Regeling van de Minister van Economische Zaken van 11 juli 2014, nr. WJZ / 13125043, houdende vaststelling van nationale subsidie-instrumenten op het terrein van Economische Zaken (Regeling nationale EZ-subsidies)
De brutotonnage van het vissersvaartuig, bedoeld in het eerste lid, is de brutotonnage die op 6 oktober 2025 bij het vissersvaartuig was vermeld in het visserijregister.
De subsidie wordt verminderd met de vergoeding die de subsidieontvanger, na aftrek van de sloopkosten, ontvangt van het sloopbedrijf voor het vissersvaartuig.
Indien het vissersvaartuig verloren gaat op een tijdstip tussen het moment van subsidieverlening en het moment waarop het vissersvaartuig voor sloop wordt overgedragen aan het sloopbedrijf, wordt de subsidie bedoeld in het eerste lid, verminderd met het bedrag van de door de verzekering uitgekeerde vergoeding.
Artikel 2.26.4. Verdeling subsidieplafond
De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.
Artikel 2.26.5. Realisatietermijn
De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit is één jaar na de subsidieverlening.
De minister kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, op verzoek van de subsidieaanvrager eenmaal met ten hoogste één jaar verlengen indien dit naar het oordeel van de minister passend en geboden is.
Artikel 2.26.6. Afwijzingsgronden
Onverminderd de artikelen 22 en 23 van het besluit beslist de minister afwijzend op een aanvraag om subsidieverlening indien:
- a. hij het onaannemelijk acht dat de subsidieaanvrager tijdig zal voldoen aan de verplichtingen van artikel 2.26.9, eerste tot en met vierde, zevende en negende lid;
- b. het vaartuig op het moment van subsidieverlening niet staat ingeschreven in het visserijregister;
- c. het vaartuig op het moment van subsidieverlening niet in eigendom is van de subsidieaanvrager;
- d. de subsidieaanvrager op het moment van de subsidieverlening niet beschikt over een garnalenvergunning die ten behoeve van het vaartuig is verleend;
- e. toekenning van de subsidie leidt tot een schending van het toepasselijke Unierecht, waaronder situaties, genoemd in onderdelen 61 en 136 van het visserijsteunkader.
Artikel 2.26.7. Informatieverplichtingen bij aanvraag
Een aanvraag voor subsidieverlening op grond van artikel 2.26.2 bevat in ieder geval:
- a. gegevens over de eigenaar van een vissersvaartuig, waaronder de naam van de eigenaar van een vissersvaartuig, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en rekeningnummer;
- b. gegevens over de contactpersoon bij de eigenaar van een vissersvaartuig, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
- c. het CFR-nummer van het vissersvaartuig ten behoeve waarvan de subsidie wordt aangevraagd;
- d. de verklaring van de subsidieaanvrager als bedoeld in artikel 2.26.2, tweede lid, onderdeel g;
- e. logboekgegevens over de kalenderjaren 2021, 2022, 2023 en 2024, voor zover het vissersvaartuig gedurende die kalenderjaren of delen daarvan onder buitenlandse vlag heeft gevaren; en
- f. indien een pandrecht op een garnalenvergunning of vismachtiging is geregistreerd bij de minister, een verklaring als bedoeld in artikel 2.26.2, tweede lid, onderdeel h.
Artikel 2.26.8. Voorschot
In afwijking van de artikelen 45 tot en met 47 van het besluit verstrekt de minister ambtshalve één voorschot.
Het voorschot wordt ambtshalve verstrekt binnen twee weken na de datum van de beschikking tot subsidieverlening.
Het voorschot bedraagt 10% van het subsidiebedrag.
Artikel 2.26.9. Verplichtingen subsidieontvanger
De subsidieontvanger is verplicht om vóór de aanvraag tot subsidievaststelling ervoor zorg te dragen dat:
- a. het vissersvaartuig is gesloopt;
- b. de teboekstelling van het vissersvaartuig in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, is doorgehaald overeenkomstig artikel 195 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek;
- c. het sloopbedrijf een sloopverklaring afgeeft waarvoor door de minister een model ter beschikking wordt gesteld; en
- d. overeenkomstig artikel 7, eerste lid, van het Besluit registratie vissersvaartuigen 1998, mededeling wordt gedaan dat het vissersvaartuig niet meer gebruikt wordt als vissersvaartuig en is gesloopt.
De subsidieontvanger schrijft vanaf de dag dat de subsidie is aangevraagd tot en met vijf jaar en vier weken na de datum van de subsidievaststelling geen vissersvaartuig in het visserijregister in.
In de termijn, genoemd in het tweede lid, verhoogt de subsidieontvanger niet de vangstcapaciteit van een ander vaartuig, vraagt hiervoor geen visvergunning aan en vraagt geen garnalenvergunning voor een ander vaartuig aan.
Indien de subsidieontvanger deel uitmaakt van een groep, draagt de subsidieontvanger er tevens zorg voor dat de andere ondernemingen die deel uitmaken van die groep, of die binnen vijf jaar en vier weken na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling deel uitmaken van die groep, tot en met vijf jaar en vier weken na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling voldoen aan de verplichtingen, bedoeld in het tweede en derde lid.
De verplichtingen, genoemd in het eerste tot en met vierde lid, berusten in het geval van opheffing van de rechtspersoon die de subsidieontvanger is, gedurende de in die leden genoemde periode, bij de uiteindelijk begunstigde of de uiteindelijk begunstigden van de subsidie.
De verplichtingen, genoemd in het eerste lid, gelden niet in de situatie, bedoeld in artikel 2.26.10, vierde lid.
De subsidieontvanger onthoudt zich tot vijf jaar en vier weken na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling van gedragingen die leiden tot situaties, genoemd in onderdelen 61 en 136 van het visserijsteunkader.
De verplichtingen van de artikelen 39 en 40 van het besluit zijn niet van toepassing.
De subsidieontvanger besteedt de subsidie niet aan de vervanging of modernisering van een hoofd- of hulpmotor van een vissersvaartuig, tenzij wordt voldaan aan de in artikel 18 van verordening (EU) 2021/1139 gestelde eisen.
Artikel 2.26.10. Vaststelling subsidie
Onverminderd artikel 50, tweede lid, van het besluit gaat de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld van:
- a. de overeenkomst met het sloopbedrijf, waaruit blijkt welke vergoeding de subsidieontvanger, na aftrek van de sloopkosten, ontvangt van het sloopbedrijf voor het ter sloop overgedragen vissersvaartuig;
- b. een afschrift waaruit blijkt dat de teboekstelling van het vissersvaartuig in de openbare registers is doorgehaald; en
- c. een sloopverklaring als bedoeld in artikel 2.26.9, eerste lid, onderdeel c.
In afwijking van artikel 50, tweede lid, onderdeel c, van het besluit behoeft de aanvraag niet vergezeld te gaan van een controleverklaring.
De minister kan ten behoeve van de vaststelling van de subsidie bij de subsidieontvanger aanvullende informatie of bewijsstukken opvragen die nodig zijn om te beoordelen of voldaan is aan de bij deze regeling gestelde eisen.
In afwijking van het eerste lid wordt, indien het vissersvaartuig verloren gegaan is op een tijdstip tussen het moment van subsidieverlening en het moment waarop het vissersvaartuig voor sloop wordt aangeboden, bij de aanvraag tot subsidievaststelling meegezonden:
- a. een bewijs van het verloren gaan van het vissersvaartuig meegezonden;
- b. een afschrift waaruit blijkt dat de teboekstelling van het vissersvaartuig in de openbare registers is doorgehaald; en
- c. een verklaring van de verzekeringsmaatschappij omtrent de hoogte van de door de verzekering uitgekeerde vergoeding.
Artikel 2.26.11. Staatssteun
De subsidie, bedoeld in artikel 2.26.2, eerste lid, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de staatssteunmaatregel SA.117742 (2025/N).
Artikel 2.26.12. Vervaltermijn
Deze titel en bijlage 2.26 vervallen met ingang van 1 januari 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend.
Titel 2.27. Afzet van biologische landbouwproducten
Artikel 2.27.1. Begripsbepalingen
In deze titel wordt verstaan onder:
- afzet van biologische landbouwproducten: afzet van landbouwproducten als bedoeld in artikel 2, onderdeel 35, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw die van biologische productie afkomstig zijn zoals bedoeld in artikel 3, onderdeel 1, van Verordening (EU) 2018/848;
- biologisch samenwerkingsverband: een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband, niet zijnde een operationele groep als bedoeld in artikel 5.6.1. van de Regeling Europese EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2021, dat:
- a. gericht is op het bevorderen van de biologische landbouw en van de afzet van biologische landbouwproducten;
- b. bestaat uit ten minste twee niet in een groep verbonden ondernemingen als bedoeld in artikel 2, onderdeel 52, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
- c. is opgericht ten behoeve van de samenwerking als bedoeld in artikel 32, derde en vierde lid, onderdelen a en b, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; en
- d. voldoet aan artikel 32, zevende lid van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
- onderzoeksorganisatie: organisatie voor onderzoek en kennisdeling als bedoeld in artikel 2, onderdeel 83, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
- verordening (EU) 2018/848: verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 (PbEU 2018, L 150);
- verordening (EU) 2021/2115: verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013 (PbEU 2021, L 435);
- verordening (EU) 1308/2013: verordening (EU) 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PbEU 2013, L 347).
Artikel 2.27.2. Subsidieverlening
De Minister verleent op aanvraag van een penvoerder subsidie aan een deelnemer in een biologisch samenwerkingsverband voor de uitvoering van een project, als bedoeld in artikel 32, zesde lid, onder a tot en met e, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw dat gericht is op het vergroten van de afzet van biologische landbouwproducten.
Een deelnemer in een biologisch samenwerkingsverband komt uitsluitend voor subsidie als bedoeld in het eerste lid in aanmerking, indien:
- a. de deelnemer een kleine, middelgrote of micro-onderneming is als bedoeld in artikel 2, onderdeel 52, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
- b. de deelnemer overeenkomstig artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007 in het handelsregister is ingeschreven;
- c. de deelnemer gedurende de looptijd van de module aan ten hoogste twee projecten als bedoeld in het eerste lid deelneemt;
- d. aan de deelnemer ten hoogste twee maal subsidie op grond van het eerste lid is verstrekt.
De penvoerder is deelnemer van het biologisch samenwerkingsverband.
Indien in een biologisch samenwerkingsverband een landbouwer deelneemt, dient deze biologisch gecertificeerd te zijn als bedoeld in hoofdstuk V van Verordening (EU) 2018/848 dan wel in omschakeling naar biologische productie als bedoeld in artikel 10 van Verordening (EU) 2018/848.
Het project, bedoeld in het eerste lid draagt bij aan ten minste één van de doelstellingen bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdelen a, b, e of i, en aan de doelstelling bedoeld in artikel 6, tweede lid, van Verordening (EU) 2021/2115.
Artikel 2.27.3. Hoogte subsidie
De subsidie bedraagt 80% van de subsidiabele kosten per project doch ten minste € 100.000 en ten hoogste € 500.000 per project.
Een deelnemer van een biologisch samenwerkingsverband dat in aanmerking komt voor subsidie ontvangt van de Minister ten minste € 25.000 per project.
Artikel 2.27.4. Subsidiabele kosten
Voor subsidie komen uitsluitend kosten ten behoeve van het project, bedoeld in artikel 2.27.2, eerste en vijfde lid, in aanmerking voor zover deze zien op:
- a. uitvoeringskosten, voor zover het de volgende activiteiten betreft:
- 1°. coördinatie van het biologisch samenwerkingsverband;
- 2°. operationele activiteiten die direct verbonden zijn aan de uitvoering van het project;
- 3°. projectmanagement en projectadministratie;
- b. kosten voor de organisatie van promotie- en voorlichtingsacties die direct verbonden zijn aan de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 2.27.2, eerste en vijfde lid, inhoudende:
- 1°. workshops, conferenties, of voorlichtingsacties gericht op vaardigheden van ondernemingen als bedoeld in de artikelen 1, eerste lid onderdeel a, en 21, derde lid, onderdelen a tot en met c, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
- 2°. het organiseren van en deelnemen aan wedstrijden, handelsbeurzen en tentoonstellingen als bedoeld in artikel 24, vierde lid, onderdelen a tot en met e, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; of
- 3°. publicaties om biologische landbouwproducten beter bekend te maken bij het brede publiek als bedoeld in artikel 24, vijfde lid, onderdelen a en b, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw.
De kosten voor symbolische prijzen, als bedoeld in artikel 24, vierde lid, onderdeel e, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, komen voor subsidie slechts in aanmerking indien de prijs werkelijk is uitgereikt en na voorlegging van een bewijs van die uitreiking.
Voor subsidie komen niet in aanmerking:
- a. voorbereidingskosten, betreffende de oprichting van een biologisch samenwerkingsverband en het gezamenlijk formuleren van een projectplan;
- b. certificeringskosten als bedoeld in artikel 34, zevende lid, van Verordening (EU) 2018/848.
Artikel 2.27.5. Verdeling subsidieplafond
De Minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.
Artikel 2.27.6. Start- en realisatietermijn
Met de uitvoering van de op grond van deze paragraaf gesubsidieerde projecten wordt gestart binnen drie maanden na de subsidieverstrekking.
Het project is uiterlijk 3 jaar na subsidieverlening afgerond.
Artikel 2.27.7. Subsidieaanvraag
Een aanvraag voor een subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van een door de Minister beschikbaar gesteld middel.
Door een biologisch samenwerkingsverband kan maximaal één aanvraag worden ingediend voor een project, bedoeld in artikel 2.27.2, eerste en vijfde lid.
Artikel 2.27.8. Afwijzingsgronden
De Minister beslist afwijzend op een aanvraag tot subsidieverlening voor een project bedoeld in artikel 2.27.2, eerste en vijfde lid, indien:
- a. de subsidie minder bedraagt dan € 100.000 per project;
- b. in de aanvraag onvoldoende is onderbouwd hoe het project bijdraagt aan het realiseren van verbetering van de afzet van biologische landbouwproducten;
- c. op grond van:
- 1°. artikel 2.27.9, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, minder dan zeven punten zijn toegekend;
- 2°. artikel 2.27.9, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, minder dan zes punten zijn toegekend;
- 3°. artikel 2.27.9, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, minder dan zes punten zijn toegekend;
- 4°. artikel 2.27.9, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, minder dan vier punten zijn toegekend;
- d. voor het project op grond van titel 5.6 van de Regeling Europese EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2021 reeds subsidie is verstrekt voor de subsidiabele kosten of een deel daarvan;
- e. in het biologisch samenwerkingsverband een onderzoeksorganisatie deelneemt;
- f. indien de subsidie aan een deelnemer van een biologisch samenwerkingsverband op grond van artikel 2.27.4 minder bedraagt dan € 25.000 per project;
- g. met de uitvoering van het project is gestart voordat de aanvraag om subsidie is ingediend;
- h. het project betrekking heeft op de ontwikkeling van korte toeleveringsketens, als bedoeld in artikel 32, zesde lid, onder d en e, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw waarbij er tussen de landbouwer en de consument meer dan één intermediair is;
- i. de verlening van subsidie in strijd zou zijn met de artikelen 206 tot en met 210 bis van Verordening (EU) nr. 1308/2013;
- j. de verlening van subsidie niet in overeenstemming is met de artikelen 21, 24 of 32 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
- k. de in artikel 2.27.4, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 3°, bedoelde publicatie verwijst naar een specifieke onderneming, merknaam of oorsprong als bedoeld in artikel 24, derde lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
- l. de subsidie gebruikt wordt om de prijs van biologische landbouwproducten te verlagen.
Artikel 2.27.9. Beoordelingscriteria
De Minister kent aan een aanvraag, op basis van het bijbehorende projectplan, een aantal punten toe en dat is hoger naarmate:
- a. de impact op de afzet van biologische landbouwproducten door het project is onderbouwd;
- b. met het projectplan is onderbouwd hoe verbetering van de afzet van biologische landbouwproducten wordt gerealiseerd;
- c. aan het samenwerkingsverband deelnemers deelnemen met expertise, kennis of ervaring met biologische landbouwproducten;
- d. is onderbouwd dat het project vernieuwend is.
De Minister kent per criterium als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met d, ten minste één en ten hoogste tien punten toe.
Artikel 2.27.10. Informatieverplichtingen
Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.27.2, eerste en vijfde lid, bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw.
Onverminderd het eerste lid, bevat een aanvraag voor subsidie ten minste:
- a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de onderneming, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer;
- b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
- c. gegevens van de ondernemingen die geen aanvrager zijn en deelnemen in het samenwerkingsverband;
- d. een projectplan, inclusief beschrijving van het project, de beoogde activiteiten en activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, de wijze van uitvoering daarvan, de rol en de taken van de bij de uitvoering van de betrokken partijen, een planning, de start- en einddatum, en een begroting;
- e. de samenwerkingsovereenkomst;
- f. een onderbouwing van hoe verbetering van de afzet van biologische producten met het project wordt beoogd en de te verwachten resultaten;
- g. een beschrijving van de expertise, kennis en ervaring van de deelnemers aan het biologisch samenwerkingsverband en hoe dit bijdraagt aan de te verwachten resultaten als bedoeld in onderdeel f;
- h. een beschrijving in hoeverre het project vernieuwend is ten opzichte van al bestaande initiatieven;
- i. bewijsstukken waarmee wordt aangetoond dat de activiteit als bedoeld in artikel 2.27.4, onderdeel b, daadwerkelijk zal plaatsvinden.
De projectbegroting, bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, bevat ten minste:
- a. de omvang van de gevraagde subsidie per deelnemer in het biologisch samenwerkingsverband met, indien van toepassing, een overzicht van de uren die de deelnemer gaat besteden aan de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd:
- b. de totale kosten van het project:
- c. onderbouwde informatie over de wijze waarop de deelnemers van het samenwerkingsverband hun eigen aandeel in de projectkosten financieren.
De samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, bevat ten minste een overzicht van de aan het biologisch samenwerkingsverband deelnemende partijen en de verdeling van verantwoordelijkheden, bevoegdheden en financiële verplichtingen van de deelnemers, alsmede een bewijsstuk waaruit blijkt dat de penvoerder bevoegd is om namens de deelnemers aan het biologisch samenwerkingsverband te handelen.
Bij een aanvraag om subsidie wordt mededeling gedaan van andere inkomsten, waaronder subsidies, waarmee de activiteit waarop de subsidie betrekking heeft wordt gefinancierd.
Artikel 2.27.11. Verplichtingen subsidieontvanger
In de in artikel 2.27.4, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 3°, bedoelde publicatie mag niet worden verwezen naar een specifieke onderneming, merknaam of oorsprong als bedoeld in artikel 24, derde lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
Als de activiteit als bedoeld in artikel 2.27.4, eerste lid, onderdeel b, door producentengroeperingen en -organisaties wordt uitgevoerd, mag lidmaatschap van die groeperingen of organisaties geen voorwaarde voor deelname zijn.
Bijdragen van niet-leden in de administratiekosten van de betrokken producentengroepering of -organisatie als bedoeld in het derde lid, zijn beperkt tot de kosten van de uitvoering van de betreffende activiteit als bedoeld in artikel 2.27.4, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 1°.
Artikel 2.27.12. Staatssteun
De subsidie bedoeld in artikel 2.27.2 bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de artikelen 21, 24 of 32 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw.
Artikel 2.27.13. Vervaltermijn
Deze titel vervalt met ingang van 1 januari 2031, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn verleend.
Titel 2.28. Hygiënisatie- en drooginstallaties
Artikel 2.28.1. Begripsbepalingen
In deze titel wordt verstaan onder:
- benchmark: het energiegebruik uitgedrukt in kWh per ton aangevoerd product per basistechniek zoals beschreven in bijlage 2.28.1;
- dierlijke meststoffen: dierlijke meststoffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Meststoffenwet;
- drooginstallatie: een systeem voor mestbewerking, waarbij gebruik wordt gemaakt van een werkingsprincipe en basistechniek zoals beschreven in bijlage 2.28.1, tabel 2;
- definitieve erkenning: definitieve erkenning bedoeld in artikel 44, tweede lid, van Verordening nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009;
- energie uit hernieuwbare energiebronnen: energie uit hernieuwbare bronnen als bedoeld in artikel 2, onderdeel 109, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
- hygiënisatie-installatie: een systeem voor mestbewerking, waarbij gebruik wordt gemaakt van een werkingsprincipe en basistechniek zoals beschreven in bijlage 2.28.1, tabel 1;
- intermediaire onderneming: onderneming als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder o, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet;
- leverancier van meststoffen: leverancier van meststoffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder u, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet;
- mestbewerking: het behandelen van dierlijke meststoffen waardoor de eigenschappen veranderen, maar het eindproduct een dierlijke meststof blijft;
- pluimveemest: dierlijke mest van kalkoenen en kippen;
- voorwaardelijke erkenning: voorwaardelijke erkenning bedoeld in artikel 44, tweede lid, van Verordening nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009.
Artikel 2.28.2. Subsidieverstrekking
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een intermediaire onderneming voor de uitvoering van een investeringsproject betreffende een investering of combinatie van investeringen die bestemd is respectievelijk zijn voor:
- a. de inrichting van een hygiënisatie-installatie; of
- b. de inrichting van een drooginstallatie.
Een intermediaire onderneming dient maximaal één aanvraag gedurende de termijn als bedoeld in artikel 2.28.15 voor subsidie voor de uitvoering van een investeringsproject in.
Artikel 2.28.3. Hoogte subsidie
De subsidie bedraagt 40% van de subsidiabele kosten.
Onverminderd het eerste lid bedraagt het subsidiebedrag minimaal € 60.000 en maximaal € 1.000.000 per investeringsproject.
Artikel 2.28.4. Subsidiabele kosten
Voor subsidie komen uitsluitend de kosten, bedoeld in artikel 47, zevende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening in aanmerking.
Onverminderd het eerste lid komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking:
- a. kosten die gemaakt worden om te voldoen aan wettelijke verplichtingen;
- b. kosten voor het bouwrijp maken van de grond, inclusief de kosten voor de sloop van aanwezige bebouwing;
- c. advieskosten omtrent bouwtekeningen; en
- d. kosten voor het transport of anderszins voor de aan- of aanvoer van mestproducten.
Artikel 2.28.5. Verdeling van het subsidieplafond
De minister verdeelt het plafond voor investeringsprojecten als bedoeld in artikel 2.28.2, eerste lid, onderdeel a, en het plafond voor investeringsprojecten als bedoeld in artikel 2.28.2, eerste lid, onderdeel b, op volgorde van rangschikking van de desbetreffende aanvragen.
Indien blijkt dat het totale bedrag van de te verlenen subsidies voor projecten als bedoeld in artikel 2.28.2, eerste lid, onderdeel a, of artikel 2.28.2, eerste lid, onderdeel b, lager is dan het subsidieplafond dat voor de desbetreffende soort projecten is vastgesteld, wordt het voor het ene soort projecten overblijvende bedrag zo nodig aan het subsidieplafond voor het andere soort projecten toegevoegd.
Bij onderuitputting van beide subsidieplafonds wordt het overblijvende bedrag van het andere subsidieplafond toegevoegd aan het subsidieplafond van het project dat bezien over beide rangschikkingen de meeste punten heeft van de nog niet voor subsidie in aanmerking gekomen projecten. Bij een gelijk aantal punten van de hoogstgenoteerde projecten in elk van beide rangschikkingen, wordt het voor projecten als bedoeld in artikel 2.28.2 eerste lid, onderdeel b, overblijvende bedrag toegevoegd aan het subsidieplafond voor projecten, als bedoeld in artikel 2.28.2, eerste lid, onderdeel a.
Artikel 2.28.6. Start- en realisatietermijn
Met de uitvoering van een op grond van deze titel gesubsidieerd investeringsproject wordt gestart binnen zes maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening.
De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is één jaar.
In uitzonderlijke gevallen kan de minister op verzoek van de subsidieontvanger de termijn, bedoeld in het tweede lid, verlengen tot een termijn van maximaal twee jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening.
Artikel 2.28.7. Afwijzingsgronden
De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie, indien:
- a. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de intermediaire onderneming gedurende de looptijd van het investeringsproject volledige zeggenschap heeft over het investeringsproject;
- b. de intermediaire onderneming niet beschikt over:
- 1°. een geldige registratie als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet;
- 2°. de vergunningen die noodzakelijk zijn voor de realisatie van het investeringsproject;
- c. het investeringsproject niet een werkingsprincipe of basistechniek betreft, zoals opgenomen in bijlage 2.28.1;
- d. de bewerkingscapaciteit door het investeringsproject waarvoor subsidie wordt aangevraagd niet toeneemt;
- e. de voor subsidie in aanmerking komende kosten lager zijn dan € 150.000; of
- f. uit de beschrijving van het mestbewerkingsproces blijkt dat de massa van te bewerken mest voor meer dan 50% uit pluimveemest bestaat.
Artikel 2.28.8. Rangschikkingscriteria
De minister kent aan een investeringsproject een hoger aantal punten toe, naarmate:
- a. de kosteneffectiviteit van het investeringsproject hoger is;
- b. het energieverbruik van het investeringsproject lager is dan de benchmark; en.
- c. meer energie uit hernieuwbare energiebronnen worden gebruikt.
De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste tien punten toe.
Voor de rangschikking wordt het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdeel a, vermenigvuldigd met 15, voor het eerste lid, onderdeel b, vermenigvuldigd met 4 en voor het eerste lid, onderdeel c, vermenigvuldigd met 1.
De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het investeringsproject zijn toegekend.
Indien onder het desbetreffende subsidieplafond aan twee of meer aanvragen voor een investeringsproject in totaal een gelijk aantal punten is toegekend, rangschikt de minister een aanvraag hoger naarmate meer punten zijn toegekend voor onderdeel c van het eerste lid.
Artikel 2.28.9. Verplichtingen subsidieontvanger
De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat hij gedurende de gehele looptijd van het investeringsproject:
- a. volledige zeggenschap heeft over het investeringsproject; en
- b. met de door het investeringsproject te realiseren hygiënisatie- of drooginstallatie de massa van te bewerken mest niet voor meer dan 50% uit pluimveemest bestaat.
De subsidieontvanger beschikt gedurende de gehele looptijd van het investeringsproject over:
- a. een geldige registratie als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet; en
- b. de vergunningen, als bedoeld in artikel 2.28.7, onderdeel b, onder 2°.
Artikel 2.28.10. Aanvraag subsidieverlening
Een aanvraag voor subsidie op grond van artikel 2.28.2 bevat tenminste de gegevens bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie tenminste:
- a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de intermediaire onderneming, het nummer waarmee de intermediaire onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het IBAN nummer; en
- b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres.
De aanvraag tot subsidieverlening gaat vergezeld van:
- a. een kopie van de vergunningen, bedoeld in artikel 2.28.7, onderdeel b, onder 2°.;
- b. een omschrijving van het investeringsproject;
- c. een beschrijving van het mestbewerkingsproces;
- d. een financieringsplan voor het investeringsproject;
- e. een begroting van het investeringsproject; en
- f. een beschrijving van de hoeveelheid ton bewerkt eindproduct per jaar vóór de aanvang van het investeringsproject.
De beschrijving van het mestbewerkingsproces, bedoeld in het derde lid, onder c, dient te bestaan uit:
- a. een beschrijving van de soorten dierlijke meststoffen die worden bewerkt, waarbij de hoeveelheden dierlijke meststoffen in kilogram en in kilogram stikstof en fosfaat per kalenderjaar worden uitgedrukt, en indien van toepassing een beschrijving van de hoeveelheid, de aard en de samenstelling van de tezamen met de dierlijke meststoffen behandelde stoffen;
- b. een beschrijving van het productieproces, waaronder:
- 1°. een toelichting op het gekozen werkingsprincipe en de gekozen basistechniek, die in bijlage 2.28.1 bij deze regeling zijn opgenomen;
- 2°. de volgorde waarin deze processtappen binnen het gekozen proces worden toegepast;
- 3°. een beschrijving van de hoeveelheid ton bewerkt eindproduct per jaar gedurende de realisatie van het investeringsproject;
- 4°. een massabalans betreffende water, droge stof, stikstof en fosfaat van de in- en uitvoerstromen voor het totale proces en voor elke processtap; en
- 5°. het energieverbruik uitgedrukt in kWh per ton aangevoerd product en een onderbouwing daarvan, inclusief documenten van de leverancier van de hygiënisatie- of drooginstallatie en documenten waarin wordt ingegaan op het gebruik van energie uit hernieuwbare energiebronnen en het verbruik daarvan door de intermediaire onderneming.
- c. een beschrijving van de eindproducten van het productieproces, waarbij per eindproduct:
- 1°. een inschatting wordt gegeven van de hoeveelheden uitgedrukt in kilogram per kalenderjaar; en
- 2°. de samenstelling wordt uitgedrukt in kilogram stikstof en fosfaat per kalenderjaar.
Bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid verklaart de intermediaire onderneming dat de gegevens naar waarheid zijn ingevuld.
Artikel 2.28.11. Bevoorschotting
Indien het subsidiebedrag € 125.000 of meer bedraagt, verstrekt de minister de subsidieontvanger:
- a. een voorschot tot 50% van het subsidiebedrag na bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening;
- b. een voorschot tot 75% van het subsidiebedrag na ontvangst van een document waaruit blijkt dat de hygiënisatie- of drooginstallatie in gerealiseerd, voorzien van de datum waarop de hygiënisatie- of drooginstallatie is gerealiseerd; en
- c. indien van toepassing, een voorschot tot 90% van het subsidiebedrag na ontvangst van de verkregen voorwaardelijk erkenning, als geen sprake is van een al bestaande definitieve erkenning waaronder de hygiënisatie- of drooginstallatie past.
Artikel 2.28.12. Aanvraag subsidievaststelling
Onverminderd artikel 50, tweede lid, van het besluit bevat de aanvraag tot subsidievaststelling in ieder geval:
- a. een algemene en technische beschrijving van het uitgevoerde investeringsproject;
- b. een document waaruit blijkt dat de hygiënisatie- of drooginstallatie in gebruik is genomen voorzien van de datum waarop de hygiënisatie- of drooginstallatie in gebruik is genomen; en
- c. de verkregen definitieve erkenning of een al bestaande definitieve erkenning.
Artikel 2.28.13. Vergoeding voor vermogensvorming
In de gevallen, bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, is de subsidieontvanger aan de minister een door hem te bepalen vergoeding voor vermogensvorming verschuldigd.
Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgegaan van de waarde van de met de subsidie verkregen eigendommen en andere vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de financiële vergoeding verschuldigd wordt met dien verstande dat, in geval van ontvangst van schadevergoeding voor verlies of beschadiging van eigendommen, wordt uitgegaan van het bedrag dat de instelling als schadevergoeding ontvangt.
Toepassing van het eerste lid blijft achterwege, als het investeringsproject, na toestemming van de minister, door een andere rechtspersoon worden voortgezet en de activa om niet aan die rechtspersoon in eigendom zijn overgedragen.
Artikel 2.28.14. Staatssteun
De subsidie, bedoeld in artikel 2.28.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 47 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Artikel 2.28.15. Vervaltermijn
Deze titel en bijlage 2.28.1 vervallen met ingang van 1 januari 2028, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend.
Titel 2.29. Pilots Agrarisch natuurbeheer
Artikel 2.29.1. Begripsbepalingen
In deze titel wordt verstaan onder:
- agrarisch natuurbeheer: beheer van het Nederlandse cultuurlandschap om een bijdrage te leveren aan het behalen van doelstellingen voor natuur, water en klimaat;
- beekdalen: zones rond lijnvormige langzaam en snelstromende smalle natuurlijke waterlopen;
- gecertificeerd agrarisch collectief: vereniging met volledige rechtsbevoegdheid bestaande uit landbouwers en andere grondgebruikers van landbouwgrond, die beschikt over een geldig certificaat collectief agrarisch natuurbeheer, verleend door gedeputeerde staten van de provincie op wiens grondgebied haar werkgebied is gelegen;
- Gemeenschappelijk Landbouwbeleid: Gemeenschappelijk Landbouwbeleid voor de periode 2023–2027, bestaande uit Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013 (PbEU 2021, L 435), Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1306/2013 (PbEU 2021, L 435), en Verordening (EU) 2021/2117 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1308/2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten, (EU) nr. 1151/2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen, (EU) nr. 251/2014 inzake de definitie, de aanduiding, de aanbiedingsvorm, de etikettering en de bescherming van geografische aanduidingen van gearomatiseerde wijnbouwproducten en (EU) nr. 228/2013 houdende specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de ultraperifere gebieden van de Unie (PbEU 2021, L 435);
- grondwaterbeschermingsgebied: gebied als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder c, van de Omgevingswet;
- kennisdeling: een proces voor het verwerven, verzamelen en delen van expliciete en impliciete kennis, met inbegrip van vaardigheden en competenties voor zowel economische als niet-economische activiteiten;
- leefgebied voor soorten die onderdeel uitmaken van het agrarisch- natuur en landschapsbeheer: een samenhangend landschapstype waarin doelsoorten of soortgroepen, zoals de grutto, duurzaam kunnen voorkomen omdat noodzakelijke ecologische voorwaarden aanwezig zijn;
- Natura 2000-gebied: Natura 2000-gebied als bedoeld in de Omgevingswet;
- niet-productieve investering: investering als bedoeld in artikel 2, onderdeel 39, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
- nieuwe GLB: landbouwbeleid voor de periode 2028 tot en met 2034, volgend op de huidige periode 2023 tot en met 2027 van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, zoals is voorgesteld in het voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitvoering van de steun van de Unie aan het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor de periode 2028–2034 (COM/2025/560 final);
- onderzoeksorganisatie: organisatie voor onderzoek en kennisdeling als bedoeld in artikel 2, onderdeel 50, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
- prioritair gebied: beekdalen, leefgebied voor soorten die onderdeel uitmaken van het agrarisch natuur- en landschapsbeheer, gebied in en rondom Natura 2000-gebied, grondwaterbeschermingsgebied of veenweidegebied;
- proefproject: proefproject als bedoeld in artikel 32, zesde lid, onder a, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, dat gericht is op het versterken van agrarisch natuurbeheer;
- samenwerkingsverband: samenwerkingsverband van ten minste vier deelnemers waarvan tenminste één deelnemer een gecertificeerd agrarisch collectief is en tenminste één deelnemer een landbouwonderneming;
- veenweidegebied: veengrond als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel n, van de Meststoffenwet in de provincies Fryslân, Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht en in de provincie Groningen in de gemeenten Groningen, Midden-Groningen en Westerkwartier en in de provincie Overijssel in de gemeenten Kampen, Staphorst, Steenwijkerland, Zwartewaterland en Zwolle;
- zwaar agrarisch natuurbeheer: beheer, niet zijnde legselbeheer, dat een grote invloed heeft op doelsoorten, habitattypen of ten behoeve van doelen voor omliggende natuur, water en klimaat, én relatief veel inspanning, ruimte en opbrengstverlies voor agrariërs in een gebied met zich meebrengen.
Artikel 2.29.2. Subsidieverlening
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een deelnemer in een samenwerkingsverband voor het verrichten van één of meer van de volgende activiteiten:
- a. het oprichten en gedurende het proefproject in stand houden van een samenwerkingsverband als bedoeld in de aanhef;
- b. het doen van niet-productieve investeringen ten behoeve van de proefprojecten;
- c. gezamenlijk uitvoeren van proefprojecten, bestaande uit beheermaatregelen op of aanpalend aan landbouwgrond;
- d. het voorbereiden, uitvoeren en meten op doelbereik van proefprojecten die zich richten op het versterken van agrarisch natuurbeheer en de bijbehorende kennis- en innovatievraagstukken;
- e. kennisdeling naar aanleiding van de resultaten van de proefprojecten.
De activiteiten ten behoeve van het proefproject, bedoeld in het eerste lid, worden uitgevoerd op één van de volgende twee onderdelen:
- a. het uitproberen van nieuwe maatregelen of het verder ontwikkelen van bestaande maatregelen, en het onderzoeken van de effecten van die maatregelen gericht op het versterken van het agrarisch natuurbeheer, en waar mogelijk het nieuwe GLB, en waarbij het proefproject bijdraagt aan zwaar agrarisch natuurbeheer op bedrijfsniveau in of nabij een prioritair gebied, in lijn met de doelstellingen voor natuur, water en klimaat in het betreffende prioritaire gebied;
- b. het ontwikkelen en uitproberen van nieuwe individuele maatregelen in het veld, of het ontwikkelen en uitproberen van nieuwe beleidsinstrumenten, binnen het agrarisch natuurbeheer, en het onderzoeken van de effecten van die maatregelen of instrumenten, met als doel om te komen tot instrumentarium of maatregelen die in de toekomst breed inzetbaar zijn binnen het agrarisch natuurbeheer.
Artikel 2.29.3. Subsidiabele kosten
Voor subsidie komen uitsluitend de volgende kosten in aanmerking:
- a. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.29.2, eerste lid, onderdeel a: de kosten, bedoeld in artikel 32, elfde lid, onderdelen a tot en met c, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
- b. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.29.2, eerste lid, onderdeel b: voor zover het een investering op een landbouwonderneming betreft, de kosten, bedoeld in artikel 14, zesde lid, onderdelen a tot en met e, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
- c. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.29.2, eerste lid, onderdeel c: de kosten, bedoeld in artikel 32, elfde lid, onderdeel d, en, voor zover van toepassing, artikel 38, zevende lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
- d. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.29.2, eerste lid, onderdeel d: de kosten, bedoeld in artikel 32, elfde lid, onderdeel d, en, voor zover van toepassing, artikel 38, zevende lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
- e. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.29.2, eerste lid, onderdeel e: de kosten, bedoeld in artikel 21, derde lid, met uitzondering van onderdeel b en c, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw.
Voor zover sprake is van investeringskosten als bedoeld in artikel 2.29.2, eerste lid, onderdeel b, en artikel 14 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw, komen uitsluitend in aanmerking de kosten van investeringen:
- a. die verband houden met de doelstellingen, bedoeld in artikel 14, derde lid, onderdelen e, f of g, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw; en
- b. die betrekking hebben op niet-productieve investeringen.
Artikel 2.29.4. Hoogte subsidie
De subsidie bedraagt:
- a. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.29.2, eerste lid, onderdelen a, c, d en e, 100 procent van de subsidiabele kosten;
- b. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.29.2, eerste lid, onderdeel b, voor niet-productieve investeringen 100 procent van de subsidiabele kosten, doch ten hoogste € 500.000, indien de investering plaatsvindt op een landbouwonderneming;
- c. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.29.2, eerste lid, onderdeel b, 100 procent van de subsidiabele kosten, indien het een investering door een onderzoeksorganisatie betreft.
De hoogte van de subsidie bedraagt in totaal maximaal € 5.000.000 aan het samenwerkingsverband.
Artikel 2.29.5. Verdeling subsidieplafond
De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.
Indien blijkt dat het totale bedrag van de te verlenen subsidies voor projecten als bedoeld in artikel 2.29.2, tweede lid, onder b, lager is dan het daarvoor vastgestelde subsidieplafond, wordt het overblijvende bedrag zo nodig aan het subsidieplafond voor projecten als bedoeld in artikel 2.29.2, tweede lid, onder a, toegevoegd.
Indien blijkt dat het totale bedrag van de te verlenen subsidies voor projecten als bedoeld in artikel 2.29.2, tweede lid, onder a, lager is dan het daarvoor vastgestelde subsidieplafond, wordt het overblijvende bedrag zo nodig aan het subsidieplafond voor projecten als bedoeld in artikel 2.29.2, tweede lid, onder b, toegevoegd.
Artikel 2.29.6. Start- en realisatietermijn
Met de uitvoering van de op grond van deze paragraaf gesubsidieerde projecten wordt gestart binnen drie maanden na de subsidieverlening.
Het project is uiterlijk drie jaar na subsidieverlening afgerond.
Artikel 2.29.7. Afwijzingsgronden
De minister beslist afwijzend op een aanvraag tot subsidieverlening voor een project bedoeld in artikel 2.29.2, eerste lid, indien:
- a. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.29.2, eerste lid, onderdelen a en e, geen subsidie wordt aangevraagd of uitsluitend niet-subsidiabele kosten worden opgevoerd;
- b. na toepassing van artikel 2.29.9, eerste lid, aan een aanvraag in totaal minder dan 30 punten zijn toegekend;
- c. na toepassing van artikel 2.29.9, eerste lid, voor één of meer criteria als bedoeld in artikel 2.29.9, eerste lid, onderdelen a tot en met d, 0 punten is toegekend;
- d. de verlening van subsidie niet in overeenstemming zou zijn met de artikelen 14, 21, 32 of 38 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
- e. een grote onderneming, die geen onderzoeksorganisatie is, deelnemer is in een samenwerkingsverband;
- f. de subsidie minder bedraagt dan € 1.000.000;
- g. ten behoeve van het samenwerkingsverband, voor wat betreft dezelfde openstellingsperiode, reeds een aanvraag is ingediend voor subsidie als bedoeld in artikel 2.29.2 of reeds subsidie is verstrekt op grond van artikel 2.29.2.
Artikel 2.29.8. Rangschikkingscriteria
De minister kent aan een aanvraag een hoger aantal punten toe naarmate:
- a. de mate van effectiviteit hoger is;
- b. de haalbaarheid hoger is;
- c. de mate van efficiëntie hoger is; en
- d. de mate van innovatie hoger is.
Het aantal punten bedraagt per onderdeel van het eerste lid ten minste 0 en ten hoogste 5.
Voor de rangschikking van een aanvraag wordt het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdelen a, b, c en d, vermenigvuldigd met onderscheidenlijk wegingsfactoren van respectievelijk 4, 3, 2 en 1.
De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate daaraan in totaal meer punten zijn toegekend.
Indien aan twee of meer aanvragen in totaal een gelijk aantal punten is toegekend, rangschikt de minister een aanvraag hoger naarmate meer punten zijn toegekend voor een rangschikkingscriterium met een hogere wegingsfactor.
Artikel 2.29.9. Informatieverplichtingen
Een aanvraag om subsidie bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw.
Onverminderd het eerste lid bevat een aanvraag voor subsidie ten minste:
- a. gegevens over de contactpersoon bij de penvoerder, waaronder de naam, het telefoonnummer, het e-mailadres en het postadres;
- b. een projectplan voor de volledige projectduur tot maximaal drie jaren, gerekend vanaf de startdatum;
- c. een begroting voor de gehele projectperiode gerekend vanaf de startdatum;
- d. een beschrijving van de geplande activiteiten en hoe deze activiteiten bijdragen aan doelstellingen van titel 2.29.2, tweede lid, van deze regeling;
- e. een intekening door de aanvrager op een omgevingskaart met daarin aangegeven het werkgebied waar het samenwerkingsverband de activiteiten wil uitvoeren;
- f. onverminderd artikel 1.9, een ondertekende samenwerkingsovereenkomst tussen de deelnemers;
- g. indien de deelnemer aan het samenwerkingsverband een onderneming betreft:
- 1°. een verklaring waaruit blijkt dat de onderneming niet in moeilijkheden als bedoeld in artikel 2, onderdeel 59, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw verkeert;
- 2°. een verklaring waaruit blijkt dat de subsidieaanvrager voldoet aan de in artikel 2, eerste lid van bijlage I bij de groepsvrijstellingsverordening landbouw vastgestelde criteria;
- h. indien van toepassing, een verklaring van de subsidieaanvrager over de subsidiabele kosten die bestaan uit omzetbelasting die de subsidieontvanger niet in aftrek kan brengen.
Het projectplan bevat in ieder geval een beschrijving van:
- a. indien het een project als bedoeld in artikel 2.29.2, tweede lid, onderdeel a, betreft, de visie en gebiedsgerichte benadering van het project, een uiteenzetting van de gebiedskenmerken, de in het betreffende gebied voorkomende uitdagingen op het gebied van water, bodem, klimaat, biodiversiteit en natuur, en de wijze waarop het project via het experimenteren met verschillende maatregelen en instrumenten kan bijdragen aan het behalen van de overheidsdoelstellingen op het gebied van water, bodem, klimaat, biodiversiteit en natuur;
- b. indien het een project als bedoeld in artikel 2.29.2, tweede lid, onderdeel b, betreft, een uiteenzetting van de probleemstelling en de wijze waarop de experimentele maatregel of het bestaande of te ontwikkelen instrument bij kan dragen aan het oplossen van de uitdagingen op het gebied van water, bodem, klimaat, biodiversiteit en natuur;
- c. de geplande activiteiten voor de gehele projectperiode en hoe deze activiteiten bijdragen aan het realiseren van de overheidsdoelstellingen op het gebied van water, bodem, klimaat, biodiversiteit en natuur;
- d. de wijze waarop de effecten van de geplande activiteiten voor de gehele projectperiode op doelbereik gemonitord zullen worden;
- e. de wijze waarop resultaten uit de proefprojecten worden verspreid;
- f. de kansen en mogelijke risico’s van deelname aan proefprojecten door leden van het samenwerkingsverband en derden en de wijze waarop deze risico’s gemitigeerd worden.
De samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in het tweede lid, onderdeel f, bevat ten minste een omschrijving van de wijze waarop ten aanzien van de deelnemers in het samenwerkingsverband wordt omgegaan met de bijdrage in de kosten, het delen in de risico’s en uitkomsten, de verspreiding van de resultaten en de toegang tot en de regels voor de toewijzing van intellectuele eigendomsrechten.
Bij een aanvraag om subsidie wordt mededeling gedaan van andere inkomsten, waaronder subsidies, waarmee de activiteit waarop de subsidie betrekking heeft wordt gefinancierd.
Artikel 2.29.10. Verplichtingen subsidieontvanger
De penvoerder dient jaarlijks een tussenrapportage in bij de minister. Deze tussenrapportage bevat een overzicht van de uitgevoerde activiteiten. De eerste tussenrapportage wordt uiterlijk een jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening ingediend.
Een tussenrapportage en eindverslag bevatten ten minste de volgende gegevens:
- a. de behaalde (deel)resultaten van uitgevoerde proefprojecten, de effecten van uitgevoerde proefprojecten op het beoogde doelbereik en de geleerde lessen met betrekking tot toekomstbestendig agrarisch natuurbeheer;
- b. het aantal betrokken partijen, specifiek het aantal en type agrarische ondernemers, bij de uitvoering van proefprojecten;
- c. de activiteiten die zijn uitgevoerd in het kader van kennisdeling, waaronder het soort en aantal activiteiten en het aantal en type deelnemers;
- d. het aantal en soort investeringen en het gebruik hiervan;
- e. indien de activiteiten, bedoeld in artikel 2.29.2, eerste lid, onderdeel c, door het samenwerkingsverband worden verricht, een kaart waarop van beheermaatregelen op perceelsniveau wordt aangegeven waar de beheermaatregelen uitgevoerd gaan worden of uitgevoerd zijn.
De resultaten en tussenresultaten van de proefprojecten worden actief en breed gedeeld op niet-exclusieve en niet-discriminerende basis, in ieder geval via een openbaar toegankelijk digitaal platform vanaf de einddatum van de subsidie of vanaf de datum waarop informatie over de resultaten wordt gegeven aan leden van een specifieke organisatie.
De resultaten, bedoeld in het derde lid, blijven op het internet beschikbaar gedurende ten minste vijf jaar vanaf de einddatum van de subsidie.
Voorlichtings- en kennisdelingsactiviteiten zijn voor eenieder zonder onderscheid toegankelijk, onder meer via een openbaar toegankelijk digitaal platform.
Indien de subsidieontvanger mede actief is in de primaire landbouwproductie, dan wel de verwerking en afzet van landbouwproducten, maar als terreinbeheerder hoofdzakelijk activiteiten verricht die betrekking hebben op natuurbeheer of natuurherstel, voert de subsidieontvanger een zodanige administratie dat met passende middelen zoals een scheiding van de activiteiten of een uitsplitsing van de kosten aantoonbaar is dat de subsidie niet ten goede komt aan de primaire landbouwproductie, dan wel de verwerking en afzet van landbouwproducten.
Artikel 2.29.11. Staatssteun
De subsidie, bedoeld in artikel 2.29.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd:
- a. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.29.2, eerste lid, onderdeel a, door artikel 32 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
- b. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.29.2, eerste lid, onderdeel b, door artikel 14 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
- c. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.29.2, eerste lid, onderdeel c, door de artikelen 32 en 38 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
- d. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.29.2, eerste lid, onderdeel d, door de artikelen 32 en 38 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
- e. voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.29.2, eerste lid, onderdeel e, door artikel 21 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw.
Artikel 2.29.12. Vervaltermijn
Deze titel vervallen met ingang van 15 april 2031, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn verleend.
Hoofdstuk 3. Innovatie en ondernemerschap
Titel 3.1. Algemene bepaling
Artikel 3.1.1. Uurtarief
Voor de toepassing van dit hoofdstuk bedraagt het uurtarief, bedoeld in artikel 13, tweede lid, en 14 van het besluit, € 60.
Titel 3.2. PPS-innovatie
§ 3.2.1. Algemene bepalingen
Artikel 3.2.1. Begripsomschrijvingen
In deze titel wordt verstaan onder:
- innovatieactiviteiten: ondersteunende activiteiten, gericht op het betrekken van MKB-ondernemers bij een samenwerkingsproject of het stimuleren van de valorisatie van de kennis op het terrein van een PPS-programma, bestaande uit:
- a. netwerkactiviteiten, bestaande uit voor ieder openstaande masterclasses, workshops, conferenties of het delen of uitwisselen van informatie via een website om kennisdeling en het netwerken tussen MKB-ondernemers te bevorderen, of
- b. innovatieadviesdiensten, uitgezonderd opleiding, verstrekt aan een MKB-ondernemer door een innovatiemakelaar;
- innovatiemakelaar: een verstrekker van innovatieadviesdiensten;
- private inzet in natura: op geld waardeerbare inbreng in een samenwerkingsproject die:
- a. niet direct of indirect afkomstig is van een onderzoeksorganisatie of een openbaar lichaam als bedoeld in de definitie van private bijdrage; en
- b. wordt berekend op basis van een voor de deelnemers aan een samenwerkingsproject gebruikelijke en controleerbare methode, die gebaseerd is op bedrijfseconomische grondslagen en normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd en die de deelnemers aan een samenwerkingsproject stelselmatig toepassen;
- KIA: meerjarige kennis- en innovatieagenda waarin de ambities en doelen binnen het veld van publiek-private samenwerkingen op een specifiek terrein zijn beschreven, en die het vertrekpunt vormt voor verdere uitwerking van onderzoeksprogrammering en innovatieontwikkeling met onder andere onderzoeksorganisaties en ondernemingen;
- PPS-programmasubsidie: subsidie aan een TKI ter uitvoering van een PPS-programma door middel van aanwending door het TKI van de ontvangen subsidie voor uitsluitend samenwerkingsprojecten en innovatieactiviteiten die passen binnen het PPS-programma;
- private bijdrage: geldmiddelen, die niet direct of indirect afkomstig zijn van:
- a. een onderzoeksorganisatie met inbegrip van de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek en de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen,
- b. een openbaar lichaam;
- samenwerkingsproject: project dat:
- a. in daadwerkelijke samenwerking plaatsvindt;
- b. door minimaal twee deelnemers waaronder een onderzoeksorganisatie en een ondernemer wordt uitgevoerd; en
- c. bestaat uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een combinatie daarvan;
- TKI: Topconsortium voor Kennis en Innovatie, zijnde een rechtspersoon die als zodanig is genoemd in de wet houdende vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat van het kalenderjaar waarin de aanvraag, bedoeld in artikel 3.2.2, wordt ingediend;
- PPS-programma: op onderzoek en innovatie gericht meerjarig programma van een TKI dat van start gaat met ingang van de eerste januari van het kalenderjaar waarop de aanvraag voor PPS-programmasubsidie betrekking heeft:
- a. dat weergeeft welke inhoudelijke koers het TKI wil voeren voor kennisontwikkeling en -toepassing in het kader van een KIA op het specifieke terrein waarop het TKI primair actief is en in voorkomend geval ook in het kader van een of meer andere KIA’s; en
- b. houdende de samenwerkingsprojecten en, in voorkomend geval, innovatieactiviteiten van het TKI die binnen dit programma passen.
§ 3.2.2. PPS-programmasubsidie
Artikel 3.2.2. Aanvraag
De minister verstrekt op aanvraag PPS-programmasubsidie aan een TKI.
Artikel 3.2.3. Verdeling van subsidieplafonds
De minister verdeelt de subsidieplafonds op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.
Artikel 3.2.4. Afwijzingsgronden
De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor PPS-programmasubsidie indien:
- a. het PPS-programma waarvoor de PPS-programmasubsidie is aangevraagd, naar het oordeel van de minister onvoldoende bijdraagt aan de verwezenlijking van de KIA of KIA’s die het TKI ingevolge artikel 3.2.6, tweede lid, onderdeel d, onder 1°, in het PPS-programma heeft aangewezen;
- b. Het PPS-programma waarvoor de PPS-programmasubsidie is aangevraagd, naar het oordeel van de minister kwalitatief onvoldoende is, gelet op de wijze van de uitwerking in het PPS-programma van de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.2.6, tweede lid, onderdeel d.
Artikel 3.2.5. Steunintensiteit en aanwending
Het TKI wendt de PPS-programmasubsidie voor samenwerkingsprojecten zodanig aan dat:
- a. er geen overschrijding plaatsvindt van de aanmeldingsdrempel, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel i, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor fundamenteel of industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling;
- b. het samenwerkingsproject of een onderdeel hiervan waarvoor het TKI de aangevraagde PPS-programmasubsidie wenst aan te wenden, niet reeds is gestart of niet zal starten voorafgaand aan die aanwending van de PPS-programmasubsidie door het TKI;
- c. wordt voldaan aan de voorwaarden in paragraaf 2.2.2, onderdeel 29, onder b, c of d, in samenhang met onderdeel 30, van de O&O&I-kaderregeling;
- d. het totale bedrag aan steun dat voor een deelnemer in een samenwerkingsproject beschikbaar is niet meer bedraagt dan:
- 1°. 80 procent van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek;
- 2°. 50 procent van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek;
- 3°. 25 procent van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling;
- e. het totale bedrag dat voor een onderzoeksorganisatie in een samenwerkingsproject beschikbaar is niet meer bedraagt dan 80 procent van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op niet-economische activiteiten van de onderzoeksorganisatie in de vorm van onafhankelijk uitgevoerd fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of een combinatie van die vormen van onderzoek, en deze niet-economische activiteiten in de boekhouding van deze onderzoeksorganisatie ook als zodanig zijn opgenomen;
- f. verzekerd is dat ondernemers en onderzoeksorganisaties onder transparante en redelijke voorwaarden in aanmerking komen voor deelname aan samenwerkingsprojecten die bijdragen aan het PPS-programma;
- g. de subsidie uitsluitend wordt aangewend indien het bestaan van het samenwerkingsproject, en de verschuldigdheid van private bijdragen en private inzet in natura daaraan, kan worden aangetoond aan de hand van een schriftelijke ondertekende samenwerkingsovereenkomst, waarin tevens de wijze is beschreven waarop deelnemers aan het samenwerkingsproject zullen omgaan met de intellectuele eigendomsrechten die voortkomen uit dit project; en
- h. de subsidie uitsluitend wordt ingezet indien het samenwerkingsproject bijdraagt aan de Nederlandse kennisinfrastructuur.
De subsidiabele kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, zijn kosten als bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)