Beleidsregels vereveningsbijdrage zorgverzekering 2016

Type ZBO-regeling
Publication 2017-08-18
State In force
Source BWB
artikelen 91
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
4.

Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘GGZ-MHK 3 jaar geen kosten’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘GGZ-MHK 3 jaar geen kosten’ in.

Artikel 59. IGG

1.

Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium IGG per zorgverzekeraar op:

  • a. de opgave van de zorgverzekeraar aan het Zorginstituut per 1 juni 2017 van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van alle dbc’s GGZ die in 2015 geopend zijn;
  • b. declaraties langdurige GGZ 2015 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2017 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
2.

Het Zorginstituut koppelt op basis van het gepseudonimiseerde burgerservicenummer de opgaven, bedoeld in het vorige lid, onderdeel a en b aan het VPPKB. Het Zorginstituut bepaalt per verzekerde in welke IGG klasse de verzekerde valt, waarbij uitsluitend de hoogste IGG klasse telt.

3.

Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen IGG’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen IGG’ in.

Artikel 60. De voorlopige herberekening van het deelbedrag variabele zorgkosten 2016

1.

Op basis van de opgave jaarstaat 2016 per 1 mei 2017 en met inachtneming van de artikelen 12, 13 en 14 van de Regeling bepaalt het Zorginstituut de variabele zorgkosten 2016 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars.

2.

Het Zorginstituut herberekent het gewicht variabele zorgkosten per verzekerde voor de MHK klasse ‘Geen MHK’ door het totaal aantal verzekerden in een andere klasse dan ‘Geen MHK’ per MHK klasse te vermenigvuldigen met het overeenkomstige gewicht en de som van het resultaat vervolgens te delen door het totaal aantal verzekerden in de MHK klasse ‘Geen MHK’, dat af te ronden op twee decimalen en van een negatief teken te voorzien.

3.

Het Zorginstituut herberekent met inachtneming van de op grond van artikel 41 bepaalde verzekerdenaantallen het normatieve bedrag variabele zorgkosten 2016 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, overeenkomstig artikel 27 en 28, alsmede voor het totaal van de verzekerden 2016 van alle zorgverzekeraars.

4.

Het Zorginstituut berekent de schalingsfactor voor variabele zorgkosten 2016 door de variabele zorgkosten 2016 voor het totaal van de zorgverzekeraars, zoals bepaald in het eerste lid, te delen door het in het derde lid herberekende normatieve bedrag variabele zorgkosten 2016 voor het totaal van de verzekerden 2016 van alle zorgverzekeraars.

5.

Het Zorginstituut vermenigvuldigt voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars het herberekende normatieve bedrag variabele zorgkosten 2016 uit het derde lid met de schalingsfactor berekend in het vierde lid.

6.

Het Zorginstituut berekent voor het totaal van de zorgverzekeraars het verschil tussen de uitkomst van de vermenigvuldiging uit het vijfde lid en het herberekende normatieve bedrag uit het derde lid en deelt dit verschil door het totaal aantal ingeschreven verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is.

7.

Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar het resultaat van het zesde lid met het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven.

8.

Het Zorginstituut vermindert per zorgverzekeraar het product voor die zorgverzekeraar, berekend in het vijfde lid, met het product voor die zorgverzekeraar, berekend in het zevende lid. Het resultaat wordt aangeduid als het voorlopige herberekende deelbedrag variabele zorgkosten 2016.

Artikel 61. De voorlopige herberekening van het deelbedrag vaste zorgkosten 2016

1.

Op basis van de opgave jaarstaat 2016 per 1 mei 2017 en met inachtneming van de artikelen 12, 13 en 15 van de Regeling bepaalt het Zorginstituut de vaste zorgkosten 2016 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk.

2.

Het Zorginstituut herberekent het deelbedrag vaste zorgkosten door het totaal aantal verzekerden 2016 per zorgverzekeraar, vastgesteld met toepassing van artikel 41 te vermenigvuldigen met het normbedrag vaste zorgkosten 2016, berekend in artikel 29, eerste lid.

3.

Het Zorginstituut calculeert per zorgverzekeraar 100 procent na op het verschil tussen de vaste zorgkosten 2016, verkregen in het eerste lid, en het deelbedrag vaste zorgkosten, verkregen in het tweede lid.

4.

De som van het resultaat van het tweede en het derde lid wordt aangeduid als het voorlopige herberekende deelbedrag vaste zorgkosten 2016.

Artikel 62. De voorlopige herberekening van het deelbedrag verpleging en verzorging 2016

1.

Op basis van de opgave jaarstaat 2016 per 1 mei 2017 en met inachtneming van de artikelen 12 en 13 van de Regeling, bepaalt het Zorginstituut de kosten van verpleging en verzorging 2016 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars.

2.

Het Zorginstituut herberekent het gewicht kosten van verpleging en verzorging per verzekerde voor de MHK klasse ‘Geen MHK’ door het totaal aantal verzekerden in een andere klasse dan ‘Geen MHK’ per MHK klasse te vermenigvuldigen met het overeenkomstige gewicht en de som van het resultaat vervolgens te delen door het totaal aantal verzekerden in de MHK klasse ‘Geen MHK’, dat af te ronden op twee decimalen en van een negatief teken te voorzien.

3.

Het Zorginstituut herberekent met inachtneming van de op grond van artikel 41 berekende verzekerdenaantallen het normatieve bedrag kosten van verpleging en verzorging 2016 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, overeenkomstig artikel 30 en 31, alsmede voor het totaal van de verzekerden 2016 van alle zorgverzekeraars.

4.

Het Zorginstituut berekent de schalingsfactor voor kosten van verpleging en verzorging 2016 door de kosten van verpleging en verzorging 2016 voor het totaal van de zorgverzekeraars, zoals bepaald in het eerste lid, te delen door het in het derde lid herberekende normatieve bedrag kosten van verpleging en verzorging voor het totaal van de verzekerden 2016 van alle zorgverzekeraars.

5.

Het Zorginstituut vermenigvuldigt voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars het herberekende normatieve bedrag kosten van verpleging en verzorging 2016 uit het derde lid met de schalingsfactor, berekend in het vierde lid.

6.

Het Zorginstituut berekent voor het totaal van de zorgverzekeraars het verschil tussen de uitkomst van de vermenigvuldiging uit het vijfde lid en het herberekende normatieve bedrag uit het derde lid en deelt dit verschil door het totaal aantal bij alle zorgverzekeraars ingeschreven verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is.

7.

Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar het resultaat van het zesde lid met het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven.

8.

Het Zorginstituut vermindert per zorgverzekeraar het product voor die zorgverzekeraar berekend in het vijfde lid met het product voor die zorgverzekeraar berekend in het zevende lid. Het resultaat wordt aangeduid als het voorlopige herberekende deelbedrag kosten van verpleging en verzorging 2016.

Artikel 63. De voorlopige herberekening van het deelbedrag kosten geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2016

1.

Op basis van de opgave jaarstaat 2016 per 1 mei 2017 en met inachtneming van de artikelen 12 en 13 van de Regeling, bepaalt het Zorginstituut de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2016 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars.

2.

Het Zorginstituut herberekent het gewicht kosten van geneeskundige GGZ per verzekerde voor de GGZ-MHK klasse ‘GGZ-MHK 3 jaar geen kosten’ door het totaal aantal verzekerden in een andere klasse dan ‘GGZ-MHK 3 jaar geen kosten’ per GGZ-MHK klasse te vermenigvuldigen met het overeenkomstige gewicht en de som van het resultaat vervolgens te delen door het totaal aantal verzekerden in de GGZ-MHK klasse ‘GGZ-MHK 3 jaar geen kosten’, dat af te ronden op twee decimalen en van een negatief teken te voorzien.

3.

Het Zorginstituut herberekent met inachtneming van het op grond van artikel 41 bepaalde aantal verzekerden van achttien jaar en ouder het normatieve bedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2016 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, overeenkomstig artikel 32 en 33, alsmede voor het totaal van de verzekerden van achttien jaar en ouder 2016 van alle zorgverzekeraars.

4.

Het Zorginstituut berekent de schalingsfactor voor kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2016 voor verzekerden van achttien jaar en ouder 2016 door de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2016 voor het totaal van de zorgverzekeraars, zoals bepaald in het eerste lid, te delen door het in het derde lid herberekende normatieve bedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2016 voor het totaal van de verzekerden van achttien jaar en ouder 2016 van alle zorgverzekeraars.

5.

Het Zorginstituut vermenigvuldigt voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars het herberekende normatieve bedrag kosten van geneeskundige gezondheidszorg 2016 uit het derde lid met de schalingsfactor berekend in het vierde lid.

6.

Het Zorginstituut berekent voor het totaal van de zorgverzekeraars het verschil tussen de uitkomst van de vermenigvuldiging uit het vijfde lid en het herberekende normatieve bedrag uit het derde lid en deelt dit verschil door het totaal aantal bij alle zorgverzekeraars ingeschreven verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is.

7.

Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar het resultaat van het zesde lid met het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven.

8.

Het Zorginstituut vermindert per zorgverzekeraar het product voor die zorgverzekeraar berekend in het vijfde lid met het product voor die zorgverzekeraar berekend in het zevende lid. Het resultaat wordt aangeduid als het voorlopige herberekende deelbedrag kosten van de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2016.

Artikel 64. De voorlopige herberekening van het deelbedrag kosten langdurige geestelijke gezondheidszorg 2016

1.

Op basis van de opgave jaarstaat 2016 per 1 mei 2017 en met inachtneming van de artikelen 12 en 13 van de Regeling, bepaalt het Zorginstituut de kosten van langdurige geestelijke gezondheidszorg 2016 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars.

2.

Het Zorginstituut herberekent het gewicht kosten van langdurige GGZ per verzekerde voor de GGZ-MHK klasse ‘GGZ-MHK 3 jaar geen kosten’ door het totaal aantal verzekerden in een andere klasse dan ‘GGZ-MHK 3 jaar geen kosten’ per GGZ-MHK klasse te vermenigvuldigen met het overeenkomstige gewicht en de som van het resultaat vervolgens te delen door het totaal aantal verzekerden in de GGZ-MHK klasse ‘GGZ-MHK 3 jaar geen kosten’, dat af te ronden op twee decimalen en van een negatief teken te voorzien.

3.

Het Zorginstituut herberekent het gewicht kosten van langdurige GGZ voor verzekerden van achttien jaar en ouder per verzekerde voor de IGG klasse ‘Geen IGG’ 2016 door het totaal aantal verzekerden in een andere klasse dan ‘Geen IGG’ per IGG klasse te vermenigvuldigen met het overeenkomstige gewicht en de som van het resultaat vervolgens te delen door het totaal aantal verzekerden voor de klasse ‘Geen IGG’, dat af te ronden op twee decimalen en van een negatief teken te voorzien.

4.

Het Zorginstituut herberekent met inachtneming van het op grond van artikel 41 bepaalde aantal verzekerden van achttien jaar en ouder het normatieve bedrag kosten van langdurige geestelijke gezondheidszorg 2016 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, overeenkomstig artikel 34 en 35, alsmede voor het totaal van de verzekerden van achttien jaar en ouder 2016 van alle zorgverzekeraars.

5.

Het Zorginstituut berekent de schalingsfactor voor kosten van langdurige geestelijke gezondheidszorg 2016 voor verzekerden van achttien jaar en ouder 2016 door de kosten van langdurige geestelijke gezondheidszorg 2016 voor het totaal van de zorgverzekeraars, zoals bepaald in het eerste lid, te delen door het in het vierde lid herberekende normatieve bedrag kosten van langdurige geestelijke gezondheidszorg 2016 voor het totaal van de verzekerden van achttien jaar en ouder 2016 van alle zorgverzekeraars.

6.

Het Zorginstituut vermenigvuldigt voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars het herberekende normatieve bedrag kosten van langdurige gezondheidszorg 2016 uit het vierde lid met de schalingsfactor berekend in het vijfde lid.

7.

Het Zorginstituut berekent voor het totaal van de zorgverzekeraars het verschil tussen de uitkomst van de vermenigvuldiging uit het zesde lid en het herberekende normatieve bedrag uit het vierde lid en deelt dit verschil door het totaal aantal bij alle zorgverzekeraars ingeschreven verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is.

8.

Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar het resultaat van het zevende lid met het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven.

9.

Het Zorginstituut vermindert per zorgverzekeraar het product voor die zorgverzekeraar berekend in het zesde lid met het product voor die zorgverzekeraar berekend in het achtste lid. Het resultaat wordt aangeduid als het voorlopige herberekende deelbedrag kosten van de langdurige geestelijke gezondheidszorg 2016.

Artikel 65. De voorlopige herberekening van de normatieve opbrengst van het eigen risico 2016

1.

Uitgangspunt voor de herberekening van de normatieve opbrengst van het eigen risico zijn de opgaven, bedoeld in artikel 41, tweede lid, van de verzekerdenaantallen van de zorgverzekeraar.

2.

Het Zorginstituut herberekent overeenkomstig artikel 36 en 37 de normatieve eigen risico opbrengst 2016.

3.

In afwijking van het tweede lid bepaalt het Zorginstituut de gederfde inkomsten voor verzekerden van achttien jaar en ouder voor wie op grond van artikel 24 van de wet geen nominale premies worden ontvangen, op basis van de opgave jaarstaat 2016 per 1 mei 2017.

Artikel 66. De voorlopige herberekening van het normatieve bedrag 2016 en de voorlopige herberekening en voorlopige vaststelling van de vereveningsbijdrage 2016

1.

Het Zorginstituut herberekent het normatieve bedrag 2016 voorlopig als de som van het voorlopige herberekende deelbedrag variabele zorgkosten 2016, het voorlopige herberekende deelbedrag vaste zorgkosten 2016, het voorlopig herberekende deelbedrag verpleging en verzorging 2016, het voorlopig herberekende deelbedrag geneeskundige geestelijke gezondheidszorg en het voorlopig herberekende deelbedrag langdurige geestelijke gezondheidszorg 2016.

  • a. bepaalt het Zorginstituut per zorgverzekeraar het verschil tussen het voorlopige herberekende deelbedrag kosten van verpleging en verzorging 2016, bedoeld in artikel 62, achtste lid, en de kosten van verpleging en verzorging 2016, bedoeld in artikel 62, eerste lid en deelt dit verschil door het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven;
  • b. berekent het Zorginstituut het gemiddelde marktresultaat voor het deelbedrag verpleging en verzorging. Het Zorginstituut berekent het gemiddelde marktresultaat door voor het totaal van de zorgverzekeraars het verschil tussen het herberekende normatieve bedrag kosten van verpleging en verzorging zorg bedoeld in artikel 62, derde lid, en de kosten van verpleging en verzorging 2016, bedoeld in artikel 62, eerste lid, te delen door het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is;
  • c. indien het verschil tussen het in onderdeel a bepaalde bedrag en het gemiddelde marktresultaat groter is dan € 15,00 per verzekerde van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dan trekt het Zorginstituut 75 procent van het meerdere af van het normatieve bedrag 2016;
  • d. indien het verschil tussen het in onderdeel a bepaalde bedrag en het gemiddelde marktresultaat kleiner is dan € –15,00 per verzekerde van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dan voegt het Zorginstituut 75 procent van het verschil toe aan het normatieve bedrag 2016.
  • a. bepaalt het Zorginstituut per zorgverzekeraar het verschil tussen het voorlopige herberekende deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2016, bedoeld in artikel 63, achtste lid, en de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2016, bedoeld in artikel 63, eerste lid, en deelt dit verschil door het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven;
  • b. berekent het Zorginstituut het gemiddelde marktresultaat voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg. Het Zorginstituut berekent het gemiddeld marktresultaat door voor het totaal van de zorgverzekeraars het verschil tussen het herberekende normatieve bedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2016, bedoeld in artikel 63, derde lid, en de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2016, bedoeld in artikel 63, eerste lid, te delen door het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is;
  • c. indien het verschil tussen het in onderdeel a bepaalde bedrag en het gemiddelde marktresultaat groter is dan € 17,50 per verzekerde van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dan trekt het Zorginstituut 75 procent van het meerdere af van het normatieve bedrag 2016;
  • d. indien het verschil tussen het in onderdeel a bepaalde bedrag en het gemiddelde marktresultaat kleiner is dan € –17,50 per verzekerde van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dan voegt het Zorginstituut 75 procent van het verschil toe aan het normatieve bedrag 2016.
  • a. bepaalt het Zorginstituut per zorgverzekeraar het verschil tussen het voorlopige herberekende deelbedrag kosten van langdurige geestelijke gezondheidszorg 2016, bedoeld in artikel 64, negende lid, en de kosten van langdurige geestelijke gezondheidszorg 2016, bedoeld in artikel 64, eerste lid, en deelt dit verschil door het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven;
  • b. berekent het Zorginstituut het gemiddelde marktresultaat voor het deelbedrag kosten van langdurige geestelijke gezondheidszorg. Het Zorginstituut berekent het gemiddeld marktresultaat door voor het totaal van de zorgverzekeraars het verschil tussen het herberekende normatieve bedrag kosten van langdurige geestelijke gezondheidszorg 2016, bedoeld in artikel 64, vierde lid, en de kosten van langdurige geestelijke gezondheidszorg 2016, bedoeld in artikel 64, eerste lid, te delen door het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is;
  • c. indien het verschil tussen het in onderdeel a bepaalde bedrag en het gemiddelde marktresultaat groter is dan € 5,00 per verzekerde van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dan trekt het Zorginstituut 100 procent van het meerdere af van het normatieve bedrag 2016;
  • d. indien het verschil tussen het in onderdeel a bepaalde bedrag en het gemiddelde marktresultaat kleiner is dan € –5,00 per verzekerde van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dan voegt het Zorginstituut 100 procent van het verschil toe aan het normatieve bedrag 2016.
5.

Het Zorginstituut berekent de opbrengst van de nominale rekenpremie per zorgverzekeraar door de verzekerden van achttien jaar en ouder 2016 per zorgverzekeraar te vermenigvuldigen met de nominale rekenpremie 2016.

6.

Het Zorginstituut vermindert het resultaat van het vijfde lid met het bedrag dat de zorgverzekeraar verantwoordt in de opgave jaarstaat 2016 per 1 mei 2017 als gederfde inkomsten voor verzekerden van achttien jaar en ouder waarvoor als gevolg van de toepasselijkheid van artikel 24 van de wet geen nominale premies worden ontvangen.

7.

Het Zorginstituut herberekent voorlopig de aanvulling op de bijdrage voor de uitkering in verband met uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar door het aantal verzekerden jonger dan achttien jaar 2016 te vermenigvuldigen met € 43,00.

8.

Het Zorginstituut herberekent de vereveningsbijdrage 2016 voorlopig door de som van het herberekende normatieve bedrag 2016, bedoeld in het eerste lid, met toepassing van het tweede, derde en vierde lid en de aanvulling voor uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar, bedoeld in het vorige lid, te verminderen met de voorlopig herberekende normatieve eigen risico opbrengst, bedoeld in artikel 65, en de opbrengst van de nominale rekenpremie, bedoeld in het vijfde en zesde lid.

9.

Het Zorginstituut stelt de vereveningsbijdrage 2016 in september 2017 voorlopig vast ter hoogte van de in het vorige lid berekende bijdrage.

Hoofdstuk IV. De tweede voorlopige vaststelling van de vereveningsbijdrage 2016 voor een zorgverzekeraar

Artikel 67. Algemene bepaling

Het Zorginstituut herberekent het normatieve bedrag voor de tweede keer voorlopig met inachtneming van de kosten 2016 uit de opgave jaarstaat 2018 per 1 mei 2019, de correcties die de Nederlandse Zorgautoriteit heeft toegepast en de bepalingen uit dit hoofdstuk.

Artikel 68. Bepaling van de verzekerdenaantallen 2016

1.

Het Zorginstituut betrekt de correcties die de Nederlandse Zorgautoriteit heeft toegepast over 2016 bij de verzekerdenaantallen, zoals berekend op grond van artikel 41.

2.

Voor het criterium SES betrekt het Zorginstituut voor het inkomen de opgave van de Belastingdienst over 2016 bij de verzekerdenaantallen. Indien een verzekerde niet is opgenomen in de opgave over 2016, maakt het Zorginstituut gebruik van de opgave over 2015.

3.

Voor het criterium MHK betrekt het Zorginstituut bij de verzekerdenaantallen de declaraties 2015 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag variabele zorgkosten tot en met 31 december 2017, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2018 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd.

4.

Voor het criterium GGG betrekt het Zorginstituut bij de verzekerdenaantallen de declaraties geriatrische revalidatiezorg 2015 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer tot en met 31 december 2017, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2018 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd.

5.

Voor het criterium GGZ-MHK betrekt het Zorginstituut bij de verzekerdenaantallen de declaraties 2015 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige GGZ tot en met 31 december 2017, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2018 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd.

6.

Voor het criterium IGG betrekt het Zorginstituut bij de verzekerdenaantallen de declaraties langdurige GGZ 2015 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer tot en met 31 december 2017, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2018 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd.

Artikel 69. De tweede voorlopige herberekening van het deelbedrag variabele zorgkosten 2016

1.

Het Zorginstituut bepaalt met inachtneming van de artikelen 12, 13 en 14 van de Regeling, de variabele zorgkosten 2016 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars.

2.

Het Zorginstituut herberekent het gewicht variabele zorgkosten per verzekerde voor de MHK klasse ‘Geen MHK’ door het totaal aantal verzekerden in een andere klasse dan ‘Geen MHK’ per MHK klasse te vermenigvuldigen met het overeenkomstige gewicht en de som van het resultaat vervolgens te delen door het totaal aantal verzekerden in de MHK klasse ‘Geen MHK’, dat af te ronden op twee decimalen en van een negatief teken te voorzien.

3.

Het Zorginstituut herberekent met inachtneming van de op grond van artikel 68 bepaalde verzekerdenaantallen het normatieve bedrag variabele zorgkosten 2016 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, overeenkomstig artikel 27 en 28, alsmede voor het totaal van de verzekerden 2016 van alle zorgverzekeraars.

4.

Het Zorginstituut berekent de schalingsfactor voor variabele zorgkosten 2016 door de variabele zorgkosten 2016 voor het totaal van de zorgverzekeraars, zoals bepaald in het eerste lid, te delen door het in het derde lid herberekende normatieve bedrag variabele zorgkosten 2016 voor het totaal van de verzekerden 2016 van alle zorgverzekeraars.

5.

Het Zorginstituut vermenigvuldigt voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars het herberekende normatieve bedrag variabele zorgkosten 2016 uit het derde lid met de schalingsfactor berekend in het vierde lid.

6.

Het Zorginstituut berekent voor het totaal van de zorgverzekeraars het verschil tussen de uitkomst van de vermenigvuldiging uit het vijfde lid en het herberekende normatieve bedrag uit het derde lid en deelt dit verschil door het totaal aantal bij alle zorgverzekeraars ingeschreven verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is.

7.

Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar het resultaat van het zesde lid met het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven.

8.

Het Zorginstituut vermindert per zorgverzekeraar het product voor die zorgverzekeraar berekend in het vijfde lid met het product voor die zorgverzekeraar berekend in het zevende lid. Het resultaat wordt aangeduid als het tweede voorlopige herberekende deelbedrag variabele zorgkosten 2016.

Artikel 70. De tweede voorlopige herberekening van het deelbedrag vaste zorgkosten 2016

Het Zorginstituut herberekent voor de tweede keer voorlopig het deelbedrag vaste zorgkosten 2016 overeenkomstig artikel 61, met inachtneming van artikel 67 en 68.

Artikel 71. De tweede voorlopige herberekening van het deelbedrag verpleging en verzorging 2016

1.

Het Zorginstituut bepaalt met inachtneming van artikel 12 en 13 van de Regeling, de kosten van verpleging en verzorging 2016 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars.

2.

Het Zorginstituut herberekent het gewicht kosten van verpleging en verzorging per verzekerde voor de MHK klasse ‘Geen MHK’ door het totaal aantal verzekerden in een andere klasse dan ‘Geen MHK’ per MHK klasse te vermenigvuldigen met het overeenkomstige gewicht en de som van het resultaat vervolgens te delen door het totaal aantal verzekerden in de MHK klasse ‘Geen MHK’, dat af te ronden op twee decimalen en van een negatief teken te voorzien.

3.

Het Zorginstituut herberekent met inachtneming van de op grond van artikel 68 bepaalde verzekerdenaantallen, het normatieve bedrag kosten van verpleging en verzorging prestaties 2016 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, overeenkomstig artikel 30 en 31, alsmede voor het totaal van de verzekerden 2016 van alle zorgverzekeraars.

4.

Het Zorginstituut berekent de schalingsfactor voor kosten van verpleging en verzorging 2016 door de kosten van verpleging en verzorging 2016 voor het totaal van de zorgverzekeraars, zoals bepaald in het eerste lid, te delen door het in het derde lid herberekende normatieve bedrag kosten van verpleging en verzorging 2016 voor het totaal van de verzekerden 2016 van alle zorgverzekeraars.

5.

Het Zorginstituut vermenigvuldigt voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars, het herberekende normatieve bedrag kosten van verpleging en verzorging 2016 uit het derde lid met de schalingsfactor berekend in het vierde lid.

6.

Het Zorginstituut berekent voor het totaal van de zorgverzekeraars het verschil tussen de uitkomst van de vermenigvuldiging uit het vijfde lid en het herberekende normatieve bedrag uit het derde lid en deelt dit verschil door het totaal aantal bij alle zorgverzekeraars ingeschreven verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is.

7.

Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar het resultaat van het zesde lid met het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven.

8.

Het Zorginstituut vermindert per zorgverzekeraar het product voor die zorgverzekeraar berekend in het vijfde lid met het product voor die zorgverzekeraar berekend in het zevende lid. Het resultaat wordt aangeduid als het tweede voorlopige herberekende deelbedrag kosten van verpleging en verzorging 2016.

Artikel 72. De tweede voorlopige herberekening van het deelbedrag geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2016

1.

Het Zorginstituut bepaalt met inachtneming van artikel 12 en 13 van de Regeling, de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2016 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars.

2.

Het Zorginstituut herberekent het gewicht kosten van geneeskundige GGZ per verzekerde voor de GGZ-MHK klasse ‘GGZ-MHK 3 jaar geen kosten’ door het totaal aantal verzekerden in een andere klasse dan ‘GGZ-MHK 3 jaar geen kosten’ per GGZ-MHK klasse te vermenigvuldigen met het overeenkomstige gewicht en de som van het resultaat vervolgens te delen door het totaal aantal verzekerden in de GGZ-MHK klasse ‘GGZ-MHK 3 jaar geen kosten’, dat af te ronden op twee decimalen en van een negatief teken te voorzien.

3.

Het Zorginstituut herberekent met inachtneming van de op grond van artikel 68 bepaalde verzekerdenaantallen het normatieve bedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2016 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, overeenkomstig artikel 32 en 33, alsmede voor het totaal van de verzekerden van achttien jaar en ouder 2016 van alle zorgverzekeraars.

4.

Het Zorginstituut berekent de schalingsfactor voor kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2016 door de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2016 voor het totaal van de zorgverzekeraars, zoals bepaald in het eerste lid, te delen door het in het derde lid herberekende normatieve bedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2016 voor het totaal van alle zorgverzekeraars.

5.

Het Zorginstituut vermenigvuldigt voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars, het herberekende normatieve bedrag kosten van geneeskundige gezondheidszorg uit het derde lid met de schalingsfactor berekend in het vierde lid.

6.

Het Zorginstituut berekent voor het totaal van de zorgverzekeraars het verschil tussen de uitkomst van de vermenigvuldiging uit het vijfde lid en het herberekende normatieve bedrag uit het derde lid en deelt dit verschil door het totaal aantal bij alle zorgverzekeraars ingeschreven verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is.

7.

Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar het resultaat van het zesde lid met het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven.

8.

Het Zorginstituut vermindert per zorgverzekeraar het product voor die zorgverzekeraar berekend in het vijfde lid met het product voor die zorgverzekeraar berekend in het zevende lid. Het resultaat wordt aangeduid als het tweede voorlopige herberekende deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2016.

Artikel 73. De tweede voorlopige herberekening van het deelbedrag langdurige geestelijke gezondheidszorg 2016

1.

Het Zorginstituut bepaalt met inachtneming van artikel 12 en 13 van de Regeling, de kosten van langdurige geestelijke gezondheidszorg 2016 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars.

2.

Het Zorginstituut herberekent het gewicht kosten van langdurige GGZ per verzekerde voor de GGZ-MHK klasse ‘GGZ-MHK 3 jaar geen kosten’ door het totaal aantal verzekerden in een andere klasse dan ‘GGZ-MHK 3 jaar geen kosten’ per GGZ-MHK klasse te vermenigvuldigen met het overeenkomstige gewicht en de som van het resultaat vervolgens te delen door het totaal aantal verzekerden in de GGZ-MHK klasse ‘GGZ-MHK 3 jaar geen kosten’, dat af te ronden op twee decimalen en van een negatief teken te voorzien.

3.

Het Zorginstituut herberekent het gewicht kosten van langdurige GGZ voor verzekerden van achttien jaar en ouder per verzekerde voor de IGG klasse ‘Geen IGG’ 2016 door het totaal aantal verzekerden in een andere klasse dan ‘Geen IGG’ per IGG klasse te vermenigvuldigen met het overeenkomstige gewicht en de som van het resultaat vervolgens te delen door het totaal aantal verzekerden voor de klasse ‘Geen IGG’, dat af te ronden op twee decimalen en van een negatief teken te voorzien.

4.

Het Zorginstituut herberekent met inachtneming van de op grond van artikel 68 bepaalde verzekerdenaantallen het normatieve bedrag kosten van langdurige geestelijke gezondheidszorg 2016 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, overeenkomstig artikel 34 en 35 alsmede voor het totaal van de verzekerden van achttien jaar en ouder 2016 van alle zorgverzekeraars.

5.

Het Zorginstituut berekent de schalingsfactor voor kosten van langdurige geestelijke gezondheidszorg 2016 door de kosten van langdurige geestelijke gezondheidszorg 2016 voor het totaal van de zorgverzekeraars, zoals bepaald in het eerste lid, te delen door het in het vierde lid herberekende normatieve bedrag kosten van langdurige geestelijke gezondheidszorg 2016 voor het totaal van alle zorgverzekeraars.

6.

Het Zorginstituut vermenigvuldigt voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars, het herberekende normatieve bedrag kosten van langdurige gezondheidszorg uit het vierde lid met de schalingsfactor berekend in het vijfde lid.

7.

Het Zorginstituut berekent voor het totaal van de zorgverzekeraars het verschil tussen de uitkomst van de vermenigvuldiging uit het zesde lid en het herberekende normatieve bedrag uit het vierde lid en deelt dit verschil door het totaal aantal bij alle zorgverzekeraars ingeschreven verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is.

8.

Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar het resultaat van het zevende lid met het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven.

9.

Het Zorginstituut vermindert per zorgverzekeraar het product voor die zorgverzekeraar berekend in het zesde lid met het product voor die zorgverzekeraar berekend in het achtste lid. Het resultaat wordt aangeduid als het tweede voorlopige herberekende deelbedrag kosten van langdurige geestelijke gezondheidszorg 2016.

Artikel 74. De tweede voorlopige herberekening van de normatieve eigen risico opbrengst 2016

Het Zorginstituut herberekent voor de tweede keer voorlopig de normatieve eigen risico opbrengst 2016 overeenkomstig artikel 65, met inachtneming van artikel 67 en 68.

Artikel 75. De tweede voorlopige herberekening van het normatieve bedrag 2016 en de tweede voorlopige herberekening en de vaststelling van de vereveningsbijdrage 2016

1.

Het Zorginstituut herberekent het normatieve bedrag 2016 voor de tweede keer voorlopig als de som van het tweede voorlopige deelbedrag variabele zorgkosten 2016, het tweede voorlopige deelbedrag vaste zorgkosten 2016, het tweede voorlopige deelbedrag kosten van verpleging en verzorging 2016 het tweede voorlopige deelbedrag geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2016 en het tweede voorlopige deelbedrag langdurige geestelijke gezondheidszorg 2016.

  • a. bepaalt het Zorginstituut per zorgverzekeraar het verschil tussen het tweede voorlopige herberekende deelbedrag kosten van verpleging en verzorging 2016, bedoeld in artikel 71, achtste lid, en de kosten van verpleging en verzorging 2016, bedoeld in artikel 71, eerste lid, en deelt dit verschil door het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven;
  • b. berekent het Zorginstituut het gemiddelde marktresultaat voor het deelbedrag kosten van verpleging en verzorging. Het Zorginstituut berekent het gemiddelde marktresultaat door voor het totaal van de zorgverzekeraars het verschil tussen het herberekende normatieve bedrag kosten van verpleging en verzorging, bedoeld in artikel 71, derde lid, en de kosten van verpleging en verzorging 2016, bedoeld in artikel 71, eerste lid, te delen door het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is;
  • c. indien het verschil tussen het in onderdeel a bepaalde bedrag en het gemiddelde marktresultaat groter is dan € 15,00 per verzekerde van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dan trekt het Zorginstituut 75 procent van het meerdere af van het normatieve bedrag 2016;
  • d. indien het verschil tussen het in onderdeel a bepaalde bedrag en het gemiddelde marktresultaat kleiner is dan € –15,00 per verzekerde van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dan voegt het Zorginstituut 75 procent van het verschil toe aan het normatieve bedrag 2016.
  • a. bepaalt het Zorginstituut per zorgverzekeraar het verschil tussen het tweede voorlopige herberekende deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2016, bedoeld in artikel 72, achtste lid, en de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2016, bedoeld in artikel 72, eerste lid, en deelt dit verschil door het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven;
  • b. berekent het Zorginstituut het gemiddelde marktresultaat voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg. Het Zorginstituut berekent het gemiddeld marktresultaat door voor het totaal van de zorgverzekeraars het verschil tussen het herberekende normatieve bedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2016, bedoeld in artikel 72, achtste lid, en de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2016 bedoeld in artikel 72, derde lid, te delen door het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is;
  • c. indien het verschil tussen het in onderdeel a bepaalde bedrag en het gemiddelde marktresultaat groter is dan € 17,50 per verzekerde van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dan trekt het Zorginstituut 75 procent van het meerdere af van het normatieve bedrag 2016;
  • d. indien het verschil tussen het in onderdeel a bepaalde bedrag en het gemiddelde marktresultaat kleiner is dan € –17,50 per verzekerde van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dan voegt het Zorginstituut 75 procent van het verschil toe aan het normatieve bedrag 2016.
  • a. bepaalt het Zorginstituut per zorgverzekeraar het verschil tussen het tweede voorlopige herberekende deelbedrag kosten van langdurige geestelijke gezondheidszorg 2016, bedoeld in artikel 73, negende lid, en de kosten van langdurige geestelijke gezondheidszorg 2016, bedoeld in artikel 73, eerste lid, en deelt dit verschil door het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven;
  • b. berekent het Zorginstituut het gemiddelde marktresultaat voor het deelbedrag kosten van langdurige geestelijke gezondheidszorg. Het Zorginstituut berekent het gemiddeld marktresultaat door voor het totaal van de zorgverzekeraars het verschil tussen het herberekende normatieve bedrag kosten van langdurige geestelijke gezondheidszorg 2016, bedoeld in artikel 73, negende lid, en de kosten van langdurige geestelijke gezondheidszorg 2016 bedoeld in artikel 73, vierde lid, te delen door het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is;
  • c. indien het verschil tussen het in onderdeel a bepaalde bedrag en het gemiddelde marktresultaat groter is dan € 5,00 per verzekerde van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dan trekt het Zorginstituut 100 procent van het meerdere af van het normatieve bedrag 2016;
  • d. indien het verschil tussen het in onderdeel a bepaalde bedrag en het gemiddelde marktresultaat kleiner is dan € –5,00 per verzekerde van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dan voegt het Zorginstituut 100 procent van het verschil toe aan het normatieve bedrag 2016.
5.

Het Zorginstituut berekent de tweede voorlopige opbrengst van de nominale rekenpremie per zorgverzekeraar door de verzekerden van achttien jaar en ouder per zorgverzekeraar te vermenigvuldigen met de nominale rekenpremie 2016.

6.

Het Zorginstituut vermindert het resultaat van het vijfde lid met het bedrag dat de zorgverzekeraar verantwoordt in zijn jaarstaat 2016 per 1 mei 2017 als gederfde inkomsten voor verzekerden van achttien jaar en ouder waarvoor als gevolg van de toepasselijkheid van artikel 24 van de wet geen nominale premies worden ontvangen.

7.

Het Zorginstituut berekent de tweede voorlopige aanvulling op de bijdrage voor de uitkering in verband met uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar door het aantal verzekerden jonger dan achttien jaar te vermenigvuldigen met € 43,00.

8.

Het Zorginstituut berekent de vereveningsbijdrage 2016 voor de tweede keer voorlopig door de som van het tweede voorlopige normatieve bedrag 2016 bedoeld in het eerste lid, met toepassing van het tweede, derde en vierde lid en de aanvulling voor uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar, bedoeld in het vorige lid, te verminderen met de tweede voorlopige normatieve eigen risico opbrengst, bedoeld in artikel 74, en de opbrengst van de nominale rekenpremie, bedoeld in het vijfde en zesde lid.

9.

Het Zorginstituut stelt de vereveningsbijdrage 2016 voor de tweede keer voorlopig vast in september 2019 ter hoogte van de in het vorige lid berekende bijdrage.

Hoofdstuk V. De vaststelling van de vereveningsbijdrage 2016 voor een zorgverzekeraar

Artikel 76. Algemene bepaling

Het Zorginstituut herberekent de vereveningsbijdrage definitief met inachtneming van de correcties die voortkomen uit de reviewrapportages die de Nederlandse Zorgautoriteit uitbrengt over de declaraties 2015 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer en kosten 2016 uit de jaarstaat 2018.

Artikel 77. De definitieve herberekening van het deelbedrag variabele zorgkosten 2016

Het Zorginstituut herberekent definitief het deelbedrag variabele zorgkosten 2016 overeenkomstig artikel 69, met inachtneming van artikel 76.

Artikel 78. De definitieve herberekening van het deelbedrag vaste zorgkosten 2016

Het Zorginstituut herberekent definitief het deelbedrag vaste zorgkosten 2016 overeenkomstig artikel 70, met inachtneming van artikel 76.

Artikel 79. De definitieve herberekening van het deelbedrag verpleging en verzorging 2016

Het Zorginstituut herberekent definitief het deelbedrag verpleging en verzorging 2016 overeenkomstig artikel 71, met inachtneming van artikel 76.

Artikel 80. De definitieve herberekening van het deelbedrag geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2016

Het Zorginstituut herberekent definitief het deelbedrag geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2016 overeenkomstig artikel 72, met inachtneming van artikel 76.

Artikel 81. De definitieve herberekening van het deelbedrag langdurige geestelijke gezondheidszorg 2016

Het Zorginstituut herberekent definitief het deelbedrag geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2016 overeenkomstig artikel 73, met inachtneming van artikel 76.

Artikel 82. De definitieve herberekening van de normatieve eigen risico opbrengst 2016

Het Zorginstituut herberekent definitief het deelbedrag normatieve eigen risico opbrengst overeenkomstig artikel 74, met inachtneming van artikel 76.

Artikel 83. De definitieve herberekening van het normatieve bedrag 2016 en de definitieve herberekening en de vaststelling van de bijdrage 2016

1.

Het Zorginstituut herberekent definitief het normatieve bedrag 2016 overeenkomstig artikel 75, met inachtneming van artikel 76.

2.

Het Zorginstituut stelt de bijdrage 2016 vast in april 2020 ter hoogte van de in het vorige lid definitief berekende normatieve bedrag 2016.

Hoofdstuk VI. De uitkering voor de kosten van prestaties die door het zorginstituut naar het werkelijk bedrag worden vergoed

Artikel 84

1.

Bij gelegenheid van de vaststelling van de bijdrage 2016, bedoeld in artikel 83, stelt het Zorginstituut per zorgverzekeraar ook de uitkering 2016 vast voor de kosten die op grond van de wet naar het werkelijke bedrag door het Zorginstituut worden vergoed.

2.

In afwachting van de vaststelling van de uitkering 2016 voor de kosten die op grond van de wet naar het werkelijke bedrag door het Zorginstituut worden vergoed, stelt het Zorginstituut bij de voorlopige vaststelling van de bijdrage 2016, bedoeld in artikel 66, ook de voorlopige uitkering 2016 voor de kosten die op grond van de wet naar het werkelijke bedrag door het Zorginstituut worden vergoed, vast.

3.

In afwachting van de vaststelling van de uitkering 2016 voor de kosten die op grond van de wet naar het werkelijke bedrag door het Zorginstituut worden vergoed, stelt het Zorginstituut bij de tweede voorlopige vaststelling van de bijdrage 2016, bedoeld in artikel 75, ook de tweede voorlopige uitkering 2016 voor de kosten die op grond van de wet naar het werkelijke bedrag door het Zorginstituut worden vergoed, vast.

Hoofdstuk VII. De betalingen aan de zorgverzekeraars

Artikel 85

1.

Het Zorginstituut betaalt de zorgverzekeraars de vereveningsbijdrage, bedoeld in artikel 38, vierde lid, uit. Het Zorginstituut maakt bij de betaling onderscheid naar de volgende bestanddelen:

  • a. het deelbedrag variabele zorgkosten 2016;
  • b. het deelbedrag vaste zorgkosten 2016;
  • c. het deelbedrag verpleging en verzorging 2016;
  • d. het deelbedrag geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2016;
  • e. het deelbedrag langdurige geestelijke gezondheidszorg 2016;
  • f. een aftrekpost voor de normatieve eigen risico opbrengst 2016.
2.

Het Zorginstituut betaalt de zorgverzekeraars de uitkering in verband met uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar, bedoeld in artikel 38, vijfde lid, gelijktijdig met de betaling genoemd in het eerste lid uit.

3.

Voor de betaling van de kosten, die op grond van de wet naar werkelijke kosten worden vergoed, kan het Zorginstituut ambtshalve een bedrag vaststellen, waarmee de betaling aan de zorgverzekeraars wordt verhoogd.

Artikel 86. Betaling

1.

Het Zorginstituut bepaalt per zorgverzekeraar de som van de bestanddelen genoemd in artikel 85, eerste lid, onder a tot en met e en de uitkering, genoemd in artikel 85, tweede lid.

2.

Het Zorginstituut berekent per zorgverzekeraar de som van de vereveningsbijdrage 2016, bedoeld in artikel 38, zesde lid en de normatieve eigen risico opbrengst 2016, zoals bepaald in artikel 37, zesde lid en deelt het resultaat door het resultaat van het eerste lid.

3.

Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar ieder van de bestanddelen genoemd in artikel 85, eerste lid, onder a tot en met e, en de uitkering bedoeld in artikel 85, tweede lid, met het percentage dat het resultaat is van het tweede lid.

4.

De resultaten van het derde lid worden respectievelijk genoemd als volgt:

  • a. het netto te betalen bedrag dat betrekking heeft op het deelbedrag variabele zorgkosten 2016;
  • b. het netto te betalen bedrag dat betrekking heeft op het deelbedrag vaste zorgkosten 2016;
  • c. het netto te betalen bedrag dat betrekking heeft op het deelbedrag verpleging en verzorging 2016;
  • d. het netto te betalen bedrag dat betrekking heeft op het deelbedrag geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2016;
  • e. het netto te betalen bedrag dat betrekking heeft op het deelbedrag langdurige geestelijke gezondheidszorg 2016;
  • f. het netto te betalen bedrag dat betrekking heeft op de uitkering in verband met de uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar.
5.

Het Zorginstituut betaalt de netto te betalen bedragen, bedoeld in het vierde lid, onder a tot en met f, verminderd met de aftrekpost voor de normatieve eigen risico opbrengst 2016, bedoeld in artikel 85, eerste lid, onder f, in termijnen op de eerste werkdag van de maand, overeenkomstig onderstaand betalingsschema:

Bestanddelen betalingen
Betaalmoment Artikel 86 vierde lid, onder a en b Artikel 86 vierde lid, onder c Artikel 86 vierde lid, onder d en e Artikel 86, vierde lid, onder f Artikel 85, eerste lid onder f
januari 2016 0,69% 1,10% 0,00% 8,33% 3,47%
februari 2016 2,51% 4,05% 0,00% 8,33% 8,29%
maart 2016 5,36% 7,01% 0,81% 8,34% 8,29%
april 2016 6,07% 8,78% 0,81% 8,33% 8,29%
mei 2016 6,07% 8,78% 1,01% 8,33% 8,29%
juni 2016 6,07% 8,78% 1,01% 8,34% 8,29%
juli 2016 7,52% 8,78% 1,73% 8,33% 6,48%
augustus 2016 7,52% 8,78% 1,73% 8,33% 6,48%
september 2016 7,52% 8,78% 1,73% 8,34% 6,48%
oktober 2016 7,52% 8,78% 2,63% 8,33% 6,48%
november 2016 7,52% 8,78% 2,63% 8,33% 6,48%
december 2016 7,52% 8,78% 2,63% 8,34% 6,48%
januari 2017 6,32% 7,66% 6,94% 0,00% 3,56%
februari 2017 5,30% 0,97% 6,94% 0,00% 3,56%
maart 2017 4,79% 0,16% 6,94% 0,00% 3,56%
april 2017 1,93% 0,03% 6,94% 0,00% 1,09%
mei 2017 1,88% 0,00% 6,94% 0,00% 1,09%
juni 2017 1,86% 0,00% 6,94% 0,00% 1,09%
juli 2017 1,07% 0,00% 6,94% 0,00% 0,50%
augustus 2017 1,07% 0,00% 6,94% 0,00% 0,50%
september 2017 1,07% 0,00% 6,94% 0,00% 0,50%
oktober 2017 0,94% 0,00% 6,94% 0,00% 0,25%
november 2017 0,94% 0,00% 6,94% 0,00% 0,25%
december 2017 0,94% 0,00% 6,94% 0,00% 0,25%
6.

Voor een zorgverzekeraar die zich op grond van artikel 25 van de wet aanmeldt bij de Nederlandse Zorgautoriteit nadat het Zorginstituut de bijdragen voor de zorgverzekeraars heeft toegekend, kan het Zorginstituut voor die zorgverzekeraar afwijken van de vorige leden.

7.

Het Zorginstituut kan, indien naar zijn oordeel uit nieuwe informatie blijkt dat de verwachting is dat bij de eerstvolgende herberekening of herziening van de vereveningsbijdrage, de vereveningsbijdrage meer dan 5 procent hoger zal zijn dan bij de laatst toegekende of voorlopig vastgestelde vereveningsbijdrage, afwijken van de vorige leden en de betalingen aan een zorgverzekeraar aanpassen.

Artikel 87. Aanpassing bevoorschotting

1.

Bij de herberekening en herziening van de toegekende vereveningsbijdrage 2016 op grond van artikel 40 herziet het Zorginstituut de te betalen termijnen overeenkomstig artikel 86 voor de eerste keer. Het Zorginstituut verrekent het verschil tussen de reeds betaalde termijnen en de voor de eerste keer herziene termijnen.

2.

Bij gelegenheid van de eerste voorlopige vaststelling van de bijdrage, op grond van hoofdstuk III, herziet het Zorginstituut voor de tweede keer de te betalen termijnen overeenkomstig artikel 86. Het Zorginstituut verrekent het verschil tussen de reeds betaalde termijnen en de voor de tweede keer herziene termijnen.

3.

Bij gelegenheid van de tweede voorlopige vaststelling van de bijdrage, op grond van hoofdstuk IV, herziet het Zorginstituut de te betalen termijnen voor de derde keer overeenkomstig artikel 86. Het Zorginstituut verrekent het verschil tussen de reeds betaalde termijnen en de voor de derde maal herziene termijnen.

4.

Bij gelegenheid van de definitieve vaststelling van de bijdrage, op grond van hoofdstuk V, stelt het Zorginstituut de te betalen termijnen definitief vast overeenkomstig artikel 86. Het Zorginstituut verrekent het verschil tussen de reeds betaalde termijnen en de definitief te betalen termijnen.

5.

Indien toepassing van onderscheidenlijk het eerste, tweede, derde en vierde lid, resulteert in een positief saldo voor de zorgverzekeraar, betaalt het Zorginstituut dat saldo ineens aan de zorgverzekeraar.

6.

Indien toepassing van onderscheidenlijk het eerste, tweede, derde en vierde lid, resulteert in een negatief saldo voor de zorgverzekeraar, betaalt de betreffende zorgverzekeraar dat saldo in één keer terug aan het Zorginstituut.

Artikel 88. Rente

1.

De zorgverzekeraar en het Zorginstituut zijn over en weer rente verschuldigd en hebben over en weer aanspraak op rente over de verschillen, bedoeld in artikel 87.

2.

De rente, bedoeld in het eerste lid, wordt bij de eerste voorlopige, tweede voorlopige en de definitieve vaststelling van de uitkering door het Zorginstituut verwerkt en zo mogelijk verrekend met andere betalingen die uit deze vaststellingen voortvloeien.

Artikel 89. Renteberekening

1.

Bij de verrekening van verschillen, bedoeld in artikel 87, tweede, derde en vierde lid, berekent het Zorginstituut rente over het verschil vanaf de datum waarop het verschil is ontstaan tot de datum waarop de verschillen worden verrekend.

2.

Bij de verrekening van de verschillen, bedoeld in artikel 87, tweede lid, berekent het Zorginstituut rente vanaf de betaaldata, genoemd in artikel 86 en artikel 87, eerste en tweede lid tot de datum van de voorlopige vaststelling van de bijdrage.

3.

Bij de verrekening van de verschillen, bedoeld in artikel 87, derde lid, berekent het Zorginstituut rente vanaf de betaaldata, genoemd in artikel 86 en artikel 87, eerste, tweede en derde lid tot de datum van de tweede voorlopige vaststelling van de bijdrage.

4.

Bij de verrekening van de verschillen, bedoeld in artikel 87, vierde lid, berekent het Zorginstituut rente vanaf de betaaldata, genoemd in artikel 86 en artikel 87 eerste, tweede, derde en vierde lid tot de datum van de definitieve vaststelling van de bijdrage.

5.

Voor een zorgverzekeraar waarvoor krachtens artikel 86, zesde en zevende lid, afwijkende betalingen hebben plaatsgevonden, kan het Zorginstituut bij de renteberekening afwijken van de vorige leden.

6.

Het Zorginstituut deelt het bedrag dat de zorgverzekeraar heeft terugbetaald op grond van artikel 87, zesde lid, voor de renteberekening naar rato toe aan de eerste dag van de maand waarin is terugbetaald en de eerste dag van de daaropvolgende maand, waarbij het uitgangspunt is de dag van terugbetaling.

7.

Voor het rentepercentage gaat het Zorginstituut uit van het gemiddelde van de maandrentes van het Euro Interbank Offered Rate (Euribortarief) voor driemaands termijngelden zonder onderpand bij toepassing van het eerste tot en met vijfde lid. Voor de laatste kalendermaand vóór de betaling gaat het Zorginstituut uit van de rente over de voorafgaande kalendermaand.

8.

De rente betreft een samengestelde rente en wordt op maandbasis berekend.

Bij de berekening wordt een maand op 30 en een jaar op 360 dagen gesteld.

9.

Indien de situatie zich voordoet dat het in deze paragraaf bedoelde Euro Interbank Offered Rate (Euribortarief) niet meer kan worden toegepast, zal een zoveel als mogelijk overeenkomstig tarief worden gehanteerd.

Hoofdstuk VIII. Slotbepalingen

Artikel 90

Deze beleidregels treden in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij worden geplaatst en werken terug tot en met 1 oktober 2015.

Artikel 91

Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels vereveningsbijdrage zorgverzekering 2016.

Bijlage 1. Toewijzing FKG’s diabetes 2016 op basis van farmaciegebruik voor diabetes en hypertensie

Bijlage bij artikel 10, lid 7, onderdeel a

Toelichting:

Groter of kleiner dan 180 verwijst naar de dagdosering voor de betreffende FKG. De tabel beschrijft de verschillende situaties die mogelijk zijn bij een samenloop van farmaciegebruik voor diabetes en hypertensie. In de laatste kolom staat aangegeven welke FKG’s toegewezen worden in de betreffende situatie.

Bron: Zorginstituut

Deze beleidsregels worden in de Staatscourant geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)