanpak van een lokaal energiesysteem kan het onderwerp van een onderzoek zijn. Het ontwikkelen van een concrete lokale gebiedsaanpak valt echter niet binnen dit subthema.

Bijlage 2.2.2. behorende bij artikel 2.2.8, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 2

Onderdeel Hoeveelheid punten Hoeveelheid punten Hoeveelheid punten
Verwachte bijdrage aan CO2-reductie, als bedoeld in artikel 2.2.8, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1 1 punt (beperkt) 2 punten (gemiddeld) 3 punten (groot/essentieel)
Aandeel niet-energie gerelateerde aspecten in project, als bedoeld in artikel 2.2.8, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1 1 punt (veel) 2 punten (beperkt) 3 punten (geen)
Voorbeeldwerking/ gewas-overstijgendheid, als bedoeld in artikel 2.2.8, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1 1 punt (klein) 2 punten (redelijk) 3 punten (groot/breed)
Praktijkrijpheid na onderzoek/project, als bedoeld in artikel 2.2.8, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2, ten tweede 1 punt (groot) 2 (beperkt) 3 punten (klein)

Deze tabel wordt gebruikt bij de berekening van de gewenste omvang van de eigen bijdrage van de sector. Dit is een onderdeel van het rangschikkingscriterium in artikel 2.2.8, eerste lid, onderdeel c.

Op elk van de vier onderdelen wordt een score toegekend. Er kunnen minimaal 4 en maximaal 12 punten behaald worden.

Score ≥10: geen eigen bijdrage noodzakelijk en 100% subsidie

score 8–9: 10% eigen bijdrage en 90% subsidie

score 6–7: 50% eigen bijdrage en 50% subsidie

score 0≤5: meer dan 50% eigen bijdrage en minder dan 50% subsidie

Hoe meer het onderzoek bijdraagt aan de specifieke doelen van Kas als Energiebron en daarmee aan het maatschappelijk doel van CO2-reductie, hoe groter de bijdrage vanuit de overheid gerechtvaardigd is. Voor onderzoek dat weliswaar bijdraagt aan CO2-reductie, maar dat daarnaast ook diverse andere doelen dient die niet direct gerelateerd zijn aan energie, zoals bijvoorbeeld circulariteit, beperking gewasbescherming, zuivering afvalwater of hergebruik reststromen, ligt een grote bijdrage vanuit deze subsidieregeling minder voor de hand. Er wordt dan een eigen bijdrage van andere partijen verwacht. Dat kunnen tuinders of leveranciers zijn, maar ook bijvoorbeeld producentenorganisaties. Een grotere eigen bijdrage van bijvoorbeeld een gewascoöperatie wordt verwacht als het onderzoek weinig gewasoverstijgend is of een beperkte voorbeeldwerking heeft voor andere gewassen. De resultaten komen dan ten goede aan een beperkt deel van de totale glastuinbouwsector waardoor een grotere eigen bijdrage van dat deel van de sector gerechtvaardigd is. Dat geldt ook voor een onderzoek dat dichter tegen de markt aan zit en waarvan de resultaten redelijk praktijkrijp zijn en snel door tuinders toegepast kunnen worden. Tuinders profiteren dan sneller van het onderzoek.

Bijlage 2.2.3. behorende bij artikel 2.2.33, eerste lid, onderdeel a, van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (pluimveedichtgebied)

Vervallen

Bijlage 2.3.1. behorende bij artikel 2.3.2, tweede lid, onderdeel i, van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies

Vermogen SON-T belichting per gewas Vermogen SON-T belichting per gewas
Gewas W/m2
Lisianthus 145
Roos 145
Potroos 145
Aardbei 110
Komkommer 110
Tomaat 110
Overig groenten m.u.v. kropsla 75
Alstroemeria 75
Bouvardia 75
Chrysant 75
Fresia 75
Gerbera 75
Lelie 75
Potplant bloei 75
Uitgangsmateriaal 75
Kropsla 40
Overig bloemen 40
Potplant blad 40

Bijlage 2.4.1. behorende bij artikel 2.4.1 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies

Vervallen

Bijlage 2.5.1. behorende bij artikel 2.5.7 van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies

Overeenkomst tussen:

hierna samen te noemen: Partijen.

Partijen zijn het volgende overeengekomen:

I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Definitiebepalingen

Artikel 2. Borgstelling

De Staat stelt zich borg ten behoeve van de Financier voor de terugbetaling van LV-borgstellingskredieten die met inachtneming van het besluit, titel 2.5 van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies en deze overeenkomst door de Financier worden verstrekt, met dien verstande dat deze borgstelling wordt aangegaan onder de navolgende bedingen.

Artikel 3. Voorwaarden LV-borgstellingsovereenkomst

De toepasselijkheid van deze LV-borgstellingsovereenkomst op een krediet of een deel van een krediet kan uitsluitend worden ingeroepen indien:

Artikel 4. Criteria voor LV-ondernemer bij verstrekken LV-borgstellingskrediet

Artikel 5. Criteria kredietovereenkomst: investeringen algemeen

Artikel 6

Vervallen.

Artikel 6a

Vervallen.

Artikel 7

Vervallen.

Artikel 7a

Vervallen.

Artikel 7b

Vervallen.

Artikel 8. Verlening LV-borgstellingskrediet

Artikel 9. Voorwaarden LV-borgstellingskrediet -algemeen-

Een LV-borgstellingskrediet wordt niet verleend indien:

Artikel 10. Voorwaarden LV-borgstellingskrediet -voorkomen onrechtmatige staatssteun-

Artikel 11. Provisie

Artikel 12. Maximale omvang van het LV-borgstellingskrediet

Artikel 13

Vervallen.

Artikel 14. Berekening omvang en duur van de borgstelling

Artikel 15. Schorsing vermindering borgstelling

Artikel 16. Verzoek om betaling uit hoofde van de LV-borgstellingsovereenkomst

Artikel 17. Berekening omvang borgstelling bij uitbetalen

Artikel 18. Betaling door de Staat

Artikel 19. Inspanningsverplichting tot uitwinning LV-borgstellingskrediet

Artikel 20. Verslag voortgang uitwinning bij verzoek om betaling borgstelling

Artikel 21. (Terug)betalen LV-borgstellingskrediet

Artikel 22. Voorwaarden schuldregeling LV-borgstellingskrediet

Artikel 23. Vervallen verplichtingen van de Staat uit hoofde van deze overeenkomst

Artikel 24. Procedure bij aanleveren onjuiste gegevens door Financier

Reeds uitgekeerde bedragen zijn terstond en zonder enige ingebrekestelling opeisbaar zodra de minister blijkt dat de Financier zodanig onjuiste of onvolledige informatie heeft verschaft dat hij op een verzoek om betaling een andere beslissing zou hebben genomen, indien hem de juiste gegevens volledig waren verschaft, of dat de Financier de betalingsverplichting, bedoeld in artikel 21, eerste lid, niet is nagekomen.

Artikel 25. Controle LV-borgstellingskrediet

Artikel 26. Beheer

Artikel 27. Hardheidsclausule

Indien naar het oordeel van de minister de kans dat de toepasselijkheid van deze overeenkomst op een krediet of een deel van een krediet wordt ingeroepen in belangrijke mate wordt verkleind of indien naar het oordeel van de minister aannemelijk is dat daardoor het bedrag waarvoor de toepasselijkheid van deze overeenkomst wordt ingeroepen in belangrijke mate wordt verlaagd, kan de minister voor de toepassing van deze overeenkomst met betrekking tot dat krediet of een deel van dat krediet instemmen met een gemotiveerd verzoek van de Financier om afwijking van deze overeenkomst.

Artikel 28. Communicatie

Waar in deze overeenkomst sprake is van een vorm van communicatie geschiedt deze langs elektronische weg. De aanlevering door de Financier kan in afwijking en bij wijze van alternatief en ter keuze van de Financier ook geschieden in papieren vorm en door aanlevering van een fysieke gegevensdrager.

Artikel 29. Overige bepalingen

Aldus overeengekomen en in ()voud ondertekend

De Staat der Nederlanden, te dezen vertegenwoordigd door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

namens deze:

(naam en functie vertegenwoordigers Financier)

te ‘s-Gravenhage

(statutaire naam van de Financier, naam en functie vertegenwoordiger(s) van de Financier)

Bijlage 2.6.1. , behorende bij de artikelen 2.6.5 en 2.6.7, onderdeel b, van de Regeling nationale EZ-subsidies

Vervallen

Bijlage 2.15.1. behorende bij artikel 2.15.9a van de Regeling nationale EZK-en LNV-subsidies

Vervallen

Bijlage 2.18.1. bij artikel 2.18.2 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies

Bijlage bij Subsidieregeling hoogwaardige mestverwerking

Bijlage - Combinaties van processen die in aanmerking komen voor de subsidiemodule hoogwaardige mestverwerking

In onderstaande tabel zijn de verschillende processen opgenomen die elk leiden tot hoogwaardige mestverwerking zoals gedefinieerd in titel 2.18 van deze regeling. De bovenste rij geeft het procesnummer aan, waar aan de hand van de ‘X’ kan worden afgelezen welke processtappen tot het proces behoren.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)