Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 23 april 2015, IENM/BSK-2015/11533, houdende de vaststelling van regels voor op afstand bestuurde luchtvaartuigen
Gelet op artikel 2.10, eerste lid, 3.24, 4:8 en 5:10, eerste lid, van de Wet luchtvaart, artikel 5, 8, eerste lid, 9, 10 tweede lid, 14, vierde lid, 15, tweede lid, en artikel 16, eerste lid, van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart, artikel 13, 16 en 18, tweede lid, van het Besluit luchtvaartuigen 2008, artikel 4, artikel 19, derde lid en artikel 20 van het Besluit luchtverkeer 2014 en artikel 4, tweede lid, van het Besluit vluchtuitvoering;
BESLUIT:
§ 1. Algemeen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- Minister: Minister van Infrastructuur en Milieu
- modelluchtvaartuig: luchtvaartuig, niet in staat een mens te dragen, en uitsluitend gebruikt voor luchtvaartvertoning, recreatie of sport
- RPA: op afstand bestuurd luchtvaartuig (remotely piloted aircraft), onbemand, niet zijnde een modelluchtvaartuig
- Wet: Wet luchtvaart
§ 2. Personeel
Artikel 2. Bijzondere bevoegdverklaringen voor RPA
De Minister kan op aanvraag de volgende bijzondere bevoegdverklaringen afgeven voor de besturing van een RPA waarvan de totale startmassa niet meer dan 150kg bedraagt:
- a. bevoegdverklaring voor werkzaamheden met een RPA anders dan boven mensenmenigten, aaneengesloten bebouwing of kunstwerken, industrie- en havengebieden daaronder begrepen, spoorlijnen, in gebruik zijnde autosnelwegen en autowegen, of wegen waar een maximale snelheid van 80 kilometer per uur geldt (unpopulated area);
- b. klassebevoegdverklaring voor vliegtuigen (A), helikopters (H) of andere categorieën (OA) waarvan de totale startmassa 25 kg of minder bedraagt;
- c. klassebevoegdverklaring voor vliegtuigen (A), helikopters (H) of andere categorieën (OA) waarvan de totale startmassa meer dan 25 kg maar niet meer dan 150 kg bedraagt;
Artikel 3. Eisen voor afgifte bewijs van bevoegdheid, algemene bevoegdverklaring en bijzondere bevoegdverklaring
Een RPA-L met daarop weergegeven de algemene bevoegdverklaring VLOS of EVLOS wordt afgegeven indien de aanvrager heeft aangetoond te voldoen aan de voor het betreffende type operatie benodigde eisen inzake kennis, bedrevenheid en ervaring opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling.
De algemene bevoegdverklaring FI (RPA), bedoeld in artikel 3, zesde lid, van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart, wordt afgegeven indien de aanvrager:
- a. houder is van een RPA-L, met daarop weergegeven de algemene bevoegdverklaring(en) en de bijzondere bevoegdverklaring(en) waarvoor onderricht wordt gegeven; en
- b. ten minste acht uren ervaring heeft als gezagvoerder in de periode van twee jaar onmiddellijk voorafgaande aan de aanvraag.
De bijzondere bevoegdverklaring, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt afgegeven indien de aanvrager heeft aangetoond te voldoen aan de voor de in dit artikelonderdeel bedoelde werkzaamheden benodigde eisen inzake kennis, bedrevenheid en ervaring opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling.
De klassebevoegdverklaringen, bedoeld in artikel 2, onderdelen b en c, worden afgegeven indien de aanvrager heeft aangetoond te voldoen aan de voor operaties met RPA’s in de betreffende klasse benodigde eisen inzake kennis, bedrevenheid en ervaring opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling.
Artikel 4. Geldigheidsduur en eisen voor verlenging algemene en bijzondere bevoegdverklaringen
De geldigheidsduur van de algemene bevoegdverklaring FI (RPA) kan worden verlengd, indien de aanvrager:
- a. houder is van een RPA-L, met daarop weergegeven de algemene bevoegdverklaring(en) en de bijzondere bevoegdverklaring(en) waarvoor onderricht wordt gegeven; en
- b. ten minste twaalf uren ervaring heeft als gezagvoerder in de periode van twee jaar onmiddellijk voorafgaande aan de aanvraag.
De geldigheidsduur van de bijzondere bevoegdverklaring, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, bedraagt ten hoogste twee jaren en kan vervolgens steeds met twee jaren worden verlengd, indien de aanvrager heeft aangetoond dat hij
in de twee jaren onmiddellijk voorafgaande aan de datum van de aanvraag om verlenging ten minste twee uren per jaar ervaring heeft verkregen met de werkzaamheden waarvoor de bijzondere bevoegdverklaring vereist is.
De geldigheidsduur van de bijzondere bevoegdverklaringen, bedoeld inartikel 2, onderdelen b en c, bedraagt ten hoogste twee jaren en kan vervolgens steeds met twee jaren worden verlengd, indien de aanvrager heeft aangetoond dat hij in de twee jaren onmiddellijk voorafgaande aan de datum van de aanvraag om verlenging ten minste twee uren per jaar ervaring heeft verkregen met operaties met een RPA in de betreffende klasse.
De ervaring, bedoeld in het tweede en derde lid, moet zijn verkregen tijdens ten minste zes vluchten, die op zes verschillende dagen zijn uitgevoerd, waarvan de laatste drie vluchten hebben plaatsgevonden in de periode van negentig dagen onmiddellijk voorafgaande aan de datum van aanvraag.
Artikel 5. Wederafgifte bijzondere bevoegdverklaring
Voor wederafgifte van de bijzondere bevoegdverklaringen, bedoeld in artikel 2, is vereist dat de aanvrager heeft aangetoond dat hij:
- a. in de twee jaren onmiddellijk voorafgaande aan de datum van aanvraag om wederafgifte ten minste twee uren ervaring per jaar heeft verkregen met de werkzaamheden waarvoor de bijzondere bevoegdverklaring is vereist tijdens ten minste zes vluchten, die op zes verschillende dagen zijn uitgevoerd; en
- b. de aanvrager een praktijkexamen heeft afgelegd dat de uitvoering bevat van de werkzaamheden waarvoor de bijzondere bevoegdverklaring is gewenst en dat is uitgevoerd met een luchtvaartuig in de klasse waarvoor de klassebevoegdverklaring is gewenst.
Artikel 6. Bijhouden logboek
De houder van een RPA-L en de leerling-vlieger houden de gegevens van door hem uitgevoerde vluchten bij in een logboek waarvan het model gelijk is aan het in bijlage 2 bij deze regeling opgenomen model.
§ 3. Luchtwaardigheid
Artikel 7. Afgifte speciaal-BvL en geluidverklaring
Een speciaal-BvL wordt aangevraagd door indiening bij de minister van een volledig ingevuld en ondertekend formulier, waarvan exemplaren kosteloos bij de minister zijn te verkrijgen.
Aan de houder van een RPA, waarvan de startmassa niet meer dan 150 kg bedraagt, kan een speciaal-BvL worden afgegeven indien bij de aanvraag een, door een daartoe erkend bedrijf afgegeven, acceptatierapport betreffende de BvL-acceptatiekeuring is overgelegd, waaruit blijkt dat het luchtvaartuig voldoet aan de in bijlage 3 van deze regeling opgenomen luchtwaardigheidseisen.
Het model van het speciaal-BvL is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 4.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de geluidverklaring.
Artikel 8. Verlenging speciaal-BvL
Voor het verlengen van de termijn van geldigheid van het speciaal-BvL wordt door de houder een aanvraag ingediend bij de minister door middel van een volledig en ondertekend formulier, waarvan exemplaren kosteloos bij de minister verkrijgbaar zijn.
De aanvraag wordt vergezeld van een verklaring van de houder waaruit blijkt dat het luchtvaartuig nog steeds voldoet aan de in artikel 7, tweede lid, bedoelde eisen en is onderhouden overeenkomstig de in artikel 9 bedoelde eisen.
Artikel 9. Onderhoud
Onderhoud van een Nederlands RPAS geschiedt overeenkomstig de in bijlage 5 neergelegde eisen.
Artikel 9a. Buitenlandse RPA’s
Dit artikel is van toepassing op RPA’s die geregistreerd zijn in een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.
De Minister verleent op grond van artikel 3.21 van de Wet luchtvaart ontheffing van het verbod een vlucht uit te voeren met een RPA die niet is voorzien van een geldig bewijs van luchtwaardigheid, indien de RPA voldoet aan eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de in deze paragraaf gestelde eisen wordt nagestreefd.
§ 4. Vluchtuitvoering
Artikel 10. Eisen aan uitvoering van vluchten
De organisatie die vluchten uitvoert met een RPA waarvan de totale massa niet meer dan 150 kg bedraagt beschikt over:
- a. een handboek, dat voldoet aan de in bijlage 6 opgenomen eisen;
- b. een speciaal-BvL met betrekking tot de RPA’s waarmee de vlucht wordt uitgevoerd;
- c. een bewijs van bevoegdheid voor de bestuurders die de in onderdeel b bedoelde RPA’s besturen; en
- d. een verzekering tegen de burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor dood of letsel van derden of andere schade toegebracht aan derden.
De organisatie, bedoeld in het eerste lid, draagt er zorg voor dat de Inspectie Leefomgeving en Transport beschikt over de actuele versie van het handboek, bedoeld in het eerste lid.
Vluchten met een RPA waarvan de totale massa niet meer dan 150 kg bedraagt worden uitgevoerd met inachtneming van het handboek, bedoeld in het eerste lid.
De organisatie, bedoeld in het eerste lid, meldt ten minste 24 uur voor de dag dat een vlucht met een RPA waarvan de totale massa niet meer dan 150 kg bedraagt zal worden uitgevoerd, dit voornemen schriftelijk of per e-mail aan de minister en de burgemeester van de gemeente waarin het betreffende terrein ligt.
Het vierde lid is niet van toepassing op vluchtuitvoering door de brandweer ten behoeve van de taken, bedoeld in artikel 25, eerste lid, aanhef en onderdelen a tot en met d, en tweede lid, van de Wet veiligheidsregio’s.
Artikel 11. Eisen voor afgifte ROC voor vluchten tegen vergoeding
Een ROC wordt afgegeven indien de aanvrager beschikt over de in artikel 10, eerste lid, bedoelde documenten, met dien verstande dat het handboek door de minister is goedgekeurd.
In afwijking van het eerste lid wordt een ROC voor de uitvoering van vluchten met een RPA als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder de in dat lid bedoelde beperkingen afgegeven, indien de aanvrager beschikt over de in artikel 10a, tweede lid, bedoelde documenten.
Artikel 12. Documenten
De door de gezagvoerder mee te voeren documenten, bedoeld in artikel 4.8 van de wet, zijn:
- a. het bewijs van inschrijving, bedoeld in artikel 3.5 van de wet;
- b. het bewijs van bevoegdheid of bewijs van gelijkstelling, bedoeld in artikel 2.1 van de wet, dan wel de ontheffing van de verplichting om over deze documenten te beschikken;
- c. het bewijs van luchtwaardigheid, bedoeld in artikel 3.8 van de wet, dan wel de ontheffing van de verplichting om over dit document te beschikken;
- d. de geluidverklaring, bedoeld in artikel 3.19c van de wet, dan wel de ontheffing van de verplichting om over dit document te beschikken; en
- e. het ROC, bedoeld in artikel 2 van het Besluit vluchtuitvoering.
§ 5. Deelname aan het luchtverkeer
Artikel 13. Zichtafstand
Het is verboden een VFR-vlucht uit te voeren met een RPA buiten zichtafstand van de bestuurder of een waarnemer.
Onverminderd het eerste lid, is het verboden een VFR-vlucht uit te voeren op een afstand van meer dan 500 meter van de bestuurder of een waarnemer.
Artikel 14. VFR-vlieghoogte
Het is verboden een VFR-vlucht uit te voeren met een RPA hoger dan 120 meter (400 ft) boven de grond of het water.
De Minister van Infrastructuur en Milieu verleent ontheffing van het verbod, bedoeld in het eerste lid, indien de vlucht wordt uitgevoerd voor het verrichten van luchtwerk met betrekking tot een vaartuig, voertuig, gebouw of kunstwerk en deze vlucht op grond van het ROC mag worden uitgevoerd.
De minimumvlieghoogtes voor VFR-verkeer, bedoeld in paragraaf SERA.5005 van verordening (EU) nr. 923/2012 zijn niet van toepassing op vluchten met een RPA.
Artikel 15. Afstand tot mensenmenigten, bebouwing, spoorlijnen of wegen
Het is verboden een VFR-vlucht uit te voeren met een RPA binnen 150 meter horizontaal van mensenmenigten, aaneengesloten bebouwing, in gebruik zijnde autosnelwegen, in gebruik zijnde autowegen, of in gebruik zijnde wegen waar een maximale snelheid van 80 kilometer per uur geldt.
In afwijking van het eerste lid, is het toegestaan een VFR-vlucht uit te voeren met een RPA tot 50 meter horizontaal van industrie- en havengebieden.
Onverminderd het eerste lid, is het verboden een VFR-vlucht uit te voeren met een RPA binnen 50 meter horizontaal van vaartuigen, voertuigen, kunstwerken en spoorlijnen.
De Minister van Infrastructuur en Milieu verleent ontheffing van het verbod, bedoeld in het eerste en derde lid, indien de vlucht wordt uitgevoerd voor het verrichten van luchtwerk met betrekking tot een vaartuig, voertuig, gebouw, kunstwerk, spoorlijn of weg en deze vlucht op grond van het ROC mag worden uitgevoerd.
Artikel 16. Beperkingen luchtverkeer binnen plaatselijke luchtverkeersleidingsgebieden
De uitoefening van het luchtverkeer met een RPA is verboden:
- a. in Maastricht CTR, Eelde CTR, Rotterdam CTR en het boven Nederlands grondgebied gelegen deel van de Niederrhein CTR, bedoeld in artikel 5 van de Regeling luchtverkeersdienstverlening, binnen een afstand van 5.600 meter van het luchthaven referentiepunt
- b. in Schiphol CTR, bedoeld in artikel 5 van de Regeling luchtverkeersdienstverlening, met uitzondering van het gebied gelegen binnen een afstand van 3.700 meter van de laterale begrenzing van Schiphol CTR 1 die is opgenomen in de luchtvaartgids, hoofdstuk AD 2.
In afwijking van artikel 14 en onverminderd het eerste lid, is het verboden een VFR-vlucht met een RPA uit te voeren hoger dan 45 meter (150 ft) boven de grond of het water binnen de plaatselijke luchtverkeersleidingsgebieden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b.
Artikel 17
De artikelen 13 tot en met 16 zijn niet van toepassing op vluchten met militaire RPA’s.
§ 6. Slotbepalingen
Artikel 18. Wijziging Regeling erkenningen luchtwaardigheid 2008
Wijzigt de Regeling erkenningen luchtwaardigheid 2008.
Artikel 19. Wijziging Regeling modelvliegen
Wijzigt de Regeling modelvliegen.
Artikel 20. Wijziging Regeling opleidingsinstellingen voor luchtvarenden 2001
Wijzigt de Regeling opleidingsinstellingen voor luchtvarenden 2001.
Artikel 21. Wijziging Regeling tarieven luchtvaart 2008
Wijzigt de Regeling tarieven luchtvaart 2008.
Artikel 22. Wijziging Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen
Wijzigt de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen.
Artikel 23. Wijziging Regeling vluchtuitvoering
Wijzigt de Regeling vluchtuitvoering.
Artikel 24. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling op afstand bestuurde luchtvaartuigen.
Artikel 25. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2015.
Bijlage 1. behorend bij artikel 3
1. Introductie
Eisen inzake kennis, bedrevenheid en ervaring voor het verkrijgen van een RPA-L met de daarbij horende algemene bevoegdverklaringen en bijzondere bevoegdverklaringen.
Daar waar nodig zijn specifieke leerdoelen voor besturing van vliegtuig, helikopter of andere luchtvaartuigen expliciet aangegeven. De overige leerdoelen zijn generiek van toepassing op RPA’s. Bij de toepassing van de leerdoelen wordt de specifiek voor de desbetreffende configuratie benodigde kennis aangeboden.
Eisen inzake kennis, bedrevenheid en ervaring voor het verkrijgen van een RPA-L met de daarbij horende algemene bevoegdverklaringen en bijzondere bevoegdverklaringen.
A. Kenniseisen
1. Introductie
A. Kenniseisen
1. Introductie
2.1. RPAS
Daar waar nodig zijn specifieke leerdoelen voor besturing van vliegtuig, helikopter of andere luchtvaartuigen expliciet aangegeven. De overige leerdoelen zijn generiek van toepassing op RPA’s. Bij de toepassing van de leerdoelen wordt de specifiek voor de desbetreffende configuratie benodigde kennis aangeboden.
2. RPAS algemene kennis
A. Kenniseisen
De kandidaat is bekend met aerodynamische effecten die de vlucht mogelijke maken, dan wel nadelig kunnen beïnvloeden, zoals bijvoorbeeld overtrek.
2.1. RPAS
2.2. Voortstuwingsinrichting
2.3. Systemen
De kandidaat kan de volgende instrumenten globaal en type specifiek beschrijven, inclusief de achterliggende meetprincipes:
2.4. Data link
3. Vluchtprincipes
De kandidaat is bekend met aerodynamische effecten die de vlucht mogelijke maken, dan wel nadelig kunnen beïnvloeden, zoals bijvoorbeeld overtrek.
4. Vliegprestaties
4.1. Massa en zwaartepunt
4.2. Prestaties
5.1. De Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) en het Verdrag inzake internatonale burgerluchtvaart
De kandidaat is bekend met de internationale burgerluchtvaartorganisatie, ICAO, haar rol in de internationale luchtvaartwetgeving en kan aangeven welke ICAO voorschriften voor de uitvoering van vluchten met RPAS van belang zijn.
De kandidaat kan de voor de besturing van een RPA belangrijkste risico’s noemen van:
6. Meteorologie
5.2. Luchtverkeersregels en luchtverkeersdiensten
6. Meteorologie
De kandidaat kan de belangrijkste risico’s en bijwerkingen noemen van het gebruik van:
8. Vliegen en gezondheid
De kandidaat kan de belangrijkste risico’s en bijwerkingen noemen van het gebruik van:
10. Operaties
De kandidaat is bekend met de Nederlandse voorschriften voor vluchtuitvoering, inclusief toezicht en naleving.
10. Operaties
10.1. Operationele procedures
ICAO Annex 6, Deel II – Bediening van het luchtvaartuig
De praktische opleidingseisen bestaan uit de onderdelen ‘basis vliegtechnieken’ en ‘operationele vliegtraining’. Beide onderdelen vragen om de beheersing van een aantal vaardigheden.
De kandidaat is bekend met de Nederlandse voorschriften voor vluchtuitvoering, inclusief toezicht en naleving.
De praktische opleidingseisen bestaan uit de onderdelen ‘basis vliegtechnieken’ en ‘operationele vliegtraining’. Beide onderdelen vragen om de beheersing van een aantal vaardigheden.
Bedrevenheid op de in paragraaf 11 genoemde onderdelen. Deze bedrevenheid moet, nadat men aan de kenniseisen heeft voldaan, worden aangetoond tijdens een praktijkexamen. Het praktijkexamen betreft de uitvoering met een RPA van het type operatie waarvoor een algemene bevoegdverklaring is gewenst (VLOS, EVLOS), van de werkzaamheden waarvoor een bijzondere bevoegdverklaring is gewenst en met het klasse luchtvaartuig waarvoor een klassebevoegdverklaring is gewenst. Het praktijkexamen ten behoeve van de algemene bevoegdverklaring EVLOS is inclusief het gebruik van een waarnemer.
Eisen aan praktische ervaring voor de algemene bevoegdverklaring VLOS in combinatie met de bijzondere bevoegdverklaring, bedoeld in artikel 2, onderdeel a:
De praktische opleidingseisen bestaan uit de onderdelen ‘basis vliegtechnieken’ en ‘operationele vliegtraining’. Beide onderdelen vragen om de beheersing van een aantal vaardigheden.
Eisen aan praktische ervaring voor de algemene bevoegdverklaring VLOS in combinatie met de bijzondere bevoegdverklaring, bedoeld in artikel 2, onderdeel a:
De praktische opleidingseisen bestaan uit de onderdelen ‘basis vliegtechnieken’ en ‘operationele vliegtraining’. Beide onderdelen vragen om de beheersing van een aantal vaardigheden.
De vereiste vaardigheden voor de basis vliegtechnieken bestaan uit:
Deze manoeuvres dienen allemaal, zowel handmatig, in het geval de RPAS deze besturingsmode heeft, als met de autopilot uitgevoerd te worden.
Bijlage 2. behorend bij artikel 6
| datum | |||
|---|---|---|---|
| functies | |||
| type RPAS | |||
| type vlucht* | |||
| registratie | |||
| begintijd** | |||
| eindtijd** | |||
| duur | |||
| locatie | |||
| paraaf |
*met type vlucht wordt bedoeld VLOS of EVLOS
**Met de begintijd en eindtijd wordt het tijdstip bedoeld waarop de vlucht daadwerkelijk begint en eindigt.
Bijlage 3. behorend bij artikel 7
Luchtwaardigheidseisen voor RPAS
De praktische opleidingseisen bestaan uit de onderdelen ‘basis vliegtechnieken’ en ‘operationele vliegtraining’. Beide onderdelen vragen om de beheersing van een aantal vaardigheden.
De vereiste vaardigheden voor de basis vliegtechnieken bestaan uit:
De operationele vliegtraining heeft betrekking op de benodigde vaardigheden ten behoeve van het uitvoeren van de operatie en bestaat uit:;
Bijlage 3. behorend bij artikel 7
Bijlage 2. behorend bij artikel 6
| datum | |||
|---|---|---|---|
| functies | |||
| type RPAS | |||
| type vlucht* | |||
| registratie | |||
| begintijd** | |||
| eindtijd** | |||
| duur | |||
| locatie | |||
| paraaf |
*met type vlucht wordt bedoeld VLOS of EVLOS
**Met de begintijd en eindtijd wordt het tijdstip bedoeld waarop de vlucht daadwerkelijk begint en eindigt.
Paragraaf 1. Definities
Luchtwaardigheidseisen voor RPAS
Voor het verkrijgen van een speciaal-BVL onder de beperking dat de RPA niet wordt gebruikt boven mensenmenigten, aaneengesloten bebouwing of kunstwerken, industrie- en havengebieden daaronder begrepen, spoorlijnen of voor motorrijtuigen toegankelijke wegen wordt het RPAS ten minste op de volgende elementen beoordeeld:
Artikel 1
Artikel 2
Paragraaf 1. Definities
Artikel 1
Paragraaf 1. Definities
Artikel 1
Artikel 2
Paragraaf 2. Onderhoudsprogramma
Tenzij de minister een andere termijn heeft vastgesteld, wordt de technische administratie onder verantwoordelijkheid van de houder van het RPAS gedurende twee jaren bewaard.
Artikel 3
Paragraaf 3. Uitvoering onderhoud
Bijlage 6. behorend bij artikel 11
Het handboek, bedoeld in artikel 11, bevat in ieder geval een duidelijke beschrijving van:
- •. de organisatiestructuur, waaronder de instructies die de (eind)verantwoordelijkheid van de bij de vluchtuitvoering betrokken personen in hoofdlijnen aangeven;
- •. de standaard werkmethoden, waaronder de procedure voor selectie en inrichting van het start-en landingsterrein met veilige afstanden tot obstakels (inclusief wegen) en personen niet betrokken bij de vlucht, voor het vrijhouden van het gebied waarboven de operatie wordt uitgevoerd van nieuwsgierigen en andere personen niet betrokken bij de vlucht en voor het creëren van een veilig werkgebied en vrij start- en landingsgebied voor de bemanning;
- •. het luchtwerk waarop het ROC betrekking heeft;
- •. een naar het oordeel van de minister adequate procedure:
- o. voor het aanwijzen van de gezagvoerder;
- o. voor samenwerking tussen de gezagvoerder en de waarnemer (VLOS);
- o. voor samenwerking tussen de gezagvoerder en de waarnemer op afstand (EVLOS);
- o. voor operaties binnen een CTR, indien wordt gevlogen binnen een CTR;
- o. voor het veilig en zonder gevaar voor derden overvliegen van een in gebruik zijnde weg of spoorlijn waarboven de operatie plaatsvindt;
- o. om uiterlijk twee dagen voor de vlucht plaatsvindt een NOTAM als bedoeld in artikel 1 van de Regeling burgerluchtvaartinlichtingen te publiceren, waarin de operatie met de RPA bekend wordt gemaakt bij de AIS-unit Schiphol of de AIS-unit AOCS Nieuw Milligen, bedoeld in artikel 1 van de Regeling burgerluchtvaartinlichtingen;
- •. de interne normen voor de inzetbaarheid van gezagvoerder, waarnemer en waarnemer op afstand en ‘human factor’ elementen;
- •. de procedures ten aanzien van de vluchtvoorbereiding (zoals NOTAMS, geldige kaart(en), luchtvaartgids, luchtvaartmeteorologische inlichtingen);
- •. de procedure van de risicoanalyse per vlucht (invloed van specifieke omgeving op veiligheid derden in de lucht en op de grond), rekening houdend met woonbebouwing en industrie via http://bagviewer.geodan.nl/;
- •. de wijze waarop een veiligheidsmanagementsysteem is ingevoerd in de organisatie, waaronder de melding van incidenten, de rol van de veiligheidsmanager en de uitgangspunten van de organisatie voor veilig gedrag (minimum het VMS-light); en
- •. een veiligheidsanalyse voor de uitvoering van vluchten waarop het ROC betrekking heeft, waarbij operationele aspecten, kwalificaties van de bemanning en technische toestand van het systeem worden meegenomen.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 1a*
Deze regeling berust mede op artikel 5.7, derde lid, van de Wet luchtvaart en op artikel 7, eerste lid, van het Besluit vluchtuitvoering.
§ 2. Personeel
§ 3. Luchtwaardigheid
§ 4. Vluchtuitvoering
§ 5. Deelname aan het luchtverkeer
Artikel 16a. Uitzondering voor vluchten buiten de daglichtperiode
Artikel 2.2. van de Vrijstellingsregeling Besluit luchtverkeer 2014 is van overeenkomstige toepassing op het uitvoeren van een vlucht door de brandweer buiten de daglichtperiode ten behoeve van de taken, bedoeld in artikel 25, eerste lid, aanhef en onderdelen a tot en met d, en tweede lid, van de Wet veiligheidsregio’s, en de opleiding en training die nodig zijn voor de veilige uitvoering van een dergelijke vlucht, met dien verstande dat wordt voldaan aan het voorschrift dat voor en tijdens het uitvoeren van de vlucht contact wordt onderhouden met de gemeenschappelijke meldkamer, bedoeld in artikel 35 van de Wet veiligheidsregio’s in plaats van aan het voorschrift, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onderdeel b, van de Vrijstellingsregeling Besluit luchtverkeer 2014,
§ 6. Slotbepalingen
Bijlage 1. behorend bij artikel 3
1. Introductie
Daar waar nodig zijn specifieke leerdoelen voor besturing van vliegtuig, helikopter of andere luchtvaartuigen expliciet aangegeven. De overige leerdoelen zijn generiek van toepassing op RPA’s. Bij de toepassing van de leerdoelen wordt de specifiek voor de desbetreffende configuratie benodigde kennis aangeboden.
De eisen opgenomen onder de volgende onderdelen zijn afhankelijk van de categorie luchtvaartuig:
A. Kenniseisen
De kandidaat kan de volgende instrumenten globaal en type specifiek beschrijven, inclusief de achterliggende meetprincipes:
2. RPAS algemene kennis
De kandidaat kan de volgende instrumenten globaal en type specifiek beschrijven, inclusief de achterliggende meetprincipes:
3. Vluchtprincipes
De kandidaat kan de factoren benoemen die van belang zijn voor de vliegprestaties tijdens diverse vluchtfasen (start, vlucht, landing).
4.1. Massa en zwaartepunt
De kandidaat kan de factoren benoemen die van belang zijn voor de vliegprestaties tijdens diverse vluchtfasen (start, vlucht, landing).
5. Luchtvaartregelgeving
5.1. De Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) en het Verdrag inzake internatonale burgerluchtvaart
De kandidaat is bekend met de internationale burgerluchtvaartorganisatie, ICAO, haar rol in de internationale luchtvaartwetgeving en kan aangeven welke ICAO voorschriften voor de uitvoering van vluchten met RPAS van belang zijn.
De kandidaat kan de voor de besturing van een RPA belangrijkste risico’s noemen van:
7. Menselijke prestaties en beperkingen
Bedrevenheid op de in paragraaf 11 genoemde onderdelen. Deze bedrevenheid moet, nadat men aan de kenniseisen heeft voldaan, worden aangetoond tijdens een praktijkexamen. Het praktijkexamen betreft de uitvoering met een RPA van het type operatie waarvoor een algemene bevoegdverklaring is gewenst (VLOS, EVLOS), van de werkzaamheden waarvoor een bijzondere bevoegdverklaring is gewenst en met het klasse luchtvaartuig waarvoor een klassebevoegdverklaring is gewenst. Het praktijkexamen ten behoeve van de algemene bevoegdverklaring EVLOS is inclusief het gebruik van een waarnemer.
C. Ervaringseisen
10.2. RPAS-operaties
De operationele vliegtraining heeft betrekking op de benodigde vaardigheden ten behoeve van het uitvoeren van de operatie en bestaat uit:
De ervaring moet opgedaan zijn onder toezicht van een FI (RPA) binnen twee jaren onmiddellijk voorafgaande aan het praktijkexamen.
Bijlage 2. behorend bij artikel 6
| datum | |||
|---|---|---|---|
| functies | |||
| type RPAS | |||
| type vlucht* | |||
| registratie | |||
| begintijd** | |||
| eindtijd** | |||
| duur | |||
| locatie | |||
| paraaf |
*met type vlucht wordt bedoeld VLOS of EVLOS
**Met de begintijd en eindtijd wordt het tijdstip bedoeld waarop de vlucht daadwerkelijk begint en eindigt.
Bijlage 3. behorend bij artikel 7
Luchtwaardigheidseisen voor RPAS
De ervaring moet opgedaan zijn onder toezicht van een FI (RPA) in de twee jaren onmiddellijk voorafgaande aan het praktijkexamen.
De geschiktheid van het systeem wordt beoordeeld naar de omstandigheden van de gewenste operatie met het systeem.
Bijlage 3. behorend bij artikel 7
Bijlage 5. behorend bij artikel 9
Paragraaf 1. Definities
De geschiktheid van het systeem wordt beoordeeld naar de omstandigheden van de gewenste operatie met het systeem.
Artikel 2
Tenzij de minister een andere termijn heeft vastgesteld, wordt de technische administratie onder verantwoordelijkheid van de houder van het RPAS gedurende twee jaren bewaard.
Artikel 4
Paragraaf 4. Technische administratie luchtvaartuig
Bijlage 6. behorend bij artikel 10
Het handboek, bedoeld in artikel 11, bevat in ieder geval een duidelijke beschrijving van:
- •. de organisatiestructuur, waaronder de instructies die de (eind)verantwoordelijkheid van de bij de vluchtuitvoering betrokken personen in hoofdlijnen aangeven;
- •. de standaard werkmethoden, waaronder de procedure voor selectie en inrichting van het start-en landingsterrein met veilige afstanden tot obstakels (inclusief wegen) en personen niet betrokken bij de vlucht, voor het vrijhouden van het gebied waarboven de operatie wordt uitgevoerd van nieuwsgierigen en andere personen niet betrokken bij de vlucht en voor het creëren van een veilig werkgebied en vrij start- en landingsgebied voor de bemanning;
- •. het luchtwerk waarop het ROC betrekking heeft;
- •. een naar het oordeel van de minister adequate procedure:
- o. voor het aanwijzen van de gezagvoerder;
- o. voor samenwerking tussen de gezagvoerder en de waarnemer (VLOS);
- o. voor samenwerking tussen de gezagvoerder en de waarnemer op afstand (EVLOS);
- o. voor operaties binnen een CTR, indien wordt gevlogen binnen een CTR;
- o. voor het veilig en zonder gevaar voor derden overvliegen van een in gebruik zijnde weg of spoorlijn waarboven de operatie plaatsvindt;
- o. om uiterlijk twee dagen voor de vlucht plaatsvindt een NOTAM als bedoeld in artikel 1 van de Regeling burgerluchtvaartinlichtingen te publiceren, waarin de operatie met de RPA bekend wordt gemaakt bij de AIS-unit Schiphol of de AIS-unit AOCS Nieuw Milligen, bedoeld in artikel 1 van de Regeling burgerluchtvaartinlichtingen, tenzij het de uitvoering van vluchten door de brandweer ten behoeve van de taken, bedoeld in artikel 25, eerste lid, aanhef en onderdelen a tot en met d, en tweede lid, van de Wet veiligheidsregio’s betreft;
- •. de interne normen voor de inzetbaarheid van gezagvoerder, waarnemer en waarnemer op afstand en ‘human factor’ elementen;
- •. de procedures ten aanzien van de vluchtvoorbereiding (zoals NOTAMS, geldige kaart(en), luchtvaartgids, luchtvaartmeteorologische inlichtingen), waarbij voor de brandweer in plaats van NOTAMS in het kader van de taken, bedoeld in artikel 25, eerste lid, aanhef en onderdelen a tot en met d, en tweede lid, van de Wet veiligheidsregio’s, een procedure voor contact met de gemeenschappelijke meldkamer, bedoeld in artikel 35, van de Wet veiligheidsregio’s, kan worden gebruikt;
- •. de procedure van de risicoanalyse per vlucht (invloed van specifieke omgeving op veiligheid derden in de lucht en op de grond), rekening houdend met woonbebouwing en industrie via http://bagviewer.geodan.nl/;
- •. de wijze waarop een veiligheidsmanagementsysteem is ingevoerd in de organisatie, waaronder de melding van incidenten, de rol van de veiligheidsmanager en de uitgangspunten van de organisatie voor veilig gedrag (minimum het VMS-light); en
- •. een veiligheidsanalyse voor de uitvoering van vluchten waarop het ROC betrekking heeft, waarbij operationele aspecten, kwalificaties van de bemanning en technische toestand van het systeem worden meegenomen.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 1a
Deze regeling berust mede op artikel 7, eerste lid, van het Besluit vluchtuitvoering.
§ 2. Personeel
§ 3. Luchtwaardigheid
§ 4. Vluchtuitvoering
§ 5. Deelname aan het luchtverkeer
Artikel 15a. Voorrangsregels
Op afstand bestuurde luchtvaartuigen verlenen voorrang aan vliegtuigen, helikopters, zweeftoestellen, vrije ballonnen en luchtschepen.
In alle overige gevallen dat twee luchtvaartuigen kruisen op of omstreeks hetzelfde niveau, verleent het luchtvaartuig dat het andere aan zijn rechterzijde heeft, voorrang.
Artikel 15b. Aanwijzing RPA’s
RPA’s worden aangewezen als onbemande luchtvaartuigen als bedoeld in artikel 5.7, derde lid, van de Wet luchtvaart, aan boord waarvan zich geen gezagvoerder bevindt.
§ 6. Slotbepalingen
Bijlage 1. behorend bij artikel 3
Eisen inzake kennis, bedrevenheid en ervaring voor het verkrijgen van een RPA-L met de daarbij horende algemene bevoegdverklaringen en bijzondere bevoegdverklaringen.
Daar waar nodig zijn specifieke leerdoelen voor besturing van vliegtuig, helikopter of andere luchtvaartuigen expliciet aangegeven. De overige leerdoelen zijn generiek van toepassing op RPA’s. Bij de toepassing van de leerdoelen wordt de specifiek voor de desbetreffende configuratie benodigde kennis aangeboden.
Eisen inzake kennis, bedrevenheid en ervaring voor het verkrijgen van een RPA-L met de daarbij horende algemene bevoegdverklaringen en bijzondere bevoegdverklaringen.
De kandidaat is bekend met aerodynamische effecten die de vlucht mogelijke maken, dan wel nadelig kunnen beïnvloeden, zoals bijvoorbeeld overtrek.
De kandidaat kan de voor de besturing van een RPA belangrijkste risico’s noemen van:
9. Navigatie
9. Navigatie
ICAO Annex 6, Deel II – Bediening van het luchtvaartuig
B. Bedrevenheidseisen
11. Praktijkervaring
Eisen aan praktische ervaring voor de algemene bevoegdverklaring EVLOS in combinatie met de bijzondere bevoegdverklaring, bedoeld in artikel 2, onderdeel a:
Bijlage 2. behorend bij artikel 6
| datum | |||
|---|---|---|---|
| functies | |||
| type RPAS | |||
| type vlucht* | |||
| registratie | |||
| begintijd** | |||
| eindtijd** | |||
| duur | |||
| locatie | |||
| paraaf |
*met type vlucht wordt bedoeld VLOS of EVLOS
**Met de begintijd en eindtijd wordt het tijdstip bedoeld waarop de vlucht daadwerkelijk begint en eindigt.
Luchtwaardigheidseisen voor RPAS
Voor het verkrijgen van een speciaal-BVL onder de beperking dat de RPA niet wordt gebruikt boven mensenmenigten, aaneengesloten bebouwing of kunstwerken, industrie- en havengebieden daaronder begrepen, spoorlijnen of voor motorrijtuigen toegankelijke wegen wordt het RPAS ten minste op de volgende elementen beoordeeld:
Tijdens de keuring van het RPAS worden ten minste de volgende zaken onderzocht:
Bijlage 4. behorend bij artikel 8, lid 3
| SPECIAL CERTIFICATE OF AIRWORTHINESS Human Environment and Transport Inspectorate Civil Aviation Authority Netherlands Correspondence address: P.O. Box 575, 2130 AN Hoofddorp, The Netherlands | SPECIAL CERTIFICATE OF AIRWORTHINESS Human Environment and Transport Inspectorate Civil Aviation Authority Netherlands Correspondence address: P.O. Box 575, 2130 AN Hoofddorp, The Netherlands | SPECIAL CERTIFICATE OF AIRWORTHINESS Human Environment and Transport Inspectorate Civil Aviation Authority Netherlands Correspondence address: P.O. Box 575, 2130 AN Hoofddorp, The Netherlands | SPECIAL CERTIFICATE OF AIRWORTHINESS Human Environment and Transport Inspectorate Civil Aviation Authority Netherlands Correspondence address: P.O. Box 575, 2130 AN Hoofddorp, The Netherlands |
|---|---|---|---|
| Registration number: ... ICAO aircraft designator: ... | |||
| 1. Nat. & registration marks: PH-... | 2. Manufacturer and manufacturer's designation of aircraft: .............................. | 2. Manufacturer and manufacturer's designation of aircraft: .............................. | 3. Aircraft serial number: ... |
| 4. Categories: | 4. Categories: | 4. Categories: | 4. Categories: |
| 5. This Special Certificate of Airworthiness is issued pursuant to the Netherlands Act on Aviation for aircraft excluded from the European Regulation (EC) No 216/2008 and also do not comply with the airworthiness requirements of ICAO. The abovementioned aircraft is considered to be airworthy when maintained and operated in accordance with the foregoing and the pertinent operating limitations. | 5. This Special Certificate of Airworthiness is issued pursuant to the Netherlands Act on Aviation for aircraft excluded from the European Regulation (EC) No 216/2008 and also do not comply with the airworthiness requirements of ICAO. The abovementioned aircraft is considered to be airworthy when maintained and operated in accordance with the foregoing and the pertinent operating limitations. | 5. This Special Certificate of Airworthiness is issued pursuant to the Netherlands Act on Aviation for aircraft excluded from the European Regulation (EC) No 216/2008 and also do not comply with the airworthiness requirements of ICAO. The abovementioned aircraft is considered to be airworthy when maintained and operated in accordance with the foregoing and the pertinent operating limitations. | 5. This Special Certificate of Airworthiness is issued pursuant to the Netherlands Act on Aviation for aircraft excluded from the European Regulation (EC) No 216/2008 and also do not comply with the airworthiness requirements of ICAO. The abovementioned aircraft is considered to be airworthy when maintained and operated in accordance with the foregoing and the pertinent operating limitations. |
| Date of issue: .................... | Date of issue: .................... | Signature: The State Secretary for Infrastructure and the Environment, On behalf, | Signature: The State Secretary for Infrastructure and the Environment, On behalf, |
| Limitations / Remarks: | Limitations / Remarks: | Signature: The State Secretary for Infrastructure and the Environment, On behalf, | Signature: The State Secretary for Infrastructure and the Environment, On behalf, |
| 6. This Special Certificate of Airworthiness is valid up to and including ......, unless revoked. This certificate shall be carried by the pilot during all flights Document Number: ...... | 6. This Special Certificate of Airworthiness is valid up to and including ......, unless revoked. This certificate shall be carried by the pilot during all flights Document Number: ...... | 6. This Special Certificate of Airworthiness is valid up to and including ......, unless revoked. This certificate shall be carried by the pilot during all flights Document Number: ...... | 6. This Special Certificate of Airworthiness is valid up to and including ......, unless revoked. This certificate shall be carried by the pilot during all flights Document Number: ...... |
Bijlage 5. behorend bij artikel 9
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Tenzij de minister een andere termijn heeft vastgesteld, wordt de technische administratie onder verantwoordelijkheid van de houder van het RPAS gedurende twee jaren bewaard.
Artikel 6
Artikel 7
Bijlage 6. behorend bij artikel 10
Het handboek, bedoeld in artikel 11, bevat in ieder geval een duidelijke beschrijving van:
- •. de organisatiestructuur, waaronder de instructies die de (eind)verantwoordelijkheid van de bij de vluchtuitvoering betrokken personen in hoofdlijnen aangeven;
- •. de standaard werkmethoden, waaronder de procedure voor selectie en inrichting van het start-en landingsterrein met veilige afstanden tot obstakels (inclusief wegen) en personen niet betrokken bij de vlucht, voor het vrijhouden van het gebied waarboven de operatie wordt uitgevoerd van nieuwsgierigen en andere personen niet betrokken bij de vlucht en voor het creëren van een veilig werkgebied en vrij start- en landingsgebied voor de bemanning;
- •. het luchtwerk waarop het ROC betrekking heeft;
- •. een naar het oordeel van de minister adequate procedure:
- o. voor het aanwijzen van de gezagvoerder;
- o. voor samenwerking tussen de gezagvoerder en de waarnemer (VLOS);
- o. voor samenwerking tussen de gezagvoerder en de waarnemer op afstand (EVLOS);
- o. voor operaties binnen een CTR, indien wordt gevlogen binnen een CTR;
- o. voor het veilig en zonder gevaar voor derden overvliegen van een in gebruik zijnde weg of spoorlijn waarboven de operatie plaatsvindt;
- o. om uiterlijk twee dagen voor de vlucht plaatsvindt een NOTAM als bedoeld in artikel 1 van de Regeling burgerluchtvaartinlichtingen te publiceren, waarin de operatie met de RPA bekend wordt gemaakt bij de AIS-unit Schiphol of de AIS-unit AOCS Nieuw Milligen, bedoeld in artikel 1 van de Regeling burgerluchtvaartinlichtingen, tenzij het de uitvoering van vluchten door de brandweer ten behoeve van de taken, bedoeld in artikel 25, eerste lid, aanhef en onderdelen a tot en met d, en tweede lid, van de Wet veiligheidsregio’s betreft;
- •. de interne normen voor de inzetbaarheid van gezagvoerder, waarnemer en waarnemer op afstand en ‘human factor’ elementen;
- •. de procedures ten aanzien van de vluchtvoorbereiding (zoals NOTAMS, geldige kaart(en), luchtvaartgids, luchtvaartmeteorologische inlichtingen), waarbij voor de brandweer in plaats van NOTAMS in het kader van de taken, bedoeld in artikel 25, eerste lid, aanhef en onderdelen a tot en met d, en tweede lid, van de Wet veiligheidsregio’s, een procedure voor contact met de gemeenschappelijke meldkamer, bedoeld in artikel 35, van de Wet veiligheidsregio’s, kan worden gebruikt;
- •. de procedure van de risicoanalyse per vlucht (invloed van specifieke omgeving op veiligheid derden in de lucht en op de grond), rekening houdend met woonbebouwing en industrie via http://bagviewer.geodan.nl/;
- •. de wijze waarop een veiligheidsmanagementsysteem is ingevoerd in de organisatie, waaronder de melding van incidenten, de rol van de veiligheidsmanager en de uitgangspunten van de organisatie voor veilig gedrag (minimum het VMS-light); en
- •. een veiligheidsanalyse voor de uitvoering van vluchten waarop het ROC betrekking heeft, waarbij operationele aspecten, kwalificaties van de bemanning en technische toestand van het systeem worden meegenomen.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 10a. Eisen aan uitvoering van vluchten met RPA’s van niet meer dan 4 kg
Dit artikel is van toepassing op VFR-vluchten met een RPA waarvan de totale massa niet meer dan 4 kg bedraagt, die onder de volgende operationele beperkingen worden uitgevoerd:
- a. de vlucht wordt uitgevoerd tot een afstand van maximaal 100 meter van de bestuurder;
- b. de vlucht wordt uitgevoerd tot een hoogte van maximaal 40 meter (131 ft) boven de grond of het water binnen een gebied waarin laag mag worden gevlogen door civiele of militaire luchtvaartuigen;
- c. de vlucht wordt uitgevoerd tot een hoogte van maximaal 50 meter (165 ft) boven de grond of het water in andere dan de in onderdeel b bedoelde gebieden; en
- d. de vlucht wordt uitgevoerd in luchtruim met klasse G onder de geldende luchtverkeersregels.
De uitvoering van VFR-vluchten met een RPA als bedoeld in het eerste lid, onder de in dat lid bedoelde beperkingen is ook toegestaan, indien de organisatie die deze vluchten uitvoert, in plaats van over de in artikel 10, eerste lid, bedoelde documenten, beschikt over:
- a. een geldig bewijs van inschrijving als bedoeld in artikel 3.5 van de wet;
- b. een speciaal-BvL dan wel een ontheffing van de verplichting te beschikken over een speciaal-BvL met betrekking tot de RPA’s waarmee de vlucht wordt uitgevoerd;
- c. een door de minister afgegeven bewijs van bevoegdheid dan wel een ontheffing van de verplichting te beschikken over een bewijs van bevoegdheid voor de bestuurders die de in onderdeel b bedoelde RPA’s besturen; en
- d. een verzekering tegen de burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor dood of letsel van derden of andere schade toegebracht aan derden.
Artikel 10, tweede tot en met vierde lid, is niet van toepassing op de uitvoering van vluchten met een RPA als bedoeld in het eerste lid, onder de in dat lid bedoelde beperkingen.
§ 5. Deelname aan het luchtverkeer
Artikel 15aa. Zichtafstand, VFR-vlieghoogte en afstand tot mensenmenigten, bebouwing, spoorlijnen of wegen voor vluchten met RPA’s van niet meer dan 4 kg
Indien de organisatie die VFR-vluchten uitvoert met een RPA waarvan de totale massa niet meer dan 4 kg bedraagt, in plaats van over de in artikel 10, eerste lid, bedoelde documenten, beschikt over de in artikel 10a, tweede lid, bedoelde documenten, is het verboden de vlucht uit te voeren:
- a. buiten een afstand van 100 meter van de bestuurder;
- b. hoger dan 40 meter (131 ft) boven de grond of het water binnen een gebied als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onderdeel b; en
- c. hoger dan 50 meter (165 ft) boven de grond of het water in andere dan de in onderdeel b bedoelde gebieden.
Indien de in het eerste lid bedoelde verboden in acht worden genomen is het, in afwijking van artikel 15, eerste lid, toegestaan een vlucht met een RPA waarvan de totale massa niet meer dan 4 kg bedraagt uit te voeren minimaal 50 meter horizontaal van mensenmenigten, aaneengesloten bebouwing of kunstwerken, industrie- en havengebieden daaronder begrepen, in gebruik zijnde autosnelwegen en autowegen, in gebruik zijnde wegen waar een maximale snelheid van 80 kilometer per uur geldt, spoorlijnen, vaartuigen en voertuigen.
Indien de organisatie die VFR-vluchten uitvoert met een RPA als bedoeld in het eerste lid, in plaats van over de in artikel 10, eerste lid, bedoelde documenten, beschikt over de in artikel 10a, tweede lid, bedoelde documenten, is artikel 2, onderdeel h, van de Regeling modelvliegen van overeenkomstige toepassing op deze vluchten, met dien verstande dat de vluchten plaatsvinden met inachtneming van artikel 15aa, eerste lid, aanhef en onderdelen b en c.
§ 6. Slotbepalingen
Bijlage 1. behorend bij artikel 3
De eisen opgenomen onder de volgende onderdelen zijn afhankelijk van de categorie luchtvaartuig:
De kandidaat kan de factoren benoemen die van belang zijn voor de vliegprestaties tijdens diverse vluchtfasen (start, vlucht, landing).
De kandidaat kan de voor de besturing van een RPA belangrijkste risico’s noemen van:
C. Ervaringseisen
11. Praktijkervaring
Tijdens de keuring van het RPAS worden ten minste de volgende zaken onderzocht:
Bijlage 4. behorend bij artikel 8, lid 3
| SPECIAL CERTIFICATE OF AIRWORTHINESS Human Environment and Transport Inspectorate Civil Aviation Authority Netherlands Correspondence address: P.O. Box 575, 2130 AN Hoofddorp, The Netherlands | SPECIAL CERTIFICATE OF AIRWORTHINESS Human Environment and Transport Inspectorate Civil Aviation Authority Netherlands Correspondence address: P.O. Box 575, 2130 AN Hoofddorp, The Netherlands | SPECIAL CERTIFICATE OF AIRWORTHINESS Human Environment and Transport Inspectorate Civil Aviation Authority Netherlands Correspondence address: P.O. Box 575, 2130 AN Hoofddorp, The Netherlands | SPECIAL CERTIFICATE OF AIRWORTHINESS Human Environment and Transport Inspectorate Civil Aviation Authority Netherlands Correspondence address: P.O. Box 575, 2130 AN Hoofddorp, The Netherlands |
|---|---|---|---|
| Registration number: ... ICAO aircraft designator: ... | |||
| 1. Nat. & registration marks: PH-... | 2. Manufacturer and manufacturer's designation of aircraft: .............................. | 2. Manufacturer and manufacturer's designation of aircraft: .............................. | 3. Aircraft serial number: ... |
| 4. Categories: | 4. Categories: | 4. Categories: | 4. Categories: |
| 5. This Special Certificate of Airworthiness is issued pursuant to the Netherlands Act on Aviation for aircraft excluded from the European Regulation (EC) No 216/2008 and also do not comply with the airworthiness requirements of ICAO. The abovementioned aircraft is considered to be airworthy when maintained and operated in accordance with the foregoing and the pertinent operating limitations. | 5. This Special Certificate of Airworthiness is issued pursuant to the Netherlands Act on Aviation for aircraft excluded from the European Regulation (EC) No 216/2008 and also do not comply with the airworthiness requirements of ICAO. The abovementioned aircraft is considered to be airworthy when maintained and operated in accordance with the foregoing and the pertinent operating limitations. | 5. This Special Certificate of Airworthiness is issued pursuant to the Netherlands Act on Aviation for aircraft excluded from the European Regulation (EC) No 216/2008 and also do not comply with the airworthiness requirements of ICAO. The abovementioned aircraft is considered to be airworthy when maintained and operated in accordance with the foregoing and the pertinent operating limitations. | 5. This Special Certificate of Airworthiness is issued pursuant to the Netherlands Act on Aviation for aircraft excluded from the European Regulation (EC) No 216/2008 and also do not comply with the airworthiness requirements of ICAO. The abovementioned aircraft is considered to be airworthy when maintained and operated in accordance with the foregoing and the pertinent operating limitations. |
| Date of issue: .................... | Date of issue: .................... | Signature: The State Secretary for Infrastructure and the Environment, On behalf, | Signature: The State Secretary for Infrastructure and the Environment, On behalf, |
| Limitations / Remarks: | Limitations / Remarks: | Signature: The State Secretary for Infrastructure and the Environment, On behalf, | Signature: The State Secretary for Infrastructure and the Environment, On behalf, |
| 6. This Special Certificate of Airworthiness is valid up to and including ......, unless revoked. This certificate shall be carried by the pilot during all flights Document Number: ...... | 6. This Special Certificate of Airworthiness is valid up to and including ......, unless revoked. This certificate shall be carried by the pilot during all flights Document Number: ...... | 6. This Special Certificate of Airworthiness is valid up to and including ......, unless revoked. This certificate shall be carried by the pilot during all flights Document Number: ...... | 6. This Special Certificate of Airworthiness is valid up to and including ......, unless revoked. This certificate shall be carried by the pilot during all flights Document Number: ...... |
Bijlage 5. behorend bij artikel 9
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Artikel 5
Tenzij de minister een andere termijn heeft vastgesteld, wordt de technische administratie onder verantwoordelijkheid van de houder van het RPAS gedurende twee jaren bewaard.
Paragraaf 5. Onderzoek en melding van defecten en gebreken
Artikel 7
Bijlage 6. behorend bij artikel 10
Het handboek, bedoeld in artikel 11, bevat in ieder geval een duidelijke beschrijving van:
- •. de organisatiestructuur, waaronder de instructies die de (eind)verantwoordelijkheid van de bij de vluchtuitvoering betrokken personen in hoofdlijnen aangeven;
- •. de standaard werkmethoden, waaronder de procedure voor selectie en inrichting van het start-en landingsterrein met veilige afstanden tot obstakels (inclusief wegen) en personen niet betrokken bij de vlucht, voor het vrijhouden van het gebied waarboven de operatie wordt uitgevoerd van nieuwsgierigen en andere personen niet betrokken bij de vlucht en voor het creëren van een veilig werkgebied en vrij start- en landingsgebied voor de bemanning;
- •. het luchtwerk waarop het ROC betrekking heeft;
- •. een naar het oordeel van de minister adequate procedure:
- o. voor het aanwijzen van de gezagvoerder;
- o. voor samenwerking tussen de gezagvoerder en de waarnemer (VLOS);
- o. voor samenwerking tussen de gezagvoerder en de waarnemer op afstand (EVLOS);
- o. voor operaties binnen een CTR, indien wordt gevlogen binnen een CTR;
- o. voor het veilig en zonder gevaar voor derden overvliegen van een in gebruik zijnde weg of spoorlijn waarboven de operatie plaatsvindt;
- o. om uiterlijk twee dagen voor de vlucht plaatsvindt een NOTAM als bedoeld in artikel 1 van de Regeling burgerluchtvaartinlichtingen te publiceren, waarin de operatie met de RPA bekend wordt gemaakt bij de AIS-unit Schiphol of de AIS-unit AOCS Nieuw Milligen, bedoeld in artikel 1 van de Regeling burgerluchtvaartinlichtingen, tenzij het de uitvoering van vluchten door de brandweer ten behoeve van de taken, bedoeld in artikel 25, eerste lid, aanhef en onderdelen a tot en met d, en tweede lid, van de Wet veiligheidsregio’s betreft;
- •. de interne normen voor de inzetbaarheid van gezagvoerder, waarnemer en waarnemer op afstand en ‘human factor’ elementen;
- •. de procedures ten aanzien van de vluchtvoorbereiding (zoals NOTAMS, geldige kaart(en), luchtvaartgids, luchtvaartmeteorologische inlichtingen), waarbij voor de brandweer in plaats van NOTAMS in het kader van de taken, bedoeld in artikel 25, eerste lid, aanhef en onderdelen a tot en met d, en tweede lid, van de Wet veiligheidsregio’s, een procedure voor contact met de gemeenschappelijke meldkamer, bedoeld in artikel 35, van de Wet veiligheidsregio’s, kan worden gebruikt;
- •. de procedure van de risicoanalyse per vlucht (invloed van specifieke omgeving op veiligheid derden in de lucht en op de grond), rekening houdend met woonbebouwing en industrie via http://bagviewer.geodan.nl/;
- •. de wijze waarop een veiligheidsmanagementsysteem is ingevoerd in de organisatie, waaronder de melding van incidenten, de rol van de veiligheidsmanager en de uitgangspunten van de organisatie voor veilig gedrag (minimum het VMS-light); en
- •. een veiligheidsanalyse voor de uitvoering van vluchten waarop het ROC betrekking heeft, waarbij operationele aspecten, kwalificaties van de bemanning en technische toestand van het systeem worden meegenomen.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.