Beleidsregels vereveningsbijdrage Zvw 2017
Het Zorginstituut bepaalt op basis van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en b, de morbiditeit, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c en een koppeling met het VPPKB 2017 per verzekerde, in welke GSM klasse de verzekerde wordt ingedeeld.
Artikel 54. FKG GGZ
Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium FKG GGZ per zorgverzekeraar op:
- a. de indeling in FKG GGZ 2017 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in bijlage 7 van deze Beleidsregels;
- b. de opgave per 1 juni 2017 van declaraties farmaceutische hulp 2016 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut.
Het Zorginstituut koppelt de opgave bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, met behulp van het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het VPPKB 2017 en bepaalt op basis hiervan met inachtneming van artikel 10, vierde lid van de Regeling en bijlage 7 van deze Beleidsregels in welke FKG GGZ klassen de verzekerde wordt ingedeeld.
Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen FKG psychische aandoeningen’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen FKG psychische aandoeningen’ in.
Artikel 55. DKG GGZ
Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium DKG GGZ per zorgverzekeraar op:
- a. de indeling in DKG GGZ 2017 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in bijlage 8 van deze Beleidsregels;
- b. de opgave van de zorgverzekeraar aan het Zorginstituut per 1 juni 2018 van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van alle dbc’s GGZ die in 2016 geopend zijn;
- c. declaraties 2015 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2017, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2018 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd.
Het Zorginstituut koppelt op basis van het gepseudonimiseerde burgerservicenummer de opgave, bedoeld in het vorige lid, onderdeel b aan het VPPKB en betrekt daarbij de opgave, bedoeld in het vorige lid, onderdeel c. Het Zorginstituut bepaalt op basis hiervan met inachtneming van bijlage 8 van deze Beleidsregels per verzekerde in welke DKG GGZ klasse de verzekerde valt. Als de verzekerde in meerdere DKG GGZ klassen valt, deelt het Zorginstituut de verzekerde in de hoogste voor hem toepasselijke DKG GGZ klasse in.
Als een verzekerde niet in een klasse ‘1’ tot en met ‘5’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen DKG psychische aandoeningen’ in.
Artikel 56. GGZ-regio
Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium GGZ-regio per zorgverzekeraar met betrekking tot:
- a. de indeling op GGZ regio klassen 2017 zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in bijlage 9 van deze Beleidsregels;
- b. de viercijferige postcode op het PKB 2017;
- c. de viercijferige postcode indien een verzekerde niet is opgenomen in het PKB 2017 op het VPPKB 2017.
Het Zorginstituut koppelt de gegevens, bedoeld in het eerste lid onderdeel b en c, met behulp van het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het VPPKB 2017 en bepaalt op basis hiervan en met inachtneming van bijlage 9 van deze Beleidsregels per verzekerde in welke GGZ-regioklasse de verzekerde wordt ingedeeld.
Artikel 57. GGZ-MHK
Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium GGZ-MHK per zorgverzekeraar op:
- a. declaraties 2012 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2014, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2016 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
- b. declaraties 2013 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2015, zoals zorgverzekeraars die op 23 september 2016 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
- c. declaraties 2014 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2016, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2017 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
- d. declaraties 2015 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2017, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2018 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
- e. declaraties 2016 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2018 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
- f. het VPPKB 2012, VPPKB 2013, VPPKB 2014, het VPPKB 2015 en het VPPKB 2016.
Het Zorginstituut herleidt de percentages van de risicoklassen GGZ-MHK met betrekking tot 2012, 2013, 2014, 2015 en 2016 tot respectievelijk drempelbedragen GGZ-MHK 2012, 2013, 2014, 2015 en 2016.
Het Zorginstituut bepaalt op basis van de declaraties genoemd in het eerste lid, de drempelbedragen uit het vorige lid en een koppeling met het VPPKB 2017 in welke GGZ-MHK klasse een verzekerde wordt ingedeeld.
Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen GGZ-MHK’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen GGZ-MHK’ in.
Artikel 58. ZVZ
Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium ZVZ per zorgverzekeraar op de opgave van de zorgverzekeraar aan het Zorginstituut per 1 juni 2018 van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer met een versleutelde ZVZ-i van alle dbc’s GGZ die in 2016 geopend zijn.
Het Zorginstituut koppelt op basis van het gepseudonimiseerde burgerservicenummer de opgave uit het vorige lid aan het VPPKB 2017. Het Zorginstituut bepaalt per verzekerde in welke ZVZ klasse de verzekerde valt. Als de verzekerde in meerdere ZVZ klassen valt, deelt het Zorginstituut de verzekerde in de hoogste voor hem toepasselijke ZVZ klasse in.
Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen ZVZ’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen ZVZ’ in.
Artikel 59. IGG
Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium IGG per zorgverzekeraar op:
- a. de indeling in IGG klassen zoals weergegeven in het referentiebestand dat is opgenomen in bijlage 10 van deze Beleidsregels;
- b. de opgave van de zorgverzekeraar aan het Zorginstituut per 1 juni 2018 van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van alle dbc’s GGZ die in 2016 geopend zijn;
- c. declaraties langdurige GGZ 2016 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer, zoals zorgverzekeraars die op 1 juni 2018 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
- d. declaraties langdurige GGZ 2015 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer, zoals zorgverzekeraars die op 1 juni 2018 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd.
Het Zorginstituut koppelt de declaraties, bedoeld in het vorige lid, onderdeel b, c en d op basis van het gepseudonimiseerde burgerservicenummer aan het VPPKB 2017 en bepaalt op basis hiervan met inachtneming van bijlage 10 van deze Beleidsregels in welke IGG klasse de verzekerde valt. Als de verzekerde in meerdere IGG klassen valt, deelt het Zorginstituut de verzekerde in de hoogste voor hem toepasselijke IGG klasse in.
Als een verzekerde niet in een andere klasse dan ‘Geen IGG’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen IGG’ in.
Artikel 60. De voorlopige herberekening van het deelbedrag variabele zorgkosten 2017
Op basis van de opgave jaarstaat 2017 per 1 mei 2018 en met inachtneming van de artikelen 13, 14 en 15 van de Regeling bepaalt het Zorginstituut de variabele zorgkosten 2017 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars.
Het Zorginstituut herberekent het gewicht van de klasse ‘Geen FKG’ zodanig dat het voor de klassen ‘Auto-immuunziekten o.b.v. add-on’, ‘Kanker o.b.v. add on’ ‘Extreem hoge kosten cluster 1’, ‘Extreem hoge kosten cluster 2’ en ‘Extreem hoge kosten cluster 3’ gesommeerde verschil tussen de vermenigvuldiging van het gerealiseerde aantal verzekerden met het gewicht in tabel 1.2 van de Regeling en de vermenigvuldiging van het bij toekenning van de vereveningsbijdrage verwachte aantal verzekerden met het gewicht in tabel 1.2 van de Regeling, teniet wordt gedaan. Het Zorginstituut rondt het herberekende gewicht af op twee decimalen.
Het Zorginstituut herberekent het gewicht voor elke klasse van het vereveningscriterium DKG’s zodanig dat per klasse het resultaat van de vermenigvuldiging van het herberekende gewicht met het gerealiseerde aantal verzekerden gelijk is aan het resultaat van de vermenigvuldiging van het gewicht in tabel 1.3 van de Regeling met het bij toekenning van de vereveningsbijdragen verwachte aantal verzekerden. Het Zorginstituut rondt de herberekende gewichten af op twee decimalen.
Het Zorginstituut herberekent met inachtneming van de op grond van artikel 40 bepaalde verzekerdenaantallen het normatieve bedrag variabele zorgkosten 2017 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, overeenkomstig artikel 28 en 29, alsmede voor het totaal van de verzekerden 2017 van alle zorgverzekeraars.
Het Zorginstituut berekent de schalingsfactor voor variabele zorgkosten 2017 door de variabele zorgkosten 2017 voor het totaal van de zorgverzekeraars, zoals bepaald in het eerste lid, te delen door het in het vierde lid herberekende normatieve bedrag variabele zorgkosten 2017 voor het totaal van de verzekerden 2017 van alle zorgverzekeraars.
Het Zorginstituut vermenigvuldigt voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars het herberekende normatieve bedrag variabele zorgkosten 2017 uit het vierde lid met de schalingsfactor berekend in het vijfde lid.
Het Zorginstituut berekent voor het totaal van de zorgverzekeraars het verschil tussen de uitkomst van de vermenigvuldiging uit het zesde lid en het herberekende normatieve bedrag uit het vierde lid en deelt dit verschil door het totaal aantal ingeschreven verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is.
Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar het resultaat van het zevende lid met het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven.
Het Zorginstituut vermindert per zorgverzekeraar het product voor die zorgverzekeraar, berekend in het zesde lid, met het product voor die zorgverzekeraar, berekend in het achtste lid. Het resultaat wordt aangeduid als het voorlopige herberekende deelbedrag variabele zorgkosten 2017.
Artikel 61. De voorlopige herberekening van het deelbedrag vaste zorgkosten 2017
Op basis van de opgave jaarstaat 2017 per 1 mei 2018 en met inachtneming van de artikelen 13, 14 en 16 van de Regeling bepaalt het Zorginstituut de vaste zorgkosten 2017 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk.
Het Zorginstituut herberekent het deelbedrag vaste zorgkosten door het totaal aantal verzekerden 2017 per zorgverzekeraar, vastgesteld met toepassing van artikel 40 te vermenigvuldigen met het normbedrag vaste zorgkosten 2017, berekend in artikel 30, eerste lid.
Het Zorginstituut calculeert per zorgverzekeraar 100 procent na op het verschil tussen de vaste zorgkosten 2017, verkregen in het eerste lid, en het deelbedrag vaste zorgkosten, verkregen in het tweede lid.
De som van het resultaat van het tweede en het derde lid wordt aangeduid als het voorlopige herberekende deelbedrag vaste zorgkosten 2017.
Artikel 62. De voorlopige herberekening van het deelbedrag kosten geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2017
Op basis van de opgave jaarstaat 2017 per 1 mei 2018 en met inachtneming van de artikelen 13 en 14 van de Regeling, bepaalt het Zorginstituut de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2017 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars.
Het Zorginstituut herberekent het gewicht kosten van geneeskundige GGZ per verzekerde voor de ZVZ klasse ‘Geen ZVZ’ door het totaal aantal verzekerden in een andere klasse dan ‘Geen ZVZ’ per ZVZ klasse te vermenigvuldigen met het overeenkomstige gewicht en de som van het resultaat vervolgens te delen door het totaal aantal verzekerden in de ZVZ klasse ‘Geen ZVZ’, dat af te ronden op twee decimalen en van een negatief teken te voorzien.
Het Zorginstituut herberekent met inachtneming van het op grond van artikel 40 bepaalde aantal verzekerden van achttien jaar en ouder het normatieve bedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2017 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, overeenkomstig artikel 31 en 32, alsmede voor het totaal van de verzekerden van achttien jaar en ouder 2017 van alle zorgverzekeraars.
Het Zorginstituut berekent de schalingsfactor voor kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2017 voor verzekerden van achttien jaar en ouder 2017 door de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2017 voor het totaal van de zorgverzekeraars, zoals bepaald in het eerste lid, te delen door het in het derde lid herberekende normatieve bedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2017 voor het totaal van de verzekerden van achttien jaar en ouder 2017 van alle zorgverzekeraars.
Het Zorginstituut vermenigvuldigt voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars het herberekende normatieve bedrag kosten van geneeskundige gezondheidszorg 2017 uit het derde lid met de schalingsfactor berekend in het vierde lid.
Het Zorginstituut berekent voor het totaal van de zorgverzekeraars het verschil tussen de uitkomst van de vermenigvuldiging uit het vijfde lid en het herberekende normatieve bedrag uit het derde lid en deelt dit verschil door het totaal aantal bij alle zorgverzekeraars ingeschreven verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is.
Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar het resultaat van het zesde lid met het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven.
Het Zorginstituut vermindert per zorgverzekeraar het product voor die zorgverzekeraar berekend in het vijfde lid met het product voor die zorgverzekeraar berekend in het zevende lid. Het resultaat wordt aangeduid als het voorlopige herberekende deelbedrag kosten van de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2017.
Artikel 63. De voorlopige herberekening van het deelbedrag kosten langdurige geestelijke gezondheidszorg 2017
Op basis van de opgave jaarstaat 2017 per 1 mei 2018 en met inachtneming van de artikelen 13 en 14 van de Regeling, bepaalt het Zorginstituut de kosten van langdurige geestelijke gezondheidszorg 2017 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars.
Het Zorginstituut herberekent het gewicht kosten van langdurige GGZ per verzekerde voor de ZVZ klasse ‘Geen ZVZ’ door het totaal aantal verzekerden in een andere klasse dan ‘Geen ZVZ’ per ZVZ klasse te vermenigvuldigen met het overeenkomstige gewicht en de som van het resultaat vervolgens te delen door het totaal aantal verzekerden in de ZVZ klasse ‘Geen ZVZ’, dat af te ronden op twee decimalen en van een negatief teken te voorzien.
Het Zorginstituut herberekent het gewicht kosten van langdurige GGZ voor verzekerden van achttien jaar en ouder per verzekerde voor de IGG klasse ‘Geen IGG’ door het totaal aantal verzekerden in een andere klasse dan ‘Geen IGG’ per IGG klasse te vermenigvuldigen met het overeenkomstige gewicht en de som van het resultaat vervolgens te delen door het totaal aantal verzekerden voor de klasse ‘Geen IGG’, dat af te ronden op twee decimalen en van een negatief teken te voorzien.
Het Zorginstituut herberekent met inachtneming van het op grond van artikel 40 bepaalde aantal verzekerden van achttien jaar en ouder het normatieve bedrag kosten van langdurige geestelijke gezondheidszorg 2017 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, overeenkomstig artikel 33 en 34, alsmede voor het totaal van de verzekerden van achttien jaar en ouder 2017 van alle zorgverzekeraars.
Het Zorginstituut berekent de schalingsfactor voor kosten van langdurige geestelijke gezondheidszorg 2017 voor verzekerden van achttien jaar en ouder 2017 door de kosten van langdurige geestelijke gezondheidszorg 2017 voor het totaal van de zorgverzekeraars, zoals bepaald in het eerste lid, te delen door het in het vierde lid herberekende normatieve bedrag kosten van langdurige geestelijke gezondheidszorg 2017 voor het totaal van de verzekerden van achttien jaar en ouder 2017 van alle zorgverzekeraars.
Het Zorginstituut vermenigvuldigt voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars het herberekende normatieve bedrag kosten van langdurige gezondheidszorg 2017 uit het vierde lid met de schalingsfactor berekend in het vijfde lid.
Het Zorginstituut berekent voor het totaal van de zorgverzekeraars het verschil tussen de uitkomst van de vermenigvuldiging uit het zesde lid en het herberekende normatieve bedrag uit het vierde lid en deelt dit verschil door het totaal aantal bij alle zorgverzekeraars ingeschreven verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is.
Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar het resultaat van het zevende lid met het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven.
Het Zorginstituut vermindert per zorgverzekeraar het product voor die zorgverzekeraar berekend in het zesde lid met het product voor die zorgverzekeraar berekend in het achtste lid. Het resultaat wordt aangeduid als het voorlopige herberekende deelbedrag kosten van de langdurige geestelijke gezondheidszorg 2017.
Artikel 64. De voorlopige herberekening van de normatieve opbrengst van het eigen risico 2017
Uitgangspunt voor de herberekening van de normatieve opbrengst van het eigen risico zijn de opgaven, bedoeld in artikel 40, derde lid, van de verzekerdenaantallen van de zorgverzekeraar.
Het Zorginstituut herberekent overeenkomstig artikel 35 en 36 de normatieve eigen risico opbrengst 2017.
In afwijking van het tweede lid bepaalt het Zorginstituut de gederfde inkomsten voor verzekerden van achttien jaar en ouder voor wie op grond van artikel 24 van de wet geen nominale premies worden ontvangen, op basis van de opgave jaarstaat 2017 per 1 mei 2018.
Artikel 65. De voorlopige herberekening van het normatieve bedrag 2017 en de voorlopige herberekening en voorlopige vaststelling van de vereveningsbijdrage 2017
Het Zorginstituut herberekent het normatieve bedrag 2017 voorlopig als de som van het voorlopige herberekende deelbedrag variabele zorgkosten 2017, het voorlopige herberekende deelbedrag vaste zorgkosten 2017, het voorlopig herberekende deelbedrag geneeskundige geestelijke gezondheidszorg en het voorlopig herberekende deelbedrag langdurige geestelijke gezondheidszorg 2017.
Het Zorginstituut berekent de opbrengst van de nominale rekenpremie per zorgverzekeraar door de verzekerden van achttien jaar en ouder 2017 per zorgverzekeraar te vermenigvuldigen met de nominale rekenpremie 2017.
Het Zorginstituut vermindert het resultaat van het tweede lid met het bedrag dat de zorgverzekeraar verantwoordt in de opgave jaarstaat 2017 per 1 mei 2018 als gederfde inkomsten voor verzekerden van achttien jaar en ouder waarvoor als gevolg van de toepasselijkheid van artikel 24 van de wet geen nominale premies worden ontvangen.
Het Zorginstituut herberekent voorlopig de aanvulling op de bijdrage voor de uitkering in verband met uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar door het aantal verzekerden jonger dan achttien jaar 2017 te vermenigvuldigen met € 41,00.
Het Zorginstituut herberekent de vereveningsbijdrage 2017 voorlopig door de som van het herberekende normatieve bedrag 2017, bedoeld in het eerste lid en de aanvulling voor uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar, bedoeld in het vorige lid, te verminderen met de voorlopig herberekende normatieve eigen risico opbrengst, bedoeld in artikel 64, en de opbrengst van de nominale rekenpremie, bedoeld in het tweede en derde lid.
Het Zorginstituut stelt de vereveningsbijdrage 2017 in september 2018 voorlopig vast ter hoogte van de in het vorige lid berekende bijdrage.
Hoofdstuk IV. De tweede voorlopige vaststelling van de vereveningsbijdrage 2017 voor een zorgverzekeraar
Artikel 66. Algemene bepaling
Het Zorginstituut herberekent het normatieve bedrag voor de tweede keer voorlopig met inachtneming van de kosten 2017 uit de opgave jaarstaat 2019 per 1 mei 2020, de correcties die de Nederlandse Zorgautoriteit heeft toegepast en de bepalingen uit dit hoofdstuk.
Artikel 67. Bepaling van de verzekerdenaantallen 2017
Het Zorginstituut betrekt de correcties die de Nederlandse Zorgautoriteit heeft toegepast bij de verzekerdenaantallen 2017, zoals berekend op grond van artikel 40.
Voor het criterium SES betrekt het Zorginstituut voor het inkomen de opgave van de Belastingdienst over 2016 bij de verzekerdenaantallen. Indien een verzekerde niet is opgenomen in de opgave over 2016, maakt het Zorginstituut gebruik van de opgave over 2017.
Voor het criterium MHK betrekt het Zorginstituut bij de verzekerdenaantallen de declaraties 2016 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag variabele zorgkosten exclusief declaraties geriatrische revalidatiezorg tot en met 31 december 2018, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2019 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd.
Voor het criterium VGG betrekt het Zorginstituut bij de verzekerdenaantallen de declaraties voor het deelbedrag verpleging en verzorging 2016 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer tot en met 31 december 2018, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2019 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd.
Voor het criterium GGG betrekt het Zorginstituut bij de verzekerdenaantallen de declaraties geriatrische revalidatiezorg 2016 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer tot en met 31 december 2018, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2019 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd.
Voor het criterium GGZ-MHK betrekt het Zorginstituut bij de verzekerdenaantallen de declaraties 2016 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige GGZ tot en met 31 december 2018, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2019 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd.
Voor het criterium IGG betrekt het Zorginstituut bij de verzekerdenaantallen de declaraties langdurige GGZ 2017 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer, zoals zorgverzekeraars die op 1 juni 2019 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd.
Artikel 68. De tweede voorlopige herberekening van het deelbedrag variabele zorgkosten 2017
Het Zorginstituut bepaalt met inachtneming van de artikelen 13, 14 en 15 van de Regeling, de variabele zorgkosten 2017 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars.
Het Zorginstituut herberekent het gewicht van de klasse ‘Geen FKG’ zodanig dat het voor de klassen ‘Auto-immuunziekten o.b.v. add-on’, ‘Kanker o.b.v. add on’ ‘Extreem hoge kosten cluster 1’, ‘Extreem hoge kosten cluster 2’ en ‘Extreem hoge kosten cluster 3’ gesommeerde verschil tussen de vermenigvuldiging van het gerealiseerde aantal verzekerden met het gewicht in tabel 1.2 van de Regeling en de vermenigvuldiging van het bij toekenning van de vereveningsbijdrage verwachte aantal verzekerden met het gewicht in tabel 1.2 van de Regeling, teniet wordt gedaan. Het Zorginstituut rondt het herberekende gewicht af op twee decimalen.
Het Zorginstituut herberekent het gewicht voor elke klasse van het vereveningscriterium DKG’s zodanig dat per klasse het resultaat van de vermenigvuldiging van het herberekende gewicht met het gerealiseerde aantal verzekerden gelijk is aan het resultaat van de vermenigvuldiging van het gewicht in tabel 1.3 van de Regeling met het bij toekenning van de vereveningsbijdragen verwachte aantal verzekerden. Het Zorginstituut rondt de herberekende gewichten af op twee decimalen.
Het Zorginstituut herberekent met inachtneming van de op grond van artikel 67 bepaalde verzekerdenaantallen het normatieve bedrag variabele zorgkosten 2017 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, overeenkomstig artikel 28 en 29, alsmede voor het totaal van de verzekerden 2017 van alle zorgverzekeraars.
Het Zorginstituut berekent de schalingsfactor voor variabele zorgkosten 2017 door de variabele zorgkosten 2017 voor het totaal van de zorgverzekeraars, zoals bepaald in het eerste lid, te delen door het in het vierde lid herberekende normatieve bedrag variabele zorgkosten 2017 voor het totaal van de verzekerden 2017 van alle zorgverzekeraars.
Het Zorginstituut vermenigvuldigt voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars het herberekende normatieve bedrag variabele zorgkosten 2017 uit het vierde lid met de schalingsfactor berekend in het vijfde lid.
Het Zorginstituut berekent voor het totaal van de zorgverzekeraars het verschil tussen de uitkomst van de vermenigvuldiging uit het zesde lid en het herberekende normatieve bedrag uit het vierde lid en deelt dit verschil door het totaal aantal bij alle zorgverzekeraars ingeschreven verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is.
Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar het resultaat van het zevende lid met het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven.
Het Zorginstituut vermindert per zorgverzekeraar het product voor die zorgverzekeraar berekend in het zesde lid met het product voor die zorgverzekeraar berekend in het achtste lid. Het resultaat wordt aangeduid als het tweede voorlopige herberekende deelbedrag variabele zorgkosten 2017.
Artikel 69. De tweede voorlopige herberekening van het deelbedrag vaste zorgkosten 2017
Het Zorginstituut herberekent voor de tweede keer voorlopig het deelbedrag vaste zorgkosten 2017 overeenkomstig artikel 61, met inachtneming van artikel 66 en 67.
Artikel 70. De tweede voorlopige herberekening van het deelbedrag geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2017
Het Zorginstituut bepaalt met inachtneming van artikel 13 en 14 van de Regeling, de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2017 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars.
Het Zorginstituut herberekent het gewicht kosten van geneeskundige GGZ per verzekerde voor de ZVZ klasse ‘Geen ZVZ’ door het totaal aantal verzekerden in een andere klasse dan ‘Geen ZVZ’ per ZVZ klasse te vermenigvuldigen met het overeenkomstige gewicht en de som van deze producten vervolgens te delen door het totaal aantal verzekerden in de ZVZ klasse ‘Geen ZVZ’, dat af te ronden op twee decimalen en van een negatief teken te voorzien.
Het Zorginstituut herberekent met inachtneming van de op grond van artikel 67 bepaalde verzekerdenaantallen het normatieve bedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2017 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, overeenkomstig artikel 31 en 32, alsmede voor het totaal van de verzekerden van achttien jaar en ouder 2017 van alle zorgverzekeraars.
Het Zorginstituut berekent de schalingsfactor voor kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2017 door de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2017 voor het totaal van de zorgverzekeraars, zoals bepaald in het eerste lid, te delen door het in het derde lid herberekende normatieve bedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2017 voor het totaal van alle zorgverzekeraars.
Het Zorginstituut vermenigvuldigt voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars, het herberekende normatieve bedrag kosten van geneeskundige gezondheidszorg uit het derde lid met de schalingsfactor berekend in het vierde lid.
Het Zorginstituut berekent voor het totaal van de zorgverzekeraars het verschil tussen de uitkomst van de vermenigvuldiging uit het vijfde lid en het herberekende normatieve bedrag uit het derde lid en deelt dit verschil door het totaal aantal bij alle zorgverzekeraars ingeschreven verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is.
Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar het resultaat van het zesde lid met het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven.
Het Zorginstituut vermindert per zorgverzekeraar het product voor die zorgverzekeraar berekend in het vijfde lid met het product voor die zorgverzekeraar berekend in het zevende lid. Het resultaat wordt aangeduid als het tweede voorlopige herberekende deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2017.
Artikel 71. De tweede voorlopige herberekening van het deelbedrag langdurige geestelijke gezondheidszorg 2017
Het Zorginstituut bepaalt met inachtneming van artikel 13 en 14 van de Regeling, de kosten van langdurige geestelijke gezondheidszorg 2017 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars.
Het Zorginstituut herberekent het gewicht kosten van langdurige GGZ per verzekerde voor de ZVZ klasse ‘Geen ZVZ’ door het totaal aantal verzekerden in een andere klasse dan ‘Geen ZVZ’ per ZVZ klasse te vermenigvuldigen met het overeenkomstige gewicht en de som van deze producten vervolgens te delen door het totaal aantal verzekerden in de ZVZ klasse ‘Geen ZVZ’, dat af te ronden op twee decimalen en van een negatief teken te voorzien.
Het Zorginstituut herberekent het gewicht kosten van langdurige GGZ voor verzekerden van achttien jaar en ouder per verzekerde voor de IGG klasse ‘Geen IGG’ door het totaal aantal verzekerden in een andere klasse dan ‘Geen IGG’ per IGG klasse te vermenigvuldigen met het overeenkomstige gewicht en de som van deze producten vervolgens te delen door het totaal aantal verzekerden voor de klasse ‘Geen IGG’, dat af te ronden op twee decimalen en van een negatief teken te voorzien.
Het Zorginstituut herberekent met inachtneming van de op grond van artikel 67 bepaalde verzekerdenaantallen het normatieve bedrag kosten van langdurige geestelijke gezondheidszorg 2017 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, overeenkomstig artikel 33 en 34 alsmede voor het totaal van de verzekerden van achttien jaar en ouder 2017 van alle zorgverzekeraars.
Het Zorginstituut berekent de schalingsfactor voor kosten van langdurige geestelijke gezondheidszorg 2017 door de kosten van langdurige geestelijke gezondheidszorg 2017 voor het totaal van de zorgverzekeraars, zoals bepaald in het eerste lid, te delen door het in het vierde lid herberekende normatieve bedrag kosten van langdurige geestelijke gezondheidszorg 2017 voor het totaal van alle zorgverzekeraars.
Het Zorginstituut vermenigvuldigt voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars, het herberekende normatieve bedrag kosten van langdurige gezondheidszorg uit het vierde lid met de schalingsfactor berekend in het vijfde lid.
Het Zorginstituut berekent voor het totaal van de zorgverzekeraars het verschil tussen de uitkomst van de vermenigvuldiging uit het zesde lid en het herberekende normatieve bedrag uit het vierde lid en deelt dit verschil door het totaal aantal bij alle zorgverzekeraars ingeschreven verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is.
Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar de uitkomst van het zevende lid met het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven.
Het Zorginstituut vermindert per zorgverzekeraar het product voor die zorgverzekeraar berekend in het zesde lid met het product voor die zorgverzekeraar berekend in het achtste lid. Het resultaat wordt aangeduid als het tweede voorlopige herberekende deelbedrag kosten van langdurige geestelijke gezondheidszorg 2017.
Artikel 72. De tweede voorlopige herberekening van de normatieve eigen risico opbrengst 2017
Het Zorginstituut herberekent voor de tweede keer voorlopig de normatieve eigen risico opbrengst 2017 overeenkomstig artikel 64, met inachtneming van artikel 66 en 67.
Artikel 73. De tweede voorlopige herberekening van het normatieve bedrag 2017 en de tweede voorlopige herberekening en de vaststelling van de vereveningsbijdrage 2017
Het Zorginstituut herberekent het normatieve bedrag 2017 voor de tweede keer voorlopig als de som van het tweede voorlopige deelbedrag variabele zorgkosten 2017, het tweede voorlopige deelbedrag vaste zorgkosten 2017, het tweede voorlopige deelbedrag geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2017 en het tweede voorlopige deelbedrag langdurige geestelijke gezondheidszorg 2017.
Het Zorginstituut berekent de tweede voorlopige opbrengst van de nominale rekenpremie per zorgverzekeraar door de verzekerden van achttien jaar en ouder per zorgverzekeraar te vermenigvuldigen met de nominale rekenpremie 2017.
Het Zorginstituut vermindert de uitkomst van het tweede lid met het bedrag dat de zorgverzekeraar verantwoordt in zijn jaarstaat 2017 per 1 mei 2018 als gederfde inkomsten voor verzekerden van achttien jaar en ouder waarvoor als gevolg van de toepasselijkheid van artikel 24 van de wet geen nominale premies worden ontvangen.
Het Zorginstituut berekent de tweede voorlopige aanvulling op de bijdrage voor de uitkering in verband met uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar door het aantal verzekerden jonger dan achttien jaar te vermenigvuldigen met € 41,00.
Het Zorginstituut berekent de vereveningsbijdrage 2017 voor de tweede keer voorlopig door de som van het tweede voorlopige normatieve bedrag 2017 bedoeld in het eerste lid en de aanvulling voor uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar, bedoeld in het vorige lid, te verminderen met de tweede voorlopige normatieve eigen risico opbrengst, bedoeld in artikel 72 respectievelijk de opbrengst van de nominale rekenpremie, bedoeld in het tweede en derde lid.
Het Zorginstituut stelt de vereveningsbijdrage 2017 voor de tweede keer voorlopig vast in september 2020 ter hoogte van de in het vorige lid berekende bijdrage.
Hoofdstuk V. De vaststelling van de vereveningsbijdrage 2017 voor een zorgverzekeraar
Artikel 74. Algemene bepaling
Het Zorginstituut herberekent de vereveningsbijdrage definitief met inachtneming van de correcties die de Nederlandse Zorgautoriteit heeft gerapporteerd over de declaraties 2016 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer en kosten 2017 uit de jaarstaat 2019.
Artikel 75. De definitieve herberekening van het deelbedrag variabele zorgkosten 2017
Het Zorginstituut herberekent definitief het deelbedrag variabele zorgkosten 2017 overeenkomstig artikel 68, met inachtneming van artikel 74.
Artikel 76. De definitieve herberekening van het deelbedrag vaste zorgkosten 2017
Het Zorginstituut herberekent definitief het deelbedrag vaste zorgkosten 2017 overeenkomstig artikel 69, met inachtneming van artikel 74.
Artikel 77. De definitieve herberekening van het deelbedrag geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2017
Het Zorginstituut herberekent definitief het deelbedrag geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2017 overeenkomstig artikel 70, met inachtneming van artikel 74.
Artikel 78. De definitieve herberekening van het deelbedrag langdurige geestelijke gezondheidszorg 2017
Het Zorginstituut herberekent definitief het deelbedrag geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2017 overeenkomstig artikel 71, met inachtneming van artikel 74.
Artikel 79. De definitieve herberekening van de normatieve eigen risico opbrengst 2017
Het Zorginstituut herberekent definitief het deelbedrag normatieve eigen risico opbrengst overeenkomstig artikel 72, met inachtneming van artikel 74.
Artikel 80. De definitieve herberekening van het normatieve bedrag 2017 en de definitieve herberekening en de vaststelling van de bijdrage 2017
Het Zorginstituut herberekent definitief het normatieve bedrag 2017 overeenkomstig artikel 73, met inachtneming van artikel 74.
Het Zorginstituut stelt de bijdrage 2017 vast in april 2021 ter hoogte van het in het vorige lid definitief berekende normatieve bedrag 2017.
Hoofdstuk VI. De betalingen aan de zorgverzekeraars
Artikel 81
Het Zorginstituut betaalt de zorgverzekeraars de vereveningsbijdrage, bedoeld in artikel 37, vierde lid, uit. Het Zorginstituut maakt bij de betaling onderscheid naar de volgende bestanddelen:
- a. het deelbedrag variabele zorgkosten 2017;
- b. het deelbedrag vaste zorgkosten 2017;
- c. het deelbedrag geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2017;
- d. het deelbedrag langdurige geestelijke gezondheidszorg 2017;
- e. een aftrekpost voor de normatieve eigen risico opbrengst 2017.
Het Zorginstituut betaalt de zorgverzekeraars de uitkering in verband met uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar, bedoeld in artikel 37, vijfde lid, gelijktijdig met de betaling genoemd in het eerste lid uit.
Artikel 82. Betaling
Het Zorginstituut bepaalt per zorgverzekeraar de som van de bestanddelen genoemd in artikel 81, eerste lid, onder a tot en met d en de uitkering, genoemd in artikel 81, tweede lid.
Het Zorginstituut berekent per zorgverzekeraar de som van de vereveningsbijdrage 2017, bedoeld in artikel 37, zesde lid en de normatieve eigen risico opbrengst 2017, zoals bepaald in artikel 36, vijfde lid en deelt het resultaat door het resultaat van het eerste lid.
Het Zorginstituut vermenigvuldigt per zorgverzekeraar ieder van de bestanddelen genoemd in artikel 81, eerste lid, onder a tot en met d, en de uitkering bedoeld in artikel 81, tweede lid, met het percentage dat het resultaat is van het tweede lid.
De resultaten van het derde lid worden respectievelijk genoemd als volgt:
- a. het netto te betalen bedrag dat betrekking heeft op het deelbedrag variabele zorgkosten 2017;
- b. het netto te betalen bedrag dat betrekking heeft op het deelbedrag vaste zorgkosten 2017;
- c. het netto te betalen bedrag dat betrekking heeft op het deelbedrag geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2017;
- d. het netto te betalen bedrag dat betrekking heeft op het deelbedrag langdurige geestelijke gezondheidszorg 2017;
- e. het netto te betalen bedrag dat betrekking heeft op de uitkering in verband met de uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar.
Het Zorginstituut betaalt de netto te betalen bedragen, bedoeld in het vierde lid, onder a tot en met e, verminderd met de aftrekpost voor de normatieve eigen risico opbrengst 2017, bedoeld in artikel 81, eerste lid, onder e, in termijnen op de eerste werkdag van de maand, overeenkomstig onderstaand betalingsschema:
| Bestanddelen betalingen | ||||
|---|---|---|---|---|
| Betaalmoment | Artikel 82 vierde lid, onder a en b | Artikel 82 vierde lid, onder c en d | Artikel 82 vierde lid, onder e | Artikel 81 eerste lid, onder e |
| januari 2017 | 0,73% | 0,00% | 8,33% | 3,47% |
| februari 2017 | 2,65% | 0,00% | 8,33% | 8,29% |
| maart 2017 | 5,51% | 0,81% | 8,34% | 8,29% |
| april 2017 | 6,31% | 0,81% | 8,33% | 8,29% |
| mei 2017 | 6,31% | 1,01% | 8,33% | 8,29% |
| juni 2017 | 6,31% | 1,01% | 8,34% | 8,29% |
| juli 2017 | 7,63% | 1,73% | 8,33% | 6,48% |
| augustus 2017 | 7,63% | 1,73% | 8,33% | 6,48% |
| september 2017 | 7,63% | 1,73% | 8,34% | 6,48% |
| oktober 2017 | 7,63% | 2,63% | 8,33% | 6,48% |
| november 2017 | 7,63% | 2,63% | 8,33% | 6,48% |
| december 2017 | 7,63% | 2,63% | 8,34% | 6,48% |
| januari 2018 | 6,44% | 6,94% | 0,00% | 3,56% |
| februari 2018 | 4,92% | 6,94% | 0,00% | 3,56% |
| maart 2018 | 4,38% | 6,94% | 0,00% | 3,56% |
| april 2018 | 1,76% | 6,94% | 0,00% | 1,09% |
| mei 2018 | 1,71% | 6,94% | 0,00% | 1,09% |
| juni 2018 | 1,70% | 6,94% | 0,00% | 1,09% |
| juli 2018 | 0,98% | 6,94% | 0,00% | 0,50% |
| augustus 2018 | 0,98% | 6,94% | 0,00% | 0,50% |
| september 2018 | 0,98% | 6,94% | 0,00% | 0,50% |
| oktober 2018 | 0,85% | 6,94% | 0,00% | 0,25% |
| november 2018 | 0,85% | 6,94% | 0,00% | 0,25% |
| december 2018 | 0,85% | 6,94% | 0,00% | 0,25% |
Voor een zorgverzekeraar die zich op grond van artikel 25 van de wet aanmeldt bij de Nederlandse Zorgautoriteit nadat het Zorginstituut de bijdragen voor de zorgverzekeraars heeft toegekend, kan het Zorginstituut voor die zorgverzekeraar afwijken van de vorige leden.
Het Zorginstituut kan, indien naar zijn oordeel uit nieuwe informatie blijkt dat de verwachting is dat bij de eerstvolgende herberekening of herziening van de vereveningsbijdrage, de vereveningsbijdrage meer dan 5 procent hoger zal zijn dan bij de laatst toegekende of voorlopig vastgestelde vereveningsbijdrage, afwijken van de vorige leden en de betalingen aan een zorgverzekeraar aanpassen.
Artikel 83. Aanpassing betalingen
Bij de herberekening en herziening van de toegekende vereveningsbijdrage 2017 op grond van artikel 39 herziet het Zorginstituut de te betalen termijnen overeenkomstig artikel 82 voor de eerste keer. Het Zorginstituut verrekent het verschil tussen de reeds betaalde termijnen en de voor de eerste keer herziene termijnen.
Bij gelegenheid van de eerste voorlopige vaststelling van de bijdrage, op grond van hoofdstuk III, herziet het Zorginstituut voor de tweede keer de te betalen termijnen overeenkomstig artikel 82. Het Zorginstituut verrekent het verschil tussen de reeds betaalde termijnen en de voor de tweede keer herziene termijnen.
Bij gelegenheid van de tweede voorlopige vaststelling van de bijdrage, op grond van hoofdstuk IV, herziet het Zorginstituut de te betalen termijnen voor de derde keer overeenkomstig artikel 82. Het Zorginstituut verrekent het verschil tussen de reeds betaalde termijnen en de voor de derde maal herziene termijnen.
Bij gelegenheid van de definitieve vaststelling van de bijdrage, op grond van hoofdstuk V, stelt het Zorginstituut de te betalen termijnen definitief vast overeenkomstig artikel 82. Het Zorginstituut verrekent het verschil tussen de reeds betaalde termijnen en de definitief te betalen termijnen.
Indien toepassing van onderscheidenlijk het eerste, tweede, derde en vierde lid, resulteert in een positief saldo voor de zorgverzekeraar, betaalt het Zorginstituut dat saldo ineens aan de zorgverzekeraar.
Indien toepassing van onderscheidenlijk het eerste, tweede, derde en vierde lid, resulteert in een negatief saldo voor de zorgverzekeraar, betaalt de betreffende zorgverzekeraar dat saldo in één keer terug aan het Zorginstituut.
Artikel 84. Rente
De zorgverzekeraar en het Zorginstituut zijn over en weer rente verschuldigd en hebben over en weer aanspraak op rente over de verschillen, bedoeld in artikel 83.
De rente, bedoeld in het eerste lid, wordt bij de eerste voorlopige, tweede voorlopige en de definitieve vaststelling van de uitkering door het Zorginstituut verwerkt en zo mogelijk verrekend met andere betalingen die uit deze vaststellingen voortvloeien.
Artikel 85. Renteberekening
Bij de verrekening van verschillen, bedoeld in artikel 83, tweede, derde en vierde lid, berekent het Zorginstituut rente over het verschil vanaf de datum waarop het verschil is ontstaan tot de datum waarop de verschillen worden verrekend.
Bij de verrekening van de verschillen, bedoeld in artikel 83, tweede lid, berekent het Zorginstituut rente vanaf de betaaldata, genoemd in artikel 82 en artikel 83, eerste en tweede lid tot de datum van de voorlopige vaststelling van de bijdrage.
Bij de verrekening van de verschillen, bedoeld in artikel 83, derde lid, berekent het Zorginstituut rente vanaf de betaaldata, genoemd in artikel 83 en artikel 83, eerste, tweede en derde lid tot de datum van de tweede voorlopige vaststelling van de bijdrage.
Bij de verrekening van de verschillen, bedoeld in artikel 83, vierde lid, berekent het Zorginstituut rente vanaf de betaaldata, genoemd in artikel 82 en artikel 83 eerste, tweede, derde en vierde lid tot de datum van de definitieve vaststelling van de bijdrage.
Voor een zorgverzekeraar waarvoor krachtens artikel 83, zesde en zevende lid, afwijkende betalingen hebben plaatsgevonden, kan het Zorginstituut bij de renteberekening afwijken van de vorige leden.
Het Zorginstituut deelt het bedrag dat de zorgverzekeraar heeft terugbetaald op grond van artikel 83, zesde lid, voor de renteberekening naar rato toe aan de eerste dag van de maand waarin is terugbetaald en de eerste dag van de daaropvolgende maand, waarbij het uitgangspunt is de dag van terugbetaling.
Voor het rentepercentage gaat het Zorginstituut uit van het gemiddelde van de maandrentes van het Euro Interbank Offered Rate (Euribortarief) voor driemaands termijngelden zonder onderpand bij toepassing van het eerste tot en met vijfde lid. Voor de laatste kalendermaand vóór de betaling gaat het Zorginstituut uit van de rente over de voorafgaande kalendermaand.
De rente betreft een samengestelde rente en wordt op maandbasis berekend.
Bij de berekening wordt een maand op 30 en een jaar op 360 dagen gesteld.
Indien de situatie zich voordoet dat het in deze paragraaf bedoelde Euro Interbank Offered Rate (Euribortarief) niet meer kan worden toegepast, zal een zoveel als mogelijk overeenkomstig tarief worden gehanteerd.
Hoofdstuk VII. Slotbepalingen
Artikel 86. ter inzage leggen referentiebestanden
Het Zorginstituut legt de referentiebestanden, bedoeld in bijlage 1 tot en met 11, te zijner kantore ter inzage en publiceert deze op zijn website.
Artikel 87
Deze beleidregels treden in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij worden geplaatst en werken terug tot en met 1 oktober 2016.
Artikel 88
Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels vereveningsbijdrage zorgverzekering 2017.
Bijlage 1. Referentiebestand FKG’s 2017
Ligt ter inzage op het kantoor van het Zorginstituut Nederland.
Bijlage 2. Referentiebestand DKG’s 2017
Ligt ter inzage op het kantoor van het Zorginstituut Nederland.
Bijlage 3. Referentiebestand HKG’s 2017
Ligt ter inzage op het kantoor van het Zorginstituut Nederland.
Bijlage 4. Referentiebestand AVI 2017
Ligt ter inzage op het kantoor van het Zorginstituut Nederland.
Bijlage 5. Referentiebestand Regio 2017
Ligt ter inzage op het kantoor van het Zorginstituut Nederland.
Bijlage 6. Referentiebestand FDG 2017
Ligt ter inzage op het kantoor van het Zorginstituut Nederland.
Bijlage 7. Referentiebestand FKG GGZ 2017
Ligt ter inzage op het kantoor van het Zorginstituut Nederland.
Bijlage 8. Referentiebestand DKG GGZ 2017
Ligt ter inzage op het kantoor van het Zorginstituut Nederland.
Bijlage 9. Referentiebestand GGZ Regio 2017
Ligt ter inzage op het kantoor van het Zorginstituut Nederland.
Bijlage 10. Referentiebestand IGG 2017
Ligt ter inzage op het kantoor van het Zorginstituut Nederland.
Deze beleidsregels worden in de Staatscourant geplaatst.
Bijlage 11. Referentiebestand FKG’s 2017 – aangepast
Deze beleidsregels worden in de Staatscourant geplaatst.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)