Besluit van 23 augustus 2017 tot het stellen van eisen aan de kwaliteit van de kinderopvang en het peuterspeelzaalwerk (Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzaalwerk)

Type AMvB
Publication 2024-07-01
State In force
Source BWB
artikelen 50
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Bijlage 1. als bedoeld in de artikelen 7, tweede en zevende lid, 9, tweede en tiende lid, 16, tweede lid, en 18, tweede lid, van het Besluit kwaliteit kinderopvang

b. buitenschoolse opvang

1 Waarvan maximaal acht kinderen van 0 tot 1 jaar.

2 Waarvan maximaal drie kinderen van 0 tot 1 jaar.

3 Waarvan maximaal vijf kinderen van 0 tot 1 jaar.

4 Waarvan maximaal vier kinderen van 0 tot 1 jaar.

1 Waarvan maximaal negen kinderen van 4 tot 7 jaar.

b. buitenschoolse opvang

c. combinatiegroepen dagopvang/buitenschoolse opvang

2 Waarvan maximaal achttien kinderen van 4 tot 7 jaar.

Het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten in relatie tot het aantal aanwezige kinderen in een combinatiegroep dagopvang/buitenschoolse opvang wordt bepaald op basis van onderdeel a van deze bijlage waarbij een kind van 4 jaar tot de leeftijd waarop het basisonderwijs eindigt, wordt beschouwd als een kind van 3 tot 4 jaar.

Het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten in relatie tot het aantal aanwezige kinderen in een combinatiegroep dagopvang/buitenschoolse opvang wordt bepaald op basis van onderdeel a van deze bijlage waarbij een kind van 4 jaar tot de leeftijd waarop het basisonderwijs eindigt, wordt beschouwd als een kind van 3 tot 4 jaar.

c. combinatiegroepen dagopvang/buitenschoolse opvang

Het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten in relatie tot het aantal aanwezige kinderen in een combinatiegroep dagopvang/buitenschoolse opvang wordt bepaald op basis van onderdeel a van deze bijlage waarbij een kind van 4 jaar tot de leeftijd waarop het basisonderwijs eindigt, wordt beschouwd als een kind van 3 tot 4 jaar.

Bijlage 1a. als bedoeld in artikel 32 van het Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzaalwerk

Vervallen

Bijlage ten behoeve van de artikelen 7, tweede en zevende lid, 9, tweede en tiende lid, 16, tweede lid, en 18, tweede lid, van het Besluit kwaliteit kinderopvang

a. dagopvang

Het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten in relatie tot het aantal aanwezige kinderen in een stamgroep wordt bepaald op basis van tabel 1 (conform artikel 7, tweede lid, van dit besluit). De voorwaarden met betrekking tot de maximale grootte van een stamgroep zijn in tabel 1 verwerkt (conform artikel 9, tweede lid, van dit besluit). In een situatie waarin het toevoegen van 1 kind leidt tot een op grond van tabel 1 kleiner aantal benodigde beroepskrachten, wordt het aantal benodigde beroepskrachten met 1 verhoogd.

1 Waarvan maximaal acht kinderen van 0 tot 1 jaar.

2 Bij een groep met acht kinderen van 0 tot 1 jaar.

3 Bij een groep met zeven of minder kinderen van 0 tot 1 jaar.

4 Bij een groep met vier kinderen van 0 tot 1 jaar.

5 Bij een groep met drie of minder kinderen van 0 tot 1 jaar.

6 Bij een groep met acht kinderen van 0 tot 1 jaar.

7 Bij een groep met zeven kinderen van 0 tot 1 jaar.

8 Bij een groep met zes kinderen van 0 tot 1 jaar.

9 Bij een groep met vijf of minder kinderen van 0 tot 1 jaar.

b. buitenschoolse opvang

Het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten in relatie tot het aantal aanwezige kinderen in een basisgroep wordt bepaald op basis van tabel 2 (conform artikel 16, tweede lid, van dit besluit). De voorwaarden met betrekking tot de maximale grootte van een basisgroep zijn in tabel 2 verwerkt (conform artikel 18, tweede lid, van dit besluit).

c. combinatiegroepen dagopvang/buitenschoolse opvang

Het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten in relatie tot het aantal aanwezige kinderen in een combinatiegroep dagopvang/buitenschoolse opvang wordt bepaald op basis van tabel 3 (conform artikel 7, zevende lid, van dit besluit). De voorwaarden met betrekking tot de maximale grootte van een combinatiegroep dagopvang/buitenschoolse opvang zijn in tabel 3 verwerkt (conform artikel 9, tiende lid, van dit besluit).

1 Waarvan maximaal vier kinderen van 0 tot 4 jaar, waarvan maximaal drie kinderen van 0 tot 2 jaar, waarvan maximaal twee kinderen van 0 tot 1 jaar.

2 Waarvan maximaal acht kinderen van 0 tot 4 jaar, waarvan maximaal zes kinderen van 0 tot 2 jaar, waarvan maximaal vier kinderen van 0 tot 1 jaar.

3 Waarvan maximaal twaalf kinderen van 0 tot 4 jaar, waarvan maximaal acht kinderen van 0 tot 2 jaar, waarvan maximaal zes kinderen van 0 tot 1 jaar.

4 Waarvan maximaal vier kinderen van 1 tot 4 jaar, waarvan maximaal drie kinderen van 1 tot 2 jaar.

5 Waarvan maximaal acht kinderen van 1 tot 4 jaar, waarvan maximaal zes kinderen van 1 tot 2 jaar.

6 Waarvan maximaal twaalf kinderen van 1 tot 4 jaar, waarvan maximaal acht kinderen van 1 tot 2 jaar.

7 Waarvan maximaal vijf kinderen van 2 tot 4 jaar.

8 Waarvan maximaal tien kinderen van 2 tot 4 jaar.

9 Waarvan maximaal twaalf kinderen van 2 tot 4 jaar.

10 Waarvan maximaal zes kinderen van 3 tot 4 jaar.

Bijlage 2. als bedoeld in de artikelen 8, tweede lid, en 17, tweede lid, van het Besluit kwaliteit kinderopvang

    1. De houder stelt jaarlijks op 1 januari, zijnde de peildatum, het aantal kindercentra dat hij exploiteert vast en het totaal aantal fte waarvoor beroepskrachten werkzaam zijn bij het kindercentrum of, indien de houder meer dan één kindercentrum exploiteert, de kindercentra.
    1. Op basis van het aantal kindercentra dat de houder exploiteert en het totaal aantal fte waarvoor beroepskrachten werkzaam zijn bij het kindercentrum of, indien de houder meer dan een kindercentrum exploiteert, de kindercentra, wordt het minimaal aantal uren waarvoor de houder pedagogisch beleidsmedewerkers inzet voor het jaar waarin de peildatum valt, bepaald volgens de volgende formule: vijftig uren voor de totstandkoming en implementatie van pedagogische beleidsvoornemens maal het aantal kindercentra dat de houder op de peildatum exploiteert plus tien uren voor het coachen van beroepskrachten bij de uitvoering van hun werkzaamheden maal het aantal fte waarvoor op de peildatum beroepskrachten werkzaam zijn bij het kindercentrum of, indien de houder meer dan één kindercentrum exploiteert, de kindercentra.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Bijlage 2. als bedoeld in de artikelen 8, tweede lid, en 17, tweede lid, van het Besluit kwaliteit kinderopvang

    1. De houder stelt jaarlijks op 1 januari, zijnde de peildatum, het aantal kindercentra dat hij exploiteert vast en het totaal aantal fte waarvoor beroepskrachten werkzaam zijn bij het kindercentrum of, indien de houder meer dan één kindercentrum exploiteert, de kindercentra.
    1. Op basis van het aantal kindercentra dat de houder exploiteert en het totaal aantal fte waarvoor beroepskrachten werkzaam zijn bij het kindercentrum of, indien de houder meer dan een kindercentrum exploiteert, de kindercentra, wordt het minimaal aantal uren waarvoor de houder pedagogisch beleidsmedewerkers inzet voor het jaar waarin de peildatum valt, bepaald volgens de volgende formule: vijftig uren voor de totstandkoming en implementatie van pedagogische beleidsvoornemens maal het aantal kindercentra dat de houder op de peildatum exploiteert plus tien uren voor het coachen van beroepskrachten bij de uitvoering van hun werkzaamheden maal het aantal fte waarvoor op de peildatum beroepskrachten werkzaam zijn bij het kindercentrum of, indien de houder meer dan één kindercentrum exploiteert, de kindercentra.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Hoofdstuk 2A. Aanvullende kwaliteitseisen ouderparticipatiecrèches

Bijlage 1. als bedoeld in de artikelen 7, tweede en zevende lid, 9, tweede en tiende lid, 16, tweede lid, en 18, tweede lid, van het Besluit kwaliteit kinderopvang

a. dagopvang

Het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten in relatie tot het aantal aanwezige kinderen in een stamgroep wordt bepaald op basis van tabel 1 en onderstaande aanvullende rekenregels (conform artikel 7, tweede lid, van dit besluit). De tabel en de rekenregels worden toegepast in de volgorde waarin zij onderstaand zijn opgenomen. De voorwaarden met betrekking tot de maximale grootte van een stamgroep zijn in tabel 1 verwerkt (conform artikel 9, tweede lid, van dit besluit).

1 Waarvan maximaal acht kinderen van 0 tot 1 jaar.

2 Waarvan maximaal drie kinderen van 0 tot 1 jaar.

Het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten in relatie tot het aantal aanwezige kinderen in een stamgroep wordt bepaald op basis van tabel 1 en onderstaande aanvullende rekenregels (conform artikel 7, tweede lid, van dit besluit). De tabel en de rekenregels worden toegepast in de volgorde waarin zij onderstaand zijn opgenomen. De voorwaarden met betrekking tot de maximale grootte van een stamgroep zijn in tabel 1 verwerkt (conform artikel 9, tweede lid, van dit besluit).

1 Waarvan maximaal acht kinderen van 0 tot 1 jaar.

a. dagopvang

Rekenregels

Bijlage 1a. als bedoeld in artikel 32 van het Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzaalwerk

Vervallen

Bijlage 2. als bedoeld in de artikelen 8, tweede lid, en 17, tweede lid, van het Besluit kwaliteit kinderopvang

    1. De houder stelt jaarlijks op 1 januari, zijnde de peildatum, het aantal kindercentra dat hij exploiteert vast en het totaal aantal fte waarvoor beroepskrachten werkzaam zijn bij het kindercentrum of, indien de houder meer dan één kindercentrum exploiteert, de kindercentra.
    1. Op basis van het aantal kindercentra dat de houder exploiteert en het totaal aantal fte waarvoor beroepskrachten werkzaam zijn bij het kindercentrum of, indien de houder meer dan een kindercentrum exploiteert, de kindercentra, wordt het minimaal aantal uren waarvoor de houder pedagogisch beleidsmedewerkers inzet voor het jaar waarin de peildatum valt, bepaald volgens de volgende formule: vijftig uren voor de totstandkoming en implementatie van pedagogische beleidsvoornemens maal het aantal kindercentra dat de houder op de peildatum exploiteert plus tien uren voor het coachen van beroepskrachten bij de uitvoering van hun werkzaamheden maal het aantal fte waarvoor op de peildatum beroepskrachten werkzaam zijn bij het kindercentrum of, indien de houder meer dan één kindercentrum exploiteert, de kindercentra.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 7a. Overzicht van ingezette beroepskrachten en presentielijsten

De houder toont door middel van een overzicht van de ingezette beroepskrachten en presentielijsten van kinderen, inclusief een indicatie van aankomst- en vertrektijden, aan:

  • a. de verhouding tussen het minimaal in te zetten aantal beroepskrachten en het aantal aanwezige kinderen in een stamgroep, bedoeld in artikel 7, tweede lid, en
Artikel 9a. Tijdelijke afwijking aanwezigheid toegewezen vaste beroepskrachten

De houder kan afwijken van de verplichting dat per dag ten minste een vaste beroepskracht aanwezig is in de stamgroep, bedoeld in artikel 9, vierde of vijfde lid, indien:

  • a. een vaste beroepskracht afwezig is voor een aansluitende periode korter dan vier weken in verband met ziekte, vakantie of verlof;
  • b. er ten hoogste drie vaste beroepskrachten aan het kind zijn toegewezen;
  • c. de houder de andere aan het kind toegewezen vaste beroepskrachten heeft benaderd ter vervanging, zonder resultaat; en

Paragraaf 2. Kwaliteitseisen buitenschoolse opvang

Artikel 16a. Overzicht van ingezette beroepskrachten en presentielijsten

De houder toont door middel van een overzicht van de ingezette beroepskrachten en presentielijsten van kinderen, inclusief een indicatie van de aankomst- en vertrektijden aan:

  • a. de verhouding tussen het minimaal in te zetten aantal beroepskrachten en het aantal aanwezige kinderen in een basisgroep, bedoeld in artikel 16, tweede lid, en

Hoofdstuk 2A. Aanvullende kwaliteitseisen ouderparticipatiecrèches

Bijlage 1. als bedoeld in de artikelen 7, tweede en zevende lid, 9, tweede en tiende lid, 16, tweede lid, en 18, tweede lid, van het Besluit kwaliteit kinderopvang

a. dagopvang

Het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten in relatie tot het aantal aanwezige kinderen in een stamgroep wordt bepaald op basis van tabel 1 en onderstaande aanvullende rekenregels (conform artikel 7, tweede lid, van dit besluit). De tabel en de rekenregels worden toegepast in de volgorde waarin zij onderstaand zijn opgenomen. De voorwaarden met betrekking tot de maximale grootte van een stamgroep zijn in tabel 1 verwerkt (conform artikel 9, tweede lid, van dit besluit).

Het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten in relatie tot het aantal aanwezige kinderen in een stamgroep wordt bepaald op basis van tabel 1 en onderstaande aanvullende rekenregels (conform artikel 7, tweede lid, van dit besluit). De tabel en de rekenregels worden toegepast in de volgorde waarin zij onderstaand zijn opgenomen. De voorwaarden met betrekking tot de maximale grootte van een stamgroep zijn in tabel 1 verwerkt (conform artikel 9, tweede lid, van dit besluit).

Rekenregels

b. buitenschoolse opvang

Het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten in relatie tot het aantal aanwezige kinderen in een basisgroep wordt bepaald op basis van tabel 2 (conform artikel 16, tweede lid, van dit besluit). De voorwaarden met betrekking tot de maximale grootte van een basisgroep zijn in tabel 2 verwerkt (conform artikel 18, tweede lid, van dit besluit).

Bijlage 1a. als bedoeld in artikel 32 van het Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzaalwerk

Vervallen

Bijlage 1a. als bedoeld in artikel 32 van het Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzaalwerk

Vervallen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 9c. Voorwaarden tijdelijke afwijking maximumpercentage bij meertalige kinderopvang
1.

De voorwaarden waaronder de houder kan afwijken van het percentage, bedoeld in artikel 1.55, derde lid, van de wet, zijn:

  • a. de Nederlandssprekende beroepskracht op de stamgroep is afwezig voor een aansluitende periode korter dan vier weken in verband met ziekte, vakantie of ander soort verlof;
  • b. de houder heeft de andere Nederlandssprekende beroepskrachten benaderd ter vervanging, zonder resultaat, of zij zijn ingeroosterd als vaste beroepskracht als bedoeld in artikel 9, vierde of vijfde lid;
  • c. het percentage van de openingstijd van de stamgroep per kalenderjaar, waarin de Duitse, Engelse of Franse taal als voertaal worden gebruikt, bedraagt gemiddeld niet meer dan vijftig procent; en
2.

De voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, hebben ook betrekking op beroepskrachten in opleiding en stagiairs, indien wordt voldaan aan de regels die gesteld zijn op grond van artikel 7, negende lid.

Paragraaf 2. Kwaliteitseisen buitenschoolse opvang

Artikel 18a. Voorwaarden tijdelijke afwijking maximumpercentage bij meertalige kinderopvang
1.

De voorwaarden waaronder de houder kan afwijken van het percentage, bedoeld in artikel 1.55, derde lid, van de wet, zijn:

  • a. de Nederlandssprekende beroepskracht op de basisgroep is afwezig voor een aansluitende periode korter dan vier weken in verband met ziekte, vakantie of ander soort verlof;
  • b. de houder heeft de andere Nederlandssprekende beroepskrachten benaderd ter vervanging, zonder resultaat;
  • c. het percentage van de openingstijd van de basisgroep per kalenderjaar waarin de Duitse, Engelse of Franse taal als voertaal worden gebruikt, bedraagt gemiddeld niet meer dan vijftig procent; en
2.

De voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, hebben ook betrekking op beroepskrachten in opleiding en stagiairs, indien wordt voldaan aan de regels die gesteld zijn op grond van artikel 16, achtste lid.

Hoofdstuk 2A. Aanvullende kwaliteitseisen ouderparticipatiecrèches

Hoofdstuk 3. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage 1. als bedoeld in de artikelen 7, tweede en zevende lid, 9, tweede en tiende lid, 16, tweede lid, en 18, tweede lid, van het Besluit kwaliteit kinderopvang

a. dagopvang

Rekenregels

Het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten in relatie tot het aantal aanwezige kinderen op een kindercentrum wordt bepaald op basis van de formule (A x 0,1) + (B x 0,083), waarbij:

c. combinatiegroepen dagopvang/buitenschoolse opvang

Bijlage 2. als bedoeld in de artikelen 8, tweede lid, en 17, tweede lid, van het Besluit kwaliteit kinderopvang

    1. De houder stelt jaarlijks op 1 januari, zijnde de peildatum, het aantal kindercentra dat hij exploiteert vast en het totaal aantal fte waarvoor beroepskrachten werkzaam zijn bij het kindercentrum of, indien de houder meer dan één kindercentrum exploiteert, de kindercentra.
    1. Op basis van het aantal kindercentra dat de houder exploiteert en het totaal aantal fte waarvoor beroepskrachten werkzaam zijn bij het kindercentrum of, indien de houder meer dan een kindercentrum exploiteert, de kindercentra, wordt het minimaal aantal uren waarvoor de houder pedagogisch beleidsmedewerkers inzet voor het jaar waarin de peildatum valt, bepaald volgens de volgende formule: vijftig uren voor de totstandkoming en implementatie van pedagogische beleidsvoornemens maal het aantal kindercentra dat de houder op de peildatum exploiteert plus tien uren voor het coachen van beroepskrachten bij de uitvoering van hun werkzaamheden maal het aantal fte waarvoor op de peildatum beroepskrachten werkzaam zijn bij het kindercentrum of, indien de houder meer dan één kindercentrum exploiteert, de kindercentra.

Bijlage 2. als bedoeld in de artikelen 8, tweede lid, en 17, tweede lid, van het Besluit kwaliteit kinderopvang

    1. De houder stelt jaarlijks op 1 januari, zijnde de peildatum, het aantal kindercentra dat hij exploiteert vast en het totaal aantal fte waarvoor beroepskrachten werkzaam zijn bij het kindercentrum of, indien de houder meer dan één kindercentrum exploiteert, de kindercentra.
    1. Op basis van het aantal kindercentra dat de houder exploiteert en het totaal aantal fte waarvoor beroepskrachten werkzaam zijn bij het kindercentrum of, indien de houder meer dan een kindercentrum exploiteert, de kindercentra, wordt het minimaal aantal uren waarvoor de houder pedagogisch beleidsmedewerkers inzet voor het jaar waarin de peildatum valt, bepaald volgens de volgende formule: vijftig uren voor de totstandkoming en implementatie van pedagogische beleidsvoornemens maal het aantal kindercentra dat de houder op de peildatum exploiteert plus tien uren voor het coachen van beroepskrachten bij de uitvoering van hun werkzaamheden maal het aantal fte waarvoor op de peildatum beroepskrachten werkzaam zijn bij het kindercentrum of, indien de houder meer dan één kindercentrum exploiteert, de kindercentra.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 9b. Beroepskracht in opleiding als vaste beroepskracht

In afwijking van artikel 9, vierde en vijfde lid, kan een beroepskracht in opleiding als vaste beroepskracht aan een kind worden toegewezen, indien:

  • a. de beroepskracht in opleiding meegeteld wordt bij de berekening van het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten op grond van artikel 7;
  • b. de beroepskracht in opleiding het eerste leerjaar van de kwalificerende opleiding aantoonbaar heeft afgerond, en
  • c. de beroepskracht in opleiding, de praktijkbegeleider en de opleidingsbegeleider schriftelijk ingestemd hebben met een door hen opgesteld begeleidingsplan en er conform het opgestelde begeleidingsplan wordt gehandeld.

Paragraaf 2. Kwaliteitseisen buitenschoolse opvang

Hoofdstuk 3. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage 1. als bedoeld in de artikelen 7, tweede en zevende lid, 9, tweede en tiende lid, en 16, tweede lid, van het Besluit kwaliteit kinderopvang

c. combinatiegroepen dagopvang/buitenschoolse opvang

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)