Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 3 juni 2015, nr. TFVG 122-15, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Funding Leadership Opportunities for Women 2016–2020)
Gelet op de artikelen 6 en 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;
Gelet op artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;
Besluit:
Artikel 1
Voor subsidieverlening op grond van artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 op het terrein van gelijke rechten en kansen voor vrouwen in het kader van Funding Leadership for Women 2016–2020 gelden de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.
Artikel 2
Voor subsidieverlening in het kader van Funding Leadership for Women 2016–2020 geldt voor de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2020 een subsidieplafond van € 95.000.000,–.
Artikel 3
Aanvragen om in aanmerking te komen voor een subsidie in het kader van Funding Leadership and Opportunities for Women 2016–2020 worden ingediend in de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 augustus aan de hand van het daartoe door de minister vastgestelde aanvraagformulier en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden.1Het aanvraagformulier is met de daarbij behorende annexannexen ook geplaatst op http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/subsidies-voor-ontwikkelingssamenwerking-en-europa/subsidies-maatschappelijke-organisaties
Artikel 4
De verdeling van de middelen vindt plaats op grond van een beoordeling overeenkomstig de maatstaven die in de bijlage bij dit besluit zijn neergelegd, met dien verstande dat uit alle aanvragen die voldoen aan de maatstaven, de aanvragen die het beste daaraan voldoen het eerst voor een subsidie in aanmerking komen, binnen het raam van een evenwichtige spreiding als bedoeld in artikel 8, derde lid, sub d, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Artikel 5
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2021 met dien verstande dat het van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.
Dit besluit zal met de bijlage, met uitzondering van de annexen bij de bijlage, in de Staatscourant worden geplaatst. Annexen bij de bijlage worden via internet bekend gemaakt2http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/subsidies-voor-ontwikkelingssamenwerking-en-europa/subsidies-maatschappelijke-organisaties..
Bijlage
Beleidskader. Leadership and Opportunities for Women 2016–2020
Hoofdstuk 1. Inleiding en achtergrond
In de beleidsagenda voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking staat het tegengaan van ongelijkheid centraal. Daarbij gaat het niet alleen om economische ongelijkheid, maar ook om ongelijkheid in sociaal, politiek, religieus of etnisch opzicht alsook vanwege sekse of seksuele geaardheid. Dit beleidskader is een uitwerking van het internationale genderbeleid zoals onder andere verwoord in de Kamerbrief Internationaal Genderbeleid van november 20113http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2011/11/15/kamerbrief-internationaal-genderbeleid.htmlen de meer recente kamerbrieven ‘Wat de wereld verdient’4http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/notas/2013/04/05/wat-de-wereld-verdient-een-nieuwe-agenda-voor-hulp-handel-en-investeringen.html en ‘Respect en Recht voor ieder Mens van 14 juni 2013’5http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/notas/2013/06/14/beleidsbrief-respect-en-recht-voor-ieder-mens.html.
De laatste decennia is er wereldwijd sprake van enige vooruitgang op het gebied van vrouwenrechten en gelijke behandeling. Veel landen hebben discriminerende wetgeving vervangen en geweld tegen vrouwen gecriminaliseerd. Ook is er geïnvesteerd in gezondheid en onderwijs en is er in sommige landen sprake van toegenomen economische participatie. Over het algemeen is het tempo van de veranderingen echter langzaam. In enkele landen en op bepaalde gebieden is sprake van stagnatie en zelfs terugval. Hoewel de regionale en contextuele verschillen groot zijn, zijn experts het er over eens dat transitie naar gendergelijkheid nog nergens in de wereld vanzelfsprekend is, en evenmin onomkeerbaar6Review and appraisal of the implementation of the Beijing Declaration and Platform for Action and the outcomes of the twenty-third special session of the General Assembly Report of the Secretary-General, ECOSOC E/CN.6/2015/3.
Bepaalde kwetsbare groepen hebben bovendien nog nauwelijks geprofiteerd van betere kansen. Dit geldt bijvoorbeeld voor vrouwen en meisjes die in extreme armoede leven en eveneens voor vrouwen die te maken krijgen met meervoudige discriminatie (lesbische, biseksuele en transgender vrouwen; gehandicapte en arbeidsongeschikte vrouwen; vrouwen met HIV, migranten).
Ongelijkheid in het openbare leven vindt vaak zijn oorsprong in ongelijke machtsrelaties op het persoonlijke vlak. Onderzoekers hebben vastgesteld dat in een derde van de huwelijken tussen een man en een vrouw, de vrouw helemaal geen zeggenschap heeft over belangrijke zaken zoals grote aankopen, woonplaats en leefstijl.7UN-Women: calculations based on data from demographic and health surveys. Uit: Review and appraisal of the implementation of the BeijingDeclaration and Platform for Action and the outcomes of the twenty-third special session of the General Assembly Report of the Secretary-General E/CN.6/2015/3
De laatste jaren is in een aanzienlijk aantal lage- en middeninkomenslanden sprake van substantiële economische groei. Die groei leidt echter niet vanzelf tot gendergelijkheid of verbetering van de positie van vrouwen. Het verband tussen gendergelijkheid en economische groei is complex en asymmetrisch. Economische groei op zichzelf blijkt niet voldoende om de positie van vrouwen te verbeteren, zelfs al wordt er in sommige gevallen betaald werk gegenereerd. Zonder additionele investeringen in veiligheid, kennis, gezondheid en gelijke rechten blijft de bijdrage van vrouwen suboptimaal. Omgekeerd echter, is het bewijs dat investeringen in vrouwen en meisjes, vooral in kennis en werkgelegenheid bijdragen aan economische groei onmiskenbaar8The Gender Divident: Making the business case for investing in Women. Deloitte, 2011 http://www.slideshare.net/ljubab/the-gender-dividend-making-the-business-case-for-investing-in-women 9World Bank Development report 2012 10Kabeer and Natali (2013): 3, 34-36, 38..
Het FLOW2016–2020 – fondsis de tweede opvolger van het MDG3 Fonds, dat in 2009 in het leven werd geroepen om de achterblijvende resultaten op Millenniumdoel 3 (gelijke rechten en kansen voor vrouwen) in te lopen. De MDG3- en FLOW-fondsen11Vaststelling beleidsregels subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (MDG3-Fonds: Investeren in gelijkheid) Staatscourant 29 februari 2008, nr. 43 en Besluit van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken van 10 mei 2011, nr. DJZ/BR-0457/11, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006, Funding Leadership and Opportunities for Women (FLOW), Stcrt. 2011, nr. 8466.hebben maatschappelijke organisaties voor vrouwenrechten in staat gesteld om brede netwerken van grassroots organisaties te bereiken, lobby & advocacy capaciteit te ontwikkelen en als organisaties te groeien. Dit beleidskader dat de leidraad vormt voor de vernieuwing van Funding Leadership and Opportunities for Women (FLOW), bouwt voort op wat bereikt is in de twee eerdere fondsen en sluit aan op de voortgaande internationale debat over vrouwenrechten, met name in het kader van de VN Review van 20 jaar Implementatie van het Beijing Actieplan en de totstandkoming van de Post 2015 Wereldwijde Ontwikkelingsagenda en de voorziene specifieke duurzame ontwikkelingsdoelstelling voor gender (Sustainable Development Goal 5 over Gender Equality) die daarin is opgenomen.
Dit document is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 2 worden de beleidsuitgangspunten, de reikwijdte en de prioriteitsgebieden van FLOW 2016–2020omschreven. Hoofdstuk 3 geeft de betekenis van een aantal kernbegrippen in het verband van dit kader. Hoofdstuk 4 bepaalt welke organisaties in aanmerking kunnen komen voor een subsidie in het kader van FLOW 2016–2020. Hoofdstuk 5 beschrijft het beoordelingsproces voor aanvrager/penvoerders van een subsidie in het kader van dit fonds. Hoofdstuk 6 gaat in op de monitoring en evaluatie van activiteiten waarvoor subsidie is verkregen. Hoofdstuk 7 geeft een overzicht van de criteria die worden gehanteerd om de aanvragen te selecteren die in aanmerking komen voor subsidie.
Hoofdstuk 2. Beleidsuitgangspunten
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken voert een driesporenbeleid voor vrouwenrechten en gendergelijkheid; naast de diplomatieke inzet voor gendergelijkheid en vrouwenrechten (i) en de integratie van gelijke rechten en kansen voor vrouwen in het brede buitenlandbeleid (ii) voorziet dit beleid in gerichte financiering voor gendergelijkheid en vrouwenrechten in lage- en lage-middeninkomenslanden (iii).
In de Beleidstheorie voor het internationaal genderbeleid, hieronder schematisch weergegeven, is de wisselwerking te zien tussen de versterking van maatschappelijke organisaties voor vrouwenrechten en gendergelijkheid (de linker kolom in de figuur) en de institutionele transformatie die nodig is voor de realisatie van gendergelijkheid en de implementatie van vrouwenrechten (de rechter kolom).
Het uitgangspunt is hierbij dat voor duurzame verbetering van rechten en kansen van vrouwen en rechtvaardige verdeling van de macht, een structurele transformatie nodig is van de normen, waarden en gedragsregels voor mannen en vrouwen. Het gaat daarbij onder andere om het doorbreken van bestaande verhoudingen. Door de wisselwerking tussen meer handelingsvrijheid (agency/ empowerment12Wereldbankgroep (2014), Voice and Agency: Empowering women for shared prosperity) van vrouwen en verbetering van de omgevingsfactoren (normen, wetten, instituties) ontstaat een opwaartse spiraal. Organisaties die zich inzetten voor vrouwenrechten en gendergelijkheid zijn onmisbaar voor het op gang brengen van die structurele transformatie. Gelijktijdige druk van organisaties (van onderop) en internationale normen en toezichtmechanismen (van bovenaf) is nodig om de rechten van vrouwen te verankeren in nationale instituties13Htun and Weldon (2012) – ‘The civic origins of progressive policy change: combating violence against women in global perspective, 1975–2005’.
Met het FLOW2016–2020 fonds en de andere gerichte programma’s en fondsen – het eerste ‘spoor’ in de Beleidstheorie hierboven – wil Nederland deze wisselwerking versterken. Lokale maatschappelijke organisaties wordt de mogelijkheid geboden via samenwerking of coalitievorming met eventuele institutionele partners14Dienstverleners, medische instellingen, gemeenten, onderwijsinstellingen, politieke organisaties, vakbonden, overheidsorganisaties. gezamenlijke strategieën uit te werken en uit te voeren om bij te dragen aan een enabling environmentvoor gendergelijkheid.
2015 is het jaar van de viering van 20 jaar internationaal emancipatiebeleid in het kader van de Verklaring van Beijing en het Beijing Actieplan. Daarnaast is 2015 het jaar dat de Post 2015 Ontwikkelingsagenda wordt vastgesteld door de internationale gemeenschap. Gendergelijkheid neemt een belangrijke plaats in die kaders in15A transformative stand-alone goal on achieving gender equality, women’s rights and women’s empowerment: imperative and key components. UN Women Policy divison, 2013. http://www.unwomen.org/en/what-we-do/~/media/AC04A69BF6AE48C1A23DECAEED24A452.ashx, onder andere doordat één van de Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDG 5) zich speciaal op gendergelijkheid richt. Al met al een geschikt moment om de tussenstand op te maken en om een vernieuwd fonds het licht te laten zien dat kan helpen de positieve trends te versterken en bestaande leemtes te overbruggen. De gerichte financiering van het FLOW2016–2020fonds draagt bij aan de implementatie van het SDG5 voor Gendergelijkheid en aan de implementatie van de strategische doelen van het Beijing Actieplan. De strategische doelstellingen van het Beijing Actieplan en de voorziene SDG5 geven richting aan de internationale samenwerking op het gebied van gender en tevens aan dit fonds.
2.1. Doelstelling en afbakening FLOW2016–2020
Het FLOW 2016–2020-fonds wil interventies van maatschappelijke organisaties (en hun partners) ondersteunen die via een specifieke, strategische, context- en resultaatgerichte benadering bijdragen aan een enabling evironmentvoor gelijke kansen, rechten en veiligheid voor vrouwen en meisjes in alle lage- en lage-middeninkomenslanden, aangevuld met een groep midden-inkomenslanden die van speciaal belang zijn voor de thema’s van FLOW, te weten; China, Maleisië, Thailand, Jordanië, Algerije, Iran, Jordanië, Libanon, Libië en Tunesië16Alle lage- en lage-middeninkomenslanden volgens de classificaties van OESO/DAC (http://www.oecd.org/dac/stats/49483614.pdf) aangevuld met de landen: China, Maleisië, Thailand, Jordanië, Algerije, Iran, Jordanië, Libanon, Libië en Tunesië. Zie ook Annex 2 bij dit beleidskader voor de lijst van verkiesbare landen. Het FLOW2016–2020fonds steunt via de programma’s activiteiten die lokale maatschappelijke organisaties eigenstandig of samen met hun eventuele (institutionele) partners gezamenlijk ondernemen.
Het fonds biedt financiële steun op middellange termijn aan gendergelijkheid – en vrouwenrechtenprogramma’s van Nederlandse en internationale maatschappelijke organisaties die in lage- en lage-middeninkomenslanden17Alle lage- en lage-middeninkomenslanden volgens de classificaties van OESO/DAC (http://www.oecd.org/dac/stats/49483614.pdf) aangevuld met de landen: China, Maleisië, Thailand, Jordanië, Algerije, Iran, Jordanië, Libanon, Libië en Tunesië. Zie ook Annex 2 bij dit beleidskader voor de lijst van verkiesbare landen. worden uitgevoerd. Door het creëren van betere kansen voor vrouwen en meisjes en het scheppen van een klimaat waarin vrouwenrechten beter worden gewaarborgd draagt het fonds bij aan duurzame inclusieve ontwikkeling en aan het bestrijden van armoede en rechteloosheid op lokaal en nationaal niveau.
Maatschappelijke organisaties zetten bij hun lobby steeds meer in op strategische samenwerking met diverse stakeholders die institutioneel kunnen bijdragen aan verbetering van de positie van vrouwen en meisjes (zoals andere maatschappelijke organisaties, vakbonden, bedrijven, kennisinstellingen, dienstverleners18Bijv. medische dienstverleners, kinderopvang, gemeenten, vakbonden, politieke organisaties, bedrijven, arbeidsbemiddeling, financiële dienstverleners., burgergroeperingen, politieke groeperingen, lokale overheidsorganisaties). Met FLOW2016–2020wil Nederland deze trend ondersteunen door op lokaal niveau alliantievorming en samenwerking met lokale institutionele partners mogelijk te maken. Deze vorm van samenwerking vereist een contextanalyse en vraagt om complementaire rollen van maatschappelijke organisaties wereldwijd, maar ook om een andere manier van samenwerken met overheden, kennisinstellingen, bedrijven en maatschappelijke organisaties en particulieren binnen de nationale context. Doel van een dergelijke strategische samenwerking is het scheppen van de juiste voorwaarden (enabling environment) voor duurzame transformatie van instituties, wetten en normen voor de realisatie van gendergelijkheid en implementatie van vrouwenrechten.
2.2. Thematische reikwijdte
De inhoudelijke focus van de te financieren programma’s dient te zijn gerelateerd aan het genderbeleid van het Ministerie van Buitenlandse Zaken zoals verwoord in de Kamerbrief Internationaal Genderbeleid van november 201119http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2011/11/15/kamerbrief-internationaal-genderbeleid.html en de meer recente kamerbrieven ‘Wat de wereld verdient’20http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/notas/2013/04/05/wat-de-wereld-verdient-een-nieuwe-agenda-voor-hulp-handel-en-investeringen.html en ‘Respect en Recht voor ieder Mens van 14 juni 2013’21http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/notas/2013/06/14/beleidsbrief-respect-en-recht-voor-ieder-mens.html (zie hiervoor ook Hoofdstuk 1 Inleiding en Achtergrond). Gebaseerd op dit beleid richt FLOW2016–2020zich op drie onderling samenhangende thematische prioriteiten:
Het fonds richt zich niet specifiek op het speerpunt ‘Bevordering van Seksuele en Reproductieve Gezondheid en Rechten’, omdat voor dit speerpunt andere fondsen bestaan. Voor de implementatie van deVNVR resolutie 1325, worden middelen beschikbaar gemaakt in het kader van het Nationaal Actieplan 1325. Echter, gezien de raakvlakken met de prioriteitsgebieden in het FLOW 2016–2020 fonds, en vanwege het feit dat het ook openstaat voor fragiele staten, is enige overlap mogelijk tussen de projecten, met name onder het prioriteitsgebied ‘Tegengaan van geweld tegen vrouwen’. Bij voorkeur versterken de verschillende Nederlandse financieringsinstrumenten en de gefinancierde projecten elkaar. Nota bene: activiteiten waarvoor reeds subsidie of een bijdrage van ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken is verkregen, komen niet in aanmerking voor een subsidie in het kader van FLOW 2016–2020.
2.2.1. Thematische prioriteit 1: Tegengaan van geweld tegen vrouwen
Internationale vrouwenorganisaties hebben een belangrijke rol gespeeld om de integrale benadering bij geweld tegen vrouwen (Violence Against Women, hierna VAW) op de agenda te plaatsen22Voice and Agency: Empowering Women and Girls for Shared Prosperity http://www.worldbank.org/en/topic/gender/publication/voice-and-agency-empowering-women-and-girls-for-shared-prosperity. Ze pleitten ook voor betere wetgeving en criminalisering van alle vormen van misbruik, inclusief huiselijk geweld en misbruik binnen het huwelijk. De resultaten van deze lobby variëren per land: In sommige landen was de lobby zeer succesvol en leidde ze tot integrale zorg- en opvangmechanismen, een toepasselijk juridisch raamwerk en richtlijnen voor politie en maatschappelijk werk om de zorg en de vervolging na VAW beter te regelen. In veel landen ontbreken dergelijke mechanismen echter nog geheel, of zijn er grote leemtes in de implementatie ervan. De laatste jaren worden vrouwen in veel landen bovendien geconfronteerd met politieke veranderingen en conservatieve wetgeving waarbij verworven rechten worden teruggedraaid of de uitvoering ervan bemoeilijkt. Politieke en economische spanningen, conflict, groeiende sociale ongelijkheid en werkeloosheid doen in sommige gevallen het geweld tegen vrouwen toenemen.
De raakvlakken tussen VAW en de andere twee thematische prioriteiten in FLOW 2016–2020 zijn evident. Geweld tegen vrouwen kan worden begrepen als een samenspel van samenhangende sociale, en contextuele factoren (zoals gendernormen, economische situatie, wet- en regelgeving) en persoonlijke factoren (zoals machtsproblematiek, gedragsnormen, financiële problematiek, verslavingsproblematiek) die leiden tot geweld gerelateerd aan sekse en/of gender. In de context van (post) conflict situaties, kunnen deze factoren versterkt worden door factoren zoals grotere polarisatie van genderrollen of etnische geschillen.
Voor dit prioriteitsgebied van FLOW2016–2020zijn voor Nederland de strategische doelstellingen onder het aandachtsgebied Tegengaan van Geweld tegen Vrouwen van het Beijing Actieplan richtinggevend:
2.2.2. Thematische prioriteit 2: Participatie van vrouwen in politiek en bestuur
De participatie van vrouwen in nationale parlementen neemt wereldwijd langzaam toe van 12% in 1995 naar de huidige 23%. Er zijn echter grote verschillen tussen regio’s en over het algemeen dringt de stem van arme vrouwen en vrouwen uit gemarginaliseerde groepen nog weinig door tot de politieke besluitvorming. Daar waar de politieke participatie van vrouwen aanzienlijk is gegroeid was dit vaak te danken aan speciale en gerichte maatregelen van de overheid, zoals quota vastgelegd in de wetgeving, of expliciete voorzieningen om de toegang van vrouwen tot politiek en bestuur te verzekeren23Review and appraisal of the implementation of the Beijing Declaration and Platform for Action and the outcomes of the twenty-third special session of the General Assembly Report of the Secretary-General, ECOSOC E/CN.6/2015/3. Daarnaast zijn er goede resultaten van initiatieven van politieke partijen zelf om vrouwelijke kandidaten op hun lijst te plaatsen (al dan niet via vrijwillige taakstellingen). De bijdrage van politieke partijen is belangrijk, net als de bijdrage van sleutelfiguren in het bedrijfsleven die zich inzetten voor een betere genderbalans. Parlementariërs en politieke partijen kunnen het verschil maken om betere voorwaarden te scheppen voor vrouwelijke participatie.
Vrouwen zijn echter nog steeds sterk ondervertegenwoordigd op de hoogste politieke functies, zoals lijsttrekkers, staatshoofden en ministers. In 2014, bezetten vrouwen slechts 17% van de ministersposten wereldwijd. De meeste vrouwelijke ministers zijn benoemd op sociale posten en zijn nauwelijks actief op economische- en handelsposten.
Ook wat betreft participatie van vrouwen in bestuursfuncties is er een bescheiden positieve trend. Vrouwen maken een groeiend deel uit van vakbonden in sommige sectoren maar ze zijn sterk ondervertegenwoordigd in leidersposities en besluitvorming. Ook in de publieke sector en in het bedrijfsleven blijft het aantal vrouwen in topfuncties ver achter bij mannen. De verschillen zijn het grootst in veel landen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika waar de gender gap voor besluitvormende en topfuncties meer dan 80% bedraagt.24Review and appraisal of the implementation of the Beijing Declaration and Platform for Action and the outcomes of the twenty-third special session of the General Assembly Report of the Secretary-General, ECOSOC E/CN.6/2015/3
De betrokkenheid van maatschappelijke (vrouwen)organisaties bij politieke en bestuurlijke processen is variabel, maar is in de meeste lage- en lage-middeninkomenslanden gering.25The 2012 CSO Sustainability Index.USAID (2013); and www.v-dem.net In sommige landen is zelfs sprake van restrictieve wetgeving en een groeiend democratisch deficit dat vaak wordt veroorzaakt door overheidsdruk om de waakhondfunctie van maatschappelijke organisaties en individuele burgers te beperken26Carnegie Endowment for International Peace. Closing Space: Democracy and Human Rights Support Under Fire(2014).. Naast toenemende intimidatie van maatschappelijke organisaties door overheden, is er in veel landen een groot gebrek aan transparantie over de besluitvorming en vinden politieke maatschappelijke consultaties nauwelijks plaats.27Democracy Index 2012: Democracy at a standstill (2013). Economist Intelligence Unit
Nederland wil via FLOW 2016–2020 dan ook maatschappelijke organisaties in lage- en lage-middeninkomenslanden versterken om resultaten te realiseren binnen dit aandachtsgebied. De twee strategische doelstellingen onder het aandachtsgebied Women in Power and Decision Makingvan het Beijing Platform for Actionzijn richtinggevend voor de programma’s en de resultaatmeting:
2.2.3. Thematische prioriteit 3: Economische participatie en zelfredzaamheid van vrouwen
Economische participatie is een multidimensionaal proces28Gender at work: a companion to the World Develeopment Reports on Jobs http://www.worldbank.org/content/dam/Worldbank/Event/Gender/GenderAtWork_web2.pdf. De belangrijkste dimensies zijn arbeidsparticipatie, werkgelegenheid, inkomen en kwaliteit van het werk. De laatste dimensie is het moeilijkst te meten, maar een voltijds vaste aanstelling blijkt een sterke indicator voor subjectieve welstand, hoger inkomen en secundaire arbeidsvoorwaarden en ontwikkelingsmogelijkheden. Bovendien blijkt dat een regulier inkomen en arbeidszekerheid voor vrouwen bijdraagt aan een beter machtsevenwicht tussen echtgenoten, aan een grotere investering in gezondheid en onderwijs voor kinderen en aan de vermindering van huiselijk geweld.
Over de hele wereld worden echter nog steeds meer vrouwen getroffen door economische uitsluiting dan mannen. De trends suggereren dat de arbeidsparticipatie van vrouwen in de wereld (leeftijd van 15-64) gedurende de laatste twee decennia over de hele wereld stagneert en zelfs enigszins afneemt, van 57% naar 55%29Marlar, J. and E. Mendes. 2013. ‘Globally, Men Twice as Likely as Women to Have a Good Job.’ from http://www.gallup.com/poll/164666/globally-men-twice-likely-women-good-job.aspx; Clifton, J., and J. Marlar. 2011. ‘Worldwide, Good Jobs Linked toHigher Wellbeing.’ from http://www.gallup.com/poll/146639/worldwide-good-jobs-linked-higher-wellbeing.aspx.. Mannen hebben wereldwijd bijna twee keer zoveel kans op een vaste, voltijdsbaan als vrouwen. Vrouwen werken vaker minder uren en in banen met minder zekerheden en ontwikkelingskansen. Ze zijn oververtegenwoordigd in de informele banen met onveilige en ongezonde werkomstandigheden die niet voldoen aan internationale standaarden. Een ILO analyse in 83 landen laat zien dat vrouwen in loondienst gemiddeld 10–30% minder verdienen dan mannen30ILO. 2008. Global Wage Report 2008–09: Minimum Wages and Collective Bargaining, Towards Policy Coherence. Geneva: ILO.. Vergelijkbare gendergaps zijn zichtbaar bij ondernemers en boeren. Door verminderde toegang tot hulpmiddelen en kredieten hebben vrouwelijke landbouwers een lagere opbrengst en zijn ze minder actief in commerciële landbouw dan mannen. Vrouwelijke ondernemers zijn over het algemeen actief in kleinere bedrijven (zonder personeel) en in minder winstgevende sectoren. Vrouwen en meisjes doen overal ter wereld nog het overgrote deel van het werk in zorg en huishouden31e.g. Blackden et al (2006): 17; Esplen and Brody (2007): 2, 12; FAO (2009): 14, 24; Gallina (2010):24; Agarwal (2011):7-8; FAO (2011): 5, 7, 13, 27; ActionAid (2012):2, 5, 7.and Kabeer and Natali (2013): 40.. Discriminatie, intimidatie en onveiligheid op het werk treft vrouwen meer dan mannen.
Nederland wil via FLOW 2016–2020maatschappelijke organisaties ondersteunen die zich samen met relevante partners inzetten voor economische participatie van vrouwen. De zes strategische doelen onder het aandachtsgebied Vrouwen en de Economie van het Beijing Platform for Actiongeven richting aan de FLOW-programma’s en de meting van resultaten:
Hoofdstuk 3. Kernbegrippen
Dit kader kent een aantal kernbegrippen. Voor een goede interpretatie zijn die hier kort beschreven.
Richt zich enerzijds op het versterken van partnerorganisaties in termen van expertise, management en financieel beheer. Anderzijds richt deze zich op het ontwikkelen van kernbekwaamheden en -vaardigheden die nodig zijn om ook op termijn in een veranderende context relevant te blijven en resultaten te blijven behalen. Voor dit kader is gekozen voor het 5C-model als basis voor capaciteitsversterking. Het model gaat uit van 5 kernbekwaamheden. Deze zijn35Baser, H. and Morgan, P. (2008) Capacity, Change and Performance: Study Report. Maastricht: ECDPM.:
Capaciteitsversterking is gerelateerd aan individuen, organisaties en de bredere context (systeemontwikkeling). De combinatie van deze factoren leidt tot institutionele ontwikkeling.
De basis voor een strategisch programma gericht op het bevorderen van gunstige voorwaarden voor vrouwenrechten en kansen voor vrouwen is een ‘Beleidstheorie’ (Theory of Change). Een ‘Beleidstheorie’36https://www.theoryofchange.org/ is een serie bouwstenen die in hun samenhang beschrijft hoe een lange termijndoel te behalen is. De onderliggende analyse, aannames, voorwaarden, beoogde resultaten – outputs, outcomes en impact – worden hierin op een logische wijze gepresenteerd. De ‘Beleidstheorie’ dient als basis om per stap in het proces interventies te kunnen definiëren. In de beleidstheorie wordt ook inzichtelijk gemaakt welke rollen de verschillende stakeholders spelen. De aannames onderbouwen het geschetste veranderproces.
Het is niet eenvoudig om succes en resultaten van een veranderende enabling environmentvoor vrouwenrechten en gendergelijkheid te meten. Om dit toch zo goed mogelijk te kunnen monitoren en evalueren is het essentieel dat in de Beleidstheorie aannemelijk wordt gemaakt dat de inzet leidt tot verandering in beleid, structuren en processen en uiteindelijk in het leven van vrouwen en meisjes.
De Beleidstheorie laat overtuigend zien wat de doelstelling van het programma is en welke de meetbare tussenstappen zijn om die te bereiken.
Genderongelijkheid komt tot stand in complexe samenhang met sociale, economische en politieke factoren. Deze factoren zijn verweven met wereldvraagstukken (conflict, voedselcrisis, klimaatcrisis) maar hebben ook een sterke contextuele en lokale dimensie. Een goede contextanalyse is daarom belangrijk bij de beoordeling van beleidsopties en strategieën:
Hoofdstuk 4. Wie kunnen voor subsidie in aanmerking komen?
Nederlandse en internationale37Dit zijn maatschappelijke organisaties die elders dan in Nederland zijn opgericht, volgens het in het land van oprichting toepasselijke recht, elders dan in Nederland zijn gevestigd en die grensoverschrijdend werken. maatschappelijke organisaties met aantoonbaar goede voorstellen en track records op het gebied van gendergelijkheid en vrouwenrechten.
Aanvrager/penvoerders en hun eventuele mede-indieners worden geselecteerd op basis van hun voorstel, dat onder meer een Track Record, Theory of Change (of eventueel meerdere Theories of Change) en een uitwerking daarvan in een programmavoorstel voor het eerste jaar bevat. Tevens is daarbij een financiële onderbouwing vereist.
Organisaties kunnen zelfstandig een aanvraag indienen of samen met een aantal mede-indieners, namens welke een penvoerder een aanvraag indient voor het programma als geheel. De penvoerder is, indien de aanvraag wordt gehonoreerd, jegens de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, verantwoordelijk voor de uitvoering van het programma. Nederlandse en Internationale maatschappelijke organisaties (INGO’s) komen in aanmerking als penvoerder en/of mede-indiener voor dit subsidiebeleidskader.
Een maatschappelijke organisatie kan slechts éénmaal in aanmerking komen voor een subsidie in het kader van FLOW 2016–2020 hetzij als penvoerder, hetzij als hetzij als aanvrager. Een maatschappelijke organisatie kan alleen als mede-indiener meedoen in een alliantie indien zij niet reeds als penvoerder in een andere alliantie optreedt dan wel zelfstandig een aanvraag indient.
Hoofdstuk 5. Beoordelingsprocedure
5.1. Criteria
De organisaties die in aanmerking willen komen voor subsidie uit FLOW 2016–2020dienen te voldoen aan drempelcriteria en kwaliteitscriteria:
Nadere uitwerking van deze criteria is opgenomen in hoofdstuk 7.
5.2. Beoordeling
De bepalingen van de Algemene Wet Bestuursrecht, het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 zijn onverkort van toepassing op de beoordeling van aanvragen en de uiteindelijke subsidieverstrekking. De aanvragen zullen worden beoordeeld met inachtneming van deze regelgeving en overeenkomstig de maatstaven die in deze beleidsregels zijn neergelegd.
Daarnaast zijn de beleidsregels van toepassing zoals vastgesteld in het Standaardkader Ontwikkelingssamenwerking38Besluit van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken van 24 juli 2012, nr. MinBuZa-2012.16922, tot vaststelling van beleidsregels houdende algemene bepalingen voor subsidieverlening ten behoeve van activiteiten in het kader van ontwikkelingssamenwerking (Standaardkader ontwikkelingssamenwerking), Stcrt. 2012, nr. 15896.. Indien de beleidsregels voor FLOW 2016–2020 afwijken van het Standaardkader Ontwikkelingssamenwerking hebben de beleidsregels voor FLOW 2016–2020 voorrang.
De beoordeling van de aanvragen en de toekenning en verdeling van de beschikbare middelen vindt plaats via een tender: van alle aanvragen die voldoen aan de maatstaven van deze beleidsregels, wordt de kwaliteit beoordeeld volgens dezelfde criteria. De aanvragen die het beste voldoen aan de criteria komen als eerste voor subsidie in aanmerking. De Minister besluit tot subsidieverlening in overeenstemming met deze rangorde.
Besluitvorming over de subsidieaanvragen door de Minister vindt plaats uiterlijk op 1 december 2015.
5.3. Fasen bij de beoordeling
De beoordeling vindt plaats in twee fasen, resulterend in een besluit over de selectie van programma’s die in aanmerking komen voor subsidie:
De eerste fase bestaat uit een toets op de drempelcriteria. De tweede fase bestaat uit een inhoudelijke beoordeling van het Track Record, de ‘Beleidstheorie’ en de uitwerking daarvan in het programmavoorstel voor het eerste jaar. De ‘Beleidstheorie’ bevat (o.a.) een gedegen visie op de gekozen doelen en interventies voor korte en middellange termijn. Het programmavoorstel voor het eerste jaar is een realistische uitwerking van de beleidstheorie en laat zien welke landen en welke lokale organisaties betrokken zullen worden in het programma. Ook de voorgestelde relatie met lokale (grassroots) organisaties wordt beoordeeld alsmede de voorgenomen samenwerking met andere actoren op lokaal en nationaal niveau.
5.4. Aanvragen voor financiering
Aanvragen voor een subsidie in het kader van FLOW 2016–2020worden ingediend vanaf de datum van inwerkingtreding van deze beleidsregels tot en met 31 augustus 2015 aan de hand van het hiertoe door de Minister vastgestelde aanvraagstramien39Het aanvraagformulier is met de daarbij behorende annexannexen geplaatst op http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/subsidies-voor-ontwikkelingssamenwerking-en-europa/subsidies-maatschappelijke-organisaties.
De aanvragen bestaan uit:
5.5. Beschikbare middelen
Het gereserveerde bedrag voor het totale fonds bedraagt € 95.000.000,–40Mogelijk wordt dit bedrag nog verhoogd dankzij de bijdragen van andere donoren.. Deze middelen zijn beschikbaar voor subsidiëring van activiteiten in de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2020. De subsidie per programma bedraagt minimaal € 5 miljoen en maximaal € 15 miljoen voor de gehele looptijd van 5 jaar. Net als in het MDG3-fonds en FLOW1 hanteert het fonds een programmatische aanpak waarbij de aanvrager of de penvoerder en zijn mede-indieners ‘grants’ kan/kunnen doorsluizen naar lokale organisaties in de verkiesbare ontvangende landen op basis van vooraf goedgekeurde jaarplannen.
5.6. Verdeling van de beschikbare middelen
Om voor subsidie in het kader van FLOW 2016–2020in aanmerking te komen zal allereerst aan de drempelcriteria moeten worden voldaan en zal in voldoende mate moeten worden voldaan aan de maatstaven met betrekking tot de kwaliteit van het Track Record en de kwaliteit van de ‘Beleidstheorie’ en het programmavoorstel voor het eerste jaar.
Beoordeling van de aanvragen en subsidietoekenning vinden plaats via een tender: subsidieaanvragen worden alle inhoudelijk beoordeeld volgens de maatstaven van deze beleidsregels. De aanvragen die het beste voldoen aan de criteria komen als eerste voor subsidie in aanmerking, binnen het raam van artikel 8, derde lid, onder d, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Als de beschikbare middelen niet toereikend zijn om alle aanvragen die als voldoende zijn beoordeeld volledig te honoreren, zal de verdeling van de middelen over deze plaatsvinden aan de hand van een rangschikking van de aanvragen volgens de maatstaven die in deze beleidsregels zijn neergelegd. Bij de verdeling van de middelen zullen de aanvragen die het beste voldoen aan de criteria conform deze rangschikking als eerste worden gehonoreerd totdat de beschikbare middelen zijn uitgeput.
De verdeling van de middelen vindt plaats binnen het raam van artikel 8, derde lid, onder d, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken: bij de selectie van de projecten wordt gestreefd naar een evenwichtige spreiding van de programmering over de prioriteiten van FLOW 2016–2020.
De kwaliteit van de aanvragen is doorslaggevend. Indien de kwaliteit op één of meerdere prioriteiten in onvoldoende mate voldoet aan de in deze beleidsregels neergelegde maatstaven, vindt verdeling van de subsidiegelden plaats over de prioriteiten en organisaties van de aanvragen die wel in voldoende mate aan de maatstaven voldoen.
5.7. Uitvoering en planning van de besluitvorming
Voor de beoordeling van de aanvragen stelt het Ministerie van Buitenlandse Zaken een commissie samen met onafhankelijke experts van binnen en buiten het Ministerie. Experts/betrokkenen die lid zijn van de commissie kunnen niet zelf een aanvraag indienen of bij de opstelling van aanvragen betrokken zijn.
Besluitvorming over de tijdig ontvangen aanvragen vindt plaats op uiterlijk 1 december 2015.
Hoofdstuk 6. Monitoring en evaluatie
Het afleggen van verantwoording over de besteding van de verkregen middelen vindt plaats op basis van open data conform de IATI-standaarden zoals die vanaf 2016 gelden. Van de aanvrager/penvoerder/penvoerder wordt verwacht de IATI-ontwikkelingen te volgen en hun verantwoording op basis hiervan in te richten. In aanvulling daarop wordt voor de financiële verantwoording jaarlijks een accountantsrapport overlegd. Reguliere monitoring van de voortgang vindt plaats op basis van de goedgekeurde ‘Beleidstheorie’ en het programma.
Per programma wordt jaarlijks een voortgangsrapport en een jaarplan ter goedkeuring voorgelegd.
In het budget voor FLOW 2016–2020wordt door de aanvrager/penvoerders desgewenst een reservering gemaakt voor technische assistentie op het gebied van monitoring en evaluatie. Deze assistentie is bedoeld voor de ondersteuning van de opbouw van een M&E raamwerk op het niveau van een lokale ontvanger (eindgebruiker). Geraamde bedragen/percentages voor deze assistentie dienen te worden opgenomen in het programmavoorstel. De resultaten van monitoring en evaluatie worden gecommuniceerd in het voorgangsrapport.
Om tussentijdse terugkoppeling van de resultaten van monitoring en evaluatie naar de uitvoering mogelijk te maken, én om de wisselwerking met het beleid van het Ministerie van Buitenlandse Zaken te versterken vindt jaarlijks een beleidsoverleg plaats met alle aanvrager/penvoerders/penvoerders. Dit beleidsoverleg geeft organisaties ook de mogelijkheid om ervaringen uit te wisselen.
Hoofdstuk 7. Criteria voor de beoordeling van de aanvragen
7.1. Drempelcriteria
7.2. Criteria met betrekking tot de kwaliteit van de Beleidstheorie
De kwaliteit van de Beleidstheorie wordt bepaald aan de hand van de volgende maatstaven die betrekking hebben op de elementen die elke Beleidstheorie in ieder geval dient te bevatten:
7.3. Criteria met betrekking tot de kwaliteit van het voorgestelde programma
De kwaliteit van het programma wordt beoordeeld aan de hand van de volgende criteria.
7.4. Criteria met betrekking tot de kwaliteit van het Track Record
De kwaliteit van het Track Record wordt bepaald aan de hand van de volgende maatstaven die betrekking hebben op de factoren waarop elk Track Record in ieder geval inzicht dient te bieden:
Annexen
Annex 1. Aanvraagstramien
Annex 2. Lijst met verkiesbare lage- en lage-middeninkomenslanden
Annex 3. COCA
Annex 4. Verkorte COCA
Dit beleidskader en alle Annexen zijn te vinden op de website van de Rijksoverheid: http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/subsidies-voor-ontwikkelingssamenwerking-en-europa/subsidies-maatschappelijke-organisaties