Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 23 juni 2017, nr. 1214771 tot intrekking van toezichtkaders onder vaststelling van beleidsregels houdende Onderzoekskaders 2017
Toelichting wettelijke eisen
De wet vraagt dat de vorderingen van de leerlingen op een deugdelijke manier worden gevolgd (artikel 2, tweede lid, WVO, BES). Dit waarborgt dat de school daadwerkelijk de ononderbroken ontwikkeling van leerlingen voor ogen heeft in het onderwijs en ook dat het onderwijs aansluit bij de verschillende leerbehoeften van leerlingen, bijvoorbeeld als uit de vorderingen blijkt dat de ontwikkeling stagneert. Bij deze laatste groep leerlingen zoekt de school naar mogelijke verklaringen voor de stagnatie, zodat het onderwijs daarop kan worden aangepast (artikel 10, WVO, BES, artikel 2, tweede lid, WVO, BES).
Verder stelt de wet (artikel 10 WVO, BES) dat bij de leerlingen bij wie achterstanden zijn geconstateerd, de school zichtbaar en gestructureerd werkt aan de bestrijding van die achterstanden. Dit veronderstelt dat de school weet wie achterstanden heeft en wat de achterstand inhoudt, en dat er aanvullende activiteiten zijn waarmee de achterstanden worden bestreden. De toelichting op artikel 10 van de WVO, BES zegt hier het volgende over: ‘Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat daarbij op structurele en herkenbare wijze aandacht wordt besteed aan het bestrijden van achterstanden, in het bijzonder in de beheersing van de Nederlandse taal.’ Met ‘op structurele wijze’ willen we aangeven dat de aandacht voor het bestrijden van achterstanden nadrukkelijk moet zijn ingebed in het onderwijs. ‘Op herkenbare wijze’ betekent dat die specifieke aandacht ook duidelijk moet blijken in de onderwijspraktijk.
Onderwijsachterstanden beperken zich niet tot taalachterstanden. Ook in andere vakken kunnen leerlingen achterstanden hebben of oplopen. Ook daarvoor dient aandacht te zijn.
9.2.2. Herstel financieel beheer
OP3. Didactisch handelen
Het didactisch handelen van de leraren stelt leerlingen in staat tot leren en ontwikkelen.
Basiskwaliteit
9.3. Escalatie bij voortduren niet-naleving
De leraren creëren een leerklimaat waardoor leerlingen actief en betrokken zijn. Met geschikte opdrachten en heldere uitleg structureert de leraar het onderwijsaanbod zodanig dat de leerling zich het totale leerstofaanbod eigen kan maken. De leraren stemmen de instructies, begeleiding, opdrachten en onderwijstijd af op de behoeften van groepen en/of individuele leerlingen. De afstemming is zowel op ondersteuning als op uitdaging gericht, afhankelijk van de behoeften van leerlingen.
Eigen aspecten van kwaliteit
11.1. Toezicht op orthopedagogisch-didactische centra
Te denken valt aan
Toelichting wettelijke eisen
11.2. Waarderingskader swv passend onderwijs
De wet geeft aan dat leerlingen het aanbod zo aangeboden moeten krijgen dat dit is afgestemd op hun ontwikkelproces (artikel 2, tweede lid, WVO, BES). Voor deze ‘ononderbroken ontwikkeling’ is het nodig dat het onderwijs aansluit bij het ontwikkelingsniveau van de leerling.
Uit artikel 2, tweede lid, WVO, BES vloeit voort dat voor een ononderbroken ontwikkeling de volgende voorwaarden gelden:
9.3.3. Escalatieteam ministerie en inspectie
OP4. Extra ondersteuning
9.3.4. Overige sancties
Basiskwaliteit
9.4. Toezichtplan bij zeer zwak onderwijs
De school heeft in het schoolondersteuningsprofiel vastgelegd wat zij onder extra ondersteuning verstaat en welke voorzieningen de school kan bieden in aanvulling op het door het samenwerkingsverband omschreven niveau van basisondersteuning. Voor de leerlingen die deze extra ondersteuning nodig hebben, legt de school in het ontwikkelingsperspectief vast hoe het onderwijs wordt afgestemd op de behoefte van de leerling.
Voor de leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben, legt de school de doelen en begeleiding in een handelingsplan vast.
9.5. Verbeteren boven basiskwaliteit
De wet vraagt dat ook leerlingen die om wat voor reden dan ook niet het beoogde eindniveau behalen door specifieke belemmerende factoren, een verantwoord handelingsplan hebben, dat de school het onderwijs aan de leerling daarop afstemt en de uitkomsten daarvan periodiek (met de ouders) evalueert (artikel 63, WVO, BES).
10. Stelseltoezicht
De leerlingen krijgen voldoende tijd om zich het leerstofaanbod eigen te maken.
10.1. Versterking relatie toezicht op instellingen en stelseltoezicht
De school biedt elke leerling minstens de wettelijk verplichte onderwijstijd aan. De school verdeelt de tijd zodanig over de vakken dat leerlingen in staat zijn het verplichte onderwijsprogramma tot zich te nemen. Bovendien weet de leraar de geplande onderwijstijd effectief te benutten.
Eigen aspecten van kwaliteit
Welke eigen opdracht heeft de school opgenomen in het schoolplan en (hoe) realiseert de school deze?
Te denken valt aan
Toelichting wettelijke eisen
10.2. Stelselmonitoring
Onderwijstijd doet ertoe. Voldoende onderwijstijd is een noodzakelijke voorwaarde voor kwalitatief goed onderwijs, mits goed ingevuld (bron: Memorie van Toelichting bij wetsvoorstel ter modernisering en vereenvoudiging van de normen voor onderwijstijd in het voortgezet onderwijs).
Het eerste criterium voor onderwijstijd is dat het moet gaan om (onderwijs)activiteiten die worden verzorgd onder verantwoordelijkheid van diegenen die op grond van artikel 80 van de WVO BES onderwijs mogen verzorgen. Het tweede criterium is dat de onderwijstijd onder verantwoordelijkheid van de school bewust moet worden gepland en verzorgd. De school is verantwoordelijk voor de vormgeving, uitvoering en evaluatie van het onderwijsprogramma en daarmee van het leerproces, de socialisering en de (maatschappelijke en persoonlijke) vorming van leerlingen. Ten derde moet op schoolniveau worden afgesproken welke soorten onderwijsactiviteiten meetellen als onderwijstijd: primair door de professionals en met instemming van de medezeggenschapsraad. Het gaat bij deze instemming met nadruk slechts om het soort onderwijsactiviteiten dat meetelt als onderwijstijd (bron: Memorie van Toelichting bij wetsvoorstel ter modernisering en vereenvoudiging van de normen voor onderwijstijd in het voortgezet onderwijs).
OP6. Samenwerking
10.3. Themakeuze en werkwijze
Basiskwaliteit
De school werkt samen met andere scholen in een samenwerkingsverband. Voor leerlingen met een ondersteuningsbehoefte treedt de school in overleg met het Expertisecentrum onderwijszorg als dat nodig is.
Eigen aspecten van kwaliteit
Welke eigen opdracht heeft de school opgenomen in het schoolplan en (hoe) realiseert de school deze?
Toelichting wettelijke eisen
Voor leerlingen met extra ondersteuning werkt de school samen met het samenwerkingsverband (artikel 67 WVO, BES) en met het Expertisecentrum onderwijszorg (artikel 69 WVO, BES).
OP7. Praktijkvorming/stage
De voorbereiding, uitvoering en begeleiding van de praktijkvorming/stage zijn doeltreffend.
11. Toezicht op samenwerkingsverbanden passend onderwijs
De stage draagt bij aan de geplande leeractiviteiten. De school maakt afspraken met de leerling over welke leeractiviteiten de leerling ontplooit in het kader van het stageplan. Het doel, de inhoud, de omvang en de organisatie van de stage worden beschreven in het stageplan. De school begeleidt de leerling bij de voorbereiding en bij de keuze van een stageplek en stelt hiervoor samen met de leerling en het stagebedrijf de vereiste stageovereenkomst op. De begeleiding en beoordeling verlopen op de afgesproken wijze en de school is op de hoogte van het functioneren van de leerling op de stageplek en stuurt zo nodig bij.
Eigen aspecten van kwaliteit
Welke eigen opdracht heeft de school opgenomen in het schoolplan en (hoe) realiseert de school deze?
11.1. Toezicht op orthopedagogische-didactische centra
Toelichting wettelijke eisen
In het derde en vierde leerjaar van de basisberoepsgerichte, kaderberoepsgerichte of gemengde leerweg in het vmbo én voor praktijkonderwijsleerlingen kunnen de lessen worden besteed aan stage. Het Inrichtingsbesluit WVO, BES stelt (artikel 31 en verder) dat het doel, de inhoud, de omvang, de opbouw en de organisatie van de stage worden beschreven in een stageplan.
11.2. Waarderingskader swv passend onderwijs
OP8. Toetsing en afsluiting
De toetsing en afsluiting verlopen zorgvuldig.
Basiskwaliteit
De school heeft een Programma van Toetsing en Afsluiting (PTA) en examenreglement die voldoen aan de eisen van de wetgeving. In deze documenten maakt de school tijdig duidelijk hoe de organisatie van het examen verloopt en welke maatregelen de school hanteert bij leerlingen die zich niet aan de regels hebben gehouden. Ook moet beschreven staan welke examens leerlingen op welke manier kunnen herkansen. Verder moet duidelijk zijn welke stof wanneer wordt geëxamineerd, hoe het examen meeweegt en welke vrijstellingen gelden. De examinering verloopt volgens PTA en examenreglement.
Eigen aspecten van kwaliteit
Welke eigen opdracht heeft de school opgenomen in het schoolplan en (hoe) realiseert de school deze?
Te denken valt aan
Toelichting wettelijke eisen
De wetgeving schrijft voor dat een school een examenreglement en een PTA opstelt. Deze beide documenten moeten worden verstrekt aan de inspectie en de examenkandidaten. In de wetgeving is ook bepaald wat er minimaal in beide documenten moet zijn opgenomen (artikel 18, Eindexamenbesluit VO BES).
Basiskwaliteit
SK1. Veiligheid
Schoolleiding en leraren dragen zorg voor een veilige omgeving voor leerlingen.
Basiskwaliteit
De school zorgt voor de sociale, fysieke en psychische veiligheid van de leerlingen in en om de school gedurende de schooldag. Dit blijkt onder andere uit de beleving van de veiligheid en het welbevinden van de leerlingen op school. De school monitort dit ten minste jaarlijks.
De school heeft een veiligheidsbeleid (beschreven in het schoolplan) gericht op het voorkomen, afhandelen, registreren en evalueren van incidenten. Als de uitkomsten van de monitoring daartoe aanleiding geven, verbetert de school haar veiligheid. De school heeft een functionaris die aanspreekpunt is als het gaat om pesten. Schoolleiding en leraren voorkomen pesten, agressie en geweld in elke vorm en treden zo nodig snel en adequaat op. De uitingen van leerlingen en personeel zijn in lijn met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat.
Eigen aspecten van kwaliteit
Welke eigen opdracht heeft de school opgenomen in het schoolplan en (hoe) realiseert de school deze?
Te denken valt aan
Toelichting wettelijke eisen
De wet bepaalt dat de school ten minste een veiligheidsbeleid (sociale, psychische en fysieke veiligheid) heeft beschreven en dat uitvoert. Het veiligheidsbeleid bestaat uit een samenhangende set van maatregelen gericht op preventie en op het afhandelen van incidenten, ingebed in het pedagogische beleid van de school en stevig verankerd in de dagelijkse praktijk (artikel 4a, WVO, BES).
In de Memorie van Toelichting bij de wetswijziging over sociale veiligheid op school, waarbij artikel 4a aan de WVO, BES is toegevoegd, wordt onder ‘sociale veiligheid’ minimaal verstaan: ‘Een school is veilig als de psychische, sociale en fysieke veiligheid van leerlingen niet door handelingen van andere mensen wordt aangetast.’
De wet geeft aan dat de school de veiligheid van leerlingen monitort met een instrument dat een representatief en actueel beeld geeft (artikel 4a, eerste lid, onder b, WVO, BES). Een school kan pas goed beleid ten aanzien van sociale veiligheid voeren als zij inzicht heeft in de feitelijke en ervaren veiligheid en het welbevinden van de leerlingen. In de Memorie van Toelichting bij de wetgeving sociale veiligheid op school is vastgelegd dat scholen jaarlijks moeten monitoren en dat het van belang is dat de school een gestandaardiseerd instrument gebruikt. Op basis van monitoring die een representatief, valide en actueel beeld geeft van de sociale veiligheid van de leerlingen, krijgen scholen inzicht in de daadwerkelijke sociale veiligheid op de school. Op basis van dit veiligheidsbeeld kan de school haar beleid gericht inzetten om pesten tegen te gaan en de sociale veiligheid te bevorderen. De school stelt de monitorgegevens ter beschikking van de inspectie.
Voor ouders en leerlingen is het van belang dat ze een laagdrempelig aanspreekpunt hebben binnen de school als er sprake is van een situatie waarin gepest wordt. Daarom schrijft artikel 4a, eerste lid, onderdeel c, WVO, BES voor dat iedere school de navolgende taken op school belegt bij een persoon:
Het onderwijs op de school moet mede gericht zijn op het bevorderen van actief burgerschap en sociale integratie (artikel 42, sub b, WVO, BES). Daarom dienen de uitingen van leraren in lijn te zijn met de democratische rechtsstaat en dient te worden ingegrepen als de uitingen van leerlingen daarmee in strijd zijn.
SK2. Pedagogisch klimaat
De school heeft een ondersteunend pedagogisch klimaat.
Basiskwaliteit
Geen wettelijke eisen.
Eigen aspecten van kwaliteit
Welke eigen opdracht heeft de school opgenomen in het schoolplan en (hoe) realiseert de school deze?
Te denken valt aan
De jaarverslaggeving dient transparant te zijn (moet een waarheidsgetrouw beeld geven). Titel 9, Boek 2, van het Burgerlijk Wetboek en artikel 3, onder a, van de Regeling Jaarverslaggeving Onderwijs (RJO) en de Richtlijn Jaarverslag Onderwijs alsmede het Onderwijsaccountantsprotocol79https://www.onderwijsinspectie.nl/documenten/publicaties/2018/12/05/onderwijsaccountantsprotocol-ocw-2018 bevatten voorts tal van nadere regels ten aanzien van een transparante verantwoording respectievelijk de controle daarop door de accountant. Een controleverklaring is verplicht op grond van artikel 2 RJO jo. artikel 2:393 BW.
OR1. Resultaten
De school behaalt met haar leerlingen leerresultaten die ten minste in overeenstemming zijn met de gestelde norm.
Basiskwaliteit
Geen wettelijke eisen.
Eigen aspecten van kwaliteit
Welke eigen opdracht heeft de school opgenomen in het schoolplan en (hoe) realiseert de school deze?
Te denken valt aan
OR2. Sociale en maatschappelijke competenties
De leerlingen behalen sociale en maatschappelijke competenties op het niveau dat ten minste in overeenstemming is met de gestelde doelen.
Basiskwaliteit
Geen wettelijke eisen.
Eigen aspecten van kwaliteit
Welke eigen opdracht heeft de school opgenomen in het schoolplan en (hoe) realiseert de school deze?
OR3. Vervolgsucces
De bestemming van de leerlingen na het verlaten van de school is bekend en voldoet ten minste aan de verwachtingen van de school.
Basiskwaliteit
Geen wettelijke eisen.
Eigen aspecten van kwaliteit
Welke eigen opdracht heeft de school opgenomen in het schoolplan en (hoe) realiseert de school deze?
Een opleiding die niet voldoet aan de deugdelijkheidseisen biedt onderwijs van onvoldoende kwaliteit. Onvoldoende onderwijskwaliteit, onvoldoende examenkwaliteit en/of onvoldoende financieel beheer kan leiden tot sanctionering en in laatste instantie tot ingrijpen door de minister. Vanuit de waarborgfunctie van het toezicht ziet de inspectie erop toe dat de deugdelijkheidseisen zoals deze in de wet zijn vastgelegd, worden nageleefd.
KA1. Kwaliteitszorg
Het bestuur en de scholen hebben een stelsel van kwaliteitszorg ingericht en verbeteren op basis daarvan het onderwijs.
Basiskwaliteit
Het bestuur zorgt voor een stelsel van kwaliteitszorg op de scholen. Dit stelsel staat uitgewerkt in het/de schoolplan(nen) van de scholen. Vanuit dit stelsel bewaakt en bevordert het bestuur de kwaliteit van het onderwijsproces en de leerresultaten.
Het bestuur en de scholen hebben zicht op de kwaliteit van het onderwijs. Er zijn toetsbare doelen geformuleerd en er wordt regelmatig geëvalueerd of deze doelen worden gehaald. De oorzaken van eventueel tekortschietende onderwijskwaliteit zijn geanalyseerd en waar nodig worden verbeteringen doelgericht doorgevoerd. De verantwoordelijkheidsverdeling tussen bestuur en scholen maakt een functionerend stelsel van kwaliteitszorg mogelijk.
Eigen aspecten van kwaliteit
Is er aanvullend beleid over de wijze waarop de kwaliteit wordt bewaakt en bevorderd en (hoe) wordt dit gerealiseerd?
Te denken valt aan
Toelichting wettelijke eisen
Het bevoegd gezag moet zorgen voor de kwaliteit van het onderwijs op een school. Onder ‘zorg dragen voor’ wordt in elk geval verstaan: het naleven van de wet en het uitvoeren van het stelsel van kwaliteitszorg (artikel 47 WVO, BES).
Het stelsel van kwaliteitszorg staat beschreven in het schoolplan (artikel 50, vierde lid, WVO BES). Meer specifiek vraagt de wet dat de school door haar stelsel van Kwaliteitszorg zorg draagt voor de ononderbroken ontwikkeling van leerlingen en de afstemming van het onderwijs op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen. Ook moet worden vastgesteld waar verbetermaatregelen nodig zijn. Deze eisen veronderstellen dat de zorg voor kwaliteit cyclisch, systematisch en planmatig is en ook gericht is op het vasthouden van gerealiseerde kwaliteit. Daarvoor zijn toetsbare doelen nodig, evenals een regelmatige evaluatie van de realisatie van die doelen.
Uit de deugdelijkheidseisen vloeit voort dat het bevoegd gezag/de school de zorg voor kwaliteit vormgeeft op een wijze waarvan mag worden aangenomen dat deze daadwerkelijk leidt tot zicht op de eigen kwaliteit en op relevante verbetermaatregelen. Dat betekent dat de verantwoordelijkheidsverdeling zodanig moet zijn dat de kwaliteitsinformatie bij de relevante personen terechtkomt en dat de verbetermaatregelen daadwerkelijk worden uitgevoerd. De verantwoordelijkheidsverdeling wordt beschreven in het managementstatuut (artikel 79 WVO, BES74De genoemde wetsartikelen zijn per 1 augustus 2018 in werking getreden en vormen derhalve sindsdien een deugdelijkheidseis.).
KA2. Kwaliteitscultuur
Het bestuur en zijn scholen kennen een professionele kwaliteitscultuur en functioneren transparant en integer.
Basiskwaliteit
De handelwijze van het bestuur leidt tot een integere en transparante organisatiecultuur. Iedere betrokkene werkt vanuit zijn eigen rol aan de versterking van de onderwijskwaliteit.
Het bestuur zorgt voor bekwaam en bevoegd personeel op alle scholen en maakt het mogelijk dat het personeel zijn bekwaamheid onderhoudt en de juiste bevoegdheid haalt voor het vak waarvoor het wordt ingezet, wanneer dat nog niet het geval is. De schoolleiding en het team werken gezamenlijk aan een voortdurende verbetering van hun professionaliteit. Leraren houden daarbij rekening met de gestelde bekwaamheidseisen en beroepsprofielen en behaalde resultaten bij leerlingen. Leraren krijgen daartoe voldoende gelegenheid. De wijze waarop ze dit doen, staat helder beschreven in het schoolplan.
Eigen aspecten van kwaliteit
Is er aanvullend beleid over de professionalisering en de kwaliteitscultuur en (hoe) wordt dit beleid gerealiseerd?
11.3. Normering samenwerkingsverbanden
Toelichting wettelijke eisen
IV. Onderzoekskader 2017 voor het toezicht op het middelbaar beroepsonderwijs
Het zodanig inrichten van het onderwijs dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen, het afstemmen van het onderwijs op de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen en het uitvoeren van de verbetermaatregelen op basis van het kwaliteitszorgsysteem, kunnen alleen worden gerealiseerd door personeel dat professioneel is en blijft. In het schoolplan moet een beschrijving van het personeelsbeleid worden opgenomen (artikel 50, derde lid, WVO, BES). Daarmee wordt uitdrukking gegeven aan het feit dat het personeel zijn bekwaamheid onderhoudt en uitbreidt, maar ook aan het feit dat het daarbij gaat om een gezamenlijke verantwoordelijkheid, passend in het beleid van de school. Het bevoegd gezag moet zijn personeel ook daadwerkelijk in staat stellen tot dat onderhoud. In dat kader is ook het bijhouden van de bekwaamheidsdossiers (artikel 88 WVO, BES) van belang. Daar waar nog niet bevoegd wordt lesgegeven, moet het bevoegd gezag afspraken maken die ertoe leiden dat de leraar de juiste bevoegdheid behaalt (artikel 80 WVO, BES).
KA3. Verantwoording en dialoog
Het bestuur en zijn scholen/opleidingen leggen intern en extern toegankelijk en betrouwbaar verantwoording af over doelen en resultaten en voeren daarover actief een dialoog.
Basiskwaliteit
Het bestuur en de scholen hebben tegenspraak georganiseerd. Dit gebeurt in ieder geval door ouders, personeel en leerlingen te betrekken bij beleids- en besluitvorming.
2.2.3. Eenduidig toezicht en toezicht op maat
Eigen aspecten van kwaliteit
Is er aanvullend beleid over de wijze waarop verantwoording wordt afgelegd en (hoe) wordt dit beleid gerealiseerd?
2.2.4. Aansluiten bij verantwoordelijkheid bestuur
De wet gaat ervan uit dat het bestuur verantwoording aflegt in het jaarverslag, onder meer ten behoeve van het interne toezicht (artikel 175, WVO, BES). De wet gaat er ook van uit dat de school in de schoolgids duidelijk aangeeft wat de doelen van het onderwijs zijn en welke resultaten met het onderwijsleerproces worden bereikt (artikel 51, WVO, BES).
In de schoolgids dienen ook de gedane bevindingen te worden opgenomen ten aanzien van het stelsel van Kwaliteitszorg, evenals de maatregelen die naar aanleiding daarvan zijn getroffen (artikel 51, eerste lid, onder i, WVO, BES).
Financieel beheer (FB)
FB1. Continuïteit75In het kader van de evaluatie van de deugdelijkheidseisen in het funderend onderwijs heeft de inspectie geconstateerd dat het aspect van financiële continuïteit beter geborgd zou moeten worden in sectorale wetgeving voor het funderend onderwijs. Het wetsvoorstel Actualisering deugdelijkheidseisen funderend onderwijs (Kamerstukken I 2019-20, 35102, nr. A) bevat een aanpassing op dit gebied en zal leiden tot een uitbreiding of aanpassing van de onder de basiskwaliteit opgenomen elementen en ook handhaving op dit punt is dan mogelijk. Tot (in ieder geval) 1 augustus 2021 richt de inspectie zich nog op haar stimulerende taak op dit gebied en zal alleen een Onvoldoende worden gegeven als een bestuur niet voldoet aan de op dit moment onder de basiskwaliteit opgenomen elementen.
Het bestuur is financieel gezond en kan op korte en langere termijn voldoen aan zijn financiële verplichtingen.
Basiskwaliteit
2.3.1. Versterking examinering
Eigen aspecten van kwaliteit
Is er aanvullend beleid op de continuïteit van het bestuur/de instelling en (hoe) wordt dit beleid gerealiseerd?
2.3.1. Versterking examinering
Toelichting wettelijke eisen
De verplichting voor het bevoegd gezag om een continuïteitsparagraaf aan het jaarverslag toe te voegen vloeit voort uit artikel 4, achtste lid, van de RJO BES. De MR kan artikel 58 WVO BES zelf het initiatief nemen om met het bestuur in gesprek te gaan over ontwikkelingen die de continuïteit van de school/instelling raken.
FB2. Doelmatigheid76De Bekostigingsbesluiten WPO, WEC en WVO bevatten bepalingen die het mogelijk maken de bekostiging lager vast te stellen als is vastgesteld dat sprake is van ondoelmatige aanwending van de bekostiging. Op 23 november 2016 oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2016:3112) dat geen bekostigingssanctie kon worden opgelegd, omdat geen wettelijke basis bestond voor het toepassen van een correctie op de bekostiging wegens ondoelmatige besteding. Om alsnog te voorzien in deze wettelijke basis, worden de bepalingen die zien op doelmatigheid in de Bekostigingsbesluiten naar wetsniveau getild en opgenomen in de sectorwetten van het funderend onderwijs. Dit wordt geregeld in het wetsvoorstel Actualisering deugdelijkheidseisen funderend onderwijs (Kamerstukken I 2019-20, 35 102, nummer A). Tot die tijd richt de inspectie zich op haar stimulerende taak op dit gebied en zal alleen een Onvoldoende worden gegeven als een bestuur niet voldoet aan de op dit moment onder de basiskwaliteit opgenomen elementen.
Het bestuur maakt efficiënt en effectief gebruik van de onderwijsbekostiging.
1.5. Opbouw en leeswijzer
De doelmatige besteding van de onderwijsbekostiging is onderwerp van gesprek met de intern toezichthouder. Hierover vindt verantwoording in het jaarverslag plaats.
3. Het waarderingskader
Toelichting wettelijke eisen
De doelmatige besteding van de onderwijsbekostiging door het bestuur is onderwerp van het toezicht van de intern toezichthouder (artikel 56, eerste lid, onder c, WVO, BES). Over deze taak verantwoordt de intern toezichthouder zich in het jaarverslag (artikel 56, eerste lid, onder e, WVO, BES).
FB3. Rechtmatigheid
2.1. Uitgangspunten van het toezicht en rol van de toezichthouder
Basiskwaliteit
Het bestuur beschikt over de vereiste deskundigheid en handelt integer en transparant. Het legt verantwoording af over de verwerving en besteding, hetgeen vooral wordt beoordeeld door een deskundige als bedoeld in artikel 121, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek BES, die wordt aangesteld door de Raad van Toezicht. Indien de onderwijsinstelling geen Raad van Toezicht heeft, stelt het bestuur de deskundige aan. Deze deskundige opereert volgens beroepsmaatstaven minimaal vergelijkbaar met de beroepsmaatstaven van de NBA en speciaal volgens het Onderwijsaccountantsprotocol dat door de inspectie is opgesteld.
3.2. Opbouw van het waarderingskader
In de sectorwet zijn diverse bepalingen opgenomen waaraan het bestuur zich moet houden bij de verwerving en besteding van de bekostiging. Ingevolge artikel 54, WVO, BES zorgt het bestuur voor een goed bestuurde school. Dat impliceert dat het bestuur deskundig moet zijn.
2.2.1. Waarborg: basiskwaliteit
De jaarverslaggeving dient transparant te zijn (moet een waarheidsgetrouw beeld geven). Titel 9, Boek 2, van het Burgerlijk Wetboek en artikel 3, onder a, van de Regeling Jaarverslaggeving Onderwijs (RJO) en de Richtlijn Jaarverslag Onderwijs alsmede het Onderwijsaccountantsprotocol BES77https://www.onderwijsinspectie.nl/onderwerpen/toezicht-op-financieel-beheer/informatie-onderwijsaccountantsprotocol-ocw-ez-en-bes bevatten voorts tal van nadere regels ten aanzien van een transparante verantwoording respectievelijk de controle daarop door de accountant. Een controleverklaring is verplicht op grond van artikel 2 RJO BES jo. artikel 175, lid 4, WVO BES.
Normering
De inspectie oordeelt in Caribisch Nederland op dezelfde wijze over de standaarden als in Europees Nederland, met uitzondering van de standaarden voor onderwijsresultaten. Voor onderwijsresultaten zijn voor Caribisch Nederland geen normen vastgesteld. Daarnaast geeft de inspectie een eindoordeel op schoolniveau. Het eindoordeel Zeer zwak en ook de waardering Goed kan in Caribisch Nederland nog niet worden gegeven. Het eindoordeel Voldoende of Onvoldoende kan wel worden gegeven.
3.3. Kwaliteitsgebieden en standaarden
Het waarderingskader mbo telt per gebied een aantal standaarden. Bij elke standaard is in het rode vlak geoperationalieerd wat we verstaan onder de basiskwaliteit (wat moeten het bestuur en de opleiding). Daaronder formuleren we een vraag die ruimte geeft voor de bespreking van de eigen aspecten van kwaliteit. Het bestuur en de opleidingen kunnen hier zelf hun onderwerpen benoemen.
Geldig per 1 augustus 2020
INHOUD
OP1. Onderwijsprogramma
Het Onderzoekskader 2017 van de Inspectie van het Onderwijs (hierna: onderzoekskader) beschrijft hoe het toezicht op het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) is ingericht. Het onderzoekskader omvat het waarderingskader en de werkwijze. De inleiding beschrijft allereerst het wettelijk kader dat de grondslag vormt van het toezicht, en vervolgens de reikwijdte en werking van het onderzoekskader.
Kwaliteitsgebied Onderwijsproces
De opleiding biedt een onderwijsprogramma dat is toegespitst op de doelgroep en de beroepspraktijk waartoe de opleiding kwalificeert en diplomeert. Het programma is afgestemd op de onderwijs- en vormingsdoelen van het kwalificatiedossier, de daarbij behorende keuzedelen en eventuele wettelijke beroepsvereisten alsmede op de onderwijs- en vormingsdoelen van de opleiding zelf. Het programma kent een duidelijke opbouw en samenhang, is passend bij de opleidingsduur en er zijn voldoende begeleide onderwijsuren en uren beroepspraktijkvorming. Het verwerven van generieke competenties, waaronder die met betrekking tot loopbaan en burgerschap, maakt deel uit van het programma. Het programma sluit aan bij het voorafgaand onderwijs, bereidt voor op het aanbod van vervolgonderwijs en biedt mogelijkheden voor maatwerk. Het programma is voor studenten tijdig en voor aanvang van de opleiding bekend.
De Wet op het onderwijstoezicht (WOT, 2002) vormt de grondslag voor het toezicht. Krachtens deze wet is het toezicht op het mbo-onderwijs opgedragen aan de inspectie en heeft de inspectie de taak de kwaliteit van het onderwijs te beoordelen en te bevorderen, daaronder begrepen de kwaliteit van het onderwijspersoneel aan instellingen als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) en de Wet educatie en beroepsonderwijs voor Caribisch Nederland (WEB BES).
2.2.4. Aansluiten bij verantwoordelijkheid bestuur
Toelichting wettelijke eisen
Per 1 juli 2017 is de Wet op het onderwijstoezicht (WOT) gewijzigd. Met de wetswijziging maakt de inspectie in haar toezicht onderscheid tussen bij wet geregelde deugdelijkheidseisen en eigen aspecten van kwaliteit van besturen en opleidingen. Deugdelijkheidseisen zijn objectiveerbare, zo veel mogelijk op het niveau van de wet geregelde algemene kwaliteitsnormen, die zodanig helder zijn dat de vrijheid van richting en inrichting gewaarborgd blijven. Deugdelijkheidseisen hebben betrekking op de onderwijskwaliteit, de examinering en het financieel beheer. We vatten dit samen met het begrip ‘basiskwaliteit’.
Een opleiding die niet voldoet aan de deugdelijkheidseisen biedt onderwijs van onvoldoende kwaliteit. Onvoldoende onderwijskwaliteit, onvoldoende examenkwaliteit en/of onvoldoende financieel beheer kan leiden tot sanctionering en in laatste instantie tot ingrijpen door de Minister. Vanuit de waarborgfunctie van het toezicht ziet de inspectie erop toe dat de deugdelijkheidseisen zoals deze in de wet zijn vastgelegd worden nageleefd.
Eigen aspecten van kwaliteit hebben betrekking op de ambities en doelen die een bestuur zichzelf stelt en die verder reiken dan de basiskwaliteit. De inspectie voert het gesprek hierover met opleidingen en besturen en in de rapporten ontstaat zo een volledig beeld van de kwaliteit van een opleiding en/of instelling. In de rapporten maakt de inspectie helder onderscheid tussen oordelen die voortvloeien uit de deugdelijkheidseisen, en bevindingen die gaan over eigen aspecten van kwaliteit.
1.3. Object van toezicht en object van onderzoek
Instellingen als bedoeld in de WEB zijn het object van toezicht. De WEB hanteert daarbij het ‘bevoegd gezag’ ofwel het bestuur van de instelling als aanspreekpunt. Ook opleidingen (crebo’s78Opleidingen omvatten de kwalificaties én de keuzedelen. Kwalificaties staan geregistreerd in het Centraal register beroepsonderwijs en hebben een Crebo-nummer.) zijn object van toezicht. De WEB bevat voorschriften voor de inrichting van opleidingen die het bestuur verzorgt. Dit onderzoekskader gaat daarom onder andere uit van toezicht op bestuurs- en opleidingsniveau. Oordelen met rechtsgevolgen kunnen alleen worden gegeven op het niveau van het object van toezicht, namelijk het bestuur, en op opleidingsniveau (crebo).
2.3.1. Versterking examinering
Basiskwaliteit
Dit gewijzigde onderzoekskader is van kracht met ingang van 1 augustus 2020. Reeds lopende interventies en afspraken die op basis van de vigerende toezichtkaders tot die datum zijn gemaakt, blijven van kracht. Wetsartikelen die bij het schrijven van dit kader nog ontwikkeld moeten worden of nog niet in werking zijn getreden, zijn tussen [haken] geplaatst.
De inspectie heeft conform het voorschrift in de WOT met alle betrokkenen overleg gevoerd over het onderzoekskader. Bij de uitwerking van de deugdelijkheidseisen in het waarderingskader is de inspectie uitgegaan van een redelijke uitleg van de wet. Over deze uitleg is overeenstemming met het onderwijsveld bereikt.
Evaluatie van de werking en de effecten van het onderzoekskader vindt plaats uiterlijk voor 1 januari 2022. De eerste vierjarige cyclus is dan afgerond.Ervaringen met dit onderzoekskader, ontwikkelingen in de samenleving, in de verschillende sectoren of in de politiek kunnen leiden tot een vervroegde bijstelling van (delen van) dit onderzoekskader.
1.5. Opbouw en leeswijzer
Het onderzoekskader omvat de werkwijze en het waarderingskader. De hoofdlijnen van de werkwijze, met name de uitgangspunten, staan beschreven in hoofdstuk 2. Hoofdstuk 3 omvat het waarderingskader. De normering en oordeelsvorming zijn opgenomen in hoofdstuk 4. Hoofdstuk 5, 6 en 7 geven een beschrijving van de werkwijze bij het toezicht op besturen en hun opleidingen. Hoofdstuk 8 beschrijft hoe deze onderzoeken hun neerslag krijgen in de rapporten en hoe de inspectie daarover communiceert. In hoofdstuk 9 staan de interventies en sancties beschreven die uit de inspectie-oordelen kunnen volgen. In hoofdstuk 10 lichten we toe hoe we onze stelselonderzoeken inrichten. Tot slot geven we in hoofdstuk 11 een overzicht van onderwijsvoorzieningen waarvoor specifieke wetgeving geldt en waar het waarderingskader op is aangepast. Het betreft het niet-bekostigd onderwijs, vavo, overige educatie, onderwijs in Caribisch Nederland en exameninstellingen. Voor de volledigheid zijn de waarderingskaders integraal opgenomen in de bijlagen.
De instelling dient daarnaast te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en dit programma zodanig in te richten dat studenten de kwalificatie en de daarbij behorende keuzedelen binnen de vastgestelde studieduur kunnen bereiken (artikel 7.2.7, eerste lid, en 7.4.8, eerste lid, WEB). Dit betekent onder meer dat studenten passend moeten worden geplaatst; zo nodig dient de opleiding hiertoe samen te werken met voorafgaand onderwijs (zie ook artikel 1.3.5, onder b, WEB). Verder betekent dit dat studenten gestructureerde en zorgvuldige begeleiding moet worden geboden, afgestemd op de behoeften van de student en de vereiste competentieontwikkeling (artikel 7.1.2, tweede lid, WEB). Docenten dienen de ontwikkeling van de studenten hiertoe te volgen en regelmatig na te gaan in welke mate de studenten profiteren van het geboden onderwijs.
Het Nederlandse onderwijs presteert steeds beter. Het aantal opleidingen dat Onvoldoende scoort neemt af; (Zeer) zwakke opleidingen slagen er steeds beter in de kwaliteit van het onderwijs op een voldoende niveau te brengen en te houden. Dat is winst. Maar ook opleidingen die voldoende presteren, moeten hun kansen grijpen om zich te verbeteren. Dat is goed voor alle studenten79In dit onderzoekskader wordt de algemene term ‘studenten’ gebruikt voor degenen die in het mbo onderwijs volgen, ook als het volgens de wettelijke definitie gaat om een ‘deelnemer’ (aan educatie) of een ‘vavo-student’. en goed voor onze samenleving.80Toezicht in transitie, Brief aan de Tweede Kamer, 33 905, nr. 1, 2013-2014. Daar ligt in de komende jaren de uitdaging voor alle onderwijssectoren. Het vraagt van besturen dat zij werken aan een kwaliteitscultuur waarbij het voor alle partijen vanzelfsprekend is om continu verbetering na te streven, ook als de kwaliteit op orde is.
3. Het waarderingskader
In dit hoofdstuk beschrijven we de hoofdlijnen van het toezicht: wat willen we met het toezicht bereiken en vanuit welke uitgangspunten opereren we.
Basiskwaliteit
3.1. Wettelijke taken mbo
Meer concreet helpt het onderzoekskader ons bij de taak om te:
Is er aanvullend beleid op de kwaliteit van het didactisch handelen en (hoe) wordt dit gerealiseerd?
Het onderzoekskader is langs de volgende inhoudelijke lijnen opgesteld.
De instelling dient te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en dit programma evenwichtig in te delen (artikel 7.2.7, eerste lid en artikel 7.4.8, eerste lid, WEB). Dit betekent onder meer dat er sprake moet zijn van een evenwichtige verbinding tussen het leren in de beroepspraktijk en het leren op de instelling. Daarnaast dient het programma zodanig te zijn ingericht dat studenten de kwalificatie en de daarbij behorende keuzedelen binnen de vastgestelde studieduur kunnen bereiken (artikel 7.2.7, eerste lid, WEB). Om dit te kunnen realiseren is onder meer vereist dat het docententeam zorgt voor effectieve leersituaties waarbinnen de leerdoelen en -activiteiten zijn gericht op de ontwikkeling van de vereiste competenties (artikel 7.1.2, tweede lid en artikel 7.2.7, vijfde lid, WEB). Tot slot betekent het dat docenten zo nodig moeten kunnen differentiëren tussen groepen en/of individuele studenten (artikel 7.4.8, eerste lid, WEB).
3.2. Opbouw van het waarderingskader
Voor de uitvoering van onze waarborgfunctie is het van belang dat we zicht hebben op de financiële continuïteit van besturen en op risico’s bij opleidingen ten aanzien van de onderwijskwaliteit. We monitoren de prestaties daarom continu en we voeren minimaal jaarlijks per bestuur een prestatieanalyse uit. Daarnaast voeren we eens in de vier jaar een onderzoek uit bij alle besturen en een deel van hun opleidingen. Dit vierjaarlijks onderzoek geeft ons antwoord op de vraag of het bestuur voldoende zorgt voor de onderwijskwaliteit en het financieel beheer. Als uit onze analyse en/of onderzoek blijkt dat een opleiding niet voldoet aan de basiskwaliteit, dan zijn onze interventies erop gericht dat het bestuur ervoor zorg draagt dat de opleiding binnen een aanvaardbare hersteltermijn aan de betreffende deugdelijkheidseisen voldoet. Dit geldt ook voor tekortkomingen die wij op het niveau van het bestuur constateren.
Jaarlijks leggen we in het kader van stelseltoezicht (hoofdstuk 10) in ons jaarwerkplan vast welke deugdelijkheidseisen we bij een of meer sectoren gaan onderzoeken.
De student en het leerbedrijf ontvangen tijdig informatie over de inrichting van de beroepspraktijkvorming. De opleiding draagt zorg voor een geschikte praktijkplaats, begeleidt de student bij de voorbereiding en keuze daarvan en draagt zorg voor de totstandkoming van de praktijkovereenkomst. De opleiding realiseert een evenwichtige verbinding tussen het leren in de beroepspraktijk en het leren op de instelling. Leerdoelen en leeractiviteiten zijn gericht op de ontwikkeling van de competenties van de individuele student in de beroepspraktijk. Er is sprake van passende en gestructureerde leeractiviteiten op de werkplek.
We zijn streng waar het moet en stimulerend waar het kan. Naast de waarborg voor de basiskwaliteit willen we in het mbo de eigen aspecten van besturen en opleidingen meer tot hun recht laten komen.
Binnen de mbo-sector is de afgelopen jaren veel aandacht besteed aan het zicht krijgen op de eigen onderwijskwaliteit en aan het doelgericht doorvoeren van verbeteringen. Door van elkaar te leren binnen kwaliteitsnetwerken ontstaat een gezamenlijk beeld over definities van ‘goed onderwijs’ en de wijze waarop dit door collega-instellingen kan worden beoordeeld (peer reviews). De sector laat zien dat hij de continue verbetering en borging van de onderwijskwaliteit als zijn verantwoordelijkheid ziet en wil daar in gezamenlijkheid vorm aan geven.
We sluiten met ons toezicht daar als volgt op aan: op basis van een oordeel over de naleving van de deugdelijkheidseisen komen we tot een Voldoende of Onvoldoende. Bij de waardering Goed worden naast de deugdelijkheidseisen ook de eigen aspecten van kwaliteit betrokken. Als een bestuur of opleiding voldoet aan de basiskwaliteit, dan kijken we naar de doelen en ambities die bestuur en opleidingen zelf formuleren en hoe zij deze realiseren. Informatie over de realisatie van die doelen is idealiter afkomstig van onafhankelijke deskundigen. We willen het bestuur en de opleidingen stimuleren om zelf vast te stellen of onderwijs wordt geboden dat de kwalificatie Goed verdient. Als besturen en opleidingen daarin slagen, dan kunnen wij die informatie in ons rapport opnemen als een goede praktijk.
3.3. Kwaliteitsgebieden en standaarden
Onze stimulerende rol is ook merkbaar in de stijl van onze gesprekken met opleidingen en besturen. We geven ruimte aan opleidingen om hun visie en ambities en de wijze waarop zij deze op eigen wijze vertalen in hun onderwijspraktijk, bij aanvang van het onderzoek te presenteren. Na afronding van het onderzoek organiseren we zogenoemde feedbackgesprekken. Daarmee krijgen opleidingen en besturen aan de hand van eigen casuïstiek meer inzicht in onze oordeelsvorming en dit biedt hun concrete aanknopingspunten voor verbeteringen. Tot slot komt onze stimuleringsfunctie tot uiting in onze rapporten. Waar niet wordt voldaan aan de deugdelijkheidseisen, vermelden we dit in onze rapporten; dit doen we echter ook als we goede praktijken aantreffen. Op deze manier geven we een evenwichtig beeld van de kwaliteit zoals we die hebben aangetroffen.
De instelling dient de studenten tijdig voor aanvang van de opleiding over de inrichting van de beroepspraktijkvorming (bpv) te informeren (artikel 7.4.8, tweede lid, WEB). De instelling heeft verder de taak zorg te dragen voor de beschikbaarheid van een geschikte praktijkplaats en de student te begeleiden bij het vinden daarvan (artikel 7.2.9, eerste lid, WEB). Vervolgens dient de instelling zorg te dragen voor de totstandkoming van de praktijkovereenkomst (artikel 7.2.9, eerste lid, WEB).
Kwaliteitsgebied Onderwijsproces
Als een bestuur werkt met een gemeenschap van mbo-colleges dan is dat van invloed op de inrichting van onze onderzoeken. Zo zullen we in voorkomende situaties ook collegedirecteuren in onze onderzoeken betrekken. Eventuele interventies in het kader van herstel van naleving van de deugdelijkheidseisen worden aan het bestuur geadresseerd. Het maatwerk dat we nastreven betreft niet alleen de aansluiting op de organisatie van het onderwijs, maar ook op de verantwoording van de onderwijskwaliteit door het bestuur.
Indien de instelling en de SBB na het sluiten van de praktijkovereenkomst vaststellen dat de bpv niet naar behoren zal kunnen plaatsvinden, bevordert de instelling in overleg met SBB dat een toereikende vervangende voorziening beschikbaar wordt gesteld (artikel 7.2.9, tweede lid, WEB). Hiervoor is samenwerking met SBB vereist, hetgeen tevens van belang is om de SBB in staat te stellen zorg te dragen voor een goede kwaliteit van de bpv-plaatsen (zie met betrekking tot deze taak van SBB ook artikel 7.2.10 WEB).
Het bestuur is verantwoordelijk voor de kwaliteit en de continuïteit van het onderwijs. Elk bestuur heeft zijn eigen proces om de onderwijskwaliteit te waarborgen en te ontwikkelen; dat specifieke eigen proces is voor ons uitgangspunt in het toezicht.
Parallel aan de jaarlijkse prestatieanalyse voeren we eens in de vier jaar een bestuursgericht onderzoek uit naar de kwaliteitszorg en het financieel beheer door het bestuur. We kijken in de eerste plaats of het bestuur de onderwijskwaliteit goed in beeld heeft, daarbij zo nodig verbeteringen doorvoert en of de financiën op orde zijn. We voeren een zogenoemd verificatieonderzoek uit als onderdeel van het vierjaarlijks onderzoek. We doen dit bij een selectie van opleidingen en op deze manier geeft het onderzoek ons inzicht in de kwaliteit van het onderwijs bij de onderzochte opleidingen en het financieel beheer bij de betreffende besturen. Daarbij kijken we ook of het bestuur oog heeft voor het belang van kleinschalig en herkenbaar onderwijs voor zijn studenten. We voeren ook onderzoek uit bij enkele risico-opleidingen en goede opleidingen; dit laatste kan op eigen verzoek van het bestuur (paragraaf 5.2.4).
Besturen hebben veel kennis en informatie over hun opleidingen, en opleidingen houden zelf veelsoortige informatie bij om zicht te houden op de eigen onderwijskwaliteit en hun financieel beheer. In ons toezicht sluiten we aan bij deze eigen informatie.
Naarmate besturen en opleidingen een beter proces van aansturing en borging hanteren, bieden zij meer betrouwbare informatie over de kwaliteit van hun onderwijs. We geven dan vertrouwen en meer ruimte. Daar waar besturen en intern toezicht goed functioneren, kan de samenleving er immers op vertrouwen dat de kwaliteit wordt gewaarborgd. In gevallen dat de basiskwaliteit niet op orde is en het bestuur niet bij machte blijkt om hier verandering in te brengen, passen we ons toezicht daarop aan. We vatten dit samen in ‘passend toezicht’: minder toezicht waar het kan, meer waar het moet.
De examencommissie stelt op objectieve en deskundige wijze vast of een deelnemer voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een diploma, een certificaat of een instellingsverklaring. De examencommissie bewaakt, monitort en analyseert de kwaliteit van de exameninstrumenten, van de afname en beoordeling en van de diplomering, en ziet in voorkomende gevallen toe op de realisatie van verbetermaatregelen. De examencommissie borgt in alle fasen van de examinering de deskundigheid van de betrokken personen. Het beroepenveld is betrokken bij de examinering. De examencommissie stelt jaarlijks een verslag op over de examenkwaliteit per opleiding aan de hand van de examenstandaarden en over haar werkzaamheden. Het onafhankelijk en deskundig functioneren van de examencommissie is voldoende gewaarborgd door het bevoegd gezag.
De mbo-sector is continu in beweging en in het toezicht sluiten we daar zo goed mogelijk op aan. We noemen hieronder een aantal ontwikkelingen die (op termijn) tot wetswijzigingen leiden en/of bij de invoering van het onderzoekskader van invloed zijn op de uitvoering van het toezicht.
Is er aanvullend beleid op de kwaliteit van de examencommissie en (hoe) wordt dit gerealiseerd?
De examencommissie speelt een essentiële rol bij de borging van de kwaliteit van de examinering en diplomering van studenten. Per 1 augustus 2017 zijn de taken en bevoegdheden van de examencommissies in het mbo aangescherpt en is de examencommissie een aantal nieuwe taken toegewezen. Dit geldt ook voor de taken en bevoegdheden van het bevoegd gezag ten aanzien van de examencommissie.
De wetswijziging heeft ertoe geleid dat wij in het onderzoekskader de kwaliteitsborging van de examencommissie een prominentere plaats hebben gegeven. We beoordelen primair of de examencommissie zorg draagt voor de kwaliteitsborging van het instrumentarium, de afname en beoordeling en de diplomering. Afhankelijk van dit oordeel richten we het onderzoek naar examinering en diplomering proportioneel in. Dat betekent: beperkte verificatie waar het kan, volledig onderzoek waar het moet. Daarmee denken we een extra impuls te leveren aan de verdere ontwikkeling van een interne kwaliteitscultuur die voorwaardelijk is voor een duurzame kwaliteitsborging van de examinering en diplomering. We hanteren deze werkwijze vanaf de inwerkingtreding van het onderzoekskader.
Invoering 2016-2020
Vanaf 1 augustus 2017 moeten opleidingen voldoen aan de nieuwe eisen ten aanzien van de examencommissie. Bij de beoordeling van de drie examenstandaarden hanteren we de werkwijze zoals hiervoor beschreven: de examencommissie vormt het vertrekpunt voor ons toezicht. Afhankelijk van ons oordeel over het functioneren van de examencommissie bepalen we hoe we onderzoeken of ook beide andere standaarden van voldoende kwaliteit zijn. We verwachten echter dat een volledig inspectieonderzoek naar de examenkwaliteit, gericht op de kwaliteit van het exameninstrumentarium én de afname/beoordeling, vooralsnog vaker aan de orde zal zijn dan een beperkte verificatie van de borging door de examencommissie. Naarmate de beleidsmatige invoering succesvol verloopt, zal het toezicht daarop worden afgestemd. We beperken ons dan dus tot verificatie.
Keurmerk/certificering examenleveranciers
Bij de beoordeling van de kwaliteit van de exameninstrumenten van opleidingen, gaan we de werking van de keurmerken/certificering de komende jaren nauwlettend volgen. Ook als verificatie op grond van het functioneren van de examencommissie in principe zou voldoen, kijken we in de eerste jaren of het keurmerk door de certificerende autoriteit terecht is afgegeven. We betrekken dan externe deskundigen bij de beoordeling van het exameninstrumentarium.
Indien ons oordeel over een exameninstrument van een opleiding Onvoldoende is, dan blijft het oordeel van de inspectie bepalend voor de betreffende opleiding. We gaan dan met de keurmerk verlenende autoriteit in overleg over onze constateringen voortvloeiend uit ons toezicht op de opleidingen. Indien ons oordeel over een exameninstrument van een opleiding Voldoende is, is het mogelijk dat wij in het vervolg geen diepgaand onderzoek meer hoeven te doen in het geval we hetzelfde exameninstrument wederom of bij een andere opleiding tegenkomen. We verwachten dat we met deze werkwijze bijdragen aan het groeiend vertrouwen in de keurmerken/certificaten.
Is er aanvullend beleid op de kwaliteit van het exameninstrumentarium en (hoe) wordt dit gerealiseerd?
Innovatie verandert de economie en de samenleving steeds sneller en ingrijpender. Ook wordt de dynamiek op de arbeidsmarkt steeds groter. De mbo-instellingen zullen – samen met het beroepenveld – snel moeten inspelen op actuele ontwikkelingen in de maatschappij en op de arbeidsmarkt. Samenwerking van mbo-instellingen met het landelijk georganiseerde en het regionale of lokale bedrijfsleven is belangrijk om de aansluiting van het onderwijs op de beroepspraktijk zo soepel mogelijk te laten verlopen. Een actieve dialoog tussen mbo-instellingen en het beroepenveld is daarvoor nodig.
In de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) werken beroepsonderwijs en bedrijfsleven samen om studenten een goede praktijkopleiding te bieden met uitzicht op een baan. Bedrijven krijgen zo de vakmensen die ze (nu en straks) nodig hebben.
De inspectie is belast met het toezicht op de uitoefening van de wettelijke taken als bedoeld in de WEB (artikel 1.5.1) en in samenhang daarmee de WVO (artikel 10b4) door SBB. De werkwijze en het waarderingskader zijn separaat in een onderzoekskader vastgelegd. Het onderzoekskader SBB is van kracht per 1 augustus 2016. Mbo-instellingen en SBB kennen een onderlinge afhankelijkheid met betrekking tot de kwaliteit van de kwalificatiestructuur en kwalificatiedossiers, en de kwaliteit van de beroepspraktijkvorming. De wijze waarop mbo-instellingen enerzijds en SBB anderzijds deze wederzijdse afhankelijkheid benutten, vormt voor ons onderwerp van toezicht. Zo zullen we signalen van onderwijsinstellingen over kwalificatiedossiers, beroepspraktijkvorming, erkenning leerbedrijven, en over de rol van SBB in het algemeen, bij ons toezicht op SBB betrekken.
De inrichting en uitvoering van het examenproces van afname en beoordeling zijn deugdelijk.
In dit hoofdstuk beschrijven we het waarderingskader mbo. Na een samenvatting van de wettelijke taken van het middelbaar beroepsonderwijs (paragraaf 3.1) beschrijven we de opbouw van het kader in paragraaf 3.2. In paragraaf 3.3 is vervolgens het waarderingskader opgenomen. In de laatste paragraaf (3.4) gaan we in op de overige wettelijke vereisten.
In hoofdstuk 11 geven we een overzicht van onderwijsvoorzieningen waarvoor specifieke wetgeving geldt en waar het waarderingskader op is aangepast. Het betreft het niet-bekostigd onderwijs, vavo, overige educatie, onderwijs in Caribisch Nederland en exameninstellingen. Voor de volledigheid zijn deze waarderingskaders integraal opgenomen in de bijlagen.
Eigen aspecten van kwaliteit
Op grond van artikel 1.2.1 van de WEB heeft het mbo drie doelstellingen:
Op grond van artikel 1.3.5 van de WEB dienen instellingen daarbij zorg te dragen voor de toegankelijkheid van het onderwijs, het aanbieden van doelmatige leerwegen en het bieden van mogelijkheden voor loopbaanoriëntatie en -begeleiding. Vervolgens geeft de WEB verplichtingen waar het bestuur van de instelling aan moet voldoen; deze worden in het waarderingskader geoperationaliseerd. De basis voor het waarderingskader is hoofdzakelijk gelegen in de hierna volgende wettelijke vereisten.
Het bestuur moet:
SCHOOLKLIMAAT (SK)
In het waarderingskader onderscheiden we zes kwaliteitsgebieden: Onderwijsproces, Examinering en diplomering, Schoolklimaat, Onderwijsresultaten, Kwaliteitszorg en ambitie, en Financieel beheer.
Met het waarderingskader krijgen we antwoord op de drie elementaire vragen over de betekenis van het onderwijs voor studenten: leren ze genoeg (Onderwijsresultaten en Examinering en diplomering), krijgen ze goed les (Onderwijsproces) en zijn ze veilig (Schoolklimaat). De standaarden in deze gebieden geven de kern van het onderwijs weer zoals de student dat ontvangt. De gebieden Kwaliteitszorg en ambitie en Financieel beheer zijn voorwaardelijk voor (het voortbestaan van) de kwaliteit. We definiëren onderwijskwaliteit dan ook als het geheel van de prestaties van de opleiding op deze gebieden.
Iedere standaard binnen het kwaliteitsgebied is op basis van de betreffende deugdelijkheidseisen geoperationaliseerd.
Specifieke toepassingen van het waarderingskader
Specifieke wet- en regelgeving die betrekking heeft op onderwijsvoorzieningen zoals genoemd in paragraaf 1.1, vertalen we ook in een waarderingskader. Een overzicht van deze specifieke onderwijsvormen is met verantwoording van het wettelijk kader opgenomen in hoofdstuk 11. De betreffende waarderingskaders zijn voor de volledigheid integraal opgenomen in de bijlagen.
Het waarderingskader middelbaar beroepsonderwijs kent de volgende opbouw:82De waarderingskaders zijn in alle sectoren zo veel mogelijk gelijk. Voor de kwaliteitsgebieden worden in alle sectoren dezelfde lettercodes gehanteerd. De nummering voor de standaarden loopt niet altijd door, omdat de sectoren verschillen in de uitwerking van de kwaliteitsgebieden, en soms ook in het aantal standaarden dat een kwaliteitsgebied omvat.
Toelichting wettelijke eisen
Het waarderingskader mbo telt per gebied een aantal standaarden. Bij elke standaard is in het rode vlak geoperationaliseerd wat we verstaan onder de basiskwaliteit (wat moeten het bestuur en de opleiding). Daaronder formuleren we een vraag die ruimte geeft voor de bespreking van de eigen aspecten van kwaliteit. Het bestuur en de opleidingen kunnen hier zelf hun onderwerpen benoemen.
Ter verantwoording van de operationalisering van de basiskwaliteit geven we tot slot per standaard een toelichting op de wettelijke eisen die op de standaard van toepassing zijn.
Tot slot dient het onderwijsprogramma ook de competenties met betrekking tot burgerschap te omvatten (artikel 7.1.2, tweede lid, WEB en zie hiervoor ook artikel 17a, derde lid, WEB en bijlage 1 van het Examen- en kwalificatiebesluit beroepsopleidingen WEB). Hier kan geen goede invulling aan worden gegeven als het personeel en de studenten denkbeelden uitdragen die niet in lijn zijn met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat.
SK2. Leerklimaat
OP1. Onderwijsprogramma
Het onderwijsprogramma bereidt de studenten voor op beroepspraktijk, vervolgonderwijs en samenleving.
Kwaliteitsgebied Examinering en diplomering
De opleiding biedt een onderwijsprogramma dat is toegespitst op de doelgroep en de beroepspraktijk waartoe de opleiding kwalificeert en diplomeert. Het programma is afgestemd op de onderwijs- en vormingsdoelen van het kwalificatiedossier, de daarbij behorende keuzedelen en eventuele wettelijke beroepsvereisten alsmede op de onderwijs- en vormingsdoelen van de opleiding zelf. Het programma kent een duidelijke opbouw en samenhang, is passend bij de opleidingsduur en er zijn voldoende begeleide onderwijsuren en uren beroepspraktijkvorming. Het verwerven van generieke competenties, waaronder die met betrekking tot loopbaan en burgerschap, maakt deel uit van het programma. Het programma sluit aan bij het voorafgaand onderwijs, bereidt voor op het aanbod van vervolgonderwijs en biedt mogelijkheden voor maatwerk. Het programma is voor studenten tijdig en voor aanvang van de opleiding bekend.
Eigen aspecten van kwaliteit
Is er aanvullend beleid op de kwaliteit van het onderwijsprogramma en (hoe) wordt dit gerealiseerd?
Toelichting wettelijke eisen
Het toezicht richt zich bij de standaard Onderwijsprogramma zowel op de geprogrammeerde inrichting van de opleiding als op de feitelijke uitvoering daarvan.
De instelling dient te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma (artikel 7.4.8, eerste lid, WEB). Het programma dient te zijn gebaseerd op de onderwijs- en vormingsdoelen van het kwalificatiedossier, de daarbij behorende keuzedelen en eventuele wettelijke beroepsvereisten alsmede op de onderwijs- en vormingsdoelen van de opleiding zelf (artikel 7.1.2, tweede lid, artikel 7.2.6, tweede lid, en artikel 7.2.7, vijfde lid, WEB). Het kwalificatiedossier omvat onder andere generieke competenties (zie voor die met betrekking tot loopbaan en burgerschap ook artikel 17a, derde lid, WEB en bijlage 1 van het Examen- en kwalificatiebesluit beroepsopleidingen WEB).
Daarnaast dient het programma zodanig te zijn ingericht dat studenten de kwalificatie en de daarbij behorende keuzedelen binnen de vastgestelde studieduur kunnen bereiken (artikel 7.2.7, eerste lid, WEB). Dit betekent onder meer dat het programma dient te zijn toegespitst op de doelgroep en zo nodig ook in maatwerk voor individuele studenten dient te voorzien (artikel 7.2.7, eerste lid en artikel 7.4.8, eerste lid, WEB). Het programma dient verder evenwichtig te zijn ingedeeld en voldoende uren begeleide onderwijstijd en beroepspraktijkvorming te omvatten (artikel 7.2.7 WEB). Instellingen dienen daarbij zorg te dragen voor het aanbieden van doelmatige leerwegen, onder andere door ervoor te zorgen dat de opleiding aansluit op voorafgaand onderwijs, vervolgonderwijs en arbeidsmarkt (artikel 1.3.5, onder b, WEB).
De studenten moeten tijdig voor aanvang van de opleiding bekend zijn met het programma door middel van een daartoe vastgestelde onderwijs- en examenregeling (artikel 7.4.8, tweede lid, WEB).
OP2. Ontwikkeling en begeleiding
De opleiding volgt de ontwikkeling van de studenten met als doel het onderwijs voor hen vorm te geven en passende begeleiding en extra ondersteuning te bieden.
Basiskwaliteit
Studenten worden voorafgaand aan de aanmelding zodanig voorgelicht dat zij in staat zijn een passende opleiding te kiezen en worden na de aanmelding passend geplaatst en begeleid. De opleiding werkt hiertoe zo nodig samen met voorafgaand onderwijs. De voortgangsbegeleiding is gestructureerd en zorgvuldig en is afgestemd op de behoeften van de student en de vereiste competentieontwikkeling. De opleiding stelt de student in staat de opleiding op het vereiste niveau en binnen de geprogrammeerde tijd te behalen. Docenten gaan regelmatig na in welke mate de studenten profiteren van het geboden onderwijs en hoe hun ontwikkeling verloopt. Zij analyseren de oorzaken bij afwijkende prestaties. Er is een ondersteuningsaanbod voor studenten met extra ondersteuningsbehoeften en de opleiding informeert studenten (en ouders) volledig en tijdig over de mogelijkheden voor extra ondersteuning.
Eigen aspecten van kwaliteit
Is er aanvullend beleid op de kwaliteit van de ontwikkeling en begeleiding en (hoe) wordt dit gerealiseerd?
Toelichting wettelijke eisen
De instelling dient aspirant-studenten zodanige informatie te verstrekken dat zij in staat zijn een passende opleiding te kiezen (artikel 6.1.3a, eerste lid, WEB). Tijdig83Onder ‘tijdig’ verstaan wij hier uiterlijk 1 april voorafgaand aan het studiejaar. aangemelde aspirant-studenten hebben desgevraagd recht op studiekeuzeadvies mits zij deelnemen aan de intakeactiviteiten die de instelling daartoe organiseert (artikel 8.0.4 WEB).
De instelling dient daarnaast te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en dit programma zodanig in te richten dat studenten de kwalificatie en de daarbij behorende keuzedelen binnen de vastgestelde studieduur kunnen bereiken (artikel 7.2.7, eerste lid, en 7.4.8, eerste lid, WEB). Dit betekent onder meer dat studenten passend moeten worden geplaatst; zo nodig dient de opleiding hiertoe samen te werken met voorafgaand onderwijs (zie ook artikel 1.3.5, onder b, WEB). Verder betekent dit dat studenten gestructureerde en zorgvuldige begeleiding moet worden geboden, afgestemd op de behoeften van de student en de vereiste competentieontwikkeling (artikel 7.1.2, tweede lid, WEB). Docenten dienen de ontwikkeling van de studenten hiertoe te volgen en regelmatig na te gaan in welke mate de studenten profiteren van het geboden onderwijs.
De instelling dient in een ondersteuningsaanbod te voorzien voor studenten met een extra ondersteuningsbehoefte en de studenten tijdig en volledig hierover te informeren (artikel 7.4.8, tweede lid, en zie ook artikel 1.3.5, onder a, WEB). In de onderwijsovereenkomst moeten in voorkomende gevallen bepalingen worden opgenomen die de extra ondersteuning betreffen (artikel 8.1.3, derde lid, onder g, WEB).
OP3. Didactisch handelen
Het didactisch handelen van het docententeam stelt studenten in staat tot leren en ontwikkelen.
Basiskwaliteit
De didactische aanpak van het docententeam is passend voor het niveau van het kwalificatiedossier. Het team zorgt voor effectieve leersituaties; leerdoelen en gestructureerde leeractiviteiten zijn gericht op de ontwikkeling van de competenties. Het team realiseert een evenwichtige verbinding tussen het leren in de beroepspraktijk en het leren op de instelling. Docenten stemmen hun aanpak af op de behoeften van groepen en individuele studenten, zodat deze actief en betrokken zijn.
Eigen aspecten van kwaliteit
Is er aanvullend beleid op de kwaliteit van het didactisch handelen en (hoe) wordt dit gerealiseerd?
Toelichting wettelijke eisen
Kwaliteitsgebied Schoolklimaat
OP7. Beroepspraktijkvorming
De voorbereiding, uitvoering en begeleiding van de beroepspraktijkvorming zijn doeltreffend.
Basiskwaliteit
De student en het leerbedrijf ontvangen tijdig informatie over de inrichting van de beroepspraktijkvorming. De opleiding draagt zorg voor een geschikte praktijkplaats, begeleidt de student bij de voorbereiding en keuze daarvan en draagt zorg voor de totstandkoming van de praktijkovereenkomst. De opleiding realiseert een evenwichtige verbinding tussen het leren in de beroepspraktijk en het leren op de instelling. Leerdoelen en leeractiviteiten zijn gericht op de ontwikkeling van de competenties van de individuele student in de beroepspraktijk. Er is sprake van passende en gestructureerde leeractiviteiten op de werkplek.
De opleiding zorgt ervoor dat het leerbedrijf de student op de afgesproken wijze begeleidt. De opleiding volgt de voortgang van de student, stuurt zo nodig bij en werkt hiertoe samen met het leerbedrijf. De opleiding beoordeelt deugdelijk of de student de beroepspraktijkvorming met een positieve beoordeling heeft voltooid.
De opleiding initieert en onderhoudt contacten met het (regionaal) bedrijfsleven met als doel de beroepspraktijk in de opleiding te verankeren. De instelling werkt samen met SBB om ervoor te zorgen dat de praktijkplaatsen adequaat zijn.
Eigen aspecten van kwaliteit
Is er aanvullend beleid op de kwaliteit van de beroepspraktijkvorming en (hoe) wordt dit gerealiseerd?
Toelichting wettelijke eisen
De instelling dient de studenten tijdig voor aanvang van de opleiding over de inrichting van de beroepspraktijkvorming (bpv) te informeren (artikel 7.4.8, tweede lid, WEB). De instelling heeft verder de taak zorg te dragen voor de beschikbaarheid van een geschikte praktijkplaats en de student te begeleiden bij het vinden daarvan (artikel 7.2.9, eerste lid, WEB). Vervolgens dient de instelling zorg te dragen voor de totstandkoming van de praktijkovereenkomst (artikel 7.2.9, eerste lid, WEB).
De instelling dient daarnaast te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en dit programma evenwichtig in te delen (artikel 7.2.7, eerste lid en artikel 7.4.8, eerste lid, WEB). Dit betekent onder meer dat er sprake moet zijn van een evenwichtige verbinding tussen het leren in de beroepspraktijk en het leren op de instelling. Om de beroepspraktijk in de opleiding te verankeren dient de instelling ook contacten met het (regionaal) bedrijfsleven te onderhouden. Verder betekent dit dat passende en gestructureerde leeractiviteiten op de werkplek moeten worden geboden, gebaseerd op (het tijdens de bpv te behalen deel van) de kwalificatie of de bijbehorende keuzedelen (artikel 7.1.2, tweede lid en artikel 7.2.8, tweede lid, onder c, WEB).
De praktijkovereenkomst dient afspraken te bevatten over de begeleiding en beoordeling van de student, maar de instelling blijft eindverantwoordelijk voor de kwaliteit van de opleiding als geheel (artikel 7.2.8, tweede en derde lid en artikel 7.2.9 WEB). De instelling dient daarom regelmatig na te gaan of de afspraken worden nagekomen en zal zo nodig moeten bijsturen. Verder dient zij deugdelijk te beoordelen of de student de bpv met een positieve beoordeling heeft voltooid (artikel 7.2.8, derde lid en artikel 7.4.8, eerste lid, WEB). Hiervoor is samenwerking met het leerbedrijf vereist.
Indien de instelling en de SBB na het sluiten van de praktijkovereenkomst vaststellen dat de bpv niet naar behoren zal kunnen plaatsvinden, bevordert de instelling in overleg met SBB dat een toereikende vervangende voorziening beschikbaar wordt gesteld (artikel 7.2.9, tweede lid, WEB). Hiervoor is samenwerking met SBB vereist, hetgeen tevens van belang is om de SBB in staat te stellen zorg te dragen voor een goede kwaliteit van de bpv-plaatsen (zie met betrekking tot deze taak van SBB ook artikel 7.2.10 WEB).
Is er aanvullend beleid op de kwaliteitscultuur en (hoe) wordt dit beleid gerealiseerd?
Toelichting wettelijke eisen
ED1. Kwaliteitsborging examinering en diplomering
De examencommissie borgt deugdelijke examinering en diplomering.
Basiskwaliteit
De examencommissie stelt op objectieve en deskundige wijze vast of een student voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een diploma, een certificaat of een instellingsverklaring. De examencommissie bewaakt, monitort en analyseert de kwaliteit van de exameninstrumenten, van de afname en beoordeling en van de diplomering, en ziet in voorkomende gevallen toe op de realisatie van verbetermaatregelen. De examencommissie borgt in alle fasen van de examinering de deskundigheid van de betrokken personen. Het beroepenveld is betrokken bij de examinering. De examencommissie stelt jaarlijks een verslag op over de examenkwaliteit per opleiding aan de hand van de examenstandaarden en over haar werkzaamheden. Het onafhankelijk en deskundig functioneren van de examencommissie is voldoende gewaarborgd door het bevoegd gezag.
Kwaliteitsgebied Onderwijsresultaten
Is er aanvullend beleid op de kwaliteit van de examencommissie en (hoe) wordt dit gerealiseerd?
Toelichting wettelijke eisen
De drie standaarden op het gebied van Examinering en diplomering en de bijbehorende normering in dit waarderingskader komen overeen met de standaarden en de normering in de Regeling standaarden examenkwaliteit mbo 2017.
ED2. Exameninstrumentarium
Het exameninstrumentarium sluit aan op de uitstroomeisen en voldoet aan de toetstechnische eisen.
Basiskwaliteit
Het exameninstrumentarium dekt de eisen van de kwalificatie. Dit geldt ook voor de eisen van het keuzedeel of de keuzedelen van de opleiding van de betreffende student.84Dit geldt voor opleidingen waarvan het eerste studiejaar is gestart op of na 1 augustus 2016. De examenvormen zijn afgestemd op de exameninhoud. Het exameninstrumentarium heeft een passende taakcomplexiteit. Het instrumentarium maakt evenwichtige waardering mogelijk en doet recht aan de kerntaken, werkprocessen en overige vereisten uit het kwalificatiedossier en die van de keuzedelen. De cesuur ligt op het niveau waarop de student aan de eisen voldoet. Het beoordelingsvoorschrift maakt objectieve beoordeling mogelijk.
Eigen aspecten van kwaliteit
Is er aanvullend beleid op de kwaliteit van het exameninstrumentarium en (hoe) wordt dit gerealiseerd?
Toelichting wettelijke eisen
De drie standaarden op het gebied van Examinering en diplomering en de bijbehorende normering in dit waarderingskader komen overeen met de standaarden en de normering in de Regeling standaarden examenkwaliteit mbo 2017.
ED3. Afname en beoordeling
De inrichting en uitvoering van het examenproces van afname en beoordeling zijn deugdelijk.
Basiskwaliteit
De afnamecondities en beoordelingen zijn voor studenten gelijkwaardig. De condities doen recht aan de context van het toekomstig beroep; onderdelen van het examen vinden in de (reële) beroepspraktijk plaats. De beoordeling levert betrouwbare uitkomsten op, vindt deskundig plaats en is gericht op een passende balans in vereiste kennis, houding en vaardigheden. De inrichting van het examen, de planning van de examenperiodes, de beoordelingswijze en de procedure voor beroep en bezwaar zijn tijdig voor studenten beschikbaar en voor alle betrokkenen transparant en eenduidig.
Eigen aspecten van kwaliteit
Is er aanvullend beleid op de kwaliteit van de afname en beoordeling en (hoe) wordt dit gerealiseerd?
Toelichting wettelijke eisen
Kwaliteitsgebied Kwaliteitszorg en ambitie
Basiskwaliteit
Het bestuur besteedt de onderwijsbekostiging zo dat deze adequaat ten goede komt aan de in het beleid geformuleerde ambities inzake effectief onderwijs en de ontwikkeling van alle studenten.
SK1. Veiligheid
De opleiding zorgt voor een veilige en respectvolle omgeving voor studenten.
Basiskwaliteit
De opleiding zorgt voor een fysiek en sociaal veilige omgeving voor haar studenten. De opleiding handelt effectief bij signalen die de sociale en fysieke veiligheid bedreigen. De uitingen van personeel zijn in lijn met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en dit wordt ook van de studenten verwacht.
Eigen aspecten van kwaliteit
Is er aanvullend beleid op de veiligheid en (hoe) wordt dit gerealiseerd?
Toelichting wettelijke eisen
De instelling dient te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering (artikel 7.4.8, eerste lid, WEB). Daarnaast dient de instelling een stelsel van kwaliteitszorg in te richten en daarbij onder andere het oordeel van de studenten te betrekken (artikel 1.3.6 WEB). Gezien het voorgaande mag van de instelling worden verwacht dat zij inzicht heeft in de fysieke en sociale veiligheid(sbeleving) van de studenten, hier beleid op voert en effectief handelt bij signalen die de sociale en/of fysieke veiligheid bedreigen (zie ook artikel 8a.2.2, derde lid, onder k, WEB). Immers, bij gebrek aan fysieke en/of sociale veiligheid zal zowel het geven als ontvangen van goed onderwijs worden belemmerd.
De verantwoordelijkheid van de instelling hiervoor volgt tevens uit artikel 7.2.7 (en de systematiek) van de WEB, nu het onderwijsprogramma onder toezicht en verantwoordelijkheid van de instelling wordt verzorgd en de begeleide onderwijsuren onder verantwoordelijkheid en met actieve betrokkenheid van het onderwijspersoneel moeten worden gegeven (zie artikel 7.2.7, vijfde en zesde lid, WEB).
Tot slot dient het onderwijsprogramma ook de competenties met betrekking tot burgerschap te omvatten (artikel 7.1.2, tweede lid, WEB en zie hiervoor ook artikel 17a, derde lid, WEB en bijlage 1 van het Examen- en kwalificatiebesluit beroepsopleidingen WEB). Hier kan geen goede invulling aan worden gegeven als het personeel en de studenten denkbeelden uitdragen die niet in lijn zijn met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat.
SK2. Leerklimaat
De opleiding kent een ondersteunend en stimulerend leerklimaat.
Basiskwaliteit
De opleiding creëert een stimulerend pedagogisch leerklimaat, dat ondersteunend is voor de cognitieve en sociale ontwikkeling en dat bevorderlijk is voor het welbevinden van studenten. De opleiding hanteert duidelijke regels.
Eigen aspecten van kwaliteit
Is er aanvullend beleid op de kwaliteit van het leerklimaat en (hoe) wordt dit gerealiseerd?
Toelichting wettelijke eisen
De instelling dient te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering (artikel 7.4.8, eerste lid, WEB). Dit houdt tevens in dat er sprake moet zijn van een stimulerend pedagogisch leerklimaat, hetgeen onontbeerlijk is voor goed onderwijs aan studenten, alsmede de vereiste cognitieve en sociale ontwikkeling (artikel 7.1.2, tweede lid, WEB). Tot slot dient de instelling een studentenstatuut op te stellen waarin de rechten en plichten van de studenten zijn opgenomen, onder andere zodat het personeel duidelijke regels kan hanteren (artikel 7.4.8, vierde lid, WEB).
Of een standaard als Voldoende of Onvoldoende wordt beoordeeld, is alleen gebaseerd op de vraag of het bestuur/de opleiding voldoet aan de deugdelijkheidseisen. Voor de waardering GGoed worden de eigen aspecten van kwaliteit93Een eigen aspect van kwaliteit kan ook zijn: de ambitie om uit te stijgen boven de basiskwaliteit zoals die is vastgelegd in een wettelijk kwaliteitsaspect. als volgt bij de oordeelsvorming betrokken:
Het waarderingskader omvat niet alle deugdelijkheidseisen zoals die in de sectorwet(ten) en andere onderwijswetten zijn opgenomen. Dit geldt bijvoorbeeld voor de Verklaring omtrent het gedrag (VOG), de schoolkosten en het voorkomen van voortijdig schoolverlaten (vsv). De deugdelijkheidseisen die niet aan een standaard in het waarderingskader zijn verbonden, vatten we samen onder de noemer ‘overige wettelijke vereisten’.
OR1. Studiesucces
De instelling behaalt met haar studenten resultaten die ten minste in overeenstemming zijn met de gestelde norm.
Basiskwaliteit
De onderwijsresultaten laten zien dat de opleiding studenten voldoende in staat stelt een diploma op het gewenste niveau te behalen. De opleiding zorgt ervoor dat zij een succesvolle start maken en de studie binnen de vastgestelde studieduur doorlopen. De resultaten laten tevens zien dat er doorstroom is naar hogere opleidingsniveaus.
Eigen aspecten van kwaliteit
Is er aanvullend beleid op de onderwijsresultaten en (hoe) wordt dit gerealiseerd?
Toelichting wettelijke eisen
De norm voor studiesucces wordt voor vier jaar vastgesteld zoals uitgewerkt in bijlage 1 van dit onderzoekskader. We beoordelen het studiesucces aan de hand van deze norm op het niveau van het kwalificatiedossier. De norm voor Studiesucces hangt ten eerste samen met de plicht te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering (artikel 7.4.8, eerste lid, WEB). Beroepsopleidingen moeten verder zodanig zijn ingericht dat studenten de kwalificatie en de daarbij behorende keuzedelen binnen de vastgestelde studieduur kunnen bereiken (artikel 7.2.7, eerste lid, WEB). Instellingen dienen voorts zorg te dragen voor het aanbieden van doelmatige leerwegen, onder andere door ervoor te zorgen dat de opleiding aansluit op het voorafgaand onderwijs en vervolgonderwijs (artikel 1.3.5, onder b, WEB). Gezien de relatie tussen studiesucces en de onderwijskwaliteit mag in het kader van de kwaliteitszorg van de instelling worden verwacht dat zij hier inzicht in heeft en beleid op voert (artikel 1.3.6 WEB).
OR3. Vervolgsucces
De bestemming van de studenten na het verlaten van de opleiding is bekend en voldoet ten minste aan de verwachtingen van de opleiding.
4.5. Normering bestuursniveau
De instelling heeft kennis van de ontwikkelingen op de (regionale) arbeidsmarkt. Zij beschikt over gegevens over het vervolg van de loopbaan van studenten die de opleiding voortijdig of met een diploma hebben verlaten. Daarbij kan het gaan om de overstap naar vervolgonderwijs, een plek op de arbeidsmarkt dan wel een passend vervolg voor studenten met een specifieke onderwijsbehoefte. Het vervolgsucces voldoet ten minste aan de verwachtingen van de opleiding in relatie tot de gemiddelde landelijke resultaten van vergelijkbare opleidingen en de situatie op de regionale arbeidsmarkt.
Eigen aspecten van kwaliteit
Is er aanvullend beleid op het vervolgsucces en (hoe) wordt dit gerealiseerd?
Toelichting wettelijke eisen
De instelling dient te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering (artikel 7.4.8, eerste lid, WEB). Een goede aansluiting van de opleiding op de arbeidsmarkt en/of het vervolgonderwijs maakt daar onderdeel van uit en vloeit tevens voort uit de taak zorg te dragen voor het aanbieden van doelmatige leerwegen (artikel 1.3.5, onder b, WEB). Kennis van de (regionale) arbeidsmarkt is verder noodzakelijk om aspirant-studenten over het arbeidsmarktperspectief van de opleiding te kunnen informeren en loopbaanoriëntatie en -begeleiding te kunnen bieden (artikel 1.3.5, onder c, artikel 6.1.3a, eerste lid, onder c en artikel 7.1.2, tweede lid, WEB). Gezien de relatie tussen vervolgsucces en de onderwijskwaliteit mag in het kader van de kwaliteitszorg voorts van de instelling worden verwacht dat zij hier inzicht in heeft en beleid op voert (artikel 1.3.6 WEB).
De zorgplichten voor voldoende arbeidsmarktperspectief en een doelmatig opleidingenaanbod zijn expliciet in de WEB neergelegd (artikel 6.1.3). Hieruit volgt dat de instelling een beroepsopleiding alleen kan aanbieden als er voor de student voldoende arbeidsmarktperspectief is en de verzorging van die opleiding, gelet op het geheel van de voorzieningen op het gebied van het beroepsonderwijs, doelmatig is. Onder ‘arbeidsmarktperspectief’ wordt in ieder geval verstaan: het binnen een redelijke termijn vinden van een baan op het niveau van de gevolgde opleiding.
Bovenstaande werkwijze bij de keuzedelen is conform de werkwijze die we vanaf 2012 hanteren bij de beoordeling van de generieke examenonderdelen voor Nederlands en Engels. We onderzoeken de generieke examenonderdelen voor Nederlands en Engels voor zover die meetellen voor de slaag-/zakbeslissing. We onderzoeken deze onderdelen tijdens het onderzoek naar de kwaliteitsgebieden Onderwijsproces en Examinering en diplomering. We beschrijven de bevindingen in het rapport ook bij deze kwaliteitsgebieden.
Als de resultaten van het centraal examen voor rekenen laag zijn, zullen we onderzoek doen naar de wijze waarop het onderwijs wordt vormgegeven (kwaliteitsgebied Onderwijsproces).
KA1. Kwaliteitszorg
Het bestuur en de opleiding hebben een stelsel van kwaliteitszorg ingericht en verbeteren op basis daarvan het onderwijs.
Basiskwaliteit
Het bestuur en de opleiding hebben een stelsel van kwaliteitszorg. Dit stelsel van kwaliteitszorg heeft betrekking op de onderwijskwaliteit en besteedt in ieder geval aandacht aan het onderwijsproces, de examinering en diplomering, de onderwijsresultaten en het onderhoud van de bekwaamheid van het personeel. Het bestuur en de opleiding beoordelen de onderwijskwaliteit regelmatig en betrekken daarbij onafhankelijke deskundigen en belanghebbenden. Bestuur en opleiding stellen toetsbare doelen en zij evalueren regelmatig of deze doelen worden gehaald. De uitkomsten zijn op toegankelijke wijze beschikbaar. De oorzaken van eventueel tekortschietende onderwijskwaliteit worden geanalyseerd en waar nodig worden verbeteringen doorgevoerd.
De inrichting van de organisatie en de verantwoordelijkheidsverdeling maken een functionerend stelsel van kwaliteitszorg mogelijk.
Eigen aspecten van kwaliteit
Is er aanvullend beleid op de kwaliteitszorg en (hoe) wordt dit gerealiseerd?
Toelichting wettelijke eisen
De instelling dient een stelsel van kwaliteitszorg in te richten en in dat verband regelmatig de onderwijskwaliteit te beoordelen (artikel 1.3.6 WEB). Uit artikel 1.3.6 blijkt expliciet dat hierbij aandacht moet worden besteed aan de examens en de maatregelen en instrumenten om te waarborgen dat het personeel zijn bekwaamheid onderhoudt (zie met betrekking tot het personeel ook artikel 1.3.6a en hoofdstuk 4, titel 2 en 2a WEB). Verder hangt de onderwijskwaliteit vanzelfsprekend samen met het onderwijsproces en de onderwijsresultaten; ook daaraan dient het stelsel van kwaliteitszorg derhalve aandacht te besteden.
Bij de beoordeling van de onderwijskwaliteit dient de instelling (het oordeel van) studenten en onafhankelijke deskundigen en belanghebbenden te betrekken (artikel 1.3.6, eerste lid, WEB). Naar aanleiding van de uitkomsten daarvan dient zij beleid te formuleren (artikel 1.3.6, tweede lid, onder c, WEB). Het stellen van toetsbare doelen, een regelmatige beoordeling van de realisatie van die doelen en de implementatie van verbetermaatregelen zijn daarbij onmisbare elementen. Bovendien hangt de implementatie van verbetermaatregelen samen met de verplichting te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering en (artikel 7.4.8, eerste lid, WEB). De uitkomsten van de beoordeling zijn openbaar en dienen, tezamen met het voorgenomen beleid in het licht van die uitkomsten, te worden beschreven in het bestuursverslag (artikel 1.3.6 en artikel 2.5.4, eerste lid, WEB).
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)