Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 18 september 2016, nr. MBO/1003504, houdende voorschriften inzake het terugdringen van het aantal voortijdig schoolverlaters in de jaren 2017 tot en met 2020 en de regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten (Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten 2017)
Gelet op de artikelen 2, 4, eerste lid en 5 van de Wet overige OCW-subsidies, artikel 118i, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, de artikelen 8.3.2, vijfde lid en 8.3.3, derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, artikel 162c, derde lid, van de Wet op de expertisecentra en de artikelen 1 en 4, eerste lid, onderdelen a, b, c en d, van het Besluit regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
- a. bevoegd gezag: bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel w, subonderdeel 2, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
- b. contactschool: door de onderwijsinstellingen in de RMC-regio aangewezen onderwijsinstelling die namens hen optreedt als aanvrager en ontvanger van subsidie op grond van deze regeling;
- c. entreeopleiding: entreeopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
- d. jongere in een kwetsbare positie: jongere die al dan niet met een getuigschrift of een diploma doorstroomt naar de entreeopleiding, basisberoepsopleiding of uitstroomt uit het onderwijs, en afkomstig is uit:
- 1°. het voortgezet speciaal onderwijs, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra, met uitzondering van leerlingen met het uitstroomprofiel dagbesteding;
- 2°. het praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 5, onder d, van de Wet op het voortgezet onderwijs;
- 3°. de basisberoepsgerichte leerweg van het vmbo, bedoeld in artikel 10b, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs;
- 4°. het leerwerktraject van het vmbo, bedoeld in artikel 10b1 van de Wet op het voortgezet onderwijs,
- 5°. de entreeopleiding; of
- 6°. jongere die niet vanuit één van de onderwijssoorten, genoemd onder 1° tot en met 5° instroomt in een entreeopleiding;
- e. minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
- f. onderwijsinstelling: regionaal opleidingencentrum als bedoeld in artikel 1.3.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, vakinstelling als bedoeld in artikel 1.3.2a van de Wet educatie en beroepsonderwijs, agrarisch opleidingscentrum als bedoeld in artikel 1.3.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, alsmede school voor voortgezet onderwijs, met uitzondering van een school voor praktijkonderwijs, als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs;
- g. plusvoorziening: voorziening ten behoeve van de onderwijsinstellingen en scholen in een RMC-regio, die bestaat uit een gecombineerd programma van onderwijs leidend naar het behalen van een startkwalificatie, zorg, hulpverlening en waar nodig arbeidstoeleiding en die wordt aangeboden aan jongeren tot 23 jaar, die zodanig ernstige problemen ondervinden op het gebied van financiën, gezondheid, huisvesting, sociale omgeving of maatschappelijk functioneren dat zij de onderwijsinstelling zonder diploma dreigen te verlaten;
- h. regionaal programma: regionaal programma voortijdig schoolverlaten, dat maatregelen bevat die, blijkens een regionale analyse door de RMC-contactgemeente en de contactschool over de RMC-regio, zijn gericht op het tegengaan van voortijdig schoolverlaten en op het bevorderen van de samenwerking tussen de onderwijsinstellingen onderling en gemeenten in de RMC-regio;
- i. RMC-contactgemeente: contactgemeente als bedoeld in artikel 8.3.2, derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, artikel 162b, derde lid, van de Wet op de expertisecentra en artikel 118h, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs;
- j. RMC-regio: regio als bedoeld in artikel 8.3.2, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
- k. studiejaar: tijdvak dat aanvangt op 1 augustus en eindigt op 31 juli van het daaropvolgende jaar;
- l. voortijdig schoolverlater: voortijdig schoolverlater als bedoeld in artikel 8.3.1. van de Wet educatie en beroepsonderwijs, artikel 118g van de Wet op het voortgezet onderwijs en artikel 162a van de Wet op de expertisecentra.
Artikel 1.2. Toepassing Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS
De hoofdstukken 3, 4 en 6 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS zijn niet van toepassing op subsidieverstrekking op grond van hoofdstuk 2 van deze regeling.
Hoofdstuk 2. Het regionaal programma voortijdig schoolverlaten
Artikel 2.1. Te subsidiëren activiteiten
De minister kan aan contactscholen als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, subsidie verstrekken voor de uitvoering van maatregelen uit het regionaal programma die tot doel hebben:
- a. realisatie van een landelijke vermindering van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters, bedoeld in artikel 1 van de Regeling resultaatafhankelijke bekostiging vsv mbo en artikel 1 van de Regeling resultaatafhankelijke bekostiging vsv vo tot maximaal 20.000 in het kalenderjaar 2021, of
- b. het in de RMC-regio in beeld brengen en waar nodig door de gemeente dan wel de onderwijsinstellingen in de betreffende RMC-regio ondersteunen van jongeren in een kwetsbare positie, of
- c. het in de RMC-regio in beeld brengen en waar nodig door de gemeente dan wel de onderwijsinstelling in de betreffende RMC-regio ondersteunen van voortijdig schoolverlaters die in een eerder schooljaar het onderwijs hebben verlaten.
In afwijking van artikel 3.2, tweede lid, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS komen activiteiten die vanaf 1 augustus 2016 zijn uitgevoerd voor subsidie in aanmerking.
Artikel 2.2. Regionaal programma voortijdig schoolverlaten
In elke RMC-regio wordt een regionaal programma uitgevoerd.
In een RMC-regio werken de onderwijsinstellingen en de betreffende RMC-contactgemeente samen ten behoeve van het ontwikkelen en uitvoeren van het regionaal programma voor de betreffende RMC-regio.
Het regionaal programma omvat ten minste één plusvoorziening.
Het regionaal programma kan tevens maatregelen bevatten ten aanzien van de aansluiting op onderwijs of arbeidsmarkt van jongeren in een kwetsbare positie dan wel voortijdig schoolverlaters die in een eerder schooljaar het onderwijs hebben verlaten, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c.
Artikel 2.3. Regionale samenwerking en contactschool
De onderwijsinstellingen wijzen uit hun midden een onderwijsinstelling aan die optreedt als contactschool in de betreffende RMC-regio.
Het bevoegd gezag van de contactschool heeft in ieder geval tot taak:
- a. het informeren van de desbetreffende RMC-contactgemeente en de onderwijsinstellingen in de desbetreffende RMC-regio over hun betrokkenheid bij de maatregelen in het regionaal programma dat in die regio wordt uitgevoerd;
- b. het namens de in het eerste lid bedoelde onderwijsinstellingen optreden als aanvrager en ontvanger van de subsidie die wordt verstrekt op grond van dit hoofdstuk; en
- c. het uitvoering geven aan de afspraken in het regionaal programma over de besteding van de subsidie die wordt verstrekt op grond van dit hoofdstuk.
Artikel 2.4. Subsidieplafond
Voor het verstrekken van het vaste bedrag en het variabele bedrag op grond van deze paragraaf is jaarlijks maximaal € 30.400.000,– voor de studiejaren 2016–2017 tot en met 2019–2020 beschikbaar.
Indien het deel van het subsidieplafond dat is bestemd voor het vast bedrag respectievelijk het variabel bedrag, bedoeld in artikel 2.5, tweede en derde lid, wordt overschreden, wordt de hoogte van het subsidiebedrag naar evenredigheid per contactschool en RMC-regio verlaagd.
Artikel 2.5. Berekening subsidiebedrag
Het bedrag van de subsidie voor een contactschool bestaat uit een vast bedrag en een variabel bedrag.
Het vaste bedrag bedraagt voor elke RMC-regio € 100.000 per studiejaar.
Het variabele bedrag voor een RMC-regio, bedraagt 87,17 procent van het bedrag dat de contactscholen voor de kalenderjaren 2013 tot en met 2016 ontvingen op grond van artikel 22, eerste lid, van de Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten en prestatiesubsidie voor het voortgezet onderwijs, zoals luidend op 1 augustus 2016.
Artikel 2.6. Subsidieaanvraag
In afwijking van artikel 3.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS wordt een aanvraag voor subsidie op grond van deze paragraaf per e-mail ingediend. De aanvraag voor subsidie omvat het regionaal programma en het volledig ingevulde aanvraagformulier dat als bijlage A bij deze regeling is opgenomen.
Het aanvraagformulier wordt door zowel de contactschool als de RMC-contactgemeente van de desbetreffende RMC-regio ondertekend.
Artikel 2.7. Tijdstippen indiening aanvraag, beslissing en betaling
De aanvraag voor de studiejaren 2016–2017 tot en met 2019-2020 wordt uiterlijk op 15 oktober 2016 ingediend bij de Dienst Uitvoering Onderwijs. De minister kan aanvragen die na deze datum zijn ingediend afwijzen.
De minister beslist uiterlijk op 15 november 2016 op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid.
De betaling van de subsidie, bedoeld in dit hoofdstuk, van enig studiejaar vindt plaats in de maand november van het betreffende studiejaar. Voor het studiejaar 2016–2017 vindt de betaling plaats in december 2016.
Artikel 2.8. Besteding van de subsidie
De subsidie wordt aangewend voor het doel waarvoor zij is verstrekt.
De subsidie wordt uiterlijk in 2020 besteed.
Artikel 2.9. Verantwoording
De verantwoording geschiedt in de jaarverslaglegging overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs.
Artikel 2.10. Meldingsplicht
Een contactschool meldt onverwijld schriftelijk een wijziging in de samenstelling van een RMC-regio aan de Minister. De Minister kan ambtshalve beslissen dat deze wijziging gevolgen heeft voor het subsidiebedrag.
Artikel 2.11. Monitoring en evaluatie
De minister evalueert de effecten van het regionaal programma uiterlijk in 2021.
De contactschool draagt er zorg voor dat de onderwijsinstellingen in de RMC-regio meewerken aan het onderzoek naar de effecten van het regionaal programma.
Hoofdstuk 3. Uitvoeringsvoorschriften inzake regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten
Artikel 3.1. Begripsbepalingen
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- b. bevoegd gezag: bevoegd gezag zoals bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel w, subonderdeel 2, van de Wet educatie en beroepsonderwijs alsmede het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs;
- c. effectrapportage: effectrapportage als bedoeld in artikel 118h, zevende lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, artikel 8.3.2, zevende lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs en artikel 162b, zevende lid, van de Wet op de expertisecentra;
Artikel 3.2. Vaststelling bedrag en budgetten
Het vaste bedrag, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van het besluit bedraagt met ingang van het kalenderjaar 2016 € 9.091.104.
Het budget, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van het besluit, dat over de RMC-regio’s wordt verdeeld, bedraagt met ingang van het kalenderjaar 2016 € 3.733.482.
Het budget, bedoeld in artikel 4 eerste lid, onderdeel c, van het besluit, dat over de RMC-regio’s wordt verdeeld, bedraagt met ingang van het kalenderjaar 2016 € 5.846.623.
Het budget, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel d, van het besluit, dat over de RMC-regio’s wordt verdeeld, bedraagt met ingang van het kalenderjaar 2016 € 13.878.790.
Artikel 3.3. Voorschriften effectrapportage
De inrichting van de effectrapportage geschiedt conform bijlage B bij deze regeling.
Burgemeester en wethouders van de desbetreffende RMC-contactgemeente dienen de effectrapportage uiterlijk op 1 december van het jaar volgend op het studiejaar waarop deze betrekking heeft, in bij de minister.
Artikel 3.4. Vaststelling RMC-regio’s, aanwijzing gemeenten
De vastgestelde RMC-regio’s staan in bijlage C bij deze regeling.
Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 4.1. Intrekking regeling
De Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten en prestatiesubsidie voor het voortgezet onderwijs, zoals luidend op 31 juli 2016, blijft van toepassing voor het toekennen, het betalen, het verantwoorden en het vaststellen van de subsidie voor het studiejaar 2015–2016.
Artikel 4.2. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2016. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 30 september 2016, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt zij terug tot en met 1 oktober 2016.
Deze regeling vervalt per 1 januari 2021.
Artikel 4.3. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten 2017.
Bijlage A. behorende bij artikel 2.6 van de Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten 2017
Aanvraag van subsidie ten behoeve van de regionale aanpak van voortijdig schoolverlaten en voor jongeren in een kwetsbare positie
Algemeen
Met dit aanvraagformulier kunt u subsidie aanvragen voor de uitvoering van de regionale maatregelen voor de aanpak van voortijdig schoolverlaten (vsv) en voor jongeren in een kwetsbare positie vanaf studiejaar 2016-2017 tot en met studiejaar 2019–2020.
Onderwijsinstellingen en gemeenten werken samen op basis van een regionaal programma van maatregelen voor de aanpak van voortijdig schoolverlaten en voor jongeren in een kwetsbare positie. Op 15 februari 2016 heeft de minister per brief haar plannen kenbaar gemaakt voor het vervolg van de vsv-aanpak. Met deze brief, de eind februari verspreide handreiking en de informatie die u na verschijning van de brief via uw accountmanager van OCW heeft ontvangen, is uw regio aan de slag gegaan met het vormen van het regionaal programma.
De aanvraag voor de subsidie moet bestaan uit dit ingevulde en ondertekende aanvraagformulier en het gezamenlijk opgestelde en ondertekende regionaal programma aan maatregelen.
Daarnaast kunt u er in de regio voor kiezen om een samenwerkingsovereenkomst af te sluiten met alle partners die bij de aanpak betrokken zijn. Daarin kan men bijvoorbeeld aanvullende afspraken maken over de wijze van samenwerking en over financiering. Er is een modelovereenkomst opgesteld die u kunt gebruiken bij het vormgeven van de samenwerkingsovereenkomst met uw partners in de regio. Deze is beschikbaar op www.kwaliteitsafsprakenmbo.nl.
Regionaal programma aan maatregelen
Het regionaal programma hoeft niet in een bepaald format te worden aangeleverd.
Het is wel de bedoeling dat het regionaal programma zich op een aantal zaken richt: het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten en verzuim onder 12 tot 23 jarigen; aandacht voor jongeren in een kwetsbare positie (waaronder jongeren uit vmbo-bb, lwt, entreeopleiding, niveau 2, uit pro en vso); aandacht voor jongeren die langer geleden uitgevallen zijn, de zgn. oude vsv’ers. Ook dient de regio minstens één plusvoorziening te bieden voor overbelaste jongeren.
Belangrijk is ook dat de regionale aanpak is gebaseerd op een analyse van de regionale problematiek, waarin gebruik is gemaakt van de meest recente kwantitatieve en kwalitatieve gegevens van uw regio.
In het programma moet een begroting zijn opgenomen waarin staat wat de maatregelen kosten en hoe de financiering gedekt is. Overigens kan het programma ook maatregelen bevatten die geen aanvullende financiering behoeven, bijvoorbeeld als het gaat om afspraken over informatiedeling, overlegstructuur of verdelingen van verantwoordelijkheden. Of maatregelen die op andere wijze worden gefinancierd.
Invullen aanvraag
1. Contactgegevens
Bij dit onderdeel vult u de gevraagde contactgegevens in.
2. Totaalbedrag
Bij dit onderdeel geeft u het totaal benodigde bedrag voor het hele regionale programma op.
3. Maatregelen
Bij dit onderdeel gaat u in op de maatregelen die in uw RMC-regio worden genomen. U geeft het totaalbedrag per maatregel op, u geeft aan wat de looptijd is en wat het doel is van de maatregel (met een aantal subvragen).
U bent vrij in het aantal maatregelen dat u opvoert. Daarbij geven we u in overweging dat het weinig effectief is om veel ‘kleine’ maatregelen zonder samenhang op te voeren, noch om uiteenlopende maatregelen te bundelen tot één ‘grote’ maatregel. Bepaal in overleg met uw vsv-accountmanager over hoeveel projecten/maatregelen u hier het totale subsidiebedrag verdeelt.
Let op: Minstens één van de maatregelen dient een plusvoorziening te omvatten, bestemd voor de begeleiding van overbelaste jongeren.
4. Begroting
Bij dit onderdeel geeft u in tabelvorm per maatregel een specificatie op de financiën.
Waarschijnlijk ten overvloede: u bent zelf verantwoordelijk voor eventuele verschillen in de financiering die u van OCW ontvangt en het uitgavenpatroon van uw regio.
5. Ondertekening
Bij dit onderdeel ondertekent u de aanvraag.
Indienen en ondertekenen aanvraag
Bij het indienen van de aanvraag moet u de volgende documenten mee sturen:
Controle door DUO
DUO zal controleren of:
Invulblad aanvraag subsidie ten behoeve van de regionale aanpak van voortijdig schoolverlaten en voor jongeren in een kwetsbare positie.
Aanvraag in het kader van de Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten 2017
1. Contactgegevens
2. Totaal bedrag
3. Maatregelen
Per maatregel waarvoor u subsidie aanvraagt, beantwoordt u de vragen A t/m C
A. Gevraagd bedrag
B. Looptijd
C. Doel van de maatregel (maximaal 200 woorden per subvraag)
4. Begroting
5. Ondertekening
Bijlage B. behorende bij artikel 3.3 van de Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten 2017 formulier en handleiding herziene RMC-effectrapportage
Formulier en handleiding RMC-Effectrapportage
1. Doel van de RMC-effectrapportage
In de Wet educatie en beroepsonderwijs (artikel 8.3.2) en de Wet op het voortgezet onderwijs (artikel 118h) en de Wet op de expertisecentra (artikel 162b) staan de taken van de gemeenten en in het bijzonder de contactgemeenten bij het bestrijden van voortijdig schoolverlaten. In het zevende lid van voornoemde artikelen staat: ‘Burgemeester en wethouders van de contactgemeente stellen mede namens de andere gemeenten in de regio jaarlijks een effectrapportage vast....’.
Deze wettelijke verplichting is nader ingevuld in artikel 3.3 van de Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten 2017. Met het invullen van het formulier in deze bijlage geeft de RMC-contactgemeente uitvoering aan deze wettelijke verplichting tot een jaarlijkse inhoudelijke verantwoording.
De RMC-effectrapportage geeft inzicht in (de effectiviteit van) de door betrokken partijen ondernomen acties en maatregelen op het gebied van de taken van de RMC-functie en wat de effecten hiervan zijn binnen de regio. Met de invulling van de rapportage voldoen gemeenten aan bovengenoemde wettelijke verplichting. De RMC-effectrapportage wordt jaarlijks voor 1 december van het jaar volgend op het studiejaar waarop deze betrekking heeft door alle RMC-coördinatoren ingevuld en ingediend bij DUO. De RMC-effectrapportage kan gebruikt worden tijdens het bestuurlijk overleg in de regio (waar het accountmanagement vsv van het ministerie van OCW ook deel van uitmaakt) en kan richting te geven aan aanpassingen in het beleid in de regio.
2. Inhoud van de RMC-effectrapportage
De RMC-functie is ingericht voor jongeren van 18 tot 23 jaar. Als in deze RMC-effectrapportage wordt gevraagd naar aantallen jongeren en aantallen meldingen, gaat het om ‘jongeren van 18 tot 23 jaar’, tenzij expliciet anders wordt vermeld. In de praktijk werken RMC-regio’s op allerlei manieren samen met de gemeentelijke leerplichtafdelingen. In deze RMC-effectrapportage wordt gevraagd naar de manier waarop u samenwerkt met de gemeentelijke leerplichtafdelingen. Een gedetailleerde inhoudelijke verantwoording van de inzet op jongeren jonger dan 18 jaar is hier niet aan de orde, omdat er een jaarlijkse enquête voor alle gemeenten in Nederland naar de uitvoering van de Leerplichtwet bestaat.
Sinds de introductie van het onderwijsnummer in het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs is het Basisregister Onderwijs (BRON) een betrouwbare dataset geworden voor het genereren van landelijke en regionale cijfers over het aantal voortijdig schoolverlaters. Sinds 2007 wordt BRON gebruikt voor het regionale en landelijke beeld van de bestrijding van de schooluitval. De aantallen voortijdig schoolverlaters worden, samen met diverse achtergrondkenmerken, beschikbaar gesteld door DUO. In de RMC-effectrapportage staat daarom sindsdien het verzamelen van deze basisinformatie niet meer centraal. De RMC-effectrapportage is een instrument voor de RMC-regio’s om de doeltreffendheid en doelmatigheid van hun aanpak van voortijdig schoolverlaten te toetsen en om de voortgang te monitoren.
De ervaring, de waarneming en de mening van de RMC-functionaris staat centraal.
In de RMC-effectrapportage staan vragen opgenomen over de wettelijke functies van de RMC-regio. Dit zijn de meld- en registratiefunctie en de doorverwijsfunctie. Deze functies zijn weergegeven in artikel 8.3.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs en artikel 118h van de Wet op het voortgezet onderwijs en artikel 162b van de Wet op de expertise centra:
De opbouw van de vragen in de rapportage is als volgt:
Het invullen van de RMC-effectrapportage
DUO stelt de in te vullen RMC-effectrapportage middels een spreadsheet rond 1 oktober beschikbaar aan betrokkenen met het verzoek om deze voor 1 december ingevuld te retourneren. Na een technische controle op de invulling van de rapportage, wordt de RMC-rapportage doorgestuurd naar de directie Middelbaar Beroeps Onderwijs van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Een aantal van de RMC-regio’s is in subregio’s onderverdeeld. Hoewel deze rapportage in principe op de gehele regio is gericht, kan gekozen worden voor een aparte beantwoording door subregio’s. In dat geval verzamelt de RMC-coördinator van de gehele regio de deelrapportages en stuurt de gehele set in.
Bij het invullen van de ‘ervaringsvragen’ in deel 1 van de vragenlijst kan men ervoor kiezen deze te laten invullen door meerdere betrokken personen uit de regio en de scores op een RMC-bijeenkomst te bespreken. Dat geeft een grotere betrouwbaarheid bij de beantwoording van deze vragen.
Aan het eind van deze handleiding treft u een kort overzicht aan met relevante regelingen, definities en afkortingen. U vult het formulier in na afloop van het studiejaar en dient dit formulier in elk geval vóór 1 december van het lopende kalenderjaar in. Gevraagd wordt naar de gegevens over het aflopende of zojuist afgelopen studiejaar, hier verder aangeduid met ‘verslagperiode’. De financiële gegevens betreffen de budgetten van het lopende kalenderjaar.
1. Basisgegevens
Deze vraag wordt door elke RMC-regio ingevuld.
Bestuurlijke organisatie en samenwerking binnen de RMC-regio
1A. Bestuurlijke organisatie
In vraag 1A wordt gevraagd naar de bestuurlijke overleggen die binnen de RMC-regio plaatsvinden. Hierbij dient u tevens in te gaan op de rol die de RMC-wethouder speelt in deze overleggen.
1B. Omvang netwerk
Bij vraag 1B geeft u aan of alle gemeenten in de RMC-regio deelnemen aan het regionale netwerk. Als dit niet het geval is, geeft u aan welke gemeenten niet deelnemen en wat de redenen daarvoor zijn. Bij vraag 2 en 3 geeft u aan of alle vo-scholen en mbo-instellingen in de RMC-regio deelnemen aan het regionale netwerk. Als dit niet het geval is, geeft u aan welke scholen of instellingen niet deelnemen en wat de redenen daarvoor zijn.
Bij vraag 1B wordt gevraagd naar de reikwijdte en de kwaliteit van het beoogde regionale netwerk. Bij vraag 1E heeft u vrije ruimte om zo nodig uw antwoorden toe te lichten.
1C. De RMC-functie: samenwerking met verschillende partijen
Bij vraag 1C wordt gevraagd naar de reikwijdte en de kwaliteit van het beoogde regionale netwerk. Bij vraag 1E heeft u vrije ruimte om zo nodig uw antwoorden toe te lichten.
1 Hoewel de kwalificatieplicht niet onder de wettelijke verplichting van de RMC-regio valt, stelt het ministerie u deze vraag in verband met het beschikbaar stellen van 13 miljoen euro voor de kwalificatieplicht via de RMC beschikbaar is gesteld.
1D. De RMC-functie: het maken van afspraken in het netwerk
Met het regionale netwerk moet een aantal taken worden vervuld (zie vraag 1B). Naast het tot stand brengen van het regionale netwerk moeten er ook afspraken met elkaar worden gemaakt over de inzet en verantwoordelijkheid bij het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten.
1E. Knelpunten en succesfactoren in het regionale netwerk
In onderstaande tabel beschrijft u de knelpunten en belemmerende factoren alsook de succesfactoren die u ervaart bij het uitoefenen van de RMC-functie (in vergelijking met het vorige rapportagejaar). U kunt (enkele van) uw antwoorden op de vragen 1B tot en met 1D toelichten bij deze vraag. Ook kunt u hier aangeven aan welke ondersteuning van het vsv-accountmanagement van het ministerie van OCW u behoefte heeft. U heeft maximaal 200 woorden in elk tekstvak voor de beantwoording van deze open vraag.
2. De meld- en registratiefunctie
Deze vraag betreft jongeren van 18 tot 23 jaar, conform de wettelijke opdracht van de RMC. Zoals in de inleiding aangegeven, moet de RMC-regio een aantal taken vervullen. Daaronder valt ook het organiseren en coördineren van registratie van voortijdig schoolverlaters.
In het verleden was het verzamelen van informatie over aantallen voortijdig schoolverlaters en hun achtergrondkenmerken een belangrijke taak van de RMC-regio. Met de inzet van BRON als basis voor het bepalen van het aantal voortijdig schoolverlaters heeft deze taak een andere invulling gekregen. Met de komst van BRON en het Digitaal Verzuimloket als instrumenten heeft de RMC-regio de verantwoordelijkheid voor de regionale informatievoorziening behouden. De RMC-regio behoort te stimuleren en te coördineren dat partners tijdig en accuraat BRON en het Digitaal Verzuimloket invullen en gebruiken. Daarnaast moet de RMC-regio gebruik maken van mogelijk andere nuttige informatiebronnen. Het doel hiervan is dat ‘iedere jongere in beeld is’.
Met ‘tijdig’ wordt in onderstaande vragen bedoeld dat de wettelijke termijnen of gemaakte afspraken worden nageleefd en de RMC-trajectbegeleiders geen hinder ondervinden bij hun werk door een trage aanlevering van informatie door scholen.
3. Doorverwijsfunctie
Een belangrijke taak van de RMC-functie is om individuele jongeren die zonder startkwalificatie het onderwijs hebben verlaten terug te leiden naar school, werk of een combinatie daarvan.
Ook vraag 3 gaat over de jongeren van 18 tot 23 jaar in begeleidingstrajecten onder verantwoordelijkheid van de RMC-functie (dat wil zeggen begeleidingstrajecten die niet onder verantwoordelijkheid van het UWV, mbo-instellingen of andere organisaties staan). Dit sluit aan bij de wettelijke opdracht van de RMC-functie zoals genoemd in de inleiding van dit formulier. De trajectbegeleiding begint met contact zoeken met jongeren op basis van beschikbare informatie. Vervolgens kunnen er intakegesprekken plaatsvinden welke al dan niet leiden tot één of meerdere vervolggesprekken en daaraan gerelateerde activiteiten van RMC-trajectbegeleiders
Met deze vraag wil het ministerie van OCW een beeld krijgen van de omvang van het werk dat de RMC-functie op dit terrein verricht. Worden er voldoende jongeren bereikt en worden er voldoende trajecten met een goed resultaat afgesloten? Deze vraag dient hoofdzakelijk voor de onderlinge benchmark van RMC-regio’s en voor een beoordeling van het verloop van de inzet over de jaren heen. Daarnaast moet het inzicht geven in de ondersteunende taken die ten behoeve van de school worden verricht als bijdrage bij het voorkomen van uitval.
In tabel 3A.1 wordt gevraagd naar het aantal opgestarte trajecten met jongeren die in de verslagperiode voor het eerstin contact komen met de RMC. Het gaat hier expliciet om jongeren die naar aanleiding van de P-leveringen van DUO in beeld zijn gekomen. Trajecten die zijn gestart naar aanleiding van signalen via andere kanalen worden opgenomen in tabel 3A.2. Op deze manier wordt (het verloop van) het aantal trajecten in kaart gebracht dat curatief (na uitschrijving, tabel 3A.1) en preventief (voor uitschrijving, 3A.2) is ingezet. De drie percentages bij de vraag naar de tijdspanne tussen de vermelding in de P-leveringen van DUO en het intakegesprek, moeten gezamenlijk optellen tot 100%.
In tabel 3A.2 wordt gevraagd naar het aantal opgestarte trajecten met jongeren die in de verslagperiode voor het eerstin contact komen met de RMC. Het gaat hier expliciet om jongeren die naar aanleiding van signalen via andere kanalen dan de P-leveringen van DUO in beeld zijn gekomen. Het kan hier dus zowel gaan om jongeren die nog ingeschreven staan bij een onderwijsinstelling als jongeren die al uitgeschreven zijn. Hoewel dit buiten de wettelijke taak van de RMC-functie valt, moet deze vraag inzicht geven in de ondersteunende taken die ten behoeve van de school worden verricht als bijdrage bij het voorkomen van uitval. De drie percentages bij de vraag naar de tijdspanne tussen eerste signaal en het intakegesprek, moeten gezamenlijk optellen tot 100%.
In tabel 3B wordt gevraagd naar het aantal jongeren dat in het jaar voorafgaand aan het verslagjaar in begeleiding is genomen en van wie het traject gedurende het verslagjaar doorloopt.
In tabel 3C.1 wordt gevraagd naar het aantal ‘recidiverende’ voortijdig schoolverlaters. Dit zijn jongeren die in het verslagjaar zijn benaderd met de vraag of een begeleidingstraject nodig en/of gewenst was, en in eerdere verslagjaren ook in een begeleidingstraject hebben gezeten (maar van wie het traject is afgerond voor de start van het verslagjaar). Het gaat hier niet om de jongeren die bedoeld worden bij de vraag over ‘continuerende’ voortijdig schoolverlaters. Het gaat hier expliciet om jongeren die in beeld zijn gekomen op basis van de P-leveringen van DUO. Trajecten die zijn gestart naar aanleiding van signalen via andere kanalen worden opgenomen in tabel 3C.2.
In tabel 3C.2 wordt gevraagd naar jongeren die in het verslagjaar zijn benaderd met de vraag of een begeleidingstraject nodig en/of gewenst was, en in eerdere verslagjaren ook in een begeleidingstraject hebben gezeten (maar van wie het traject is afgerond voor de start van het verslagjaar). Het gaat hier niet om de jongeren die bedoeld worden bij de vraag over ‘continuerende’ voortijdig schoolverlaters. Het gaat hier expliciet om gevallen naar aanleiding van signalen anders dan de P-leveringen van DUO.
Tabel 3D vormt een weergave van alle begeleidingstrajecten en de beëindiging daarvan, per categorie voortijdig schoolverlater. De kolommen ‘Totaal aantal begeleidingstrajecten’ en ‘Aantal beëindigd’ worden automatisch ingevuld met de eerder gegeven informatie.
Tabel 3E gaat over het aantal afgeronde begeleidingstrajecten binnen het verslagjaar. Onder een begeleidingstraject wordt méér verstaan dan alleen een intakegesprek. Geef bij vraag 1 per waarde aan om hoeveel jongeren het gaat. Bij vraag 2 maakt u een keuze uit de keuzemogelijkheden.
In tabel 3F noteert u de bestemming van de jongeren na beëindiging van het begeleidingstraject.
Tabel 3G gaat over jongeren van 17 jaar oud die door de RMC-functie worden opgepakt. De RMC-functie is gericht op jongeren van 18 tot 23 jaar. Uit praktijk blijkt echter dat vaak ook jongeren die nog 17 jaar zijn maar binnen afzienbare tijd 18 jaar worden al door de RMC-functie in begeleiding worden genomen. Deze vraag brengt die jongeren in beeld.
In tabel 3H kunt u in algemene termen opmerkingen kwijt die specifiek zijn voor uw regio (bijvoorbeeld over de achtergrond van jongeren die in begeleiding komen, de trends in omvang van de doelgroep of een verschuiving in de bestemming van jongeren van wie het begeleidingstraject is afgerond).
4. Inzet beschikbare middelen (waaronder de RMC-Rijksbijdrage)
Gemeenten kunnen diverse financiële bronnen (deels) bestemmen voor het begeleiden van jongeren tot 23 jaar zonder startkwalificatie. Daarnaast is in 2008 structureel 13 miljoen euro verdeeld over alle RMC-regio’s voor de uitvoering van de kwalificatieplicht voor jongeren van 16 en 17 jaar. Mogelijk heeft de RMC-functie deze middelen doorgegeven aan gemeenten, mogelijk heeft de RMC zelf de beschikking over dit budget gehouden.
In tabel 4A wordt gevraagd naar een indicatie van alle budgetten waarmee de RMC-functie wordt uitgevoerd in het lopende kalenderjaar.
In tabel 4B wordt gevraagd naar de besteding van het totale budget uit verschillende bronnen waar de RMC-functie over beschikt in het lopende kalenderjaar. Het gaat hier om een globale onderverdeling. Een beleidsmatige beoordeling van de besteding van de middelen volstaat bij de beantwoording van deze vraag. U kunt per categorie invullen hoeveel euro u besteedt, het percentage middelen volgt dan automatisch. Onder de tabel vindt u een toelichting op de gehanteerde begrippen en categorieën.
Let op: tot 2013 werd in de RMC-effectrapportage alleen gevraagd naar een onderverdeling van de Rijksmiddelen (RMC-budget en kwalificatiemiddelen) nu wordt gevraagd naar het totale budget waar de RMC-functie over beschikt, om zo inzichtelijk te maken hoeveel middelen aan de diverse activiteiten van de RMC-functie worden besteed.
In tabel 4C wordt ten eerste gevraagd naar het aantal fte’s van RMC-medewerkers. Vervolgens wordt bij punt 2 gevraagd naar het aantal fte’s aan RMC-medewerkers dat zich bezighoudt met het begeleiden van individuele jongeren. Begeleiding kan allerlei vormen hebben, van een telefoontje of mailtje tot een intensieve gesprekscyclus. Een fulltime medewerker die voor 70% trajectbegeleiding doet en voor 20% bezig is met preventieve projecten en 10% coördinatie, telt bij punt 2 voor 0,7 fte mee.
Naast het begeleiden van individuele jongeren heeft een RMC-regio ook projecten, zowel voor reeds uitgevallen jongeren als ter preventie van uitval. Het betreft alle werkzaamheden die direct of indirect gericht zijn op groepen jongeren, gefinancierd uit het totale budget waar de RMC-regio over beschikt. Punt 3 betreft de gezamenlijke inzet op preventieve projecten (gericht op jongeren die nog ingeschreven staan bij een onderwijsinstelling, maar die dreigen uit tevallen) en de projecten voor reeds uitgevallen jongeren. Gevraagd wordt naar een inschatting van de fte-inzet per inhoudelijk type project.Een fulltime medewerker die voor 70% werkt voor individuele jongeren, 20% voor het uitvoeren van een verzuimproject en 10% in coördinatie, telt op dit punt in deze tabel mee voor 0,2 fte.
5. Terugblik behaalde resultaten bij reduceren van de uitval
Bij vraag 5 wordt u gevraagd kort te reflecteren op de behaalde resultaten uit het vorige verslagjaar conform de OCW-cijfers voor de regio met betrekking tot de aanpak van voortijdig schoolverlaters. In artikel 8.3.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs staan de taken van de contactgemeente van de RMC-regio. Het zevende lid van dit artikel stelt de verplichting om terug te kijken op behaalde resultaten in vergelijking met de streefcijfers.
Betrek in uw antwoord de behaalde resultaten in relatie tot de regionale streefcijfers en de landelijke normen op basis van de definitieve cijfers over het vorig schooljaar. Daarnaast wordt u gevraagd de uitvalpercentages op de verschillende onderdelen (mbo 1, mbo 2, mbo 3/4) te behandelen.
6. Good practices (optioneel)
In onderstaande tabel kunt u optioneeltwee ‘good practices’ vermelden. U kunt hierbij denken aan voorbeelden over de door u gevoerde aanpak. Deze good practices kunnen worden opgenomen in de projectbank op www.aanvalopschooluitval.nl. OCW is met name geïnteresseerd in projecten met bijzondere samenwerkingspartners en/of met een nieuwe inhoudelijke invalshoek en/of een project dat grondig geëvalueerd is.
Definities en omschrijvingen
1. Scholen
Tot de scholen op de onderscheiden sectoren kunnen worden gerekend:
2. Voortijdig schoolverlater
Het begrip voortijdig schoolverlater is in het kader van de RMC-functie gedefinieerd als degene:
Voor de afbakening van het begrip voortijdig schoolverlater zijn daarmee de volgende vier elementen van belang:
3. Studiejaar of schooljaar
Een schooljaar, ook wel genoemd studiejaar, is de periode van 1 augustus van een jaar t/m 31 juli van het volgende jaar.
4. Werk
Onder de opvatting van werk bij herplaatsing wordt omwille van eenduidigheid de CBS definitie voor werkzame beroepsbevolking gehanteerd. Conform deze definitie wordt de situatie bedoeld waarin de jongere 12 uur of meer per week betaald werk heeft.
5. Preventie
Onder preventie verstaan we activiteiten bedoeld om schooluitval te voorkomen en die gericht zijn op jongeren die nog ingeschreven staan bij een onderwijsinstelling maar die risico lopen uit te vallen.
6. ‘continuerende’ voortijdig schoolverlaters
Jongeren waarvan het begeleidingstraject het vorig verslagjaar nog niet was afgerond en dus ook dit verslag jaar nog in dit traject zaten.
7. ‘recidiverende’ voortijdig schoolverlaters
Jongeren die in het verslagjaar zijn benaderd met de vraag of een begeleidingstraject nodig en/of gewenst was, en in eerdere verslagjaren ook in een begeleidingstraject hebben gezeten. Het gaat hier niet om de jongeren bedoeld bij de definitie ‘continuerende’ voortijdig schoolverlaters.
Lijst van afkortingen
Bijlage C. behorende bij artikel 3.4 van de Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten en prestatiesubsidie voor het voortgezet onderwijs
Vaststelling RMC-regio’s
Regio 1. Oost-Groningen
Bellingwedde, Stadskanaal, Veendam, Vlagtwedde, Pekela, Oldambt, Menterwolde.
Regio 2. Noord-Groningen-Eemsmond
Appingedam, Bedum, Delfzijl, Loppersum, Winsum, Eemsmond, De Marne.
Regio 3. Centraal en Westelijk Groningen
Groningen, Grootegast, Haren, Hoogezand-Sappemeer, Leek, Marum, Slochteren, Ten Boer, Zuidhorn.
Regio 4. Friesland Noord
Ameland, Boarnsterhim, Dantumadiel, Dongeradeel, Ferwerderadiel, Franekeradeel, Harlingen, Het Bildt, Kollumerland c.a., Leeuwarden, Leeuwarderadeel, Menameradiel, Schiermonnikoog, Terschelling, Vlieland.
Regio 5. Zuid-West Friesland
De Friese Meren, Littenseradiel, Súdwest Fryslân.
Regio 6. Friesland-Oost (‘de Friese Wouden’)
Achtkarspelen, Heerenveen, Ooststellingwerf, Opsterland, Smallingerland, Tytjerksteradiel, Weststellingwerf.
Regio 7. Noord- en Midden Drenthe
Aa en Hunze, Assen, Midden-Drenthe, Noordenveld, Tynaarlo.
Regio 8. Zuid-Oost Drenthe
Borger-Odoorn, Coevorden, Emmen.
Regio 9. Zuid-West Drenthe
Hoogeveen, Meppel, Westerveld, De Wolden.
Regio 10. Ijssel-vecht
Dalfsen, Hardenberg, Hattem, Heerde, Kampen, Ommen, Raalte, Staphorst, Steenwijkerland, Zwartewaterland, Zwolle.
Regio 11. Stedendriehoek
Apeldoorn, Brummen, Deventer, Epe, Lochem, Olst-Wijhe, Voorst, Zutphen.
Regio 12. Twente
Almelo, Borne, Dinkelland, Enschede, Haaksbergen, Hellendoorn, Hengelo(O), Hof van Twente, Losser, Oldenzaal, Rijssen-Holten, Tubbergen, Twenterand, Wierden.
Regio 13. Achterhoek
Aalten, Berkelland, Bronckhorst, Doesburg, Doetinchem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek, Winterswijk.
Regio 14. Arnhem/Nijmegen
Arnhem, Beuningen, Druten, Duiven, Groesbeek, Heumen, Lingewaard, Millingen a.d. Rijn, Mook en Middelaar, Nijmegen, Overbetuwe, Renkum, Rheden, Rijnwaarden, Rozendaal, Ubbergen, Westervoort, Wijchen, Zevenaar.
Regio 15. Rivierenland
Buren, Culemborg, Geldermalsen, Lingewaal, Maasdriel, Neerijnen, Neder-Betuwe, Tiel, West Maas en Waal, Zaltbommel.
Regio 16. Eem en Vallei
Amersfoort, Baarn, Barneveld, Bunschoten, Ede, Leusden, Nijkerk, Renswoude, Rhenen, Scherpenzeel, Soest, Veenendaal, Wageningen, Woudenberg.
Regio 17. Noordwest-Veluwe
Elburg, Ermelo, Harderwijk, Nunspeet, Oldebroek, Putten, Zeewolde.
Regio 18. Flevoland
Almere, Dronten, Lelystad, Noord-Oostpolder, Urk.
Regio 19. Utrecht
Bunnik, De Bilt, De Ronde Venen, Houten, IJsselstein, Lopik, Montfoort, Nieuwegein, Oudewater, Stichtse Vecht, Utrecht, Utrechtse Heuvelrug, Vianen, Wijk bij Duurstede, Woerden, Zeist.
Regio 20. Gooi en Vechtstreek
Blaricum, Bussum, Eemnes, Hilversum, Huizen, Laren, Muiden, Naarden, Weesp, Wijdemeren.
Regio 21. Agglomeratie Amsterdam
Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Beemster, Diemen, Edam/Volendam, Haarlemmermeer, Landsmeer, Oostzaan, Ouder-Amstel, Purmerend, Uithoorn, Waterland, Wormerland, Zaanstad, Zeevang.
Regio 22. West-Friesland
Drechterland, Enkhuizen, Hoorn, Medemblik, Koggenland, Opmeer, Stede Broec.
Regio 23. Kop van Noord-Holland
Den Helder, Harenkarspel, Hollands Kroon, Schagen, Texel, Zijpe.
Regio 24. Noord-Kennemerland
Alkmaar, Bergen (NH), Castricum, Graft-De Rijp, Heerhugowaard, Heiloo, Langedijk,
Schermer, Uitgeest.
Regio 25. West-Kennemerland
Beverwijk, Bloemendaal, Haarlem, Haarlemmerliede c.a., Heemskerk, Heemstede, Velsen, Zandvoort.
Regio 26. Zuid-Holland-Noord
Hillegom, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Kaag en Braassem, Noordwijk, Noordwijkerhout, Oegstgeest, Teylingen, Voorschoten, Zoeterwoude.
Regio 27. Zuid-Holland-Oost
Alphen aan den Rijn, Bergambacht, Boskoop, Gouda, Nieuwkoop, Schoonhoven, Vlist, Waddinxveen, Nederlek, Ouderkerk, Rijnwoude, Zuidplas, Bodegraven-Reeuwijk.
Regio 28. Haaglanden/Westland
Delft,’s-Gravenhage, Leidschendam-Voorburg, Midden-Delfland, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Wassenaar, Westland, Zoetermeer.
Regio 29. Rijnmond
Albrandswaard, Barendrecht, Bernisse, Brielle, Capelle aan den IJssel, Dirksland, Goedereede, Hellevloetsluis, Krimpen aan den IJssel, Lansingerland, Maassluis, Middelharnis, Oostflakkee, Ridderkerk, Rotterdam, Schiedam, Spijkenisse, Vlaardingen, Westvoorne.
Regio 30. Zuid-Holland-Zuid
Alblasserdam, Binnenmaas, Cromstrijen, Dordrecht, Giessenlanden, Gorinchem, Graafstroom, Hardinxveld-Giessendam, Hendrik Ido Ambacht, Korendijk, Leerdam, Liesveld, Nieuw Lekkerland, Oud Beijerland, Papendrecht, Sliedrecht, Strijen, Zederik, Zwijndrecht.
Regio 31. Oosterschelde Regio
Borsele, Goes, Kapelle, Noord-Beveland, Reimerswaal, Schouwen-Duiveland, Tholen.
Regio 32. Walcheren
Middelburg, Veere, Vlissingen.
Regio 33. Zeeuwsch-Vlaanderen
Hulst, Sluis, Terneuzen.
Regio 34. West-Brabant
Aalburg, Alphen-Chaam, Baarle Nassau, Bergen op Zoom, Breda, Geertruidenberg, Drimmelen, Etten-Leur, Halderberge, Moerdijk, Oosterhout, Roosendaal, Steenbergen, Rucphen, Werkendam, Woensdrecht, Woudrichem, Zundert.
Regio 35. Midden-Brabant
Dongen, Gilze en Rijen, Goirle, Hilvarenbeek, Loon op Zand, Oisterwijk, Tilburg, Waalwijk.
Regio 36. Noord-Oost-Brabant
Bernheze, Boekel, Boxmeer, Boxtel, Cuijk, Grave, Haaren, ’s-Hertogenbosch, Heusden, Landerd, Maasdonk, Mill en St. Hubert, Oss, Schijndel, St. Anthonis, St. Michielsgestel, St. Oedenrode, Uden, Veghel, Vught.
Regio 37. Zuidoost-Brabant
Asten, Bergeyk, Best, Bladel, Cranendonck, Deurne, Eersel, Eindhoven, Geldrop-Mierlo, Gemert-Bakel, Heeze-Leende, Helmond, Laarbeek, Nuenen c.a., Oirschot, Reusel-De Mierden, Someren, Son en Breugel, Valkenswaard, Veldhoven, Waalre.
Regio 38. Gewest Limburg-Noord
Beesel, Bergen, Echt-Susteren, Gennep, Horst aan de Maas, Leudal, Maasgouw, Nederweert, Peel en Maas, Roerdalen, Roermond, Venlo, Venray, Weert.
Regio 39. Gewest Zuid-Limburg
Beek, Brunssum, Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Maastricht, Meerssen, Nuth, Onderbanken, Schinnen, Simpelveld, Sittard-Geleen, Stein, Vaals, Valkenburg aan de Geul, Voerendaal.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.