Beleidsregels vereveningsbijdrage zorgverzekering 2015

Type ZBO-regeling
Publication 2015-05-06
State In force
Source BWB
artikelen 46
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
13.

Het Zorginstituut koppelt de opgave bedoeld in het achtste lid, onderdeel b, met behulp van het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het VPPKB 2015 en bepaalt op basis hiervan en met behulp van de drempels bedoeld in het tiende, elfde en twaalfde lid in welke FKG GGZ klassen de verzekerde wordt ingedeeld.

14.

Bij samenloop van FKG’s GGZ deelt het Zorginstituut de verzekerde bij alle toepasselijke FKG’s GGZ in met inachtneming van de volgende uitzonderingen:

  • a. Indien een verzekerde is ingedeeld in de klasse FKG GGZ psychose depot, deelt het Zorginstituut deze verzekerde niet in bij de klasse FKG GGZ psychose;
  • b. Indien een verzekerde is ingedeeld in de klasse FKG GGZ bipolair complex, deelt het Zorginstituut deze verzekerde niet in bij de klasse FKG GGZ bipolair regulier.
15.

Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen FKG psychische aandoeningen’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen FKG psychische aandoeningen’ in.

16.

Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium DKG GGZ per zorgverzekeraar op:

  • a. de indeling in DKG GGZ 2015 uit bijlage 8 bij de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 7 oktober 2014 met kenmerk 671602-126798-Z;
  • b. de opgave van de zorgverzekeraar aan het Zorginstituut per 1 juni 2016 van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van alle dbc’s GGZ die in 2014 geopend zijn;
  • c. declaraties met betrekking tot vereveningsjaar 2013 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten GGZ tot en met 31 december 2015, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2016 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd.
17.

Het Zorginstituut bepaalt door een koppeling op basis van het gepseudonimiseerde burgerservicenummer tussen de opgave, bedoeld in het vorige lid, onderdeel b en het VPPKB per verzekerde in welke DKG GGZ klasse de verzekerde valt en betrekt daarbij de opgave, bedoeld in het vorige lid, onderdeel c.

18.

Als een verzekerde niet in een DKG GGZ klasse 1 tot en met 5 valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de DKG GGZ klasse ‘0’ in.

19.

Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium GGZ-MHK per zorgverzekeraar op:

  • a. declaraties 2012 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag GGZ kosten tot en met 31 december 2014, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2015 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
  • b. declaraties 2013 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag GGZ kosten tot en met 31 december 2015, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2016 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
  • c. declaraties 2014 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag GGZ kosten, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2016 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
  • d. het VPPKB 2012, het VPPKB 2013 en het VPPKB 2014.
20.

Het Zorginstituut herleidt de percentages van de risicoklassen GGZ-MHK met betrekking tot vereveningsjaar 2012, 2013 en 2014 tot respectievelijk drempelbedragen GGZ-MHK 2012, 2013 en 2014.

21.

Het Zorginstituut bepaalt op basis van de drempelbedragen uit het vorige lid en een koppeling met het VPPKB 2015 in welke GGZ-MHK klasse een verzekerde wordt ingedeeld.

22.

Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘GGZ-MHK 3 jaar geen kosten’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘GGZ-MHK 3 jaar geen kosten’ in.

23.

Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder voor het criterium SES per zorgverzekeraar met betrekking tot:

  • a. de leeftijd, op het PKB 2015;
  • b. de leeftijd in het geval een verzekerde niet is opgenomen in het PKB 2015, op het VPPKB 2015;
  • c. het inkomen, op de gepseudonimiseerde opgave van de Belastingdienst over 2014;
  • d. het inkomen in het geval een verzekerde niet is opgenomen in de opgave over 2014, op de opgave over 2013 en indien een verzekerde ook niet is opgenomen in de opgave over 2013, op de opgave over 2012;
  • e. de adresgegevens op het gepseudonimiseerde adres per gepseudonimiseerd burgerservicenummer in de opgave van de Belastingdienst over 2015;
  • f. de adresgegevens in het geval een verzekerde niet is opgenomen in de opgave van de Belastingdienst over 2015, op het gepseudonimiseerde adres in het PKB 2015 en indien een verzekerde ook niet is opgenomen in het PKB 2015, op het VPPKB 2015.
24.

Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder voor het criterium éénpersoonsadres per zorgverzekeraar met betrekking tot:

  • a. de adresgegevens op het gepseudonimiseerde adres per gepseudonimiseerd burgerservicenummer in de opgave van de Belastingdienst over 2015;
  • b. de adresgegevens in het geval een verzekerde niet is opgenomen in de opgave van de Belastingdienst, op het gepseudonimiseerde adres in het PKB 2015 en indien een verzekerde ook niet is opgenomen in het PKB 2015, op het VPPKB 2015.
25.

Het Zorginstituut deelt verzekerden van achttien jaar en ouder zonder burgerservicenummer en verzekerden zonder geverifieerd burgerservicenummer uitsluitend in bij de criteria leeftijd en geslacht en regio.

26.

Het Zorginstituut deelt verzekerden woonachtig in het buitenland van achttien jaar en ouder uitsluitend in bij de criteria leeftijd en geslacht, FKG GGZ, DKG GGZ, aard van het inkomen en GGZ-MHK. Overeenkomstig artikel 7 van de Regeling deelt het Zorginstituut alle verzekerden woonachtig in het buitenland voor het criterium FKG GGZ in in de klasse 'Geen FKG psychische aandoeningen' en voor het criterium DKG GGZ in de klasse ‘0’.

Artikel 17. Bepaling van de verzekerdenaantallen 2015 voor de normatieve eigen risico opbrengst

1.

Het Zorginstituut bepaalt de verzekerdenaantallen 2015 voor de normatieve eigen risico opbrengst per criterium met inachtneming van het bepaalde in dit artikel.

2.

Het Zorginstituut baseert zich bij de bepaling van de verzekerdenaantallen per zorgverzekeraar op het VPPKB 2015, zoals zorgverzekeraars dat op 1 juni 2016 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd.

3.

Wanneer een verzekerde gedurende een bepaalde periode in 2015 bij meerdere zorgverzekeraars tegelijkertijd is ingeschreven, bepaalt het Zorginstituut de verzekeringsduur voor die verzekerde naar rato van het aantal zorgverzekeraars waar de verzekerde gedurende die periode ingeschreven is geweest.

4.

Het Zorginstituut bepaalt het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder dat niet zowel in de FKG klasse ‘Geen FKG’, als in de DKG klasse ‘0’ en in de MHK klasse ‘Geen MHK’ valt, per zorgverzekeraar met inachtneming van artikel 15, veertiende, respectievelijk zeventiende en vijfentwintigste lid.

5.

Het Zorginstituut bepaalt het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder dat zowel in de FKG klasse ‘Geen FKG’, als in de DKG klasse ‘0’ en in de MHK klasse ‘Geen MHK’ valt per zorgverzekeraar met inachtneming van artikel 15, veertiende respectievelijk zeventiende en vijfentwintigste lid.

6.

Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder dat zowel in de FKG klasse ‘Geen FKG’, als in de DKG klasse ‘0’ en in de MHK klasse ‘Geen MHK’ is ingedeeld voor het criterium leeftijd en geslacht per zorgverzekeraar op:

  • a. het PKB 2015, zoals zorgverzekeraars dat op 1 juni 2015 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd. De peildatum van de opgave is 1 mei 2015;
  • b. het VPPKB 2015, indien een verzekerde niet is opgenomen in het PKB 2015.
7.

Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder dat zowel in de FKG klasse ‘Geen FKG’, als in de DKG klasse ‘0’ en in de MHK klasse ‘Geen MHK’ is ingedeeld voor het criterium aard van het inkomen per zorgverzekeraar met betrekking tot:

  • a. de leeftijd, op het PKB 2015;
  • b. de leeftijd in het geval een verzekerde niet is opgenomen in het PKB 2015, op het VPPKB 2015;
  • c. de zelfstandigen, op de opgave per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de Belastingdienst naar inkomensbron over 2015, met peildatum 30 juni 2015;
  • d. de arbeidsongeschikten, bijstandsgerechtigden en de referentiegroep op de opgave per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van het UWV naar inkomensbron over 2015, met peildatum 30 juni 2015;
  • e. de arbeidsongeschikten, bijstandsgerechtigden en de referentiegroep indien de opgave van het UWV betreffende een gemeente onvoldoende gegevens bevat, op gegevens over 2014, met peildatum 30 juni 2014, voor verzekerden uit die gemeente. Het Zorginstituut hanteert per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor de opgave van de Belastingdienst dezelfde peildatum als het gebruikt voor de opgave van het UWV;
  • f. de studenten, op de opgave van DUO per gepseudonimiseerd burgerservicenummer met peildatum 1 juni 2015.
8.

Het Zorginstituut deelt een verzekerde die in meerdere klassen voor het criterium aard van het inkomen is in te delen, in op basis van het bepaalde in artikel 4, achtste lid van deze beleidsregels.

9.

Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder dat zowel in de FKG klasse ‘Geen FKG’, als in de DKG klasse ‘0’ en in de MHK klasse ‘Geen MHK’ valt voor het criterium regio per zorgverzekeraar met betrekking tot:

  • a. de indeling, op de regioclusters somatisch naar viercijferige postcode voor 2015 uit bijlage 10 bij de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 7 oktober 2014 met kenmerk 671602-126798-Z;
  • b. de viercijferige postcode, op het PKB 2015;
  • c. de viercijferige postcode in het geval een verzekerde niet is opgenomen in het PKB 2015, op het VPPKB 2015.
10.

Het Zorginstituut deelt verzekerden zonder burgerservicenummer en verzekerden zonder geverifieerd burgerservicenummer van achttien jaar en ouder uitsluitend in bij de criteria leeftijd en geslacht en regio.

11.

Het Zorginstituut deelt verzekerden woonachtig in het buitenland van achttien jaar en ouder uitsluitend in bij de criteria leeftijd en geslacht en aard van het inkomen.

Artikel 18. De voorlopige herberekening van het deelbedrag variabele zorgkosten 2015

1.

Op basis van de opgave jaarstaat 2015 per 1 mei 2016 en met inachtneming van de artikelen 12 en 14 van de Regeling bepaalt het Zorginstituut de variabele zorgkosten 2015 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars.

2.

Het Zorginstituut herberekent het gewicht variabele zorgkosten per verzekerde voor de DKG klasse ‘0’ door het totaal aantal verzekerden per DKG klasse 1 tot en met 15 te vermenigvuldigen met het overeenkomstige gewicht en de som van het resultaat vervolgens te delen door het totaal aantal verzekerden in de DKG klasse ‘0’ waarbij rekening wordt gehouden met het gewicht van de verzekerden woonachtig in het buitenland, dat af te ronden op twee decimalen en van een negatief teken te voorzien.

3.

Het Zorginstituut herberekent het gewicht variabele zorgkosten per verzekerde voor de HKG klasse ‘Geen HKG’ door het totaal aantal verzekerden in een andere klasse dan ‘Geen HKG’ per HKG klasse te vermenigvuldigen met het overeenkomstige gewicht en de som van het resultaat vervolgens te delen door het totaal aantal verzekerden in de klasse ‘Geen HKG’ waarbij rekening wordt gehouden met het gewicht van de verzekerden woonachtig in het buitenland, dat af te ronden op twee decimalen en van een negatief teken te voorzien.

4.

Het Zorginstituut herberekent het gewicht variabele zorgkosten per verzekerde voor de MHK klasse ‘Geen MHK’ door het totaal aantal verzekerden in een andere klasse dan ‘Geen MHK’ per MHK klasse te vermenigvuldigen met het overeenkomstige gewicht en de som van het resultaat vervolgens te delen door het totaal aantal verzekerden in de MHK klasse ‘Geen MHK’, dat af te ronden op twee decimalen en van een negatief teken te voorzien.

5.

Het Zorginstituut herberekent het gewicht variabele zorgkosten per verzekerde voor de GSM klasse ‘Geen morbiditeit, 65- jaar’ door het totaal aantal verzekerden per GSM klasse ‘Wel morbiditeit 65- jaar’ te vermenigvuldigen met het overeenkomstige gewicht en het resultaat vervolgens te delen door het totaal aantal verzekerden in de GSM klasse ‘Geen morbiditeit, 65- jaar’, dat af te ronden op twee decimalen en van een negatief teken te voorzien. ‘

6.

Het Zorginstituut herberekent het gewicht variabele zorgkosten per verzekerde voor de GSM klasse ‘Geen morbiditeit, 65+ jaar’ door het totaal aantal verzekerden per GSM klasse ‘Wel morbiditeit 65+ jaar’ te vermenigvuldigen met het overeenkomstige gewicht en het resultaat vervolgens te delen door het totaal aantal verzekerden in de GSM klasse ‘Geen morbiditeit, 65+ jaar’, dat af te ronden op twee decimalen en van een negatief teken te voorzien.

7.

Het Zorginstituut herberekent met inachtneming van de op grond van artikel 15 bepaalde verzekerdenaantallen het normatieve bedrag variabele zorgkosten 2015 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, overeenkomstig artikel 7, alsmede voor het totaal van de verzekerden 2015 van alle zorgverzekeraars.

8.

Het Zorginstituut berekent de schalingsfactor voor variabele zorgkosten 2015 door de variabele zorgkosten 2015 voor het totaal van de zorgverzekeraars, zoals bepaald in het eerste lid, te delen door het in het zevende lid herberekende normatieve bedrag variabele zorgkosten 2015 voor het totaal van de verzekerden 2015 van alle zorgverzekeraars.

9.

Het Zorginstituut vermenigvuldigt voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars het herberekende normatieve bedrag variabele zorgkosten 2015 uit het zevende lid met de schalingsfactor berekend in het achtste lid.

10.

Het Zorginstituut berekent voor het totaal van de zorgverzekeraars het verschil tussen de uitkomst van de vermenigvuldiging uit het negende lid en het herberekende normatieve bedrag uit het zevende lid en deelt dit verschil door het totaal aantal ingeschreven verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is.

11.

Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar het resultaat van het tiende lid met het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven.

12.

Het Zorginstituut vermindert per zorgverzekeraar het product voor die zorgverzekeraar, berekend in het negende lid, met het product voor die zorgverzekeraar, berekend in het elfde lid. Het resultaat wordt aangeduid als het voorlopige herberekende deelbedrag variabele zorgkosten 2015.

Artikel 19. De voorlopige herberekening van het deelbedrag vaste zorgkosten 2015

1.

Op basis van de opgave jaarstaat 2015 per 1 mei 2016 en met inachtneming van artikel 15 van de Regeling bepaalt het Zorginstituut de vaste zorgkosten 2015 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk.

2.

Het Zorginstituut herberekent het voorlopig deelbedrag vaste zorgkosten 2015 per zorgverzekeraar als volgt:

  • a. De vaste zorgkosten 2014 worden per zorgverzekeraar gedeeld door het aantal verzekerden 2014. Het resultaat is het bedrag vaste kosten per verzekerde 2014;
  • b. Het in onderdeel a berekende bedrag wordt vermenigvuldigd met het totaal aantal verzekerden 2015 per zorgverzekeraar, vastgesteld met toepassing van artikel 15. Het resultaat is het deelbedrag vaste zorgkosten 2015.
3.

Het Zorginstituut calculeert per zorgverzekeraar 100 procent na op het verschil tussen de vaste zorgkosten 2015, verkregen in het eerste lid, en het deelbedrag vaste zorgkosten, verkregen in het tweede lid.

4.

De som van het resultaat van het tweede en het derde lid wordt aangeduid als het voorlopige herberekende deelbedrag vaste zorgkosten 2015.

Artikel 20. De voorlopige herberekening van het deelbedrag verpleging en verzorging 2015

1.

Op basis van de opgave jaarstaat 2015 per 1 mei 2016 en met inachtneming van artikel 12 van de Regeling, bepaalt het Zorginstituut de kosten van verpleging en verzorging 2015 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars.

2.

Het Zorginstituut herberekent het gewicht kosten van verpleging en verzorging per verzekerde voor de MHK klasse ‘Geen MHK’ door het totaal aantal verzekerden in een andere klasse dan ‘Geen MHK’ per MHK klasse te vermenigvuldigen met het overeenkomstige gewicht en de som van het resultaat vervolgens te delen door het totaal aantal verzekerden in de MHK klasse ‘Geen MHK’, dat af te ronden op twee decimalen en van een negatief teken te voorzien.

3.

Het Zorginstituut herberekent met inachtneming van de op grond van artikel 15 berekende verzekerdenaantallen het normatieve bedrag kosten van verpleging en verzorging 2015 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, overeenkomstig artikel 9, alsmede voor het totaal van de verzekerden 2015 van alle zorgverzekeraars.

4.

Het Zorginstituut berekent de schalingsfactor voor kosten van verpleging en verzorging 2015 door de kosten van verpleging en verzorging 2015 voor het totaal van de zorgverzekeraars, zoals bepaald in het eerste lid, te delen door het in het derde lid herberekende normatieve bedrag kosten van verpleging en verzorging voor het totaal van de verzekerden 2015 van alle zorgverzekeraars.

5.

Het Zorginstituut vermenigvuldigt voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars het herberekende normatieve bedrag kosten van verpleging en verzorging 2015 uit het derde lid met de schalingsfactor, berekend in het vierde lid.

6.

Het Zorginstituut berekent voor het totaal van de zorgverzekeraars het verschil tussen de uitkomst van de vermenigvuldiging uit het vijfde lid en het herberekende normatieve bedrag uit het derde lid en deelt dit verschil door het totaal aantal bij alle zorgverzekeraars ingeschreven verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is.

7.

Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar het resultaat van het zesde lid met het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven.

8.

Het Zorginstituut vermindert per zorgverzekeraar het product voor die zorgverzekeraar berekend in het vijfde lid met het product voor die zorgverzekeraar berekend in het zevende lid. Het resultaat wordt aangeduid als het voorlopige herberekende deelbedrag kosten van verpleging en verzorging 2015.

Artikel 21. De voorlopige herberekening van het deelbedrag kosten geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2015

1.

Op basis van de opgave jaarstaat 2015 per 1 mei 2016 en met inachtneming van de artikelen 12 en 13 van de Regeling, bepaalt het Zorginstituut de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2015 voor verzekerden van achttien jaar en ouder voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars.

2.

Het Zorginstituut herberekent het gewicht kosten van geneeskundige GGZ voor verzekerden van achttien jaar en ouder per verzekerde voor de DKG GGZ klasse ‘0’ 2015 door het totaal aantal verzekerden per DKG GGZ klasse 1 tot en met 5 te vermenigvuldigen met het overeenkomstige gewicht en de som van het resultaat vervolgens te delen door het totaal aantal verzekerden in de DKG GGZ klasse ‘0’ 2015 waarbij rekening wordt gehouden met het gewicht van de verzekerden woonachtig in het buitenland, dat af te ronden op twee decimalen en van een negatief teken te voorzien.

3.

Het Zorginstituut herberekent het gewicht kosten van geneeskundige GGZ voor verzekerden van achttien jaar en ouder per verzekerde voor de GGZ-MHK klasse ‘GGZ-MHK 3 jaar geen kosten’ 2015 door het totaal aantal verzekerden voor de klassen ‘GGZ-MHK in 3 jaar tenminste 1x kosten’, ‘GGZ-MHK 3 jaar hoge kosten in top 12,5 promille’ en ‘GGZ-MHK 3 jaar hoge kosten in top 5 promille’ per GGZ-MHK klasse te vermenigvuldigen met het overeenkomstige gewicht en de som van het resultaat vervolgens te delen door het totaal aantal verzekerden voor de klasse ‘GGZ-MHK 3 jaar geen kosten’ 2015, dat af te ronden op twee decimalen en van een negatief teken te voorzien.

4.

Het Zorginstituut herberekent met inachtneming van het op grond van artikel 16 bepaalde aantal verzekerden van achttien jaar en ouder het normatieve bedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2015 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, overeenkomstig artikel 10, alsmede voor het totaal van de verzekerden van achttien jaar en ouder 2015 van alle zorgverzekeraars.

5.

Het Zorginstituut berekent de schalingsfactor voor kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2015 voor verzekerden van achttien jaar en ouder 2015 door de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2015 voor het totaal van de zorgverzekeraars, zoals bepaald in het eerste lid, te delen door het in het vierde lid herberekende normatieve bedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2015 voor het totaal van de verzekerden van achttien jaar en ouder 2015 van alle zorgverzekeraars.

6.

Het Zorginstituut vermenigvuldigt voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars het herberekende normatieve bedrag kosten van geneeskundige gezondheidszorg 2015 uit het vierde lid met de schalingsfactor berekend in het vijfde lid.

7.

Het Zorginstituut berekent voor het totaal van de zorgverzekeraars het verschil tussen de uitkomst van de vermenigvuldiging uit het zesde lid en het herberekende normatieve bedrag uit het vierde lid en deelt dit verschil door het totaal aantal bij alle zorgverzekeraars ingeschreven verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is.

8.

Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar het resultaat van het zevende lid met het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven.

9.

Het Zorginstituut vermindert per zorgverzekeraar het product voor die zorgverzekeraar berekend in het zesde lid met het product voor die zorgverzekeraar berekend in het achtste lid. Het resultaat wordt aangeduid als het voorlopige herberekende deelbedrag kosten van de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2015.

Artikel 22. De voorlopige herberekening van de normatieve opbrengst van het eigen risico 2015

1.

Uitgangspunt voor de herberekening van de normatieve opbrengst van het eigen risico zijn de opgaven, bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de verzekerdenaantallen van de zorgverzekeraar.

2.

Het Zorginstituut herberekent overeenkomstig artikel 11 de normatieve eigen risico opbrengst 2015 op basis van de verzekerdenaantallen 2015 van achttien jaar en ouder, zoals bepaald in artikel 17.

3.

In afwijking van het tweede lid bepaalt het Zorginstituut de gederfde inkomsten voor verzekerden van achttien jaar en ouder voor wie op grond van artikel 24 van de wet geen nominale premies worden ontvangen, op basis van de opgave jaarstaat 2015 per 1 mei 2016.

Artikel 23. De voorlopige herberekening van het normatieve bedrag 2015 en de voorlopige herberekening en voorlopige vaststelling van de vereveningsbijdrage 2015

1.

Het Zorginstituut herberekent het normatieve bedrag 2015 voorlopig als de som van het voorlopige herberekende deelbedrag variabele zorgkosten 2015, het voorlopige herberekende deelbedrag vaste zorgkosten 2015, het voorlopig herberekende deelbedrag verpleging en verzorging 2015 en het voorlopig herberekende deelbedrag geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2015.

  • a. bepaalt het Zorginstituut per zorgverzekeraar het verschil tussen het voorlopige herberekende deelbedrag kosten van verpleging en verzorging 2015, bedoeld in artikel 20, achtste lid, en de kosten van verpleging en verzorging 2015, bedoeld in artikel 20, eerste lid en deelt dit verschil door het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven;
  • b. berekent het Zorginstituut het gemiddelde marktresultaat voor het deelbedrag verpleging en verzorging. Het Zorginstituut berekent het gemiddelde marktresultaat door voor het totaal van de zorgverzekeraars het verschil tussen het herberekende normatieve bedrag kosten van verpleging en verzorging zorg bedoeld in artikel 20, derde lid, en de kosten van verpleging en verzorging 2015, bedoeld in artikel 20, eerste lid, te delen door het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is;
  • c. indien het verschil tussen het in onderdeel a bepaalde bedrag en het gemiddelde marktresultaat groter is dan € 5,– per verzekerde van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dan trekt het Zorginstituut 95 procent van het meerdere af van het normatieve bedrag 2015;
  • d. indien het verschil tussen het in onderdeel a bepaalde bedrag en het gemiddelde marktresultaat kleiner is dan € -5,00 per verzekerde van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dan voegt het Zorginstituut 95 procent van het verschil toe aan het normatieve bedrag 2015.
  • a. bepaalt het Zorginstituut per zorgverzekeraar het verschil tussen het voorlopige herberekende deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2015, bedoeld in artikel 21, negende lid, en de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2015, bedoeld in artikel 21, eerste lid, en deelt dit verschil door het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven;
  • b. berekent het Zorginstituut het gemiddelde marktresultaat voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg. Het Zorginstituut berekent het gemiddeld marktresultaat door voor het totaal van de zorgverzekeraars het verschil tussen het herberekende normatieve bedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2015, bedoeld in artikel 21, vierde lid, en de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2015, bedoeld in artikel 21, eerste lid, te delen door het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is;
  • c. indien het verschil tussen het in onderdeel a bepaalde bedrag en het gemiddelde marktresultaat groter is dan € 15,– per verzekerde van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dan trekt het Zorginstituut 90 procent van het meerdere af van het normatieve bedrag 2015;
  • d. indien het in onderdeel a bepaalde bedrag kleiner is dan € -15,00 per verzekerde van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dan voegt het Zorginstituut 90 procent van het verschil toe aan het normatieve bedrag 2015.
4.

Het Zorginstituut bepaalt de opbrengst van de nominale rekenpremie per zorgverzekeraar door de verzekerden van achttien jaar en ouder 2015 per zorgverzekeraar te vermenigvuldigen met de nominale rekenpremie 2015.

5.

Het Zorginstituut vermindert het resultaat van het vierde lid met het bedrag dat de zorgverzekeraar verantwoordt in de opgave jaarstaat 2015 per 1 mei 2016 als gederfde inkomsten voor verzekerden van achttien jaar en ouder waarvoor als gevolg van de toepasselijkheid van artikel 24 van de wet geen nominale premies worden ontvangen.

6.

Het Zorginstituut herberekent voorlopig de aanvulling op de bijdrage voor de uitkering in verband met uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar door het aantal verzekerden jonger dan achttien jaar 2015 te vermenigvuldigen met € 45,–.

7.

Het Zorginstituut herberekent de vereveningsbijdrage 2015 voorlopig door de som van het herberekende normatieve bedrag 2015, bedoeld in het eerste lid, met toepassing van het tweede en derde lid en de aanvulling voor uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar, bedoeld in het vorige lid, te verminderen met de voorlopig herberekende normatieve eigen risico opbrengst, bedoeld in artikel 22, en de opbrengst van de nominale rekenpremie, bedoeld in het vierde en vijfde lid.

8.

Het Zorginstituut stelt de vereveningsbijdrage 2015 in september 2016 voorlopig vast ter hoogte van de in het vorige lid berekende bijdrage.

Hoofdstuk IV. De tweede voorlopige vaststelling van de vereveningsbijdrage 2015 voor een zorgverzekeraar

Artikel 24. Algemene bepaling

Het Zorginstituut herberekent het normatieve bedrag voor de tweede keer voorlopig met inachtneming van de kosten 2015 uit de opgave jaarstaat 2017 per 1 mei 2018 en de correcties die de Nederlandse Zorgautoriteit heeft toegepast.

Artikel 25. Bepaling van de verzekerdenaantallen 2015

1.

Het Zorginstituut betrekt de correcties die de Nederlandse Zorgautoriteit heeft toegepast over 2015 bij de verzekerdenaantallen, zoals berekend op grond van de artikelen 15, 16 en 17.

2.

Voor het criterium SES betrekt het Zorginstituut voor het inkomen de opgave van de Belastingdienst over 2015 bij de verzekerdenaantallen. Indien een verzekerde niet is opgenomen in de opgave over 2015, maakt het Zorginstituut gebruik van de opgave over 2014.

3.

Voor het criterium MHK betrekt het Zorginstituut bij de verzekerdenaantallen de declaraties 2014 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor de deelbedragen variabele kosten van medisch-specialistische zorg en de kosten van overige prestaties tot en met 31 december 2016, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2017 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd.

4.

Voor het criterium GGZ-MHK betrekt het Zorginstituut bij de verzekerdenaantallen de declaraties 2014 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag GGZ kosten tot en met 31 december 2016, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2017 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd.

Artikel 26. De tweede voorlopige herberekening van het deelbedrag variabele zorgkosten 2015

1.

Het Zorginstituut bepaalt met inachtneming van de artikelen 12 en 14 van de Regeling, de variabele zorgkosten 2015 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars.

2.

Het Zorginstituut herberekent het gewicht variabele zorgkosten per verzekerde voor de DKG klasse ‘0’ door het totaal aantal verzekerden per DKG klasse 1 tot en met 15 te vermenigvuldigen met het overeenkomstige gewicht en de som van het resultaat vervolgens te delen door het totaal aantal verzekerden in de DKG klasse ‘0’ waarbij rekening wordt gehouden met het gewicht van de verzekerden woonachtig in het buitenland, dat af te ronden op twee decimalen en van een negatief teken te voorzien.

3.

Het Zorginstituut herberekent het gewicht variabele zorgkosten per verzekerde voor de HKG klasse ‘Geen HKG’ door het totaal aantal verzekerden in een andere klasse dan ‘Geen HKG’ per HKG klasse te vermenigvuldigen met het overeenkomstige gewicht en de som van het resultaat vervolgens te delen door het totaal aantal verzekerden in de HKG klasse ‘Geen HKG’ waarbij rekening wordt gehouden met het gewicht van de verzekerden woonachtig in het buitenland, dat af te ronden op twee decimalen en van een negatief teken te voorzien.

4.

Het Zorginstituut herberekent het gewicht variabele zorgkosten per verzekerde voor de MHK klasse ‘Geen MHK’ door het totaal aantal verzekerden in een andere klasse dan ‘Geen MHK’ per MHK klasse te vermenigvuldigen met het overeenkomstige gewicht en de som van het resultaat vervolgens te delen door het totaal aantal verzekerden in de MHK klasse ‘Geen MHK’, dat af te ronden op twee decimalen en van een negatief teken te voorzien.

5.

Het Zorginstituut herberekent het gewicht variabele zorgkosten per verzekerde voor de GSM klasse ‘Geen morbiditeit, 65- jaar’ door het totaal aantal verzekerden per GSM klasse ‘Wel morbiditeit 65- jaar’ te vermenigvuldigen met het overeenkomstige gewicht en het resultaat vervolgens te delen door het totaal aantal verzekerden in de GSM klasse ‘Geen morbiditeit, 65- jaar’, dat af te ronden op twee decimalen en van een negatief teken te voorzien. ‘

6.

Het Zorginstituut herberekent het gewicht variabele zorgkosten per verzekerde voor de GSM klasse ‘Geen morbiditeit, 65+ jaar’ door het totaal aantal verzekerden per GSM klasse ‘Wel morbiditeit 65+ jaar’ te vermenigvuldigen met het overeenkomstige gewicht en het resultaat vervolgens te delen door het totaal aantal verzekerden in de GSM klasse ‘Geen morbiditeit, 65+ jaar’, dat af te ronden op twee decimalen en van een negatief teken te voorzien.

7.

Het Zorginstituut herberekent met inachtneming van de op grond van artikel 25 bepaalde verzekerdenaantallen het normatieve bedrag variabele zorgkosten 2015 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, overeenkomstig artikel 7, alsmede voor het totaal van de verzekerden 2015 van alle zorgverzekeraars.

8.

Het Zorginstituut berekent de schalingsfactor voor variabele zorgkosten 2015 door de variabele zorgkosten 2015 voor het totaal van de zorgverzekeraars, zoals bepaald in het eerste lid, te delen door het in het zevende lid herberekende normatieve bedrag variabele zorgkosten 2015 voor het totaal van de verzekerden 2015 van alle zorgverzekeraars.

9.

Het Zorginstituut vermenigvuldigt voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars het herberekende normatieve bedrag variabele zorgkosten 2015 uit het zevende lid met de schalingsfactor berekend in het achtste lid.

10.

Het Zorginstituut berekent voor het totaal van de zorgverzekeraars het verschil tussen de uitkomst van de vermenigvuldiging uit het negende lid en het herberekende normatieve bedrag uit het zevende lid en deelt dit verschil door het totaal aantal bij alle zorgverzekeraars ingeschreven verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is.

11.

Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar het resultaat van het tiende lid met het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven.

12.

Het Zorginstituut vermindert per zorgverzekeraar het product voor die zorgverzekeraar berekend in het negende lid met het product voor die zorgverzekeraar berekend in het elfde lid. Het resultaat wordt aangeduid als het tweede voorlopige herberekende deelbedrag variabele zorgkosten 2015.

Artikel 27. De tweede voorlopige herberekening van het deelbedrag vaste zorgkosten 2015

Het Zorginstituut herberekent voor de tweede keer voorlopig het deelbedrag vaste zorgkosten 2015 overeenkomstig artikel 19, met inachtneming van artikel 24 en 25.

Artikel 28. De tweede voorlopige herberekening van het deelbedrag verpleging en verzorging 2015

1.

Het Zorginstituut bepaalt met inachtneming van artikel 12 van de Regeling, de kosten van verpleging en verzorging 2015 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars.

2.

Het Zorginstituut herberekent het gewicht kosten van verpleging en verzorging per verzekerde voor de MHK klasse ‘Geen MHK’ door het totaal aantal verzekerden in een andere klasse dan ‘Geen MHK’ per MHK klasse te vermenigvuldigen met het overeenkomstige gewicht en de som van het resultaat vervolgens te delen door het totaal aantal verzekerden in de MHK klasse ‘Geen MHK’, dat af te ronden op twee decimalen en van een negatief teken te voorzien.

3.

Het Zorginstituut herberekent met inachtneming van de op grond van artikel 25 bepaalde verzekerdenaantallen, het normatieve bedrag kosten van verpleging en verzorging prestaties 2015 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, overeenkomstig artikel 9, alsmede voor het totaal van de verzekerden 2015 van alle zorgverzekeraars.

4.

Het Zorginstituut berekent de schalingsfactor voor kosten van verpleging en verzorging 2015 door de kosten van verpleging en verzorging 2015 voor het totaal van de zorgverzekeraars, zoals bepaald in het eerste lid, te delen door het in het derde lid herberekende normatieve bedrag kosten van verpleging en verzorging 2015 voor het totaal van de verzekerden 2015 van alle zorgverzekeraars.

5.

Het Zorginstituut vermenigvuldigt voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars, het herberekende normatieve bedrag kosten van verpleging en verzorging 2015 uit het derde lid met de schalingsfactor berekend in het vierde lid.

6.

Het Zorginstituut berekent voor het totaal van de zorgverzekeraars het verschil tussen de uitkomst van de vermenigvuldiging uit het vijfde lid en het herberekende normatieve bedrag uit het derde lid en deelt dit verschil door het totaal aantal bij alle zorgverzekeraars ingeschreven verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is.

7.

Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar het resultaat van het zesde lid met het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven.

8.

Het Zorginstituut vermindert per zorgverzekeraar het product voor die zorgverzekeraar berekend in het vijfde lid met het product voor die zorgverzekeraar berekend in het zevende lid. Het resultaat wordt aangeduid als het tweede voorlopige herberekende deelbedrag kosten van verpleging en verzorging 2015.

Artikel 29. De tweede voorlopige herberekening van het deelbedrag geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2015

1.

Het Zorginstituut bepaalt met inachtneming van artikel 12 van de Regeling, de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2015 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars.

2.

Het Zorginstituut herberekent het gewicht kosten van geneeskundige GGZ per verzekerde voor de klasse DKG GGZ ‘0’ 2015 door het totaal aantal verzekerden per DKG GGZ klasse 1 tot en met 5 te vermenigvuldigen met het overeenkomstige gewicht en de som van het resultaat vervolgens te delen door het totaal aantal verzekerden in de klasse DKG GGZ ‘0’ 2015 waarbij rekening wordt gehouden met het gewicht van de verzekerden woonachtig in het buitenland, dat af te ronden op twee decimalen en van een negatief teken te voorzien.

3.

Het Zorginstituut herberekent het gewicht kosten van geneeskundige GGZ voor verzekerden van achttien jaar en ouder per verzekerde voor de klasse ‘GGZ-MHK 3 jaar geen kosten’ 2015 door het totaal aantal verzekerden voor de klassen ‘GGZ-MHK in 3 jaar tenminste 1x kosten’, ‘GGZ-MHK 3 jaar hoge kosten in top 12,5 promille’ en ‘GGZ-MHK 3 jaar hoge kosten in top 5 promille’ per GGZ-MHK klasse te vermenigvuldigen met het overeenkomstige gewicht en de som van het resultaat vervolgens te delen door het totaal aantal verzekerden in de klasse ‘GGZ-MHK 3 jaar geen kosten’ 2015, dat af te ronden op twee decimalen en van een negatief teken te voorzien.

4.

Het Zorginstituut herberekent met inachtneming van de op grond van artikel 25 bepaalde verzekerdenaantallen het normatieve bedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2015 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, overeenkomstig artikel 10, alsmede voor het totaal van de verzekerden van achttien jaar en ouder 2015 van alle zorgverzekeraars.

5.

Het Zorginstituut berekent de schalingsfactor voor kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2015 door de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2015 voor het totaal van de zorgverzekeraars, zoals bepaald in het eerste lid, te delen door het in het vierde lid herberekende normatieve bedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2015 voor het totaal van alle zorgverzekeraars.

6.

Het Zorginstituut vermenigvuldigt voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars, het herberekende normatieve bedrag kosten van geneeskundige gezondheidszorg uit het vierde lid met de schalingsfactor berekend in het vijfde lid.

7.

Het Zorginstituut berekent voor het totaal van de zorgverzekeraars het verschil tussen de uitkomst van de vermenigvuldiging uit het zesde lid en het herberekende normatieve bedrag uit het vierde lid en deelt dit verschil door het totaal aantal bij alle zorgverzekeraars ingeschreven verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is.

8.

Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar het resultaat van het zevende lid met het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven.

9.

Het Zorginstituut vermindert per zorgverzekeraar het product voor die zorgverzekeraar berekend in het zesde lid met het product voor die zorgverzekeraar berekend in het achtste lid. Het resultaat wordt aangeduid als het tweede voorlopige herberekende deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2015.

Artikel 30. De tweede voorlopige herberekening van de normatieve eigen risico opbrengst 2015

Het Zorginstituut herberekent voor de tweede keer voorlopig de normatieve eigen risico opbrengst 2015 overeenkomstig artikel 22, met inachtneming van artikel 24 en artikel 25.

Artikel 31. De tweede voorlopige herberekening van het normatieve bedrag 2015 en de tweede voorlopige herberekening en de vaststelling van de vereveningsbijdrage 2015

1.

Het Zorginstituut herberekent het normatieve bedrag 2015 voor de tweede keer voorlopig als de som van het tweede voorlopige deelbedrag variabele zorgkosten 2015, het tweede voorlopige deelbedrag vaste zorgkosten 2015, het tweede voorlopige deelbedrag kosten van verpleging en verzorging 2015 en het tweede voorlopige deelbedrag geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2015.

  • a. bepaalt het Zorginstituut per zorgverzekeraar het verschil tussen het tweede voorlopige herberekende deelbedrag kosten van verpleging en verzorging 2015, bedoeld in artikel 28, achtste lid, en de kosten van verpleging en verzorging 2015, bedoeld in artikel 28, eerste lid, en deelt dit verschil door het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven;
  • b. berekent het Zorginstituut het gemiddelde marktresultaat voor het deelbedrag kosten van verpleging en verzorging. Het Zorginstituut berekent het gemiddelde marktresultaat door voor het totaal van de zorgverzekeraars het verschil tussen het herberekende normatieve bedrag kosten van verpleging en verzorging, bedoeld in artikel 28, derde lid, en de kosten van verpleging en verzorging 2015, bedoeld in artikel 28, eerste lid, te delen door het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is;
  • c. indien het verschil tussen het in onderdeel a bepaalde bedrag en het gemiddelde marktresultaat groter is dan € 5,– per verzekerde van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dan trekt het Zorginstituut 95 procent van het meerdere af van het normatieve bedrag 2015;
  • d. indien het verschil tussen het in onderdeel a bepaalde bedrag en het gemiddelde marktresultaat kleiner is dan € 5,– per verzekerde van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dan voegt het Zorginstituut 95 procent van het verschil toe aan het normatieve bedrag 2015.
  • a. bepaalt het Zorginstituut per zorgverzekeraar het verschil tussen het tweede voorlopige herberekende deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2015, bedoeld in artikel 29, negende lid, en de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2015, bedoeld in artikel 29, eerste lid, en deelt dit verschil door het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven;
  • b. berekent het Zorginstituut het gemiddelde marktresultaat voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg. Het Zorginstituut berekent het gemiddeld marktresultaat door voor het totaal van de zorgverzekeraars het verschil tussen het herberekende normatieve bedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2015, bedoeld in artikel 29, negende lid, en de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2015 bedoeld in artikel 29, vierde lid, te delen door het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is;
  • c. indien het verschil tussen het in onderdeel a bepaalde bedrag en het gemiddelde marktresultaat groter is dan € 15,– per verzekerde van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dan trekt het Zorginstituut 90 procent van het meerdere af van het normatieve bedrag 2015;
  • d. indien het verschil tussen het in onderdeel a bepaalde bedrag en het gemiddelde marktresultaat kleiner is dan € 15,– per verzekerde van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dan voegt het Zorginstituut 90 procent van het verschil toe aan het normatieve bedrag 2015.
4.

Het Zorginstituut bepaalt de tweede voorlopige opbrengst van de nominale rekenpremie per zorgverzekeraar door de verzekerden van achttien jaar en ouder per zorgverzekeraar te vermenigvuldigen met de nominale rekenpremie 2015.

5.

Het Zorginstituut vermindert het resultaat van het vierde lid met het bedrag dat de zorgverzekeraar verantwoordt in zijn jaarstaat 2015 per 1 mei 2016 als gederfde inkomsten voor verzekerden van achttien jaar en ouder waarvoor als gevolg van de toepasselijkheid van artikel 24 van de wet geen nominale premies worden ontvangen.

6.

Het Zorginstituut berekent de tweede voorlopige aanvulling op de bijdrage voor de uitkering in verband met uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar door het aantal verzekerden jonger dan achttien jaar te vermenigvuldigen met € 45,–.

7.

Het Zorginstituut berekent de vereveningsbijdrage 2015 voor de tweede keer voorlopig door de som van het tweede voorlopige normatieve bedrag 2015 bedoeld in het eerste lid, met toepassing van het tweede en derde lid en de aanvulling voor uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar, bedoeld in het vorige lid, te verminderen met de tweede voorlopige normatieve eigen risico opbrengst, bedoeld in artikel 30, en de opbrengst van de nominale rekenpremie, bedoeld in het vierde en vijfde lid.

8.

Het Zorginstituut stelt de vereveningsbijdrage 2015 voor de tweede keer voorlopig vast in september 2018 ter hoogte van de in het vorige lid berekende bijdrage.

Hoofdstuk V. De vaststelling van de vereveningsbijdrage 2015 voor een zorgverzekeraar

Artikel 32. Algemene bepaling

Het Zorginstituut herberekent de vereveningsbijdrage definitief met inachtneming van de correcties die voortkomen uit de reviewrapportages die de Nederlandse Zorgautoriteit uitbrengt over de declaraties 2014 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer en kosten 2015 uit de jaarstaat 2017.

Artikel 33. De definitieve herberekening van het deelbedrag variabele zorgkosten 2015

Het Zorginstituut herberekent definitief het deelbedrag variabele zorgkosten 2015 overeenkomstig artikel 26, met inachtneming van artikel 32.

Artikel 34. De definitieve herberekening van het deelbedrag vaste zorgkosten 2015

Het Zorginstituut herberekent definitief het deelbedrag vaste zorgkosten 2015 overeenkomstig artikel 27, met inachtneming van artikel 32.

Artikel 35. De definitieve herberekening van het deelbedrag verpleging en verzorging 2015

Het Zorginstituut herberekent definitief het deelbedrag verpleging en verzorging 2015 overeenkomstig artikel 28, met inachtneming van artikel 32.

Artikel 36. De definitieve herberekening van het deelbedrag geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2015

Het Zorginstituut herberekent definitief het deelbedrag geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2015 overeenkomstig artikel 29, met inachtneming van artikel 32.

Artikel 37. De definitieve herberekening van de normatieve eigen risico opbrengst 2015

Het Zorginstituut herberekent definitief het deelbedrag normatieve eigen risico opbrengst overeenkomstig artikel 30, met inachtneming van artikel 32.

Artikel 38. De definitieve herberekening van het normatieve bedrag 2015 en de definitieve herberekening en de vaststelling van de bijdrage 2015

1.

Het Zorginstituut herberekent definitief het normatieve bedrag 2015 overeenkomstig artikel 31, met inachtneming van artikel 32.

2.

Het Zorginstituut stelt de bijdrage 2015 vast in april 2019 ter hoogte van de in het vorige lid definitief berekende bijdrage.

Hoofdstuk VI. De uitkering voor de kosten van prestaties die door het zorginstituut naar het werkelijk bedrag worden vergoed

Artikel 39

1.

Bij gelegenheid van de vaststelling van de bijdrage 2015, bedoeld in artikel 38, stelt het Zorginstituut per zorgverzekeraar ook de uitkering 2015 vast voor de kosten die op grond van de wet naar het werkelijke bedrag door het Zorginstituut worden vergoed.

2.

In afwachting van de vaststelling van de uitkering 2015 voor de kosten die op grond van de Zorgverzekeringswet naar het werkelijke bedrag door het Zorginstituut worden vergoed, stelt het Zorginstituut bij de voorlopige vaststelling van de bijdrage 2015, bedoeld in artikel 23, ook de voorlopige uitkering 2015 voor de kosten die op grond van de wet naar het werkelijke bedrag door het Zorginstituut worden vergoed, vast.

3.

In afwachting van de vaststelling van de uitkering 2015 voor de kosten die op grond van de wet naar het werkelijke bedrag door het Zorginstituut worden vergoed, stelt het Zorginstituut bij de tweede voorlopige vaststelling van de bijdrage 2015, bedoeld in artikel 31, ook de tweede voorlopige uitkering 2015 voor de kosten die op grond van de wet naar het werkelijke bedrag door het Zorginstituut worden vergoed, vast.

Hoofdstuk VII. De betalingen aan de zorgverzekeraars

Artikel 40

1.

Het Zorginstituut betaalt de zorgverzekeraars de vereveningsbijdrage, bedoeld in artikel 12, vierde lid, uit. Het Zorginstituut maakt bij de betaling onderscheid naar de volgende bestanddelen:

  • a. het deelbedrag variabele zorgkosten 2015;
  • b. het deelbedrag vaste zorgkosten 2015;
  • c. het deelbedrag verpleging en verzorging 2015;
  • d. het deelbedrag geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2015;
  • e. een aftrekpost voor de normatieve eigen risico opbrengst 2015.
2.

Het Zorginstituut betaalt de zorgverzekeraars de uitkering in verband met uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar, bedoeld in artikel 12, vijfde lid, gelijktijdig met de betaling genoemd in het eerste lid uit.

3.

Voor de betaling van de kosten, die op grond van de wet naar werkelijke kosten worden vergoed, kan het Zorginstituut ambtshalve een bedrag vaststellen, waarmee de betaling aan de zorgverzekeraars wordt verhoogd.

Artikel 41. Betaling

1.

Het Zorginstituut bepaalt per zorgverzekeraar de som van de bestanddelen genoemd in artikel 40, eerste lid, onder a tot en met d en de uitkering, genoemd in artikel 40, tweede lid.

2.

Het Zorginstituut berekent per zorgverzekeraar de som van de vereveningsbijdrage 2015, bedoeld in artikel 12, zesde lid en de normatieve eigen risico opbrengst 2015, zoals bepaald in artikel 11, achtste lid en deelt het resultaat door het resultaat van het eerste lid.

3.

Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar ieder van de bestanddelen genoemd in artikel 40, eerste lid, onder a tot en met d, en de uitkering bedoeld in artikel 40, tweede lid, met het percentage dat het resultaat is van het tweede lid.

4.

De resultaten van het derde lid worden respectievelijk genoemd als volgt:

  • a. het netto te betalen bedrag dat betrekking heeft op het deelbedrag variabele zorgkosten 2015;
  • b. het netto te betalen bedrag dat betrekking heeft op het deelbedrag vaste zorgkosten 2015;
  • c. het netto te betalen bedrag dat betrekking heeft op het deelbedrag verpleging en verzorging 2015;
  • d. het netto te betalen bedrag dat betrekking heeft op het deelbedrag geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2015;
  • e. het netto te betalen bedrag dat betrekking heeft op de uitkering in verband met de uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar.
5.

Het Zorginstituut betaalt de netto te betalen bedragen, bedoeld in het vierde lid, onder a tot en met e, verminderd met de aftrekpost voor de normatieve eigen risico opbrengst 2015, bedoeld in artikel 40, eerste lid, onder e, in termijnen op de eerste werkdag van de maand, overeenkomstig onderstaand betalingsschema:

Bestanddelen betalingen Bestanddelen betalingen Bestanddelen betalingen Bestanddelen betalingen Bestanddelen betalingen Bestanddelen betalingen
Betaalmoment Artikel 41 vierde lid, onder a Artikel 41 vierde lid, onder b Artikel 41 vierde lid, onder c Artikel 41 vierde lid, onder d Artikel 41, vierde lid, onder e Artikel 40, eerste lid onder e
januari 2015 0,69% 0,28% 1,10% 0,00% 8,33% 3,47%
februari 2015 2,51% 1,33% 4,05% 0,00% 8,33% 8,29%
maart 2015 5,36% 3,77% 7,01% 0,81% 8,34% 8,29%
april 2015 6,07% 5,96% 8,78% 0,81% 8,33% 8,29%
mei 2015 6,07% 5,96% 8,78% 1,01% 8,33% 8,29%
juni 2015 6,07% 5,96% 8,78% 1,01% 8,34% 8,29%
juli 2015 7,52% 5,96% 8,78% 1,73% 8,33% 6,48%
augustus 2015 7,52% 5,96% 8,78% 1,73% 8,33% 6,48%
september 2015 7,52% 5,96% 8,78% 1,73% 8,34% 6,48%
oktober 2015 7,52% 5,96% 8,78% 2,63% 8,33% 6,48%
november 2015 7,52% 5,96% 8,78% 2,63% 8,33% 6,48%
december 2015 7,52% 5,96% 8,78% 2,63% 8,34% 6,48%
januari 2016 6,32% 5,96% 7,66% 6,94% 0,00% 3,56%
februari 2016 5,30% 5,96% 0,97% 6,94% 0,00% 3,56%
maart 2016 4,79% 5,96% 0,16% 6,94% 0,00% 3,56%
april 2016 1,93% 3,10% 0,03% 6,94% 0,00% 1,09%
mei 2016 1,88% 3,10% 0,00% 6,94% 0,00% 1,09%
juni 2016 1,86% 3,10% 0,00% 6,94% 0,00% 1,09%
juli 2016 1,07% 2,36% 0,00% 6,94% 0,00% 0,50%
augustus 2016 1,07% 2,36% 0,00% 6,94% 0,00% 0,50%
september 2016 1,07% 2,36% 0,00% 6,94% 0,00% 0,50%
oktober 2016 0,94% 2,24% 0,00% 6,94% 0,00% 0,25%
november 2016 0,94% 2,24% 0,00% 6,94% 0,00% 0,25%
december 2016 0,94% 2,24% 0,00% 6,94% 0,00% 0,25%
6.

Voor een zorgverzekeraar die zich op grond van artikel 25 van de wet aanmeldt bij de Nederlandse Zorgautoriteit nadat het Zorginstituut de bijdragen voor de zorgverzekeraars heeft toegekend, kan het Zorginstituut voor die zorgverzekeraar afwijken van de vorige leden.

7.

Het Zorginstituut kan, indien naar zijn oordeel uit nieuwe informatie blijkt dat de verwachting is dat bij de eerstvolgende herberekening of herziening van de vereveningsbijdrage, de vereveningsbijdrage meer dan 5 procent hoger zal zijn dan bij de laatst toegekende of voorlopig vastgestelde vereveningsbijdrage, afwijken van de vorige leden en de betalingen aan een zorgverzekeraar aanpassen.

Artikel 42. Aanpassing bevoorschotting

1.

Bij de herberekening en herziening van de toegekende vereveningsbijdrage 2015 op grond van artikel 14 herziet het Zorginstituut de te betalen termijnen overeenkomstig artikel 41 voor de eerste keer. Het Zorginstituut verrekent het verschil tussen de reeds betaalde termijnen en de voor de eerste keer herziene termijnen.

2.

Bij gelegenheid van de eerste voorlopige vaststelling van de bijdrage, op grond van hoofdstuk III, herziet het Zorginstituut voor de tweede keer de te betalen termijnen overeenkomstig artikel 41. Het Zorginstituut verrekent het verschil tussen de reeds betaalde termijnen en de voor de tweede keer herziene termijnen.

3.

Bij gelegenheid van de tweede voorlopige vaststelling van de bijdrage, op grond van hoofdstuk IV, herziet het Zorginstituut de te betalen termijnen voor de derde keer overeenkomstig artikel 41. Het Zorginstituut verrekent het verschil tussen de reeds betaalde termijnen en de voor de derde maal herziene termijnen.

4.

Bij gelegenheid van de definitieve vaststelling van de bijdrage, op grond van hoofdstuk V, stelt het Zorginstituut de te betalen termijnen definitief vast overeenkomstig artikel 41.

Het Zorginstituut verrekent het verschil tussen de reeds betaalde termijnen en de definitief te betalen termijnen.

5.

Indien toepassing van onderscheidenlijk het eerste, tweede, derde en vierde lid, resulteert in een positief saldo voor de zorgverzekeraar, betaalt het Zorginstituut dat saldo ineens aan de zorgverzekeraar.

6.

Indien toepassing van onderscheidenlijk het eerste, tweede, derde en vierde lid, resulteert in een negatief saldo voor de zorgverzekeraar, betaalt de betreffende zorgverzekeraar dat saldo in een keer terug aan het Zorginstituut.

Artikel 43

1.

De zorgverzekeraar en het Zorginstituut zijn over en weer rente verschuldigd en hebben over en weer aanspraak op rente over de verschillen, bedoeld in artikel 42.

2.

De rente, bedoeld in het eerste lid, wordt bij de eerste voorlopige, tweede voorlopige en de definitieve vaststelling van de uitkering door het Zorginstituut verwerkt en zo mogelijk verrekend met andere betalingen die uit deze vaststellingen voortvloeien.

Artikel 44. Renteberekening

1.

Bij de verrekening van verschillen, bedoeld in artikel 42, tweede, derde en vierde lid, berekent het Zorginstituut rente over het verschil vanaf de datum waarop het verschil is ontstaan tot de datum waarop de verschillen worden verrekend.

2.

Bij de verrekening van de verschillen, bedoeld in artikel 42, tweede lid, berekent het Zorginstituut rente vanaf de betaaldata, genoemd in artikel 41 en artikel 42, eerste en tweede lid tot de datum van de voorlopige vaststelling van de bijdrage.

3.

Bij de verrekening van de verschillen, bedoeld in artikel 42, derde lid, berekent het Zorginstituut rente vanaf de betaaldata, genoemd in artikel 41 en artikel 42, eerste, tweede en derde lid tot de datum van de tweede voorlopige vaststelling van de bijdrage.

4.

Bij de verrekening van de verschillen, bedoeld in artikel 42, vierde lid, berekent het Zorginstituut rente vanaf de betaaldata, genoemd in artikel 41 en artikel 42 eerste, tweede, derde en vierde lid tot de datum van de definitieve vaststelling van de bijdrage.

5.

Voor een zorgverzekeraar waarvoor krachtens artikel 41, zesde en zevende lid, afwijkende betalingen hebben plaatsgevonden, kan het Zorginstituut bij de renteberekening afwijken van de vorige leden.

6.

Het Zorginstituut deelt het bedrag dat de zorgverzekeraar heeft terugbetaald op grond van artikel 42, zesde lid, voor de renteberekening naar rato toe aan de eerste dag van de maand waarin is terugbetaald en de eerste dag van de daaropvolgende maand, waarbij het uitgangspunt is de dag van terugbetaling.

7.

Voor het rentepercentage gaat het Zorginstituut uit van het gemiddelde van de maandrentes van het Euro Interbank Offered Rate (Euribortarief) voor driemaands termijngelden zonder onderpand bij toepassing van het eerste tot en met vijfde lid. Voor de laatste kalendermaand vóór de betaling gaat het Zorginstituut uit van de rente over de voorafgaande kalendermaand.

8.

De rente betreft een samengestelde rente en wordt op maandbasis berekend.

Bij de berekening wordt een maand op 30 en een jaar op 360 dagen gesteld.

9.

Indien de situatie zich voordoet dat het in deze paragraaf bedoelde Euro Interbank Offered Rate (Euribortarief) niet meer kan worden toegepast, zal een zoveel als mogelijk overeenkomstig tarief worden gehanteerd.

Hoofdstuk VIII. Slotbepalingen

Artikel 45

Deze beleidregels treden in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij worden geplaatst en werken terug tot en met 1 oktober 2014.

Artikel 46

Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels vereveningsbijdrage zorgverzekering 2015.

Bijlage 1. Toewijzing FKG’s diabetes 2015 op basis van farmaciegebruik voor diabetes en hypertensie

Diabetes type I Diabetes type II Hypertensie Toewijzing FKG
>180 >180 >180 Diabetes type I
>180 >180 ≤180 Diabetes type I
>180 ≤180 >180 Diabetes type I
>180 ≤180 ≤180 Diabetes type I
≤180 >180 >180 Diabetes type II met hypertensie
≤180 >180 ≤180 Diabetes type II zonder hypertensie
≤180 ≤180 >180 Geen
≤180 ≤180 ≤180 Geen

Bron: Zorginstituut

Toelichting:

Groter of kleiner dan 180 verwijst naar de dagdosering voor de betreffende FKG. De tabel beschrijft de verschillende situaties die mogelijk zijn bij een samenloop van farmaciegebruik voor diabetes en hypertensie. In de laatste kolom staat aangegeven welke FKG’s toegewezen worden in de betreffende situatie.

Deze beleidsregels worden in de Staatscourant geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)