Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 21 april 2016, kenmerk ACM/DE/2016/202150, houdende de vaststelling van de voorwaarden als bedoeld in artikel 31 van de Elektriciteitswet 1998 (Meetcode elektriciteit)
De in 5.2.1 tot en met 5.2.4 bedoelde bepaling van de meetgegevens vindt in de regel plaats door uit- of aflezing van de meetinrichting door de meetverantwoordelijke. De meetverantwoordelijke kan van de aangeslotene verlangen dat de aangeslotene zelf de tellerstand opneemt en deze tellerstand op een door de meetverantwoordelijke te bepalen wijze en binnen een door de meetverantwoordelijke aangegeven termijn ter kennis van de meetverantwoordelijke brengt.
5.2.6
Indien de meetverantwoordelijke redelijkerwijs niet in staat is de tellerstand van de meetinrichting uit of af te lezen of de aangeslotene niet heeft voldaan aan het verlangen van de meetverantwoordelijke, zoals beschreven in 5.2.5, maakt de meetverantwoordelijke een schatting van de tellerstand(en).
5.2.7
Ten minste eenmaal in de 36 maanden bepaalt de meetverantwoordelijke de meetgegevens genoemd in 5.2.1 tot en met 5.2.4 door aflezing op de meetinrichting bij de aangeslotene en slaat deze op in niet-vluchtige databuffers.
5.2.8
Kennisneming van de in 5.2.1 tot en met 5.2.4 en 5.2.7 bedoelde meetgegevens is voorbehouden aan die partijen die daartoe op grond van deze code, wetgeving en/of rechtsgeldig gesloten overeenkomsten zijn gerechtigd.
5.2.9
De in 5.2.1 tot en met 5.2.4 en 5.2.7 bedoelde meetgegevens zijn beveiligd tegen wijziging ervan.
5.2.10
De meetverantwoordelijke bewaart de meetgegevens bedoeld in 5.2.1 tot en met 5.2.4 en 5.2.7 gedurende een periode van ten minste zeven jaar.
5.3. Meetgegevensverzameling bij telemetriegrootverbruikmeetinrichtingen
5.3.1
De meetverantwoordelijke verzamelt de in 4.3.5.1 genoemde meetgegevens dagelijks op elektronische wijze op een zodanige wijze dat de resolutie van de meetgegevens daardoor niet wordt beïnvloed en slaat deze op in niet-vluchtige databuffers.
5.3.2
In geval van een aansluiting met een aansluitcapaciteit groter dan 1 MVA, neemt de aangeslotene, samen met zijn meetverantwoordelijke, maatregelen om de verzameling van meetgegevens over een bepaald etmaal op de eerstvolgende werkdag te laten plaatsvinden.
5.3.3
In afwijking van 5.3.1 worden, indien sprake is van overdracht van meetgegevens met behulp van pulsen, de maandelijkse tellerstanden door de meetverantwoordelijke berekend op basis van deze pulsen.
5.3.4
Indien 5.3.3 van toepassing is, worden tenminste eenmaal per zes maanden de tellerstanden bepaald door het ter plaatse uit- of aflezen van de meetinrichting door de meetverantwoordelijke en worden de berekende tellerstanden gecorrigeerd op basis van de uit- of afgelezen tellerstanden.
5.3.5
Kennisneming van de in 5.3.1, 5.3.3 en 5.3.4 bedoelde meetgegevens is voorbehouden aan die partijen die daartoe op grond van deze code, wetgeving en/of rechtsgeldig gesloten overeenkomsten zijn gerechtigd.
5.3.6
De in 5.3.1, 5.3.3 en 5.3.4 bedoelde meetgegevens zijn beveiligd tegen wijziging ervan.
5.3.7
De meetverantwoordelijke bewaart de meetgegevens bedoeld in 5.3.1, 5.3.3 en 5.3.4 gedurende een periode van ten minste zeven jaar.
5.4. Storingen in de gegevensverwerking bij telemetriegrootverbruikmeetinrichtingen
5.4.1. Verschillen bij telemetriegrootverbruikmeetinrichtingen
5.4.1.1
Wanneer de meetgegevens die zijn uitgelezen en opgeslagen door de meterbeheerder verschillen van de meetgegevens die zijn opgeslagen in de databuffers van de meetinrichting, gelden de laatstbedoelde meetgegevens.
5.4.1. Verschillen bij telemetriegrootverbruikmeetinrichtingen
5.4.2.1
Een storing in de afstanduitlezing van de databuffers van een telemetriegrootverbruikmeetinrichting wordt uiterlijk tijdens de eerstvolgende poging tot afstanduitlezing na het optreden van die storing gesignaleerd door de meetverantwoordelijke.
5.4.2.2
Wanneer afstanduitlezing van de databuffers niet mogelijk is, leest de meetverantwoordelijke de databuffers van de telemetriegrootverbruikmeetinrichting ter plaatse uit. Het ter plaatse uitlezen van de databuffers geschiedt binnen twee werkdagen na constatering van desbetreffende storing in de afstanduitlezing, waarbij de meetverantwoordelijke rekening houdt met de opslagcapaciteit van de databuffers.
5.4.2. Verplichtingen van de meetverantwoordelijke bij het op afstand uitlezen van telemetriegrootverbruikmeetinrichtingen
5.4.3.1
Ingeval van een hoofdmeting en een controlemeting wordt de gemiste waarde van de hoofdmeter gekopieerd van de controlemeter.
5.4.3.2
Indien er op een dag meetgegevens ontbreken over een aaneengesloten periode van maximaal twaalf kwartieren, worden de ontbrekende waarden in de meetgegevens berekend door het kopiëren van de belastingcurve van een vergelijkbare dag.
5.4.3.3
De meetverantwoordelijke berekent ontbrekende meetgegevens in geval van grotere hiaten in de meetgegevens dan twaalf kwartieren of bij het ontbreken van een belastingcurve van een vergelijkbare dag overeenkomstig bijlage 5.
5.4.3.4
Reparatie van meetgegevens over perioden langer dan een dag zal bij meetinrichtingen uitgelezen op pulsen plaatsvinden door de tellerstand ter plaatse op te nemen. Het verschil tussen de opgenomen tellerstand en de laatst bekende tellerstand (=berekende tellerstand) wordt over de tussenliggende perioden verdeeld overeenkomstig de belastingcurve van een vergelijkbare dag.
5.4.3.5
De meetverantwoordelijke registreert alle reparaties die conform 5.4.3.1 tot en met 5.4.3.4 zijn uitgevoerd en verstrekt de aangeslotene en de netbeheerder desgevraagd een rapportage over deze reparaties.
5.4.3.6
Desgevraagd geeft de meetverantwoordelijke aan de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet inzage in de registratie met betrekking tot de onder punt 5.4.3.5 genoemde reparaties.
5.4.3.7
Vervallen
5.5. Afhandeling van herzieningsverzoeken van netbeheerders
5.5.1
Vervallen
6. Bijzondere bepalingen
5.5. Afhandeling van herzieningsverzoeken van netbeheerders
6.1.1
Bij een verwisseling of wijziging van de meetinrichting registreert de meterbeheerder van de geplaatste of gewijzigde meetinrichting, indien van toepassing, de volgende gegevens:
- a. de identificatiecode van de meetinrichting, zijnde het meternummer,
- b. de opnamedatum,
- c. het kenmerk van de opname, te weten: fysieke opname,
- d. de procesidentificatie die van toepassing is,
- e. voor elk telwerk van de geplaatste of gewijzigde meetinrichting de volgende gegevens: en van de weggenomen meetinrichting, indien van toepassing, de volgende gegevens:
- –. de telwerkindicatie
- –. de tariefzone
- –. de energierichting
- –. de meeteenheid
- –. het aantal posities voor de komma
- –. de vermenigvuldigingsfactor
- –. de tellerstand op het moment van plaatsing of wijziging van de meetinrichting
- f. de identificatiecode van de meetinrichting, zijnde het meternummer,
- g. de opnamedatum,
- h. het kenmerk van de opname, te weten: fysieke opname,
- i. de procesidentificatie die van toepassing is,
- j. voor elk telwerk van de geplaatste of gewijzigde meetinrichting de volgende gegevens:
- –. de telwerkindicatie
- –. de tariefzone
- –. de energierichting
- –. de meeteenheid
- –. het aantal posities voor de komma
- –. de vermenigvuldigingsfactor
- –. de tellerstand op het moment van plaatsing of wijziging van de meetinrichting
6.1.2
De verwisseling of wijziging van de kleinverbruikmeetinrichting wordt binnen vijf werkdagen nadat de fysieke werkzaamheden zijn uitgevoerd door de netbeheerder verwerkt in het aansluitingenregister.
6.1.3
Indien het transport van elektriciteit op het overdrachtspunt van de aansluiting tijdens het verwisselen of wijzigen van de meetinrichting niet wordt onderbroken, bedraagt de tijdsduur tussen het buiten gebruik stellen van de oude meetinrichting en de ingebruikname van de nieuwe meetinrichting maximaal een uur.
6.1. Verwisseling of wijziging van het deel van de meetinrichting bij de aansluiting
6.2.1
Indien er zich situaties voordoen die niet zijn voorzien in de bepalingen van deze code, bepaalt de netbeheerder in overleg met de aangeslotene welke maatregelen nodig zijn, rekening houdend met de technische hoedanigheden van de installatie van de desbetreffende aangeslotene en de belangen van alle aangeslotenen.
6.2. Onvoorzien
6.3.1
De netbeheerder beslist na overleg met de aangeslotene over de toelaatbaarheid van een bestaande meetinrichting die voor de inwerkingtreding van deze code is geïnstalleerd en die niet aan de in hoofdstuk 4 genoemde eisen voldoet. Indien de bestaande meetinrichting geheel of gedeeltelijk niet toelaatbaar wordt geoordeeld en als het wijzigen van het secundaire gedeelte van de meetinrichting teneinde aan de eisen genoemd in hoofdstuk 4 te voldoen alleen economisch zinvol of technisch mogelijk is in combinatie met de aanpassing van het primaire deel van de meetinrichting, dient het secundaire gedeelte uiterlijk tegelijk met het primaire gedeelte te worden aangepast.
6.3.2
Vervallen
6.3.3
[Vervallen]
6.3.4
Onverminderd het voorgaande kunnen partijen van elkaar alle gegevens en inlichtingen ontvangen die zij nodig hebben voor de uitvoering van de hen in of krachtens de wet opgedragen taken.
6.3.5
Partijen stellen elkaar zo spoedig mogelijk op de hoogte van alle gegevens, voorvallen en wijzigingen in omstandigheden die voor hen van belang kunnen zijn.
6.3.6
Indien in deze code wordt verwezen naar andere wet- en regelgeving of naar een nationale, Europese of internationale norm, is, tenzij anders vermeld, de meest recent vastgestelde versie van deze wet- en regelgeving of norm van toepassing. Indien de norm wordt neergelegd in een wettelijke regeling dan wordt deze norm toegepast zodra deze wettelijke regeling van kracht wordt.
6.3.7
[Vervallen]
6.3.8
De Meetcode Elektriciteit, zoals vastgesteld bij besluit van 12 november 1999 en nadien diverse malen gewijzigd, wordt ingetrokken.
6.3.9
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het is geplaatst.
6.3.10
Dit besluit wordt aangehaald als: Meetcode elektriciteit.
Bijlage 1. Maximaal toelaatbare afwijkingen
B1.1
Maximaal toelaatbare afwijking van een voor de eerste maal in gebruik te nemen meetinrichting voor elektrische energie bij een aansluiting op HS-niveau als functie van het gecontracteerde vermogen.
| Gecontracteerd vermogen | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Gecontracteerd vermogen | 1,5–7,5% Ic | 7,5–120% Ic | 3–7,5% Ic | 7,5–15% Ic | 15–120% Ic | 3–7,5% Ic | 7,5–15% Ic | 15–120% Ic |
| Gecontracteerd vermogen | PF=1 | 1 | 0,5 ind. | 0,5 ind. | 0,5 ind. | 0,8 cap. | 0,8 cap. | 0,8 cap. |
| ≥ 2 MW en< 5 MW | 1,25**) | 0,85 | 1,75**) | 1,75 | 1,40 | 1,55**) | 1,55 | 1,25 |
| ≥ 5 MW | 0,60**) | 0,40 | 1,20**) | 1,20 | 0,95 | 0,85**) | 0,85 | 0,65 |
| Gecontracteerd vermogen | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| Gecontracteerd vermogen | 3–7,5% Ic | 7,5–120% Ic | 3–7,5% Ic | 7,5–15% Ic | 15–120% Ic | 3–7,5% Ic | 7,5–15% Ic | 15–120% Ic |
| Gecontracteerd vermogen | PF=1 | 1 | 0,5 ind. | 0,5 ind. | 0,5 ind. | 0,8 cap. | 0,8 cap. | 0,8 cap. |
| < 2 MW | 1,95**) | 1,50 | 3,25 | 2,45 | 2,45 | 1,95 |
*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.
**) Geldt alleen als de gemiddelde belasting kleiner is dan 30% van het gecontracteerde vermogen.
PF = arbeidsfactor
Ic = stroomsterkte berekend uit het gecontracteerde vermogen (Pc) bij nominale netspanning (Unom).
Er geldt: Ic = Pc /(1,73*Unom)
ind. =inductief
cap. = capacitief
B1.2
Maximaal toelaatbare afwijking van een voor de eerste maal in gebruik te nemen meetinrichting voor elektrische blindenergie bij een aansluiting op HS- niveau als functie van het gecontracteerde vermogen.
| Gecontracteerd vermogen | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Gecontracteerd vermogen | 3–7,5% Ic | 7,5–120% Ic | 7,5–15% Ic | 15–30% Ic | 30–120% Ic | 30–120% Ic |
| Gecontracteerd vermogen | sin ϕ = 1 | 1 | 0,5 ind. | 0,5 ind. | 0,5 ind. | 0,25 ind. |
| < 2 MW | 3,30**) | 2,90 | 4,25 | 4,00 | 8,90 | |
| ≥ 2 MW | 3,25**) | 2,85 | 4,05 | 3,70 | 3,70 | 8,25 |
*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.
**) Geldt alleen als de gemiddelde belasting kleiner is dan 30% van het gecontracteerde vermogen.
Ic = stroomsterkte berekend uit het gecontracteerde vermogen (Pc) bij nominale netspanning (Unom).
Er geldt: Ic = Pc /(1,73*Unom)
ind. = inductief
B1.3
Maximaal toelaatbare afwijking van een voor de eerste maal in gebruik te nemen meetinrichting voor elektrische energie geleverd door een productie- installatie bij een aansluiting op HS-niveau als functie van het maximale vermogen van de productie-installatie.
| Maximaal vermogen van de productie-installatie | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren |
|---|---|---|
| Maximaal vermogen van de productie-installatie | 10–120% Iwkk | 20–120% Iwkk |
| Maximaal vermogen van de productie-installatie | PF = 1 | 0,5 ind. |
| < 2MW | 2,70 | 4,70 |
| ≥ 2 MW en < 5 MW | 2,00 | 4,35 |
| ≥ 5 MW | 1,80 | 3,30 |
*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.
PF = arbeidsfactor
Iwkk = stroomsterkte berekend uit het maximale vermogen van de productie-installatie (Pwkk,max) bij nominale netspanning (Unom). Er geldt: Iwkk = Pwkk,max/(1,73*Unom)
ind. = inductief
B1.4
Maximaal toelaatbare afwijking van een voor de eerste maal in gebruik te nemen meetinrichting voor elektrische energie bij een aansluiting op LS-niveau via stroomtransformatoren.
| Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren |
|---|---|---|---|
| 1,5–7,5% Ic | 7,5–120% Ic | 7,5–15% Ic | 15–120% Ic |
| PF=1 | 1 | 0,5 ind. | 0,5 ind. |
| 3,30**) | 2,90 | 5,25 | 4,30 |
*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.
**) Geldt alleen als de gemiddelde belasting kleiner is dan 30% van het gecontracteerde vermogen.
PF = arbeidsfactor
Ic = stroomsterkte berekend uit het gecontracteerde vermogen (Pc) in het betreffende leverpunt bij nominale netspanning (Unom). Er geldt: Ic= Pc /(1,73*Unom)
Ind. = inductief
B1.5
Maximaal toelaatbare afwijking van een voor de eerste maal in gebruik te nemen meetinrichting voor elektrische energie bij een aansluiting op LS- niveau, bij een direct aangesloten kWh-meter die niet onder de Metrologiewet valt.
| Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren |
|---|---|---|---|
| 1–5% Ib | 5% Ib–Imax | 5–10% Ib | 10% Ib–Imax |
| PF=1 | 1 | 0,5 ind. | 0,5 ind. |
| 2,5*) | 2,0 | 2,5 | 2,0 |
*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.
**) Geldt alleen als de gemiddelde afgenomen stroom kleiner is dan 20% van de basisstroom Ib.
PF = arbeidsfactor
Ib = de basisstroom van de kWh-meter, zoals die door de fabrikant op de meter is vermeld
Imax = de maximale stroom van de kWh-meter, zoals die door de fabrikant op de meter is vermeld
ind. = inductief
B1.6
Maximaal toelaatbare afwijking van een voor de eerste maal in gebruik te nemen meetinrichting voor elektrische energie geleverd door een productie- installatie bij een aansluiting op LS-niveau.
| Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren |
|---|---|
| 10–120% Iwkk | 20–120% Iwkk |
| PF = 1 | 0,5 ind. |
| 3,15 | 6,55 |
*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.
PF = arbeidsfactor
Iwkk = stroomsterkte berekend uit het maximale vermogen van de productie-installatie (Pwkk,max) bij nominale netspanning (Unom). Er geldt: Iwkk=Pwkk,max/(1,73*Unom)
ind. = inductief
B1.7
Maximaal toelaatbare afwijking van een in gebruik zijnde meetinrichting voor elektrische energie bij een aansluiting op HS-niveau als functie van het gecontracteerde vermogen.
| Gecontracteerd vermogen | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Gecontracteerd vermogen | 1,5–7,5% Ic | 7,5–120% Ic | 3–7,5% Ic | 7,5–15% Ic | 15–120% Ic | 3–7,5% Ic | 7,5–15% Ic | 15–120% Ic |
| Gecontracteerd vermogen | PF=1 | 1 | 0,5 ind. | 0,5 ind. | 0,5 ind. | 0,8 cap. | 0,8 cap. | 0,8 cap. |
| ≥2MW en< 5MW | 2,15**) | 1,20 | 2,45**) | 2,45 | 1,75 | 2,30**) | 2,30 | 1,60 |
| ≥ 5 MW | 0,90**) | 0,55 | 1,50**) | 1,50 | 1,05 | 1,20**) | 1,20 | 0,85 |
| Gecontracteerd vermogen | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| Gecontracteerd vermogen | 3–7,5% Ic | 7,5–120% Ic | 3–7,5% Ic | 7,5–15% Ic | 15–120% Ic | 3–7,5% Ic | 7,5–15% Ic | 15–120% Ic |
| Gecontracteerd vermogen | PF=1 | 1 | 0,5 ind. | 0,5 ind. | 0,5 ind. | 0,8 cap. | 0,8 cap. | 0,8 cap. |
| < 2 MW | 3,25**) | 2,30 | 4,15 | 3,00 | 3,55 | 2,60 |
*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.
**) Geldt alleen als de gemiddelde belasting kleiner is dan 30% van het gecontracteerde vermogen.
PF = arbeidsfactor
Ic = stroomsterkte berekend uit het gecontracteerde vermogen(Pc) bij nominale netspanning (Unom).
Er geldt: Ic = Pc /(1,73*Unom)
ind. = inductief
cap. = capacitief
B1.8
Maximaal toelaatbare afwijking van een in gebruik zijnde meetinrichting voor elektrische blindenergie bij een aansluiting op HS-niveau als functie van het gecontracteerde vermogen.
| Gecontracteerd vermogen | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en waarden van sin ϕ |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Gecontracteerd vermogen | 3–7,5% Ic | 7,5–120% Ic | 7,5–15% Ic | 15–30% Ic | 30–120% Ic | 30–120% Ic |
| Gecontracteerd vermogen | sin ϕ = 1 | 1 | 0,5 ind. | 0,5 ind. | 0,5 ind. | 0,25 ind. |
| < 2 MW | 5,45**) | 4,50 | 6,10 | 5,30 | 15,05 | |
| ≥ 2 MW | 5,40**) | 4,50 | 5,90 | 5,05 | 5,05 | 14,65 |
*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.
**) Geldt alleen als de gemiddelde belasting kleiner is dan 30% van het gecontracteerde vermogen.
Ic = stroomsterkte berekend uit het gecontracteerde vermogen (Pc) bij nominale netspanning (Unom).
Er geldt: Ic= Pc /(1,73*Unom)
ind. = inductief
B1.9
Maximaal toelaatbare afwijking van een in gebruik zijnde meetinrichting voor elektrische energie geleverd door een productie-installatie bij een aansluiting op HS-niveau als functie van het maximale vermogen van de productie- installatie.
| Maximale vermogen van de productie-installatie | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren |
|---|---|---|
| Maximale vermogen van de productie-installatie | 10–120% Iwkk | 20–120% Iwkk |
| Maximale vermogen van de productie-installatie | PF = 1 | 0,5 ind. |
| < 2MW | 4,35 | 5,85 |
| ≥ 2 MW en < 5 MW | 2,65 | 4,70 |
| ≥ 5 MW | 2,50 | 3,75 |
*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.
PF = arbeidsfactor
Iwkk= stroomsterkte berekend uit het maximale vermogen van de productie-installatie (Pwkk,max) bij nominale netspanning (Unom). Er geldt: Iwkk=Pwkk,max/(1,73*Unom)
ind. = inductief
B1.10
Maximaal toelaatbare afwijking van een in gebruik zijnde meetinrichting voor elektrische energie bij een aansluiting op LS-niveau via stroomtransformatoren.
| Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren |
|---|---|---|---|
| 1,5–7,5% Ic | 7,5–120% Ic | 7,5–15% Ic | 15–120% Ic |
| PF=1 | 1 | 0,5 ind. | 0,5 ind. |
| 5,45**) | 4,50 | 6,80 | 5,55 |
*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.
**) Geldt alleen als de gemiddelde belasting kleiner is dan 30% van het gecontracteerde vermogen.
PF = arbeidsfactor
Ic = stroomsterkte berekend uit het gecontracteerde vermogen (Pc) in het betreffende leverpunt bij nominale netspanning (Unom). Er geldt: Ic= Pc /(1,73*Unom)
ind. = inductief
B1.11
Maximaal toelaatbare afwijking van een in gebruik zijnde meetinrichting voor elektrische energie bij een aansluiting op LS-niveau, bij een direct aangesloten kWh-meter die niet onder de Metrologiewet valt.
| Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren |
|---|---|---|---|
| 1–5% Ib | 5% Ib–Imax | 5–10% Ib | 10% Ib–Imax |
| PF=1 | 1 | 0,5 ind. | 0,5 ind. |
| 5,0**) | 4,0 | 5,0 | 4,0 |
*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.
**) Geldt alleen als de gemiddelde afgenomen stroom kleiner is dan 20% van de basisstroom Ib.
PF = arbeidsfactor
Ib = de basisstroom van de kWh-meter, zoals die door de fabrikant op de meter is vermeld
Imax= de maximale stroom van de kWh-meter, zoals die door de fabrikant op de meter is vermeld
ind. = inductief
B1.12
Maximaal toelaatbare afwijking van een in gebruik zijnde meetinrichting voor elektrische energie geleverd door een productie-installatie bij een aansluiting op LS-niveau.
| Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren | Maximaal toelaatbare afwijking (in %) bij de volgende stromen en arbeidsfactoren |
|---|---|
| 10 – 120% Iwkk | 20 – 120% Iwkk |
| PF = 1 | 0,5 ind. |
| 4,70 | 7,40 |
*) De 99%-betrouwbaarheidsgrenzen (±) zijn vermeld.
PF = arbeidsfactor
Iwkk = stroomsterkte berekend uit het maximale vermogen van de productie-installatie (Pwkk,max) bij nominale netspanning (Unom). Er geldt: Iwkk=Pwkk,max/(1,73*Unom)
ind. = inductief
Bijlage 2. Definities van de begrippen energie, vermogen, blindenergie en blindvermogen, waarvan in deze code is uitgegaan
Energie en vermogen
Voor de begrippen "te meten energie" c.q. "te meten vermogen" wordt uitgegaan van de internationaal aanvaarde fysische definities voor de grootheden elektrische energie (W) en elektrisch vermogen (P), vastgelegd door de volgende formules:
Hierin is:
Voor de begrippen "te meten energie" c.q. "te meten vermogen" wordt uitgegaan van de internationaal aanvaarde fysische definities voor de grootheden elektrische energie (W) en elektrisch vermogen (P), vastgelegd door de volgende formules:
Voor de begrippen "te meten energie" c.q. "te meten vermogen" wordt uitgegaan van de internationaal aanvaarde fysische definities voor de grootheden elektrische energie (W) en elektrisch vermogen (P), vastgelegd door de volgende formules:
Voor de begrippen "te meten energie" c.q. "te meten vermogen" wordt uitgegaan van de internationaal aanvaarde fysische definities voor de grootheden elektrische energie (W) en elektrisch vermogen (P), vastgelegd door de volgende formules:
Hierin is:
u de momentane waarde van de wisselspanning
i de momentane waarde van de wisselstroom
t1 het begin van de periode gedurende welke de elektrische energie wordt gemeten
t2 het einde van de periode gedurende welke de elektrische energie wordt gemeten
Blindenergie en blindvermogen
Na splitsing van spanning en stroom in het frequentiedomein door middel van Fourieranalyse (waardoor deze grootheden worden ontbonden in harmonische componenten), kan voor P worden geschreven:
met n = het ranggetal van de te onderscheiden harmonische componenten.
In het geval het gemiddelde vermogen over een bepaalde periode lopende van de tijdstippen τ1 tot τ 2 dient te worden gemeten (waarbij τ2 – τ1 bijvoorbeeld 15 minuten is), dan geldt hiervoor:
Met betrekking tot de te hanteren definities van de begrip blindenergie en -vermogen geldt het volgende. Het blindvermogen (Q) wordt in het algemene geval van een niet-sinusvormige wisselspanning en -stroom met een periodetijd T gedefinieerd als:
Met betrekking tot de te hanteren definities van de begrip blindenergie en -vermogen geldt het volgende. Het blindvermogen (Q) wordt in het algemene geval van een niet-sinusvormige wisselspanning en -stroom met een periodetijd T gedefinieerd als:
Hierin is:
S: het schijnbaar vermogen, waarvoor geldt: S = U.I (U en I zijn de effectieve waarden van de wisselspanning respectievelijk wisselstroom)
P: het vermogen gedefinieerd volgens (1)
De algemene definitie voor blindvermogen (2) geldt ook in het bijzondere geval, dat spanning en stroom niet vervormd, dat wil zeggen sinusvormig zijn, en gaat dan over in:
Als algemene definitie voor de arbeidsfactor (PF) geldt:
Voor het bijzondere geval dat spanning en stroom onvervormd (sinusvormig) zijn, gaat deze definitie over in:
Voor de begrippen "te meten energie" c.q. "te meten vermogen" wordt uitgegaan van de internationaal aanvaarde fysische definities voor de grootheden elektrische energie (W) en elektrisch vermogen (P), vastgelegd door de volgende formules:
Voor de begrippen "te meten energie" c.q. "te meten vermogen" wordt uitgegaan van de internationaal aanvaarde fysische definities voor de grootheden elektrische energie (W) en elektrisch vermogen (P), vastgelegd door de volgende formules:
Hierin is:
u de momentane waarde van de wisselspanning
i de momentane waarde van de wisselstroom
t1 het begin van de periode gedurende welke de elektrische energie wordt gemeten
t2 het einde van de periode gedurende welke de elektrische energie wordt gemeten
T de periodetijd van de wisselspanning en stroom
Na splitsing van spanning en stroom in het frequentiedomein door middel van Fourieranalyse (waardoor deze grootheden worden ontbonden in harmonische componenten), kan voor P worden geschreven:
Bepaling van volumes voor blindenergie
In het geval het gemiddelde vermogen over een bepaalde periode lopende van de tijdstippen τ1 tot τ 2 dient te worden gemeten (waarbij τ2 – τ1 bijvoorbeeld 15 minuten is), dan geldt hiervoor:
Met betrekking tot de te hanteren definities van de begrip blindenergie en -vermogen geldt het volgende. Het blindvermogen (Q) wordt in het algemene geval van een niet-sinusvormige wisselspanning en -stroom met een periodetijd T gedefinieerd als:
Met betrekking tot de te hanteren definities van de begrip blindenergie en -vermogen geldt het volgende. Het blindvermogen (Q) wordt in het algemene geval van een niet-sinusvormige wisselspanning en -stroom met een periodetijd T gedefinieerd als:
Hierin is:
S: het schijnbaar vermogen, waarvoor geldt: S = U.I (U en I zijn de effectieve waarden van de wisselspanning respectievelijk wisselstroom)
Bijlage 3. Voorschrift voor het ontwerpen, installeren en controleren van comptabele meetinrichtingen voor elektrische energie en blindenergie
B3.1. Algemene bepalingen
B3.1.1. Definities
Voor het bijzondere geval dat spanning en stroom onvervormd (sinusvormig) zijn, gaat deze definitie over in:
Voor verrekeningsdoeleinden wordt onderscheid gemaakt tussen de begrippen energie leveren en energie ontvangen. Deze begrippen hebben de volgende betekenis:
Energie ontvangen:
indien de netbeheerder energie transporteert van het net naar de installatie van de aangeslotene, deze ontvangt dus energie.
Energie leveren:
indien de netbeheerder energie transporteert vanuit de installatie van de aangeslotene naar het net. De aangeslotene levert dus terug op het net.
Analoog met deze begrippen wordt ook gesproken over blindenergie leveren en blindenergie ontvangen. Onder verwijzing naar (1) moet daaraan de volgende betekenis worden toegekend:
blindenergie ontvangen door aangeslotene:
de aangeslotene ontvangt energie vanuit het elektriciteitsnet, waarbij de grondharmonische in de stroom naijlt op de grondharmonische in de spanning
de aangeslotene levert energie aan het elektriciteitsnet, waarbij de grondharmonische in de stroom voorijlt op de grondharmonische in de spanning
blindenergie leveren door aangeslotene:
B3.2. Het ontwerpen en installeren van meetinrichtingen voor elektrische energie en blindenergie
B3.2.1. Normen
In bovenstaand figuur is uitgegaan van het gezichtspunt van de aangeslotene. Dus Pontvangen is het door de aangeslotene ontvangen werkzame vermogen
Het volume dat gebruikt wordt in artikel 3.9.3 van de Tarievencode elektriciteit als tariefdrager voor blindenergie wordt bepaald met in achtneming van de volgende voorwaarden:
Het volume dat gebruikt wordt in artikel 3.9.3 van de Tarievencode elektriciteit als tariefdrager voor blindenergie wordt bepaald met in achtneming van de volgende voorwaarden:
De grenzen aan de per maand toegestane kosteloos met het net uit te wisselen blindenergie worden bepaald op basis van de toegestane arbeidsfactor en de in deze maand vanuit het net ontvangen en/of aan het net geleverde energie.
B3.2.2. De plaats van de meetinrichting
Het volume dat gebruikt wordt in artikel 3.9.3 van de Tarievencode elektriciteit als tariefdrager heeft slechts betrekking op de overschrijding van de hierboven bepaalde grenzen van de afname van blindenergie per maand.
De methodiek zoals door netbeheerders wordt gehanteerd bij vaststelling van de in rekening te brengen hoeveelheid, door aangeslotenen met het net uitgewisselde blindenergie, volgt de volgende stappen:
Met de in artikel B3.2.1.1 bedoelde meetinrichting wordt gelijkgesteld een meetinrichting, die rechtmatig is vervaardigd of in de handel is gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie of Turkije dan wel rechtmatig is vervaardigd in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, en die voldoet aan eisen die ten minste gelijkwaardig zijn aan de normen en wettelijke regelingen als genoemd in artikel B3.2.1.1.
B3.2.2.1
B3.1.1.1
B3.1.1.1
Voor meetinrichtingen aangesloten op hoogspanning geldt: Het nominale meetvermogen van een meetinrichting is het schijnbaar vermogen te berekenen uit de nominale primaire spanning van de spanningstransformatoren en de nominale primaire stroom van de stroomtransformatoren. Voor spanningstransformatoren in Yy0-schakeling geldt:
en voor spanningstransformatoren in Dz0- en Dy11-schakeling:
B3.1.1.2
Voor meetinrichtingen aangesloten op laagspanning, via stroomtransformatoren geldt:
Bij een nominale spanning van 3x230/400 V geldt dus:
Deze definities gelden onder de volgende voorwaarden:
Indien in andere gevallen dan onder b aangegeven stroomtransformatoren zijn toegepast die tot meer dan 120% van hun nominale stroom voldoen aan de eisen van de norm genoemd in B3.2.1.1, onderdeel e, wordt het nominale meetvermogen berekend op basis van de maximale stroom van deze stroomtransformatoren minus 20%.
B3.1.1.3
B3.2.3. Typekeuring van meetmiddelen
B3.1.1.4 De betekenis van de in B3.1.1.1 tot en met B3.1.1.3 gebruikte symbolen is:
B3.2.2.7
B3.2.1.1
B3.2.1.1
De volgende normen zijn van toepassing op het ontwerpen en het installeren van meetinrichtingen:
B3.2.1.2
B3.2.2. De plaats van de meetinrichting
B3.2.2.1
B3.2.2.1
In het geval van een aansluiting op hoogspanning wordt de plaats van de meetinrichting in overleg tussen de aangeslotene en de netbeheerder bepaald.
B3.2.2.2
In beginsel geldt bij aansluitingen op hoogspanning, dat de spannings- en stroomtransformatoren van de meetinrichting worden geïnstalleerd in het veld waar zich de aansluiting bevindt.
B3.2.2.3
Indien van het gestelde in B3.2.2.2 wordt afgeweken door de spanningstransformatoren elders in de hoogspanningsinstallatie te installeren, dan leveren de spanningsverliezen tussen de aansluitklemmen van de primaire wikkeling van die spanningstransformatoren en het veld van de aansluiting geen grotere bijdrage aan de maximaal toelaatbare afwijking van de meetinrichting dan hetgeen overeenkomt met de helft van het in B3.2.6.1 en B3.2.6.2 voorgeschreven klassecijfer voor spanningstransformatoren.
B3.2.2.4
Indien van het gestelde in B3.2.2.2 wordt afgeweken door de meetinrichting aan te sluiten aan de secundaire zijde van de vermogens- of distributietransformator terwijl de aansluiting zich aan de primaire zijde van die transformator bevindt, dan stemmen de nauwkeurigheidsklassen van de meetmiddelen met inachtneming van het gecontracteerd transportvermogen overeen met de in B3.2.6.1 genoemde nauwkeurigheidsklassen.
B3.2.2.5
Indien de situatie bedoeld in B3.2.2.4 zich voordoet en de koper- en ijzerverliezen in de vermogenstransformator of in de distributietransformator worden verrekend met behulp van speciale meters, dan is de door de fabrikant van die meters gespecificeerde maximaal toelaatbare afwijking (in % op basis van de koperververliezen bij de nominale belasting van die transformator respectievelijk in % op basis van de ijzerverliezen bij de nominale spanning) niet meer dan een factor 10 groter dan het vereiste klassecijfer van de kWh-meters waarmee de eigenlijke energiemeting wordt uitgevoerd.
B3.2.2.6
Indien van het gestelde in B3.2.2.2 wordt afgeweken bij aansluitingen op hoogspanning met meer dan één distributietransformator door de meetinrichting te installeren aan de secundaire zijde van de distributietransformatoren en indien er stroomsommatie van de meetstromen plaats vindt, dan gelden de bepalingen B3.2.5.20 tot en met B3.2.5.22.
B3.2.2.7
Bij aansluitingen op laagspanning is het punt waarin de verbindingen tot stand zijn gebracht met de spanningscircuits van de comptabele kWh-meter per definitie het overdrachtspunt tussen het openbare elektriciteitsnet en de installatie van de aangeslotene.
B3.2.3.1
B3.2.3.1
De meetmiddelen voldoen aan de typekeuringseisen vermeld in de in B3.2.1.1 genoemde normen voor zover deze van toepassing zijn.
B3.2.3.2
Het voldoen aan de in B3.2.3.1 genoemde typekeuringseisen blijkt voor meetmiddelen die niet onder de Metrologiewet vallen, uit een rapport uitgebracht door een door de Raad voor Accreditatie geaccrediteerde instantie of door een gelijkwaardige buitenlandse accreditatie-instelling die is geaccrediteerd op basis van de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025:2005 “Algemene eisen voor de bekwaamheid van beproevings- en kalibratielaboratoria”.
B3.2.3.3
De kWh-meters die onder het regiem van de Metrologiewet vallen, zijn qua model wettelijk toegelaten.
B3.2.4.1
B3.2.4.1
De nominale primaire spanning van spanningstransformatoren (Usp- pr,nom) waarvan de primaire wikkelingen in ster zijn geschakeld, ligt tussen 52% en 63,5% van de nominale waarde die door de netbeheerder aan de lijnspanning van het net is toegekend (Unom.-verkl.). In formule:
B3.2.4.2
Spanningstransformatoren waarvan de primaire wikkelingen in ster zijn geschakeld met een nominale primaire spanning tussen 90% en 110% van de nominale waarde die door de netbeheerder aan de lijnspanning van het net is toegekend, zijn toegelaten op voorwaarde dat de nauwkeurigheid ervan ook bij 50% van hun nominale primaire spanning voldoet aan de eisen vermeld in de in B3.2.1.1 onderdeel f genoemde norm.
B3.2.4.3
In het in B3.2.4.2 genoemde geval wordt voor de nominale secundaire spanning van de spanningstransformatoren een met een factor √3 gereduceerde waarde gehanteerd.
B3.2.4.4
De nominale primaire spanning van spanningstransformatoren in een Dz0- of Dy11-schakeling ligt tussen 90% en 110% van de nominale waarde die door de netbeheerder is toegekend aan de lijnspanning in het net.
B3.2.4.5
Bij eenfasige spanningstransformatoren in Yy0-schakeling is de N-klem van de primaire wikkeling van elk van de drie transformatoren geaard.
B3.2.4.6
Het sterpunt van de secundaire wikkelingen van de spanningstransformatoren wordt geaard.
B3.2.4.7
Bij spanningstransformatoren in Yyd-schakeling in een zwevend of via Petersen-spoelen geaard net, is òf de N-klem van elk van de drie primaire wikkelingen geaard òf zijn de tertiaire wikkelingen in een kortgesloten driehoekschakeling aangesloten, waarbij het eerste de voorkeur heeft.
B3.2.4.8
Het toepassen van driefasen spanningstransformatoren met driepootskern in geïsoleerde of via Petersen spoelen geaarde elektriciteitsnetten is niet toegestaan.
B3.2.4.9
Bij meetinrichtingen op hoogspanning en bij een lange secundaire bekabeling dienen de capacitieve en inductieve koppeling van de secundaire bekabeling van de spanningsmeetcircuits met de hoogspannings-geleiders en daarmee de optredende stoorspanningen, voldoende te worden beperkt door:
B3.2.4.10
B3.2.5. Stroommeetcircuits
B3.2.4.11
Indien de in B3.2.4.9 genoemde maatregelen niet tot gevolg hebben, dat de in dat artikel genoemde capacitieve en inductieve koppeling voldoende worden beperkt, dan wordt gebruik gemaakt van afgeschermde kabels.
B3.2.4.12
Bij meetinrichtingen aangesloten op hoogspanning is de referentiespanning van de kWh-meters en in voorkomend geval de kvarh-meters gelijk aan de nominale secundaire spanning van de spanningstransformatoren.
B3.2.4.13
Bij aansluitingen op laagspanning is de referentiespanning van de kWh-meters en in voorkomend geval de kvarh-meters gelijk aan (3x)230 V.
B3.2.4.14
De spanningscircuits van een driefasen kWh-meter worden aangesloten met dezelfde fasevolgorde als waarbij deze meter is gejusteerd.
B3.2.4.15
De eis genoemd in B3.2.4.14 geldt niet voor elektronische kWh-meters waarvan uit de resultaten van de in B3.2.3 genoemde typekeuring blijkt dat de draaiveldrichting niet van invloed is op de fouten in de registratie van data als bedoeld in 2.4.4 en/of 4.3.5.1 van deze code.
B3.2.4.16
De spanningsmeetcircuits van meetinrichtingen aangesloten op hoogspanning zijn beveiligd met 6A-smeltveiligheden in de vorm van mespatronen met verzilverde contacten. Indien voldaan wordt aan B3.3.3.8, behoeven bij bestaande meetinrichtingen 6A-smeltveiligheden niet zijnde mespatronen met verzilverde contacten niet te worden vervangen door mespatronen met verzilverde contacten.
B3.2.4.17
Aansluitingen op aftakkingen van spanningstransformatoren als bedoeld in B3.2.4.21 zijn beveiligd met 6A-smeltveiligheden.
B3.2.4.18
Indien het thermische grensvermogen van de spanningstransformatoren voldoende hoog is, zijn in afwijking van B3.2.4.16 10A-mespatronen met verzilverde contacten toelaatbaar.
B3.2.4.19
De spanningsmeetcircuits van meetinrichtingen aangesloten op laagspanning via stroomtransformatoren zijn beveiligd met 10A- smeltveiligheden.
B3.2.4.20
In afwijking van B3.2.4.19 mogen de spanningsmeetcircuits van bestaande meetinrichtingen die via stroomtransformatoren zijn aangesloten op laagspanning beveiligd zijn met 6A smeltveiligheden.
B3.2.4.21
Indien een spanningstransformator meer dan één overzetting heeft, is elke secundaire aftakking van die transformator op een goed bereikbaar klemmenbord aangesloten.
B3.2.5.1
B3.2.5.1
De nominale primaire stroomsterkte van stroomtransformatoren in meetinrichtingen aangesloten op hoogspanning bedraagt ten minste 100% en ten hoogste 150% van de stroomsterkte af te leiden uit het gecontracteerd transportvermogen onder de voorwaarden genoemd in B3.2.5.2.
B3.2.5.2
Het bepaalde in B3.2.5.1 is slechts van toepassing indien er stroomtransformatoren zijn toegepast die tot 120% van hun nominale stroom aan de eisen van de in B3.2.1.1, onderdeel e genoemde norm voldoen of indien er bij installaties waarin kortstondig hogere stromen kunnen optreden, stroomtransformatoren zijn toegepast die tot meer dan 120% van hun nominale stroom aan de eisen van de norm genoemd in B3.2.1.1, onderdeel e voldoen.
B3.2.5.3
Indien in andere gevallen dan in B3.2.5.2 genoemd, stroomtransformatoren zijn toegepast die tot meer dan 120% van hun nominale stroom aan de eisen van de in B3.2.1.1, onderdeel e genoemde norm voldoen, dan bedraagt de maximale stroom van deze stroomtransformatoren minus 20% ten minste 100% en ten hoogste 150% van de stroomsterkte af te leiden uit het gecontracteerd transportvermogen.
B3.2.5.4
Indien bij aansluitingen via één of meer distributietransformatoren geen maximaal vermogen is gecontracteerd, dan wordt de in B3.2.5.2 en B3.2.5.3 bedoelde stroomsterkte afgeleid uit het nominale vermogen van de distributietransformator respectievelijk uit de som van de nominale vermogens van de distributietransformatoren.
B3.2.5.5
De nominale primaire stroomsterkte van stroomtransformatoren in meetinrichtingen aangesloten op laagspanning bedraagt ten minste 100% en ten hoogste 200% van de nominale stroom van de hoofdveiligheden onder de voorwaarden genoemd in B3.2.5.7.
B3.2.5.6
De nominale primaire stroomsterkte van stroomtransformatoren in meetinrichtingen aangesloten op laagspanning bedraagt ten minste 100% en ten hoogste 400% van de nominale stroom van de hoofdveiligheden als aan het klassecijfer van de stroomtransformatoren, waarmee de nauwkeurigheidsklasse als genoemd in de tabellen B tot en met E wordt gespecificeerd, een “S” is toegevoegd.
B3.2.5.7
Het bepaalde in B3.2.5.5 en B3.2.5.6 is slechts van toepassing indien er stroomtransformatoren zijn toegepast die tot 120% van hun nominale stroom aan de eisen van de in B3.2.1.1, onderdeel e genoemde norm voldoen of indien er bij installaties waarin kortstondig hogere stromen kunnen optreden, stroomtransformatoren zijn toegepast die tot meer dan 120% van hun nominale stroom aan de eisen van de in B3.2.1.1, onderdeel e genoemde norm voldoen.
B3.2.5.8
Indien in andere gevallen dan in B3.2.5.7 genoemd stroomtransformatoren zijn toegepast die tot meer dan 120% van hun nominale stroom aan de eisen van de in B3.2.1.1, onderdeel e genoemde norm voldoen, dan bedraagt de maximale stroom van deze stroomtransformatoren minus 20% ten minste 100% en ten hoogste 200% van de nominale stroom van de hoofdveiligheden.
B3.2.5.9
De nominale stroom (Inom) van een kWh-meter en van een kvarh-meter aangesloten via stroomtransformatoren is ten hoogste gelijk aan de nominale secundaire stroom van deze stroomtransformatoren.
B3.2.5.10
De maximale stroom (Imax) van een kWh-meter en van een kvarh-meter aangesloten via stroomtransformatoren is ten minste gelijk aan de maximale secundaire stroomsterkte van deze stroomtransformatoren.
B3.2.5.11
B3.2.6. De nauwkeurigheid van de meetinrichting
B3.2.5.12
De secundaire wikkelingen van stroomtransformatoren in meetinrichtingen aangesloten op hoogspanningniveau zijn op één punt geaard.
B3.2.5.13
Indien sprake is van een gemeenschappelijke retourleider in de in B3.2.5.12 bedoelde situatie, dan wordt deze retourleider zo dicht mogelijk bij de stroomtransformatoren geaard.
B3.2.5.14
De secundaire wikkelingen van stroomtransformatoren in meetinrichtingen aangesloten op laagspanning zijn bij voorkeur niet geaard.
B3.2.5.15
Bij meetinrichtingen aangesloten op hoogspanning en bij een lange secundaire bekabeling dienen de capacitieve en inductieve koppeling van de secundaire bekabeling van de stroommeetcircuits met de hoogspanningsgeleiders en daarmee de optredende stoorspanningen voldoende te worden beperkt door:
B3.2.5.16
Van voldoende beperking als bedoeld in B3.2.5.15 is sprake, indien de transiënte stoorspanningen de compatibiliteitsniveaus voor de in de betreffende elektromagnetische omgeving aan te sluiten apparatuur niet overschrijden.
B3.2.5.17
Indien de maatregelen genoemd in B3.2.5.15 niet tot gevolg hebben dat de in dat artikel genoemde capacitieve en inductieve koppeling voldoende worden beperkt, dan wordt gebruik gemaakt van afgeschermde kabels.
B3.2.5.18
De lengte en de doorsnede van de bedrading van de secundaire stroommeetcircuits wordt zo gekozen, dat er geen sprake is van overbelasting van de stroomtransformatoren en geen sprake is van overbelasting van deze bedrading.
B3.2.5.19
Indien de stroomtransformatoren meer dan één overzetting hebben die via omschakeling naar een andere aftakking van de secundaire wikkeling te realiseren zijn, dan is elke aftakking op een goed bereikbaar klemmenbord aangesloten.
B3.2.5.20
Bij aansluitingen via meer dan één distributietransformator waarbij de meetinrichting wordt aangesloten aan de laagspanningszijde van die distributietransformatoren en waarbij stroomsommatie wordt toegepast, wordt in de ontwerpfase rekening gehouden met invloeden inherent aan het toepassen van stroomsommatie die de nauwkeurigheid van de meetinrichting negatief kunnen beïnvloeden.
B3.2.5.21
De nauwkeurigheidsklasse van de sommeerstroomtransformatoren is in het geval genoemd in B3.2.5.20 ten minste gelijk aan de in tabel B genoemde nauwkeurigheidsklasse van stroomtransformatoren toegepast in dezelfde meetinrichting.
B3.2.5.22
De maximaal toelaatbare afwijking van de meetinrichting is in het geval genoemd in B3.2.5.20 ten hoogste gelijk aan de maximaal toelaatbare afwijking die volgens deze code maximaal is toegestaan voor de betreffende meetinrichting.
B3.2.6.1
B3.2.6.1
De nauwkeurigheidsklassen als functie van het gecontracteerd transportvermogen van kWh-meters, kvarh-meters, alsmede van stroom- en spanningstransformatoren in meetinrichtingen bij aansluitingen op hoogspanning zijn vermeld in tabel B. De nauwkeurigheidsklassen zijn gedefinieerd in de in B3.2.1.1, onderdelen a tot en met f, genoemde normen.
B3.2.6.2
De nauwkeurigheidsklassen van kWh-meters, stroom- en spanningstransformatoren in meetinrichtingen voor de registratie van de door de aangeslotenen zelf opgewekte energie bij aansluitingen op hoogspanning zijn vermeld in tabel C als functie van het maximale vermogen van de GCvO-installatie. De nauwkeurigheidsklassen zijn gedefinieerd in de in B3.2.1.1 sub a tot en met e genoemde normen.
B3.2.6.3
De nauwkeurigheidsklassen als functie van het gecontracteerd transportvermogen van kWh-meters en stroomtransformatoren in meetinrichtingen bij aansluitingen op laagspanning zijn vermeld in tabel D. De nauwkeurigheidsklassen zijn gedefinieerd in de in B3.2.1.1, onderdelen b en d, genoemde normen.
B3.2.6.4
De nauwkeurigheidsklassen van kWh-meters en stroomtransformatoren in meetinrichtingen voor de registratie van de door de aangeslotenen zelf opgewekte energie bij aansluitingen op laagspanning zijn vermeld in tabel E als functie van het maximale vermogen van de GCvO-installatie. De nauwkeurigheidsklassen zijn gedefinieerd in de in B3.2.1.1 sub b en d genoemde normen.
B3.2.6.5
Een meetinrichting bij aansluitingen met een gecontracteerd transportvermogen van 1 MW en groter omvat twee elkaar controlerende kWh-meters: de hoofd- en controlemeter.
B3.2.6.6
De hoofd- en controlemeter genoemd in B3.2.6.5 zijn van een type waarvoor is aangetoond dat deze voldoet aan de nauwkeurigheidsklasse genoemd in tabel B respectievelijk tabel C.
B3.2.6.7
Een meetinrichting bij aansluitingen op hoogspanning met een gecontracteerd transportvermogen van 5 MW en groter, omvat naast het gestelde in B3.2.6.5, per fase twee stroomtransformatoren, waarbij elk stroomcircuit van ieder van de kWh-meters, de hoofd- en controlemeter, is aangesloten op een eigen stroomtransformator.
B3.2.6.8
In het geval genoemd in B3.2.6.7 mag worden volstaan met het installeren van één stroomtransformator per fase met twee meetkernen, waarbij het stroomcircuit van ieder van de kWh-meters, de hoofd- en controlemeter, is aangesloten op een eigen meetkern.
B3.2.6.9
Bij een gecontracteerd transportvermogen van 5 MW en groter is de bedrading van de spanningscircuits, inclusief de beveiligingen ervan, separaat uitgevoerd voor elk van de elkaar controlerende kWh-meters genoemd in B3.2.6.5.
B3.2.6.10
De resolutie van de te registreren energie gedurende de meetperiode is beter dan 1 kWh, of, indien dat hoger is, beter dan 0,5.k% van de geregistreerde energie bij een vermogen dat gelijk is aan het nominale meetvermogen van de meetinrichting. k is het klassecijfer van de kWh- meter.
B3.2.6.11
Indien als gevolg van de eindige resolutie een deel van de in de meetperiode geleverde energie niet wordt geregistreerd in die periode, dan dient dat deel in de daarop volgende meetperiode te worden geregistreerd.
B3.2.6.12
B3.3. Controle van meetinrichtingen bij aansluitingen op hoogspanningsniveau
B3.3.1. Controle voordat de meetinrichting wordt geïnstalleerd
De belasting van een stroomtransformator ligt bij voorkeur zo dicht mogelijk bij zijn nominale belasting.
B3.2.6.14
De belasting van een stroomtransformator met een nominale belasting van minder dan 4 VA bedraagt ten minste 1 VA en bedraagt bij voorkeur de nominale belasting van de stroomtransformator.
B3.2.6.15
In afwijking van B3.2.6.12 mag de belasting van een spanningstransformator minder dan 25% van zijn nominale belasting bedragen, indien het volgende is aangetoond aan de hand van resultaten van een kalibratie. De fouten van de spanningstransformator overschrijden bij de betreffende belasting niet de waarden voor de maximaal toelaatbare afwijking die volgens de norm vermeld in B3.2.1, onderdeel f, gelden voor een belasting tussen 25% en 100% van de nominale belasting van de spanningstransformator.
B3.2.6.16
De spannings- en hoekfout veroorzaakt door spanningsverliezen in een spanningsmeetcircuit van een meetinrichting bij een aansluiting op hoogspanning als gevolg van bedradingsweerstanden, de weerstand van de smeltveiligheid alsmede de weerstand van andere verbindingen is maximaal gelijk aan 10% van de spannings- respectievelijk hoekfout die volgens het klassecijfer maximaal is toegestaan voor de toegepaste spanningstransformator.
B3.2.6.17
In tabel F zijn als functie van het klassecijfer van de spanningstransformator de maximaal door de spanningsverliezen te veroorzaken spannings- en hoekfouten gegeven.
B3.2.6.18
Als gevolg van het in B3.2.6.16 en B3.2.6.17 bepaalde, mogen in een spanningsmeetcircuit geen spanningskeuzerelais worden toegepast.
B3.2.6.19
De spanningsverliezen in een spanningsmeetcircuit van een meetinrichting bij een aansluiting op laagspanning als gevolg van bedradingsweerstanden, de weerstand van de smeltveiligheid alsmede de weerstand van andere verbindingen zijn maximaal gelijk aan 0,05% van de nominale netspanning.
B3.2.6.20
B3.3.2. Controle nadat de meetinrichting is geïnstalleerd
B3.2.6.21
Een meetinrichting bij driefasige aansluitingen is uitgevoerd als vierleidermeetinrichting.
B3.2.6.22
De kWh-meters en in voorkomend geval de kvarh-meters zijn volgens de juiste configuratie aangesloten.
B3.2.6.23
Het in B3.2.6.22 bepaalde betekent, dat de meetspanningen en meetstromen qua polariteit en fasevolgorde correct dienen te zijn aangesloten op de spannings- en stroomcircuits van de kWh-meters en in voorkomend geval de kvarh-meters.
B3.3.2.2
B3.3.1.1
B3.3.1.1
Voordat de meetinrichting bij een aansluiting op hoogspanning wordt geïnstalleerd, verricht de meetverantwoordelijke de controles genoemd in B3.3.1.2 tot en met B3.3.1.7.
B3.3.1.2
De meetverantwoordelijke controleert door middel van kalibratie of de kWh-meters, kvarh-meters, stroom- en spanningstransformatoren voldoen aan de nauwkeurigheidseisen welke gelden voor de nauwkeurigheidsklassen die op grond van B3.2.6.1 tot en met B3.2.6.4 van toepassing zijn.
B3.3.1.3
De meetverantwoordelijke voert de kalibratie genoemd in B3.3.1.2 uit met behulp van ijkapparatuur die jaarlijks herleidbaar naar nationale standaarden wordt gekalibreerd en waarvan de nauwkeurigheid in relatie tot de klassenauwkeurigheid van het meetmiddel bij voorkeur een factor 5, doch ten minste een factor 3 beter is.
B3.3.1.4
Op de in B3.3.1.2 genoemde kalibratie zijn de nauwkeurigheidseisen van de betreffende norm genoemd in B3.2.1.1 van toepassing.
B3.3.1.5
Een kWh-meter of kvarh-meter die in een nieuwe meetinrichting wordt herplaatst en niet langer dan 5 jaar geleden aan een meettechnische controle is onderworpen, hetzij door middel van een in B3.3.1.2 genoemde kalibratie, hetzij door middel van een in B3.3.3.3 genoemde controle, behoeft door de meetverantwoordelijke niet te worden gekalibreerd mits:
B3.3.1.6
De meetverantwoordelijke controleert door middel van de in B3.3.1.2 genoemde kalibratie of de kWh-meters en kvarh-meters die langer dan 5 jaar geleden aan een controle zijn onderworpen, voldoen aan de nauwkeurigheidseisen welke gelden voor de nauwkeurigheidsklassen die op grond van B3.2.6.1 tot en met B3.2.6.4 van toepassing zijn, met dien verstande dat de waarden voor de maximaal toelaatbare afwijking maximaal 1,5 maal de waarden voor de maximaal toelaatbare afwijking mogen bedragen die volgens de normen genoemd in B3.2.1.1 sub a, b en e maximaal toelaatbaar zijn.
B3.3.1.7
De meetverantwoordelijke controleert of de data foutloos in de databuffers worden opgeslagen. Indien de databuffers zodanig zijn aangepast dat rechtstreeks de verbruikte energie en in voorkomend geval de blindenergie worden vastgelegd, dan controleert de meetverantwoordelijke of deze aanpassing zodanig is dat de energie en blindenergie juist worden geregistreerd.
B3.3.2.1
B3.3.2.1
Nadat de meetinrichting bij een aansluiting op hoogspanning is geïnstalleerd, verricht de meetverantwoordelijke binnen één maand de in de B3.3.2.3 tot en met B3.3.2.22 genoemde controles.
B3.3.2.2
De meetverantwoordelijke controleert binnen een half jaar of de belasting van de afzonderlijke stroom- en spanningstransformatoren voldoet aan het in B3.2.6.12 tot en met B3.2.6.15 bepaalde.
B3.3.2.3
De meetverantwoordelijke controleert de in B3.3.2.2 genoemde belasting van iedere stroomtransformator door middel van een meting aan de secundaire stroomklemmen. Indien de secundaire stroomklemmen om veiligheidsredenen niet bereikbaar zijn, bepaalt de meetverantwoordelijke de belasting door een combinatie van meten en berekenen. De meetverantwoordelijke meet aan de bereikbare klemmen in het stroommeetcircuit en berekent de belasting gevormd door de bedrading tussen de klemmen waaraan wordt gemeten en de secundaire klemmen van de stroomtransformator.
B3.3.2.4
De meetverantwoordelijke controleert of de som van de spanningsverliezen – uitgedrukt in een percentage van de nominale secundaire meetspanning – over de bedrading van elk spanningsmeetcircuit en over de smeltveiligheden waarmee dat circuit is beveiligd, minder is dan 0,15 maal het klassecijfer van de toegepaste spanningstransformatoren.
B3.3.2.5
De in B3.3.2.4 genoemde controle geschiedt door een combinatie van meten en berekenen van de spanning over de bedrading van het spanningsmeetcircuit, inclusief de smeltveiligheden, en andere verbindingen.
B3.3.2.6
De meetverantwoordelijke controleert of de lengte en de doorsnede van de bedrading van de stroommeetcircuits voldoen aan het bepaalde in B3.2.5.18.
B3.3.2.7
De meetverantwoordelijke controleert of de meetconfiguratie voldoet aan het bepaalde in B3.2.6.21 tot en met B3.2.6.23.
B3.3.2.8
De meetverantwoordelijke controleert of de waarde van de smeltveiligheden toegepast in de spanningsmeetcircuits voldoet aan het bepaalde in B3.2.4.16 tot en met B3.2.4.18.
B3.3.2.9
De meetverantwoordelijke controleert of de nominale secundaire stroom en spanning vermeld op de kWh-meters en in voorkomend geval op de kvarh- meters gelijk zijn aan de nominale secundaire stroom en spanning vermeld op de spannings- en stroomtransformatoren als bedoeld in B3.2.4.12 en B3.2.5.9.
B3.3.2.10
De meetverantwoordelijke controleert of de maximale stroom vermeld op de kWh-meters en in voorkomend geval op de kvarh-meters voldoet aan het bepaalde in B3.2.5.10.
B3.3.2.11
B3.3.3. Controle van in gebruik zijnde meetinrichtingen
B3.3.2.12
Indien de spanningstransformatoren of stroomtransformatoren meer dan één overzetting hebben, dan controleert de meetverantwoordelijke met behulp van een vergelijkende meting of de juiste overzetting in bedrijf is.
B3.3.2.13
De meetverantwoordelijke controleert of de overzettingen van de spannings- en stroomtransformatoren overeenstemmen met de gegevens hieromtrent opgenomen in de technische administratie genoemd in artikel 4.3.3.1 van deze code en overeenstemmen met de gegevens gebruikt voor de verrekening.
B3.3.2.14
De meetverantwoordelijke controleert of de meetinrichting overeenkomstig paragraaf 4.1.2.1 tot en met 4.1.2.4 van deze code is verzegeld.
B3.3.2.15
De meetverantwoordelijke controleert of de meting geschiedt overeenkomstig het bepaalde in 4.3.5.8 en 4.3.5.2 van deze code.
B3.3.2.16
De meetverantwoordelijke controleert of meettransformatoren zijn geaard overeenkomstig het bepaalde in B3.2.4.5 tot en met B3.2.4.7 en B3.2.5.12 tot en met B3.2.5.14.
B3.3.2.17
De meetverantwoordelijke controleert of overeenkomstig B3.3.2.18 tot en met B3.3.2.20 de overdracht van de data naar het datacollectiepunt, genoemd in paragraaf 5.3.1 van deze code, foutloos geschiedt.
B3.3.2.18
Indien de meetinrichting is uitgerust met externe databuffers, controleert de meetverantwoordelijke de dataverbindingen tussen de kWh-meters en de databuffers.
B3.3.2.19
De meetverantwoordelijke leest ter controle van de data ontvangen op het datacollectiepunt van ten minste vijf opeenvolgende meetperioden de data opgeslagen in de databuffers ter plaatse uit.
B3.3.2.20
De overdracht van de data geschiedt foutloos, indien de in B3.3.2.19 genoemde uitgelezen data niet verschillen van de data ontvangen op het datacollectiepunt.
B3.3.2.21
In afwijking van B3.3.2.18 tot en met B3.3.2.20 kan gedurende een aantal opeenvolgende meetperioden een gedoseerde hoeveelheid energie aan de kWh-meters van de meetinrichting worden toegevoerd. De overdracht van data geschiedt dan foutloos indien de afwijking tussen enerzijds de gedoseerde hoeveelheid energie en anderzijds de daarop betrekking hebbende data vastgelegd in het datacollectiepunt niet groter is dan de afwijking welke overeenkomt met de nauwkeurigheid van de meters met inachtneming van de resolutie waarmee de data in de databuffers worden vastgelegd.
B3.3.2.22
Nadat werkzaamheden aan een meetinrichting zijn verricht, herhaalt de meetverantwoordelijke de in deze paragraaf genoemde controles indien redelijkerwijs kan worden verondersteld, dat de werkzaamheden van invloed zijn geweest op de werking van de meetinrichting.
B3.3.3.1
B3.3.3.1
Bij een in gebruik zijnde meetinrichting bij een aansluiting op hoogspanning verricht de meetverantwoordelijke een keer per zes jaar de in B3.3.3.2 tot en met B3.3.3.10 genoemde controles.
B3.3.3.2
Voor een in gebruik zijnde kWh-meter en kvarh-meter gelden waarden voor de maximaal toelaatbare afwijking die twee keer zo groot zijn als de waarden voor de maximaal toelaatbare afwijking die op grond van B3.2.6.1 en B3.2.6.2 van toepassing zijn voor een nieuwe kWh-meter respectievelijk kvarh-meter van dezelfde nauwkeurigheidsklasse.
B3.3.3.3
De meetverantwoordelijke controleert of de kWh-meters en in voorkomende gevallen de kvarh-meters voldoen aan de nauwkeurigheidseisen welke volgens B16.3.3.2 van toepassing zijn.
B3.3.3.4
Indien de meetverantwoordelijke constateert dat de maximaal toelaatbare afwijking van een kWh-meter en in voorkomende geval van een kvarh- meter 1,5 keer de toelaatbare foutgrens van een nieuwe kWh-meter respectievelijk kvarh-meter overschrijdt, dan wordt die kWh-meter respectievelijk kvarh-meter vervangen.
B3.3.3.5
De controle geschiedt ter plaatse waar de meetinrichting is geïnstalleerd of in een meterlaboratorium.
B3.3.3.6
B3.4. Controle van meetinrichtingen bij aansluitingen op laagspanningsniveau
B3.4.1. Controle voordat een meetinrichting wordt geïnstalleerd
In afwijking van B3.3.3.1 mag bij meetinrichtingen waarin een controle kWh-meter als bedoeld in B3.2.6.5 en in voorkomende geval een controle kvarh-meter is geïnstalleerd, de meetverantwoordelijke afwisselend één keer per drie jaar de hoofdmeter en de controlemeter controleren.
B3.3.3.8
De meetverantwoordelijke controleert of de spanningsverliezen over de smeltveiligheden (inclusief de zekeringhouder) in de spanningsmeetcircuits van meetinrichtingen aangesloten op hoogspanning bij een nominale secundaire meetspanning van circa 60 V niet meer dan 10 mV bedragen en bij een nominale secundaire meetspanning van circa 130 V niet meer dan 20 mV.
B3.3.3.9
De meetverantwoordelijke controleert of de spanningsverliezen over de smeltveiligheden in de spanningsmeetcircuits van meetinrichtingen aangesloten op laagspanning niet meer dan 60 mV bedragen.
B3.3.3.10
De meetverantwoordelijke controleert de kleur van de bedrading van de stroom- en spanningsmeetcircuits.
B3.3.3.11
Indien de bedrading is verkleurd, onderzoekt de meetverantwoordelijke of dit ten gevolge van overbelasting is.
B3.3.3.12
In afwijking van het in B3.3.3.1 bepaalde, controleert de meetverantwoordelijke steeds binnen 72 uur nadat een wijziging in of toevoeging aan de installatie van de aangeslotene is aangebracht, of de belasting in overeenstemming is met het bepaalde in B3.2.6.12 tot en met B3.2.6.15.
B3.3.3.13
Indien twee elkaar controlerende meters zijn geïnstalleerd als bedoeld in B3.2.6.5, dan controleert de meetverantwoordelijke ten minste een keer per jaar of het in procenten uitgedrukte verschil in registratie van deze meters maximaal twee keer het klassecijfer van deze meters bedraagt.
B3.3.3.14
Indien naast twee elkaar controlerende meters ook per fase twee stroomtransformatoren of één stroomtransformator met twee meetkernen als bedoeld in B3.2.6.7 respectievelijk B3.2.6.8 zijn geïnstalleerd, dan controleert de meetverantwoordelijke ten minste een keer per jaar of het in procenten uitgedrukte verschil in registratie van de twee meters maximaal de som van twee keer het klassecijfer van de meters en eenmaal het klassecijfer van de stroomtransformatoren bedraagt.
B3.3.3.15
B3.4.2. Controle nadat de meetinrichting is geïnstalleerd
B3.3.3.16
Indien de meetverantwoordelijke constateert, dat het verschil in registratie de in B3.3.3.13 of B3.3.3.14 bedoelde waarde overschrijdt, dan verricht de meetverantwoordelijke onverwijld de in B3.3.3.2 tot en met B3.3.3.7 genoemde controles.
B3.3.3.17
Naast de in deze paragraaf genoemde controles verricht de meetverantwoordelijke de in B3.3.2.4, B3.3.2.5 en B3.3.2.7 tot en met B3.3.2.21 genoemde controles.
B3.4.2.1
B3.4.1.1
B3.4.1.1
Voordat een meetinrichting bij een aansluiting op laagspanning wordt geïnstalleerd, verricht de meetverantwoordelijke de in B3.4.1.2 tot en met B3.4.1.7 genoemde controles.
B3.4.1.2
De meetverantwoordelijke controleert door middel van kalibratie of de kWh-meters, kvarh-meters en stroomtransformatoren voldoen aan de nauwkeurigheidseisen welke gelden voor de nauwkeurigheidsklassen die op grond van B3.2.6.3 van toepassing zijn.
B3.4.1.3
De meetverantwoordelijke voert de kalibratie genoemd in B3.4.1.2 uit met behulp van ijkapparatuur die jaarlijks herleidbaar naar nationale standaarden wordt gekalibreerd en waarvan de nauwkeurigheid in relatie tot de klassenauwkeurigheid van het meetmiddel bij voorkeur een factor 5, doch ten minste een factor 3 beter is.
B3.4.1.4
Op de in B3.4.1.2 genoemde kalibratie zijn de nauwkeurigheidseisen van de betreffende norm genoemd in B3.2.1.1 van toepassing.
B3.4.1.5
Een kWh-meter of kvarh-meter die in een nieuwe meetinrichting wordt herplaatst en niet langer dan 5 jaar geleden aan een meettechnische controle is onderworpen, hetzij door middel van een in B3.4.1.2 genoemde kalibratie, hetzij door middel van een in B3.4.3.3 genoemde controle, behoeft door de meetverantwoordelijke niet te worden gekalibreerd mits:
B3.4.1.6
De meetverantwoordelijke controleert door middel van de in B3.4.1.2 genoemde kalibratie of de kWh-meters en kvarh-meters die langer dan 5 jaar geleden aan een controle zijn onderworpen, voldoen aan de nauwkeurigheidseisen welke gelden voor de nauwkeurigheidsklassen die op grond van B3.2.6.3 van toepassing zijn, met dien verstande dat de waarden voor de maximaal toelaatbare afwijking maximaal 1,5 maal de waarden voor de maximaal toelaatbare afwijking mogen bedragen die volgens de normen genoemd in B3.2.1.1, onderdelen b en d, maximaal toelaatbaar zijn.
B3.4.1.7
De meetverantwoordelijke kan de in B3.4.1.2 genoemde controle met betrekking tot de stroomtransformatoren steekproefsgewijs uitvoeren, indien sprake is van grotere aantallen en de fabrikant de kwaliteit van zijn productieproces voldoende beheerst. De steekproef is gebaseerd op de norm ISO 3951 waarbij AQL =1 en Inspection Level = IV.
B3.4.1.8
Van in B3.4.1.7 genoemde voldoende beheersing is sprake, indien het productieproces van een fabrikant van stroomtransformatoren ten minste is gecertificeerd op basis van ISO 9001: 2000, tenzij uit de resultaten van de in B3.4.1.7 bedoelde steekproefsgewijze controle blijkt, dat de fabrikant het productieproces onvoldoende beheerst.
B3.4.2.1
B3.4.2.1
Nadat de meetinrichting bij een aansluiting op laagspanning is geïnstalleerd, verricht de meetverantwoordelijke binnen één maand de in B3.4.2.3 tot en met B3.4.2.24 genoemde controles.
B3.4.2.2
De meetverantwoordelijke controleert binnen een half jaar of de belasting van de afzonderlijke stroomtransformatoren voldoet aan het bepaalde in B3.2.6.12 tot en met B3.2.6.14.
B3.4.2.3
De meetverantwoordelijke controleert de in B3.4.2.2 genoemde belasting van iedere stroomtransformator door middel van een meting aan de secundaire stroomklemmen. Indien de secundaire stroomklemmen om veiligheidsredenen niet bereikbaar zijn, bepaalt de meetverantwoordelijke de belasting door een combinatie van meten en berekenen. De meetverantwoordelijke meet aan de bereikbare klemmen in het stroommeetcircuit en berekent de belasting gevormd door de bedrading tussen de klemmen waaraan wordt gemeten en de secundaire klemmen van de stroomtransformator.
B3.4.2.4
De meetverantwoordelijke controleert of de spanningsverliezen in de spanningsmeetcircuits voldoen aan het bepaalde in B3.2.6.19.
B3.4.2.5
De in B3.4.2.4 genoemde controle geschiedt door het meten van de spanning over de bedrading van het spanningsmeetcircuit, inclusief de smeltveiligheden, en andere verbindingen.
B3.4.2.6
De meetverantwoordelijke controleert of de lengte en de doorsnede van de bedrading van de stroommeetcircuits voldoen aan het bepaalde in B3.2.5.18.
B3.4.2.7
De meetverantwoordelijke controleert of de meetconfiguratie voldoet aan het bepaalde in B3.2.6.21 tot en met B3.2.6.23.
B3.4.2.8
De meetverantwoordelijke controleert of de waarde van de in de spanningsmeetcircuits toegepaste smeltveiligheden voldoet aan het bepaalde in B3.2.4.19 en B3.2.4.20.
B3.4.2.9
De meetverantwoordelijke verricht bij meetinrichtingen aangesloten via stroomtransformatoren de in B3.4.2.11 tot en met B3.4.2.14 genoemde controles.
B3.4.2.10
De meetverantwoordelijke verricht bij meetinrichtingen die niet via stroomtransformatoren zijn aangesloten de in B3.4.2.15 genoemde controle.
B3.4.2.11
De meetverantwoordelijke controleert of de nominale secundaire stroom vermeld op de kWh-meters en in voorkomend geval op de kvarh-meters gelijk is aan de nominale secundaire stroom vermeld op de stroomtransformatoren als bedoeld in B3.2.5.9.
B3.4.2.12
De meetverantwoordelijke controleert of de maximale stroom vermeld op de kWh-meters en in voorkomend geval de kvarh-meters voldoet aan het bepaalde in B3.2.5.10.
B3.4.2.13
B3.4.3. Controle van in gebruik zijnde meetinrichtingen
B3.4.2.14
Indien de stroomtransformatoren meer dan één overzetting hebben, dan controleert de meetverantwoordelijke met behulp van een vergelijkende meting of de juiste overzetting in bedrijf is.
B3.4.2.15
De meetverantwoordelijke controleert of aan het bepaalde in B3.2.5.11 is voldaan.
B3.4.2.16
De meetverantwoordelijke controleert of de overzettingen van de stroomtransformatoren overeenstemmen met de gegevens hieromtrent opgenomen in de technische administratie van artikel 4.3.3.1 van deze code en overeenstemmen met de gegevens gebruikt voor de verrekening.
B3.4.2.17
De meetverantwoordelijke controleert of de meetinrichting overeenkomstig 4.1.2.1 tot en met 4.1.2.4 van deze code is verzegeld.
B3.4.2.18
De meetverantwoordelijke controleert of de meting geschiedt overeenkomstig het bepaalde in 4.3.5.8 en 4.3.5.2 van deze code.
B3.4.2.19
De meetverantwoordelijke controleert voor zover van toepassing – of overeenkomstig B3.4.2.20 tot en met B3.4.2.22 de overdracht van de data naar het datacollectiepunt, genoemd in paragraaf 5.3.1 van deze code, foutloos geschiedt.
B3.4.2.20
Indien de meetinrichting is uitgerust met externe databuffers, controleert de meetverantwoordelijke de dataverbindingen tussen de kWh-meters en de databuffers.
B3.4.2.21
De meetverantwoordelijke leest van een aantal opeenvolgende meetperioden de data opgeslagen in de databuffers ter plaatse uit.
B3.4.2.22
De overdracht van de data geschiedt foutloos, indien de in B3.4.2.21 genoemde uitgelezen data niet verschillen van de data ontvangen op het datacollectiepunt.
B3.4.2.23
In afwijking van B3.4.2.20 tot en met B3.4.2.22 kan gedurende een aantal opeenvolgende meetperioden een gedoseerde hoeveelheid energie aan de kWh-meters van de meetinrichting worden toegevoerd. De overdracht van data geschiedt dan foutloos indien de afwijking tussen enerzijds de gedoseerde hoeveelheid energie en anderzijds de daarop betrekking hebbende data vastgelegd in het datacollectiepunt niet groter is dan de afwijking welke overeenkomt met de nauwkeurigheid van de meters met inachtneming van de resolutie waarmee de data in de databuffers worden vastgelegd.
B3.4.2.24
Nadat werkzaamheden aan een meetinrichting zijn verricht, herhaalt de meetverantwoordelijke de in deze paragraaf genoemde controles indien redelijkerwijs kan worden verondersteld, dat de werkzaamheden van invloed zijn geweest op de werking van de meetinrichting.
B3.4.3. Controle van in gebruik zijnde meetinrichtingen
B3.4.3.1
Bij een in gebruik zijnde meetinrichting bij een aansluiting op laagspanning verricht de meetverantwoordelijke een keer per zes jaar de in B3.4.3.2 tot en met B3.4.3.8 en B3.4.3.11 genoemde controles.
Bijlage 4. Erkenningsregelingen
Tabellen
B4.1.1. Algemeen
De meetverantwoordelijke controleert of de kWh-meters en in voorkomende gevallen de kvarh-meters voldoen aan de nauwkeurigheidseisen welke volgens B3.4.3.2 van toepassing zijn.
B3.4.3.4
Indien de meetverantwoordelijke constateert, dat de maximaal toelaatbare afwijking van een kWh-meter, en in voorkomende gevallen van een kvarh- meter 1,5 keer de toelaatbare foutgrens van een nieuwe kWh-meter respectievelijk kvarh-meter overschrijdt, dan wordt die kWh-meter respectievelijk kvarh-meter vervangen.
B3.4.3.5
B4.1.2. Het plaatsen van op afstand uitleesbare kleinverbruikmeetinrichtingen en erkenning als meterplaatser
B3.4.3.6
Controle ter plaatse geschiedt zonder onderbreking van de meting. De heersende belasting bedraagt alsdan meer dan 10% van het op de desbetreffende aansluiting gecontracteerd transportvermogen.
B3.4.3.7
De meetverantwoordelijke controleert of de spanningsverliezen over de smeltveiligheden in de spanningsmeetcircuits maximaal 60 mV bedragen.
B3.4.3.8
De meetverantwoordelijke controleert de kleur van de bedrading van de stroom- en spanningsmeetcircuits.
B3.4.3.9
Indien de bedrading is verkleurd, onderzoekt de meetverantwoordelijke of dit ten gevolge van overbelasting is.
B3.4.3.10
In afwijking van het bepaalde in B3.4.3.1, controleert de netbeheerder steeds binnen 72 uur nadat de belasting is gewijzigd, of de belasting in overeenstemming is met het bepaalde in B3.2.6.12 tot en met B3.2.6.14.
B3.4.3.11
Naast de in deze paragraaf genoemde controles verricht de meetverantwoordelijke de in B3.4.2.4 en B3.4.2.7 tot en met B3.4.2.23 genoemde controles.
*) Indien de gemiddelde belasting groter is dan 20% van het nominale meetvermogen.
*) Indien de gemiddelde belasting groter is dan 20% van het nominale meetvermogen.
B4.1.2.6
Een natuurlijk persoon die beschikt over een door Stipel uitgegeven geldig persoonscertificaat VOP-meters voor elektriciteit en gas en over een VCA-certificaat wordt geacht voldoende onderricht te zijn voor het uitvoeren van werkzaamheden die verband houden met het plaatsen van op afstand uitleesbare kleinverbruikmeetinrichtingen.
B4.1.1.1
B4.1.1.1
De gezamenlijke netbeheerders wijzen de instantie aan die alle meterplaatsers erkent voor zowel meterplaatsing van elektriciteitsmeters als meterplaatsing van gasmeters, hierna te noemen: de MP-erkenner.
B4.1.1.2
De erkenning tot meterplaatser is noodzakelijk voor alle personen, behoudens de netbeheerders, die de activiteiten uitvoeren zoals beschreven in 1.2.2.1.
B4.1.2.1
B4.1.3. Het MP-register
De MP-erkenner kan aan een persoon een erkenning als meterplaatser verlenen.
B4.1.2.2
De meterplaatser heeft het recht om het deel van de op afstand uitleesbare kleinverbruikmeetinrichting dat geplaatst moet worden in het perceel van de aangeslotene, te plaatsen.
B4.1.2.3
Het in B4.1.2.2 genoemde recht is niet overdraagbaar.
B4.1.2.4
De meterplaatser mag het in B4.1.2.2 genoemde recht uitoefenen met ingang van de dag die volgt op de dag waarop hij als zodanig in het MP- register, bedoeld in B4.1.4, is ingeschreven.
B4.1.2.5
Een persoon komt voor erkenning als meterplaatser in aanmerking indien:
B4.1.2.6
B4.1.4. Einde van erkenning als meterplaatser
B4.1.2.7
Het aanvragen van erkenning geschiedt schriftelijk.
B4.1.2.8
Op een aanvraag om erkenning wordt binnen tien werkdagen schriftelijk beslist.
B4.1.2.9
De MP-erkenner kan een voorlopige erkenning verlenen voor de duur van zes maanden. Heeft de aanvrager niet binnen deze zes maanden aan het in artikel B4.1.2.5 gestelde voldaan, dan wordt het verzoek om erkenning alsnog afgewezen.
B4.1.2.10
Een meterplaatser is verplicht de MP-erkenner binnen tien werkdagen alle wijzigingen van gegevens die voor de erkenning van belang zijn, op te geven, daaronder begrepen het niet meer voldoen aan de in B4.1.2.5 genoemde voorwaarden.
B4.2. Erkenningsregeling voor meetverantwoordelijken
B4.1.3. Het MP-register
B4.1.3.1
B4.1.3.1
De MP-erkenner beheert een register, hierna te noemen het MP-register, waarin de namen, adressen, telefoon- en faxnummers alsmede de gegevens ten behoeve van elektronische gegevensuitwisseling zijn vermeld van de in B4.1.2.1 bedoelde personen.
B4.1.3.2
De MP-erkenner deelt aan de meterplaatser de datum van zijn inschrijving in het MP-register mee.
B4.1.3.3
Een meterplaatser heeft het recht het MP-register in te zien en hem betreffende onjuistheden daarin te doen corrigeren.
B4.1.3.4
Wijzigingen in het MP-register geeft de MP-erkenner onverwijld door aan de netbeheerders en meterplaatsers.
B4.1.3.5
De MP-erkenner publiceert het MP-register op zijn website.
B4.1.4.1
B4.1.4.1
De MP-erkenner kan de erkenning van een meterplaatser intrekken indien de meterplaatser niet meer aan alle in B4.1.2.5 genoemde erkenningsvoorwaarden voldoet.
B4.1.4.2
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)