Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 18 juli 2016, nr. IGG-2016.380605, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Fonds Duurzaam Water)
Gelet op de artikelen 6 en 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;
Gelet op artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;
Besluit:
Artikel 1
Voor subsidieverlening op grond van artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 met het oog op subsidiëring van activiteiten op het gebied van waterveiligheid en waterzekerheid die strekken tot inclusieve groene groei gelden de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.
Artikel 2
Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Fonds Duurzaam Water worden ingediend in twee openstellingen.
Aanvragen voor subsidie in de eerste openstelling van het Subsidieprogramma Fonds Duurzaam Water kunnen worden ingediend vanaf 26 september 2016 tot en met 27 februari 2017, 15.00 uur Nederlandse tijd.
Aanvragen voor subsidie in de tweede openstelling van het Subsidieprogramma Fonds Duurzaam Water kunnen worden ingediend vanaf 1 oktober 2017 tot en met 5 februari 2018, 15.00 uur Nederlandse tijd.
Aanvragen voor een voucher in het kader van het Subsidieprogramma Fonds Duurzaam Water kunnen worden ingediend vanaf het moment van inwerkingtreding van dit besluit tot en met 8 december 2017.
Aanvragen voor subsidies en vouchers in het kader van het Subsidieprogramma Fonds Duurzaam water worden ingediend aan de hand van een door de minister beschikbaar gesteld formulier en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden.1english.rvo.nl/FDW
Artikel 3
Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma Fonds Duurzaam Water geldt voor aanvragen bedoeld in artikel 2, tweede lid, voor de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31/12/2017 een subsidieplafond van € 30 miljoen.
Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma Fonds Duurzaam Water geldt voor aanvragen bedoeld in artikel 2, derde lid, voor de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31/12/2018 een nader bekend te maken subsidieplafond.
Indien na toepassing van het eerste lid een deel van het daar bedoelde subsidieplafond resteert, is dit beschikbaar voor aanvragen bedoeld in artikel 2, derde lid.
Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma Fonds Duurzaam Water geldt voor aanvragen bedoeld in artikel 2, vierde lid, voor de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31/12/2018 een subsidieplafond van € 500.000.
Artikel 4
De verdeling van de subsidieplafonds bedoeld in artikel 2, tweede en derde lid, vindt plaats op grond van een beoordeling overeenkomstig de maatstaven die in de bijlage bij dit besluit zijn neergelegd, met dien verstande dat uit alle aanvragen die voldoen aan de maatstaven, de aanvragen die het beste voldoen aan die maatstaven het eerst voor subsidieverlening in aanmerking komen, binnen het raam van een evenwichtige spreiding als bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel d, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Artikel 5
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2021, met dien verstande dat het van toepassing blijft op subsidies die voor die tijd zijn verleend.
Bijlage. Subsidieprogramma Fonds Duurzaam Water (FDW)
Paragraaf 1. : Algemeen
1.1. Beleidskader FDW
Het in dit besluit omschreven subsidieprogramma is onderdeel van het beleidskader FDW (hierna beleidskader), waarin naast subsidieverstrekking ook andere instrumenten worden ingezet. Het beleidskader is beschikbaar op de FDW website van RVO.nl (http://english.rvo.nl/fdw).
Door middel van het beleidskader kan een bijdrage worden geleverd aan de uitvoering van de agenda voor hulp, handel en investeringen van het huidige kabinet (‘Wat de wereld verdient’, april 20132https://www.government.nl/documents/letters/2013/04/05/global-dividends-a-new-agenda-for-aid-trade-and-investment.).
Problemen op het gebied van waterveiligheid en waterzekerheid zijn complex van aard en er is vaak sprake van verschillende belangen. Hierdoor kunnen problemen veelal niet door één organisatie worden opgelost of kunnen oplossingen niet door één organisatie worden gefinancierd. Het beleidskader stimuleert het aangaan van publiek private partnerschappen (PPP’s). Door in partnerschap te werken en gebruik te maken van de toegevoegde waarde van overheden, ondernemingen, NGO’s en kennisinstellingen kunnen innovatieve en duurzame oplossingen gevonden worden voor water-gerelateerde problemen. Partnerschappen bieden bovendien kansen voor de Nederlandse watersector en kunnen helpen bij het opbouwen van lokaal MKB.
1.2. Beleidsuitgangspunten FDW
Vanuit het beleidskader wordt gezocht naar initiatieven die substantieel bijdragen aan een systeemdoorbraak. Hiervoor is noodzakelijk dat resultaten opschaalbaar zijn of een sectorale impact hebben en er aandacht is voor de enabling environment en verdienmodellen gericht op de allerarmsten.
De onderstaande beleidsuitgangspunten, waaronder duurzaamheid en gender, staan centraal. De mate waarin, en de manier waarop deze aspecten worden geïntegreerd is afhankelijk van de context. De voorkeur zal uitgaan naar initiatieven waarin deze aspecten een belangrijke rol spelen.
De beleidsuitgangspunten zijn:
Ontwikkelingsfocus:
Inclusieve groene groei door het verbeteren van waterzekerheid en waterveiligheid in ontwikkelingslanden.
Het verbeteren van de levensomstandigheden van kwetsbare groepen.
Het integreren van het thema gender, bij voorkeur door vrouwen te betrekken bij besluitvorming, planning en uitvoering, bijvoorbeeld door ze in te zetten als change agents en activiteiten die bijdragen aan de sociale en economische empowerment van vrouwen of de randvoorwaarden hiervoor.
Ondersteunde initiatieven zijn gebaseerd op een gedegen equity en gender analyse.
Duurzaamheid:
Het gaat uitsluitend om interventies die tot een duurzaam resultaat leiden. Voor de invulling van het begrip duurzaam wordt gebruik gemaakt van het FIETS kader waarin onderscheid wordt gemaakt in duurzaamheid op Financieel, Institutioneel, Ecologisch (milieu en klimaat), Technisch en Sociaal vlak.
1.3. Doelstelling subsidieprogramma FDW
De aanpak van de problematiek waarop FDW zich richt vergt inzet van publiek private partnerschappen. Dergelijke partnerschappen kunnen kansen en problemen aanpakken die de individuele partij overstijgen en zich bevinden op het snijvlak van het publieke en private domein. Een substantiële rol van de lokale publieke partij uit het doelland is van belang voor het rechtvaardigen van een publiek-private samenwerking en voor het welslagen van initiatieven. Voor goed functionerende partnerschappen is het van belang dat heldere afspraken worden gemaakt over de verschillende taken, rollen en verantwoordelijkheden.
Nederlandse kennis en kunde:
Daar waar het meerwaarde voor de te bereiken doelen heeft wordt de inzet van Nederlandse kennis en kunde verlangd.
Integratie van de verschillende thema’s is mogelijk en kan zelfs bijdragen aan het verhogen van de duurzaamheid van de activiteiten.
Het doel van het subsidieprogramma is bijdragen aan inclusieve, groene groei door het verbeteren van waterzekerheid en waterveiligheid in ontwikkelingslanden via publiek private partnerschappen (PPP’s). Uitgangspunt daarbij is dat het zich richt op kansen en knelpunten die juist door inzet van publiek private partnerschappen succesvol opgepakt kunnen worden.
1.4. Uitvoerder
Aan de doelstelling dient via één of meer van de volgende drie thema’s te worden bijgedragen:
1.5. Administratieve lasten
Het subsidieprogramma kent twee subsidiemogelijkheden: de FDW-projectsubsidie (paragraaf 3) en de FDW-voucher (paragraaf 4).
1.4. Uitvoerder
Paragraaf 3:. Fdw-projectsubsidie
1.5. Administratieve lasten
Ter verantwoording van de administratieve lasten waarmee de aanvrager bij het subsidieprogramma te maken krijgt is een toets uitgevoerd volgens een standaard kostenmodel. Daarbij is rekening gehouden met de indiening van een aanvraag, de beheerfase, de afronding van het project, waarna de aanvrager een verzoek tot vaststelling van de subsidie moet indienen, en eventuele bezwaar- en beroepsprocedures. Uit de berekening blijkt dat het totale percentage administratieve lasten ten opzichte van het totaal beschikbare subsidiebudget 0,4% bedraagt.
Paragraaf 2. : Begripsbepalingen
Het maximale subsidiepercentage van de subsidiabele projectkosten en het maximale subsidiebedrag zijn afhankelijk van het thema waar de aanvraag zich op richt. De maximale subsidiepercentages per thema zijn weergegeven in tabel 1.
De omvang van de aangevraagde subsidie is niet lager dan € 500.000.
Een FDW-projectsubsidie beoogt PPP’s te ondersteunen bij het uitvoeren van projecten die aansluiten op de doelstellingen van FDW.
3.2. Omvang van de subsidie
Het maximale subsidiepercentage van de subsidiabele projectkosten en het maximale subsidiebedrag zijn afhankelijk van het thema waar de aanvraag zich op richt. De maximale subsidiepercentages per thema zijn weergegeven in tabel 1.
De omvang van de aangevraagde subsidie is niet lager dan € 500.000.
Aanvragen die zijn ingediend onder het thema ‘Verbeterd stroomgebied beheer en veilige delta’s’, maar hier na analyse niet onder vallen, zullen, indien zij (waar nodig) niet tijdig voor de deadline voor het indienen van aanvragen worden aangepast, niet in aanmerking komen voor subsidie.
Ad 1) De genoemde percentages hebben betrekking op het projectbudget van de aanvraag.
3.3. Eigen bijdrage
Het deel van de projectkosten dat niet door subsidie wordt gefinancierd komt uit middelen van het PPP (eigen middelen of middelen verkregen van derden); de eigen bijdrage. De hoogte van de minimaal vereiste eigen bijdrage wordt per thema weergegeven in Tabel 1. Een minimum percentage van de subsidiabele projectkosten moet afkomstig zijn uit middelen van ondernemingen die als projectpartner in de aanvraag zijn opgenomen. De hoogte van dit percentage is per thema weergegeven in Tabel 1. Bij aanvraag van de projectsubsidie maakt het project aannemelijk dat het PPP de eigen bijdrage kan financieren.
De eigen bijdrage mag afkomstig zijn uit verschillende financieringsbronnen zoals andere subsidies, leningen en giften of investeringen door derden in projectpartners of het partnerschap, echter mag niet afkomstig zijn van een reeds eerder verkregen subsidie of bijdrage van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Indien de eigen bijdrage wordt gefinancierd uit een lening of investering zal deze bijdrage worden gezien als de bijdrage uit de middelen van de PPP-partner die de lening of investering ontvangt.
Individuele leden van de doelgroep van het FDW-project zijn geen partner in een PPP namens welke een aanvraag voor een projectsubsidie wordt gedaan en hun economische groei of door hen aangegane leningen kunnen niet als ‘eigen bijdrage’ gekapitaliseerd worden. Tevens kan de eigen bijdrage niet worden ingevuld met in de toekomst binnen het project te genereren inkomsten.
Een hogere eigen bijdrage dan minimaal vereist wordt aangemoedigd en werkt positief door in de beoordeling van de aanvragen.
Onder subsidiabele kosten voor technische assistentie (TA) wordt verstaan:
Een projectsubsidie bestaat uit een bijdrage in de kosten direct verbonden met de uitvoering van het project. Kosten komen alleen in aanmerking voor subsidie indien deze rechtstreeks aan de uitvoering van het project zijn toe te rekenen en indien wordt voldaan aan de verplichtingen gesteld in de beschikking tot subsidieverlening.
3.5. Extern advies
In relatie tot technische assistentie (TA) wordt voor FDW de standaardmethode ‘Loonkosten plus vaste-opslag-systematiek’ gebruikt om de hoogte van de tarieven van projectpartners te bepalen. Hierbij wordt uitgegaan van een opslag van 50% op de loonkosten.
Onder subsidiabele kosten voor kapitaalgoederen (hardware) wordt verstaan:
Onder subsidiabele kosten voor technische assistentie (TA) wordt verstaan:
3.6. Aanvraag indienen
3.5. Extern advies
De Ambassades van het Koninkrijk der Nederlanden geven advies over de kwaliteit van de aanvragen. Hierbij wordt nadrukkelijk gekeken naar de aansluiting bij het Meerjarig Strategisch Plan (MJSP) van de ambassade en de inbedding in de lokale context.
RVO.nl kan tijdens de beoordeling advies inwinnen bij externe experts.
RVO.nl legt de resultaten van de beoordeling van de aanvragen voor aan een door de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking ingestelde onafhankelijke adviescommissie FDW. De commissie adviseert de Minister over de uitkomsten van de beoordeling door RVO.nl.
De verdeling van de beschikbare middelen vindt per openstelling plaats op basis van rangschikking van de aanvragen op kwaliteit.
De rangschikking geschiedt per thema op basis van:
Na ontvangst van de aanvragen toetst RVO.nl de aanvraag op ontvankelijkheid. Aanvragen die voldoen aan alle formele vereisten zijn ontvankelijk en worden in behandeling genomen en beoordeeld op drempelcriteria. Slechts de aanvragen die voldoen aan alle drempelcriteria worden (nader) inhoudelijk op rangschikkingscriteria beoordeeld.
Ter ondersteuning van de beoordeling kan RVO.nl verificatieactiviteiten uitvoeren ter controle van de in de aanvraag gemaakte aannames en stellingnames. Tevens kan door verificatie informatie die nodig is voor een goede beoordeling van de kwaliteit van de aanvraag verzameld worden. Hiervoor kan RVO.nl contact zoeken met de partijen in het aanvragende PPP en relevante stakeholders.
3.7.1. Drempelcriteria
De verdeling van de beschikbare middelen vindt per openstelling plaats op basis van rangschikking van de aanvragen op kwaliteit.
3.7.2. Rangschikkingscriteria
De beschikbare subsidie wordt eerst toegekend aan de aanvragen die als eerste gerangschikt zijn binnen een FDW-thema. Vervolgens komen de aanvragen die daaronder gerangschikt zijn voor subsidie in aanmerking in volgorde van rangschikking per thema zolang het subsidiebudget niet is uitgeput.
Indien onvoldoende subsidie beschikbaar is om alle aanvragen die van voldoende kwaliteit gebleken zijn (zie hierna onder Puntenverdeling en bonuspunten) te honoreren, krijgen bij een gelijke rangschikkingspositie aanvragen die zich richten op het thema ‘Verbeterd stroomgebiedbeheer en veilige delta’s’ prioriteit boven aanvragen die zich richten op het thema ‘Efficiënt watergebruik met name in de landbouw’, die weer prioriteit krijgen boven aanvragen die zich richten op het thema ‘Duurzame toegang tot schoon drinkwater en sanitatie’.
Naast de 1.000 punten die te verdienen zijn voor de kwaliteitscriteria worden 50 extra punten toegekend aan aanvragen voor activiteiten in één van de 14 daarvoor kwalificerende partner- of focuslanden voor het beleid van buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking zoals opgenomen in annex 1 bij deze beleidsregels.
3.8. Beslissing subsidieaanvraag en uitvoering
Naast het bepaalde in artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt een aanvraag voor subsidie afgewezen als er niet voldaan wordt aan het bepaalde in deze beleidsregels en/of indien het beschikbare budget ontoereikend is gelet op de plaats op de rangschikking per thema van de aanvraag.
3.8.1. Verlening en verplichtingen van de subsidie
Puntenverdeling en bonuspunten
Aanvragen die voldoen aan de drempelcriteria en ten minste het minimale aantal punten op de rangschikkingscriteria scoren zullen worden gerangschikt aan de hand van de beoordelingsscore en eventueel toegekende bonuspunten. In totaal zijn er 1.000 punten te verdienen in de toets op de rangschikkingscriteria. In onderstaande tabel 2 staat per rangschikkingscriterium het maximum aantal te verdienen punten en het aantal punten dat minimaal behaald moet worden om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen.
Naast de 1.000 punten die te verdienen zijn voor de kwaliteitscriteria worden 50 extra punten toegekend aan aanvragen voor activiteiten in één van de 14 daarvoor kwalificerende partner- of focuslanden voor het beleid van buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking zoals opgenomen in annex 1 bij deze beleidsregels.
De subsidieontvanger dient bij afronding van de inceptiefase van het project en vervolgens eenmaal per 12 maanden te rapporteren over de gerealiseerde activiteiten, resultaten en kosten. De voortgangsrapportages worden binnen 4 weken na afloop van de rapportageperiode bij RVO.nl ingediend. De rapportages dienen in het Engels te worden opgesteld volgens het beschikbaar gestelde model (zie http:english.rvo.nl/FDW).
Naast het bepaalde in artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt een aanvraag voor subsidie afgewezen als er niet voldaan wordt aan het bepaalde in deze beleidsregels en/of indien het beschikbare budget ontoereikend is gelet op de plaats op de rangschikking per thema van de aanvraag.
Gedurende de gehele uitvoeringsperiode kan RVO.nl uit eigen beweging contact opnemen met elke partner in het PPP voor het opvragen van informatie over het project.
Binnen 22 weken na de uiterste indieningsdatum voor de aanvragen beslist RVO.nl namens de Minister op de aanvraag.
Bij de verlening worden in ieder geval de volgende verplichtingen opgenomen.
De subsidieontvanger dient bij afronding van de inceptiefase van het project en vervolgens eenmaal per 12 maanden te rapporteren over de gerealiseerde activiteiten, resultaten en kosten. De voortgangsrapportages worden binnen 4 weken na afloop van de rapportageperiode bij RVO.nl ingediend. De rapportages dienen in het Engels te worden opgesteld volgens het beschikbaar gestelde model (zie http:english.rvo.nl/FDW).
Gezamenlijk met de voortgangsrapportage wordt tevens gerapporteerd op monitoring indicatoren zoals vastgelegd in de subsidiebeschikking en het door het partnerschap te ontwikkelen ‘Monitoring en Evaluatie plan’. Deze omvat expliciet monitoring op bijdragen aan de beleidsdoelstellingen. De in de subsidiebeschikking vastgelegde indicatoren zijn een selectie van indicatoren, zoals genoemd in annex 2 bij deze beleidsregels, die relevant zijn voor het project. Daarbij wordt bij de oplevering van de rapportage na afronding van de inceptiefase gerapporteerd op de baseline situatie en projectdoelstellingen, waarna jaarlijks een update op de indicatoren wordt verstrekt. Rapportage op de indicatoren volgt het daarvoor bestemde format dat wordt aangeboden door RVO.nl.
Gedurende de gehele uitvoeringsperiode kan RVO.nl uit eigen beweging contact opnemen met elke partner in het PPP voor het opvragen van informatie over het project.
Als onderdeel van de monitoringindicatoren rapporteert de subsidieontvanger jaarlijks op de uitkomsten van een duurzaamheidscheck waarbij gerapporteerd wordt over het functioneren van de door het project geïnstalleerde of gerehabiliteerde hardware. Indien deze hardware niet meer volledig functioneel is dient door het PPP een analyse naar de oorzaken en een management response daarop opgesteld te worden. De interventiestrategie moet worden aangepast zodat de functionaliteit blijvend wordt hersteld. Indien aan het einde van de projectperiode minder dan 100% van deze hardware volledig operationeel is kan dit leiden tot aanpassing van de subsidie.
Projecten met een totaal projectbudget boven € 5.000.000 moeten door een onafhankelijke partij geëvalueerd worden op de gerealiseerde projectresultaten. De kosten voor een externe evaluatie moeten in het budget zijn opgenomen. Het eindconcept en het eindrapport moeten te zijner tijd bij RVO.nl worden ingediend. Tevens is een externe evaluator betrokken bij het opstellen van een monitoring en evaluatieplan voor het project.
Bij afronding van het project dient aan RVO.nl een ondertekend duurzaamheidscompact overlegd te worden. Doel van het duurzaamheidscompact is het verzekeren van het volledig en blijvend functioneren van de diensten en middelen die door het project zijn opgeleverd. Het duurzaamheidscompact moet ten minste ondertekend zijn door de hoofdaanvrager en de belanghebbende partijen met betrekking tot de diensten en middelen geleverd door het project. De subsidieontvanger rapporteert jaarlijks op de stand van zaken rond de ontwikkeling van het duurzaamheidscompact.
Het duurzaamheidscompact wordt gebaseerd op de richtlijnen die RVO.nl beschikbaar stelt op de website http://english.rvo.nl/FDW
3.8.2. Bevoorschotting en vaststelling van de subsidie
Van projectpartners wordt geëist dat zij geen gebruik maken van kunstmatige constructies om hun winsten of te betalen bronheffingen te verlagen in relatie tot het project. Onder ‘kunstmatige constructies’ vallen alle (juridisch legale) constructies die geheel of gedeeltelijk gericht zijn op het ontlopen van belastingen.
Het voltooien van de inceptiefase van het project is essentieel voor de verdere uitvoering van het subsidieproject. Indien de inceptiefase niet, niet tijdig of niet volledig is gerealiseerd, kan dit gevolgen hebben voor continuering van de subsidieverstrekking en kan de subsidiebeschikking worden gewijzigd of zelfs worden ingetrokken.
Het voltooien van de inceptiefase van het project is essentieel voor de verdere uitvoering van het subsidieproject. Indien de inceptiefase niet, niet tijdig of niet volledig is gerealiseerd, kan dit gevolgen hebben voor continuering van de subsidieverstrekking en kan de subsidiebeschikking worden gewijzigd of zelfs worden ingetrokken.
Bij de subsidieverstrekking zal worden bepaald op welke wijze bevoorschotting plaatsvindt. Gedurende het project bedragen de voorschotten in totaal niet meer dan 90% van de verleende subsidie.
In de subsidieverleningsbeschikking zal worden bepaald dat na afronding en goedkeuring van de inceptiefase van het project de voorschotten gefaseerd, eens per drie maanden, worden verstrekt. Van dit regime kan worden afgeweken na een door RVO.nl goedgekeurd verzoek van het PPP of op initiatief van RVO.nl, bijvoorbeeld indien de projectvoortgang achterblijft bij de planning.
De aanvrager moet binnen zes maanden na afronding van de activiteiten de inhoudelijke en financiële eindrapportage aanleveren, evenals de aanvraag tot vaststelling van de subsidie. Deze eindrapportage dient te worden ingediend overeenkomstig het beschikbaar gestelde model. RVO.nl beslist binnen 13 weken over de subsidievaststelling. Een fysieke inspectie ter plaatse kan onderdeel uitmaken van de beoordeling van de aanvraag tot subsidievaststelling. In dat geval kan RVO.nl de beslistermijn verlengen tot 22 weken.
Ook na vaststelling van de subsidie kan RVO.nl de aanvrager verzoeken informatie te verstrekken over de impact van het project.
Informatie na vaststelling:
Ook na vaststelling van de subsidie kan RVO.nl de aanvrager verzoeken informatie te verstrekken over de impact van het project.
Paragraaf 4:. Fdw-vouchers
4.1. Doelstelling
FDW-vouchers kunnen niet worden ingezet voor het laten opstellen van (onderdelen van) de aanvraag voor FDW-projectsubsidie.
Organisaties die een FDW-voucher verzilveren bij RVO.nl zijn voor de aan de voucher gerelateerde aanvraag voor FDW-projectsubsidie uitgesloten als projectpartner.
FDW-vouchers kunnen niet worden ingezet voor het laten opstellen van (onderdelen van) de aanvraag voor FDW-projectsubsidie.
Vouchers kunnen uitsluitend worden aangevraagd door NGO’s en kleine ondernemingen die onderdeel zijn van een potentiële PPP.
4.2. Doelgroep
Vouchers kunnen uitsluitend worden aangevraagd door NGO’s en kleine ondernemingen die onderdeel zijn van een potentiële PPP.
Vouchers kunnen uitsluitend worden aangevraagd met het daarvoor bestemde aanvraagformulier en de daarin genoemde bijlagen. Het uiterste tijdstip waarop aanvragen voor de tweede openstelling moeten zijn ontvangen door RVO.nl is 8 december 2017.
4.3. Aanvraag
RVO.nl neemt binnen 2 weken een beslissing op de aanvraag. Bij toekenning wordt de voucher verstrekt aan de aanvrager.
RVO.nl toetst de aanvraag op de voorwaarden en het beoordelingscriterium.
Aanvragen worden beoordeeld en vouchers worden verstrekt in volgorde van datum van ontvangst van de aanvraag voor de voucher. Indien honorering van alle aanvragen die op één dag zijn ontvangen ertoe zou leiden dat het subsidieplafond zou worden overschreden wordt de volgorde van verstrekking en de verdeling van middelen vastgesteld door middel van loting.
4.4.1. Voorwaarden
Vouchers kunnen door RVO.nl worden verstrekt aan de aanvrager indien wordt voldaan aan de onderstaande voorwaarden:
4.4.2. Beoordelingscriterium
De voucher wordt ingezet ter ondersteuning van een kansrijke aanvraag van de FDW-projectsubsidie. Dit wordt beoordeeld aan de hand van een voorlopige toets van het nader te ontwikkelen project aan de criteria voor een FDW-projectsubsidie.
4.4.3. Verzilveren voucher
De voucher wordt ingezet ter ondersteuning van een kansrijke aanvraag van de FDW-projectsubsidie. Dit wordt beoordeeld aan de hand van een voorlopige toets van het nader te ontwikkelen project aan de criteria voor een FDW-projectsubsidie.
4.4.3. Verzilveren voucher
Annex 1:. Landenlijst
50 bonuspunten voor de 14 landen waarmee Nederland een hulp- of overgangsrelatie heeft. (excl. Jemen) (*).
Voor alle landen geldt dat goede checks and balances met betrekking tot (anti)corruptie van toepassing zijn en dat project interventies direct ten goede moeten komen aan de lokale bevolking (doelgroep). Voor Benin, Burundi, Suriname, Zuid Sudan en Libië worden deze voorwaarden extra benadrukt.
50 bonuspunten voor de 14 OS-partnerlanden (excl. Jemen) en BH-focuslanden (*).
General
General
Specific
Annex 3:. Duurzaamheid: FIETS kader
Beschikbaar op website RVO: www.english.rvo.nl/fdw
Dit besluit zal met de bijlage, inclusief de annexen, in de Staatscourant worden geplaatst.
Partnerschappen:
1.3. Doelstelling subsidieprogramma FDW
Gezien de te adresseren thema’s en de samenwerking tussen publieke en private partijen in partnerschappen kan de doelstelling bereikt worden via interventies die zich richten op het realiseren van randvoorwaardelijke vereisten. Hierbij kan gedacht worden aan institutionele capaciteitsversterking of interventies op basis van verdienmodellen daar waar de markt het laat afweten of risico’s te groot zijn. Een combinatie van deze twee typen interventies is ook mogelijk. Voor beide typen interventies moet duidelijk zijn dat er een meerwaarde is van de samenwerking van de publieke en private sector in een PPP.
Integratie van de verschillende thema’s is mogelijk en kan zelfs bijdragen aan het verhogen van de duurzaamheid van de activiteiten.
De minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking heeft de uitvoering van het subsidieprogramma opgedragen aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). RVO.nl zal het subsidieprogramma uitvoeren namens de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking op grond van een aan RVO.nl verleend mandaat.
Paragraaf 3. : FDW-projectsubsidie
3.1. Algemeen
3.4. Subsidiabele projectkosten
De kosten die voor subsidie in aanmerking komen bestaan uit kosten voor kapitaalgoederen (hardware) en technische assistentie (TA). In de subsidieverleningsbeschikking zal worden opgenomen dat kosten voor hardware en kosten voor technische assistentie, met uitzondering van kosten gemaakt voor uitvoer van de inceptiefase, pas subsidiabel zijn na afronding van de inceptiefase van het project. De inceptiefase is afgerond indien alle voor deze fase geplande activiteiten zijn uitgevoerd en resultaten zijn behaald. Op verzoek van het PPP kan RVO.nl hiervan afwijken. Hiervoor beoordeelt RVO.nl het verzoek en de ingediende rapportage en bijbehorende bijlagen van de inceptiefase.
De volgende kostenposten zijn niet subsidiabel:
3.6. Aanvraag indienen
3.7. Verdeling van de beschikbare middelen
De bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht, het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 zijn onverkort van toepassing op de beoordeling van aanvragen en de uiteindelijke subsidieverstrekking. De aanvragen worden beoordeeld met inachtneming van deze regelgeving en overeenkomstig de maatstaven die in deze beleidsregels zijn neergelegd.
De rangschikking geschiedt per thema op basis van:
3.7.1. Drempelcriteria
Een aanvraag wordt afgewezen indien aan één of meerdere van de onderstaande minimale eisen niet wordt voldaan:
3.7.2. Rangschikkingscriteria
Aanvragen moeten een minimale score voor de verschillende rangschikkingscriteria behalen (zie tabel 2) om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie. Aanvragen die daaraan voldoen zullen aan de hand van de beoordeling op onderstaande criteria, na toekenning van eventuele bonuspunten, gerangschikt worden.
3.8. Beslissing subsidieaanvraag en uitvoering
3.8.1. Verlening en verplichtingen van de subsidie
De subsidieontvanger is verplicht het project uit te voeren volgens de OESO richtlijnen voor Multinationale Bedrijven en de ILO-Verklaring inzake fundamentele principes en rechten op het werk.
3.8.2. Bevoorschotting en vaststelling van de subsidie
Paragraaf 4. : FDW-vouchers
4.1. Doelstelling
Ter ondersteuning van ontwikkeling van initiatieven voor FDW-projectsubsidie kan onder voorwaarden een aanvraag voor subsidie in de vorm van een voucher worden ingediend bij RVO.nl. De voucher is een ‘waardebon’ die na oplevering van een dienst of product door een door de voucher-aanvrager ingehuurde organisatie of expert kan worden verzilverd bij RVO.nl.
De voucher kan worden gebruikt ter beantwoording van een relevante kennisvraag, nodig voor het opstellen van een FDW-subsidieaanvraag. Ook kan de voucher worden ingezet voor opdrachten aan derden ter ondersteuning bij ontwikkeling van de interventiestrategie zoals de business case of een pro-poor-, duurzaamheids- en genderanalyse en -strategie.
4.2. Doelgroep
Vouchers kunnen uitsluitend worden verzilverd door opdrachtnemers die volwaardig rechtssubject zijn en ingeschreven staan in de Kamer van Koophandel.
4.3. Aanvraag
RVO.nl toetst de aanvraag op de voorwaarden en het beoordelingscriterium.
4.4. Verdeling van de beschikbare middelen
Annex 1. : Landenlijst
Basis wordt gevormd door DGGF landenlijst. In navolging van het instrument DRIVE staat FDW III dicht voor Eritrea, Gambia, Jemen en Zimbabwe. In tegenstelling tot DRIVE worden landen Benin, Burundi, Suriname, Zuid Sudan en Libië opengesteld onder de volgende voorwaarden:
Voor alle landen geldt dat goede checks and balances met betrekking tot (anti)corruptie van toepassing zijn en dat project interventies direct ten goede moeten komen aan de lokale bevolking (doelgroep). Voor Benin, Burundi, Suriname, Zuid Sudan en Libië worden deze voorwaarden extra benadrukt.
Annex 2. : Verplichte Indicatoren FDW
Guidance notes on mandatory indicators
Specific
Annex 3. : Duurzaamheid: FIETS kader
Beschikbaar op website RVO: www.english.rvo.nl/fdw
Dit besluit zal met de bijlage, inclusief de annexen, in de Staatscourant worden geplaatst.