Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie, van 21 juni 2016, nr. 772234, houdende regels dan wel nadere regels over de functies en de daarbij behorende taken, competenties, competentieniveaus, alsmede het geneeskundig onderzoek, de dienstkleding en de gelijkstelling van diploma’s voor het personeel van het brandweerkorps van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Regeling personeel brandweer BES)

Type Ministeriele Regeling Bes
Publication 2016-07-01
State In force
Source BWB
artikelen 6
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

1.9.3.1. Uitwerking kerntaken, keuzes en dilemma’s en beoordelingscriteria

Werkzaamheden vergunningen met brandweer gerelateerde aspecten

Neemt deel aan vooroverleg met internen (collega’s) en externen.

Toetst het onderdeel brandveiligheid van de aanvraag op volledigheid en juistheid. Toetst standaardvergunningen (waarbij geen gelijkwaardigheid is toegepast) en stelt indien nodig aanvullende eisen en/of voorwaarden op met betrekking tot onder andere:

Stelt een schriftelijk advies op voor de vergunning verlenende afdelingen.

Vergunningen op basis van geldende voorwaarden in het kader van het brandveilig gebruik:

Neemt deel aan vooroverleg met internen (collega’s) en externen.

Beoordeelt het onderdeel brandveiligheid van de aanvraag op volledigheid en juistheid.

Beoordeelt de aanvraag inhoudelijk en stelt indien nodig aanvullende eisen en voorwaarden op.

Toetst het object aan de hand van tekeningen, eventueel ter plaatse.

Stelt een schriftelijk advies op voor de vergunning verlenende afdelingen.

Beoordeelt de organisatorische voorzieningen (bijv. ontruimingsplan).

Keuzes en dilemma’s:

Moet de grenzen van zijn kennis en kunde kennen en weten wanneer hij een hoger niveau moet inschakelen.

Moet zich bewust zijn van de impact van zijn eisen voor de aanvrager.

Moet kunnen inschatten wanneer het (voor)overleg wordt gebruikt om het vergunningsproces goed te laten verlopen en wanneer er oneigenlijk gebruik wordt gemaakt van zijn expertise.

Handelt in de geest van de eed/integriteitsverklaring in geval van omkoping, intimidatie, agressie of bekendheid met de persoon/de situatie (belangenverstrengeling).

Beoordelingscriteria:

Past de regelgeving correct toe.

Is in staat om tijdig een helder, compleet en inhoudelijk goed schriftelijk advies op te stellen.

Heeft overtuigingskracht d.w.z. dat hij zijn advies krachtig naar voren kan brengen zodat anderen ervoor gewonnen worden.

Weegt de belangen van betrokkenen.

Bereikt de doelen van het (voor)overleg: voor de andere partij is duidelijk wat er van hem verwacht wordt en wat hij terug kan verwachten.

Kan tekeningen lezen.

Heeft basiskennis op het gebied van installatietechniek.

Werkzaamheden:

Kan het dossier op volledigheid beoordelen.

Voert op locatie een inspectie uit: tijdens de bouw, periodiek tijdens het gebruik en n.a.v. klachten.

Geeft bij een inspectie, in samenwerking met andere inspectie- instellingen, op onderdelen een (schriftelijk) oordeel aan de vergunningverlener.

Neemt passende maatregelen bij direct levensbedreigende situaties.

Stelt inspectie-/controlerapport op voor de eigen organisatie (dossiervorming).

Stelt instructies op voor de controleur brandpreventie en beoordeelt de kwaliteit van de rapportages.

Voert (zo nodig) her-inspectie uit.

Signaleert repressieve aandachtspunten en communiceert deze met de betreffende afdeling van het brandweerkorps.

Keuzes en dilemma’s:

Moet de grenzen van zijn kennis en kunde kennen en weten wanneer hij een hoger niveau moet inschakelen.

Handelt in de geest van de eed/integriteitsverklaring in geval van omkoping, intimidatie, agressie of bekendheid met de persoon/de situatie (belangenverstrengeling).

Moet afwegen waar de ruimte zit tussen de regelgeving en de impact van zijn inspectie voor de gebruiker.

Moet afwegen wanneer sprake is van een direct levensbedreigende situatie en wanneer niet.

Moet een juiste prioritering kunnen aanbrengen in de begeleiding van controles en inspecties.

Beoordelingscriteria:

Is in staat om tijdig een helder, compleet en inhoudelijk goed inspectierapport op te stellen.

Is in staat om te bepalen of repressief (veilig) optreden mogelijk is.

Houdt rekening met het gedrag van constructies en materialen bij brand.

Voert de inspectie correct uit: de inspectielijst is volledig en afgewerkt.

Gaat respectvol om met gebruikers van het te inspecteren object.

Heeft overtuigingskracht in woord en geschrift.

Is communicatief vaardig zowel mondeling als schriftelijk.

Heeft een professionele beroepshouding.

Werkzaamheden:

Draagt relevante informatie over binnen het brandweerkorps en overheidsdiensten.

Beoordeelt preventieve informatie op aanvalsplannen en bereikbaarheidskaarten.

Onderhoudt contacten met private relaties en publieke (vergunnings-) partners.

Neemt deel aan overlegvormen binnen de eigen organisatie.

Neemt deel aan project- en werkgroepen.

Keuzes en dilemma’s:

Moet balans vinden tussen zijn rol als vertegenwoordiger van een organisatie en zijn persoonlijke mening over bepaalde zaken (die af kan wijken van wat in de organisatie gangbaar is).

Moet met verschillende doelgroepen kunnen omgaan.

Beoordelingscriteria:

Gebruikt zijn netwerk op het moment dat hij het nodig heeft.

Weet waar en bij wie hij welke kennis kan halen.

Heeft basiskennis van die preparatieve en repressieve activiteiten van de brandweer, die van belang zijn voor zijn vakgebied.

Werkzaamheden:

Geeft voorlichting m.b.t. brandveiligheidsaspecten aan:

Heeft informatieoverdracht over brandpreventieve zaken t.b.v. de repressieve dienst.

Werkt mee aan voorlichtingscampagnes.

Keuzes en dilemma’s:

Moet af kunnen wegen op welke verzoeken om voorlichting hij wel ingaat en op welke verzoeken niet.

Beoordelingscriteria:

Is in staat informatie te geven die doel- en doelgroepgericht is.

Kan goede presentaties verzorgen afgestemd op de doelgroep.

1.9.3.2. Prestatie-indicatoren

De Medewerker brandpreventie beheerst de vereiste competenties zodanig dat hij in staat is om zijn werkzaamheden adequaat uit te voeren. Hij kan omgaan met de keuzes en dilemma’s die hij in zijn werk tegenkomt.

1.9.3.3. Specificaties vakbekwaam worden, vakbekwaam blijven

Niveaubepaling:

Voor de functie is een SBO/MBO werk- en denkniveau vereist.

Studielast:

Nader te bepalen.

Instroomeisen:

Om in te kunnen stromen in de opleiding Medewerker brandpreventie Caribisch Nederland dient men minimaal over een SBO/MBO werk- en denkniveau te beschikken.

Diploma/certificeerbare eenheden:

Het diploma Medewerker brandpreventie Caribisch Nederland wordt uitgereikt als de examinering van de eisen uit dit kwalificatiedossier met een voldoende resultaat is afgerond.

Vakbekwaam blijven:

Gezien de aard van deze functie wordt verwezen naar reguliere mogelijkheden voor blijvende vakbekwaamheid.

1.10. Functie (Vak)Officier van Dienst, zoals genoemd in bijlage 1 van het Besluit brandweer BES

Deel A

1.10.1. Algemene informatie

Functienaam: (Vak)Officier van Dienst

Beschrijving van de functie:

De (Vak)Officier van Dienst geeft leiding aan meerdere eenheden bij repressief optreden en op beheersmatig niveau geeft hij sturing aan een team van enige medewerkers. De (Vak)Officier van Dienst vervult vier rollen. Deze rollen komen in elke (Vak)Officier van Dienst voor. Elke rol brengt wel verschillende verantwoorde- lijkheden met zich mee en vereist andere competenties.

De vier rollen van de (Vak)Officier van Dienst luiden als volgt:

1.10.2. Vakbekwaamheid

De vakbekwaamheid (uitgedrukt in kerntaken en competenties zoals beschreven in deel B) wordt geborgd door middel van opleiden, examineren, bijscholen en oefenen. Aanstelling in de functie van (Vak)Officier van Dienst kan geschieden wanneer de opleiding tot VakOfficier van Dienst Caribisch Nederland is afgerond met een diploma. De werkgever en de brandweerfunctionaris dienen aan te kunnen tonen dat de vakbekwaamheid is onderhouden.

Deel B

1.10.2.1. Kerntaken en taakgebieden

De (Vak)Officier van Dienst stuurt brandweerprocessen aan bij basis en grootschalig monodisciplinair repressief optreden. Hij is eindverantwoordelijk voor de bestrijding van het incident bij basis monodisciplinair repressief optreden.

De (Vak)Officier van Dienst coördineert de multidisciplinaire samenwerking in het motorkapoverleg en start indien nodig het CoPI op. Hij is verantwoordelijk voor het gecoördineerd optreden van alle disciplines ter plaatse van het incident bij routinematige incidenten, vanaf GRIP 1 neemt de (Vak)Officier van Dienst de leiding van het CoPI op zich.

De (Vak)Officier van Dienst informeert en adviseert (gevraagd en ongevraagd) het bevoegd gezag, betrokken diensten, pers en publiek over de bestrijding van het incident en als leider CoPI adviseert, informeert en ondersteunt hij het EBT.

De (Vak)Officier van Dienst stuurt de werkuitvoering van de medewerkers van zijn afdeling aan.

1.10.2.2. Competentiematrix

In de competentiematrix wordt het verband tussen competenties en kerntaken weergegeven. Er zijn drie typen competenties:

Strategische en organisatorische competenties (organisatie);

Sociale, maatschappelijke en communicatieve competenties (omgeving);

Vakmatige en kenniscompetenties (professie).

Daarnaast zijn voor de repressieve brandweerfuncties drie kerncompetenties vastgesteld die voor iedere brandweerfunctionaris noodzakelijk worden geacht om succesvol te kunnen functioneren:

Accuraat;

Stressbestendig;

Samenwerken.

In de cellen van de matrix wordt voor elke competentie het niveau beschreven dat vereist is bij het uitvoeren van de kerntaken. In het competentiewoordenboek (Nbbe versie januari 2011) wordt beschreven welke betekenis de niveaus uit de competentiematrix hebben.

Deel C

1.10.3.1. Uitwerking kerntaken, keuzes en dilemma’s en beoordelingscriteria

Werkzaamheden:

De (Vak)Officier van Dienst stuurt brandweerprocessen aan bij basis en grootschalig monodisciplinair repressief optreden. Hij is eindverantwoordelijk voor de bestrijding van het incident bij basis monodisciplinair repressief optreden. Dit brengt de volgende werkzaamheden met zich mee:

Keuzes en dilemma’s:

Krijgt te maken met situaties waarin hij moet kiezen tussen de veiligheid van eigen personeel versus het redden van slachtoffers. Hierbij spelen factoren mee als inzetsnelheid en beschermingsniveau tijdens de verkenning, redding of inzet (bijv. inzet chemiepak: dit kost tijd en hoeft niet altijd nodig te zijn).

De afweging tussen veiligheid en economische belangen kan een rol spelen.

Moet in een dynamische omgeving onder hoge tijdsdruk beslissingen nemen met verstrekkende gevolgen, op basis van onvolledige informatie (NB: indien informatie is aangeleverd door anderen moet de (Vak)Officier van Dienst de betrouwbaarheid en volledigheid daarvan goed kunnen inschatten). De (Vak)Officier van Dienst moet het risico van verkeerde keuzes voor zichzelf kunnen accepteren en gemaakte keuzes aan anderen kunnen verantwoorden.

Het is belangrijk dat de (Vak)Officier van Dienst vertrouwen en zekerheid uitstraalt naar Bevelvoerders en manschappen, terwijl hij innerlijk onzeker kan zijn over zijn besluiten en aanpak.

Moet de Bevelvoerder in zijn waarde laten tegenover manschappen maar ook durven ingrijpen en hem/haar aanspreken wanneer nodig. Bij het overnemen van het bevel van de Bevelvoerder kan zich de situatie voordoen dat de (Vak)Officier van Dienst het niet eens is met de gekozen aanpak omdat die niet effectief is, of niet veilig. De (Vak)Officier van Dienst moet dan de kracht hebben om in te grijpen richting de Bevelvoerder.

Opschalen of niet? Hierbij gaat het om het maken van de juiste inschatting omtrent de noodzaak van opschalen. Hierbij spelen naast de omvang en (snelheid van) ontwikkeling van het incident ook persoonlijke motieven en emoties een rol (bereidheid om verantwoordelijkheid te delen, vinden dat je zelf het incident moet kunnen bestrijden etc.).

Anticipeert op het ongewenst/behulpzaam gedrag van omstanders.

Anticipeert op persoonlijke betrokkenheid van zijn personeel in relatie tot de bij het incident betrokken personen.

Moet beslissen over wat wel en niet gecommuniceerd wordt, door wie laat je dat doen en hoe houd je er grip op als je zelf niet de boodschapper bent.

Moet kunnen omgaan met de beperkingen van de mogelijkheden die het eiland kan bieden en de beperkingen in bijstand.

Beoordelingscriteria

Communicatie:

Kan volgens de voorgeschreven procedure communiceren.

Kan omgaan met de beschikbare informatiedragers.

Gevaar-/risicoherkenning:

Is in staat om de situatie tactisch te analyseren.

an de bij de taakgebieden toepasselijke gevaren herkennen voor:

Persoonlijke bescherming(smiddelen):

Kan de persoonlijke beschermingsmiddelen hanteren die hij voor zijn taak nodig heeft.

Middelen:

Maakt efficiënt gebruik van de tot zijn beschikking staande middelen en mogelijkheden.

Veiligheid:

Is in staat zodanig het incident te managen dat hij door zijn kennis en manier van handelen vermijdt dat slachtoffers, zijn bevelvoerenden en manschappen, andere hulpverleners en hijzelf in gevaar komen.

Samenwerking met andere hulpverleners:

Kent de taakinhoud van de andere hulpverleners / betrokkenen.

Professionele beroepshouding:

Blijft kalm, objectief en effectief functioneren bij tijdsdruk, tegenslag, teleurstelling of tegenspel en kan omgaan met weerstanden van bijvoorbeeld omstanders.

Geeft duidelijke en uitvoerbare bevelen aan Bevelvoerders waarbij hij rust en gezag uitstraalt.

Zorgt voor een adequate beeldvorming en analyse van het geheel:

Kan tijdig een juist inzetplan overhandigen, maar anticipeert op mogelijke veranderingen middels een plan plus. Handelt situationeel en durft van prioriteit te wisselen; kan deze keuzes goed onderbouwen (adequate oordeels- en besluitvorming).

Creativiteit:

Kan creatief en oplossingsgericht onvoorziene omstandigheden het hoofd bieden en kan beslissen onder tijdsdruk.

Milieu:

Ziet er op toe dat het milieu geen geweld wordt aangedaan.

Werkzaamheden:

De (Vak)Officier van Dienst coördineert de multidisciplinaire samenwerking in het motorkapoverleg. Hij is verantwoordelijk voor het gecoördineerd optreden van alle disciplines ter plaatse van het incident in GRIP 0 situatie. Dit brengt de volgende werkzaamheden met zich mee:

Keuzes en dilemma’s:

Moet balanceren tussen taak (bestrijden incident) en relatie met andere diensten: met het oog op de gezamenlijke veiligheid moet de (Vak)Officier van Dienst kunnen vertrouwen op de medewerking van deelnemers aan het motorkapoverleg bij het uitvoeren van maatregelen, terwijl hij geen formele zeggenschap over hen heeft.

Moet rekening houden met de verschillende (soms strijdige) belangen van alle deelnemers aan het motorkapoverleg.

Moet omgaan met schaarste en beperkingen: de (Vak)Officier van Dienst kan behoefte hebben aan een bepaalde vorm van ondersteuning die dat moment niet geboden kan worden.

Heeft vertrouwen op eigen kennis (die soms ontoereikend is) versus vertrouwen op de kennis van deskundigen.

Moet beslissen over wat wel en niet gecommuniceerd wordt, door wie laat je dat doen en hoe houd je er grip op als je zelf niet de boodschapper bent.

Moet omgaan met tijdige beschikbaarheid versus volledigheid van informatie: het gaat hierbij om het dilemma dat je anderen bij voorkeur informeert wanneer de situatie duidelijk en stabiel is, terwijl je toch gedwongen kunt zijn om op basis van onvolledige informatie iets te communiceren (bijvoorbeeld omdat publiek ingelicht moet worden over maatregelen).

Beoordelingscriteria:

De beoordelingscriteria van kerntaak 1 gelden ook bij kerntaak 2 aanvullend zijn:

Zorgt voor een gezamenlijk plan van aanpak waarin ieders deskundigheid en belang is meegenomen op basis van prioriteiten.

Zorgt voor een goed werkend coördinatieoverleg: efficiënt (start en stopt op tijd, iedereen is ter plaatse) en effectief (leidt tot besluiten, prioriteiten, afspraken).

Zorgt voor het uitvoeren van het genomen besluit conform de afspraak.

Werkzaamheden

De (Vak)Officier van Dienst informeert en adviseert (gevraagd en ongevraagd) het bevoegd gezag, betrokken diensten, pers en publiek over de bestrijding van het incident. Dit brengt de volgende werkzaamheden met zich mee:

Informeert en adviseert gevraagd en ongevraagd het bevoegd gezag.

Informeert overige betrokken diensten (milieudienst etc.).

Draagt zorg voor het informeren van pers en publiek.

Levert een sitrap aan alarmcentrale en hogere echelon.

Draagt zorg voor het waarschuwen van de bevolking in de directe nabijheid van het incident.

Maakt als leider deel uit van het CoPI.

Draagt zorg voor de nazorg van personeel en materieel.

Evalueert het optreden en maakt rapport incident op.

Keuzes en dilemma’s:

Moet tijd vrijmaken om informatie te geven, maar daarbij wel de continuïteit waarborgen van zijn rol als (Vak)Officier van Dienst (en daar passende maatregelen voor treffen).

Moet omgaan met tijdige beschikbaarheid versus volledigheid van informatie: het gaat hierbij om het dilemma dat je anderen bij voorkeur informeert wanneer de situatie duidelijk en stabiel is, terwijl je toch gedwongen kunt zijn om op basis van onvolledige informatie iets te communiceren (bijvoorbeeld omdat publiek ingelicht moet worden over maatregelen).

Zal het hogere echelon moeten adviseren over het al dan niet waarschuwen van de bevolking. Een dergelijk alarm heeft een grote impact en consequenties die je nauwelijks kunt overzien. Niet waarschuwen kan daarentegen onnodig gevaar opleveren.

Dient ook achteraf over de juiste informatie ten behoeve van de nazorg, met name ten aanzien van personeel, te beschikken.

Beoordelingscriteria:

Professionele beroepshouding:

Communicatie:

Werkzaamheden Algemeen

De (Vak)Officier van Dienst stuurt de werkuitvoering van de medewerkers van zijn afdeling aan. Het opstellen en uitvoeren van plannen vormen daarin het centrale sturingsmechanisme voor de bedrijfsvoering.

De (Vak)Officier van Dienst doet gevraagd en ongevraagd voorstellen om de werkuitvoering van de eigen afdeling te verbeteren.

Hij zorgt voor afstemming van werkzaamheden, bijvoorbeeld door het laten voeren van overdrachtsgesprekken, samen opwerken en het organiseren van werkoverleg.

Signaleert en analyseert problemen in de uitvoering en (laat) deze oplossen, waar mogelijk structureel.

Hij is het samenbindende element tussen de individuele medewerkers en vormt de schakel tussen medewerkers en organisatie.

T.a.v. individuele medewerkers:

Vormt continue een actueel beeld van kwaliteiten en leerpunten van nieuwe en zittende medewerkers (bijv. voortgangsgesprekken, informele gesprekken, evaluatie van afgeronde werkzaamheden).

Coacht individuele medewerkers in hun ontwikkeling:

Stuurt medewerkers direct aan bij het uitvoeren van hun werk.

Verzorgt (vakinhoudelijke) instructie van medewerkers, waar nodig (bijv. nieuwe medewerkers, nieuwe ontwikkeling, niet optimaal functionerende medewerkers).

T.a.v. team/brandweerkorps:

Heeft continue een actueel beeld van het team functioneren (sterke punten, verbeterpunten).

Stelt het functioneren van het team aan de orde, betrekt team- leden bij besluitvorming over benodigde verbetering.

Verzamelt periodiek benodigde data/info over de bedrijfsvoering (kwaliteit, kwantiteit, middelen, financiën, bereikte doelen, etc.).

Is niet alleen leidinggevende; hij is daarnaast ook vakman op zijn kennisgebied. Dat vakmanschap benut hij om, in samenspraak met anderen, bijdragen te leveren aan de verbetering van werkprocessen, diensten en producten van zijn afdeling / team, maar ook daarbuiten.

Stelt periodieke rapportages op over de behaalde resultaten ten opzichte van de gestelde doelen en benutting van (hulp)bronnen.

Keuzes en dilemma’s:

Professionele beroepshouding

Vast houden aan planning vs. inspelen op ad hoc situaties. Planningen zijn niet altijd eenvoudig uitvoerbaar. Dit geldt binnen de brandweer het sterkst als de manager een gecombineerde functie heeft (beheersmatig én repressief). Dat roept geregeld de vraag op hoe om te gaan met een planning. Soms vraagt de situatie om vast te houden aan de planning. Op andere momenten moet hij beslissen de planning juist losjes te hanteren om inspelen op een acute situatie mogelijk te maken.

Middelen:

Kunnen omgaan met de beperkte middelen.

Beoordelingscriteria:

Planningen zijn SMART geformuleerd (specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch, tijdgebonden).

Planning passen naar het oordeel van de naast hogere leiding-| gevende bij de organisatiedoelen.

De uitvoering verloopt effectief:

De uitvoering verloopt efficiënt; binnen het beschikbare budget.

Medewerkers hebben een duidelijk beeld van de verwachtingen van hun leidinggevende t.a.v. hun functioneren en ontwikkeling. Medewerkers voelen zich individueel uitgedaagd en gesteund in hun eigen ontwikkeling (zowel door de leidinggevende als door collega’s).

Teamleden vervullen zelf een actieve rol in de ontwikkeling van het team functioneren.

Verschillen tussen medewerkers worden benut om de teamontwikkeling te bevorderen.

Er is sprake van aantoonbare ontwikkeling van individuele mede- werkers, passend bij de organisatiedoelen.

Er is sprake van een aantoonbare ontwikkeling van het team.

1.10.3.2. Prestatie-indicatoren

De (Vak)Officier van Dienst beheerst de vereiste competenties zodanig dat hij in staat is om zijn werkzaamheden adequaat uit te voeren. Hij kan omgaan met de keuzes en dilemma’s die hij in zijn werk tegenkomt.

1.10.3.3. Specificaties vakbekwaam worden, vakbekwaam blijven

Niveaubepaling:

Voor de functie is een MBO/SBO werk- en denkniveau vereist.

Studielast:

Nader te bepalen.

Instroomeisen:

Om in te kunnen stromen in de opleiding VakOfficier van Dienst Caribisch Nederland dient men minimaal over een MBO/SBO werk- en denkniveau te beschikken en aan het kwalificatieprofiel Bevel- voerder Caribisch Nederland te voldoen.

Diploma/certificeerbare eenheden:

Het diploma VakOfficier van Dienst Caribisch Nederland wordt uitgereikt als de examinering van de eisen uit dit kwalificatiedossier met een voldoende resultaat is afgerond.

Vakbekwaam blijven:

De werkgever heeft de mogelijkheid om voor de blijvende vakbekwaamheid gebruik te maken van:

Bijlage II. behorend bij artikel 2, eerste lid, Regeling personeel brandweer

Aanstellingskeuring brandweer BES (AK)

Inleiding

In deze bijlage staan de vier maatgevende deeldocumenten die het fundament vormen voor het geneeskundig onderzoek bij aanstelling of bevordering (AK):

In deel I behorende bij dit rapport staat het testprotocol van de AK beschreven.

In deel II behorende bij dit rapport staan de schriftelijke vragen van de AK beschreven.

In deel III behorende bij dit rapport staat de sleutel van de berekening van de vragen en testen beschreven.

In deel IV behorende bij dit rapport staat de uiteindelijke beoordeling van de AK beschreven.

Met name het repressieve deel van het brandweerkorps BES heeft te maken met bijzondere functie-eisen. Op basis van deze bijzondere functie-eisen(zie tabel 1 per functie) staat per functie/subtaak aangegeven op welke belastbaarheid eisen in de AK kan worden getest.

In alle documenten behorende bij deze bijlage wordt de volgende lettercodering van vragen en testen gebruikt.

In tabel 2 staat per bijzondere functie-eis aangegeven welke testen mogen worden ingezet. In het overzicht staat vermeld per bijzondere functie-eis op welke doorgemaakte- en aanwezige ziekten/gezondheidsklachten met mogelijke (tijdelijke) serieuze gevolgen voor de belastbaarheid van de keuring mag worden gevraagd of op worden getest in de AK.

Lijst met standaard testbenodigdheden AK Brandweer BES

Bedrijfsarts/doktersassistente

Schriftelijke vragen behorend bij AK

Invulformulieren voor testuitslagen

Pen

Bloeddrukmeter

Landolt kaart 5 m

Groeneveld perspex schouder visusmeter 40 en 60 cm (inclusief kaarten 40 en 60 cm) Voldoende verlichting voor afnemen visustesten

Ishihara kleurenzien-testboek

Middelomtrek centimeter

Lengtemeter (in cm)

Weegschaal (in kg)

Rekenmachine

12-kanaals ECG apparatuur

Stethoscoop

Optioneel maar wel aanwezig:

Toonaudiogram afname apparatuur

Spirometrie apparatuur

Testafnemers functionele testen (sportinstructeur/brandweerinstructeur)

Akkoord start functionele testen na afname PAR-Q vragen

Invulformulieren voor testuitslagen

Pen

Hoogtetest (parkoers op dak):

Aanstellingskeuringbrandweerbestrijdingstest:

Aanstellingskeuringbrandweertraplooptest of stairmastertest:

Deel I. testprotocol

Voor organisator/P&O medewerker, bedrijfsarts en doktersassistente, en testafnemers functionele testen

Inhoud AK protocol

Het uit te voeren testprotocol voor de AK voor personeel van het brandweerkorps BES staat op de volgende bladzijden beschreven. Voorafgaand aan het protocol wordt achtergrondinformatie over de AK en een overzicht van de bijzondere functie-eisen met de bijbehorende testen van de AK weergegeven.

Het testprotocol bestaat uit drie delen:

Als addenda bij deze bijlage zijn de schriftelijke vragen, het scoreformulier voor de biometrische testen, het scoreformulier voor de functionele testen, de verzamelstaat van uitslagen van de testen en het beoordelingsformulier toegevoegd.

Deel I. testprotocol afname vragenlijst (uitgevoerd door organisator/P&O medewerker of doktersassistente)

I. Ak vragenlijstdeel

De vragenlijst is als addendum aan deze bijlage toegevoegd.

Voor de organisator/P&O medewerker/doktersassistente:

Deel II. testprotocol biometrische testen (uitgevoerd door bedrijfsarts/doktersassistente)

II. Biometrische testen

Het scoreformulier is als addendum aan deze bijlage toegevoegd.

Voor de bedrijfsarts/ doktersassistente:

Leg aan de proefpersoon uit wat er gaat gebeuren.

H1. Controleer antwoorden (PAR-Q vragenlijst) H1 vragen

Controleer de antwoorden van de medewerker op de PAR-Q vragenlijst (voor inschatting veiligheid uitvoeren fysieke testen). Indien één of meerdere vragen met ‘ja’ zijn beantwoord: bedrijfsarts dient dan eerst the checken welke antwoorden positief zijn ingevuld en bepaalt of de fysieke testen kunnen worden afgenomen zonder of in zijn/haar aanwezigheid.

H2-1a. Controleer antwoord H2-1 aanwezigheid diabetes

Indien het antwoord op vraag H2-1 is ‘nooit vastgesteld’ verricht dan een test op glucose in bloed via een vingerpriktest en noteer tijdstip, of deelnemer wel/niet nuchter is, en het glucosegehalte in mmol/l.

H3. Bloeddruk

Nadat de proefpersoon enkele minuten rustig heeft gezeten wordt de bloeddruk opgenomen, zowel bij de linkerarm als bij de rechterarm.

Bloeddruk wordt in zit afgenomen met een geijkte manometer, na enkele minuten rust, en de manchet ter hoogte van het sternum. Er wordt aan beide armen gemeten en telkens tweemaal aan dezelfde arm met een tussenpoos van minimaal 15 seconden. De twee metingen van beide armen worden genoteerd. Tijdens de procedure wordt niet gesproken. De bloeddruk wordt met een nauwkeurigheid van 2 mmHg afgelezen. Systole (=bovendruk) op het moment dat de tonen voor het eerst hoorbaar worden, de Diastole (=onderdruk) op het moment dat de tonen geheel verdwijnen (Standaard wordt het gemiddelde van de twee linker waarden gebruikt. Echter, bij een verschil van 10 mmHg of meer tussen de armen wordt genoteerd waar de hoogste waarden zijn gemeten en die armwaarden dienen dan als uitslag)

De uitslag komt op het scoreformulier voor Biometrische testen achter H10.

H4. Lichaamsgewicht

Laat de werknemer, rechtop, zonder schoenen, met alleen ondergoed aan, op de weegschaal gaan staan en lees het gewicht af.

Noteer de uitslag in hele kilogrammen op het scoreformulier.

H5. Lichaamslengte

Laat de werknemer, rechtop, zonder schoenen, met de hakken tegen de muur en voeten plat op de grond, tegen de meetlat opstaan en lees lengte af.

Noteer de uitslag in hele centimeters op het scoreformulier.

H6. Buikomvang

Laat de werknemer rechtop staan en meet met meetlint ter hoogte van de navel, vlak onder de ribbenboog, de buikomvang in hele cm af (direct na een normale uitademing).

Noteer de uitslag in hele centimeters op het scoreformulier.

H7. Body Mass Index (bereken dit uit H11 en H12)

Vermenigvuldig de lengte (in m) eerst met zichzelf (dus lengte x lengte, bv 1.87 x 1.87= 3.50). Vul het gewicht (in kg) op rekenmachine in en deel dit door de met zichzelf vermenigvuldigde lengte (bv 80 kg gewicht betekent (80:3.50)=22.9).

Noteer de uitslag met 1 cijfer achter de komma op het scoreformulier.

H8. Rust ECG (12-kanaals en Lausanne Protocol volgend)

Check vragen H1, H2, P9 en vraag symptomen na van klachten op de borst, hartkloppingen.

Luister naar afwijkende cortonen, hartruis, aritmie, vertraagde of verminderde perifere pulsaties.

Neem een 12-kanaals rust ECG af volgens het heersende protocol (anno 2011:Lausanne protocol):

beoordeel systematisch maar check in ieder geval op onregelmatigheden die zouden kunnen wijzen op hypertrofische cardiomyopathie, aritmogene rechterventrikelcardiomyopathie, dilaterende cardiomyopathie, lang QT-syndroom, kort QT-syndroom, syndroom van Brugada of Ziekte van Lev-Lenegre.

V5. Oogtest: Landolt C-ringen kaart en Groeneveld perspex schouder visusmeter

Leg uit wat er gaat gebeuren.

Voer de test volgens protocol uit op 5 m, 60 cm en 40 cm. Op alle drie afstanden meet men de gezichtsscherpte voor beide ogen apart en samen.

Voor de 5 m afstand wordt aanbevolen plaatselijke verlichting te gebruiken (500 lux). Zorg voor goed contrast (kaart schoonhouden). Houdt de algemene ruimteverlichting aan de lage kant, niet meer dan 200 lux horizontaal op bureauhoogte. Er kan het beste begonnen worden met het slechtste oog (aan betrokkene vragen of uitproberen), daarna het beste oog, tenslotte beide ogen.

Bij eenogig meten dient men de te onderzoeken persoon de handpalm voor het andere oog te laten houden, niet tegen het oog.

Begin elke meting bij een regel die nog gemakkelijk gelezen kan worden, ga door tot een fout gemaakt wordt, noteer de laatste correct benoemde grootte als score. Alleen bij vermoedelijke vergissing of slordigheid 1 herkansing. Weigering (‘dat zie ik niet meer’) niet accepteren (‘gokken hoort erbij, alleen als u fouten maakt weet ik zeker dat u het niet meer ziet’) (NVAB, 2000).

Gebruik deze methode voor 5 m, 60 cm en 40 cm. (60 cm en 40 cm worden zittend afgenomen met Groeneveld perspex schouder visusmeter).

Noteer de uitslag op het scoreformulier bij V5.

V6. Oogtest: Ishihara kleurentest

Voer de test volgens protocol uit.

De test ontdekt afwijkingen in het zien van de kleuren rood (protanopie, protanomalie) en groen (deuteranopie, deuteranomalie). De test kan in de hand worden gehouden of op tafel worden geplaatst op ‘armlengte’, ongeveer 66 cm van het oog. Idealiter wordt de test bij natuurlijk daglicht afgenomen (er mag echter geen direct zonlicht op de test vallen en de hemel moet tenminste redelijk bewolkt zijn) of een passend alternatief moet op 45 graden van het plaat oppervlak worden gebruikt, dat wil zeggen niet direct er boven.

Instrueer de werknemer om de nummers te vertellen die zichtbaar zijn zodra de pagina wordt omgedraaid. Soms is er geen nummer te zien: als de werknemer geen nummer ziet wordt er doorgegaan naar de volgende pagina. De testafnemer draait de bladzijden om en houdt controle over de tijd. Ongeveer vier seconden zijn toegestaan voor iedere bladzijde. Overmatige aarzeling kan een signaal van geringe kleurenblindheid zijn.

Noteer het aantal fout opgenoemde cijfers van het totaal aantal. De uitslag komt op het scoreformulier.

Indien de kleurentest niet voldoende is, test de bedrijfsarts het kleurenzien op een functionele manier, met behulp van veiligheidssymbolen (zie V6a).

V6a. Oogtest: Functionele kleurentest

De bedrijfsarts wijst een symbool aan en de werknemer noemt de juiste kleur. De kleuren groen, rood, oranje, blauw en paars worden kriskras door elkaar aangewezen door de arts en de werknemer wordt gevraagd de kleur te noemen. Indien de bedrijfsarts twijfelt over het eigen vermogen om kleuren te zien, wordt een derde persoon (die zeker weet dat zijn/haar kleurenzien voldoende is) ter controle gevraagd mee te kijken.

V7. Gezichtsveldonderzoek

Het is een globale methode, waarbij ervan wordt uitgegaan dat het gezichtsveld van de onderzoeker normaal is. Grove defecten zijn op deze manier aan te tonen.

De onderzoeker vergelijkt zijn eigen gezichtsveld met dat van de werknemer. De gezichtsvelden van werknemer en onderzoeker zijn ongeveer congruent in het vlak precies tussen hen in, zodat de onderzoeker in dit vlak het testobject (zijn eigen vingertop, gekleurd voorwerpje) moet bewegen.

De werknemer gaat recht tegenover de testafnemer zitten, ‘knie aan knie’. De onderzoeker gaat na of de werknemer gelijktijdig rechts en links aangeboden vingerbewegingen kan opmerken of systematisch één gezichtsveld verwaarloost (zie bovenste figuur). Vervolgens onderzoekt men het

gezichtsveld van ieder oog apart. Werknemer en onderzoeker kijken elkaar met één oog aan (het recht tegenoverliggende oog). De onderzoeker nadert vanuit de periferie het centrum van het gezichtsveld, bij voorkeur in het midden van één van de kwadranten (zie onderste figuur). De werknemer moet zeggen of hij/zij de vingertop ziet bewegen of niet, zodat men een zekere controle kan uitoefenen op wat de werknemer aangeeft. Zoals op het bovenste plaatje voor het horizontale vlak wordt afgebeeld, wordt vanuit verticale richting de vinger ook naar het centrum gebracht (geen afbeelding).

Noteer of het gezichtsveld:

De uitslag komt op het scoreformulier achter V7.

G3. Functionele gehoortest: fluisterspraaktest

De test kan zowel zittend als staand plaatsvinden; voer het onderzoek op gelijke hoogte met de werknemer uit; laat de werknemer zitten of staan en ga recht achter de werknemer zitten (of staan) om liplezen te voorkomen. Instrueer de werknemer de gehoorgang van 1 oor af te sluiten; vraag de werknemer te herhalen wat wordt gehoord.

Fluister na een volledige uitademing; fluister op armlengteafstand van de werknemer zo duidelijk mogelijk en recht naar voren, zonder de stembanden te gebruiken; fluister per oor zes combinaties van drie cijfers en letters (vermijd combinaties met B en D, M en N, H en A)

Voorbeelden van combinaties, zijn:

Oor 1: 3F6, G7L, O7S, 2K4, 8S5, U8X

Oor 2: F5C, Z3L, 6K7, 3S8, 2R9, X4U

Indien de werknemer een combinatie niet goed herhaalt wordt de combinatie niet opnieuw genoemd; noteer op het scoreformulier per oor of combinaties goed of fout worden herhaald.

Indien fluisterspraaktest onvoldoende is kan er voor worden gekozen door de bedrijfsarts om alsnog eerst de nationale gehoortest te laten uitvoeren en eventueel als laatste optie een toonaudiogram.

D2. Indien D1 vraag positief is: lichamelijk onderzoek huid

Doe lichamelijk onderzoek en observeer huid handen, armen en gezicht. Gebruik zo nodig screeningsvragen eczeem/atopie uit NVAB richtlijn of van NCvB website. Noteer uitslagen huidonderzoek in termen van huidbelastbaarheidsrisico: ok / niet ok.

L2. Indien L1 vraag positief is: lichamelijk onderzoek longen

Indien L1 positief: doe lichamelijk onderzoek luchtwegen (gebruik richtlijnen of screeningsinstrument uit NVAB richtlijn voor astma/atopie) en verricht zo nodig spirometrisch onderzoek. Noteer uitslagen longonderzoek in termen van longbelastbaarheidsrisico: ok / niet ok.

Deel III. Deel testprotocol functionele testen (uitgevoerd door afnemer functionele testen)

Er worden twee functionele testen uitgevoerd in vaste volgorde: eerst de brandbestrijdingstest en binnen een kwartier tot maximaal een uur na afloop van de brandbestrijdingstest wordt de brandweertraplooptest of stairmastertest uitgevoerd.

De scoreformulieren van de functionele testen zijn als addenda aan deze bijlage toegevoegd.

De eerder ingevulde PAR-Q vragenlijst (zie hieronder) is akkoord bevonden voorafgaand aan de functionele testen van iedere werknemer. Indien u niet zeker bent van dit akkoord, vraag de bedrijfsarts dan naar de uitslag.

B7/B16. Hoogtetest (parkoers op dak)

Een plat dak van minimaal 7 meter en maximaal 10 meter is voor deze test nodig. De keurling loopt met valbeveiliging en ademlucht apparatuur een vooraf uitgezet parkoers op het dak. Hierbij moet een aantal voorwerpen worden opgepakt en verplaatst. Het parkoers op het dak wordt in afstemming met de bedrijfsarts opgesteld.

B8. Functionele fysieke test: aanstellingskeuringbrandbestrijdingstest

Beschrijving aanstellingskeuringbrandbestrijdingstest (er wordt gebruik gemaakt van het parcours voor de brandbestrijdingstest die bij de PPMO wordt gebruikt alleen worden niet alle onderdelen uitgevoerd).

Onderdeel 1. Startpunt van het parcours: Inzet gereed maken

De keurling staat in sporttenue en wacht op het startsein. Dan hangt hij/ zij een ademtoestel op (ademlucht wordt niet aangesloten!) de rug, doet het stofmasker voor neus en mond, doet werkhandschoenen aan en gaat naar onderdeel 2.

Onderdeel 2. Slang strekken in rokerige ruimte

Een halfgevulde 75mm slang (zonder druk) met een straalpijp, gekoppeld aan de pomp, ligt zigzag gevouwen bij de TS. De slang wordt over de schouder gelegd en voorwaarts over een lengte van 15 m gestrekt naar het aangegeven punt. Hierna 20 m lopen naar onderdeel 3.

Onderdeel 3. Redden van persoon in rokerige ruimte

Een pop van 80 kg wordt over 2 x 7,5 m (in totaal 15 m) heen en weer versleept waarbij in het midden van het traject een drempel (ter hoogte van een gevulde 52 mm slang) in het parcours is ingebouwd. De pop kan worden vastgepakt waar men wil (voorkeur is vast te pakken schouderbanden bij pop beschikbaar) naar het aangegeven punt worden gesleept en terug. Het starten van het slepen vindt idealiter plaats vanuit de benen en zo mogelijk met rechte rug. De kandidaat heeft het traject afgelegd als de beide voeten een aangegeven lijn zijn gepasseerd. Ga naar onderdeel 4.

Onderdeel 4. Lopen over smalle richel

Vier balken liggen in een zigzag opgesteld. De bedoeling is dat de deelnemer over de balken loopt als zijnde een evenwichtsbalk. Afstappen onderweg is opnieuw beginnen. Loop naar onderdeel 5.

Onderdeel 5. Slang doorvoeren in rokerige ruimte

Trekken van last (max 15 kg over 2 x 15 m). Na eerste 15 meter lopen naar pion (punt 9a) en terug en tweede keer 15 meter trekken. Loop naar onderdeel 6.

Onderdeel 6. Over obstakel klimmen

Over het hek stappen (dus niet springen) 7,5 m naar aangegeven punt lopen, omdraaien en nogmaals over het hek stappen en teruglopen naar beginpunt onderdeel 6. Hierna lopen naar onderdeel 7.

Onderdeel 7. Aanvalsweg met HD-slang in rokerige ruimte

Een HD-slang over een afstand van 15 meter meevoeren en weer mee terug nemen. De eerste 3 meter normaal lopen, dan 3 meter onder tunnel door en gehurkt lopen (laag blijven). De volgende 3 meter rechtop lopend. De volgende 3 meter weer gehurkt en nogmaals 3 meter rechtop lopend naar aangegeven punt. Dan achterwaarts terug lopen. Eerst rechtop lopend, dan weer gehurkt, rechtop lopend, dan weer gehurkt en tenslotte rechtop lopen tot beginpunt van dit onderdeel. Dit traject moet op de hurken en niet op de knieën worden afgelegd met het pistol met twee handen vast. Ga naar onderdeel 8.

Onderdeel 8. Sloopwerkzaamheden met sloophaak in rokerige ruimte

Met behulp van een massieve staaf een bal omhoog stoten, die uit het plafond hangt op 2.50 meter hoogte en de bal tien keer tegen de bovenkant van de korf stoten. Men geeft 10 juiste stoten. De instructeur telt hardop mee.

Einde test. De tijdwaarneming wordt gestopt, de eindhartfrequentie opgenomen. Herstel door in wandeltempo 3 minuten rustig heen en weer te lopen.

De keurling is voor de test al uitgelegd wat er achtereen van hem/haar wordt verwacht; er wordt juist voor testafname nogmaals gecheckt of de onderdelen goed begrepen zijn.

Benadrukt wordt, dat:

B9a. Functionele fysieke test: aanstellingskeuring brandweertraplooptest

De brandweertraplooptest is een piek-anaerobe test die kan checken of een brandweermedewerker met bepakking plus een met aan de functie gerelateerde tilbelasting een voldoende belastbaar hartlongsysteem heeft.

De keurling loopt, na een warming up indien nodig, zo snel mogelijk (maar zonder te rennen) en zonder steun van handen de verdiepingen naar boven. De hartfrequentie wordt opgenomen om de eindhartfrequentie te kunnen bepalen bij aankomst boven. Tevens wordt de tijd opgenomen en wordt de verbruikte ademlucht gemeten. Vóórdat de trap weer wordt afgedaald koppelt de werknemer de ademlucht zelf los en doet het masker af. De werknemer neemt het brandweermateriaal niet mee terug. Direct daarna dalen de werknemer en de instructeur de trap af. De instructeur loopt vóór de werknemer de trap af ter beveiliging.

De traplooptest wordt uitgevoerd over een afstand waarbij 20 meter wordt gestegen, het aantal treden is hierbij afhankelijk van de treehoogtes.

Loop zo meteen zo snel mogelijk naar boven met ademlucht aan

U neemt deze extra brandweerhulpmiddelen mee tijdens het beklimmen van de trap. U wordt gevolgd door een instructeur. Boven wordt bij aankomst zo snel mogelijk uw hartfrequentie afgelezen. U doet uw masker af. U laat de brandweerhulpmiddelen boven liggen. Hierna loopt u direct de trap weer rustig af, in een gelijkmatig tempo.

Vooraf kunt u een warming-up houden waarbij u drie trapdelen oefent om uw stapritme te bepalen. Tevens kunt u, indien u dat wenst, wat stretchoefeningen van spieren in kuit en bovenbeen uitvoeren voordat u start. Heeft u vragen?

Ik tel zo meteen af met: ‘3, 2, 1, start’ en op ‘start’ mag u beginnen.

Het criterium voor de brandweertraplooptest is:

De uitslagen tijd in seconden, eindhartfrequentie en of de uitvoering correct is uitgevoerd worden op het scoreformulier genoteerd.

Met behulp van de eindhartfrequentie wordt het % van theoretisch maximum van de hartfrequentie berekend:

% van theoretisch maximum van de hartfrequentie. = eindhartfrequentie:(220-leeftijd) = ..........

B9b. Functionele fysieke test: brandweerstairmastertest

De Stairmaster is onderdeel van de AK en heeft tot primair doel piekbelasting bij inspanning te meten. Er wordt hierbij gekeken naar coördinatie en balans. De Stairmaster is geïntroduceerd als alternatief voor de gewone traplooptest.

De brandweertrapstairmastertest is een piek-anaerobe test die kan checken of een brandweermedewerker met volledige bepakking plus een met aan de functie gerelateerde tilbelasting een voldoende belastbaar hartlongsysteem heeft.

De werknemer loopt, na een warming up indien nodig, zo snel mogelijk en zonder steun van handen op de Stairmaster. De hartfrequentie wordt opgenomen om de eindhartfrequentie te kunnen bepalen bij aankomst boven. Tevens wordt de tijd opgenomen en wordt de verbruikte ademlucht gemeten.

U neemt een loodharnas mee tijdens het beklimmen van de trap. Na het beklimmen van 100 treden of anders afloop van de twee minuten wordt zo snel mogelijk uw hartfrequentie afgelezen. U koppelt boven zelf uw ademlucht af en doet uw masker af.

Vooraf kunt u een warming-up houden waarbij u een aantal treden oefent om uw stapritme te bepalen. Hierbij kunt u zelf uw staptempo bepalen Tevens kunt u, indien u dat wenst, wat stretchoefeningen van spieren in kuit en bovenbeen uitvoeren voordat u start. Heeft u vragen?

Ik tel zo meteen af met: ‘3, 2, 1, start’ en op ‘start’ mag u beginnen.

Het criterium voor de brandweerstairmastertest is:

De uitslagen tijd in seconden, eindhartfrequentie en of de uitvoering correct is uitgevoerd worden op het scoreformulier genoteerd.

Met behulp van de eindhartfrequentie wordt het % van theoretisch maximum van de hartfrequentie berekend:

% van theoretisch maximum v.d hartfrequentie = eindhartfrequentie: (220-leeftijd) = .........

Addenda, behorende bij bijlage II verband houdende met artikel 3, eerste lid, van de Regeling personeel brandweer BES

1). Vragenlijst aanstellingskeuring

Er worden u eerst schriftelijke vragen gesteld die met uw gezondheid te maken hebben voordat enkele lichamelijke testen worden afgenomen. Vul alle vragen eerlijk in. Er volgen vragen gerelateerd aan de bijzondere functie-eisen in de functie waarvoor u wordt gekeurd. De vragen zijn gerelateerd aan het (belastbaarheids)risico van:

Hieronder staan situaties waarbij mensen kunnen wegdoezelen of in slaap vallen door vermoeidheid of een gevoel van slaperigheid.

Kruis per onderstaande situatie 1 antwoord aan waarmee u de kans inschat dat u in die situatie zou wegdoezelen of in slaap zou vallen. Indien u niet recentelijk één van de onderstaande situaties hebt meegemaakt, probeert u zich dan in te denken hoe u zich zou voelen.

Hieronder staan twee lijsten met problemen die mensen kunnen ervaren.

Lees ieder probleem zorgvuldig door en vink/kruis het vakje aan bij de omschrijving die het beste weergeeft in hoeverre u last had van dat probleem gedurende de afgelopen week, inclusief vandaag.

Hieronder staan 15 uitspraken die mensen doen na het meemaken van een zeer ingrijpende gebeurtenis.

Neem de door u zelf meegemaakte ingrijpende gebeurtenis(sen) in gedachten, bekijk elke uitspraak en kruis aan hoe vaak de uitspraken op u zelf van toepassing was tijdens de afgelopen ZEVEN DAGEN.

Vragen over uw algemene gezondheidstoestand in relatie tot uw toekomstige werk.

Chronische ziekten kunnen een verminderde belastbaarheid voor bepaalde taken laten ontstaan. Antwoorden op onderstaande vragen kunnen door de arts worden gebruikt om meer informatie op te vragen en/of u adviezen te geven.

Dit is het einde van de vragenlijst.

Lever de lijst nu in of geef aan dat u klaar bent.

2). Instructie- en scoreformulier biometrische testen en lichamelijk onderzoek (onderdeel AK)

Keurling nr.: __Datum afname: __Tijdstip afname: ____

H3. Bloeddrukmeting

Laat de keurling enkele minuten rustig zitten, daarna wordt de bloeddruk opgenomen. Twee keer bij de linkerarm en twee keer bij de rechterarm.

Bloeddruk links: 1)_mmHg 2)_mmHg

Bloeddruk rechts: 1)_mmHg 2)_mmHg

H4. Lichaamsgewicht

Laat de keurling, rechtop, zonder schoenen, met alleen ondergoed aan, op de weegschaal gaan staan en lees het gewicht af in hele kilogrammen.

Lichaamsgewicht: __kg

H5. Lichaamslengte

Laat de keurling, rechtop, zonder schoenen, met de hakken tegen de muur en voeten plat op de grond, tegen de meetlat opstaan en lees de lengte af in hele centimeters.

Lichaamslengte: __cm

H6. Buikomvang

Laat de keurling rechtop staan, en meet met meetlint ter hoogte van de navel, vlak onder de ribbenboog, de buikomvang in hele centimeters (tijdens normale uitademing).

Buikomvang: __cm

H7. Body Mass Index: bereken dit uit de gegevens over gewicht en lengte:

Body Mass index: : =.

H8. 12-kanaals rust ECG

Doe lichamelijk onderzoek, volg Lausanne protocol en noteer afwijkingen.

Vermoede afwijking: nee / ja*

*= omcirkel hieronder waarvoor aanwijzingen zijn gevonden in lichamelijk onderzoek en/of ECG:

V5. Visus

Leg aan de proefpersoon uit wat er gaat gebeuren. Voer de test volgens protocol uit op 5 m, 60 cm en 40 cm. Op alle drie afstanden meet men de gezichtsscherpte voor beide ogen apart en samen.

Begin elke meting bij een regel die nog gemakkelijk gelezen kan worden, ga door tot een fout gemaakt wordt, noteer de laatste correct benoemde grootte als score. Alleen bij vermoedelijke vergissing of slordigheid 1 herkansing. Weigering (‘dat zie ik niet meer’) niet accepteren (‘gokken hoort erbij, alleen als u fouten maakt weet ik zeker dat u het niet meer ziet’). Gebruik deze methode voor 5 m, 60 cm en 40 cm. (60 cm en 40 cm worden zittend afgenomen met Groeneveld perspex schouder visusmeter).

V6. Ishihara kleurentest

Leg aan de proefpersoon uit wat er gaat gebeuren.

Uitslag: _ van de ___ fout

V6a. Oogtest: Functionele kleurentest

De bedrijfsarts wijst een symbool aan en de werknemer noemt de juiste kleur. De kleuren groen, rood, oranje, blauw en paars worden kriskras door elkaar aangewezen door de arts en de werknemer wordt gevraagd de kleur te noemen. Indien de bedrijfsarts twijfelt over het eigen vermogen om kleuren te zien, wordt een derde persoon (die zeker weet dat zijn/haar kleurenzien voldoende is) ter controle gevraagd mee te kijken.

V7. Gezichtsveldtest

De onderzoeker vergelijkt zijn eigen gezichtsveld met dat van de chauffeur. De gezichtsvelden van chauffeur en onderzoeker zijn ongeveer congruent in het vlak precies tussen hen in, zodat de onderzoeker in dit vlak het testobject (zijn eigen vingertop, gekleurd voorwerpje) moet bewegen. De chauffeur gaat recht tegenover de testafnemer zitten, ‘knie aan knie’. De onderzoeker gaat na of de chauffeur gelijktijdig rechts en links aangeboden vingerbewegingen kan opmerken of systematisch één gezichtsveld verwaarloost (zie bovenste figuur). Vervolgens onderzoekt men het gezichtsveld van ieder oog apart. Chauffeur en onderzoeker kijken elkaar met één oog aan (het recht tegenoverliggende oog). De onderzoeker nadert vanuit de periferie het centrum van het gezichtsveld, bij voorkeur in het midden van één van de kwadranten (zie onderste figuur). De chauffeur moet zeggen of hij/zij de vingertop ziet bewegen of niet, zodat men een zekere controle kan uitoefenen op wat de chauffeur aangeeft. Zoals op het bovenste plaatje voor het horizontale vlak wordt afgebeeld, wordt vanuit verticale richting de vinger ook naar het centrum gebracht (geen afbeelding).

Het is een globale methode, waarbij ervan wordt uitgegaan dat het gezichtsveld van de onderzoeker normaal is. Grove defecten zijn op deze manier aan te tonen.

Noteer of het gezichtsveld:

G3. Fluisterspraaktest

De test kan zowel zittend als staand plaatsvinden; voer het onderzoek op gelijke hoogte met de werknemer uit; laat de werknemer zitten of staan en ga recht achter de werknemer zitten (of staan) om liplezen te voorkomen. Instrueer de werknemer de gehoorgang van 1 oor af te sluiten; vraag de werknemer te herhalen wat wordt gehoord.

Fluister na een volledige uitademing; fluister op armlengteafstand van de werknemer zo duidelijk mogelijk en recht naar voren, zonder de stembanden te gebruiken; fluister per oor zes combinaties van drie cijfers en letters (vermijd combinaties met B en D, M en N, H en A)

Voorbeelden van combinaties, zijn:

Oor 1: 3F6, G7L, O7S, 2K4, 8S5, U8X

Oor 2: F5C, Z3L, 6K7, 3S8, 2R9, X4U

Indien de werknemer een combinatie niet goed herhaalt wordt de combinatie niet opnieuw genoemd; noteer per oor of combinaties goed of fout worden herhaald.

(√ = ok; X = niet ok) L R

3F6 _ F5C __

G7L _ Z3L __

O7S _ 6K7 __

2K4 _ 3S8 __

8S5 _ 2R9 __

U8X _ X4U __

Indien meer dan 4 combinaties niet juist worden gehoord wordt de Nationale hoortest ( www.hoortest.nl ) uitgevoerd.

D2. Indien D1 positief is: lichamelijk onderzoek huid

Doe lichamelijk onderzoek en observeer huid handen, armen en gezicht. Gebruik zo nodig screeningsvragen eczeem/atopie uit NVAB richtlijn. Noteer uitslagen huidonderzoek in termen van huidbelastbaarheidsrisico: ok / niet ok.

L2. Indien L1 positief is: lichamelijk onderzoek longen

Indien L1 positief: doe lichamelijk onderzoek luchtwegen (gebruik richtlijnen of screeningsinstrument uit NVAB richtlijn voor astma/atopie) en verricht zo nodig spirometrisch onderzoek.

Noteer uitslagen longonderzoek in termen van longbelastbaarheidsrisico: ok / niet ok.

3). B7/P14. Instructie- en scoreformulier brandweerautoladdertest of stairmastertest

Keurling nr.: __Datum afname: __Tijdstip afname: ____

De test wordt uitgevoerd in sportuitrusting met valbeveiliging en een niet aangesloten ademluchttoestel op de rug. De stairmaster is een alternatief in het geval geen trappenhuis met voldoende lengte aanwezig is. De wijze van uitvoering en de beoordeling voor beide testen zijn identiek.

Instructies aan de keurling

De keurling is uitgelegd wat er van hem/haar wordt verwacht; er wordt vlak voor de testafname nogmaals gecheckt of de onderdelen goed begrepen zijn.

Benadrukt wordt, dat:

De testafnemer geeft aan wanneer er gestart mag worden.

Parameters die worden opgenomen:

Uitvoering

Wanneer is test goed volbracht?

B8. Instructie- en scoreformulier aanstellingskeuringbrandbestrijdingstest

Keurling nr.: __Datum afname: __Tijdstip afname: ____

De test wordt uitgevoerd in sporttenue, met stofmasker op en een niet-aangesloten ademluchttoestel op de rug.

Instructies aan de keurling

De keurling is voor de test al uitgelegd wat er achtereen van hem/haar wordt verwacht; er wordt vlak voor de testafname nogmaals gecheckt of de onderdelen goed begrepen zijn.

Benadrukt wordt, dat:

Parameters die worden opgenomen:

Wanneer goed volbracht?

De test is correct volbracht indien het de werknemer is gelukt om binnen de gestelde tijd alle onderdelen te behalen terwijl deze veilig (keurling is niet in gevaar gekomen door eigen wijze van uitvoering van de test zoals vallen, uitglijden) zijn uitgevoerd.

(√ = ok; X = niet ok) Onderdeel

B9. Instructie- en scoreformulier aanstellingskeuringbrandweertraplooptest

Keurling nr.: __Datum afname: __Tijdstip afname: ____

De test wordt uitgevoerd in sporttenue, met stofmasker op.

Instructies aan de keurling

U neemt deze attributen van in totaal 20 kg mee tijdens het beklimmen van de trap. U wordt gevolgd door een instructeur. Boven wordt bij aankomst uw tijd geklokt en zo snel mogelijk uw hartfrequentie afgelezen van de Polar hartslagmeter. U laat de attributen boven liggen. Hierna loopt u direct de trap weer rustig af, in een gelijkmatig tempo. Vooraf kunt u een warming-up houden waarbij u drie trapdelen oefent om uw stapritme te bepalen. Tevens kunt u, indien u dat wenst, wat stretchoefeningen van spieren in kuit en bovenbeen uitvoeren voordat u start.

Ik tel zo meteen af met: ‘3, 2, 1, start’ en op ‘start’ mag u beginnen.

Er mag niet aangemoedigd worden.

Parameters die opgenomen worden:

De traplooptest is correct volbracht indien het de keurling is gelukt om de trap over 20 m stijging te beklimmen met de attributen in de hand, zonder te stoppen om uit te rusten en zonder steun te zoeken aan de leuning. De bedrijfsarts controleert de tijd, eindhartfrequentie en % van maximale hartfrequentie.

Verzamelstaat AK resultaten

Keurling naam: _____

Datum afname: ___

Kruis hieronder (X) per regel aan of er geen signaal (akkoord) of wel signaal (niet akkoord) is.

Bijlage III. behorend bij artikel 2, tweede lid, van de Regeling personeel brandweer BES

Periodiek preventief medisch onderzoek (Ppmo) brandweer BES

Inleiding

Het testprotocol (zie deel I), de schriftelijke vragen (zie deel II), de sleutel waarmee betekenis aan de uitkomsten van de vragen en testen is te geven (zie deel III), de interventie handleiding voor bedrijfsartsen (zie deel IV) en de wijze waarop de uitkomsten worden beoordeeld (zie deel V) zijn de vier documenten die onderdeel maken van dit rapport.

Het Periodiek preventief medisch onderzoek (Ppmo)

Een substantieel deel van het personeel van het brandweerkorps BESB voert taken en activiteiten uit die gekenmerkt kunnen worden door het leveren van piekbelastingen op zowel mentaal/emotioneel gebied als op fysiek gebied. Factoren waar in de brandweersector rekening mee dient te worden gehouden, zijn risico’s voor collega’s en derden (de publieke gezondheid) door (gezondheids) problemen van medewerkers of een grotere kans op het maken van fouten in het werk op basis van (tijdelijk) verminderde belastbaarheid.

Met name het repressieve deel van het brandweerkorps BES heeft te maken met bijzondere functie-eisen. De bijzondere functie-eisen blijven ook na aanstelling aanwezig. Hierom is het van belang hier periodiek op te keuren en begeleiding aan te bieden waar nodig. Op basis van de bijzondere functie-eisen (zie tabel 1 per functie) staat per functie/subtaak aangegeven op welke belastbaarheideisen in de Ppmo kan worden getest.

In alle documenten behorende bij deze bijlage wordt de volgende lettercodering van vragen en testen gebruikt.

In tabel 2 staat per bijzondere functie-eis aangegeven welke testen mogen worden ingezet. In het overzicht staat vermeld per bijzondere functie-eis op welke doorgemaakte- en aanwezige ziekten/gezondheidsklachten met mogelijke (tijdelijke) serieuze gevolgen voor de belastbaarheid van de keuring mag worden gevraagd of op worden getest in de Ppmo.

Wat staat beschreven in de deelrapportages:

In deel I behorende bij dit rapport staat het testprotocol van de Ppmo beschreven.

In deel II behorende bij dit rapport staan de schriftelijke vragen van de Ppmo beschreven.

In deel III behorende bij dit rapport staat de sleutel van de berekening van de vragen en testen van het Ppmo beschreven.

Deel IV behorende bij dit rapport is de interventie handleiding voor de bedrijfsartsen.

In deel V behorende bij dit rapport staat de uiteindelijke beoordeling van de Ppmo beschreven.

Onderbouwing:

In dit document is de totale literatuurlijst te vinden die bij de ontwikkeling van het Ppmo voor het personeel van het brandweerkorps BES zijn gebruikt.

Lijst met standaard testbenodigdheden Ppmo Brandweer BES

Bedrijfsarts/doktersassistente

Schriftelijke vragen behorend bij Ppmo

Invulformulieren voor testuitslagen

Pen

Bloeddrukmeter Landolt kaart 5 m Groeneveld perspex schouder visusmeter 40 en 60 cm (inclusief kaarten 40 en 60 cm)

Voldoende verlichting voor afnemen visustesten Ishihara kleurenzien-testboekje Middelomtrek centimeter Lengtemeter (in cm) Weegschaal (in kg)

Rekenmachine

Optioneel maar wel aanwezig:

Stethoscoop

Toonaudiogram afname apparatuur

ECG apparatuur

Spirometrie apparatuur

Testafnemers functionele testen (sportinstructeur/brandweerinstructeur)

Akkoord start functionele testen na afname PAR-Q vragen

Invulformulieren voor testuitslagen

Pen

Brandweertraplooptest:

Brandbestrijdingstest:

I. testprotocol (voor organisator/P&O medewerker, bedrijfsarts en doktersassistente, en testafnemers functionele testen)

Inhoud testprotocol Ppmo

Het uit te voeren testprotocol voor de Ppmo voor het personeel van het brandweerkorps BES staat op de volgende bladzijden beschreven. Voorafgaand aan het protocol wordt achtergrondinformatie over de Ppmo en een overzicht van de bijzondere functie-eisen met de bijbehorende testen van de Ppmo weergegeven.

Het protocol bestaat uit drie delen:

De vragenlijst, het scoreformulier voor de biometrische testen, het scoreformulier voor de functionele testen, de verzamelstaat van uitslagen van de testen en het beoordelingsformulier zijn als bijlagen toegevoegd.

Achtergrondinformatie

En substantieel deel van het personeel van het brandweerkorps BES voert taken en activiteiten uit die gekenmerkt kunnen worden door het leveren van piekbelastingen op zowel mentaal/emotioneel gebied als op fysiek gebied. Factoren waar rekening mee dient te worden gehouden, zijn risico’s voor collega’s en derden (de publieke gezondheid) door (gezondheids)problemen van medewerkers of een grotere kans op het maken van fouten in het werk op basis van (tijdelijk) verminderde belastbaarheid.

Met name het repressieve deel van het brandweerkorps BES heeft te maken met bijzondere functie-eisen. Op basis van deze bijzondere functie-eisen (zie tabel 1 per functie) staat per functie/subtaak aangegeven op welke belastbaarheideisen in de Ppmo kan worden getest. In tabel 2 staat per bijzondere functie-eis aangegeven welke testen mogen worden ingezet. De lettercodering van de soort vragen en testen komen in alle documenten terug.

De interventies die kunnen worden ingezet of geadviseerd naar aanleiding van de testuitkomsten staan beschreven in een aparte interventiehandleiding voor de bedrijfsarts.

De criteria voor de uiteindelijke beoordeling van de keuring staan in een apart document beschreven.

Deel I. testprotocol afnamePpmo vragenlijst(uitgevoerd door organisator/P&O medewerker of doktersassistente)

De vragenlijst is als addendum aan deze bijlage toegevoegd.

Voor de organisator/P&O medewerker/doktersassistente:

Deel II. testprotocol biometrische testen (uitgevoerd door bedrijfsarts/doktersassistente)

Het scoreformulier is als addendum aan deze bijlage toegevoegd.

Voor de bedrijfsarts/ doktersassistente:

H1. Controleer antwoorden (PAR-Q vragenlijst) H1 vragen.

Controleer de antwoorden van de medewerker op de PAR-Q vragenlijst (voor inschatting veiligheid uitvoeren fysieke testen). Indien één of meerdere vragen met ‘ja’ zijn beantwoord: bedrijfsarts dient dan eerst the checken welke antwoorden positief zijn ingevuld en bepaalt of de fysieke testen kunnen worden afgenomen zonder of in zijn/haar aanwezigheid.

H10. Bloeddruk

Nadat de proefpersoon enkele minuten rustig heeft gezeten wordt de bloeddruk opgenomen, zowel bij de linkerarm als bij de rechterarm.

Bloeddruk wordt in zit afgenomen met een geijkte manometer, na enkele minuten rust, en de manchet ter hoogte van het sternum. Er wordt aan beide armen gemeten en telkens tweemaal aan dezelfde arm met een tussenpoos van minimaal 15 seconden. De twee metingen van beide armen worden genoteerd. Tijdens de procedure wordt niet gesproken. De bloeddruk wordt met een nauwkeurigheid van 2 mmHg afgelezen. Systole (=bovendruk) op het moment dat de tonen voor het eerst hoorbaar worden, de Diastole (=onderdruk) op het moment dat de tonen geheel verdwijnen. (Standaard wordt het gemiddelde van de twee linker waarden gebruikt. Echter, bij een verschil van 10 mmHg of meer tussen de armen wordt genoteerd waar de hoogste waarden zijn gemeten en die armwaarden dienen dan als uitslag)

H11. Lichaamsgewicht

Laat de werknemer, rechtop, zonder schoenen, met alleen ondergoed aan, op de weegschaal gaan staan en lees het gewicht af.

H12. Lichaamslengte

Laat de werknemer, rechtop, zonder schoenen, met de hakken tegen de muur en voeten plat op de grond, tegen de meetlat opstaan en lees lengte af.

–Noteer de uitslag in hele centimeters op het scoreformulier.

H13. Buikomvang

Laat de werknemer rechtop staan en meet met meetlint ter hoogte van de navel, vlak onder de ribbenboog, de buikomvang in hele cm af (direct na een normale uitademing).

H14. Body Mass Index (bereken dit uit H11 en H12)

Vermenigvuldig de lengte (in m) eerst met zichzelf (dus lengte x lengte, bv 1.87 x 1.87= 3.50). Vul het gewicht (in kg) op rekenmachine in en deel dit door de met zichzelf vermenigvuldigde lengte (bv 80 kg gewicht betekent (80:3.50)=22.9).

V4. Oogtest: Landolt C-ringen kaart en Groeneveld perspex schouder visusmeter

Leg uit wat er gaat gebeuren.

Voor de 5 m afstand wordt aanbevolen plaatselijke verlichting te gebruiken (500 lux). Zorg voor goed contrast (kaart schoonhouden). Houd de algemene ruimteverlichting aan de lage kant, niet meer dan 200 lux horizontaal op bureauhoogte. Er kan het beste begonnen worden met het slechtste oog (aan betrokkene vragen of uitproberen), daarna het beste oog, tenslotte beide ogen. Bij éénogig meten dient men de te onderzoeken persoon de handpalm voor het andere oog te laten houden, niet tegen het oog.

Begin elke meting bij een regel die nog gemakkelijk gelezen kan worden, ga door tot een fout gemaakt wordt, noteer de laatste correct benoemde grootte als score. Alleen bij vermoedelijke vergissing of slordigheid 1 herkansing. Weigering (‘dat zie ik niet meer’) niet accepteren (‘gokken hoort erbij, alleen als u fouten maakt weet ik zeker dat u het niet meer ziet’) (NVAB, 2000). Gebruik deze methode voor 5 m, 60 cm en 40 cm. (60 cm en 40 cm worden zittend afgenomen met Groeneveld perspex schouder visusmeter).

V5. Oogtest: Ishihara kleurentest

De test ontdekt afwijkingen in het zien van de kleuren rood (protanopie, protanomalie) en groen (deuteranopie, deuteranomalie). De test kan in de hand worden gehouden of op tafel worden geplaatst op ‘armlengte’, ongeveer 66 cm van het oog. Idealiter wordt de test bij natuurlijk daglicht afgenomen (er mag echter geen direct zonlicht op de test vallen en de hemel moet tenminste redelijk bewolkt zijn) of een passend alternatief moet op 45 graden van het plaat oppervlak worden gebruikt, dat wil zeggen niet direct er boven.

Instrueer de werknemer om de nummers te vertellen die zichtbaar zijn zodra de pagina wordt omgedraaid. Soms is er geen nummer te zien: als de werknemer geen nummer ziet wordt er doorgegaan naar de volgende pagina. De testafnemer draait de bladzijden om en houdt controle over de tijd. Ongeveer vier seconden zijn toegestaan voor iedere bladzijde. Overmatige aarzeling kan een signaal van geringe kleurenblindheid zijn.

Indien de kleurentest niet voldoende is, test de bedrijfsarts het kleurenzien op een functionele manier, met behulp van veiligheidssymbolen (zie V5a).

V5a. Oogtest: Functionele kleurentest

De bedrijfsarts wijst een symbool aan en de werknemer noemt de juiste kleur. De kleuren groen, rood, oranje, blauw en paars worden kriskras door elkaar aangewezen door de arts en de werknemer wordt gevraagd de kleur te noemen. Indien de bedrijfsarts twijfelt over het eigen vermogen om kleuren te zien, wordt een derde persoon (die zeker weet dat zijn/haar kleurenzien voldoende is) ter controle gevraagd mee te kijken.

V6. Gezichtsveldonderzoek

Het is een globale methode, waarbij ervan wordt uitgegaan dat het gezichtsveld van de onderzoeker normaal is. Grove defecten zijn op deze manier aan te tonen.

De onderzoeker vergelijkt zijn eigen gezichtsveld met dat van de werknemer. De gezichtsvelden van werknemer en onderzoeker zijn ongeveer congruent in het vlak precies tussen hen in, zodat de onderzoeker in dit vlak het testobject (zijn eigen vingertop, gekleurd voorwerpje) moet bewegen.

De werknemer gaat recht tegenover de testafnemer zitten, ‘knie aan knie’. De onderzoeker gaat na of de werknemer gelijktijdig rechts en links aangeboden vingerbewegingen kan opmerken of systematisch één gezichtsveld verwaarloost (zie bovenste figuur). Vervolgens onderzoekt men het gezichtsveld van ieder oog apart. Werknemer en onderzoeker kijken elkaar met één oog aan (het recht tegenoverliggende oog). De onderzoeker nadert vanuit de periferie het centrum van het gezichtsveld, bij voorkeur in het midden van één van de kwadranten (zie onderste figuur). De werknemer moet zeggen of hij/zij de vingertop ziet bewegen of niet, zodat men een zekere controle kan uitoefenen op wat de werknemer aangeeft. Zoals op het bovenste plaatje voor het horizontale vlak wordt afgebeeld, wordt vanuit verticale richting de vinger ook naar het centrum gebracht (geen afbeelding).

Noteer of het gezichtsveld:

De uitslag komt op het scoreformulier achter V6.

D3. Indien D2 positief is ingevuld: lichamelijk onderzoek huid

Observeer huid handen, armen en gezicht en gebruik zo nodig screeningsvragen eczeem/atopie uit NVAB richtlijn.

G4. Functionele gehoortest: fluisterspraaktest

De test kan zowel zittend als staand plaatsvinden; voer het onderzoek op gelijke hoogte met de werknemer uit; laat de werknemer zitten of staan en ga recht achter de werknemer zitten (of staan) om liplezen te voorkomen. Instrueer de werknemer de gehoorgang van 1 oor af te sluiten; vraag de werknemer te herhalen wat wordt gehoord.

Fluister na een volledige uitademing; fluister op armlengteafstand van de werknemer zo duidelijk mogelijk en recht naar voren, zonder de stembanden te gebruiken; fluister per oor zes combinaties van drie cijfers en letters (vermijd combinaties met B en D, M en N, H en A)

Voorbeelden van combinaties, zijn:

Oor 1: 3F6, G7L, O7S, 2K4, 8S5, U8X

Oor 2: F5C, Z3L, 6K7, 3S8, 2R9, X4U

Indien de werknemer een combinatie niet goed herhaalt wordt de combinatie niet opnieuw genoemd; noteer op het scoreformulier per oor of combinaties goed of fout worden herhaald.

Indien fluisterspraaktest onvoldoende is kan er voor worden gekozen door de bedrijfsarts om alsnog eerst de nationale gehoortest te laten uitvoeren en eventueel als laatste optie een toonaudiogram.

L3. Indien L2 positief is ingevuld: Lichamelijk onderzoek longen

Indien L2 positief: doe lichamelijk onderzoek luchtwegen (gebruik richtlijnen of screenings-instrument uit NVAB richtlijn voor astma/atopie) en verricht zo nodig spirometrisch onderzoek. Noteer uitslagen longonderzoek in termen van longbelastbaarheidsrisico: ok / niet ok

Deel III. testprotocol functionele testen (uitgevoerd door afnemer functionele testen)

Er worden twee functionele testen uitgevoerd in vaste volgorde: eerst de brandbestrijdingstest en binnen een kwartier tot maximaal een uur na afloop van de brandbestrijdingstest wordt de brandweertraplooptest uitgevoerd.

De scoreformulieren van de functionele testen zijn als addenda aan deze bijlage toegevoegd.

De eerder ingevulde PAR-Q vragenlijst (zie hieronder) is akkoord bevonden voorafgaand aan de functionele testen van iedere werknemer. Indien u niet zeker bent van dit akkoord, vraag de bedrijfsarts dan naar de uitslag.

B10. Functionele fysieke test: brandbestrijdingstest

De deelnemer staat in kazernetenue (overhemd+ pantalon) klaar en wacht op het startsein. Dan trekt hij/ zij het uitruk tenue aan en gaat naar punt 2.

Dit onderdeel wordt op een podium/platform verricht (zonder noodzakelijke aanwezigheid van een TAS op test plek) bij het uitvoeren van de test: voorwaarde is dat de constructie waar de ademlucht normaal in de TAS in hangt van iedere veiligheidsregio op/in het platform kan worden geschroefd. De deelnemer gaat op de plaats van nummer 1 (zie overzicht) het ademluchttoestel omhangen en het gelaatstuk om de nek hangen. Na de ademluchttest wordt de druk hardop geroepen. Ook worden de werkhandschoenen aangetrokken. Vervolgens worden er twee 52mm slangen gepakt en met de slangen naar punt 3 gelopen.

De slang wordt neergelegd de andere slang wordt naar punt 3a uitgeworpen en één, de andere koppeling wordt samen met de andere slang meegenomen en wordt de eerste slang naar punt 3a gestrekt. Bij punt 3a wordt de koppeling van de eerste slang neergelegd op de grond en de tweede slang richting punt 3 uitgeworpen. De twee slangen worden hier aan elkaar gekoppeld en de tweede slang gestrekt naar punt 3. Hier wordt de koppeling weer neergelegd op de grond. Hierna wordt er naar punt 4 gelopen.

De handladder ligt met de onderkant tegen de muur en moet tegen de muur worden opgelopen en onderuit worden getild. De ladder uitschuiven tot de markering op de tiende sport en het trekkoord op winden om de 3e en 5e sport en knopen op de 4e sport. Vervolgens de juiste klimhoek instellen (voeten tegen de ladderbomen en met rechte rug de armen gestrekt net de ladderboom kunnen raken).

Als de ladder volgens de regels staat (juiste hoek en trekkoord geknoopt) moeten uit de TS de volgende materialen worden gehaald: de gereedschap koffer, een werklijn en een straalpijp. Deze materialen worden bij de handladder gelegd. De deelnemer pakt de straalpijp en gaat een slangkoppeling bij punt 3, koppelt de straalpijp eraan en loopt terug naar de handladder. Daar prepareert hij/zij de slang om opgevoerd te kunnen worden. Dan wordt de slang met straalpijp op de juiste wijze naar boven gelopen (slang langs de borst over de schouder met de straalpijp op de rug) tot de deelnemer met de beide voeten op de markering van de 10e sport staat. Dan gaat de deelnemer weer terug de handladder af en legt de slang neer op de grond. Vervolgens wordt de gereedschapskoffer gepakt en op een veilige wijze weer naar boven gebracht tot de beide voeten op de markering staan. De gereedschapskoffer wordt met een standaard gewicht van 10kg uitgerust. Weer terug en de koffer weer op de grond zetten. Hetzelfde gebeurt nog een keer met de werklijn. Elke keer moet men de materialen zodanig vast houden dat er twee handen vrij zijn om de ladder te kunnen beklimmen. Beklimmen met de z.g. telgang. Loop naar punt 5 toe.

Horloge wordt door instructeur (rode knop) ingedrukt voor dit onderdeel start.

De stootram pakken van het voertuig, ademlucht aansluiten en de fictieve deur door middel van driemaal stoten met de stootram bewerken: liefst 1x op schouderhoogte, 1x op kniehoogte, en 1x op taille hoogte. (stootram beetpakken zoals aangeleerd). De rest van het traject wordt met ademlucht afgemaakt. Lopen naar punt 6.

Een halfgevulde 75mm slang (zonder druk) met een straalpijp, gekoppeld aan de pomp, ligt zigzag gevouwen bij de TS. De slang wordt over de schouder gelegd en voorwaarts geheel gestrekt naar punt 6a. Lopen naar punt 7.

Een pop van 80 kg wordt over 2 x 7,5 m (in totaal 15 m) heen en weer versleept waarbij in het midden van het traject een drempel (ter hoogte van een gevulde 52 mm slang) in het parcours is ingebouwd. De pop kan worden vastgepakt waar men wil (voorkeur is schouderbanden bij pop beschikbaar) naar punt 7a worden gesleept en weer terug naar punt 7. Het starten van het slepen moet op de juiste manier gebeuren vanuit de benen en zo mogelijk met rechte rug. De kandidaat mag keren of heeft het traject afgelegd als de beide voeten de lijn zijn gepasseerd. Ga naar punt 8.

Vier balken liggen in een zigzag opgesteld. De bedoeling is dat de deelnemer over de balken loopt als zijnde een evenwichtsbalk. Afstappen onderweg is opnieuw beginnen. Loop naar punt 9.

Trekken van last (max 15 kg over 2 x 15 m). Na eerste 15 meter lopen naar pion (punt 9a) en terug en tweede keer 15 meter trekken. Loop naar punt 10.

Over het hek stappen (dus niet springen), lopen naar punt 10a, omdraaien en terug over het hek stappen en lopen naar punt 10. Nu lopen naar punt 11.

Een HD-slang over een afstand van 15 meter meevoeren en weer mee terug nemen. De eerste 3 meter normaal lopen, dan 3 meter onder tunnel door en gehurkt lopen (laag blijven). De volgende 3 meter rechtop lopend. De volgende 3 meter weer gehurkt en nogmaals 3 meter rechtop lopend naar punt 11a. Dan achterwaarts terug lopen. Eerst rechtop lopend, dan weer gehurkt, rechtop lopend, dan weer gehurkt en tenslotte rechtop lopen tot punt 11. Dit traject moet op de hurken en niet op de knieën worden afgelegd met het pistol met twee handen vast. Ga naar punt 12.

Met behulp van een massieve staaf een bal omhoog stoten, die uit het plafond hangt op 2.50 meter hoogte en de bal tien keer tegen de bovenkant van de korf stoten. Men geeft 10 juiste stoten. De instructeur telt hardop mee.

Einde test. De tijdwaarneming wordt gestopt en in wandeltempo zonder spreken hersteld. Meet de hartslag na een hersteltijd van 3 minuten en noteer deze. De instructeur legt de gegevens van de test en herstelperiode vast.

De werknemer is voor de test al uitgelegd wat er achtereen van hem/haar wordt verwacht; er wordt juist voor testafname nogmaals gecheckt of de onderdelen goed begrepen zijn.

Benadrukt wordt, dat:

B11a. Functionele fysieke test: periodieke keuring brandweertraplooptest

De brandweertraplooptest is een piek-anaerobe test die kan checken of een brandweermedewerker met bepakking plus een met aan de functie gerelateerde tilbelasting een voldoende belastbaar hartlongsysteem heeft.

De keurling loopt, na een warming up indien nodig, zo snel mogelijk (maar zonder te rennen) en zonder steun van handen de verdiepingen naar boven. De hartfrequentie wordt opgenomen om de eindhartfrequentie te kunnen bepalen bij aankomst boven. Tevens wordt de tijd opgenomen en wordt de verbruikte ademlucht gemeten. Vóórdat de trap weer wordt afgedaald koppelt de werknemer de ademlucht zelf los en doet het masker af. De werknemer neemt het brandweermateriaal niet mee terug. Direct daarna dalen de werknemer en de instructeur de trap af. De instructeur loopt vóór de werknemer de trap af ter beveiliging.

De traplooptest wordt uitgevoerd over een afstand waarbij 20 meter wordt gestegen, het aantal treden is hierbij afhankelijk van de treehoogtes.

Loop zo meteen zo snel mogelijk naar boven met ademlucht aan

U neemt deze extra brandweerhulpmiddelen mee tijdens het beklimmen van de trap. U wordt gevolgd door een instructeur. Boven wordt bij aankomst zo snel mogelijk uw hartfrequentie afgelezen. U doet uw masker af. U laat de brandweerhulpmiddelen boven liggen. Hierna loopt u direct de trap weer rustig af, in een gelijkmatig tempo.

Vooraf kunt u een warming-up houden waarbij u drie trapdelen oefent om uw stapritme te bepalen. Tevens kunt u, indien u dat wenst, wat stretchoefeningen van spieren in kuit en bovenbeen uitvoeren voordat u start. Heeft u vragen?

Ik tel zo meteen af met: ‘3, 2, 1, start’ en op ‘start’ mag u beginnen.

Het criterium voor de brandweertraplooptest is:

De uitslagen tijd in seconden, eindhartfrequentie en of de uitvoering correct is uitgevoerd worden op het scoreformulier genoteerd.

Met behulp van de eindhartfrequentie wordt het % van theoretisch maximum van de hartfrequentie berekend:

% van theoretisch maximum van de hartfrequentie. = eindhartfrequentie:(220-leeftijd) = ..........

B11b. Functionele fysieke test: brandweerstairmastertest

De Stairmaster is onderdeel van het PPMO en heeft tot primair doel piekbelasting bij inspanning te meten. Er wordt hierbij gekeken naar coördinatie en balans. De Stairmaster is geïntroduceerd als alternatief voor de gewone traplooptest.

De brandweertrapstairmastertest is een piek-anaerobe test die kan checken of een brandweermedewerker met volledige bepakking plus een met aan de functie gerelateerde tilbelasting een voldoende belastbaar hartlongsysteem heeft.

De werknemer loopt, na een warming up indien nodig, zo snel mogelijk en zonder steun van handen op de Stairmaster. De hartfrequentie wordt opgenomen om de eindhartfrequentie te kunnen bepalen bij aankomst boven. Tevens wordt de tijd opgenomen en wordt de verbruikte ademlucht gemeten.

U neemt een loodharnas mee tijdens het beklimmen van de trap. Na het beklimmen van 100 treden of anders afloop van de twee minuten wordt zo snel mogelijk uw hartfrequentie afgelezen. U koppelt boven zelf uw ademlucht af en doet uw masker af.

Vooraf kunt u een warming-up houden waarbij u een aantal treden oefent om uw stapritme te bepalen. Hierbij kunt u zelf uw staptempo bepalen Tevens kunt u, indien u dat wenst, wat stretchoefeningen van spieren in kuit en bovenbeen uitvoeren voordat u start. Heeft u vragen?

Ik tel zo meteen af met: ‘3, 2, 1, start’ en op ‘start’ mag u beginnen.

Het criterium voor de brandweerstairmastertest is:

De uitslagen tijd in seconden, eindhartfrequentie en of de uitvoering correct is uitgevoerd worden op het scoreformulier genoteerd.

Met behulp van de eindhartfrequentie wordt het % van theoretisch maximum van de hartfrequentie berekend:

% van theoretisch maximum v.d hartfrequentie = eindhartfrequentie:(220-leeftijd) = .........

Addenda, behorende bij bijlage III verband houdende met artikel 3, eerste lid, van de Regeling personeel brandweer BES

Vragenlijst Ppmo

Informatie voor medewerkers: lees dit voor u begint!

De vragen in deze lijst vormen een onderdeel van het preventief medisch onderzoek dat periodiek wordt uitgevoerd bij medewerkers van het brandweerkorps BES (Ppmo). Alleen die gezondheidsaspecten die relevant zijn voor de eisen die het werk aan u stelt worden uitgevraagd. U dient eerlijk antwoord te geven op alle vragen. Doel is signalen in beeld te brengen en daardoor op tijd te herkennen van mogelijke (vroege) gezondheidsproblemen van uzelf die uw belastbaarheid voor het werk negatief kunnen beïnvloeden. Op basis van de uitkomsten kan het zijn dat er meer gezondheidstesten volgen of dat u al adviezen meekrijgt waarmee uw belastbaarheid voor uw werk geoptimaliseerd kan worden en de veiligheid van uzelf en/of derden zoveel mogelijk blijft beschermd. Indien het de bedrijfsarts op basis van bepaalde uitkomsten niet verantwoord lijkt om u momenteel volledig inzetbaar te beoordelen voor het werk dat u moet doen, hoort u dat van hem/haar na uitvoering van alle testen. Tevens wordt dan aangegeven wat er moet gebeuren om dit wel voor elkaar te krijgen.

Op de volgende bladzijden treft u vragen aan die over de volgende onderwerpen gaan:

Alleen bij de eerste vragen wordt u ook gevraagd een getal in te vullen. Verder wordt gevraagd één van de antwoordmogelijkheden per vraag aan te kruisen of te omcirkelen.

Vul alstublieft alle vragen in en geef niet meer dan 1 antwoord per vraag. Indien u twijfelt tussen antwoordcategorieën kies dan toch maar 1 antwoord (die op dit moment het best lijkt te passen).

Dank voor uw medewerking.

Indien u vragen heeft, kunt u deze stellen aan Personeelszaken, de doktersassistente of de bedrijfsarts.

Vragen over uw lichamelijke belastbaarheid

{gerelateerd aan de functie-eisen die met het bewegingsapparaat te maken hebben (klauteren en klimmen, hurken, knielen en/of kruipen, tillen, energetische piekbelasting, houdingen en krachtleverantie rug, werken met armen boven schouderhoogte), met goed gezicht- en gehoorvermogen, met de belastbaarheid van huid en luchtwegen/longen en met het risico voor/door infectieziekten}:

B9. Hoe schat u nu uw eigen werkvermogen in om repressief brandweerwerk uit te voeren met betrekking tot de fysieke eisen die het werk aan u stelt?

Omcirkel hieronder de beschrijving die het beste bij u past:

Vragen over uw mentale en emotionele belastbaarheid

{gerelateerd aan de functie-eisen emotionele piekbelasting en waakzaamheid en oordeelsvermogen}

P11. Hoe schat u nu uw eigen werkvermogen in om repressief brandweerwerk uit te voeren met betrekking tot de mentale/psychische eisen die het werk aan u stelt?

Omcirkel hieronder de beschrijving die het beste bij u past:

P12. Hieronder vindt u 11 stellingen met betrekking tot uw herstelbehoefte na het werk.Geef door 'nee' of 'ja' aan te vinken/kruisen aan hoe u zich de afgelopen 4 weken NA het werk voelde.

P13. Hieronder staan situaties waarbij mensen kunnen wegdoezelen of in slaap vallen door vermoeidheid of een gevoel van slaperigheid.

Kruis per onderstaande situatie 1 antwoord aan waarmee u de kans inschat dat u in die situatie zou wegdoezelen of in slaap zou vallen. Indien u niet recentelijk één van de onderstaande situaties hebt meegemaakt, probeert u zich dan in te denken hoe u zich zou voelen.

Hieronder staan twee lijsten met problemen die mensen kunnen ervaren.

Lees ieder probleem zorgvuldig door en vink/kruis het vakje aan bij de omschrijving die het beste weergeeft in hoeverre u last had van dat probleem gedurende de afgelopen week, inclusief vandaag.

Hieronder staan 15 uitspraken die mensen doen na het meemaken van een zeer ingrijpende gebeurtenis.

Neem de door u zelf meegemaakte ingrijpende gebeurtenis(sen) in gedachten, bekijk elke uitspraak en kruis aan hoe vaak de uitspraken op u zelf van toepassing was tijdens de afgelopen ZEVEN DAGEN.

Vragen over uw algemene gezondheidstoestand in relatie tot uw werk

Chronische ziekten kunnen een verminderde belastbaarheid voor bepaalde taken laten ontstaan. Op basis van onderstaande vragen kan de arts u adviezen verstrekken.

A3-. Hoe schat u momenteel uw eigen werkvermogen in?

Betekenis getallen:

0 = geen enkel werkvermogen en 10 = het beste/meest optimale werkvermogen dat u zelf ooit ervaren heeft om repressief brandweerwerk uit te kunnen voeren. Omcirkel het cijfer hieronder dat u op dit moment bij uzelf vindt passen:

Dit is het einde van de vragenlijst.

Lever de lijst nu in of geef aan dat u klaar bent.

Instructie- en scoreformulier biometrische testen en lichamelijk onderzoek (onderdeel Ppmo)

Werknemer nr.: __Datum afname: _Tijdstip afname: ____

H10. Bloeddrukmeting

Laat de proefpersoon enkele minuten rustig zitten, daarna wordt de bloeddruk opgenomen. Twee keer bij de linkerarm en twee keer bij de rechterarm.

Bloeddruk links: 1) _mmHg 2) _mmHg

Bloeddruk rechts: 1) _mmHg 2) _mmHg

H11. Lichaamsgewicht

Laat de proefpersoon, rechtop, zonder schoenen, met alleen ondergoed aan, op de weegschaal gaan staan en lees het gewicht af in hele kilogrammen.

Lichaamsgewicht: __kg

H12. Lichaamslengte

Laat de proefpersoon, rechtop, zonder schoenen, met de hakken tegen de muur en voeten plat op de grond, tegen de meetlat opstaan en lees de lengte af in hele centimeters.

Lichaamslengte: __cm

H13. Middelomtrek

Laat de proefpersoon rechtop staan, en meet met meetlint ter hoogte van de navel, vlak onder de ribbenboog, de buikomvang in hele centimeters (tijdens normale uitademing).

Buikomvang: __cm

H14. Body Mass Index: bereken dit uit de gegevens over gewicht en lengte:

Body Mass index: : =.

V4. Visus

Leg aan de proefpersoon uit wat er gaat gebeuren. Voer de test volgens protocol uit op 5 m, 60 cm en 40 cm. Op alle drie afstanden meet men de gezichtsscherpte voor beide ogen apart en samen.

Begin elke meting bij een regel die nog gemakkelijk gelezen kan worden, ga door tot een fout gemaakt wordt, noteer de laatste correct benoemde grootte als score. Alleen bij vermoedelijke vergissing of slordigheid 1 herkansing. Weigering (‘dat zie ik niet meer’) niet accepteren (‘gokken hoort erbij, alleen als u fouten maakt weet ik zeker dat u het niet meer ziet’). Gebruik deze methode voor 5 m, 60 cm en 40 cm. (60 cm en 40 cm worden zittend afgenomen met Groeneveld perspex schouder visusmeter).

V5. Ishihara kleurentest

Leg aan de proefpersoon uit wat er gaat gebeuren.

Uitslag: _ van de ___ fout

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)