Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 21 april 2016, kenmerk ACM/DE/2016/202160, houdende de vaststelling van de voorwaarden als bedoeld in artikel 12b van de Gaswet (Meetcode gas RNB)
Indien de in 6.3.1 bedoelde aanpassing van de bestaande meetinrichting betrekking heeft op een uurlijkse afstanduitlezing zoals bedoeld in artikel 2.3.2, bedraagt de maximale termijn in afwijking van 6.3.2 maximaal 6 weken. Indien de bedoelde aanpassing na verstrijken van deze termijn niet heeft plaatsgevonden of is aangevangen, stelt de regionale netbeheerder de desbetreffende aangeslotene en diens meetverantwoordelijke schriftelijk in gebreke. De regionale netbeheerder meldt de ingebrekestelling van de aangeslotene aan de desbetreffende programmaverantwoordelijke en de ingebrekestelling van de meetverantwoordelijke aan TenneT. Indien de bedoelde aanpassing van de meetinrichting binnen 6 weken na deze ingebrekestelling niet alsnog is uitgevoerd of aangevangen, gaat de regionale netbeheerder over tot de-activering van de desbetreffende aansluiting.
6.3.3
Voor zover in deze code wordt verwezen naar normen en richtlijnen, geldt dat indien een nieuwe versie daarvan wordt vastgesteld, die nieuwe norm of richtlijn geldt. Indien een norm wordt neergelegd in een wettelijke regeling dan wordt deze toegepast zodra deze van kracht wordt.
6.3.4
De Meetvoorwaarden Gas – RNB, zoals vastgesteld bij besluit van 21 november 2006 en nadien diverse malen gewijzigd, wordt ingetrokken.
6.3.5
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het is geplaatst.
6.3.6
Dit besluit wordt aangehaald als: Meetcode gas RNB.
Bijlagen
Bijlage 1. ex artikel 3.5.5 van de Meetcode gas RNB
B1.1. Algemeen
B1.1.1
Indien wordt voldaan aan de eisen die in deze bijlage zijn opgenomen, wordt voldaan aan de eisen met betrekking tot nauwkeurigheid zoals geformuleerd in 3.5.2 en 3.5.3 in de Meetcode gas RNB.
B1.2. Gasmeter
B1.2.1
De gasmeter wordt gebruikt voor de bepaling van de doorgestroomde hoeveelheid gas onder bedrijfscondities.
B1.2.2
De gasmeter dient te voldoen aan de bepalingen op grond van de Metrologiewet en door het NMi te zijn toegelaten voor verrekeningsdoeleinden.
B1.2.3
Voor aansluitingen met een maximale capaciteit groter dan 40 m3/uur (>G25) worden geen balgengasmeters toegepast.
B1.2.4
Voor aansluitingen met een jaarverbruik groter dan 10 miljoen m3(n)/jaar bedraagt de miswijzing van de gasmeter maximaal 0,5% in het gebied tussen 0,2 Qmax en Qmax.
B1.2.5
De gasmeter dient zodanig ingebouwd te worden dat de additionele installatiefout maximaal 0,5% bedraagt.
B1.2.6
Indien de gemeten uurcapaciteit meer dan tien uren groter is dan 1,2 Q max, is een herijk nodig.
B1.3. Volumeherleiding
De doorgestroomde hoeveelheid gas wordt herleid naar m3(n) volgens onderstaande formule:
waarin:
V = doorgestroomde hoeveelheid volume in m3
Vn = herleid volume in m3(n)
P = gemeten absolute druk in bar
Pn = absolute druk onder normaalcondities (1,01325 bar)
T = gemeten temperatuur in K
Tn = temperatuur onder normaalconditie 273,15 K (0 oC)
Z = compressibiliteit onder bedrijfscondities
Zn = compressibiliteit onder normaalcondities
Er zijn verschillende methoden om het onder bedrijfscondities gemeten gas te herleiden naar normaalcondities. Iedere methode heeft een toepassingsgebied. Daarnaast zijn extra eisen gesteld om de gewenste nauwkeurigheid te kunnen realiseren.
B1.3.1. Volume herleiding met een volumeherleidingsinstrument (PTZ)
B1.3.1.1. Algemeen
B1.3.1.1.1
Het volumeherleidingsinstrument dient te voldoen aan de bepalingen op grond van de Metrologiewet en door het NMi te zijn toegelaten voor verrekeningsdoeleinden.
B1.3.1.1.2
Het volumeherleidingsinstrument dient door een ijkbevoegde te zijn geijkt.
B1.3.1.1.3
Het volumeherleidingsinstrument dient zodanig gejusteerd te zijn dat het voldoet aan de in de Metrologiewet genoemde grenzen.
B1.3.1.1.4
Voor aansluitingen met een jaarverbruik groter dan 10 miljoen m3(n)/jaar wordt het volumeherleidingsinstrument zodanig gejusteerd dat zowel de miswijzing van het volumeherleidingsinstrument als geheel, als die van de te onderscheiden componenten zoveel mogelijk bij nul ligt. De gemiddelde miswijzing van het gehele volumeherleidingsinstrument bedraagt maximaal 0,5%.
B1.3.1.1.5
De voor de werking van het EVHI benodigde ingestelde waarden calorische bovenwaarde, relatieve dichtheid, molair percentage CO2 en molair percentage N2 worden door de netbeheerder van het landelijk gastransportnet bepaald op basis van langjarige gemiddelden van het ter plekke voorkomende gas en planningsgegevens van de te verwachten toekomstige gasstromen. Deze waarden worden door de netbeheerder van het landelijk gastransportnet op haar website gepubliceerd.
B1.3.1.2. Toepassingsgebied
B1.3.1.2.1
Deze methode is in alle gevallen toepasbaar.
B1.3.2. Volume herleiding met een volumeherleidingsinstrument (PT)
B1.3.2.1. Algemeen
B1.3.2.1.1
Het volumeherleidingsinstrument dient te voldoen aan de bepalingen op grond van de Metrologiewet en door het NMi te zijn toegelaten voor verrekeningsdoeleinden.
B1.3.2.1.2
Het volumeherleidingsinstrument dient door een ijkbevoegde te zijn geijkt.
B1.3.2.1.3
Het volumeherleidingsinstrument dient zodanig gejusteerd te zijn dat het voldoet aan de in de Metrologiewet genoemde grenzen.
B1.1.1
Indien wordt voldaan aan de eisen die in deze bijlage zijn opgenomen, wordt voldaan aan de eisen met betrekking tot nauwkeurigheid zoals geformuleerd in 3.5.2 en 3.5.3 in de Meetcode gas RNB.
Bijlage 1. ex artikel 3.5.5 van de Meetcode gas RNB
B1.2.1
B1.1.1
B1.3.3. Volume herleiding met een volumeherleidingsinstrument (T)
B1.2. Gasmeter
B1.2.1
De gasmeter wordt gebruikt voor de bepaling van de doorgestroomde hoeveelheid gas onder bedrijfscondities.
B1.2.2
De gasmeter dient te voldoen aan de bepalingen op grond van de Metrologiewet en door het NMi te zijn toegelaten voor verrekeningsdoeleinden.
B1.1. Algemeen
B1.1.1
Indien wordt voldaan aan de eisen die in deze bijlage zijn opgenomen, wordt voldaan aan de eisen met betrekking tot nauwkeurigheid zoals geformuleerd in 3.5.2 en 3.5.3 in de Meetcode gas RNB.
B1.2. Gasmeter
Indien wordt voldaan aan de eisen die in deze bijlage zijn opgenomen, wordt voldaan aan de eisen met betrekking tot nauwkeurigheid zoals geformuleerd in 4.1.3.2 en 4.1.3.3 in de Meetcode gas RNB.
De gasmeter wordt gebruikt voor de bepaling van de doorgestroomde hoeveelheid gas onder bedrijfscondities.
B1.2.1
De gasmeter wordt gebruikt voor de bepaling van de doorgestroomde hoeveelheid gas onder bedrijfscondities.
B1.2.2
De gasmeter dient te voldoen aan de bepalingen op grond van de Metrologiewet en door het NMi te zijn toegelaten voor verrekeningsdoeleinden.
B1.3.4. Grondtemperatuurmethode
B1.3.4.1. Algemeen
B1.2.4
Voor aansluitingen met een jaarverbruik groter dan 10 miljoen m3(n)/jaar bedraagt de miswijzing van de gasmeter maximaal 0,5% in het gebied tussen 0,2 Qmax en Qmax.
B1.3.4.2. Toepassingsgebied
De gasmeter dient zodanig ingebouwd te worden dat de additionele installatiefout maximaal 0,5% bedraagt.
B1.2.6
B1.3.1.1. Algemeen
waarin:
De doorgestroomde hoeveelheid gas wordt herleid naar m3(n) volgens onderstaande formule:
waarin:
V = doorgestroomde hoeveelheid volume in m3
Vn = herleid volume in m3(n)
P = gemeten absolute druk in bar
B1.3.4.4. Extra eisen temperatuur meting
T = gemeten temperatuur in K
Tn = temperatuur onder normaalconditie 273,15 K (0 oC)
Z = compressibiliteit onder bedrijfscondities
Zn = compressibiliteit onder normaalcondities
B1.3.1.1. Algemeen
B1.3.1. Volume herleiding met een volumeherleidingsinstrument (PTZ)
Het volumeherleidingsinstrument dient te voldoen aan de bepalingen op grond van de Metrologiewet en door het NMi te zijn toegelaten voor verrekeningsdoeleinden.
B1.3.1.1.1
B1.3.2. Volume herleiding met een volumeherleidingsinstrument (PT)
B1.3.1.1.2
Het volumeherleidingsinstrument dient door een ijkbevoegde te zijn geijkt.
B1.3.5.3. Extra eisen druk meting
Het volumeherleidingsinstrument dient zodanig gejusteerd te zijn dat het voldoet aan de in de Metrologiewet genoemde grenzen.
B1.3.1.1.4
Voor aansluitingen met een jaarverbruik groter dan 10 miljoen m3(n)/jaar wordt het volumeherleidingsinstrument zodanig gejusteerd dat zowel de miswijzing van het volumeherleidingsinstrument als geheel, als die van de te onderscheiden componenten zoveel mogelijk bij nul ligt. De gemiddelde miswijzing van het gehele volumeherleidingsinstrument bedraagt maximaal 0,5%.
B1.3.1.1.5
De voor de werking van het EVHI benodigde ingestelde waarden calorische bovenwaarde, relatieve dichtheid, molair percentage CO2 en molair percentage N2 worden door de netbeheerder van het landelijk gastransportnet bepaald op basis van langjarige gemiddelden van het ter plekke voorkomende gas en planningsgegevens van de te verwachten toekomstige gasstromen. Deze waarden worden door de netbeheerder van het landelijk gastransportnet op haar website gepubliceerd.
B1.3.1.1.6
B1.3.2.2. Toepassingsgebied
B1.3.1.2. Toepassingsgebied
B1.3.1.2.1
Deze methode is in alle gevallen toepasbaar.
B1.3.2.1.1
Het volumeherleidingsinstrument dient te voldoen aan de bepalingen op grond van de Metrologiewet en door het NMi te zijn toegelaten voor verrekeningsdoeleinden.
B1.3.6.2. Toepassingsgebied
Het volumeherleidingsinstrument dient te voldoen aan de bepalingen op grond van de Metrologiewet en door het NMi te zijn toegelaten voor verrekeningsdoeleinden.
B1.3.2.1.2
B1.3.3.2. Toepassingsgebied
B1.3.2.1.3
Het volumeherleidingsinstrument dient zodanig gejusteerd te zijn dat het voldoet aan de in de Metrologiewet genoemde grenzen.
B1.3.2.1.4
Voor aansluitingen met een jaarverbruik groter dan 10 miljoen m3(n)/jaar wordt het volumeherleidingsinstrument zodanig gejusteerd dat zowel de miswijzing van het volumeherleidingsinstrument als geheel, als die van de te onderscheiden componenten zoveel mogelijk bij nul ligt. De gemiddelde miswijzing van het gehele volumeherleidingsinstrument bedraagt maximaal 0,5%.
Deze methode is toepasbaar voor meetinrichtingen waarbij de geregelde meetdruk maximaal 4 bar (overdruk) bedraagt.
B1.3.2.2.1
B1.3.3.1. Algemeen
B1.3.3.1.1
Vervallen.
B1.3.4
B1.3.4.1. Algemeen
B1.3.5. Administratieve temperatuurcorrectie
Bij deze collectieve herleidingsmethode wordt verondersteld dat de gastemperatuur ter plaatse van de gasmeter gelijk is aan de temperatuur van de grond gemeten op een diepte van 90 cm onder het maaiveld. De grondtemperatuur wordt in opdracht van de Vereniging Meetbedrijven Nederland door Kiwa Technology regionaal vastgesteld. Ten aanzien van de gasdruk wordt verondersteld dat deze gelijk is aan de nominale leveringsdruk vermeerderd met 1,0155 bar.
B1.3.5.1.1
Bij deze individuele herleidingsmethode wordt verondersteld dat de gastemperatuur:
De methode is toepasbaar voor meetinrichtingen waarvan de geregelde meetdruk maximaal 100 mbar bedraagt en het maximale verbruik niet meer dan 1 miljoen m3(n) per jaar bedraagt.
B1.3.4.3. Extra eisen drukregeling
De methode is toepasbaar voor een meetinrichting zonder capaciteitsmeting en met een jaarafname van 170.000 m3(n) of minder en een nominale geregelde druk van maximaal 30 mbar.
De stabiliteit van de druk moet voldoende zijn. De invloed op de volumebepaling is afhankelijk van de bedrijfsdruk. De invloed op het gemeten volume mag maximaal 1,0% zijn.
B1.3.5.3.1
De hoogteligging van de gasmeter ten opzichte van NAP bedraagt minimaal –10 meter en maximaal +50 meter.
B1.3.5.3.2
Indien de hoogteligging van de gasmeter bij een kleinverbruikaansluiting ten opzichte van NAP 50 meter of meer bedraagt, wordt het gemeten volume als volgt gecorrigeerd:
B1.3.5.3.3
De in B1.3.5.3.2 bedoelde hoogteligging wordt bepaald door de hoogteligging van het postcodegebied waarin de desbetreffende gasmeter behorende bij een kleinverbruikaansluiting zich bevindt, bepaald aan de hand van het Actueel Hoogtebestand Nederland.
Er dient gecorrigeerd te worden voor de temperatuurdaling als gevolg van de drukreductie, indien het drukverschil over de drukregelaar groter is dan 1 bar. Per bar drukreductie wordt hierbij een temperatuurdaling van 0,5 °C gehanteerd.
B1.3.4.4.2
B1.3.6.1.1
Bij deze methode wordt het gemeten volume direct in de gasmeter gecorrigeerd op basis van de temperatuur van het gas. De gasdruk wordt niet gemeten, maar als een constante waarde van 28 mbar geprogrammeerd.
B1.3.6.1.2
De gasmeter met temperatuurcorrectie dient te voldoen aan de bepalingen op grond van de Metrologiewet en door het NMi te zijn toegelaten.
Bij deze individuele herleidingsmethode wordt verondersteld dat de gastemperatuur:
B1.3.6.2.1
Deze methode is toepasbaar voor een meetinrichting zonder capaciteitsmeting en met een capaciteit van 40 m3(n) per uur of minder en een geregelde druk van maximaal 30 mbar (overdruk).
De methode is toepasbaar voor een meetinrichting zonder capaciteitsmeting en met een jaarafname van 170.000 m3(n) of minder en een nominale geregelde druk van maximaal 30 mbar.
B1.3.6.3.1
De hoogteligging van de gasmeter ten opzichte van NAP bedraagt minimaal –10 meter en maximaal +50 meter.
B1.3.6.3.2
Indien de hoogteligging van de gasmeter bij een kleinverbruikaansluiting ten opzichte van NAP 50 meter of meer bedraagt, wordt het gemeten volume als volgt gecorrigeerd:
B1.3.5.3. Extra eisen druk meting
De in B1.3.6.3.2 bedoelde hoogteligging wordt bepaald door de hoogteligging van het postcodegebied waarin de desbetreffende gasmeter behorende bij een kleinverbruikaansluiting zich bevindt, bepaald aan de hand van het Actueel Hoogtebestand Nederland.
De in B1.3.5.3.2 bedoelde hoogteligging wordt bepaald door de hoogteligging van het postcodegebied waarin de desbetreffende gasmeter behorende bij een kleinverbruikaansluiting zich bevindt, bepaald aan de hand van het Actueel Hoogtebestand Nederland.
Ten behoeve van de verrekening van de getransporteerde hoeveelheden gas wordt het per overdrachtspunt vastgestelde aantal m3(n) gecorrigeerd voor de compressibiliteit van het gas.
De compressibiliteitsfactor Zn/Z wordt berekend volgens de AGA NX19mod of sGerg methode of een andere door de erkende meetverantwoordelijke opgetekende methode.
B1.3.6.1.1
Bij deze methode wordt het gemeten volume direct in de gasmeter gecorrigeerd op basis van de temperatuur van het gas. De gasdruk wordt niet gemeten, maar als een constante waarde van 28 mbar geprogrammeerd.
B1.3.6.1.2
B3.1.1.1
De gezamenlijke netbeheerders wijzen de instantie aan die alle meterplaatsers erkent voor zowel meterplaatsing Elektriciteit als meterplaatsing Gas, hierna te noemen: de MP-erkenner.
B3.1.1.2
B3.1.4. Einde van erkenning als meterplaatser
De hoogteligging van de gasmeter ten opzichte van NAP bedraagt minimaal –10 meter en maximaal +50 meter.
B3.1.2.1
De MP-erkenner kan aan een persoon een erkenning als meterplaatser verlenen.
B3.1.2.2
De meterplaatser heeft het recht om het deel van de op afstand uitleesbare kleinverbruikmeetinrichting dat geplaatst moet worden in het perceel van de aangeslotene, te plaatsen.
B3.1.2.3
Het in B3.1.2.2 genoemde recht is niet overdraagbaar.
B3.1.2.4
B3.2. Erkenningsregeling voor meetverantwoordelijken
B1.3.6.2. Toepassingsgebied
Een persoon komt voor erkenning als meterplaatser in aanmerking indien:
B3.1.2.6
Een natuurlijk persoon die beschikt over een door Stipel uitgegeven geldig persoonscertificaat VOP-meters voor elektriciteit en gas en over een VCA-certificaat wordt geacht voldoende onderricht te zijn voor het uitvoeren van werkzaamheden die verband houden met het plaatsen van op afstand uitleesbare kleinverbruikmeetinrichtingen.
B3.1.2.7
Het aanvragen van erkenning geschiedt schriftelijk.
B3.1.2.8
Op een aanvraag om erkenning wordt binnen tien werkdagen schriftelijk beslist.
B3.1.2.9
De MP-erkenner kan een voorlopige erkenning verlenen voor de duur van zes maanden. Heeft de aanvrager niet binnen deze zes maanden aan het in artikel B3.1.2.6 gestelde voldaan, dan wordt het verzoek om erkenning alsnog afgewezen.
B3.1.2.10
Een meterplaatser is verplicht de MP-erkenner binnen tien werkdagen alle wijzigingen van gegevens die voor de erkenning van belang zijn, op te geven, daaronder begrepen het niet meer voldoen aan de in B3.1.2.5 genoemde voorwaarden.
B3.1.2.11
Een erkenning geldt behoudens tussentijdse intrekking of beëindiging tot het einde van het desbetreffende kalenderjaar en wordt telkenmale voor de duur van een kalenderjaar verlengd, indien de meterplaatser vóór 1 december daaraan voorafgaand aan de MP-erkenner heeft aangetoond nog steeds aan de in artikel B3.1.25 genoemde eisen te voldoen.
Het in B3.1.2.2 genoemde recht is niet overdraagbaar.
B3.1.3.1
De MP-erkenner beheert een register, hierna te noemen het MP-register, waarin de namen, adressen, telefoon- en faxnummers alsmede de gegevens ten behoeve van elektronische gegevensuitwisseling zijn vermeld van de in B3.1.2.1 bedoelde personen.
B3.1.3.2
De MP-erkenner deelt aan de meterplaatser de datum van zijn inschrijving in het MP-register mee.
B3.1.3.3
Een meterplaatser heeft het recht het MP-register in te zien en hem betreffende onjuistheden daarin te doen corrigeren.
B3.1.3.4
Wijzigingen in het MP-register geeft de MP-erkenner onverwijld door aan de netbeheerders en meterplaatsers.
B3.1.3.5
De MP-erkenner publiceert het MP-register op zijn website.
B3.1.4. Einde van erkenning als meterplaatser
B3.1.4.1
De MP-erkenner kan de erkenning van een meterplaatser intrekken indien de meterplaatser niet meer aan alle in B3.1.2.5 genoemde erkenningsvoorwaarden voldoet.
B3.1.4.2
Indien de MP-erkenner voornemens is de erkenning in te trekken doet hij de meterplaatser daarvan een mededeling per brief met ontvangstbevestiging, onder vermelding van de redenen voor intrekking alsmede de ingangsdatum. De MP-erkenner trekt de erkenning niet eerder in dan nadat de meterplaatser een redelijke termijn heeft gekregen om de geconstateerde tekortkomingen te herstellen, tenzij herstel, gelet op de aard van de tekortkoming, naar het oordeel van de MP-erkenner niet mogelijk is of te veel tijd kost.
B3.1.4.3
De MP-erkenner maakt door hem opgelegde intrekkingen zo spoedig mogelijk openbaar op zijn website.
B3.1.4.4
De erkenning wordt, onverminderd het in deze code omtrent intrekking bepaalde, in ieder geval beëindigd op verzoek van de desbetreffende meterplaatser en indien deze heeft opgehouden te bestaan.
B3.1.3.2
De MP-erkenner deelt aan de meterplaatser de datum van zijn inschrijving in het MP-register mee.
B3.2.3. Einde van erkenning als meetverantwoordelijke
Tot het uitoefenen van meetverantwoordelijkheid voor een aansluiting laat TenneT slechts personen toe aan wie hij op de voet van B3.2.1.8 een erkenning als meetverantwoordelijke heeft verleend.
B3.2.1.2
De MV-erkenner kan aan een persoon op aanvraag een erkenning als meetverantwoordelijke verlenen.
B3.2.1.3
De meetverantwoordelijke heeft het recht:
B3.2.1.4
Desgewenst kan bij de in B3.2.1.2 bedoelde verlening van erkenning onderscheid gemaakt worden tussen erkenning voor verschillende categorieën meetinrichtingen conform het toepassingsgebied van de onder artikel B3.2.1.8 genoemde certificering.
B3.2.1.5
De in B3.2.1.3 genoemde rechten zijn niet overdraagbaar.
B3.2.1.6
B3.2.4. Geheimhouding
B3.2.1.7
Een persoon komt voor erkenning in aanmerking indien:
Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
5a.1.1
Met betrekking tot de plaatsing, de bedrijfsvoering, het beheer en het onderhoud aan de gaskwaliteitsmeting toont de invoeder aan dat:
- a. hij de gaskwaliteitsmeting en de overige voorzieningen, zoals bedoeld in 2.5.2 van de Aansluit- en transportcode Gas – RNB bedrijft en onderhoudt volgens de voorschriften van de leveranciers van deze voorzieningen. Het bedienend personeel is dienovereenkomstig opgeleid.
- b. het onderhoud en de inspectie aan de in onderdeel a bedoelde voorzieningen worden uitgevoerd door gekwalificeerd en competent personeel.
- c. de periodieke controle van de in onderdeel a bedoelde voorzieningen en de onderhoudsprocessen alleen worden uitgeoefend door personen of organisaties in het bezit van een geldig certificaat waaruit blijkt dat deze persoon of geoormerkt deel van de organisatie is gekwalificeerd voor de uitvoering van gaskwaliteitsmeting, afgegeven door een binnen- of buitenlandse geaccrediteerde certificeringsinstelling (bijvoorbeeld een ISO 9001- of 14001-certificaat of een daarmee vergelijkbaar certificaat).
5a.2. De gaskwaliteitsmeetinrichting
5a.2.1
De door middel van de gaskwaliteitsmeting te meten waarden van samenstelling of eigenschappen worden op basis van de volgende normen, meetmethoden en frequentie vastgesteld,
| Doorlopende metingen/bepalingen | Doorlopende metingen/bepalingen | Doorlopende metingen/bepalingen | Doorlopende metingen/bepalingen | Doorlopende metingen/bepalingen |
|---|---|---|---|---|
| Componenten of eigenschappen | Eenheid | Bepalingsmethode | Interval | Onzekerheid |
| CH4 | mol% | ISO 6974 | 5 min | |
| CO2 | mol% | ISO 6974 | 5 min | 5% rel. |
| N2 | mol% | ISO 6974 | 5 min | |
| O2 | mol% | ISO 6974 | 5 min | 10% rel. |
| Anorganisch gebonden zwavel (H2S) | mol% | ISO 6326 | 5 min | 20% rel. |
| Wobbe Index | MJ/m3(n) | ISO 6974 + 6976 | 5 min | 0,5% rel. |
| Calorische waarde | MJ/m3(n) | ISO 6974 + 6976 | 5 min | 0,4% rel. |
| Waterdauwpunt | (°C) | ISO 6327 | 5 min | 10% rel. |
| Druk | (bar(a)) | ISO 15970 | 5 min | |
| Temperatuur | (°C) | ISO 15970 | 5 min |
De totale onnauwkeurigheid van het gasmengsel dient te voldoen aan de Wobbe- en calorische waarde specificaties, zoals in deze tabel.
5a.2.2
Indien de invoeder met een andere meetmethode, gelijkwaardig aan die zoals bedoeld in 5a.2.1, de gaskwaliteit wil bepalen, wordt dit in overleg met de netbeheerder toegestaan, indien de invoeder aantoont dat deze meetmethode gelijkwaardige meetresultaten oplevert. Metingen dienen te geschieden met gelijke bepalingsintervallen zoals genoemd in 5a.2.1. Indien de toegepaste meetinstrumenten leiden tot afwijkende onderhouds- en beheerfrequentie, dient dit te worden goedgekeurd door de in 5a.1.1, onderdeel c, bedoelde persoon of organisatie.
5a.2.3
In aanvulling op 5a.2.1 wordt tevens een bewakingssignaal aangeboden voor de bewaking van de THT-voorziening.
5a.2.4
Indien de invoedingsinstallatie is voorzien van een bijmenginstallatie van stikstof, zal het gehalte aan stikstof via een gaschromatische meting worden vastgesteld, tezamen met een flowmeting van het gas of de gassen die bijgemengd worden, tenzij de invoedingsinstallatie beschikt over een gaskwaliteitsmeting waarmee de Wobbe-Index kan worden bepaald zonder het gehalte aan stikstof te bepalen. In aanvulling op 5a.2.1 worden deze bewakingssignalen aangeboden.
5a.2.5
Met een halfjaarlijks interval wordt een monstername van het gas gedaan. Hierop wordt een laboratoriumanalyse conform onderstaande tabel uitgevoerd. Daarbij geldt dat:
- a. voor de componenten THT, CO en Siloxanen de gaschromatografische bepalingsmethode moet worden toegepast of apparatuur met gelijkwaardige eigenschappen;
- b. voor de THT-bepaling de invoeder in gelegenheid wordt gesteld om door middel van het monsternamepunt zoals omschreven in 2.5.1a.2 van de Aansluit- en transportcode Gas – RNB een monster te nemen;
- c. in de opstartfase van de invoeding de netbeheerder in overleg met de invoeder een ander dan halfjaarlijkse interval kan vaststellen;
- d. voor de componenten CH4, CO2, N2 en O2 de totale onnauwkeurigheid van het gasmengsel moet voldoen aan de Wobbe- en calorische waarde specificaties, zoals vermeld in 5a.2.1; en
- e. in de rapportage van de laboratoriumtest voor micro-organismen wordt aangegeven wat de wijze van monsterneming, de wijze van analyse en het criterium voor een positieve test is.
| Periodieke kwaliteitsbepaling: vaststelling van kwaliteitswaarden d.m.v. laboratoriumanalyse | Periodieke kwaliteitsbepaling: vaststelling van kwaliteitswaarden d.m.v. laboratoriumanalyse | Periodieke kwaliteitsbepaling: vaststelling van kwaliteitswaarden d.m.v. laboratoriumanalyse | Periodieke kwaliteitsbepaling: vaststelling van kwaliteitswaarden d.m.v. laboratoriumanalyse |
|---|---|---|---|
| Component | Eenheid | Bepalingsmethode(s) | Onzekerheid |
| CH4 | mol% | ISO 6974, | 4) |
| CO2 | mol% | ISO 6974 | 4) |
| N2 | mol% | ISO 6974 | 4) |
| O2 | mol% | ISO 6974 | 4) |
| Anorganisch gebonden zwavel (H2S) | mg/m3(n) | ISO 6326 | 20% rel. |
| Zwavel (totaal) | mg/m3(n) als S | ISO 6326 | 20% rel. |
| THT | mg/m3(n) | Gaschromatografische bepalingsmethode | 20% rel. |
| Aromatische koolwaterstoffen | mol% | ISO 6974 of 6975 | 10% rel. |
| H2 | mol% | ISO 6974 of 6975 | 20% rel. |
| CO | mol% | Gaschromatografische bepalingsmethode | 20% rel. |
| PE-waarde | Labtest | – | |
| Stof | mg/m3(n) | Labtest | – |
| Siloxanen | ppm | Gaschromatografische bepalingsmethode | 25% rel. |
| Micro-organismen: aanwezigheid van pathogene, methaanoxiderende, sulfaatreducerende en ijzeroxiderende bacteriën | Labtest | ||
| Koolwaterstofdauwpunt | oC | Labtest |
5a.2.6
De monstername bedoeld in 5a.2.5 vindt plaats zoals beschreven in NEN-EN-ISO 10715:2000 “Aardgas – Richtlijnen voor monsterneming”.
5a.2.7
De meetwaarden en bewakingssignalen worden ten minste vijf jaar opgeslagen in een niet vluchtige databuffer.
5a.2.8
Systematische afwijkingen van de gaskwaliteitsmeting dienen terug te worden gedrongen door middel van de CUSUM techniek, conform ISO/TR 7871:1997 “Cumulative sum charts – Guidance on quality control and data analysis using CUSUM techniques” of een daarmee vergelijkbare techniek.
5a.3. Gaskwaliteitsmeetgegevens en rapportage
5a.3.1
Een lokaal data acquisitiesysteem registreert op de plek van de meting voor elke analyseslag de verkregen analysewaarden en bepaalde waarden volgens 5a.2.1 en 5a.2.2, alsmede het tijdstip van registratie.
5a.3.2
De klok van het lokale data acquisitiesysteem wordt tenminste dagelijks gesynchroniseerd met een centrale klok.
5a.3.3
Het lokale data acquisitiesysteem legt met de data tevens de door de meetinstallatie gegenereerde storingsinformatie vast.
5a.3.4
De geregistreerde waarden, zoals bedoeld in 5a.2.1, worden door de invoeder aangeboden aan de regionale netbeheerder door middel van een on-line verbinding.
5a.3.5
De invoeder dient de geregistreerde waarden van de gaskwaliteitsmeetinrichting, zoals bedoeld in 5a.2.1, vijf jaar te archiveren.
5a.3.6
Twee maal per jaar verstrekt de invoeder de rapportage met de resultaten van de metingen en analyses zoals bedoel in 5a.2.5, alsmede de conclusie daaruit, aan de regionale netbeheerder.
5a.3.7
De samenstelling (keuze en concentratie van de componenten) van het testgas en het kalibratiegas wordt bepaald op basis van de samenstelling van het procesgas.
5a.3.8
Kalibratiegassen worden gravimetrisch aangemaakt conform NEN-EN-ISO 6142:2006 “Gas analysis – Preparation of calibration gas mixtures – Gravimetric method“ en van een certificaat voorzien conform NEN-EN-ISO 6143:2006 “Gas analysis – Comparison methods for determining and checking the composition of calibration gas mixtures”. De onnauwkeurigheid van het mengsel op basis van Wobbe en calorische bovenwaarde, dient te voldoen aan de in 5a.2.1 gestelde specificaties.
5a.3.9
Alle werkzaamheden aan de gaskwaliteitsmeetinrichting worden vastgelegd in een logboek. Door middel van de volgende rapportages wordt de regionale netbeheerder één keer per jaar geïnformeerd over de performance van de gaskwaliteitsmeetinrichting:
- –. CUSUM resultaten van de gaskwaliteitsmeting;
- –. Maandelijkse resultaten van de (nulpunt)drift (indien van toepassing);
- –. Keuringsrapport(en) resultaat discontinue controlemetingen.
5a.3.10
De invoeder draagt zorg voor periodieke inspectie ter bepaling van het juist functioneren van de kwaliteitsmeetinrichting en legt conform de aangegeven periodes zoals aangegeven in hoofdstuk 5a van de “Meetcode gas RNB” de bevindingen hiervan vast in een keuringsrapport.
5a.4. Inbedrijfname, beheer en onderhoud van de gaskwaliteitsmeetinrichting
5a.4.1. Inbedrijfname en beheer van de gaskwaliteitsmeetinrichting
5a.4.1.1
Voor aanvang van de invoeding wordt er een gaskwaliteitsmeetprotocol opgesteld. In het gaskwaliteitsmeetprotocol legt de invoeder vast hoe de gaskwaliteitsmeting wordt uitgevoerd. In het gaskwaliteitsmeetprotocol wordt ten minste beschreven:
- –. Het gaskwaliteitsmeetsysteem;
- –. Data-acquisitie, -verwerking, -logging en communicatie;
- –. Kwaliteitsborging en onderhoud van het gaskwaliteitsmeetsysteem;
- –. Onzekerheid van het gaskwaliteitsmeetsysteem;
- –. Afhandeling van herberekeningen.
5a.4.1.2
De goedkeuring van de gaskwaliteitsmeetinrichting kan door de invoeder plaats vinden en dient tenminste vijf werkdagen voor aanvang van de geplande invoeding gemeld te worden aan de regionale netbeheerder.
5a.4.1.3
De invoeder geeft een schriftelijke verklaring over het juist functioneren af aan de regionale netbeheerder en dat de metingen aangeven dat het geproduceerde gas conform de specificaties is, voorafgaand aan de start van invoeding in het regionale gastransportnet en vertrekt hiertoe de volgende documenten:
- –. Gemeten waarden en conclusies over kwaliteit van het gas n.a.v. de monstername;
- –. Keuringsrapport van de gaskwaliteitsmeetinstallatie;
- –. Tekeningen gaskwaliteitsmeetinstallatie;
- –. Standaard gaskwaliteitsmeetprotocol;
- –. Gemeten continue waarden van tenminste 24 uur met een opgave of aan de criteria voor invoeding voldaan wordt;
- –. Goedkeuring van de kwaliteitsmeting door de netbeheerder.
5a.4.1.4
De gaskwaliteitsmeetinrichting dient initieel gekalibreerd te worden met een kalibratiegas dat op het werkgebied van het procesgas ligt, volgens de NEN-EN-ISO 10723:2002 “Natural gas – Performance evaluation for on-line analytical systems”. Deze kalibratie wordt herhaald na het overschrijden van de afkeurgrens of CUSUM-grens van de testgasprocedure.
5a.4.1. Inbedrijfname en beheer van de gaskwaliteitsmeetinrichting
5a.4.2.1
De invoeder voert een keer per maand testgasprocedure uit.
5a.4.2.2
De invoeder inspecteert tenminste één keer per maand de gaskwaliteitsmeting uitwendig en controleert of de hoeveelheden draaggas, testgas en kalibratiegas toereikend zijn.
5a.4.2.3
De invoeder controleert tenminste één keer per maand de compleetheid van de gegevens in het logboek en valideert deze op basis van:
- –. de werking van de gaskwaliteitsmeting op basis van de CUSUM kaarten;
- –. tijdsynchronisatie van de gaskwaliteitsmeting en de meetperiode;
- –. aanwezigheid van alle metingen en een waarde.
5a.4.2.4
De invoeder controleert tenminste één keer per maand de werking van het bedieningspaneel en de gaskwaliteitsmeetinrichting na storingen (die geen consequenties hebben gehad voor het functioneren van de gaskwaliteitsmeetinrichting).
5a.4.2.5
De invoeder justeert de gaskwaliteitsmeetinrichting door middel van kalibratie als daartoe aanleiding is op basis van de maandelijkse validatie door de testgas procedure.
5a.4.2.6
De invoeder controleert of de houdbaarheidsdatum van het testgas en kalibratiegas, die op het bijbehorende certificaat vermeld staat, niet verstreken is.
5a.4.3. Onderhoud
5a.4.3.1
Componenten van de gaskwaliteitsmeetinrichting dienen conform de fabrikantspecificaties uitgewisseld, geplaatst, onderhouden en beheerd te worden.
5a.4.3.2
Indien de gaskwaliteitsmeetinrichting onderhoud behoeft, dient de invoeding gestaakt te worden.
5a.4.3. Onderhoud
5a.4.4.1
Ter controle van de juiste werking van de gaschromatograaf, deel uit makend van de gaskwaliteitsmeetinrichting, voert de invoeder periodiek een testgas analyse uit.
5a.4.4.2
Het testgas bestaat uit de hoofdcomponenten CH4, CO2, O2, N2.
5a.4.4.3
De testgassen zijn voorzien van een certificaat waarvan de Hs (MJ/m3(n)) waarde is vastgesteld op basis van een laboratoriumanalyse.
5a.4.4.4
De gaskwaliteit van het testgas voor een gaschromatograaf moet liggen in het gerealiseerde werkgebied van de betreffende gaschromatograaf.
5a.4.4.5
De testgas-test omvat minimaal 3 analyses. Er wordt gerekend op basis van het gemiddelde van de laatste twee analyses. Bij een verschil tussen analyse resultaat en het certificaat groter dan 0,3% wordt een onderzoek ingesteld, zo nodig gevolgd door een correctieve actie aan de gaschromatograaf, en dient de invoeder een voorstel tot correctie van de meetwaarden conform 4.1.7 of 4.6.5 van de Meetcode gas LNB te doen.
5a.4.4.6
In het testgas-proces vindt een bewaking plaats op systematische afwijkingen. Deze bewaking vindt plaats volgens ISO 7871 of een vergelijkbare methode. Deze methode staat bekend als de CUSUM methode, zie 2.7.3 van de Meetcode gas LNB.
5a.4.4.7
De afwijkingen vanuit de testgasprocedure worden in een CUSUM controlekaart bijgehouden.
5a.4.4.8
Als de kalibratie is uitgevoerd, wordt de nieuwe kalibratielijn in de gaskwaliteitsmeetinrichting geregistreerd (de feitelijke justering) en wordt de testgasprocedure nogmaals uitgevoerd met beide testgassen. Daarmee wordt de nieuwe kalibratielijn gevalideerd.
5a.5. Omgang met storingen gaskwaliteitsmeting
5a.5.1
De invoeder houdt alle correcties in de data in logboeken bij. In deze logboeken worden minimaal vermeld de originele meetwaarde, de vervangende meetwaarde, de reden van wijziging, de wijze van wijziging, het tijdstip van wijziging en de uitvoerder van de wijziging.
6. Bijzondere bepalingen
5a.5. Omgang met storingen gaskwaliteitsmeting
5a.6. Gaskwaliteitsmeting ten behoeve van uitvoering B5.6.9 Allocatiecode gas
6.3. Overgangs- en slotbepalingen
Bijlagen
Bijlage 1. ex artikel 3.5.5 van de Meetcode gas RNB
B1.1. Algemeen
Indien wordt voldaan aan de eisen die in deze bijlage zijn opgenomen, wordt voldaan aan de eisen met betrekking tot nauwkeurigheid zoals geformuleerd in 3.5.2 en 3.5.3 in de Meetcode gas RNB.
De gasmeter dient te voldoen aan de bepalingen op grond van de Metrologiewet en door het NMi te zijn toegelaten voor verrekeningsdoeleinden.
B1.2.3
B1.1.1
B1.3. Volumeherleiding
B1.2.3
Voor aansluitingen met een maximale capaciteit groter dan 40 m3/uur (>G25) worden geen balgengasmeters toegepast.
B1.2.5
B1.3. Volumeherleiding
Pn = absolute druk onder normaalcondities (1,01325 bar)
Er zijn verschillende methoden om het onder bedrijfscondities gemeten gas te herleiden naar normaalcondities. Iedere methode heeft een toepassingsgebied. Daarnaast zijn extra eisen gesteld om de gewenste nauwkeurigheid te kunnen realiseren.
B1.3.1.2. Toepassingsgebied
B1.3.1.1.3
Deze methode is in alle gevallen toepasbaar.
B1.3.2.1. Algemeen
B1.3.2. Volume herleiding met een volumeherleidingsinstrument (PT)
B1.3.2.1.1
B1.3.2.2. Toepassingsgebied
Deze methode is toepasbaar voor meetinrichtingen waarbij de geregelde meetdruk maximaal 4 bar (overdruk) bedraagt.
B1.3.4.1.1
B1.3.4.2. Toepassingsgebied
B1.3.4.4. Extra eisen temperatuur meting
B1.3.5. Administratieve temperatuurcorrectie
B1.3.5.1. Algemeen
B1.3.5.2. Toepassingsgebied
B1.3.5.3. Extra eisen druk meting
B1.3.6.3.3
B1.3.6. Het gebruik van een gasmeter met temperatuurcorrectie
B1.3.6.1. Algemeen
B1.3.6.2. Toepassingsgebied
De erkenning tot meterplaatser is noodzakelijk voor alle personen behoudens netbeheerders, die de activiteiten uitvoeren zoals beschreven in 1.3.2.
B3.1.2. Het plaatsen van op afstand uitleesbare kleinverbruikmeetinrichtingen en erkenning als meterplaatser
Bijlage 2. Bepalingen betreffende de compressibiliteitsberekening
De meterplaatser mag het in B3.1.2.2 genoemde recht uitoefenen met ingang van de dag die volgt op de dag waarop hij als zodanig in het MP-register, bedoeld in B3.1.4, is ingeschreven.
B3.1.2 5
Bijlage 3. Erkenningsregelingen
B3.1. Erkenningsregeling voor meterplaatsers
B3.1.1. Algemeen
B3.1.2. Het plaatsen van op afstand uitleesbare kleinverbruikmeetinrichtingen en erkenning als meterplaatser
B3.1.2.9
B3.1.3. Het MP-register
B3.2.1.1
B3.1.4. Einde van erkenning als meterplaatser
De meetverantwoordelijke mag de in B3.2.1.3 genoemde rechten uitoefenen met ingang van de dag die volgt op de dag waarop hij als zodanig in het MV-register, bedoeld in B3.2.3, is ingeschreven.
B3.2.1.8
B3.2. Erkenningsregeling voor meetverantwoordelijken
B3.2.1. Het uitoefenen van meetverantwoordelijkheid en erkenning als meetverantwoordelijke
Op een aanvraag om erkenning wordt binnen tien werkdagen schriftelijk beslist.
B3.2.1.10
TenneT kan een voorlopige erkenning verlenen voor de duur van zes maanden. Heeft de aanvrager niet binnen deze zes maanden aan het in artikel B3.2.1.7 gestelde voldaan, dan wordt het verzoek om erkenning alsnog afgewezen.
B3.2.1.11
Een meetverantwoordelijke is verplicht TenneT binnen tien werkdagen alle wijzigingen van gegevens die voor de erkenning van belang zijn, op te geven, daaronder begrepen vernieuwing of wijziging van de onder artikel B3.2.1.7 bedoelde certificering.
B3.2.1.12
Een erkenning geldt behoudens tussentijdse intrekking of beëindiging tot het einde van het desbetreffende kalenderjaar en wordt telkenmale voor de duur van een kalenderjaar verlengd, indien de meetverantwoordelijke vóór 1 december daaraan voorafgaand aan TenneT heeft aangetoond nog steeds aan de in artikel B3.2.1.7 genoemde eisen te voldoen.
Desgewenst kan bij de in B3.2.1.2 bedoelde verlening van erkenning onderscheid gemaakt worden tussen erkenning voor verschillende categorieën meetinrichtingen conform het toepassingsgebied van de onder artikel B3.2.1.8 genoemde certificering.
B3.2.2.1
De TenneT beheert een register, hierna te noemen het MV-register, waarin de namen, adressen, telefoon- en faxnummers alsmede de gegevens ten behoeve van computermatige communicatie zijn vermeld van de in B3.2.1.1 bedoelde personen.
B3.2.2.2
TenneT deelt aan de meetverantwoordelijke de datum van zijn inschrijving in het MV-register mee.
B3.2.2.3
Een meetverantwoordelijke heeft het recht het MV-register in te zien en hem betreffende onjuistheden daarin te doen corrigeren.
B3.2.2.4
Wijzigingen in het MV-register geeft de TenneT onverwijld door aan de regionale netbeheerders en meetverantwoordelijken.
B3.2.2.5
TenneT publiceert het MV-register op zijn website.
B3.2.1.10
B3.2.3.1
TenneT kan de erkenning van een meetverantwoordelijke intrekken indien de meetverantwoordelijke niet meer aan alle in 1.2.8 genoemde erkenningsvoorwaarden voldoet.
B3.2.3.2
Indien TenneT voornemens is de erkenning in te trekken doet hij de meetverantwoordelijke daarvan een mededeling per brief met ontvangstbevestiging, onder vermelding van de redenen voor intrekking alsmede de ingangsdatum. TenneT trekt de erkenning niet eerder in dan nadat de meetverantwoordelijke een redelijke termijn heeft gekregen om de geconstateerde tekortkomingen te herstellen, tenzij herstel, gelet op de aard van de tekortkoming, naar het oordeel van TenneT niet mogelijk is of te veel tijd kost.
B3.2.3.3
B3.2.2. Het MV-register
B3.2.3 4
De erkenning wordt, onverminderd het in deze code omtrent intrekking bepaalde, in ieder geval beëindigd op verzoek van de desbetreffende meetverantwoordelijke en indien deze heeft opgehouden te bestaan.
B3.2.3.5
Indien de erkenning van een meetverantwoordelijke wordt ingetrokken, treedt de vangnetregeling, zoals omschreven in 1.3.5, in werking.
B3.2.2.3
B3.2.4.1
De meetverantwoordelijke verstrekt, behoudens het bepaalde in de Informatiecode Elektriciteit en Gas, geen meetgegevens van aangeslotenen aan derden, anders dan met schriftelijke toestemming van de desbetreffende aangeslotene.
Wijzigingen in het MV-register geeft de TenneT onverwijld door aan de regionale netbeheerders en meetverantwoordelijken.
B3.2.2.5
TenneT publiceert het MV-register op zijn website.
B3.2.3. Einde van erkenning als meetverantwoordelijke
B3.2.3.1
TenneT kan de erkenning van een meetverantwoordelijke intrekken indien de meetverantwoordelijke niet meer aan alle in 1.2.8 genoemde erkenningsvoorwaarden voldoet.
B3.2.3.2
Indien TenneT voornemens is de erkenning in te trekken doet hij de meetverantwoordelijke daarvan een mededeling per brief met ontvangstbevestiging, onder vermelding van de redenen voor intrekking alsmede de ingangsdatum. TenneT trekt de erkenning niet eerder in dan nadat de meetverantwoordelijke een redelijke termijn heeft gekregen om de geconstateerde tekortkomingen te herstellen, tenzij herstel, gelet op de aard van de tekortkoming, naar het oordeel van TenneT niet mogelijk is of te veel tijd kost.
B3.2.3.3
TenneT maakt door hem opgelegde intrekkingen zo spoedig mogelijk openbaar.
B3.2.3 4
De erkenning wordt, onverminderd het in deze code omtrent intrekking bepaalde, in ieder geval beëindigd op verzoek van de desbetreffende meetverantwoordelijke en indien deze heeft opgehouden te bestaan.
B3.2.3.5
Indien de erkenning van een meetverantwoordelijke wordt ingetrokken, treedt de vangnetregeling, zoals omschreven in 1.3.5, in werking.
B3.2.4. Geheimhouding
B3.2.4.1
De meetverantwoordelijke verstrekt, behoudens het bepaalde in de Informatiecode Elektriciteit en Gas, geen meetgegevens van aangeslotenen aan derden, anders dan met schriftelijke toestemming van de desbetreffende aangeslotene.
Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 5.2.1a
Onverminderd 5.2.1 bepaalt de meetverantwoordelijke bij de meetinrichting op profielgrootverbruikaansluitingen die nog niet maandelijks uit- of afgelezen kunnen worden ten minste eenmaal per jaar, in de zes weken voorafgaande aan de maand die op grond van 2.1.2, onderdeel c, van de Informatiecode elektriciteit en gas is opgenomen in het aansluitingenregister, de in 4.3.3.1 bedoelde meetgegevens en slaat deze op in niet-vluchtige databuffers.
Artikel 5.2.2a
Indien sprake is van dataoverdracht met behulp van pulsen tussen de verschillende onderdelen van de meetinrichting of tussen de meetinrichting en de meetverantwoordelijke, worden in afwijking van het gestelde in 5.2.1 de maandelijkse tellerstanden van de gasmeter, en indien van toepassing van het niet herleid volume van het volumeherleidingsinstrument en van het herleid volume van het volumeherleidingsinstrument door de meetverantwoordelijke berekend op basis van deze pulsen.
Artikel 5.2.3a
Onverminderd 5.2.1 bepaalt de meetverantwoordelijke eenmaal in de 36 maanden bij profielgrootverbruikmeetinrichtingen die nog niet maandelijks uit- of afgelezen kunnen worden de meetgegevens genoemd in 5.2.1a door aflezing op de meetinrichting bij de aangeslotene en slaat deze meetgegevens op in niet-vluchtige databuffers.
5.3. Meetgegevensverzameling bij telemetriegrootverbruikmeetinrichtingen
5.4. Storingen in de gegevensverwerking bij telemetriegrootverbruikmeetinrichtingen
5.4.1. Verschillen bij telemetriegrootverbruikmeetinrichtingen
5.4.2. Verplichtingen van de meetverantwoordelijke bij het op afstand uitlezen van telemetriegrootverbruikmeetinrichtingen
5.4.3. Datareparatie bij telemetriegrootverbruikmeetinrichtingen
5a. Gaskwaliteitsmeting bij invoedingsinstallaties
5a.1. Voorwaarden met betrekking tot de uitvoering van gaskwaliteitsmeting
5a.1. Voorwaarden met betrekking tot de uitvoering van gaskwaliteitsmeting
5a.3. Gaskwaliteitsmeetgegevens en rapportage
5a.4. Inbedrijfname, beheer en onderhoud van de gaskwaliteitsmeetinrichting
5a.4.1. Inbedrijfname en beheer van de gaskwaliteitsmeetinrichting
5a.4.2. Beheer van de gaskwaliteitsmeetinrichting
5a.4.4. Testgasprocedure
6. Bijzondere bepalingen
6.1. Verwisseling of wijziging van het deel van de meetinrichting dat zich in het perceel van de aangeslotene bevindt
6.2. Onvoorzien
6.3. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 6.3.3a
Vervallen
Bijlagen
B1.1. Algemeen
B1.3. Volumeherleiding
Indien de gemeten uurcapaciteit meer dan tien uren groter is dan 1,2 Q max, is een herijk nodig.
B1.3.1. Volume herleiding met een volumeherleidingsinstrument (PTZ)
B1.3.1.1. Algemeen
B1.3.1.1.1
Het volumeherleidingsinstrument dient te voldoen aan de bepalingen op grond van de Metrologiewet en door het NMi te zijn toegelaten voor verrekeningsdoeleinden.
B1.3.2. Volume herleiding met een volumeherleidingsinstrument (PT)
B1.3.2.1. Algemeen
Om de juiste werking van het EVHI te kunnen garanderen, kan het noodzakelijk zijn om de instellingen van de parameters van het EVHI te wijzigen. Hiervoor zijn onderstaande verplichtingen van toepassing:
B1.3.3. Volume herleiding met een volumeherleidingsinstrument (T)
B1.3.3.1. Algemeen
Het volumeherleidingsinstrument dient door een ijkbevoegde te zijn geijkt.
B1.3.3.2. Toepassingsgebied
B1.3.3.1.1
Vervallen.
B1.3.3.3. Extra eisen drukregeling
B1.3.5.2.1
B1.3.4.2. Toepassingsgebied
B1.3.4.3. Extra eisen drukregeling
B1.3.4.2. Toepassingsgebied
B1.3.5.1. Algemeen
B1.3.5.2. Toepassingsgebied
B3.1.1. Algemeen
B1.3.5.3. Extra eisen druk meting
B1.3.6.2. Toepassingsgebied
B1.3.6.1. Algemeen
B1.3.6.3. Extra eisen drukregeling
B3.1. Erkenningsregeling voor meterplaatsers
B3.1.1. Algemeen
Bijlage 2. Bepalingen betreffende de compressibiliteitsberekening
B3.2.1. Het uitoefenen van meetverantwoordelijkheid en erkenning als meetverantwoordelijke
B3.1.4. Einde van erkenning als meterplaatser
Het aanvragen van erkenning geschiedt schriftelijk.
B3.2.1.9
B3.2. Erkenningsregeling voor meetverantwoordelijken
B3.1.4. Einde van erkenning als meterplaatser
TenneT maakt door hem opgelegde intrekkingen zo spoedig mogelijk openbaar.
B3.2.2. Het MV-register
Een meetverantwoordelijke is verplicht TenneT binnen tien werkdagen alle wijzigingen van gegevens die voor de erkenning van belang zijn, op te geven, daaronder begrepen vernieuwing of wijziging van de onder artikel B3.2.1.7 bedoelde certificering.
B3.2.3. Einde van erkenning als meetverantwoordelijke
Wijzigingen in het MV-register geeft de TenneT onverwijld door aan de regionale netbeheerders en meetverantwoordelijken.
TenneT kan de erkenning van een meetverantwoordelijke intrekken indien de meetverantwoordelijke niet meer aan alle in 1.2.8 genoemde erkenningsvoorwaarden voldoet.
B3.2.4. Geheimhouding
TenneT kan de erkenning van een meetverantwoordelijke intrekken indien de meetverantwoordelijke niet meer aan alle in 1.2.8 genoemde erkenningsvoorwaarden voldoet.
B3.2.3.2
Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
5a.5. Omgang met storingen gaskwaliteitsmeting
5a.6.1
Periodiek bepaalt de gaschromatograaf de samenstelling van het gas
5a.6.2
Uit de componentensamenstelling wordt de calorische bovenwaarde berekend.
5a.6.3
De meetverantwoordelijke bepaalt het aantal normaal kubieke meters [m3(n)] (volume) van het gas dat de gasmeter in datzelfde interval heeft gemeten.
5a.6.4
De energie-inhoud van het gas dat in het voorbije interval is gemeten wordt bepaald door de calorische bovenwaarde te vermenigvuldigen met het aantal normaal kubieke meters gas als bedoeld in 5a.6.3.
5a.6.5
De stappen 5a.6.1 tot en met 5a.6.4 worden minimaal 1 maal per 5 minuten uitgevoerd. De totale ingevoede hoeveelheid energie van enig uur wordt bepaald door de waarden uit stap 5a.6.4 bij elkaar op te tellen. Het totale ingevoede aantal normaal kubieke meters [m3(n)] (volume) wordt bepaald door de waarden uit stap 5a.6.3 bij elkaar op te tellen. De gemiddelde calorische waarde over het uur is gelijk aan de totale hoeveelheid energie gedeeld door het totale volume. Indien het totaal ingevoede aantal normaal kubieke meters [m3(n)] (volume) in enig uur gelijk is aan nul, dan wordt de calorische waarde voor dat uur op nul gesteld.
5a.6.6
De meetverantwoordelijke zorgt ervoor dat de intervallen van de stappen 5a.6.1 en 5a.6.3 niet meer dan zestig seconden van elkaar afwijken.
5a.6.7
Indien de meetverantwoordelijke de in 5a.6.1 bedoelde bepaling niet zelf uitvoert, geschiedt de overdracht van de in 5a.6.2 bedoelde gegevens aan de meetverantwoordelijke automatisch en is deze beveiligd tegen wijziging ervan.
6. Bijzondere bepalingen
6.1. Verwisseling of wijziging van het deel van de meetinrichting dat zich in het perceel van de aangeslotene bevindt
6.2. Onvoorzien
6.2. Onvoorzien
Bijlagen
Bijlage 1. ex artikel 3.5.5 van de Meetcode gas RNB
B1.3.1. Volume herleiding met een volumeherleidingsinstrument (PTZ)
B1.3.1.2. Toepassingsgebied
B1.3.2. Volume herleiding met een volumeherleidingsinstrument (PT)
B1.3.3. Volume herleiding met een volumeherleidingsinstrument (T)
B1.3.4. Grondtemperatuurmethode
B1.3.4.1. Algemeen
B1.3.6. Het gebruik van een gasmeter met temperatuurcorrectie
B1.3.5. Administratieve temperatuurcorrectie
Bijlage 2. Bepalingen betreffende de compressibiliteitsberekening
Bijlage 3. Erkenningsregelingen
B1.3.6. Het gebruik van een gasmeter met temperatuurcorrectie
Bijlage 2. Bepalingen betreffende de compressibiliteitsberekening
Bijlage 3. Erkenningsregelingen
B3.1.3. Het MP-register
Bijlage 3. Erkenningsregelingen
B3.1.2. Het plaatsen van op afstand uitleesbare kleinverbruikmeetinrichtingen en erkenning als meterplaatser
B3.1.3. Het MP-register
B3.1.4. Einde van erkenning als meterplaatser
B3.2. Erkenningsregeling voor meetverantwoordelijken
B3.2.1. Het uitoefenen van meetverantwoordelijkheid en erkenning als meetverantwoordelijke
B3.2.2. Het MV-register
B3.2.3. Einde van erkenning als meetverantwoordelijke
B3.2.3.1
Indien TenneT voornemens is de erkenning in te trekken doet hij de meetverantwoordelijke daarvan een mededeling per brief met ontvangstbevestiging, onder vermelding van de redenen voor intrekking alsmede de ingangsdatum. TenneT trekt de erkenning niet eerder in dan nadat de meetverantwoordelijke een redelijke termijn heeft gekregen om de geconstateerde tekortkomingen te herstellen, tenzij herstel, gelet op de aard van de tekortkoming, naar het oordeel van TenneT niet mogelijk is of te veel tijd kost.
B3.2.3.3
TenneT maakt door hem opgelegde intrekkingen zo spoedig mogelijk openbaar.
B3.2.3 4
De erkenning wordt, onverminderd het in deze code omtrent intrekking bepaalde, in ieder geval beëindigd op verzoek van de desbetreffende meetverantwoordelijke en indien deze heeft opgehouden te bestaan.
B3.2.4. Geheimhouding
Indien de erkenning van een meetverantwoordelijke wordt ingetrokken, treedt de vangnetregeling, zoals omschreven in 1.3.5, in werking.
De meetverantwoordelijke verstrekt, behoudens het bepaalde in de Informatiecode Elektriciteit en Gas, geen meetgegevens van aangeslotenen aan derden, anders dan met schriftelijke toestemming van de desbetreffende aangeslotene.
Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
4.3.4.5
Bij een uurlijks uitleesbare meetinrichting kunnen de gegevens zoals bedoeld in artikel 4.3.4.1, onderdeel a, uurlijks op afstand elektronisch worden uitgelezen.
4.3.4.6
Bij een minimaal maandelijks uitleesbare meetinrichting kunnen de gegevens zoals bedoeld in artikel 4.3.4.1, onderdeel a, minimaal maandelijks, of zoveel vaker als nodig op grond van de opslagcapaciteit van de vluchtige data-buffer, op afstand elektronisch worden uitgelezen.
4.3.5. Storingen in de grootverbruikmeetinrichting
5. Meetgegevensverzameling
5.1. Meetgegevensverzameling bij kleinverbruikmeetinrichtingen
5.2. Meetgegevensverzameling bij profielgrootverbruikmeetinrichtingen
5.3. Meetgegevensverzameling bij telemetriegrootverbruikmeetinrichtingen
5.4. Storingen in de gegevensverwerking bij telemetriegrootverbruikmeetinrichtingen
5.4.1. Verschillen bij telemetriegrootverbruikmeetinrichtingen
5.4.2. Verplichtingen van de meetverantwoordelijke bij het op afstand uitlezen van telemetriegrootverbruikmeetinrichtingen
5.4.3. Datareparatie bij telemetriegrootverbruikmeetinrichtingen
5a. Gaskwaliteitsmeting bij invoedingsinstallaties
5a.2. De gaskwaliteitsmeetinrichting
5a.3. Gaskwaliteitsmeetgegevens en rapportage
5a.4. Inbedrijfname, beheer en onderhoud van de gaskwaliteitsmeetinrichting
5a.4.2. Beheer van de gaskwaliteitsmeetinrichting
5a.4.3. Onderhoud
5a.4.4. Testgasprocedure
6. Bijzondere bepalingen
6.1. Verwisseling of wijziging van het deel van de meetinrichting dat zich in het perceel van de aangeslotene bevindt
6.3. Overgangs- en slotbepalingen
Bijlagen
Bijlage 1. ex artikel 3.5.5 van de Meetcode gas RNB
B1.1. Algemeen
B1.2. Gasmeter
B1.3. Volumeherleiding
B1.3.1.1. Algemeen
B1.3.2.1. Algemeen
B1.3.2.2. Toepassingsgebied
B1.3.3
B1.3.3.1. Algemeen
B1.3.4.1. Algemeen
B1.3.4.3. Extra eisen drukregeling
B1.3.4.4. Extra eisen temperatuur meting
B1.3.5.3. Extra eisen druk meting
B1.3.6. Het gebruik van een gasmeter met temperatuurcorrectie
B1.3.6.1. Algemeen
B3.1. Erkenningsregeling voor meterplaatsers
B3.1.1. Algemeen
B3.1.2. Het plaatsen van op afstand uitleesbare kleinverbruikmeetinrichtingen en erkenning als meterplaatser
B3.1.3. Het MP-register
B3.2. Erkenningsregeling voor meetverantwoordelijken
B3.2.1. Het uitoefenen van meetverantwoordelijkheid en erkenning als meetverantwoordelijke
B3.2.2. Het MV-register
B3.2.3. Einde van erkenning als meetverantwoordelijke
B3.2.3.5
B3.2.4. Geheimhouding
B3.2.4.1
De meetverantwoordelijke verstrekt, behoudens het bepaalde in de Informatiecode Elektriciteit en Gas, geen meetgegevens van aangeslotenen aan derden, anders dan met schriftelijke toestemming van de desbetreffende aangeslotene.
Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
B1.3.5.1. Algemeen
B1.3.5.2. Toepassingsgebied
B1.3.5.3. Extra eisen drukmeting
B1.3.6.1. Algemeen
B1.3.6.2. Toepassingsgebied
B1.3.6.3. Extra eisen drukregeling
B3.1. Erkenningsregeling voor meterplaatsers
B3.2. Erkenningsregeling voor meetverantwoordelijken
B3.2.2. Het MV-register
B3.2.3. Einde van erkenning als meetverantwoordelijke
B3.2.4. Geheimhouding
Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)