Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 december 2017, nr. IENM/BSK-2017/205700, houdende regels met betrekking tot de basisregistratie ondergrond (Regeling basisregistratie ondergrond)
Gelet op de artikelen 5, tweede lid, 8, derde lid, 9, vierde lid, 17, eerste lid, 24, derde lid, en 25, tweede lid, van de Wet basisregistratie ondergrond;
BESLUIT:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- besluit: Besluit basisregistratie ondergrond;
- catalogus: catalogus registratie ondergrond als bedoeld in artikel 17 van de wet;
- controlerende partij: onafhankelijke en deskundige partij die de controle uitvoert in opdracht van de Minister;
- Minister: Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
- Organisatie: Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek TNO als bedoeld in artikel 3 van de TNO-wet;
Hoofdstuk 2. Inrichting van de basisregistratie ondergrond
Artikel 2
De basisregistratie ondergrond wordt vormgegeven aan de hand van een systeembeschrijving, die wordt gevormd door de Globale Architectuurschets Basisregistratie Ondergrond, en de Programma Start Architectuur Basisregistratie Ondergrond, beide opgenomen in bijlage I bij deze regeling.
Artikel 3
Bij de administratieve inrichting van de basisregistratie ondergrond, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de wet, worden de processen ter uitvoering van de verplichtingen die bij of krachtens de wet op de Organisatie rusten op een zorgvuldige, transparante, consistente en gebruiksvriendelijke wijze vormgegeven, uitgevoerd en gemonitord.
Artikel 4
Bij de technische inrichting van de basisregistratie ondergrond, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de wet, wordt:
- a. voor het houden van de basisregistratie ondergrond een uitwijkconfiguratie beschikbaar gesteld, en
- b. van de in de basisregistratie ondergrond opgenomen gegevens en modellen iedere werkdag een back-up gemaakt.
Artikel 5
Met betrekking tot beveiliging van de basisregistratie ondergrond, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de wet, treft de Organisatie technische en organisatorische maatregelen om gegevens en modellen, in het bijzonder persoonsgegevens, te beveiligen tegen inbreuk, verlies en onrechtmatige verwerking.
Hoofdstuk 3. Controle van de basisregistratie ondergrond
Artikel 6
De controle van het operationeel beheer, bedoeld in artikel 6 van de wet, wordt uitgevoerd met volledige medewerking van de Organisatie en bestaat uit een primaire controle en, als bij de primaire controle tekortkomingen zijn geconstateerd die zijn opgenomen in het oordeel van de controlerende partij, een hercontrole.
Artikel 7
Bij de primaire controle vindt in ieder geval een beoordeling plaats van de adequate uitvoering van de volgende aspecten binnen de Organisatie:
- a. de opzet en het bestaan van maatregelen en procedures die in de borging van de wettelijke eisen moeten voorzien met inachtneming van de systeembeschrijving, bedoeld in artikel 2, en
- b. de werking van de getroffen maatregelen en procedures.
De primaire controle is in ieder geval gericht op de volgende elementen:
- a. de inrichting en organisationele inbedding van en interne besluitvorming over de basisregistratie ondergrond,
- b. de processen, bedoeld in artikel 3,
- c. de conformiteit en de continuïteit van de gebruikte in beheer en in ontwikkeling zijnde systemen,
- d. de kwaliteit en kwantiteit van de in de basisregistratie ondergrond beschikbare gegevens en modellen,
- e. de verwerking van persoonsgegevens, en
- f. de activiteiten, genoemd in artikel 14, eerste lid.
Artikel 8
De resultaten van de primaire controle worden neergelegd in een primair controlerapport.
Uiterlijk één week na de primaire controle wordt een concept van dat rapport ter bevestiging van de geconstateerde feiten aan de Organisatie gezonden.
Het primair controlerapport wordt uiterlijk één maand na de primaire controle door de controlerende partij vastgesteld en aan de Organisatie en de Minister gezonden.
Artikel 9
Als bij de primaire controle tekortkomingen zijn geconstateerd die zijn opgenomen in het oordeel van de controlerende partij, stelt de Organisatie binnen één maand na de vaststelling van het primair controlerapport een verbeterrapport op, waarin de maatregelen worden beschreven die getroffen zijn ter verbetering van de geconstateerde tekortkomingen.
Het verbeterrapport wordt na vaststelling onverwijld aan de Minister gezonden.
Op basis van het verbeterrapport vindt een hercontrole plaats. De hercontrole heeft alleen betrekking op de punten ten aanzien waarvan tekortkomingen zijn geconstateerd en heeft tot doel het op systematische wijze toetsen of door de Organisatie zodanige maatregelen zijn getroffen dat aan de wet en de daarop berustende bepalingen op dat moment op adequate wijze uitvoering is gegeven.
De resultaten van de hercontrole worden in een hercontrolerapport vastgelegd.
Artikel 8, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor ‘primaire controle’ wordt gelezen: hercontrole.
Hoofdstuk 4. Het bronhouderportaal
Artikel 10
De Stichting ICTU wordt aangewezen als beheerder van het bronhouderportaal als bedoeld in artikel 9, vierde lid, van de wet.
Hoofdstuk 5. Standaarden voor de registratie ondergrond
Artikel 11
De catalogus bestaat uit de onderdelen, opgenomen in bijlage II bij deze regeling:
- a. Geotechnisch sondeeronderzoek;
- b. Booronderzoek bodemkundig boormonsterprofiel;
- c. Booronderzoek geotechnische boormonsterbeschrijving;
- d. Booronderzoek geotechnische boormonsteranalyse;
- e. Wandonderzoek bodemkundige wandbeschrijving;
- f. Grondwatermonitoringput;
- g. Bodemkaart;
- h. Geomorfologische kaart;
- i. Hydrogeologisch model;
- j. GeoTop;
- k. Digitaal geologisch model.
Hoofdstuk 6. Inzage in en verstrekking van gegevens
Artikel 12
De verlening van inzage in de registratie ondergrond, het register brondocumenten en het register inzake meldingen modellen als bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de wet, vindt plaats via een website, een webservice en de generieke digitale infrastructuur van de overheid.
De verlening van inzage vindt plaats met inachtneming van de catalogus.
De verlening van inzage via de generieke digitale infrastructuur, bedoeld in het eerste lid, vindt tevens plaats met inachtneming van door de Europese Commissie vastgestelde uitvoeringshandelingen op grond van richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 maart 2007 tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Gemeenschap (Inspire) (PbEU, L 108) inzake dataspecificaties.
Artikel 13
Als de bronhouder bij de levering van een brondocument gemotiveerd heeft aangegeven dat het gegevens bevat waarvan verstrekking achterwege kan blijven op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, wordt in die gegevens geen inzage verleend en worden die gegevens niet op verzoek verstrekt, met inachtneming van artikel 24, tweede lid, onderdelen a en b, van de wet.
Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van inzage door en verstrekking aan bestuursorganen als de gegevens via een beveiligde digitale koppeling door of in naam van het desbetreffende bestuursorgaan zijn geleverd.
Artikel 14
Voor het op verzoek verstrekken van gegevens of authentieke modellen anders dan door middel van internet of anders dan op digitale of geautomatiseerde wijze is op grond van artikel 25, tweede lid, van de wet, per kwartier of een gedeelte van een kwartier dat een medewerker van de Organisatie daaraan heeft besteed, verschuldigd:
- a. als het een administratief medewerker betreft: € 19,50;
- b. als het een technisch medewerker betreft: € 24,–;
- c. als het een senior technisch medewerker betreft: € 26,–;
- d. als het een projectleider of technisch specialist betreft: € 28,50;
- e. als het een assistent projectmanager betreft: € 31,50;
- f. als het een projectmanager betreft: € 34,–.
Onverminderd het eerste lid is een vergoeding ter hoogte van de kostprijs verschuldigd voor de middelen die zijn gebruikt voor het verstrekken als bedoeld in het eerste lid.
Hoofdstuk 7. Slotbepalingen
Artikel 15
Voor zover in de bijlage I en II bij deze regeling ten aanzien van producten technische voorschriften zijn gesteld als bedoeld in de richtlijn (EU) nr. 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEU 2015, L 241), worden met die producten gelijkgesteld producten die rechtmatig zijn vervaardigd of in de handel zijn gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel rechtmatig zijn vervaardigd of in de handel zijn gebracht in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die voldoen aan eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met die technische voorschriften wordt nagestreefd.
Artikel 16
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2018.
Artikel 17
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling basisregistratie ondergrond.
Bijlage I. behorend bij artikel 2 van de Regeling basisregistratie ondergrond
Deze bijlage betreft de Globale Architectuurschets Basisregistratie Ondergrond en de Programma Start Architectuur Basisregistratie Ondergrond en is tevens gepubliceerd op www.basisregistratieondergrond.nl.
Bijlage II. behorend bij artikel 11 van de Regeling basisregistratie ondergrond
Deze bijlage betreft de catalogus en is tevens gepubliceerd op www.basisregistratieondergrond.nl.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 1a
Aan de Organisatie wordt een uitsluitend recht verleend voor het in opdracht van de Minister uitvoeren van het operationeel beheer van de basisregistratie ondergrond.
Hoofdstuk 2. Inrichting van de basisregistratie ondergrond
Hoofdstuk 3. Controle van de basisregistratie ondergrond
Hoofdstuk 4. Het bronhouderportaal
Hoofdstuk 4a. Controle door de bronhouder
Artikel 10a
De controle door de bronhouder, bedoeld in artikel 9a van de wet, heeft betrekking op:
- a. de uitvoering van zijn wettelijke taak in werkprocessen;
- b. de actualiteit van de gegevens in de brondocumenten;
- c. de volledigheid van de gegevens in de brondocumenten;
- d. de controle van de juistheid van de gegevens in de brondocumenten.
De bronhouder maakt voor zijn rapportage gebruik van een daarvoor door de Minister langs elektronische weg beschikbaar gesteld instrument. Dit instrument omvat ten minste een vragenlijst.
Hoofdstuk 5. Standaarden voor de registratie ondergrond
Hoofdstuk 5a. Het maken, actualiseren en controleren van modellen
Artikel 11a
De Minister die het aangaat legt uiterlijk twee jaar voorafgaand aan de levering of actualisering van een model als bedoeld in artikel 9, derde lid, van de wet aan de Minister ter goedkeuring de beschrijving van de te hanteren software, het algoritme, de parametrisatie en de werkprocessen van het model voor.
De Minister die het aangaat legt uiterlijk twee maanden voorafgaand aan de levering of actualisering van een model als bedoeld in artikel 9, derde lid, van de wet aan de Minister ter goedkeuring een standaard toetsprotocol voor interne kwaliteitstoetsing van het model voor.
Artikel 11b
Bij de oplevering van een nieuw of geactualiseerd authentiek model wordt een totstandkomingsrapport opgeleverd met daarin een beschrijving van de gebruikte gegevens en methoden bij het maken of actualiseren van het model.
De Minister komt met de Minister die het aangaat een updatefrequentie en schaalniveau van het model overeen. De maker van het model adviseert over de updatefrequentie en schaalniveau van het model. Hierbij kan onderscheid bestaan tussen landsdekkende en regionale modellen.
Na de oplevering van een nieuw of geactualiseerd authentiek model voert de maker ervan een interne kwaliteitstoets uit op basis van een standaard toetsprotocol als bedoeld in artikel 11a, tweede lid. Het toetsrapport wordt aan de Minister gezonden ter goedkeuring. Na goedkeuring van het rapport wordt het model ingeschreven als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de wet.
De Minister verstrekt op verzoek het totstandkomingsrapport en het toetsrapport.
Artikel 11c
De controle op de wijze van uitvoering van artikel 7, eerste lid, van de wet door de op grond van dat lid aangewezen partij is in ieder geval gericht op de volgende elementen:
- a. de algemene werkwijze bij de vervaardiging van het model;
- b. de gebruikte algoritmen, parametrisatie en methoden;
- c. de validatie van het model aan de hand van statistische procedures waarbij wordt onderzocht in hoeverre het model overeenkomt met een validatieset dan wel of het model de gegevens bevat die op basis van crossvalidatie te verwachten zijn;
- d. de berekeningen met het rekenprogramma;
- e. de gebruikte meta-informatie;
- f. de opvolging van meldingen, gebruikersverzoeken en klachten.
De artikelen 8 en 9 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 11d
De maker van een authentiek model draagt zorg voor de samenhang van het model met de andere modellen in de basisregistratie ondergrond.
Op basis van een door de Minister beschikbaar gesteld toetsprotocol controleert de maker ten minste één keer per jaar de samenhang.
De Organisatie stelt op verzoek van de Minister een toetsprotocol op.
Hoofdstuk 6. Inzage in en verstrekking van gegevens
Hoofdstuk 7. Slotbepalingen
Bijlage I. behorend bij artikel 2 van de Regeling basisregistratie ondergrond
Deze bijlage betreft de Globale Architectuurschets Basisregistratie Ondergrond en de Programma Start Architectuur Basisregistratie Ondergrond en is tevens gepubliceerd op www.basisregistratieondergrond.nl.
Bijlage II. behorend bij artikel 11 van de Regeling basisregistratie ondergrond
Deze bijlage betreft de catalogus en is tevens gepubliceerd op www.basisregistratieondergrond.nl.
Basisregistratie Ondergrond (BRO)
Catalogus
Geotechnisch Sondeeronderzoek
Inhoudsopgave
Artikel 1. Definitie van registratieobject, entiteiten en attributen
1.1. Registratieobject
1.2. Entiteiten en attributen
1. Geotechnisch sondeeronderzoek
2. Registratiegeschiedenis
3. Aangeleverde locatie
4. Aangeleverde verticale positie
5. Gestandaardiseerde locatie
6.0. Sondeonderzoek
6.1. Traject
6.2. Bewerking
6.3. Sondeerapparaat
6.4. Nulmeting
6.5. Bepaalde parameters
6.6. Conuspenetratietest
6.7. Conuspenetratietest resultaat
6.8. Dissipatietest
6.9. Dissipatietest resultaat
7.0. Aanvullend onderzoek
7.1. Verwijderde laag
Artikel 2. Beschrijving van de enumeraties en codelijsten
2.1. Enumeraties
2.2. Codelijsten
1. CoördinaatTransformatie
2. Kader Aanlevering
3. KaderInwinning
4. Kwaliteitsklasse
5. LokaalVerticaalReferentiepunt
6. MethodeLocatiebepaling
7. MethodeVerticalePositiebepaling
8. Referentiestelsel
9. Registratiestatus
10. Sondeermethode
11. Sondeernorm
12. Stopcriterium
13. VerticaalReferentievlak
Toelichting
1. Inleiding
De catalogus voor het geotechnisch sondeeronderzoek beschrijft de gegevens die in de registratie ondergrond zijn opgenomen van sondeeronderzoek dat vanuit het vakgebied van de geotechniek is uitgevoerd. In de geotechniek wordt sondeeronderzoek routinematig en op gestandaardiseerde wijze uitgevoerd. Sondeeronderzoek wordt sporadisch binnen andere vakgebieden uitgevoerd, bijvoorbeeld in de bodemkunde, en dat onderzoek valt buiten het bereik van de basisregistratie ondergrond.
1.1. Geotechnisch sondeeronderzoek
Geotechnisch sondeeronderzoek wordt uitgevoerd in het kader van projecten in de grond-, weg- en waterbouw en in de woning- en utiliteitsbouw. Het heeft tot doel de opbouw en de eigenschappen van de ondergrond te onderzoeken om de locatie, het ontwerp, de uitvoering of de toestand van bouwwerken te kunnen vaststellen. Geotechnisch sondeeronderzoek is de formele naam die in de basisregsitratie ondergrond gebruikt wordt en de term verwijst naar een onderzoekstechniek die gewoonlijk sonderen wordt genoemd.
Geotechnisch sondeeronderzoek in de basisregsitratie ondergrond is het geheel van gegevens dat betrekking heeft op een specifiek sondeeronderzoek dat op een specifieke locatie in Nederland is uitgevoerd en dat door of onder de verantwoordelijkheid van een bepaalde bronhouder is aangeleverd aan de registerbeheerder van de BRO en vervolgens onder zijn verantwoordelijkheid in de registratie ondergrond is opgenomen. De activiteiten van sondeeronderzoek omvatten in ieder geval het op locatie doen van metingen met een sondeerapparaat en de uiteindelijke rapportage van de resultaten aan de opdrachtgever.
1.2. Sonderen
Sonderen is een manier van veldonderzoek die binnen het domein van de geotechniek ontwikkeld is. Bij dit type onderzoek wordt een sondeerconus met constante snelheid de grond ingedrukt en terwijl de conus naar beneden gaat, worden quasi-continu waarnemingen gedaan aan fysieke grootheden.
De techniek is oorspronkelijk ontwikkeld om inzicht te krijgen in het dragend vermogen van de ondergrond om op basis daarvan funderingen te ontwerpen. De grootheid die daartoe gemeten werd en wordt, is de weerstand die de conus op de weg naar beneden ondervindt. In de afgelopen decennia heeft de sondeertechniek zich sterk ontwikkeld en inmiddels is het mogelijk routinematig een breed scala aan grootheden te meten. De techniek wordt in Nederland overigens nog steeds in hoofdzaak gebruikt voor het ontwerp van funderingen, maar de resultaten kunnen ook veel breder worden gebruikt omdat zij in meer algemene zin inzicht geven in de eigenschappen en de opbouw van de ondergrond.
2. Belangrijkste entiteiten
2.1. Geotechnisch sondeeronderzoek
Deze entiteit draagt de naam van het registratieobject zelf en bevat de gegevens die het sondeeronderzoek identificeren en allerlei administratieve gegevens die betrekking hebben op onder meer de herkomst van het onderzoek in de registratie. Zo geeft het informatie over het doel waarvoor het onderzoek is uitgevoerd (kader inwinning), en de grondslag voor de verplichting tot aanlevering (kader aanlevering).
2.2. Registratiegeschiedenis
De registratiegeschiedenis van een geotechnisch sondeeronderzoek geeft de essentie van de geschiedenis van het object in de registratie ondergrond, de zgn. formele geschiedenis. De registratiegeschiedenis vertelt bijvoorbeeld wanneer een object is geregistreerd en of er na registratie correcties zijn doorgevoerd.
2.3. Sondeonderzoek
Het sondeonderzoek vormt de kern van het geotechnisch sondeeronderzoek. Het is de typering van het geheel van activiteiten dat binnen het sondeeronderzoek is uitgevoerd om met het sondeerapparaat de waarde van bepaalde parameters te meten en die metingen voor de opdrachtgever tot een resultaat te bewerken. De nauwkeurigheid van de gemeten parameters wordt impliciet verantwoord doordat het geotechnisch sondeeronderzoek in zijn geheel aan een bepaalde norm voldoet.
Het sondeonderzoek koppelt de resultaten die eruit voortkomen aan het door de sonde bemeten deel van de ondergrond (traject). Het sondeonderzoek bestaat altijd uit het uitvoeren van een conuspenetratietest. De conuspenetratietest kan één of meer keren onderbroken worden om een dissipatietest uit te voeren. Dat is een ander type test, met een eigen resultaat.
De meetresultaten worden altijd bewerkt. De activiteiten die uitgevoerd zijn om de metingen te bewerken voor de uiteindelijke rapportage worden apart vastgelegd (de bewerking).
2.4. Resultaat
Het resultaat geeft de waarden van de bepaalde parameters op bepaalde posities in het sondeertraject (conuspenetratietest resultaat), dan wel het verloop van de waarde van gemeten parameters op één bepaalde positie in de tijd (dissipatietest resultaat). Sommige parameters hebben betrekking op de positie van de meting, maar de meeste parameters geven eigenschappen van de ondergrond weer.
2.5. Sondeerapparaat
Het sondeerapparaatis een typering van het apparaat dat bij het sondeeronderzoek is gebruikt. Het belangrijkste onderdeel van het apparaat wordt de sondeerconus genoemd en dat is het eigenlijke meetinstrument oftewel de sonde. De sondeerconus bestaat uit twee functionele onderdelen, de kleefmantel en de conuspunt. De conuspunt omvat niet alleen het kegelvormig uiteinde van de sondeerconus maar ook het cilindrisch deel daar direct boven. De kleefmantel zit daar weer boven.
Voor de meeste gemeten parameters kan vóór en na het uitvoeren van het sondeonderzoek de waarde worden afgelezen die het apparaat aangeeft zonder belasting (nulmeting). De nulmetingen worden gebruikt om vast te stellen of en in hoeverre het apparaat tijdens het sonderen aan betrouwbaarheid heeft ingeboet.
2.6. Aanvullend onderzoek
In sommige gevallen worden er in het veld aanvullend onderzoek gedaan. Het gaat om waarnemingen die vaak met het blote oog worden gedaan. Wanneer de ondergrond tot een bepaalde diepte wordt weggegraven voordat met het sondeonderzoek wordt begonnen, wordt er een beschrijving van de weggehaalde lagen gemaakt (verwijderde laag).
3. Het domeinmodel
Basisregistratie Ondergrond (BRO)
Catalogus
Bodemkundig booronderzoek
Inhoudsopgave
Artikel 1. Definitie van registratieobject, entiteiten en attributen
1.1. Registratieobject
1.2. Entiteiten en attributen
1. Booronderzoek
2. Registratiegeschiedenis
3. Aangeleverde locatie
4. Aangeleverde verticale positie
5. Gestandaardiseerde locatie
6.0. Boring
6.1. Boorprocedure
6.2. Verwijderd traject
6.3. Verwijderde laag
6.4. Geboord traject
6.5. Boorapparaat
6.6. Geboord interval
7. Terreintoestand
8.0. Boormonsterbeschrijving
8.1. Boorprofiel
8.2. Strooisellaag
8.3. Bodemlaag
8.4. Laagcomponent
8.5. Grondsoort
8.6. Fractieverdeling
8.7. Verdeling fijne fractie
8.8. Onvolledige fractiespecificatie
8.9. Vast gesteentelaag
8.10. Bodemclassificatie
8.11. Bijzonderheid onderin
Artikel 2. Beschrijving van de enumeraties en codelijsten
2.1. Enumeraties
IndicatieJaNeeOnbekend
2.2. Codelijsten
1. AfwijkendGrondwaterRegime
2. Afzettingskarakteristiek
3. Beschrijflocatie
4. Beschrijfmethode
5. Bijzonderheid
6. BijzonderheidBovenin
7. BijzonderheidLocatie
8. Bodemklasse
9. BodemkundigeGrondsoornaam
10. Boorspoeling
11. Boortype
12. Boornorm
13. Codegroep
14. CoördinaatTransformatie
Coördinaattransformatie
15. Gesteentesoort
16. Grindgehalteklasse
17. Grondwatertrap
18. Horizontcode
19. KaderAanlevering
20. KaderInwinning
21. Kalkklasse
22. Kalkverloopklasse
23. KlasseSchelpmateriegehalte
24. Landgebruik
25. LokaalVerticaalReferentiepunt
26. MethodeLocatiebepaling
27. MethodeVerticalePositiebepaling
28. Monsterhoedanigheid
29. OndergrensZandfractie
30. OndergrondDuinvaaggrond
31. OndergrondVeen
32. OrganischeStofklasse
33. Profielverloop
34. Referentiestelsel
35. Registratiestatus
36. Rijpingsklasse
37. StandaardGrondsoortnaam
38. Stopcriterium
39. Strooiselsoort
40. Textuurklasse
41. Vakgebied
42. Veenklasse
43. Veensoort
44. Vergravingsklasse
45. VerticaalReferentievlak
46. VerwijderdMateriaal
Toelichting
1. Inleiding
De catalogus voor het bodemkundig booronderzoek beschrijft de gegevens die in de registratie ondergrond zijn opgenomen van het booronderzoek dat vanuit het vakgebied van de bodemkunde is uitgevoerd. De catalogus beschrijft de algemene gegevens van dit booronderzoek samen met de gedetailleerde uitwerking van de gegevens van de boormonsterbeschrijving.
Eenbooronderzoek is het geheel van gegevens dat betrekking heeft op een specifiek booronderzoek dat op een specifiek moment en op een specifieke locatie in Nederland is uitgevoerd en onder een bepaalde opdracht is uitgevoerd. De belangrijkste gegevens om het onderzoek te preciseren zijn het vakgebied en de uitgevoerde deelonderzoeken.
Booronderzoek in de basisregistratie ondergrond omvat onderzoek uit vier verschillende vakgebieden. Naast bodemkunde zijn dat geotechniek, geologie en cultuurtechniek. De catalogus voor het registratieobject komt in delen tot stand. Eerst wordt voor ieder vakgebied een catalogus gemaakt. Wanneer de vier catalogi gereed zijn wordt een nieuwe catalogus gemaakt die alle vakgebieden omvat en waarin de ongewenste verschillen zijn weggenomen. Die catalogus geeft een samenhangende beschrijving van het registratieobject booronderzoek.
1.1. Bodemkundig booronderzoek
Bodemkundig booronderzoek heeft tot doel de opbouw en de eigenschappen van het bovenste deel van de ondergrond te onderzoeken. Het perspectief van waaruit dat gebeurt is dat van de landbouw, de landinrichting, het natuurbeheer of de winning van oppervlaktedelfstoffen. Bij uitzondering is het doel er één van meer wetenschappelijke aard.
Het onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van projecten die zich richten op een bepaald gebied. Veel van het onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van bodemkartering.
1.2. Boren
Booronderzoek omvat vormen van onderzoek die ermee beginnen dat de ondergrond door boren wordt ontsloten. Wat onder boren moet worden verstaan is in de bodemkunde triviaal, het is het maken van een gat met behulp van een apparaat dat we een boor noemen. In bodemkundig onderzoek wordt de boor altijd met de hand de grond in gedreven
1.3. Deelonderzoeken
Bodemkundig booronderzoek omvat ten hoogste drie van de vier deelonderzoeken die in booronderzoek kunnen worden onderscheiden en dat zijn de boormonsterbeschrijving, de boormonsterfotografie en de boormonsteranalyse. Het vierde deelonderzoek, de boorgatlogging, het onderzoek waarin het boorgat wordt bemeten, wordt nooit uitgevoerd. Van de drie deelonderzoeken is alleen de boormonsterbeschrijving in deze versie van de catalogus opgenomen (figuur 1). De beschrijving is gebaseerd op de Handleiding bodemgeografisch onderzoek, richtlijnen en voorschriften (1995), uitgegeven door DLO Staring Centrum, nu Wageningen Environmental Research.
2. Belangrijkste entiteiten
2.1. Booronderzoek
Deze entiteit draagt de naam van het registratieobject zelf en bevat de gegevens die het booronderzoek identificeren en allerlei administratieve gegevens die betrekking hebben op onder meer de herkomst van het onderzoek in de registratie. Zo geeft het informatie over het doel waarvoor het onderzoek is uitgevoerd (kader inwinning), en de grondslag voor de verplichting tot aanlevering (kader aanlevering).
Booronderzoek begint eigenlijk altijd met activiteiten in het veld en die worden in bepaalde gevallen gevolgd door activiteiten binnenshuis, veelal in een laboratorium. Er is maar een geval waarin er geen werkzaamheden in het veld worden uitgevoerd en dat is wanneer booronderzoek gebruik maakt van de resultaten uit eerder veldwerk of uit veldwerk dat voor een andere opdrachtgever is uitgevoerd1De eisen die voor de gegevens van deze vorm van booronderzoek moeten gelden zijn nog niet vastgesteld..
2.2. Registratiegeschiedenis
De registratiegeschiedenis van een booronderzoek geeft de essentie van de geschiedenis van het object in de registratie ondergrond, de zgn. formele geschiedenis. De registratiegeschiedenis vertelt bijvoorbeeld wanneer voor het eerst gegevens van het object zijn geregistreerd en of er na registratie correcties zijn doorgevoerd.
2.3. Boring
De activiteiten in het veld houden altijd in dat er op een bepaalde datum een boring wordt gezet. Het is van belang te weten hoe er geboord is en met welke apparatuur, welk deel van de ondergrond is doorboord, en welk deel is verwijderd voordat met boren is begonnen.
2.3. Terreintoestand
Voor of tijdens het boren kunnen in het veld waarnemingen worden gedaan die deel uitmaken van het booronderzoek. Die waarnemingen hebben betrekking op de toestand van het terrein.
2.4. Boormonsterbeschrijving
Boormonsterbeschrijving is het deelonderzoek dat betrekking heeft op beschrijven van de monsters met als doel een boorprofiel te maken en, omdat het om een bodemkundige beschrijving gaat, een bodemclassificatie.
2.5. Boorprofiel
Het boorprofiel is het eerste resultaat van de boormonsterbeschrijving. Het beschrijft de laagopbouw van het doorboorde deel van de ondergrond en het eventueel daarop liggende strooisel.
In figuur 2 is geschetst hoe het boorprofiel tot stand komt.
Van iedere bodemlaag wordt de grondsoort en de horizontcode en meestal ook de verdeling van de verschillende korrelgroottefracties beschreven. Voor de grondsoort worden in de bodemkunde soms andere namen gebruikt dan in andere vakgebieden.
2.6. Bodemclassificatie
De bodemclassificatie is het tweede resultaat van de boormonsterbeschrijving. Het is in essentie een samenvatting van de informatie die in het boorprofiel is vastgelegd. Het geeft specialisten direct inzicht in het type bodem ter plaatse.
3. Het domeinmodel
Basisregistratie Ondergrond (BRO)
Catalogus
Booronderzoek – Geotechnische boormonsteranalyse & Geotechnische boormonsterbeschrijving
Inhoudsopgave
Artikel 1. Definitie van registratieobject, entiteiten en attributen
1.1. Registratieobject
1.2. Entiteiten en attributen
1. Booronderzoek
2. Registratiegeschiedenis
3.0. Rapportagegeschiedenis
3.1. Tussentijdse gebeurtenis
4. Aangeleverde locatie
5. Aangeleverde verticale positie
6. Gestandaardiseerde locatie
7.0. Boring
7.1. Weggegraven laag
7.2. Geboord interval
7.3. Boorsnelheid
7.4. Bemonsterd interval
7.5. Bemonsteringsapparaat
7.6. Kernopbrengst
7.7. Verontreinigd interval
7.8. Afgewerkt interval
8. Terreintoestand
9. Sliblaag
10.0. Boormonsterbeschrijving
10.1. Boorprofiel
10.2. Laag
10.3. Grond
10.4. Korrelvorm
10.5. Gesteente
10.6. Verweringsgraad
10.7. Niet beschreven interval
10.8. Post-sedimentaire discontinuïteit
11.0. Boormonsteranalyse
11.1. Onderzocht interval
11.2. Onderzocht materiaal
11.3. Bepaling verticale vervorming
11.4. Bepalingsstap
11.5. Verticale vervorming
11.6. Bepaling maximale ongedraineerde schuifsterkte
11.7. Bepaling korrelgrootteverdeling
11.8. Basis korrelgrootteverdeling
11.9. Standaardverdeling fractie kleiner63um
11.10 Uitgebreide verdeling fractie kleiner63um
11.11. Standaardverdeling fractie groter63um
11.12. Uitgebreide verdeling fractie groter63um
11.13. Bepaling watergehalte
11.14. Resultaat bepaling
11.15. Bepaling organischestofgehalte
11.16. Bepaling kalkgehalte
11.17. Bepaling volumieke massa
11.18. Bepaling volumieke massa vaste delen
Artikel 2. Beschrijving van de enumeraties en codelijsten
2.1. Enumeraties
2.2. Codelijsten
1. Aanvulmateriaal
2. Analyseprocedure
3. Apparaattype
4. Bemonsteringskwaliteit
5. Bemonsteringsmethode
6. Bemonsteringsprocedure
7. Bepalingsdiameter
8. Bepalingsmethode
9. BepalingsmethodeEquivalenteMassa
10. Bepalingsprocedure
11. BeschrevenMateriaal
12. Beschrijfkwaliteit
13. Beschrijflocatie
14. Beschrijfprocedure
15. BijzonderBestanddeel
16. BijzonderGesteentebestanddeel
17. BijzonderheidMateriaal
18. BijzonderheidResultaat
19. BijzonderheidUitvoering
20. BijzonderMateriaal
21. Bodemgebruik
22. Boorprocedure
23. Boortechniek
24. Breedteklasse
25. Buismateriaal
26. Cementsoort
27. ConsistentieFijneGrond
28. ConsistentieOrganischeGrond
29. Coördinaattransformatie
30. Desintegratie
31. DisperseInhomogeniteit
32. Dispersiemethode
33. Droogtemperatuur
34. Droogtijd
35. FijnGrindGehalteklasse
36. Fractieverdeling
37. GebruiktMedium
38. GelaagdeInhomogeniteit
39. Gelaagdheid
40. GeotechnischeAfzettingskarakteristiek
41. GeotechnischeGrondsoort
42. Gesteentesoort
43. Grensbepaling
44. GrindgehalteklasseNEN5104
45. Grindmediaanklasse
46. GrondsoortNEN5104
47. Groottefractie
48. Hoekigheid
49. Holteverdeling
50. InhoudMonsterhouder
51. KaderAanlevering
52. KaderInwinning
53. KaderstellendeProcedure
54. Kalkgehalteklasse
55. Kleur
56. LiggingOpGrondlichaam
57. LokaalVerticaalReferentiepunt
58. MatigGrofGrindGehalteklasse
59. MethodeLocatiebepaling
60. MethodePositiebepalingSliblaag
61. MethodeVerticalePositiebepaling
62. Monsterkwaliteit
63. Monstervochtigheid
64. NaamGebeurtenis
65. Omzetting
66. Opvulmateriaal
67. Organischestofgehalteklasse
68. OrganischestofgehalteklasseNEN5104
69. OuderdomAfzetting
70. RedenNietBeschreven
71. Referentiestelsel
72. Registratiestatus
73. Ringdiameter
74. Ruwheid
75. Sfericiteit
76. Spoelingtoeslag
77. Stabiliteit
78. Sterkteklasse
79. Stopcriterium
80. TextuurOrganischeGrond
81. TijdelijkeVerandering
82. ToegepastOptischModel
83. TreksterkteVeen
84. TypeAnalyse
85. TypeDiscontinuïteit
86. TypeIngreep
87. TypeVermenging
88. Vakgebied
89. Veensoort
90. Verkleuring
91. VerticaalReferentievlak
92. VerwijderdMateriaal
93. Voorbehandeling
94. Voorbereiding
95. Wandwrijvingcorrectiemethode
96. WeggegravenMateriaal
97. Zandmediaanklasse
98. ZandspreidingNEN5104
99. ZeerGrofGrindGehalteklasse
100. Zoutcorrectiemethode
Toelichting
1. Inleiding
De catalogus voor het geotechnisch booronderzoek beschrijft de gegevens die in de registratie ondergrond zijn opgenomen van het booronderzoek dat vanuit het vakgebied van de geotechniek is uitgevoerd. De catalogus beschrijft de algemene gegevens van dit booronderzoek samen met de gedetailleerde uitwerking van de gegevens van de boormonsterbeschrijving, en van een deel van de gegevens die voortkomen uit het analyseren van boormonsters.
Booronderzoek in de basisregistratie ondergrond omvat onderzoek uit vier verschillende vakgebieden. Naast geotechniek zijn dat bodemkunde, geologie en cultuurtechniek. De catalogus voor het registratieobject komt in delen tot stand. Eerst wordt voor ieder vakgebied een catalogus gemaakt. Wanneer de vier catalogi gereed zijn wordt een nieuwe catalogus gemaakt die alle vakgebieden omvat en waarin de ongewenste verschillen zijn weggenomen. Die catalogus geeft een samenhangende beschrijving van het registratieobject booronderzoek.
1.1. Geotechnisch booronderzoek
Geotechnisch booronderzoek wordt uitgevoerd in het kader van projecten in de grond-, weg- en waterbouw en in de woning- en utiliteitsbouw. Het onderzoek heeft tot doel de opbouw en de eigenschappen van de ondergrond te onderzoeken om de locatie, het ontwerp, de uitvoering of de toestand van bouwwerken te kunnen vaststellen. Het kan een verkennend karakter hebben en dan is het veelal voldoende de opbouw van de ondergrond globaal te bepalen. Vaker wil men precies weten hoe de ondergrond is opgebouwd en uit welk soort materiaal die bestaat en laat men monsters onderzoeken om bepaalde eigenschappen te bepalen om die in allerlei berekeningen te kunnen gebruiken. Het uiteindelijke doel daarbij is bijvoorbeeld het draagvermogen, het zettingsgedrag of de stabiliteit van de ondergrond in algemenere zin te bepalen of aspecten als de erosiebestendigheid.
De verscheidenheid in geotechnisch booronderzoek is groot. Het wordt zowel op land als op zee uitgevoerd en kan tot wel 150 meter diepte onder maaiveld of waterbodem reiken. In het grootste deel van Nederland bestaat de ondergrond op die diepte uit grond, maar in het zuiden en oosten wordt op bepaalde plaatsen het gesteente bereikt.
Voorts beperkt geotechnisch onderzoek zich niet tot de natuurlijke ondergrond, maar richt het zich ook op grondlichamen die door de mens zijn neergelegd.
Om de informatie die voortkomt uit geotechnisch booronderzoek te kunnen standaardiseren zijn grenzen gesteld aan de verscheidenheid en worden niet alle resultaten of alle vormen van onderzoek in de basisregistratie ondergrond opgenomen. Het accent ligt op standaard geotechnisch booronderzoek. Wat dat inhoudt is in de gegevensdefinitie2In de huidige versie geldt dit alleen voor de boormonsterbeschrijving. Voor boormonsteranalyse is nu maar een deel van de standaardbepalingen opgenomen. vastgelegd. Uitgangspunt daarbij is dat de informatie in de basisregistratie ondergrond alleen betrekking heeft op boringen die verticaal bedoeld zijn. Gegevens die niet onder het standaard onderzoek vallen zijn niet opgenomen. Wanneer de grenzen verlegd worden, en dat zal in de toekomst zeker gebeuren, zal de gegevensdefinitie moeten worden aangepast.
Geotechnisch booronderzoek is een van de vier soorten booronderzoek in de basisregistratie ondergrond en het komt voor dat booronderzoek vanuit een combinatie van vakgebieden is uitgevoerd. De bijzondere eisen die voor een dergelijke combinatie gelden, worden in de catalogus die voor het booronderzoek in zijn geheel gaat gelden vastgelegd.
Archeologisch en milieukundig booronderzoek vallen buiten het bereik van de basisregistratie ondergrond. Wanneer geotechnisch onderzoek wordt gecombineerd met archeologisch of milieukundig onderzoek wordt alleen het geotechnische onderzoek in de basisregistratie ondergrond opgenomen. In zo’n geval wordt wel gepreciseerd dat slechts een deel van de resultaten is geregistreerd.
1.2. Boren
Booronderzoek omvat vormen van onderzoek die ermee beginnen dat de ondergrond door boren wordt ontsloten. Wat onder boren moet worden verstaan is in verreweg de meeste gevallen triviaal, het is het maken van een gat met behulp van een apparaat dat we een boor noemen. In de definities wordt duidelijk dat er ook andere manieren zijn om een gat in de ondergrond te maken en die worden gemakshalve toch tot het boren gerekend. Er worden ook gaten in de ondergrond gemaakt met afwijkende methoden die buiten het bereik van deze catalogus vallen. Dat zijn allemaal methoden die op water worden gebruikt en die tot doel hebben een hap uit de waterbodem te nemen. Apparaten die daarvoor gebruikt worden zijn bijvoorbeeld de boxcorer en de Van Veen-bodemhapper. Onderzoek dat gebaseerd is op dergelijke technieken valt buiten het bereik van de basisregistratie ondergrond en de reden daarvoor is dat de resultaten een zeer geringe waarde voor hergebruik hebben, omdat de diepte van het bemonsterde interval niet goed bepaald is en de waterbodem binnen korte tijd kan veranderen.
1.3. Kwaliteit van monsters
De gegevens over de opbouw en de eigenschappen van de ondergrond die uit geotechnisch booronderzoek voortkomen, zijn gebaseerd op monsters die uit de ondergrond genomen zijn. Voor het hergebruik van de gegevens is het van belang te weten in welke mate de monsters waarop de waarnemingen en metingen zijn gebaseerd representatief geacht kunnen worden voor de situatie in-situ. Anders gezegd, voor hergebruik is het van belang de kwaliteit van de monsters vast te leggen.
De kwaliteit van de monsters is van een groot aantal factoren afhankelijk: hoe er geboord is, hoe de monsters genomen zijn, met wat voor apparaat, hoe de monsters boven de grond zijn behandeld, getransporteerd en opgeslagen. De gegevens over het boren, bemonsteren en de relevante specificaties van het apparaat zijn in deze catalogus opgenomen. Die gegevens bepalen het maximaal te bereiken kwaliteitsniveau. Om die kwaliteit in het verdere proces te kunnen behouden, zijn binnen het werkveld procedures opgesteld. Monsters worden ingedeeld in categorieën en voor iedere categorie is vastgelegd hoe de monsters behandeld moeten worden vanaf het moment dat ze boven de grond zijn gekomen. In de catalogus wordt verwezen naar die procedures. In hoeverre de kwaliteit op het moment dat de monsters worden beschreven of geanalyseerd afwijkt van de initiële kwaliteit, wordt vastgelegd als onderdeel van het onderzoek.
De eisen die een gebruiker van de basisregistratie aan de gegevens over de kwaliteit van monsters stelt worden vooral bepaald door het detail dat hij zoekt. Wil de gebruiker een globaal inzicht in de opbouw van de ondergrond verkrijgen, dan zal het voldoende zijn te weten of de monsters geroerd of ongeroerd zijn. Wil een geotechnisch adviseur gegevens uit de boormonsteranalyse gebruiken in berekeningen, dan zal hij de details willen kennen om de waarde van een gegeven te kunnen bepalen.
1.4. Deelonderzoeken
Geotechnisch booronderzoek omvat gewoonlijk drie van de vier deelonderzoeken die in booronderzoek kunnen worden onderscheiden en dat zijn de boormonsterbeschrijving, de boormonsterfotografie en, de boormonsteranalyse. Het vierde deelonderzoek, de boorgatlogging, het onderzoek waarin het boorgat wordt bemeten, wordt weinig uitgevoerd. Van de vier deelonderzoeken zijn er twee in deze versie van de catalogus opgenomen, de boormonsterbeschrijving en de boormonsteranalyse (figuur 1).
In de boormonsterbeschrijving wordt het materiaal dat uit de ondergrond naar boven is gehaald, beschreven op een manier die inzicht geeft in de opbouw van de ondergrond en de globale eigenschappen ervan. In het laboratorium worden allerlei proeven uitgevoerd om de samenstelling en een grote verscheidenheid aan eigenschappen nauwkeurig te bepalen. De verscheidenheid aan bepalingen is groot en iedere bepaling vraagt een eigen definitie. Dat vergt tijd en om die reden wordt de standaardisatie van boormonsteranalyse in twee fasen gerealiseerd. Deze versie van de catalogus dekt alleen de bepalingen uit de eerste fase.
1.5. Verandering in de beschrijfprocedure van grond
Sinds 2017 is onder verantwoordelijkheid van NEN gewerkt aan een Nederlandse annex op NEN-EN-ISO 14688-1. Dat deel van de norm gaat over de identificatie van grond en vervangt binnen de wereld van de geotechniek NEN 5104. De verandering is groot omdat er op een manier naar grond wordt gekeken die wezenlijk anders is dan wat gebruikelijk was. In NEN-EN-ISO 14688-1 is de identificatie van grond geheel en al gebaseerd op visuele en tactiele waarneming, op zien en voelen. Bij het voelen staan de aspecten centraal die over het gedrag van grond gaan.
De oude NEN 5104 was eerder een classificatiesysteem waarmee het mogelijk was een willekeurig mengsel precies te benoemen wanneer het gehalte aan grind, zand, silt, lutum en organische stof nauwkeurig was bepaald. Die benadering werkt prima wanneer de gehaltes werkelijk gemeten zijn door proeven uit te voeren. Om de benadering toe te passen bij het beschrijven van monsters gebaseerd op alleen zintuigelijke waarneming, moesten referentiemonsters waarvan de samenstelling door metingen was bepaald gebruikt worden. Dat bleef in de praktijk dikwijls achterwege. Bovendien kende de methode bezwaren van meer fundamentele aard, waardoor al lange tijd werd ervaren dat de norm niet meer goed aansloot op de eisen van het geotechnisch werkveld.
1.6. Gevolgen van de verandering
In de basisregistratie ondergrond kunnen niet alleen beschrijvingen die onder NEN-EN-ISO 14688-1 zijn gemaakt, maar ook beschrijvingen die onder NEN 5104 zijn gemaakt worden geregistreerd. De verandering in de methode van beschrijven maakt dat het verschil tussen een boormonsterbeschrijving die onder NEN 5104 tot stand is gekomen en een die onder NEN-EN-ISO 14688 is gemaakt groot is. Onder NEN 5104 worden minder gegevens vastgelegd, is de samenhang minder strikt geborgd en kan de betekenis van gegevens anders zijn. Sommige gegevens kunnen alleen bestaan onder NEN 5104, andere gegevens kunnen juist niet bestaan onder die norm. Een ander verschil is dat de nieuwe methode een strikt onderscheid maakt tussen gegevens die uit het beschrijven en de gegevens die uit het meten voortkomen. In het verleden was dat niet het geval met als gevolg dat niet altijd duidelijk is waarop de gegevens van een oude beschrijving berusten.
Overigens valt een boormonsterbeschrijving die onder NEN 5104 tot stand is gekomen per definitie onder booronderzoek met kwaliteitsregime IMBRO/A.
1.7. Beschrijving van gesteente
Hoewel het meeste geotechnisch booronderzoek zich richt op grond, kan het ook betrekking hebben op gesteente of een combinatie van grond en gesteente. De procedures voor het beschrijven van grond en gesteente verschillen; in de beschrijfwijze van gesteente is de afgelopen jaren geen verandering gekomen. Voor gesteente geldt sinds 2004 NEN-EN-ISO 14689, en in februari 2018 is daarvan een nieuwe versie gepubliceerd. Voor deze norm bestaat geen Nederlandse annex. Wel is de totstandkoming van de Nederlandse annex op NEN-EN-ISO 14688-1 aangegrepen om binnen Nederland af te spreken welke gegevens van gesteente moeten worden vastgelegd. Het resultaat is in deze catalogus opgenomen.
2. Belangrijkste entiteiten
2.1. Booronderzoek
Booronderzoekis het geheel van gegevens dat betrekking heeft op een specifiek booronderzoek dat op een specifiek moment gekoppeld aan een specifieke locatie in Nederland onder een bepaalde opdracht is uitgevoerd. De belangrijkste gegevens om het onderzoek te preciseren zijn het vakgebied en de uitgevoerde deelonderzoeken.
Booronderzoek begint eigenlijk altijd met activiteiten in het veld en die worden in bepaalde gevallen gevolgd door activiteiten binnenshuis, veelal in een laboratorium. Er is maar een geval waarin er geen werkzaamheden in het veld worden uitgevoerd en dat is wanneer booronderzoek gebruik maakt van de resultaten uit eerder veldwerk of uit veldwerk dat voor een andere opdrachtgever is uitgevoerd3De eisen die voor de gegevens van deze vorm van booronderzoek moeten gelden zijn nog niet vastgesteld..
2.2. Registratiegeschiedenis
De registratiegeschiedenis van een booronderzoek geeft de essentie van de geschiedenis van het object in de registratie ondergrond, de zgn. formele geschiedenis. De registratiegeschiedenis vertelt bijvoorbeeld wanneer voor het eerst gegevens van het object zijn geregistreerd en of er na registratie correcties zijn doorgevoerd.
2.3. Rapportagegeschiedenis
De resultaten van het booronderzoek worden niet in een keer maar per deelonderzoek gerapporteerd. Wanneer een deelrapport dat onder de wettelijke verplichtingen valt door de bronhouder is geaccepteerd, wordt het ter registratie aan de landelijke voorziening aangeboden. De rapportagegeschiedenis geeft de essentie van het verloop van de rapportage en vormt de zgn. materiële geschiedenis van het object booronderzoek.
2.4. Boring
De kernactiviteit in het veld is het maken van het gat, de boring. Voor het onderzoek is het van het grootste belang de gegevens vast te leggen die van invloed zijn op de uiteindelijke resultaten van het onderzoek. Daarnaast betekent boren dat men de toestand van de ondergrond verandert. Om de gevolgen van die ingreep later te kunnen beoordelen is het van belang te weten hoe men de ondergrond heeft achtergelaten.
Aan het maken van een boorgat kunnen voorbereidende werkzaamheden zijn voorafgegaan. Het weggraven van materiaal is een bijzondere vorm van voorbereiding omdat daaruit ook gegevens over de opbouw van de ondergrond kunnen voortkomen. Wanneer het weggegraven materiaal globaal is beschreven wordt dat apart vastgelegd (Weggegraven laag) en niet als onderdeel van het deelonderzoek Boormonsterbeschrijving.
Bij het boren gebruikt men een bepaalde techniek om het apparaat dat men gekozen heeft de grond in te drijven. Bij verkennend onderzoek dat zich tot geringe diepte beperkt boort men vaak met de hand, voor ander onderzoek gebeurt dat veelal mechanisch. Tijdens het boren kan men herhaaldelijk van techniek wisselen, en voor een goed begrip van de onderzoeksresultaten is het van belang te weten welk deel van de ondergrond met welke techniek is doorboord (Geboord interval).
Wanneer men tevoren weet dat men in gesteente gaat boren wordt ook de Boorsnelheid vastgelegd. Die geeft namelijk informatie over de opbouw van de ondergrond.
Het doel van het boren is dat er monsters uit de ondergrond worden gehaald. Dat kan op allerlei manieren gebeuren en tijdens het boren kan men herhaaldelijk van manier wisselen (Bemonsterd interval).
Heeft men kernen genomen in gesteente dan wordt ook de opbrengst van het gekernde traject vastgelegd (Kernopbrengst).
Tijdens het boren kan men constateren dat er in bepaalde intervallen sporen van verontreiniging voorkomen (Verontreinigd interval) en dat wordt dan vastgelegd om latere gebruikers te kunnen informeren.
Wanneer men ten slotte klaar is met boren kan het ontstane gat op een bepaalde manier worden afgewerkt. Dat kan weer per diepte-interval verschillen (Afgewerkt interval).
2.5. Bemonsteringsapparaat
In het geval men monsters gestoken of gekernd heeft worden ook specificaties vastgelegd van het apparaat dat daarvoor gebruikt is. In figuur 2 en figuur 3 wordt geïllustreerd wat de belangrijkste kenmerken zijn.
2.6. Terreintoestand
Voor, tijdens of direct na het boren kunnen in het veld waarnemingen worden gedaan die deel uitmaken van het booronderzoek. Die waarnemingen hebben betrekking op de toestand van het terrein. Dat begrip wordt in nogal ruime zin opgevat en dekt alle gegevens die vastgelegd worden om een goed begrip te krijgen van de ruimtelijke context waarbinnen het onderzoek is uitgevoerd.
2.7. Sliblaag
Bij boren op water kan er op de waterbodem een laag slib blijken te liggen. Wanneer dat voor het onderzoek relevant geacht is, worden enkele kenmerken daarvan vastgelegd.
2.8. Boormonsterbeschrijving
Boormonsterbeschrijving is het deelonderzoek dat betrekking heeft op het beschrijven van de monsters met als doel een of meer boorprofielen te maken. Er kunnen twee procedures gelden, omdat het beschrijven van grond en gesteente gecombineerd kan worden.
Historische beschrijvingen van grond die onder NEN 5104 gemaakt zijn, verschillen fundamenteel van beschrijvingen van grond onder NEN-EN-ISO 14688-1. In het eerste geval is altijd sprake van één boorprofiel, in het tweede geval kunnen binnen een onderzoek drie verschillende boorprofielen gemaakt zijn.
2.9. Boorprofiel
Een boorprofiel is een resultaat van de boormonsterbeschrijving en beschrijft de laagopbouw van het deel van de ondergrond dat bemonsterd is.
Een boorprofiel heeft een bepaalde beschrijfkwaliteit. Onder NEN 5104 heeft dat begrip eigenlijk geen onderscheidende waarde, omdat er altijd maar een profiel is. De kwaliteit daarvan wordt niet gespecificeerd omdat gewoonlijk niet meer te achterhalen is waarop de gegevens precies zijn gebaseerd.
Onder NEN-EN-ISO 14688-1 heeft het begrip beschrijfkwaliteit wel onderscheidende waarde. Het betekent dat de kwaliteit van de monsters waarop de beschrijving gebaseerd is en de mate van detail in de beschrijving over het hele profiel vergelijkbaar zijn. Figuur 4 illustreert het geval waarin een booronderzoek twee boorprofielen oplevert.
Een geval waarin een boormonsterbeschrijving NEN-EN-ISO 14688-1 twee boorprofielen oplevert is wanneer op een bepaalde plaats een boring is gezet die op twee manieren bemonsterd is. Over het hele boortraject zijn monsters met een relatief lage kwaliteit, geroerde monsters, genomen. Daarnaast zijn van bepaalde dieptes monsters met een hoge kwaliteit, ongeroerde monsters, verkregen. Het verschil in kwaliteit is zo groot dat de monsters apart beschreven moeten worden. In het eerste geval ontstaat een continu profiel, in het tweede een discontinu profiel.
Een derde profiel is nodig wanneer bovendien een deel van de monsters, gewoonlijk uit het bovenste deel van de ondergrond, beschreven is onder de eisen die aan verkennend onderzoek zijn gesteld. Die eisen zijn laag en dekken maar een deel van kenmerken.
Het uitgangspunt is in alle gevallen dat het boorprofiel alle met een bepaalde kwaliteit bemonsterde intervallen dekt en het hele traject compleet in lagen is beschreven. Het kan echter zijn dat dit niet gelukt is, bijvoorbeeld omdat er per ongeluk een monster verdwenen is. De intervallen die niet beschreven konden worden, worden expliciet in het profiel opgenomen (Niet-beschreven interval) en de reden waarom het niet beschreven is wordt vastgelegd.
2.10. Laag
De belangrijkste entiteiten in een boorprofiel zijn de lagen. Iedereen die de ondergrond beschrijft beschouwt de ondergrond als opgebouwd uit lagen. De dikte daarvan varieert met de schaal waarop men de ondergrond wil beschrijven. In de beschrijving van boormonsters zou men de doorsnijding kunnen waarnemen van lagen met de dikte die varieert van een millimeter tot tientallen meters.
De praktijk is anders. De lagen in het boorprofiel zijn niet altijd waargenomen lagen of de doorsnijding daarvan. Vaak zijn het beschrijfeenheden en dat zijn in zekere zin artefacten omdat ze het resultaat zijn van de procedurele afspraken die in NEN-EN-ISO 14688 zijn vastgelegd. Daarin is de minimale dikte van een laag in de beschrijving op 2 cm gesteld en de maximale op 100 cm.
Onder NEN 5104 is niet vastgelegd op welke wijze de grenzen van lagen zijn bepaald. Ook zijn er geen beperkingen gesteld aan de laagdikte. Veiligheidshalve zou men de lagen die onder NEN 5104 beschreven zijn, altijd moeten beschouwen als beschrijfeenheden.
Lagen hebben een boven- en ondergrens, zijn van menselijke of natuurlijke oorsprong en bestaan uit een bepaald materiaal. In de geotechniek wordt onderscheid gemaakt tussen grond en gesteente enerzijds en bijzonder (lees: ander) materiaal anderzijds. Van bijzonder materiaal worden geen details vastgelegd, van grond en gesteente wel. Het onderscheid tussen grond en gesteente speelt alleen in bepaalde delen van Nederland. Grond bestaat uit los materiaal of uit materiaal dat met de hand vervormd kan worden. Gesteente bestaat uit vast materiaal dat niet met de hand vervormd kan worden. Dat onderscheid is in de meeste gevallen voldoende, maar uiteindelijk is er vaak sprake van een geleidelijke overgang van grond naar gesteente en kunnen aspecten als uitdroging en verwering het onderscheid verder bemoeilijken. In de praktijk moet men, wanneer een monster zo hard is dat bekrassen met een duimnagel er alleen een kerf in achterlaat, beslissen of men het als gesteente of grond wil beschrijven.
Omdat een laag in veel gevallen een beschrijfeenheid is kan een laag weer uit laagjes zijn opgebouwd en die laagjes kunnen in samenstelling verschillen.
2.11. Grond
Onder NEN-EN-ISO 14688-1 worden van grond altijd de grondsoort, de kleur en het al dan niet voorkomen van sporen van beworteling vastgelegd. Welke kenmerken er verder worden vastgelegd hangt af van de beschrijfkwaliteit, de kwaliteit van de monsters en de grondsoort.
Onder NEN 5104 wordt altijd de grondsoort vastgelegd en afhankelijk van de grondsoort ook het gehalte aan grind en organische stof, maar dat alles volgens een eigen systematiek. Wat er verder wordt vastgelegd is onder NEN 5104 niet voorbepaald.
2.12. Gesteente
Van gesteente worden altijd de gesteentesoort, de eventueel voorkomende bijzondere bestanddelen, het soort cement, de kleur, de kalkgehalteklasse en de sterkteklasse vastgelegd.
2.13. Post-sedimentaire discontinuïteit
De laagopbouw kan verstoord zijn doordat discontinuïteiten de lagen doorsnijden. Wanneer de laagopbouw ondanks de verstoring nog goed te beschrijven is, worden naast de lagen ook de kenmerken van de discontinuïteit vastgelegd. Als door verstoring de beschrijving van de laagopbouw praktisch onmogelijk is, wordt het verstoorde interval niet beschreven.
2.14. Boormonsteranalyse
Boormonsteranalyse is het deelonderzoek dat betrekking heeft op het doen van metingen aan boormonsters. Bijna zonder uitzondering worden de metingen in een laboratorium uitgevoerd. Deze versie van de catalogus dekt maar een deel van de veelheid aan bepalingen die in standaard geotechnisch booronderzoek uitgevoerd kunnen worden en bovendien zijn alleen bepalingen opgenomen die aan grond en bijzonder materiaal worden uitgevoerd. Analyse van gesteente is buiten beschouwing gelaten.
2.15. Onderzocht interval
In de boormonsteranalyse worden aan een of meer intervallen bepalingen gedaan, de onderzochte intervallen. De kwaliteit van het monster en de beschikbare hoeveelheid materiaal bepalen in eerste instantie wat er allemaal van een interval kan worden bepaald. De beperking in hoeveelheid materiaal betekent dat bepaalde bepalingen elkaar in de praktijk uitsluiten en dat bepalingen die wel gecombineerd kunnen worden elkaar veelal in een strikte volgorde moeten opvolgen.
In sommige gevallen vereist een bepaling een niet verstoord monster. Het deel dat moet worden geanalyseerd, het proefstuk, wordt uit het monster genomen en de rest wordt beschreven. Wanneer de volledige doorsnede van het monster wordt gebruikt, blijft er een gat in het monster achter dat niet beschreven kan worden (zie figuur 5). Het proefstuk gaat onbeschreven de bepaling in en het materiaal wordt na uitvoering van de bepaling beschreven door degene die de bepaling heeft uitgevoerd. De kwaliteit van het materiaal is dan ingrijpend veranderd en niet langer vergelijkbaar met dat van de niet onderzochte intervallen. Daarom wordt de beschrijving van het materiaal waaruit het proefstuk bestaat, als onderdeel van de boormonsteranalyse vastgelegd en niet opgenomen in de boormonsterbeschrijving.
Welke bepalingen er zijn uitgevoerd, wordt voor ieder interval vastgelegd. Deze catalogus bestrijkt een deel van het geheel aan bepalingen dat in standaard geotechnisch onderzoek kan worden uitgevoerd. Het gaat om een aantal basisparameters die op de toestand of de samenstelling van het materiaal betrekking hebben, en om de korrelgrootteverdeling, de verticale vervorming en de maximale ongedraineerde schuifsterkte.
Iedere bepaling die als onderdeel van de boormonsteranalyse wordt uitgevoerd, is aan een bepaalde procedure onderworpen en wordt volgens een bepaalde methode uitgevoerd. Wanneer er in de uitvoering keuzen worden gemaakt die voor de gebruiker van de gegevens relevant kan zijn, worden die vastgelegd. Datzelfde geldt voor de eventuele bijzonderheden die zich tijdens de uitvoering voordoen of die men na afloop constateert door het materiaal te bekijken.
2.16. Onderzocht materiaal
Het materiaal waaruit een proefstuk bestaat dat de volledige doorsnede van een niet verstoord monster omvat, wordt pas na afloop van de bepaling beschreven (zie figuur 5). Het resultaat wordt apart vastgelegd en alleen de aspecten die na afloop van de bepaling nog als representatief voor het oorspronkelijk monster kunnen worden beschouwd, worden beschreven. In het uitzonderlijke geval dat het interval uit bijzonder materiaal bestaat, wordt alleen de naam van het materiaal vastgelegd.
2.17. Bepaling van de verticale vervorming
Voor het bepalen van de mate van vervorming die een proefstuk bij belasting in verticale richting ondergaat worden twee methoden toegepast. Daarvan is er een, het stapsgewijs samendrukken van het materiaal in de zgn. samendrukkingsproef, in deze versie van de catalogus uitgewerkt. De bepaling van de verticale vervorming vereist een niet verstoord proefstuk en wordt alleen bepaald van cohesief materiaal en dat wil zeggen materiaal dat samenhang vertoont doordat het een zekere consistentie heeft. De mate waarin het proefstuk vervormt wordt bepaald door de belasting die het materiaal al in de ondergrond heeft ondergaan, door de opgelegde drukspanning en de eigenschappen van het materiaal, met name de weerstand van het korrelskelet4Onder korrelskelet wordt verstaan het vaste materiaal en het daaraan gebonden water. tegen drukspanning. De snelheid van de vervorming wordt voornamelijk bepaald door de snelheid waarmee het in het materiaal aanwezige water uitgeperst kan worden en daarmee de waterdoorlatendheid.
De bepaling verloopt stapsgewijs. In een bepalingsstap wordt het proefstuk een bepaalde drukspanning opgelegd door het gedurende een bepaalde tijd te belasten. De verandering in de hoogte van het proefstuk (verticale rek) wordt over de duur van de stap met regelmatige tussenpozen gemeten. Het materiaal krijgt de gelegenheid zich aan te passen aan de opgelegde drukspanning en een stap duurt ten minste 24 uur en bij uitzondering langer dan 48 uur. De bepaling omvat ten minste vijf stappen, en normaliter is de belasting in iedere stap anders.
De registratie van de metingen vindt geautomatiseerd plaats en er worden gewoonlijk bepaalde correcties toegepast. Wanneer het proefstuk de volledige doorsnede van een monster beslaat, wordt het samengedrukte materiaal na afloop van de bepaling beschreven.
2.18. Bepaling van de maximale ongedraineerde schuifsterkte
De maximale schuifsterkte is de schuifspanning waarbij materiaal bezwijkt. Ongedraineerd wil zeggen dat het water dat in het materiaal aanwezig is, er tijdens de bepaling in blijft zitten. Het water neemt dan een deel van de opgelegde spanning op.
De maximale ongedraineerdeschuifsterkte wordt alleen bepaald van cohesief materiaal. Er wordt een handvin (torvane) of een zakpenetrometer gebruikt. Dat zijn eenvoudige apparaten en de proeven kunnen snel en goedkoop uitgevoerd worden.
Bepalingen met deze apparaten leveren indicatieve waarden. Een enkelvoudige bepaling is altijd een puntmeting. Standaard wordt op twee verschillende punten in het monster een meting uitgevoerd en wordt het gemiddelde van de metingen vastgelegd.
2.19. Bepaling van de korrelgrootteverdeling
Voor de korrelgrootteverdeling wordt de samenstelling van het materiaal bepaald vanuit het perspectief dat grond een mengsel van minerale deeltjes van verschillende grootte is. De deeltjes worden korrels genoemd. Volgens een bepaalde methode, of combinatie van methoden, wordt het aandeel van de gekozen groottefracties in het totale mengsel bepaald. De fracties bij elkaar vormen een aaneensluitende reeks die het groottebereik volledig dekt.
De opdracht en de aard van het materiaal bepalen welke methode is gebruikt en welke fracties zijn onderscheiden. Het is van belang te weten of er voorafgaand aan de bepaling materiaal verwijderd is. Als voorbehandeling kan het nodig zijn samengeklonterde korreltjes van elkaar los te maken (dispersie).
De metingen worden altijd omgerekend naar een percentage van de totale massa en wanneer de lasermethode gekozen is, wordt een zekere correctie doorgevoerd. In alle gevallen wordt in het resultaat onderscheid gemaakt tussen de fractie groter en de fractie kleiner dan 63µm; bij die grootte ligt de grens tussen wat fijn en wat grof wordt genoemd. Ieder van de fracties kent een standaardonderverdeling en die wordt in de meeste onderzoeken toegepast. De opdracht kan een meer gedetailleerde onderverdeling vragen en met name voor de grove fractie bestaan verscheidene opties.
De korrelgrootteverdeling wordt in eerste instantie gebruikt om het materiaal te classificeren.
2.20. Bepaling van het watergehalte
Het watergehalte wordt bepaald door het in het materiaal aanwezige water op een bepaalde manier te verwijderen, het massaverlies te meten en het resultaat uit te drukken in de verhouding tussen de hoeveelheid water en de hoeveelheid droge stof. Het is van belang te weten of er voorafgaand aan de bepaling materiaal verwijderd is. Temperatuur en droogtijd zijn van belang en voor de aanwezigheid van zouten in het poriënwater wordt een bepaalde correctie doorgevoerd. In sommige gevallen wordt het gegeven bij twee verschillende temperaturen bepaald.
Het watergehalte is een basisparameter die altijd samen met andere gegevens gebruikt wordt in berekeningen.
2.21. Bepaling van het organischestofgehalte
Het gehalte aan organische stof wordt bepaald door het organisch materiaal op een bepaalde manier te verwijderen en het verlies aan massa te meten. Het is van belang te weten of er voorafgaand aan de bepaling materiaal verwijderd is. Bij de berekening van het gehalte kan het nodig zijn te corrigeren voor het verlies van water dat aan klei is gebonden (lutumcorrectie).
Het organische stofgehalte is een basisparameter die primair gebruikt wordt om de grond te classificeren.
2.22. Bepaling van het kalkgehalte
Het gehalte aan kalk wordt bepaald door het aanwezige calciumcarbonaat (koolzure kalk) op een bepaalde manier te verwijderen en het verlies aan massa te meten. Het is van belang te weten of er voorafgaand aan de bepaling materiaal verwijderd is.
Het kalkgehalte is een basisparameter die primair gebruikt wordt om de grond te classificeren.
2.23. Bepaling van de volumieke massa
De volumieke massa, de massa per eenheid van volume, wordt bepaald door de massa en het volume op een bepaalde manier te meten.
Het gegeven is een basisparameter die altijd samen met andere gegevens gebruikt wordt in berekeningen.
2.24. Bepaling van de volumieke massa vaste delen
De volumieke massa van de vaste delen wordt bepaald door de massa en het volume van gedroogd materiaal te meten. Zo nodig wordt het materiaal vergruisd en worden de korrels van elkaar los gemaakt zodat het volume van de ruimte tussen de korrels nauwkeurig kan worden bepaald. Dat volume wordt bepaald door die ruimte met gas of vloeistof te vullen.
Het gegeven is een basisparameter die altijd samen met andere gegevens gebruikt wordt in berekeningen.
2.25. Domeinmodel
Het domeinmodel dat in de figuren 6, 7 en 8 wordt getoond geeft een samenhangend overzicht van de gegevens van het registratieobject. De nummering in het model is dezelfde als in de gegevensdefinitie.
3. Het domeinmodel
Basisregistratie Ondergrond (BRO)
Catalogus
Wandonderzoek
Bodemkundige wandbeschrijving
Inhoudsopgave
Artikel 1. Definitie van registratieobject, entiteiten en attributen
1.1. Registratieobject
1.2. Entiteiten en attributen
1. Wandonderzoek
2. Registratiegeschiedenis
3.0. Rapportagegeschiedenis
3.1. Tussentijdse gebeurtenis
4. Aangeleverde locatie
5. Aangeleverde verticale positie
6. Gestandaardiseerde locatie
7. Wandontsluiting
8. Terreintoestand
9.0. Wandbeschrijving
9.1. Wandprofiel
9.2. Strooisellaag
9.3. Bodemlaag
9.4. Homogeen materiaal
9.5. Grond
9.6. Fractieverdeling
9.7. Verdeling fijne fractie
9.8. Onvolledige fractiespecificatie
9.9. Munsellkleur
9.1. 0 Vlek
9.1. 1 Bodemaggregaat
9.1. 2 Laagcomponent
9.1. 3 Verstoord interval
9.1. 4 Verdicht interval
9.1. 5 Bodemclassificatie
9.1. 6 Bijzonderheid onderin
Artikel 2. Beschrijving van de enumeraties en codelijsten
1.1. Enumeraties
1.2. Codelijsten
1. ActueelProces
2. AfwijkendGrondwaterRegime
3. Aggregaatlengteklasse
4. Aggregaatvorm
5. Bedekkingsgraad
6. Beschrijfkwaliteit
7. Beschrijfprocedure
8. BijzonderBestanddeel
9. Bijzonderheid
10. BijzonderheidBovenin
11. BijzonderheidLocatie
12. BijzonderMateriaal
13. Bodemgebruik
14. Bodemklasse
15. BodemkundigeAfzettingskarakteristiek
16. BodemkundigeGrondsoort
17. Bodemleven
18. Brokje
19. Codegroep
20. Coördinaattransformatie
21. GelaagdeInhomogeniteit
22. Gesteentesoort
23. Grensbepaling
24. Grindgehalteklasse
25. GrondsoortNEN5104
26. Grondwatertrap
27. Hoekigheid
28. HoeveelheidsklassePorien
29. HoeveelheidsklasseWortels
30. Horizontcode
31. HydrologischeOmstandigheid
32. KaderAanlevering
33. KaderInwinning
34. Kalkgehalteklasse
35. Kalkverloopklasse
36. Kleur
37. KunstmatigeDrainage
38. Landschapselement
39. LiggingOpGrondlichaam
40. LokaalVerticaalReferentiepunt
41. MaaiveldVerlegd
42. MethodeLocatiebepaling
43. MethodeVerticalePositiebepaling
44. MunsellHoofdkleur
45. MunsellWitheid
46. MunsellZuiverheid
47. NaamGebeurtenis
48. OndergrensZandfractie
49. OndergrondDuinvaaggrond
50. OndergrondVeen
51. OrganischeStofGehalteklasse
52. PlaatselijkFenomeen
53. Profielverloop
54. Referentiestelsel
55. Registratiestatus
56. Rijpingsklasse
57. Ruwheid
58. Schelpmateriaalgehalteklasse
59. Stopcriterium
60. Strooiselsoort
61. Structuurtype
62. Textuurklasse
63. TypeOntsluiting
64. Vakgebied
65. Veenklasse
66. Veensoort
67. Vegetatietype
68. Vergravingsklasse
69. Verstoring
70. VerticaalReferentievlak
71. Vlekkleur
72. Vochtigheidstoestand
73. VormGrens
74. Zandverkitting
Toelichting
1. Inleiding
De catalogus voor de bodemkundige wandbeschrijving beschrijft de gegevens die in de registratie ondergrond zijn opgenomen van het wandonderzoek dat vanuit het vakgebied van de bodemkunde is uitgevoerd.
De catalogus beschrijft de algemene gegevens van dit wandonderzoek samen met de gegevens van de wandmonsterbeschrijving.
Wandonderzoek kan vanuit verschillende vakgebieden worden uitgevoerd, maar in de basisregistratie ondergrond omvat het alleen het vakgebied van de bodemkunde. De reden is dat wandonderzoek van oudsher een prominente plaats in de bodemkunde inneemt en dat de gegevens digitaal en systematisch worden vastgelegd. In andere vakgebieden, zoals de geologie en geotechniek, is dat niet het geval.
1.1. Bodemkundig wandonderzoek
Bodemkundig wandonderzoek heeft tot doel de opbouw en de eigenschappen van het bovenste deel van de ondergrond te onderzoeken. Het perspectief van waaruit dat gebeurt is dat van de landbouw, de landinrichting, het natuurbeheer of de winning van oppervlaktedelfstoffen. Bij uitzondering is het doel er één van meer wetenschappelijke of educatieve aard.
Het onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van projecten die zich richten op een bepaalde locatie of een bepaald gebied. Het overgrote deel van het onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van de landelijke bodemkartering 1:50.000. Voor die kartering levert het wandonderzoek de referentie voor de te onderscheiden bodemeenheden.
1.2. Ontsluiten
Bodemkundig wandonderzoek vereist dat er op de plaats van het onderzoek een verticale wand is blootgelegd die het bovenste deel van de ondergrond, de bodem, met het eventueel daarop aanwezige strooisel ontsluit. Plaatsen waar de bodem van nature is ontsloten zijn in Nederland zeldzaam. Soms is er voor onderzoek een wand voorhanden die door de mens is gemaakt, bijvoorbeeld in een groeve, aan de rand van een weg- of leidingtracé of in een slootkant, maar in bijna alle gevallen moet er eerst worden gegraven.
Wandonderzoek wordt gewoonlijk en ongeacht de aard van een project gecombineerd met booronderzoek. Boren is snel en goedkoop, maar levert eigenlijk slechts indirecte gegevens omdat men zich moet baseren op bodemmonsters die uit het geboorde gat zijn verkregen. In de bodemkundige praktijk zijn dat altijd geroerde monsters, monsters waarin de oorspronkelijke opbouw van de bodem niet meer te zien is. Onderzoek aan een wand vraagt meer tijd en is daardoor duurder. Een wand geeft echter direct zicht op de bodem en levert een betrouwbaarder en meer gedetailleerd beeld van de opbouw van de bodem, het verloop en de samenstelling van de lagen, en de structuur van de grond. Ook aspecten als beworteling en de invloed van de mens laten zich veel beter zien.
1.3. Deelonderzoeken
Bodemkundig wandonderzoek omvat gewoonlijk twee deelonderzoeken, de wandbeschrijving en de wandmonsteranalyse. Soms wordt alleen de wandbeschrijvng uitgevoerd, soms alleen de wandmonsteranalyse. Daarnaast wordt het maken van foto’s meer en meer gebruikelijk.
Deze versie van de catalogus dekt alleen de wandbeschrijving. In de wandbeschrijving staat het beschrijven van de opbouw van de bodem centraal.
2. Belangrijkste entiteiten
2.1. Wandonderzoek
Wandonderzoekis het geheel van gegevens dat betrekking heeft op een specifiek wandonderzoek dat op een specifiek moment gekoppeld aan een specifieke locatie in Nederland onder een bepaalde opdracht is uitgevoerd. De belangrijkste gegevens om het onderzoek te preciseren zijn het vakgebied en de uitgevoerde deelonderzoeken.
Wandonderzoek begint eigenlijk altijd met activiteiten in het veld, het veldwerk, en dat wordt in bepaalde gevallen gevolgd door activiteiten binnenshuis, veelal in een laboratorium. Er is maar een geval waarin er geen werkzaamheden in het veld worden uitgevoerd en dat is wanneer wandonderzoek gebruik maakt van de resultaten uit eerder veldwerk of uit veldwerk dat voor een andere opdrachtgever is uitgevoerd5De eisen die voor de gegevens van dat wandonderzoek moeten gelden zijn nog niet vastgesteld..
2.2. Registratiegeschiedenis
De registratiegeschiedenis van een wandonderzoek geeft de essentie van de geschiedenis van het object in de registratie ondergrond, de zgn. formele geschiedenis. De registratiegeschiedenis vertelt bijvoorbeeld wanneer voor het eerst gegevens van het object zijn geregistreerd en of er na registratie correcties zijn doorgevoerd.
2.3. Rapportagegeschiedenis
De resultaten van het wandonderzoek worden niet in een keer maar per deelonderzoek gerapporteerd. Wanneer een deelrapport dat onder de wettelijke verplichtingen valt door de bronhouder is geaccepteerd, wordt het ter registratie aan de landelijke voorziening aangeboden. De rapportagegeschiedenis geeft de essentie van het verloop van de rapportage en vormt de zgn. materiële geschiedenis van het registratieobject wandonderzoek.
2.4. Wandontsluiting
Om een beschrijving van de bodemopbouw in een wand te kunnen maken of een wand te bemonsteren, is er een wand nodig waarin de bodem ontsloten is. In de meeste gevallen graaft men daartoe een kuil, een profielkuil. Vervolgens kiest men een van de wanden en prepareert die. Wanneer de bodem al ontsloten is, bijvoorbeeld doordat er een weg wordt aangelegd, dan wordt een deel van een bestaande wand geprepareerd. Prepareren houdt in dat de wand verticaal, vlak en schoon wordt gemaakt en daarvoor wordt een schop, en eventueel een troffel of een mes gebruikt. De wand is schoon wanneer al het rulle, droge materiaal verwijderd is en de details van de bodemopbouw zichtbaar zijn.
De diepte tot waar de wand geprepareerd wordt, ligt normaliter tussen 1,20 en 1,50 meter, de breedte van de geprepareerde wand is typisch een meter. In al bestaande ontsluitingen kan de bodem over een veel grotere afstand zijn ontsloten. Voor de opdracht kan het wenselijk zijn de wand op verschillende plekken te prepareren en op iedere plek een beschrijving te maken. In de registratie telt iedere beschrijving als deel van een op zichzelf staand wandonderzoek.
2.5. Terreintoestand
Voor, tijdens of direct na het maken en prepareren van de wand kunnen in het veld waarnemingen worden gedaan die deel uitmaken van het onderzoek. Die waarnemingen hebben betrekking op de toestand van het terrein. Dat begrip wordt in nogal ruime zin opgevat en dekt alle gegevens die vastgelegd worden om een goed begrip te krijgen van de ruimtelijke context waarbinnen het onderzoek wordt uitgevoerd. En omdat bodemvorming een doorlopend proces is waarin de actuele omstandigheden een rol spelen, wordt ook vanuit dat perspectief goed naar het terrein gekeken. Dat geldt in het bijzonder voor onderzoek dat in het kader van natuurbeheer wordt uitgevoerd.
2.6. Wandbeschrijving
Wandbeschrijving is het deelonderzoek dat betrekking heeft op het beschrijven van de wand met als doel een wandprofiel te maken. De wand wordt beschreven over een bepaalde breedte (beschreven breedte) en tot de einddiepte. Op een bepaalde plaats wordt een meetlint naar beneden gehangen. Het meetlint markeert de positie van de beschrijflijn en dat is de lijn waarop de verticale posities van de lagen in het wandprofiel zijn bepaald. De plaats van de beschrijflijn wordt zo gekozen dat de wand voor het doel van het onderzoek zo goed mogelijk kan worden beschreven. Wanneer de wand snel uitdroogt, kan bevochtiging nodig zijn.
De wandbeschrijving levert twee resultaten, het wandprofiel en de bodemclassificatie.
2.7. Wandprofiel
Het wandprofiel beschrijft de opbouw van de bodem in de wand.
Een wandprofiel heeft een bepaalde beschrijfkwaliteit en die geeft aan tot in welk detail de wand is beschreven. De bovenkant van het profiel, de doorsnijding van het maaiveld of de bovenkant van het daarop liggende strooisel, is niet altijd vlak omdat de hoogte binnen de breedte waarover de wand wordt beschreven sterk kan variëren (vorm bovengrens).
De opbouw van de bodem wordt beschreven als een opeenvolging van lagen en er wordt onderscheid gemaakt tussen strooisel- en bodemlagen. Op bepaalde plaatsen in de wand kan de laagopbouw verstoord zijn. Wanneer er lokaal buiten de beschrijflijn een verstoring optreedt wordt dat als plaatselijk fenomeen beschreven (figuur 3).
Maar wanneer verstoringen over de hele breedte van de wand voorkomen, wordt het interval waarin ze optreden als een Verstoord interval beschreven (figuur 4).
In het profiel worden verder een aantal algemene kenmerken van de wand vastgelegd, zoals het niveau van de gemiddelde grondwaterstand, de diepte tot waar beworteling mogelijk is (bewortelbare diepte), en de aanwezigheid van een interval dat door toedoen van de mens verdicht is.
2.8. Strooisellaag
Bovenop de eigenlijke bodem liggen lokaal, met name in bossen, laagjes die uit onverteerde plantenresten zoals afgevallen blad bestaan. Dit zgn. strooisel wordt, als de opdracht daarom vraagt, beschreven als deel van het profiel. De bovengrens en de ondergrens worden op dezelfde manier beschreven als de eigenlijke bodemlagen (zie 2.9).
2.9. Bodemlaag
De bodemlagen zijn de belangrijkste entiteiten van een wandprofiel. Iedereen die de ondergrond beschrijft, beschouwt de ondergrond als opgebouwd uit lagen. Een laag heeft een boven- en ondergrens en een bepaalde inhoud. Iedere grens wordt op een bepaalde manier bepaald (bepaling bovengrens en bepaling ondergrens). Meestal markeert een grens een diepte waarop een verandering in inhoud wordt waargenomen en dan is het van belang te weten hoe scherp de grens kan worden getrokken. In oorsprong zijn de grenzen in een verticale doorsnede van de ondergrond vrijwel recht, maar in de bodem is dat lang niet altijd het geval omdat de diepte tot waar bodemvormende processen reiken binnen de breedte waarover de wand wordt beschreven kan variëren. De vorm van de ondergrens van een laag wordt daarom vastgelegd (vorm ondergrens).
Lagen liggen normaliter (sub)horizontaal en lopen over de hele wand door. Maar een laag kan scheefstaan (scheefstaand), bijvoorbeeld in het geval de wand gemaakt is in een stuwwal, en het komt voor dat een laag terzijde van de beschrijflijn op zekere plaatsen ontbreekt (laag discontinu).
Het kenmerkende van een laag is haar inhoud. Om de inhoud goed te kunnen beschrijven is het van belang te weten of de laag helemaal natuurlijk is of dat mens de samenstelling heeft beïnvloed (antropogeen). Dat laatste betekent meestal dat de mens de bodem ter plaatse bewerkt heeft. Door bewerking worden lagen verbroken en als gevolg daarvan kan een nieuwe laag ontstaan die uit het materiaal van oudere lagen bestaat. Wanneer zo’n laag helemaal uit brokstukken bestaat waarin de oorspronkelijke eigenschappen nog te zien zijn, spreekt men van een gekeerde laag.
Een gekeerde laag wordt beschreven als een samenstel van delen, ieder deel heet een Laagcomponent.
Wanneer de bewerking zo intensief is geweest dat dat de herkomst van de bestanddelen van een antropogene laag niet meer herkenbaar is, is de laag gemengd en wordt zij, net als een laag van natuurlijke oorsprong, beschreven als een geheel (Homogeen materiaal).
Wat de inhoud van een laag ook is, er kunnen altijd sporen van bodemorganismen (bodemleven) en wortels zichtbaar zijn (beworteld).
2.1. 0 Homogeen materiaal
Een bodemlaag die beschreven wordt als een geheel, bestaat soms uit bijzonder materiaal, soms uit gesteente en meestal uit grond. In het eerste geval is het voldoende alleen het materiaal te specificeren. Een laag die uit gesteente bestaat krijgt een horizontcode – die overigens een vaste waarde heeft- en verder wordt alleen het soort gesteente nader omschreven. Lagen die uit grond bestaan krijgen een horizontcode en de samenstelling van de grond wordt uitgebreid beschreven (Grond). Verder kan het bij grond wenselijk zijn iets vast te leggen over de omstandigheden waaronder de laag gevormd is (bodemkundige afzettingskarakteristiek) en de verzadigde doorlatendheid te schatten.
2.1. 1 Laagcomponent
Van een bodemlaag die heterogeen is wordt iedere component apart beschreven. Het aandeel van een component in de laag wordt altijd geschat. Verder worden dezelfde gegevens vastgelegd als wanneer de inhoud van een laag als een geheel wordt geschreven, zij het dat de inhoud altijd uit grond bestaat.
2.1. 2 Grond
Van grond kan een grote verscheidenheid aan gegevens worden beschreven. In alle gevallen worden de volgende gegevens vastgelegd: de bodemkundige grondsoort, of voor het bepalen van de grondsoortnaam de leemdriehoek is gebruikt, de bijzondere bestanddelen, de kalkgehalteklasse en de kleur.
Veel van de andere gegevens worden alleen voor bepaalde grondsoorten vastgelegd. Zo wordt van klei- en leemhoudende grond de rijpingsklasse vastgelegd, van grond waarvan de naam aangeeft dat er veen in voorkomt, de veensoort, en van grond waarvan de naam aangeeft dat er zand in voorkomt, de zandmediaanklasse. Afhankelijk van de grondsoort wordt ook een schatting gegeven van het aandeel van de verschillende fracties waaruit de grond bestaat (Fractieverdeling). Voor historische gegevens (kwaliteitsregime IMBRO/A) is dat overigens niet altijd het geval en soms ook is de fractieverdeling niet volledig beschreven (Onvolledigefractiespecificatie).
Een aantal gegevens wordt alleen vastgelegd wanneer de opdracht een hoge kwaliteit van beschrijven vraagt. Voorbeelden daarvan zijn de structuur van de grond (structuurtype) en de geschatte dichtheid. Voor een bepaald type structuur worden de kenmerken van de structuurelementen in detail beschreven (Bodemaggregaat;zie figuur 6).
De kleur van de grond wordt bij een hoge kwaliteit altijd aan de hand van de Munsell Soil Colour Chart bepaald (Munsellkleur). Komen er vlekken voor, dan worden daarvan allerlei details beschreven (Vlek).
2.1. 3 Bodemclassificatie
De bodemclassificatie is het tweede resultaat van de wandbeschrijving. Het is in essentie een samenvatting van de informatie die in het wandprofiel is vastgelegd en is vooral bedoeld is als input voor bodemkundige modellen. Het geeft specialisten direct inzicht in het type bodem ter plaatse.
3. Het domeinmodel
Basisregistratie Ondergrond (BRO)
Catalogus
Grondwatermonitoringput
Inhoudsopgave
Artikel 1. Definitie van registratieobject, entiteiten en attributen
1.1. Registratieobject
1.2. Entiteiten en attributen
1. Grondwatermonitoringput
2. Registratiegeschiedenis
3.0. Putgeschiedenis
3.1. Tussentijdse gebeurtenis
4. Aangeleverde locatie
5. Aangeleverde verticale positie
6. Gestandaardiseerde locatie
7.0. Monitoringbuis
7.1. Toegepast materiaal
7.2. Filter
7.3. Stijgbuisdeel
7.4. Zandvang
7.5. Geo-ohmkabel
7.6. Elektrode
7.7. Ingeplaatst deel
Artikel 2. Beschrijving van de enumeraties en codelijsten
2.1. Enumeraties
2.2. Codelijsten
1. AanvulmateriaalBuis
2. AanvulmateriaalElectrode
3. Beschermconstructie
Buismateriaal
Buisstatus
Buistype
CoördinaatTransformatie
Elektrodestatus
InitiëleFunctie
KaderAanlevering
Kousmateriaal
KwaliteitsnormInrichting
Lijm
LokaalVerticaalReferentiepunt
MethodeLocatiebepaling
MethodePositiebepalingBovenkantBuis
MethodePositiebepalingMaaiveld
NaamGebeurtenis
Putstabiliteit
Referentiestelsel
Registratiestatus
VerticaalReferentievlak
Toelichting
1. Inleiding
De catalogus voor de grondwatermonitoringsput beschrijft de gegevens die in de registratie ondergrond zijn opgenomen van putten die in het publieke domein worden gebruikt voor het monitoren van de hoeveelheid grondwater en de kwaliteit ervan.
1.1. Grondwatermonitoringput
Een grondwatermonitoringput is een constructie die op een specifieke locatie in Nederland is ingericht en die in een monitoringnet wordt gebruikt. De constructie wordt gewoonlijk gerealiseerd in een gat dat gemaakt is door in de ondergrond te boren. Veelal bestaat een put uit een samenstel van buizen dat aan het oppervlak wordt beschermd tegen invloeden van buitenaf (figuur 1). Via de buizen wordt het grondwater dat zich op een bepaalde diepte bevindt ontsloten. Het deel van de buis waardoor het grondwater binnen kan komen is het filter. Een filter fungeert als meetpunt in een grondwatermonitoringnet. Aan een buis kunnen een of meer geo-ohmkabels zijn bevestigd. Dat zijn kabels die voorzien zijn van elektroden die gebruikt worden om bijvoorbeeld het zoutgehalte van het water te kunnen bepalen.
De opbouw van een put varieert en de monitoringdiepte is daarbij een factor van belang. Wordt de put gebruikt voor de monitoring van het grondwater in het bovenste deel van de ondergrond, dan bestaat hij vaak uit niet meer dan een buis die aan de bovenzijde met een dop is afgesloten.
Voor het ontsluiten van diep grondwater worden soms honderden meters diepe gaten geboord en dat is een relatief kostbare operatie. Dergelijke putten kunnen tientallen monitoringbuizen bevatten. Elk van die buizen ontsluit grondwater op een andere diepte. De ruimte tussen de buizen is met een bepaald materiaal opgevuld om het geheel te verstevigen en aan de bovenzijde wordt de put afgesloten met een beschermconstructie. Zoals de naam al aangeeft dient de beschermconstructie om de put te beschermen tegen beschadiging of andere ongewenste invloeden. De constructie is kan boven het maaiveld uitsteken, zoals in figuur 1, maar ook min of meer samenvallen met het maaiveld. Voor het laatste wordt in de gebouwde omgeving vaak gekozen.
Een grondwatermonitoringput is in de basisregistratie ondergrond opgenomen wanneer ten minste een van de filters of elektroden een meetpunt is in een grondwatermonitoringnet dat onder de basisregistratie ondergrond valt.
1.2. Put met voorgeschiedenis
De grondwatermonitoringput is een registratieobject met materiële geschiedenis. Voordat de put in de registratie ondergrond is opgenomen kan hij al een zekere geschiedenis achter de rug hebben. Een dergelijke grondwatermonitoringput wordt een put met voorgeschiedenis genoemd.
Er gelden bijzondere regels voor een put met voorgeschiedenis.
De bijzondere regels hebben betrekking op de opbouw van de materiële geschiedenis. De geschiedenis van een grondwater-monitoringput is een reeks van gebeurtenissen die elkaar netjes moeten opvolgen in de tijd. In principe geldt de eis dat de precieze datum van een gebeurtenis moet worden vastgelegd, maar die eis kan niet met terugwerkende kracht gelden voor putten die al voor de invoering van de BRO bestonden. Wanneer een gebeurtenis in het verleden ligt, moet de basisregistratie er rekening mee houden dat de datum niet precies is vastgelegd en bijvoorbeeld alleen het jaar bekend is. Het deel van de geschiedenis die dateert van voor de registratie, de voorgeschiedenis, mag daarom een zekere onvolledigheid kennen.
2. Belangrijkste entiteiten
2.1. Grondwatermonitoringput
Deze entiteit draagt de naam van het registratieobject zelf en bevat onder meer de gegevens die de grondwatermonitoringsput identificeren, allerlei administratieve gegevens, gegevens die de constructie globaal karakteriseren (aantal buizen, beschermconstructie) en gegevens die nodig zijn om de gevolgen van eventuele maaiveldveranderingen goed te kunnen vastleggen (maaiveld stabiel, putstabiliteit).
2.2. Registratiegeschiedenis
De registratiegeschiedenis van een grondwatermonitoringput geeft de essentie van de geschiedenis van het object in de registratie ondergrond, de zgn. formele geschiedenis. De registratiegeschiedenis vertelt bijvoorbeeld wanneer voor het eerst gegevens van het object zijn geregistreerd en of er na de start van de registratie correcties zijn doorgevoerd.
2.3. Monitoringbuis
De constructie van een put is in de basisregistratie ondergrond teruggebracht tot haar essentie, en dat geldt ook voor de monitoringbuis. In werkelijkheid kan een buis bestaan uit een heleboel delen die wat materiaal, diameter en functie betreft verschillen. Het model dat de basisregistratie hanteert is simpel en beschrijft de buis als opgebouwd uit maximaal drie functionele delen (figuur 2).
In de meeste gevallen bestaat een buis uit een filter met daarboven een stijgbuisdeel; in sommige gevallen zit onder het filter nog een derde deel, de zandvang. Ieder deel van de buis heeft een bepaalde lengte.
Het filter is het belangrijkste onderdeel van de buis en fungeert als meetpunt in een grondwatermonitoringnet. Via het filter kan het grondwater de buis in stromen. In het stijgbuisdeel kan het grondwater vrijelijk bewegen tenzij de buis is afgesloten met een drukdop (figuur 3). Een drukdop wordt gebruikt wanneer de buis zou kunnen overstromen doordat het water onder druk staat. Wanneer de grondwaterstand bepaald moet worden, wordt in die gevallen vaak een opzetstuk gebruikt.
De zandvang dient om sediment op te vangen dat door het filter naar binnen komt.
Voor de monitoring van ondiep grondwater zijn buizen met een afwijkende opbouw in gebruik, en in gebruik geweest.
In het verleden zijn monitoringbuizen gebruikt die uit beton bestonden en geen filteropeningen hadden. Een dergelijke buis was eigenlijk alleen een stijgbuis en werd zo in het boorgat gehangen dat het water aan de onderzijde kon instromen. Zulke buizen zijn niet meer in gebruik. Ook waren er buizen in gebruik die over de gehele lengte uit filter bestaan. Dergelijke buizen worden nog steeds gebruikt.
Om de twee afwijkende buizen in het model te passen wordt toegestaan dat het filter, resp. de stijgbuis de lengte nul heeft.
De aard van het materiaal waaruit een buis bestaat en het materiaal dat gebruikt is om de buis in de put op zijn plaats te houden, het toegepast materiaal, worden vastgelegd omdat het van belang kan zijn bij het beoordelen van de bruikbaarheid van de meetpunten in de put voor de monitoring van de kwaliteit van het grondwater.
2.4. Geo-ohmkabel
In bepaalde delen van Nederland worden bij inrichting van de put soms geo-ohmkabels aan een buis bevestigd. Dat zijn kabels die voorzien zijn van elektroden en een meetkastje. De kabels worden traditioneel gebruikt om het zoutgehalte van het water te kunnen monitoren. Vroeger werden zij daarom wel zoutwachters genoemd. De elektroden vormen per paar een meetpunt.
2.5. Ingeplaatst deel
Wanneer een stijgbuisdeel lekkage vertoont kan de eigenaar van de put ervoor kiezen een nieuw stijgbuisdeel in de bestaande buis te plaatsen; dat nieuwe deel wordt kortweg ingeplaatst deel genoemd.
2.6. Putgeschiedenis
De putgeschiedenis geeft aan wanneer de put is ingericht, wanneer die is opgeruimd en welke gebeurtenissen er tussentijds hebben plaatsgevonden. Er zijn elf gebeurtenissen geïdentificeerd die van belang zijn voor het registratieobject en dat zijn:
3. Het domeinmodel
Basisregistratie Ondergrond (BRO)
Catalogus
Bodemkaart
Versie: 0.99
Datum: 8 mei 2019
Inhoud
Artikel 1. Definities
1.1. Objecttypen
1.1.1. Objecttype Kaartvlak
1.1.2. Objecttype Bodemkaart
1.1.3. Objecttype Bodemvlak
1.1.4. Objecttype Vlak van bodemkundig belang
1.2. Primitieve datatypen
1.2.1. Primitief datatype GM_Solid
1.2.2. Primitief datatype GM_Surface
1.3. Codelijsten
1.4. Attribuut- en relatiesoort details
1.4.1. Objecttype Kaartvlak
1.4.1.1. Attribuutsoort details Kaartvlak geometrie
1.4.2. Objecttype Bodemkaart
1.4.2.1. Attribuutsoort details Bodemkaart naam
1.4.2.2. Attribuutsoort details Bodemkaart soort
1.4.2.4. Relatiesoort details Bodemkaart bestaat uit
1.4.3. Objecttype Bodemvlak
1.4.3.1. Attribuutsoort details Bodemvlak bodemHelling
1.4.3.2. Attribuutsoort details Bodemvlak gerelateerdBodemlichaam
1.4.3.3. Gegevensgroeptype details Bodemvlak bodemeenheid
1.4.4. Objecttype Vlak van bodemkundig belang
1.4.4.1. Attribuutsoort details Vlak van bodemkundig belang bodemkundig belang
1.4.5. Codelijst details Bodemhelling
1.4.6. Codelijst details Bodemhoofdklasse
1.4.7. Codelijst details BodemkenmerkenBovenlaag
1.4.8. Codelijst details BodemkenmerkenOnderlaag
1.4.9. Codelijst details Bodemklasse
1.4.10. Codelijst details BodemkundigBelang
1.4.11. Codelijst details BodemvlakcollectieSoort
Toelichting
De Bodemkaart is een van de registratieobjecten in de BRO, en wordt aangeduid als een ‘model’. Voor de bodemkaart betekent dit dat de kaart zelf het ‘model’ is dat tot stand gekomen is via de bodemkundige kartering. De kaart is een resultaat van de interpretatie van data die in het veld zijn ingewonnen door experts, de ‘veldbodemkundigen’. Dit is Informatie die ook in de BRO is opgenomen, met name de registratieobjecten boor- en profielkuilonderzoek, grondwaterdynamiek zijn hiervoor van belang. In deze objecten is profielopbouw met fysische en chemische analyses geregistreerd.
2.1. Bodem en bodemkartering
De bodem is het buitenste deel van de aarde. Het materiaal waaruit de bodem bestaat (het moedermateriaal of uitgangsmateriaal) is in ons land grotendeels van elders aangevoerd, o.a. door de wind (löss, dekzand, stuifzand, duinzand), de rivieren (rivierklei en -zand), de zee (zeeklei en -zand) en door het landijs (smeltwaterafzettingen, keileem), soms is het ter plaatse ontstaan (veen).
Door veranderingen in de sedimentatie vertoont het moedermateriaal vaak een zekere gelaagdheid. Onder invloed van uitwendige omstandigheden treedt bodemvorming op, waarbij veranderingen in het moedermateriaal ontstaan door omzetting, uitspoeling en ophoping van minerale en organische stoffen. Elke grond heeft dus als gevolg van de afzetting en van de bodemvorming een opeenvolging van min of meer horizontale lagen, die verschillen in samenstelling en eigenschappen. Deze lagen heten horizonten. Samenstelling, dikte en opeenvolging van horizonten -het bodemprofiel- verschillen per grond. Gronden met een ongeveer gelijk bodemprofiel beschouwt men als een eenheid [Simonson1968]. Bij de bodemkartering stelt men door boringen de bodemeenheden vast en bepaalt op basis van overeenkomsten en verschillen tussen (groepen van) bodemprofielen de grenzen van die eenheden. Verschillen in bodemgesteldheid en landschap gaan vaak samen, omdat beide zijn ontstaan onder invloed van dezelfde uitwendige omstandigheden (figuur 3). Dit is bij de bodemkartering van groot belang, omdat het daardoor mogelijk is met betrekkelijk weinig boringen de grenzen tussen de verschillende gronden op te sporen en in kaart te brengen [Schelling-etal1975].
2.2. Gebruikersperspectief Bodemkaart
De bodemkundige informatie op de Bodemkaart van Nederland 1: 50 000, die de basis vormt voor het bodemkundig model in de Basisregistratie Ondergrond, heeft betrekking op de aard en samenstelling van de bovengrond (grondsoort) met een verdere onderverdeling naar bodemvorming, veensoort, afwijkende lagen in het profiel, aanwezigheid van kalk en verstoringen door vergraving en egalisatie. De kaart geeft bodemkundige informatie over de stedelijke gebieden op het moment van de kartering. De bodemkaart is bedoeld voor nationale, regionale en lokale studies op het gebied van hydrologie, bodemgeschiktheid, bodemkwetsbaarheid, natuurontwikkeling, landschapsplanning en ruimtelijke planvorming.
Omdat informatie in het stedelijk gebied ontbreekt is de bodemkaart niet geschikt is voor het oplossen van stedelijke vraagstukken. Op locaties waar na de kartering stedelijk gebied is ontstaan kan de bodemopbouw op die locatie gewijzigd zijn. De beoordeling of het geleverde informatieniveau nog bruikbaar is voor de specifieke vraagstelling is ter beoordeling aan de gebruiker.
Het bodemkundig model is geschikt voor het afleiden van thematische kaarten. Deze thematische kaarten vallen echter niet binnen de verantwoordelijkheid van de Basisregistratie Ondergrond. In het gebruik voor nationale, regionale en lokale toepassingen geldt dat de informatiebehoefte per oppervlakte-eenheid toeneemt naarmate het probleem grootschaliger (‘lokaler’) wordt. De opnameschaal van de data is 1:50.000 en geeft op dat schaalniveau het bijbehorende detail (1 cm2 op de kaart = 25 ha in het terrein). De beoordeling of het geleverde informatieniveau overeenkomt met de informatiebehoefte voor de specifieke vraagstelling is ter beoordeling aan de gebruiker.
2.3. Domeinmodel Bodemkaart
In het model is het deel dat gerelateerd is aan het registratieobject Boormonsterprofiel in de catalogus nu niet meegenomen. In dit model volgen we internationale standaard van INSPIRE zoals beschreven in de ‘technical guideline’, omdat dat aansluit op het model ‘bodemkaart’ zoals deze in Nederland wordt gebruikt. Pas als de samenhang op basis van het Metamodel voor informatiemodellen, MIM (KKG metamodel) verder duidelijk is geworden kunnen we die relaties leggen en het model daarop laten aansluiten.
2.3.1. Versiebeheer
De beheerder van een model maakt zijn waardenlijsten (codelijsten en/of referentielijsten) bekend op een algemeen bekend formaat (PDF en als downloadable bestand) en maakt deze toegankelijk via www.basisregistratieondergrond.nl. De waardenlijsten worden meegeleverd bij de modellevering.
Als er wijzigingen zijn in een waardelijst, wordt er uiterlijk twee maanden vóór inwerkingtreding een notificatie op die website gezet, zodat gebruikers nog tijd hebben om hun eigen omgeving op de wijzigingen aan te passen.
2.3.2. De bodemkaart als bodemkundig model
De Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000 vormt de basis voor het bodemkundig model in de Basisregistratie Ondergrond. De kaart geeft voor het landelijk gebied door middel van kaartvlakken informatie over de bodemopbouw en bodemkenmerken tot een diepte van ca. 1,2 m-mv. [Steur-Heijink1991]. Elk kaartvlak of object bevat een code voor de bodemeenheid. De bodemkaart is een 2-dimensionaal model dat de bodem als profile tot 1,2 m -mv beschrijft, waarmee het impliciet voor een deel 3D eigenschappen meekrijgt.
2.3.3. Indeling bodemeenheden
Een bodemeenheid verstrekt informatie over belangrijke kenmerken van het bodemprofiel tot een diepte van ca. 1,2 m-mv. De hoofdindeling van de bodemeenheden is in hoofdlijnen een indeling naar grondsoort. De verdere onderverdeling in hoofdklassen sluit nauw aan bij die van het Systeem van Bodemclassificatie voor Nederland [Bakker-Schelling1989] tot en met het niveau van de subgroep. Dit niveau is in de legenda naamgevend. De hoofdklassen worden op de bodemkaart gecodeerd met één of twee hoofdletters. De volgende hoofdklassen worden onderscheiden:
De gronden worden in de legenda verder onderverdeeld naar o.a. aard en textuur van de bovengrond, de gelaagdheid in het bodemprofiel, veensoort bij veengronden, voorkomen van hydromorfe kenmerken en de aanwezigheid van kalk in het profiel. Deze onderverdeling wordt in de code aangegeven met letters en cijfers (bijvoorbeeld Hn21: veldpodzolgronden in leemarm en zwak lemig fijn zand, of Zn23: vlakvaaggronden in lemig fijn zand). Met lettertoevoegingen aan het begin en aan het eind van de code worden specifieke kenmerken van de bovengrond en ondergrond aangeduid (bijvoorbeeld kHn21: veldpodzolgronden met een kleidek (k...) of Hn21x: veldpodzolgronden met keileem in de ondergrond, beginnend tussen 40 en 120 cm (...x).
2.3.4. Inventarisatiemethoden
Rond 1960 is Stiboka in Zeeland gestart met de landelijke kartering van de bodem op schaal 1:50.000. De kaart is uitgegeven per kaartblad van de topografische kaart, schaal 1:50.000, met daarbij een toelichting in boekvorm. Door de aanpak per kaartblad verschilt de periode van opname van blad tot blad (fig. 2). Het veldwerk voor het laatste kaartblad is in 1995 afgerond. De bodemkaart is als GIS-bestand beschikbaar (versie 1). Hiervoor zijn de analoge kaarten gedigitaliseerd. Na de eerste opname zijn vanaf 2010 fragmenten van de kaart geactualiseerd. De inventarisatiemethode bij de actualisatie wijkt af van de methode die bij de eerste opname is gehanteerd.
2.3.4.1. Uitgebreide veldverkenning voor de eerste opname van de bodemkaart
Voor de eerste opname van de bodemkaart (zie figuur 4) is een uitgebreide veldverkenning uitgevoerd. Afhankelijk van de ingewikkeldheid van het bodempatroon, zijn voor de kaartschaal 1:50.000 10 tot 25 grondboringen per 100 ha verricht. Bij elke boring is een zgn. boormonsterbeschrijving opgesteld. Daarbij beschrijft de karteerder kenmerken die ontstaan zijn door bodemvorming en schat hij van elke laag o.a. het gehalte aan organische stof en koolzure kalk, het lutumgehalte en leemgehalte en de grofheid van het zand. De schattingen worden geijkt en gevalideerd door grondmonsteronderzoek. Aan de hand van deze boormonsterbeschrijvingen en allerlei landschappelijke kenmerken (o.a. reliëf en verschillen in vegetatie) zijn de eenheden op kaart ingetekend. De kaartschaal bepaalt mede de mate van detail waarmee de bodemgesteldheid kan worden weergegeven. Om druktechnische redenen en vanwege de leesbaarheid van de kaart zijn de afmetingen van kaartvlakken aan minimumgrenzen gebonden. Voor de kaartschaal 1:50.000 gold bij de eerste uitgave ca. 10 ha aanvankelijk als kleinste afmeting (1 cm2 op de kaart = 25 ha in het terrein). Later is de minimum oppervlakte verminderd naar ca. 5 ha. De beschrijving van de eenheden op de bodemkaart, schaal 1:50.000, is daarom ruim van inhoud.
In de BRO is grondwater als een ander registratieobject opgenomen. In de veldeverkenning werden bij de eerste opname van de bodemeenheden ook gelijktijdig de grondwatertrappen in kaart gebracht.
De basis waarop het kaartbeeld is vastgelegd werd gevormd door de topografische kaart, schaal 1:50 000, verstrekt door de Topografische Dienst. Voor de eerste uitgave is deze basiskaart vereenvoudigd. Rond 1980 is gestart met proeven voor het digitaliseren van de kaartbeelden. Er was toen nog geen GIS-bestand met de topografische kaart beschikbaar, zodat bij het digitaliseren niet gecontroleerd kon worden op de juiste afstemming met de topografie, zoals die later in GIS-bestanden beschikbaar kwam. Hierdoor kan de aansluiting van de begrenzing van oppervlaktewater in het bodemkundige model lokaal afwijken van de begrenzing in GIS-bestanden met de topografie.
2.3.4.2. Digitale bodemkartering voor de actualisatie van de bodemeenheden
In 2010 is gestart met de actualisatie van de informatie op de bodemkaart. Deze activiteit richt zich vooral op bodemtypen en gegevens die door het landgebruik en de daarbij behorende ontwatering aan verandering onderhevig zijn. Bij veengronden bijvoorbeeld is sprake van geleidelijke oxidatie en afbraak van het organische materiaal, waardoor de veenlagen slinken of zelfs geheel verdwijnen. De actualisatie richt zich daarom op specifieke bodemtypen.
In de periode 2010 – 2014 is de bodemkaart van de gebieden met veengronden geactualiseerd [Vries-etal2014] en in 2016 in Noord- en Zuid-Holland de bodemkaart van de gebieden met kleigronden die een slappe, ongerijpte ondergrond hebben (fig. 2). De actualisatie wordt steeds uitgevoerd met behulp van ‘Digitale Bodemkartering’ (DBK). Dit is een methode waarin met statistische modellen bodemkaarten worden gemaakt, gebruikmakend van veldwaarnemingen van de bodem op punten en gebied dekkende kaarten van hulpvariabelen, zoals reliëf, grondwaterstanddiepte en landgebruik. Vanwege de kosten en de doorlooptijd is voor deze methode gekozen in plaats van de karteringsmethode die gehanteerd is bij de eerste opname van de bodemkaart. Bij DBK is het benodigde aantal boringen per oppervlakte-eenheid geringer en worden de patronen via ruimtelijke interpolatie verkregen. Dit bespaart tijd en kosten.
Op hoofdlijnen omvat de werkwijze bij DBK de volgende onderdelen:
Basisregistratie Ondergrond (BRO)
Catalogus
Geomorfologische kaart
Versie: 0.99
Datum: 10 mei 2019
Inhoud
Artikel 1. Definities
1.1. Objecttypen
1.1.1. Objecttype Geomorfologische kaart
1.1.2. Objecttype Dijk van geomorfologisch belang
1.1.3. Objecttype Geomorfologisch vlak
1.2. Referentielijsten
1.2.1. Referentielijst ToevoegingRelief
1.2.1.1. Overzicht referentie elementen
1.2.2. Referentielijst ToevoegingBedekking
1.2.3. Referentielijst Genese
1.2.3.1. Overzicht referentie elementen
1.2.4. Referentielijst ReliefCodeDal
1.2.4.1. Overzicht referentie elementen
1.2.5. Referentielijst ReliefCodeNietDal
1.2.5.1. Overzicht referentie elementen
1.2.6. Referentielijst Landvormgroep
1.3. Unions
1.3.1. Union Reliefcode
1.3.1.1. Overzicht keuze elementen
1.4. Gestruktureerde datatypen
1.4.1. Gestructureerd datatype Landvormeenheid
1.4.1.1. Overzicht data elementen
1.4.2. Gestructureerd datatype LandvormSubgroepType
1.4.2.1. Overzicht data elementen
1.4.3. Gestructureerd datatype ReliefType
1.4.3.1. Overzicht data elementen
1.4.4. Gestructureerd datatype Bestand
1.4.4.1. Overzicht data elementen
1.5. Primitieve datatypen
1.5.1. Primitief datatype Identifier
1.5.2. Primitief datatype EX_Extent
1.5.3. Primitief datatype GM_MultiSolid
1.5.4. Primitief datatype GM_MultiSurface
1.6. Codelijsten
1.7. Enumeraties
1.8. Attribuut- en relatiesoort details
1.8.1. Objecttype Geomorfologische kaart
1.8.1.1. Attribuutsoort details Geomorfologische kaart identificatie
1.8.1.2. Attribuutsoort details Geomorfologische kaart naam
1.8.1.3. Attribuutsoort details Geomorfologische kaart soort
1.8.1.4. Attribuutsoort details Geomorfologische kaart bron
1.8.1.5. Attribuutsoort details Geomorfologische kaart bereik
1.8.1.6. Attribuutsoort details Geomorfologische kaart inventarisatiemethode
1.8.1.7. Attribuutsoort details Geomorfologische kaart schaal
1.8.1.8. Attribuutsoort details Geomorfologische kaart beginLifespanVersion
1.8.1.9. Attribuutsoort details Geomorfologische kaart endLifespanVersion
1.8.1.10. Relatiesoort details Geomorfologische kaart bestaat uit
1.8.1.11. Relatiesoort details Geomorfologische kaart is gedocumenteerd in
1.8.1.12. Relatiesoort details Geomorfologische kaart bestaat uit
1.8.2. Objecttype Dijk van geomorfologisch belang
1.8.2.1. Attribuutsoort details Dijk van geomorfologisch belang identificatie
1.8.3. Objecttype Geomorfologisch vlak
1.8.3.1. Attribuutsoort details Geomorfologisch vlak identificatie
1.8.3.2. Attribuutsoort details Geomorfologisch vlak landvormeenheid
1.8.4. Referentielijst ToevoegingRelief
1.8.4.1. Referentie element details ToevoegingRelief code
1.8.4.2. Referentie element details ToevoegingRelief omschrijving
1.8.5. Referentielijst Genese
1.8.5.1. Referentie element details Genese code
1.8.5.2. Referentie element details Genese Vormbepalende factoren
1.8.6. Referentielijst ReliefCodeDal
1.8.6.1. Referentie element details ReliefCodeDal diepte
1.8.6.2. Referentie element details ReliefCodeDal steilste verhang
1.8.6.3. Referentie element details ReliefCodeDal maximaal hoogteverschil
1.8.6.4. Referentie element details ReliefCodeDal maximaal verval
1.8.6.5. Referentie element details ReliefCodeDal code
1.8.7. Referentielijst ReliefCodeNietDal
1.8.7.1. Referentie element details ReliefCodeNietDal reliëf
1.8.7.2. Referentie element details ReliefCodeNietDal helling
1.8.7.3. Referentie element details ReliefCodeNietDal lokaal maximaal hoogteverschil
1.8.7.4 Referentie element details ReliefCodeNietDal code
1.8.8. Keuze Reliefcode
1.8.8.1. Union element details Reliefcode reliefCodeDalWaarde
1.8.8.2. Union element details Reliefcode reliefCodeNietDalWaarde
1.8.9. Gestructureerd datatype Landvormeenheid
1.8.9.1. Data element details Landvormeenheid relief
1.8.9.2. Data element details Landvormeenheid toevoeging relief
1.8.9.3. Data element details Landvormeenheid actief proces
1.8.9.4. Data element details Landvormeenheid landvorm subgroep
1.8.9.5. Data element details Landvormeenheid toevoeging bedekking
1.8.10. Gestructureerd datatype LandvormSubgroepType
1.8.10.1. Data element details LandvormSubgroepType identificatie
1.8.10.2. Data element details LandvormSubgroepType landvormgroep
1.8.10.3. Data element details LandvormSubgroepType genese
1.8.11. Gestructureerd datatype ReliefType
1.8.11.1. Data element details ReliefType reliefCode
1.8.11.2. Data element details ReliefType reliefKlasse
1.8.12. Gestructureerd datatype Bestand
1.8.12.1. Data element details Bestand naam
1.8.12.2. Data element details Bestand versie
1.8.13. Codelijst details ReliefKlasse
1.8.14. Codelijst details Inventarisatiemethode
1.8.15. Enumeratie details NaamBestand
1.8.16. Enumeratie details Soort
Toelichting
Het Model geomorfologie is een van de registratieobjecten in het domein van bodem- en grondonderzoek. Het is erop gericht om gegevens te produceren over de vorm van het aardoppervlak. Het is nodig de vormen en eigenschappen van het aardoppervlak te kennen voor ruimtelijke planvorming, voor realisatie en onderhoud van infrastructuur, voor onderwijs, onderzoek en advies m.b.t. natuur, landschap en archeologie.
De Geomorfologische kaart is een van de registratieobjecten in de BRO, en wordt aangeduid als een ‘model’. Voor de Geomorfologische kaart betekent dit dat de kaart zelf het ‘model’ is dat tot stand gekomen is via een interpretatie van het Actuele Hoogtebestand Nederland (AHN) en de Bodemkaart 1: 50:000. Deze laatste is ook als registratieobject in de BRO is opgenomen.
Geomorfologie is de wetenschap die zich bezig houdt met het bestuderen van de vormen van het aardoppervlak en de processen die bij het ontstaan daarvan een rol spelen of hebben gespeeld. De geomorfologische kaart (het ‘model’) is het product van een kartering van reliefpatronen op basis van hoogtegegevens van het aardoppervlak, gecombineerd met hulpinformatie over de opbouw en samenstelling van de bodem en de ondergrond en actuele- en historische landgebruiksdata. Daarnaast vindt in het veld een controle van de kartering plaats waarbij op basis van visuele waarnemingen waar nodig wijzigingen in de begrenzing landvorm worden aangebracht.
2.1. Geomorfologisch onderzoek en -kartering
Geomorfologisch onderzoek is gericht op het produceren van gegevens over de vormen en patronen van het aardoppervlak en de invloed daarvan op het landgebruik en de ruimtelijke inrichting. Vaak wordt het onderzoek uitgevoerd omdat men de opbouw van het landschap moet kennen voor:
Onderzoek en educatie; de geomorfologische kaart en kennis van de geomorfologie is belangrijk bij environmental science studies en onderzoeken in dat vakgebied [Koomen-Maas2004].
2.2. Gebruikersperspectief
De informatie op de Geomorfologische Kaart van Nederland 1:50.000, die de basis vormt voor het geomorfologisch model in de Basisregistratie Ondergrond, heeft betrekking op reliëf, genese en ouderdom van het landschap. Er wordt continu gewerkt aan actualisatie en verdere detaillering. De kaart geeft veelal nog geen informatie over de stedelijke gebieden. De geomorfologische kaart is geschikt voor het vaststellen van aardkundige waarden, monitoring van veranderingen in het landschap, het maken van Omdat informatie in het stedelijk gebied ontbreekt is de geomorfologische kaart niet geschikt is voor het oplossen van stedelijke vraagstukken. De beoordeling of het geleverde informatieniveau nog bruikbaar is voor de specifieke vraagstelling is ter beoordeling aan de gebruiker.
De geomorfologische kaart is geschikt voor het afleiden van thematische kaarten ten behoeve van bovengenoemde toepassingen. Deze thematische kaarten vallen echter niet binnen de verantwoordelijkheid van de Basisregistratie Ondergrond. In het gebruik voor nationale, regionale en lokale toepassingen geldt dat de informatiebehoefte per oppervlakte-eenheid toeneemt naarmate het probleem grootschaliger (lokaler) wordt. De opnameschaal van de data is 1:50.000 en geeft op dat schaalniveau het bijbehorende detail. De beoordeling of het geleverde informatieniveau overeenkomt met de informatiebehoefte voor de specifieke vraagstelling is ter beoordeling aan de gebruiker.
2.3. Classificatie, legenda en geomorfologische karteringen
Met ingang van 2017 heeft de Geomorfologische kaart van Nederland 1:50.000 een nieuwe opzet, is de terminologie aangepast en is de gebruikte classificatie herzien.
De klassen die we op de geomorfologische kaart onderscheiden noemen we landvormen. Voor de classificatie van de landvormen worden drie niveaus gehanteerd. Op het hoogste niveau worden 11 landvormgroepen onderscheiden die in hun uiterlijke gedaante bepaalde kenmerken gemeenschappelijk hebben zoals bijvoorbeeld terrassen, dalen en vlakten. Landvormgroepen worden op basis van hun genese verder onderverdeeld in subgroepen voor de landvorm; de landvormgroep ‘vlakte’ wordt onderverdeeld in bijvoorbeeld dekzandvlakten, vlakten van getij-afzettingen en rivierkomvlakten. Het laagste indelingsniveau is dat van de ‘landvormeenheid’, waarbij de subgroepen worden onderverdeeld naar reliëf, de aanwezigheid van afwijkende geologische afzettingen in de bovengrond en of sprake is van een actief morfologisch proces.
De klassen voor geomorfologische eenheden vormen de brug tussen waarneming en model. Het is een in klasse gevatte karakteristiek van de landvorm. Bestond de oude classificatie nog uit drie onderdelen, in de nieuwe opzet bestaat deze voor een geomorfologische eenheid uit 7 onderdelen:
NOOT
Een uitgebreide toelichting op de legenda van de Geomorfologische kaart van Nederland 1:50 000 is online beschikbaar [Maas2017].
2.3.1. Versiebeheer
De beheerder van een model maakt zijn waardenlijsten (codelijsten en/of referentielijsten) bekend op een algemeen bekend formaat (PDF en als downloadable bestand) en maakt deze toegankelijk via www.basisregistratieondergrond.nl. De waardenlijsten worden meegeleverd bij de modellevering.
Als er wijzigingen zijn in een waardelijst, wordt er uiterlijk twee maanden vóór inwerkingtreding een notificatie op die website gezet, zodat gebruikers nog tijd hebben om hun eigen omgeving op de wijzigingen aan te passen.
2.3.2. Vormgroep
Tot een vormgroep behoren landvormen die in hun uiterlijke gedaante bepaalde kenmerken gemeenschappelijk hebben. Binnen de landvormen worden 11 vormgroepen onderscheiden. De vormgroepen zijn individueel te onderscheiden landvormen en gerangschikt naar de sterkte van het reliëf. Van (sterk) boven hun omgeving uitstekend naar (sterk) beneden hun omgeving liggend. Niet alle landvormen Als zijn als gevolg van de kaartschaal 1:50.000 zijn niet overal alle landvormen overal individueel te karteren. In die gevallen zijn de Geomorfologische patronen die meerdere landvormen omvatten worden landvormen die er voorkomen samengevoegd in de zogenaamde worden tot de vormgroep complexe landvormen in één vormgroep gerekend. Voor elke landvormgroep gelden specifieke reliëfklassen. [Maas2017]
2.3.3. Reliëf
Reliëf is de verticale dimensie van het landschap; het geheel van hoogtes en laagtes in het landschap. De reliëfcode die gebruikt wordt in de codering van de geomorfologische eenheden is een classificatie op basis van een aantal reliëfkenmerken. Voor de niet-dalvormige landvormgroepen geldt de indeling waarbij het reliëf uit twee onderscheidende kenmerken bestaat:
Alleen voor de vormgroep dalvormige laagten (dalen) geldt een classificatie, waarbij vier reliëfkenmerken onderscheidend zijn:
Relief in de geomorfologische kaart is een relatieve maat. De hoogteklassen geven de hoogte van de landvorm weer ten opzichte van de voor die specifieke landvorm relevante omgeving. De afstand tot het referentiepunt is afhankelijk van de grootte van de geomorfologische eenheid.
De toevoeging reliëf geeft aanvullende informatie over het reliëf. Er zijn 5 verschillende reliëf-toevoegingen onderscheiden. In een aantal gevallen komen reliëfverschillen voor die niet onderscheidend zijn qua vormgroep en reliëfklasse, maar wel relevante informatie bevatten voor het kaartbeeld.[Maas2017]
2.3.4. Genese: de ontstaanswijze van landvormen
Het buitenste deel van het de aardkorst is onderhevig aan de inwerking van allerlei fysische, chemische en biologische processen. Door deze processen, waarvan sommige nauwelijks waarneembaar zijn, en andere zich catastrofaal snel voltrekken, verandert de vorm van het aardoppervlak en ontstaan de landvormen.
De landschapsvormen in Nederland zijn vooral ontstaan onder invloed van landijs (stuwwallen en smeltwaterdalen), wind (dekzandruggen, dekzandvlaktes, zandduinen en lössvlaktes), rivieren (stroomruggen en kommen), de zee (op- en aanwasvlaktes en geulen) en veenvorming (veenvlaktes). In Zuid-Nederland is tektoniek van invloed geweest op het ontstaan van hoogtes en laagtes. En in de recente tijd is door allerlei ingrepen van de mens het reliëf vervlakt of juist versterkt. Er zijn 10 vormbepalende factoren onderscheiden. [Maas2017]
2.3.5. Landvormsubgroep
Vormen binnen de vormgroep en met dezelfde genese, maar met andere specifieke vormkenmerken. [Maas2017]
2.3.6. Toevoeging ‘Bovengrond’
Met deze toevoeging wordt aanvullende informatie geven over afwijkende sedimentpakketten die van invloed zijn op de uiterlijke reliëfkenmerken van de landvorm. Alleen in die gevallen waar de landvorm qua reliëf afwijkt door een min of meer lokaal voorkomende bedekking met een afwijkend sediment (textuur) wordt deze toevoeging toegepast. Niet bij alle landvormen wordt informatie gegeven over afdekkende lagen, omdat die niet van invloed is op het reliëf. Daarvoor is de Bodemkaart van Nederland 1:50.000 beschikbaar.
Omdat tijdens het karteren niet altijd duidelijk was of de toevoeging van toepassing was op het gehele kaartvlak is de indicatie 'al dan niet' (y) geïntroduceerd. Deze indicatie kan in combinatie met alle toevoegingen worden gebruikt. Bijvoorbeeld de toevoeging 'ya' betekent: al dan niet met oud-bouwlanddek. Oude-bouwlanddekken komen op bepaalde landvormsubgroepen veelvuldig voor, maar het is onzeker of dit fenomeen op alle onderscheiden kaarteenheden van deze landvormsubgroep in een bepaalde regio voorkomt. Is het zeker dat een oud-bouwlanddek op een bepaalde kaarteenheid voorkomt, dan wordt de toevoeging 'a' zonder 'y' weergegeven. Voor de codering van de toevoegingen wordt een kleine letter gebruikt. [Maas2017]
2.3.7. Actieve processen
Indien er geomorfologische processen actief op een landvorm inwerken krijgt de landvorm de aanduiding dynamiek. De aanduiding dynamiek is een aanvulling op het onderdeel genese van de vormeenheid en sluit aan bij de vormbepalende factor die van toepassing is. Er zijn 5 vormbepalende factoren die in combinatie met de aanduiding dynamiek kunnen voorkomen.
Overige processen zoals glaciale-, en periglaciale processen komen in Nederland onder de huidige klimatologische omstandigheden niet voor. Tectonische en lacustriene processen doen zich wel actief voor in Nederland, maar deze leiden niet tot karteerbare 'nieuwe' vormeenheden op de kaart. Bij landvormen die door de mens gevormd zijn wordt niet aangegeven of het vormbepalend proces nog gaande is of niet. Actieve antropogene processen spelen zich af op een andere tijdschaal dan de Geomofologische kaart van Nederland omvat.
2.4. Dijken van geomorfologisch belang
Of een landvorm onderhevig is aan actieve fluviatiele of mariene processen is afhankelijk van het feit of de vormen binnen- of buitendijks liggen. Voor de karakterisering van de landvorm is dat essentieel. (Primaire) dijken vormen de scheiding tussen actieve en niet-actieve landvormen.
2.5. Inventarisatiemethoden
2.5.1. Kartering ‘oude stijl’ (1960-1990)
Het proces van opnemen en vervaardigen van de geomorfologische kaart bestond uit verschillende stappen. Eerst werd hulpinformatie aangemaakt. Dit gebeurde per deelgebied, een zogenaamd kaartblad. Op basis van de hoogtepunten kaart (schaal 1:10 000) werd een gedetailleerde hoogtelijnenkaart vervaardigd, met een minimaal hoogteverschil van 0,25 meter. Op basis van deze hoogtelijnenkaart en indien beschikbaar de bodemkaart en geologische informatie werd een eerste zogenaamde geomorfologische ‘schetskaart’ (schaal 1:25 000) vervaardigd. Met deze ‘schetskaart’ gingen karteerders het veld in. Deze ‘schetskaart’ werd in het veld gecontroleerd, aangepast en aangevuld. Indien nodig voerden karteerders aanvullend booronderzoek van het type bodemkundig boormonster beschrijving en bodemkundig boormonsteronderzoek uit.
Deze verbeterde ‘schetskaarten’ werden op de topografische kaart (1:50 000) gelegd waaruit infrastructuur werd overgenomen en werden de vlakken voorzien van de codes voor reliëf en de geomorfologische subgroep en eventuele toevoegingen. Vervolgens vond op het resultaat (kaartblad) een eindcontrole plaats waarbij het gehele blad met verschillende inhoudelijk deskundigen werd bekeken, besproken en eventueel nog werd aangepast. Daarna werd het geomorfologische kaartblad (schaal 1:50 000) in kleur afgedrukt en de toelichting op het kaartblad uitgegeven. De kaartschaal bepaalt mede de mate van detail en minimale grote van landvormen die op de kaart kan worden weergegeven. Om druktechnische redenen en vanwege de leesbaarheid waren de afmetingen van kaartvlakken aan minimumgrenzen gebonden.Voor die delen van Nederland die volgens deze methode zijn gekarteerd geldt een kaartschaal van 1:50.000 en daarvoor geldt dat de afmeting van de kleinst weergegeven landvormen ca. 10 ha. is (1 cm2 op de kaart = 25 ha. in het terrein).
Tussen 1990 en 1998 vonden geen karteringen plaats.
2.5.2. Kartering ‘nieuwe stijl’ (1998–heden)
Inmiddels is er meer c.q. gedetailleerdere (hulp)informatie beschikbaar, zoals het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN), luchtfoto’s, de bodemkaart van Nederland 1:50 000 en bodemkundige detailkarteringen. Het AHN vormt de basis van de digitale kartering van aardvormen en patronen. In combinatie met de (hulp)informatie worden landvormen geclassificeerd en definitief begrensd. Daarnaast vindt onderzoek in het veld plaats. Een veldonderzoek bestaat uit controle van de ‘digitale’ kartering, het inwinnen van aanvullende informatie en op basis daarvan en van waarnemingen in het veld het opnemen en/of wijzigen van landvormgrenzen.
2.5.3. De kaartschaal
De kaartschaal bepaalt mede de mate van detail waarmee de bodemgesteldheid kan worden weergegeven. In het verleden waren, om druktechnische redenen en vanwege de leesbaarheid van de analoge kaart, de afmetingen van kaartvlakken aan minimumgrenzen gebonden. Voor de kaartschaal 1:50 000 waren de kleinste vlakken die werden opgenomen, vlakken die ca. 10 ha. representeerden (1 cm2 op de kaart = 25 ha. in het terrein). Tegenwoordig worden veel kleinere kaartvlakken gekarteerd. De mate van detail van de huidige geomorfologische kaart komt dichterbij de 1:25.000 en voor sommige gebieden zelfs 1:10.000.
Basisregistratie Ondergrond (BRO)
Catalogus
REGIS II (Hydrogeologisch model)
Versie: 0.99
Datum: 07 mei 2019
Inhoud
Artikel 1. Definities
1.1. Objecttypen
1.1.1. Objecttype Model
1.1.2. Objecttype Modelgebied
1.1.3. Objecttype Geïnterpreteerde boormonsterbeschrijving
1.1.4. Objecttype Boorbeschrijvingsinterval
1.1.5. Objecttype Geïnterpreteerd hydrogeologisch eenheid-interval
1.1.6. Objecttype Laag
1.2. Referentielijsten
1.2.1. Referentielijst Hydrogeologische eenheid
1.2.1.1. Overzicht referentie elementen
1.3. Gestruktureerde datatypen
1.3.1. Gestructureerd datatype Interval
1.3.1.1. Overzicht data elementen
1.3.2. Gestructureerd datatype Grensvlak
1.3.2.1. Overzicht data elementen
1.3.3. Gestructureerd datatype Dikte
1.3.3.1. Overzicht data elementen
1.3.4. Gestructureerd datatype Doorlatendheid
1.3.4.1. Overzicht data elementen
1.3.5. Gestructureerd datatype Kleur
1.3.5.1. Overzicht data elementen
1.4. Primitieve datatypen
1.4.1. Primitief datatype GM_Surface
1.4.2. Primitief datatype GM_Point
1.4.3. Primitief datatype GM_MultiCurve
1.4.4. Primitief datatype CV_Coverage
1.5. Enumeraties
1.6. Attribuut- en relatiesoort details
1.6.1. Objecttype Model
1.6.1.1. Attribuutsoort details Model naam
1.6.1.2. Attribuutsoort details Model versie
1.6.1.3. Attribuutsoort details Model datum ingang
1.6.1.4. Attribuutsoort details Model datum einde
1.6.1.5. Attribuutsoort details Model dekkingsgebied
1.6.1.6. Relatiesoort details Model is samengesteld uit
1.6.2. Objecttype Modelgebied
1.6.2.1. Attribuutsoort details Modelgebied naam
1.6.2.2. Attribuutsoort details Modelgebied versie
1.6.2.3. Attribuutsoort details Modelgebied datum ingang
1.6.2.4. Attribuutsoort details Modelgebied datum einde
1.6.2.5. Attribuutsoort details Modelgebied dekkingsgebied
1.6.2.6. Attribuutsoort details Modelgebied grensvlak top
1.6.2.7. Attribuutsoort details Modelgebied freatisch vlak
1.6.3. Objecttype Geïnterpreteerde boormonsterbeschrijving
1.6.3.1. Attribuutsoort details Geïnterpreteerde boormonsterbeschrijving boornummer
1.6.3.2. Attribuutsoort details Geïnterpreteerde boormonsterbeschrijving geometrie
1.6.3.3. Attribuutsoort details Geïnterpreteerde boormonsterbeschrijving einddiepte
1.6.3.4. Relatiesoort details Geïnterpreteerde boormonsterbeschrijving behoort tot
1.6.4. Objecttype Boorbeschrijvingsinterval
1.6.4.1. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval interval
1.6.4.2. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval lithologie
1.6.4.3. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval zandmediaanklasse
1.6.4.4. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval grindmediaanklasse
1.6.4.5. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval bijmenging klei
1.6.4.6. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval bijmenging silt
1.6.4.7. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval bijmenging zand
1.6.4.8. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval bijmenging grind
1.6.4.9. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval bijmenging humus
1.6.4.10. Relatiesoort details Boorbeschrijvingsinterval maakt deel uit van
1.6.5. Objecttype Geïnterpreteerd hydrogeologisch eenheid-interval
1.6.5.1. Attribuutsoort details Geïnterpreteerd hydrogeologisch eenheid-interval hydrogeologische eenheid
1.6.5.2. Attribuutsoort details Geïnterpreteerd hydrogeologisch eenheid-interval interval
1.6.5.3. Attribuutsoort details Geïnterpreteerd hydrogeologisch eenheid-interval horizontale doorlatendheid
1.6.5.4. Attribuutsoort details Geïnterpreteerd hydrogeologisch eenheid-interval verticale doorlatendheid
1.6.5.5. Relatiesoort details Geïnterpreteerd hydrogeologisch eenheid-interval behoort tot
1.6.6. Objecttype Laag
1.6.6.1. Attribuutsoort details Laag grensvlak top
1.6.6.2. Attribuutsoort details Laag grensvlak basis
1.6.6.3. Attribuutsoort details Laag dikte
1.6.6.4. Attribuutsoort details Laag hydrogeologische eenheid
1.6.6.5. Attribuutsoort details Laag breuk
1.6.6.6. Attribuutsoort details Laag karteergebied
1.6.6.7. Attribuutsoort details Laag horizontale doorlatendheid
1.6.6.8. Attribuutsoort details Laag verticale doorlatendheid
1.6.6.9. Attribuutsoort details Laag transmissiviteit
1.6.6.10. Attribuutsoort details Laag verticale weerstand
1.6.6.11. Relatiesoort details Laag maakt deel uit van
1.6.7. Referentielijst Hydrogeologische eenheid
1.6.7.1. Referentie element details Hydrogeologische eenheid code
1.6.7.2. Referentie element details Hydrogeologische eenheid naam
1.6.7.3. Referentie element details Hydrogeologische eenheid volgnummer
1.6.7.4. Referentie element details Hydrogeologische eenheid kleur
1.6.8. Gestructureerd datatype Interval
1.6.8.1. Data element details Interval top
1.6.8.2. Data element details Interval basis
1.6.9. Gestructureerd datatype Grensvlak
1.6.9.1. Data element details Grensvlak hoogteligging
1.6.9.2. Data element details Grensvlak standaardeviatie
1.6.10. Gestructureerd datatype Dikte
1.6.10.1. Data element details Dikte dikte
1.6.11. Gestructureerd datatype Doorlatendheid
1.6.11.1. Data element details Doorlatendheid doorlatendheid
1.6.11.2. Data element details Doorlatendheid standaarddeviatie
1.6.12. Gestructureerd datatype Kleur
1.6.12.1. Data element details Kleur rood
1.6.12.2. Data element details Kleur groen
1.6.12.3. Data element details Kleur blauw
1.6.13. Enumeratie details Indicatie
Toelichting
2.1. Beschrijving
REGIS II is een registratieobject in het domein modellen. Het gaat in dit domein om schattingen of voorspellingen van de opbouw en eigenschappen van de bodem of ondergrond in twee of drie dimensies. Deze schematische weergaven geven een schatting of voorspelling van de opbouw en eigenschappen van de bodem of ondergrond. Modellen zijn sterk afhankelijk van de hoeveelheid en kwaliteit van de beschikbare ondergrondgegevens zoals boormonsterbeschrijvingen. De kwaliteit van de modellen zal daarom toenemen naarmate er meer ondergrondgegevens in de BRO beschikbaar komen.
REGIS II is een driedimensionaal hydrogeologisch model van de laagopbouw en hydraulische eigenschappen van de matig diepe ondergrond van Nederland tot een gemiddelde diepte van ongeveer 500 meter onder NAP, met een maximum diepte van 1.200 m onder NAP. REGIS II is gebaseerd op de interpretaties van de boormonsterbeschrijvingen en het lagenmodel van DGM. In REGIS II zijn de lithostratigrafische eenheden van DGM verder onderverdeeld in hydrogeologische eenheden.
De termen hydrogeologische eenheid en lithostratigrafische eenheid worden hieronder toegelicht:
Een hydrogeologische eenheid maakt onderdeel uit van een lithostratigrafische eenheid of valt daar mee samen. Een hydrogeologische eenheid kan derhalve niet uit meerdere lithostratigrafische eenheden zijn opgebouwd. Door het hanteren van dit criterium wordt de consistentie tussen het geologische model DGM en het hydrogeologische model REGIS II gewaarborgd.
REGIS II bestaat uit de volgende in de BRO opgenomen producten die ontstaan uit een gestandaardiseerd werkproces:
2.2. Versiebeheer
Op REGIS II is versiebeheer van toepassing. De in de BRO uitgeleverde versie van REGIS II bevat altijd het meest actuele model.
De beheerder van een model maakt zijn waardenlijsten (codelijsten en/of referentielijsten) bekend op een algemeen bekend formaat (PDF en als downloadable bestand) en maakt deze toegankelijk viawww.basisregistratieondergrond.nl. De waardenlijsten worden meegeleverd bij de modellevering.
Als er wijzigingen zijn in een waardelijst, wordt er uiterlijk twee maanden vóór inwerkingtreding een notificatie op die website gezet, zodat gebruikers nog tijd hebben om hun eigen omgeving op de wijzigingen aan te passen.
2.3. Modelonzekerheden
2.3.1. Onzekerheid
De belangrijkste gegevensbron voor REGIS II zijn boormonsterbeschrijvingen. Elk van deze boormonsterbeschrijvingen geeft vaak gedetailleerde informatie over de opbouw van de ondergrond op één specifieke locatie. Voor het overgrote deel van de gridcellen geldt echter dat ze niet doorboord zijn. Dit betekent dat we een schatting moeten doen op basis van de in de omgeving van de gridcel aanwezige boormonsterbeschrijvingen. Hoe goed het model hiertoe in staat is, is onder andere afhankelijk van:
Alle maatstaven van onzekerheid in REGIS II zijn gebaseerd op de in het model gebruikte (stochastische) interpolatietechnieken. Het is belangrijk om te beseffen dat deze technieken niet expliciet rekening houden met de onzekerheidsmarges in de gebruikte brongegevens (waaronder de boormonsterbeschrijvingen). In REGIS II spreken we daarom van modelonzekerheid in plaats van onzekerheid.
2.3.2. Standaarddeviaties van de doorlatendheid in het lagenmodel
Van de meeste hydrogeologische eenheden is van de doorlatendheid een standaarddeviatieraster berekend. Deze rasters geven voor elke rastercel de modelonzekerheid van de doorlatendheid weer, uitgedrukt in de standaarddeviatie (in m/d) van de door het model geschatte, meest waarschijnlijke doorlatendheid. Met de standaarddeviatie is het mogelijk om de kans te bepalen dat de doorlatendheid een bepaalde afwijking vertoont van de door het model geschatte, meest waarschijnlijke waarde. De manier waarop de standaarddeviatie berekend wordt kan per geologische eenheid verschillen. Welke manier van toepassing is wordt beschreven in het Totstandkomingsrapport dat met het model in de BRO is opgenomen.
2.4. Doel en gebruik
REGIS II is een regionaal ondergrondmodel met een gebruiksschaal die past bij toepassingen op landelijk en provinciaal niveau. Deze gebruiksschaal is vergelijkbaar met de schaal van 1:100.000. Bij ondergrondvraagstukken op een grotere schaal (subregionaal) kan REGIS II dienen als raamwerk waarbinnen meer detail kan worden aangebracht.
2.5. Kwaliteitsaspecten
2.5.1. Algemeen
De kwaliteit van REGIS II is onder andere afhankelijk van de volgende factoren: de kwaliteit van het geologische model DGM, de hoeveelheid, diepte, ruimtelijke verdeling en kwaliteit van de boormonsterbeschrijvingen, de verbreiding van een geologische eenheid, de breukwerking in deze eenheid en het modelleren van de eenheden.
Deze en andere kwaliteitsaspecten wordt in de navolgende paragrafen verder besproken.
2.5.2. Kwaliteit van het geologische model DGM
Een hydrogeologische eenheid maakt onderdeel uit van een lithostratigrafische eenheid of valt daar mee samen. Hierdoor bestaat er een zeer nauwe samenhang tussen het geologische model DGM, dat de opbouw van de ondergrond in geologische (lithostratigrafische) eenheden beschrijft, en REGIS II. Om de consistentie tussen geologische en hydrogeologische informatie te kunnen waarborgen, zijn de lithostratigrafische interpretaties van de boormonsterbeschrijvingen van de subset van DGM, en de geometrie van de geologische eenheden van dit model een randvoorwaarde voor REGIS II. Hydrogeologische interpretaties van de boormonsterbeschrijvingen en ruimtelijke interpretaties van de hydrogeologische eenheden dienen gebaseerd te zijn op de informatie van DGM. De kwaliteit van DGM is daardoor mede bepalend voor de kwaliteit van REGIS II.
2.5.2.1. Boormonsterbeschrijvingen
Voor REGIS II wordt een subset van alle beschikbare boormonsterbeschrijvingen gebruikt. Dit is dezelfde subset als voor DGM gebruikt wordt. Er wordt gestreefd naar een zo gelijkmatig mogelijke verdeling van boormonsterbeschrijvingen per geologische eenheid, maar dit kan niet altijd gerealiseerd worden. Er zijn gebieden met een hogere boordichtheid (in onderzoeksgebieden, drinkwateronttrekkingsgebieden) en gebieden met een veel lagere boordichtheid (Waddenzee, IJsselmeer). Daarnaast kan de boordichtheid per eenheid per regio variëren. Tot slot varieert de kwaliteit van de boorbeschrijvingen binnen deze subset. De gebruikte boormethode, de daaraan gekoppelde manier van monstername en de methode waarmee de monsters zijn beschreven beïnvloeden de kwaliteit van laagbeschrijvingen.
2.5.2.2. Kwaliteitsfiltering
Binnen REGIS II wordt een subset van alle beschikbare boormonsterbeschrijvingen gebruikt. Deze initiële subset is identiek aan de subset van de corresponderende versie van DGM. De boormonsterbeschrijvingen kunnen echter soms te weinig lithologische kenmerken bevatten of uit te grote diepte-intervallen bestaan om een hydrogeologische eenheid te kunnen interpreteren. Indien ook aanvullende informatie, bijvoorbeeld in de vorm van een geofysische boorgatmeting, die ondersteunend kan zijn bij de interpretatie, ontbreekt, kan besloten worden om dergelijke boormonsterbeschrijvingen niet bij de modellering van de top en/of basis van de betreffende hydrogeologische eenheid mee te nemen. De selectie welke boormonsterbeschrijvingen wel/niet worden meegenomen bij de modellering van een hydrogeologische eenheid wordt handmatig uitgevoerd.
De lithologische informatie van de boormonsterbeschrijvingen wordt ook gebruikt bij het schatten van de doorlatendheid van een deel van de hydrogeologische eenheden. De mate van detail en representativiteit van de boormonsterbeschrijvingen zijn bepalend of de informatie van een boormonsterbeschrijving wel/niet wordt gebruikt bij het samenstellen van de rasters van de doorlatendheid. De selectie welke boormonsterbeschrijvingen wel/niet worden meegenomen bij de modellering van een hydrogeologische eenheid wordt deels automatisch, deels handmatig uitgevoerd.
2.5.2.3. Momentopname (ouderdom)
Boormonsterbeschrijvingen zijn een momentopname van de beschreven ondergrond. De opbouw van de ondergrond ter plaatse van de boormonsterbeschrijving kan in de tijd die verstreken is tussen het maken van de beschrijving en het construeren van het model veranderd zijn. Denk aan veen in een boormonsterbeschrijving dat inmiddels is geoxideerd en vergravingen (havens, vaargeulen).
2.5.2.4. Momentopname (database)
Bij het actualiseren van het model wordt op een zeker moment een momentopname (‘snapshot’) gemaakt van de boormonsterbeschrijvingen en de bijbehorende boorbeschrijvingen. De interpretaties van de boormonsterbeschrijvingen worden gebaseerd op deze momentopname. Alle wijzigingen die na de momentopname aan deze boormonsterbeschrijvingen worden aangebracht, zullen niet zichtbaar in de momentopname zijn en zullen daarom niet zichtbaar zijn in het betreffende model.
2.5.2.5. Interpretatie in hydrogeologische eenheden
Alle in de subset aanwezige boormonsterbeschrijvingen worden voorzien van een hydrogeologische indeling. Op automatische wijze wordt een voorzet voor deze interpretatie gedaan, waarna de uiteindelijke interpretatie handmatig geschiedt. Bij deze handmatige interpretatie kan additionele informatie worden gebruikt, zoals geofysische boorgatmetingen, zware mineralen diagrammen, pollenonderzoek en in de omgeving opgenomen sonderingen.
Na het in hydrogeologische eenheden interpreteren van de boormonsterbeschrijvingen worden de interpretaties middels een aantal plausibiliteitscontroles gecontroleerd.
2.5.3. Verbreidingen
Voor elke kleiige, venige, bruinkool en complexe hydrogeologische eenheid wordt een verbreiding vastgesteld. Deze verbreiding bakent het gebied af waarbinnen de eenheid binnen het model gemodelleerd wordt. De verbreiding is de maximale of potentiële verbreiding van de eenheid binnen het lagenmodel: buiten de potentiële verbreiding komt de eenheid niet voor, binnen de verbreiding kan de eenheid voorkomen.
Bij het construeren van verbreidingsgrenzen wordt een kaartschaal van circa 1:100.000 gehanteerd. Kleine voorkomens van de hydrogeologische eenheid die buiten de resolutie van deze kaartschaal vallen, worden niet in de verbreiding opgenomen.
2.5.4. Breuken
Binnen de modellering van REGIS II wordt rekening gehouden met breuken. Per breuksegment is aangegeven in welke basis van kleiige, venige, bruinkool en complexe hydrogeologische eenheid dit breuksegment nog invloed heeft. Om modeltechnische redenen worden in de modellering van de hydrogeologische eenheden van REGIS II de breuken verondersteld verticaal te zijn.
2.5.5. Lagenmodel
2.5.5.1. Consistent lagenmodel
Het lagenmodel is consistent, dat wil zeggen dat de top van een eenheid ofwel samenvalt met de basis van een of meerdere hoger gelegen eenheden, ofwel aan maaiveld ligt. Omgekeerd valt de basis van een eenheid samen met een of meerdere toppen van dieper gelegen eenheden, of de basis ligt aan de onderkant van het model. Een logisch gevolg is dat elk willekeurig punt in de ruimte (binnen de begrenzingen van het modelgebied) zich altijd tussen de top en basis van één enkele hydrogeologische eenheid bevindt.
2.5.5.2. Hydraulische parameters van de eenheden
REGIS II verschaft, afhankelijk van de hydrogeologische eenheid, schattingen van de hydraulische eigenschappen van de hydrogeologische eenheden. De kwaliteit van deze schattingen hangt samen met de hoeveelheid, diepte en ruimtelijke verdeling van geschikte boormonsterbeschrijvingen, de kwaliteit van deze boormonsterbeschrijvingen, de heterogeniteit van de hydrogeologische eenheid, de hoeveelheid, kwaliteit en ruimtelijke spreiding van bepalingen van deze hydraulische eigenschappen door middel van proeven en de bestaande kennis van de hydraulische eigenschappen van de eenheden en de gebruikte methodiek om deze schattingen te maken.
Geostatistische procedures worden gebruikt om op basis van geïnterpreteerde boormonsterbeschrijvingen hydraulische parameters van een deel van de hydrogeologische eenheden te schatten. Daarbij wordt tevens de standaarddeviatie van de doorlatendheid als maat van modelonzekerheid uitgeleverd.
Indien er onvoldoende geschikte boormonsterbeschrijvingen zijn, is het niet mogelijk om de ruimtelijke variatie in de hydraulische eigenschappen aan te geven. In dat geval is een constante waarde gegeven voor het hele verbreidingsgebied van de eenheid.
2.5.5.3. Verschillen met boormonsterbeschrijvingen
Een boormonsterbeschrijving geeft veelal een gedetailleerd beeld van de hoogteligging van geologische eenheden op één specifieke locatie. In het lagenmodel wordt middels geostatistische technieken een schatting gegeven van de hoogteligging van de geologische eenheden per rastercel. Deze is daarmee representatief voor een gebied van 100 bij 100 m (10.000 m2). De diepteligging van de geologische eenheden in een boormonsterbeschrijving kan daarom afwijken van de voorspelde diepte van geologische eenheden in het lagenmodel op dezelfde locatie. Ook geldt dat de opeenvolging van hydrogeologische eenheden in een boormonsterbeschrijving kan afwijken van de gemodelleerde opeenvolging van de eenheden, dunne eenheden kunnen weggeschaald zijn in het lagenmodel en een complexe afwisseling van eenheden moet voor de modellering vereenvoudigd worden.
In de modellering van REGIS II worden de kleiige, venige, bruinkool en complexe hydrogeologische eenheden gemodelleerd, de geometrie van de zandige eenheden wordt hiervan afgeleid.
De hoogte van het maaiveld op de locatie van het boormonsterbeschrijving kan eveneens afwijken van de maaiveldhoogte van het model. Dit kan verschillende oorzaken hebben zoals fouten in de opname van de maaiveldhoogte of een daadwerkelijke verandering in maaiveldhoogte door bijvoorbeeld afgraving of ophoging die in de tijd tussen het maken van het boormonsterbeschrijving en het construeren van het model heeft plaatsgevonden. Verder geldt dat de maaiveldhoogte in het model representatief is voor een gebied van 100 bij 100 m en de hoogte van een boormonsterbeschrijving geldt voor één specifieke puntlocatie.
2.6. Metadata
2.6.1. Resolutie
Rastercellen in het lagenmodel hebben afmetingen van 100 bij 100 m.
2.6.2. Gebruiksschaal
In het ondiepe bereik van REGIS II is de gebruiksschaal circa 1:100.000. Door de afnemende datadichtheid met de diepte geldt op groterere dieptes een kleinere gebruiksschaal. Door verschillen in datadichtheid zijn er daarnaast regionale verschillen in de gebruiksschaal van het model. Zie ook de toelichting in 5.4.
2.6.3. Gebiedsaanduiding
De omgrenzende rechthoek, uitgedrukt in minimale en maximale coördinaten van het model, is vastgesteld in het Rijksdriehoekstelsel (RD). De waarden zijn in onderstaande tabel weergegeven, met daarbij de omgerekende waarden in WGS84.
2.6.4. Horizontale begrenzing
De horizontale begrenzing van het model is vastgelegd in een polygoon.
2.6.5. Verticale begrenzing
Voor het lagenmodel geldt dat de verticale begrenzing aan de bovenkant bepaald wordt door de top van de ondiepst gelegen geologische eenheid van het DGM dat aan REGIS II ten grondslag ligt. De verticale begrenzing aan de onderkant wordt bepaald door de basis van de diepst gelegen geologische eenheid van dit DGM.
2.6.6. Horizontaal referentiesysteem
Alle coördinaten in REGIS II zijn gegeven in meter in het Rijksdriehoekstelsel (RD).
Voor de geïnterpreteerde boormonsterbeschrijvingen geven de coördinaten de ligging van de boorlocatie aan maaiveld aan. Indien een boormonsterbeschrijving zich binnen een straal van 150 meter van een breukvlak bevindt, wordt deze locatie 150 meter loodrecht van het breukvlak verschoven. Hiermee wordt voorkomen dat boormonsterbeschrijvingen gelegen in rastercellen die door breukvlakken worden doorsneden, een foutieve invloed op het modelresultaat kunnen hebben.
Voor het lagenmodel geldt de conventie dat de ligging van een rastercel wordt beschreven door de coördinaten van de linkeronderhoek (‘lower left corner’).
2.6.7. Verticaal referentiesysteem
Alle hoogten in het lagenmodel van REGIS II zijn gegeven in meter ten opzichte van NAP.
Basisregistratie Ondergrond (BRO)
Catalogus
GeoTOP
Versie: 0.99
Datum: 21 juni 2019
Inhoud
Artikel 1. Definities
1.1. Objecttypen
1.1.1. Objecttype Model
1.1.2. Objecttype Modelgebied
1.1.3. Objecttype Geïnterpreteerde boormonsterbeschrijving
1.1.4. Objecttype Boorbeschrijvingsinterval
1.1.5. Objecttype Geïnterpreteerd geologische eenheid-interval
1.1.6. Objecttype Geinterpreteerd lithoklasse-interval
1.1.7. Objecttype Laag
1.1.8. Objecttype Voxel
1.2. Referentielijsten
1.2.1. Referentielijst Lithoklasse
1.2.1.1. Overzicht referentie elementen
1.2.2. Referentielijst Geologische eenheid
1.2.2.1. Overzicht referentie elementen
1.3. Gestruktureerde datatypen
1.3.1. Gestructureerd datatype Interval
1.3.1.1. Overzicht data elementen
1.3.2. Gestructureerd datatype Grensvlak
1.3.2.1. Overzicht data elementen
1.3.3. Gestructureerd datatype Kleur
1.3.3.1 Overzicht data elementen
1.4. Primitieve datatypen
1.4.1. Primitief datatype CV_Coverage
1.4.2. Primitief datatype GM_Point
1.4.3. Primitief datatype GM_MultiCurve
1.4.4. Primitief datatype GM_Solid
1.4.5. Primitief datatype GM_Surface
1.5. Enumeraties
1.6. Attribuut- en relatiesoort details
1.6.1. Objecttype Model
1.6.1.1. Attribuutsoort details Model naam
1.6.1.2. Attribuutsoort details Model versie
1.6.1.3. Attribuutsoort details Model datum ingang
1.6.1.4. Attribuutsoort details Model datum einde
1.6.1.5. Attribuutsoort details Model dekkingsgebied
1.6.1.6. Relatiesoort details Model is samengesteld uit
1.6.2. Objecttype Modelgebied
1.6.2.1. Attribuutsoort details Modelgebied naam
1.6.2.2. Attribuutsoort details Modelgebied versie
1.6.2.3. Attribuutsoort details Modelgebied datum ingang
1.6.2.4. Attribuutsoort details Modelgebied datum einde
1.6.2.5. Attribuutsoort details Modelgebied dekkingsgebied
1.6.2.6. Attribuutsoort details Modelgebied grensvlak top
1.6.3. Objecttype Geïnterpreteerde boormonsterbeschrijving
1.6.3.1. Attribuutsoort details Geïnterpreteerde boormonsterbeschrijving boornummer
1.6.3.2. Attribuutsoort details Geïnterpreteerde boormonsterbeschrijving geometrie
1.6.3.3. Attribuutsoort details Geïnterpreteerde boormonsterbeschrijving einddiepte
1.6.3.4. Relatiesoort details Geïnterpreteerde boormonsterbeschrijving behoort tot
1.6.4. Objecttype Boorbeschrijvingsinterval
1.6.4.1. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval interval
1.6.4.2. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval lithologie
1.6.4.3. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval zandmediaan
1.6.4.4. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval zandmediaanklasse
1.6.4.5. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval bijmenging klei
1.6.4.6. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval bijmenging silt
1.6.4.7. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval bijmenging zand
1.6.4.8. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval bijmenging grind
1.6.4.9. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval bijmenging humus
1.6.4.10. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval schelpenpercentage
1.6.4.11. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval schelpenfractie
1.6.4.12. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval plantenresten
1.6.4.13. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval micafractie
1.6.4.14. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval glauconietfractie
1.6.4.15. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval percentage organisch materiaal
1.6.4.16. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval kalkgehalte
1.6.4.17. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval consistentie klei
1.6.4.18. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval hoofdkleur
1.6.4.19. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval lutumpercentage
1.6.4.20. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval indicatie planten aanwezig
1.6.4.21. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval indicatie schelpen aanwezig
1.6.4.22. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval indicatie kleibrokjes aanwezig
1.6.4.23. Relatiesoort details Boorbeschrijvingsinterval maakt deel uit van
1.6.5. Objecttype Geïnterpreteerd geologische eenheid-interval
1.6.5.1. Attribuutsoort details Geïnterpreteerd geologische eenheid-interval interval
1.6.5.2. Attribuutsoort details Geïnterpreteerd geologische eenheid-interval geologische eenheid
1.6.5.3. Attribuutsoort details Geïnterpreteerd geologische eenheid-interval indicatie gestuwd
1.6.5.4. Attribuutsoort details Geïnterpreteerd geologische eenheid-interval geulgeneratie
1.6.5.5. Relatiesoort details Geïnterpreteerd geologische eenheid-interval behoort tot
1.6.6. Objecttype Geinterpreteerd lithoklasse-interval
1.6.6.1. Attribuutsoort details Geinterpreteerd lithoklasse-interval interval
1.6.6.2. Attribuutsoort details Geinterpreteerd lithoklasse-interval lithoklasse
1.6.6.3. Relatiesoort details Geinterpreteerd lithoklasse-interval behoort tot
1.6.7. Objecttype Laag
1.6.7.1. Attribuutsoort details Laag grensvlak top
1.6.7.2. Attribuutsoort details Laag grensvlak basis
1.6.7.3. Attribuutsoort details Laag dikte
1.6.7.4. Attribuutsoort details Laag geologische eenheid
1.6.7.5. Attribuutsoort details Laag breuk
1.6.7.6. Attribuutsoort details Laag karteergebied
1.6.7.7. Relatiesoort details Laag maakt deel uit van
1.6.8. Objecttype Voxel
1.6.8.1. Attribuutsoort details Voxel geologische eenheid
1.6.8.2. Attribuutsoort details Voxel meest waarschijnlijke lithoklasse
1.6.8.3. Attribuutsoort details Voxel geometrie
1.6.8.4. Attribuutsoort details Voxel kans op organisch materiaal (veen)
1.6.8.5. Attribuutsoort details Voxel kans op klei
1.6.8.6. Attribuutsoort details Voxel kans op kleiig zand, zandige klei en leem
1.6.8.7. Attribuutsoort details Voxel kans op fijn zand
1.6.8.8. Attribuutsoort details Voxel kans op matig grof zand
1.6.8.9. Attribuutsoort details Voxel kans op grof zand
1.6.8.10. Attribuutsoort details Voxel kans op grind
1.6.8.11. Attribuutsoort details Voxel kans op schelpen
1.6.8.12. Attribuutsoort details Voxel modelonzekerheid gelogische eenheid
1.6.8.13. Attribuutsoort details Voxel modelonzekerheid lithoklasse
1.6.8.14. Relatiesoort details Voxel maakt deel uit van
1.6.9. Referentielijst Lithoklasse
1.6.9.1. Referentie element details Lithoklasse code
1.6.9.2. Referentie element details Lithoklasse naam
1.6.9.3. Referentie element details Lithoklasse voxelnummer
1.6.9.4. Referentie element details Lithoklasse volgnummer
1.6.9.5. Referentie element details Lithoklasse kleur
1.6.10. Referentielijst Geologische eenheid
1.6.10.1. Referentie element details Geologische eenheid code
1.6.10.2. Referentie element details Geologische eenheid naam
1.6.10.3. Referentie element details Geologische eenheid voxelnummer
1.6.10.4. Referentie element details Geologische eenheid volgnummer
1.6.10.5. Referentie element details Geologische eenheid kleur
1.6.11. Gestructureerd datatype Interval
1.6.11.1. Data element details Interval top
1.6.11.2. Data element details Interval basis
1.6.12. Gestructureerd datatype Grensvlak
1.6.12.1. Data element details Grensvlak hoogteligging
1.6.12.2. Data element details Grensvlak standaarddeviatie
1.6.13. Gestructureerd datatype Kleur
1.6.13.1. Data element details Kleur rood
1.6.13.2. Data element details Kleur groen
1.6.13.3. Data element details Kleur blauw
1.6.14. Enumeratie details Indicatie
Toelichting
2.1. Beschrijving
GeoTOP is een registratieobject in het domein modellen. Het gaat in dit domein om schattingen of voorspellingen van de opbouw en eigenschappen van de bodem of ondergrond in twee of drie dimensies. Modellen zijn sterk afhankelijk van de hoeveelheid en kwaliteit van de beschikbare ondergrondgegevens zoals boormonsterbeschrijvingen. De kwaliteit van de modellen zal daarom toenemen naarmate er meer ondergrondgegevens in de BRO beschikbaar komen.
GeoTOP is een driedimensionaal geologisch model van de laagopbouw en grondsoort (bijvoorbeeld klei, zand, veen) van de ondiepe ondergrond van Nederland tot een diepte van maximaal 50 m onder NAP. In GeoTOP is de ondergrond onderverdeeld in een regelmatig driedimensionaal grid (raster) van aaneengesloten voxels (volumecellen) van 100 x 100 m in de horizontale richtingen en 0,5 m in de verticaal. Aan elke voxel zijn eigenschappen gekoppeld. Dit zijn de lithostratigrafische c.q. geologische eenheid (laag) waartoe een voxel behoort, de lithoklasse (grondsoort) die representatief is voor de voxel en een aantal attributen die tezamen een maat van modelonzekerheid vormen. Behalve voxels bevat GeoTOP ook een gedetailleerd lagenmodel en de geïnterpreteerde boormonsterbeschrijvingen die bij het maken van het model gebruikt zijn.
De termen lithostratigrafie, geologische eenheid en lithoklasse worden hieronder toegelicht:
GeoTOP bestaat uit de volgende in de BRO opgenomen producten die ontstaan uit een gestandaardiseerd werkproces:
De onderlinge samenhang van de in de BRO opgenomen geïnterpreteerde boormonsterbeschrijvingen, lagenmodel en voxelmodel is geïllustreerd in Figuur 3.1 – 3.3.
2.2. Dekkingsgebied en modelgebieden
Een belangrijk aspect van GeoTOP is dat het is opgedeeld in modelgebieden. GeoTOP wordt niet in één keer landelijk samengesteld maar regio-gewijs ontwikkeld. De prioriteitstelling vindt plaats in samenspraak tussen de Geologische Dienst Nederland en de gebruikers, onder auspiciën van de bronhouder (het Ministerie van BZK). Historische modelgebieden, die nog niet gemodelleerd zijn onder het kwaliteitsregime van de BRO (zoals vastgelegd in het Totstandkomingsrapport) worden in de BRO opgenomen als zijnde ‘in onderzoek’.
Op GeoTOP is versiebeheer van toepassing. Het versiebeheer geldt zowel voor individuele modelgebieden als voor GeoTOP als geheel. De in de BRO uitgeleverde actuele versie van GeoTOP omvat alle op dat moment actuele modelgebieden.
De beheerder van een model maakt zijn waardenlijsten (codelijsten en/of referentielijsten) bekend op een algemeen bekend formaat (PDF en als downloadable bestand) en maakt deze toegankelijk viawww.basisregistratieondergrond.nl. De waardenlijsten worden meegeleverd bij de modellevering.
Als er wijzigingen zijn in een waardelijst, wordt er uiterlijk twee maanden vóór inwerkingtreding een notificatie op die website gezet, zodat gebruikers nog tijd hebben om hun eigen omgeving op de wijzigingen aan te passen.
2.3. Modelonzekerheden
2.3.1. Onzekerheid
De belangrijkste gegevensbron voor GeoTOP zijn boormonsterbeschrijvingen. Elk van deze boormonsterbeschrijvingen geeft vaak gedetailleerde informatie over de opbouw van de ondergrond op één specifieke locatie. Voor het overgrote deel van de gridcellen en voxels geldt echter dat ze niet doorboord zijn. Dit betekent dat we een schatting moeten doen op basis van de in de omgeving van de gridcel of voxel aanwezige boormonsterbeschrijvingen. Hoe goed het model hiertoe in staat is, is onder andere afhankelijk van:
Alle maatstaven van onzekerheid in GeoTOP zijn gebaseerd op de in het model gebruikte (stochastische) interpolatietechnieken. Het is belangrijk om te beseffen dat deze technieken niet expliciet rekening houden met de onzekerheidsmarges in de gebruikte brongegevens (waaronder de boormonsterbeschrijvingen). In GeoTOP spreken we daarom van modelonzekerheid in plaats van onzekerheid.
2.3.2. Standaarddeviaties in het lagenmodel
Van elke gemodelleerde geologische eenheid in het lagenmodel is van zowel de top als de basis een standaarddeviatieraster berekend. Deze rasters geven voor elke rastercel de modelonzekerheid weer, uitgedrukt in de standaarddeviatie (in m) van de door het model geschatte, meest waarschijnlijke diepteligging van de gemodelleerde top en basis van de geologische eenheid. Met de standaarddeviatie is het mogelijk om de kans te bepalen dat de diepteligging van de top of basis een bepaalde afwijking vertoont van de door het model geschatte meest waarschijnlijke waarde. De manier waarop de standaarddeviatie berekend wordt kan per geologische eenheid en per modelgebied verschillen. Welke manier van toepassing is wordt beschreven in het Totstandkomingsrapport dat met het model in de BRO is opgenomen.
2.3.3. Kans op lithoklasse
In het voxelmodel wordt de lithoklasse met behulp van stochastische interpolatietechnieken geschat. Deze technieken komen er in essentie op neer dat het model een groot aantal (bijvoorbeeld 100) keer wordt doorgerekend met telkens een andere, maar statistisch gezien even waarschijnlijke, uitkomst. Voor de lithoklasse van een voxel wordt dan bijvoorbeeld 80 keer klei geschat, 10 keer veen en 10 keer kleiig zand. Uit de verschillende schattingen wordt voor elke lithoklasse de kans op voorkomen berekend door het aantal keren dat de lithoklasse is geschat te delen door het aantal modelberekeningen (bijvoorbeeld 100). In het eerder beschreven voorbeeld is de kans op klei dan 0,8, de kans op veen 0,1 en de kans op kleiig zand eveneens 0,1.
De verschillende uitkomsten van de modelberekeningen geven aan hoe goed het model in staat is om een eenduidige schatting te geven: in het beste geval leidt elke modelberekening tot dezelfde uitkomst, in het slechtste geval komen alle mogelijke uitkomsten even vaak voor.
Voor individuele voxels kan de kansverdeling worden weergegeven in een histogram, waarmee een visualisatie van de modelonzekerheid in de betreffende voxel wordt verkregen (Figuur 3.5).
Figuur 3.5: Visualisatie van modelonzekerheid van een individuele voxel door het weergeven van de kans op lithoklasse in een histogram. In dit voorbeeld is de meest waarschijnlijke lithoklasse klei, met een kans van ruim 50%. Er is ook een vrij grote kans op kleiig zand (~30%), de kans dat de voxel zand of veen bevat is echter klein.
2.3.4. Modelonzekerheid van lithoklasse
Naast de kans op lithoklasse bevat het voxelmodel een maat van modelonzekerheid die in één getalswaarde wordt uitgedrukt in plaats van een reeks afzonderlijke kansen voor elke mogelijke lithoklasse of geologische eenheid. Deze maat is afgeleid van het concept van informatie-entropie. In plaats van de term informatie-entropie wordt in GeoTOP de term modelonzekerheid gebruikt.
De modelonzekerheid van lithoklasse is de mate waarin het model in staat is om een eenduidige schatting te geven van de voor de voxel representatieve lithoklasse en heeft de volgende eigenschappen:
Voorbeelduitwerking
In onderstaande tabel is de modelonzekerheid (H) uitgewerkt voor een model met drie mogelijke lithoklassen (bijvoorbeeld zand, klei, veen, met kansen p1, p2, p3).
In de eerste situatie is de kans op de eerste lithoklasse 1, en hebben de beide andere lithoklassen een kans 0. Hieruit volgt dat het model zeer goed in staat is om een schatting te geven en de modelonzekerheid is daarom 0.
In de tweede situatie zijn de kansen op de drie lithoklassen aan elkaar gelijk. Het model is niet in staat om een eenduidige schatting te geven en de modelonzekerheid is daarom 1.
In de derde situatie zijn er twee lithoklassen met gelijke kansen. Het model kan geen eenduidige schatting geven van de eerste twee lithoklassen, maar lithoklasse 3 komt zeker niet voor.
In de laatste situatie wordt een kleine kans op lithoklasse 3 (p3 = 0.02 of 2%) geïntroduceerd waardoor de modelonzekerheid relatief sterk toeneemt.
2.3.5. Modelonzekerheid van geologische eenheid
De modelonzekerheid van geologische eenheid is de mate waarin het model in staat is om een eenduidige schatting te geven van de geologische eenheid waartoe de voxel behoort. Net als de modelonzekerheid op lithoklasse is deze onzekerheid afgeleid van het concept van informatie-entropie en heeft vergelijkbare eigenschappen. Bij de berekening van de modelonzekerheid wordt gebruik gemaakt van de standaarddeviaties van de top en de basis van de verschillende geologische eenheden uit het lagenmodel.
2.4. Doel en gebruik
GeoTOP is een subregionaal ondergrondmodel met een gebruiksschaal die past bij toepassingen op provinciaal, gemeentelijk of wijkniveau. Deze gebruiksschaal is vergelijkbaar met de schaal van 1:50.000 die bij Geologische Kaart van Nederland, een voorloper van GeoTOP, gehanteerd werd. Bij ondergrondvraagstukken op een grotere schaal (straatniveau of individuele gebouwen) kan GeoTOP dienen als raamwerk waarbinnen meer detail kan worden aangebracht.
2.5. Kwaliteitsaspecten
2.5.1. Algemeen
De kwaliteit van GeoTOP is sterk afhankelijk van de volgende factoren:
De hoeveelheid beschikbare boormonsterbeschrijvingen. De gebruikte boormonsterbeschrijvingen zijn niet gelijkmatig over Nederland verdeeld. Er zijn gebieden met een zeer hoge boordichtheid, bijvoorbeeld Zuid-Holland en grote delen van Midden-Nederland. Andere delen van het land, zoals de Veluwe, hebben een veel lagere boordichtheid. Bovendien geldt dat de boordichtheid snel met de diepte afneemt. In het algemeen kan gesteld worden dat de afnemende datadichtheid dieper dan 30 m onder maaiveld leidt tot een sterk verminderde kwaliteit van de schatting van de lithoklasse.
De kwaliteit van de boormonsterbeschrijvingen. De gebruikte boormonsterbeschrijvingen zijn niet specifiek voor GeoTOP verzameld en de kwaliteit loopt, afhankelijk van het doel en de methode waarmee ze gezet zijn, sterk uiteen.
De ouderdom van de brongegevens. De te modelleren werkelijkheid zoals die in boormonsterbeschrijvingen en op geologisch en bodemkundig kaartmateriaal is weergegeven kan intussen zijn veranderd. Denk aan veen in een boormonsterbeschrijving dat inmiddels is geoxideerd, vergravingen (havens, vaargeulen), of zich verleggende geulsystemen in de Waddenzee.
De complexiteit van de geologie. Een eenvoudige, homogene ondergrond is eenvoudiger en met minder boormonsterbeschrijvingen te modelleren dan een complexe, heterogene ondergrond. Complexiteit kan regionaal verschillen, daarnaast bestaan binnen een regio ook verschillen in de complexiteit van de geologische eenheden die in de regio worden onderscheiden.
De toepassing waarin GeoTOP gebruikt wordt. Verschillende toepassingen stellen verschillende kwaliteitseisen.
Deze en andere kwaliteitsaspecten wordt in de navolgende paragrafen verder besproken.
2.5.2. Aansluiting van modelgebieden
Zowel bij het construeren van nieuwe modelgebieden als bij het plegen van onderhoud aan bestaande modelgebieden wordt gestreefd naar een zo goed mogelijke onderlinge aansluiting van de modelgebieden. Desondanks kunnen zich op de overgang van het ene modelgebied naar het andere aansluitingsproblemen voordoen. Dit heeft te maken met de tijd die verstrijkt tussen het opleveren van het ene en het andere modelgebied. In de verstreken tijd zijn meer boormonsterbeschrijvingen verzameld, kan er een nieuwe versie van een brongegeven beschikbaar zijn gekomen of zijn de geologische inzichten gewijzigd. Ook kan de te modelleren werkelijkheid zijn gewijzigd, bijvoorbeeld het effect van een zandwinning die in het ene modelgebied al zichtbaar is maar in het andere, oudere modelgebied nog niet.
Aansluitingsproblemen zijn te herkennen aan onrealistische sprongen in de diepteligging van de top of basis van een geologische eenheid en abrupte overgangen in lithoklasse precies op de modelgebiedgrens. Het verdient daarom aanbeveling om in de nabijheid van een modelgebiedgrens niet alleen het model zelf, maar ook de geïnterpreteerde boormonsterbeschrijvingen aan weerszijden van de grens te raadplegen. De grenzen van de modelgebieden zijn opgenomen in de BRO.
2.5.3. Boormonsterbeschrijvingen
2.5.3.1. Boormonsterbeschrijvingen
De inhoudelijke kwaliteit van de boormonsterbeschrijvingen is zeer wisselend. De gebruikte boormethode en de daaraan gekoppelde manier van monstername oefent invloed uit op de inhoudelijke kwaliteit van laagbeschrijvingen. Booractiviteiten verstoren de aanwezige opbouw van de bodemlagen. Afhankelijk van de boormethode treedt in grote of kleine mate vermenging op van de verschillende grondsoorten. In een gestoken boring, waarbij een ongeroerd bodemmonster voor iedere meter wordt genomen, gebeurt dit alleen bij de overgang van de kernen. Maar tijdens een spoelboring vindt een sterke vermenging van de lagen plaats. Bovendien kan de aan het boorwater toegevoegde boorspoeling de kwaliteit van het monster nog verder doen dalen.
Ook de manier waarop de monsters zijn beschreven en de vakkundigheid van de beschrijver spelen een belangrijke rol. Het besluit om de laagopbouw van een boring al dan niet uitgebreid te beschrijven, hangt o.a. af van het doel van de boring en de daarvoor beschikbare financiële middelen.
2.5.3.2. Kwaliteitsfiltering
Uitgangspunt voor GeoTOP is dat alle beschikbare boormonsterbeschrijvingen worden meegenomen in de modellering. Voor een deel van de boormonsterbeschrijvingen geldt echter dat de kwaliteit zodanig laag is, dat GeoTOP er niet beter maar slechter door zou worden. Om deze boormonsterbeschrijvingen te traceren en uit te sluiten wordt een kwaliteitsfilter toegepast. Een eerste filter sluit boormonsterbeschrijvingen uit waarvan alleen kopgegevens bekend zijn of waarvan de kopgegevens maaiveldhoogte, einddiepte of locatie (x- en y-coördinaat) ontbreken.
Vervolgens worden alle boormonsterbeschrijvingen onderworpen aan een geautomatiseerd uitgevoerde kwaliteitscontrole. Dit gebeurt door te kijken naar de dikte van de intervallen in de eerste 30 m van de boormonsterbeschrijving. (Een interval bevindt zich in de eerste 30 m als de top zich niet meer dan 30 m onder het maaiveld van het boormonsterbeschrijving bevindt.) Van deze intervallen wordt de maximale dikte en de gemiddelde dikte bepaald. Op basis van ervaringscijfers worden boormonsterbeschrijvingen met een te groot maximaal dikte-interval en/of een te groot gemiddeld dikte-interval uitgesloten. De waarden van de maximaal toelaatbare dikte kan per modelgebied of geologische regio verschillen.
Boormonsterbeschrijvingen die worden uitgesloten worden vastgelegd in een lijst met uit te sluiten boornummers, met een (korte) omschrijving van de reden waarom ze uitgesloten zijn. Deze lijst wordt in latere modelleerstappen op basis van controles van het lagenmodel nog handmatig aangevuld. Afhankelijk van het modelgebied wordt in het algemeen maximaal 10% van de boormonsterbeschrijvingen op basis van het automatische kwaliteitsfilter uitgesloten.
2.5.3.3. Momentopname (ouderdom)
Boormonsterbeschrijvingen zijn een momentopname van de beschreven ondergrond. De opbouw van de ondergrond ter plaatse van de boormonsterbeschrijving kan in de tijd die verstreken is tussen het maken van de beschrijving en het construeren van het model veranderd zijn. Denk aan veen in een boormonsterbeschrijving dat inmiddels is geoxideerd, vergravingen (havens, vaargeulen), of zich verleggende geulsystemen in de Waddenzee.
2.5.3.4. Momentopname (database)
Bij het construeren van een modelgebied wordt op een zeker moment een momentopname (‘snapshot’) gemaakt van de brondatabase met boormonsterbeschrijvingen en de bijbehorende boormonsterbeschrijvingsintervallen. De interpretaties van de boormonsterbeschrijvingen worden vervolgens gebaseerd op deze momentopname. Alle wijzigingen die in de brondatabase na de momentopname worden aangebracht, zullen daarom niet zichtbaar zijn in het betreffende modelgebied.
2.5.3.5. Interpretatie in geologische eenheden
Door de omvang van de dataset is het ondoenlijk alle boormonsterbeschrijvingen handmatig te voorzien van een indeling in geologische eenheden. Bovendien bestaat bij handmatige werkzaamheden het gevaar van inconsistentie waarbij vergelijkbare boormonsterbeschrijvingen verschillend worden geïnterpreteerd. GeoTOP voorziet daarom in geautomatiseerde procedures om de boormonsterbeschrijving in geologische eenheden te interpreteren.
De interpretatie in geologische eenheden wordt door gebiedsdeskundige geologen getoetst aan de hand van geologische dwarsdoorsneden en eerder met de hand geïnterpreteerde boormonsterbeschrijvingen. Ook wordt een aantal plausibiliteitscontroles uitgevoerd om een stratigrafisch correcte opeenvolging van eenheden te waarborgen. Het is echter niet mogelijk om alle individuele interpretaties handmatig te controleren.
2.5.3.6. Lithoklasse interpretatie
De lithoklasse-interpretatie van boormonsterbeschrijvingsintervallen is een geautomatiseerd proces met relatief eenvoudige en eenduidige rekenregels.
2.5.4. Verbreidingen
Voorafgaand aan de stratigrafische interpretatie van de boormonsterbeschrijvingen wordt van elke geologische eenheid een verbreiding vastgesteld. Deze verbreiding bakent het gebied af waarbinnen in het constructieproces van GeoTOP de boormonsterbeschrijvingen onderzocht worden op het voorkomen van de geologische eenheid. Tevens fungeert de verbreiding als de maximale of potentiële verbreiding van het lagenmodel: buiten de potentiële verbreiding komt de eenheid niet voor, binnen de verbreiding kan de eenheid voorkomen.
Bij het construeren van verbreidingsgrenzen wordt een kaartschaal van circa 1:50.000 gehanteerd. Kleine voorkomens van de geologische eenheid die buiten de resolutie van deze kaartschaal vallen, worden daardoor mogelijk niet in de verbreiding opgenomen.
Ten behoeve van de lagenmodellering worden de verbreidingsgrenzen (polygonen) verrasterd naar rasters met rastercellen van 100 x 100 m.
2.5.5. Breuken
Binnen de modellering van GeoTOP wordt rekening gehouden met breuken. Per breuksegment is aangegeven in welke basis van een geologische eenheid dit breuksegment nog invloed heeft. Om modeltechnische redenen worden in de modellering van de geologische eenheden van GeoTOP de breuken verondersteld verticaal te zijn.
2.5.6. Lagenmodel
2.5.6.1. Mate van detaillering
De mate van detaillering van het lagenmodel in het ondiepe bereik is in het algemeen groter dan in de diepere delen. Dit heeft de maken met de datadichtheid, die in het ondiepe bereik hoger is dan in het diepe deel.
2.5.6.2. Geostatistisch model
In het constructieproces van GeoTOP worden geostatistische procedures gebruikt om de diepteligging van de basis van elke geologische eenheid te schatten. Daarnaast wordt de standaarddeviatie van de basis als maat van modelonzekerheid uitgeleverd. Het geostatistische karakter van het lagenmodel is terug te zien in lokale variaties gesuperponeerd op een regionale trend.
2.5.6.3. Consistent lagenmodel
Het lagenmodel is consistent, dat wil zeggen dat de top van een eenheid ofwel samenvalt met de basis van een of meerdere hoger gelegen eenheden, ofwel aan maaiveld ligt. Omgekeerd valt de basis van een eenheid samen met een of meerdere toppen van dieper gelegen eenheden, of de basis ligt aan de onderkant van het model. Een logisch gevolg is dat elk willekeurig punt in de ruimte (binnen de begrenzingen van het modelgebied) zich altijd tussen de top en basis van één enkele geologische eenheid bevindt. Deze gevolgtrekking gebruiken we om van (de middelpunten van) voxels te bepalen tot welke eenheid ze behoren.
Voor de consistentie geldt een uitzondering voor eenheden die een onderdeel vormen van een andere, omhullende ‘moedereenheid’. Een punt in de ruimte ligt dan zowel tussen de top en basis van die eenheid als tussen de top en basis van de omhullende moedereenheid. In het voxelmodel geldt deze uitzondering niet: een voxel krijgt altijd 1 geologische eenheid toegekend.
2.5.6.4. Verschillen tussen lagenmodel en boormonsterbeschrijvingen
Een geïnterpreteerde boormonsterbeschrijving geeft veelal een gedetailleerd beeld van de diepteligging en dikte van geologische eenheden op één specifieke puntlocatie. In het lagenmodel wordt een schatting gegeven van de diepteligging en dikte van geologische eenheden die representatief is voor een gebied van 100 x 100 m (10.000 m2) en die past bij een (sub)regionale schaal. De diepteligging en dikte van geologische eenheden in een boormonsterbeschrijving kan daarom afwijken van de diepteligging en dikte van geologische eenheden in het lagenmodel op dezelfde locatie. Ook geldt dat de stratigrafische opeenvolging van eenheden in een boormonsterprofiel kan afwijken van de gemodelleerde opeenvolging van de eenheden: dunne eenheden kunnen weggeschaald zijn in het lagenmodel en een complexe afwisseling van eenheden kan voor de modellering zijn vereenvoudigd.
De hoogte van het maaiveld op de locatie van het boormonsterbeschrijving kan eveneens afwijken van de maaiveldhoogte van het model. Dit kan verschillende oorzaken hebben, zoals kleine hoogteverschillen ter plaatse van het boormonsterbeschrijving, fouten in de opname van de maaiveldhoogte of een daadwerkelijke verandering in maaiveldhoogte door bijvoorbeeld afgraving of ophoging die in de tijd tussen het maken van het boormonsterbeschrijving en het construeren van het model heeft plaatsgevonden. Verder geldt ook bij maaiveldhoogte dat de hoogte in het model representatief is voor een gebied van 100 x 100 m en de hoogte van een boormonsterbeschrijving geldt voor één specifieke puntlocatie.
2.5.7. Voxelmodel
2.5.7.1. Stochastisch model
Bij het construeren van het voxelmodel wordt een stochastische interpolatietechniek gebruikt om de lithoklasse van de voxels te schatten. De procedure leidt tot een set van bijvoorbeeld 100 verschillende, maar statistisch gezien even waarschijnlijke schattingen. Via een speciaal daarvoor ontwikkelde methode worden de lithoklassen gemiddeld tot de ‘meest waarschijnlijke lithoklasse’. Daarnaast wordt voor elke lithoklasse de kans op voorkomen berekend door het aantal keer dat in een voxel de lithoklasse geschat is te delen door het aantal schattingen.
2.5.7.2. Verschillen tussen voxelmodel en lagenmodel
Het voxelmodel heeft in de horizontale richtingen dezelfde dimensies als het lagenmodel. In de verticale richting heeft het voxelmodel echter een maximale resolutie van 0,5 m. Dit betekent dat waarden van top, basis en dikte van de geologische eenheden in het voxelmodel altijd veelvouden van 0,5 m zijn.
Bij het vertalen van het lagenmodel naar het voxelmodel wordt voor het middelpunt van de voxel bepaald in welke geologische eenheid hij valt. Deze eenheid wordt vervolgens aan de voxel toegewezen. Op plaatsen waar een eenheid in het lagenmodel dunner is dan 0,5 m, en er geen voxel-middelpunt tussen top en basis ligt, zal de eenheid niet in het voxelmodel voorkomen. Als er juist wel een voxel-middelpunt tussen top en basis ligt, zal de eenheid een overdreven dikte krijgen van 0,5 m.
In uitzonderingsgevallen wordt ervoor gekozen om een eenheid in het lagenmodel een minimale dikte van 0,5 m te geven. Daarmee wordt gewaarborgd dat de eenheid, daar waar die in het lagenmodel voorkomt, ook in het voxelmodel wordt gerepresenteerd.
2.5.7.3. Verschillen tussen voxelmodel en boormonsterbeschrijvingen
Net als bij het lagenmodel kunnen er verschillen bestaan tussen de lithoklassen in het boormonsterbeschrijving en die in het voxelmodel. De lithoklassen in het voxelmodel zijn een schatting die representatief is voor een volume van 100 x 100 bij 0,5 m (5.000 m3) en die past bij een (sub)regionale schaal.
2.6. Metadata
2.6.1. Resolutie
Rastercellen in het lagenmodel hebben afmetingen van 100 x 100 m. Voxels in het voxelmodel meten 100 x 100 m in de horizontale richtingen en 0,5 m in de verticale richting.
2.6.2. Gebruiksschaal
Nabij het aardoppervlak heeft GeoTOP een gebruiksschaal van circa 1:50.000. Door de afnemende datadichtheid met de diepte geldt op grotere dieptes een kleinere gebruiksschaal. Door verschillen in datadichtheid zijn er daarnaast regionale verschillen in de gebruiksschaal van het model. Zie ook de toelichting in 5.4.
2.6.3. Gebiedsaanduiding
De omgrenzende rechthoek, uitgedrukt in minimale en maximale coördinaten van het model, is vastgesteld in het Rijksdriehoekstelsel (RD). De waarden zijn in onderstaande tabel weergegeven, met daarbij de omgerekende waarden in WGS84.
2.6.4. Horizontale begrenzing
De horizontale begrenzing is zowel voor het model als geheel als voor elk modelgebied afzonderlijk vastgelegd in een polygoon.
2.6.5. Verticale begrenzing
De verticale begrenzing aan de bovenkant wordt bepaald door het maaiveld- en waterbodemhoogtebestand. Dit bestand is een raster met cellen van 100 x 100 m en vormt een onderdeel van het modelgebied. Elke rastercel geeft de hoogteligging van het maaiveld resp. de waterbodem ten opzichte van NAP weer.
Voor het lagenmodel geldt dat de verticale begrenzing aan de onderkant wordt bepaald door de basis van de diepst gelegen eenheden. Voor het voxelmodel geldt dat de onderkant van de diepst gelegen voxel nooit dieper ligt dan 50 m onder NAP.
2.6.6. Horizontaal referentiesysteem
Alle coördinaten in GeoTOP zijn gegeven in m in het Rijksdriehoekstelsel (RD).
Voor de geïnterpreteerde boormonsterbeschrijvingen geven de coördinaten de ligging van de boorlocatie aan maaiveld aan. Voor het lagenmodel geldt de conventie dat de ligging van een rastercel wordt beschreven door de coördinaten van de linkeronderhoek (‘lower left corner’). Voor het voxelmodel geldt de conventie dat de horizontale ligging van een voxel wordt beschreven door de coördinaten van het middelpunt (‘cell center’) van de voxel.
2.6.7. Verticaal referentiesysteem
Alle hoogten in het lagenmodel en voxelmodel van GeoTOP zijn gegeven in m ten opzichte van NAP. Voor het voxelmodel geldt de conventie dat de verticale ligging van een voxel wordt beschreven door de coördinaten van het middelpunt (‘cell center’) van de voxel.
Basisregistratie Ondergrond (BRO)
Catalogus
Digitaal Geologisch Model
Versie: 0.99
Datum: 07 mei 2019
Inhoud
Artikel 1. Definities
1.1. Objecttypen
1.1.1. Objecttype Model
1.1.2. Objecttype Modelgebied
1.1.3. Objecttype Geïnterpreteerd boormonsterprofiel
1.1.4. Objecttype Boorbeschrijvingsinterval
1.1.5. Objecttype Geïnterpreteerd geologische eenheid-interval
1.1.6. Objecttype Laag
1.2. Referentielijsten
1.2.1. Referentielijst Geologische eenheid
1.2.1.1. Overzicht referentie elementen
1.3. Gestruktureerde datatypen
1.3.1. Gestructureerd datatype Interval
1.3.1.1. Overzicht data elementen
1.3.2. Gestructureerd datatype Grensvlak
1.3.2.1. Overzicht data elementen
1.3.3. Gestructureerd datatype Dikte
1.3.3.1. Overzicht data elementen
1.3.4. Gestructureerd datatype Kleur
1.3.4.1. Overzicht data elementen
1.4. Primitieve datatypen
1.4.1. Primitief datatype GM_MultiCurve
1.4.2. Primitief datatype GM_Point
1.4.3. Primitief datatype GM_Surface
1.4.4. Primitief datatype CV_Coverage
1.5. Enumeraties
1.6. Attribuut- en relatiesoort details
1.6.1. Objecttype Model
1.6.1.1. Attribuutsoort details Model naam
1.6.1.2. Attribuutsoort details Model versie
1.6.1.3. Attribuutsoort details Model datum ingang
1.6.1.4. Attribuutsoort details Model datum einde
1.6.1.5. Attribuutsoort details Model dekkingsgebied
1.6.1.6. Relatiesoort details Model is samengesteld uit
1.6.2. Objecttype Modelgebied
1.6.2.1. Attribuutsoort details Modelgebied naam
1.6.2.2. Attribuutsoort details Modelgebied versie
1.6.2.3. Attribuutsoort details Modelgebied datum ingang
1.6.2.4. Attribuutsoort details Modelgebied datum einde
1.6.2.5. Attribuutsoort details Modelgebied dekkingsgebied
1.6.2.6. Attribuutsoort details Modelgebied grensvlak top
1.6.3. Objecttype Geïnterpreteerd boormonsterprofiel
1.6.3.1. Attribuutsoort details Geïnterpreteerd boormonsterprofiel boornummer
1.6.3.2. Attribuutsoort details Geïnterpreteerd boormonsterprofiel geometrie
1.6.3.3. Attribuutsoort details Geïnterpreteerd boormonsterprofiel einddiepte
1.6.3.4. Relatiesoort details Geïnterpreteerd boormonsterprofiel behoort tot
1.6.4. Objecttype Boorbeschrijvingsinterval
1.6.4.1. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval interval
1.6.4.2. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval lithologie
1.6.4.3. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval zandmediaanklasse
1.6.4.4. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval grindmediaanklasse
1.6.4.5. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval bijmenging klei
1.6.4.6. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval bijmenging silt
1.6.4.7. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval bijmenging zand
1.6.4.8. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval bijmenging grind
1.6.4.9. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval bijmenging humus
1.6.4.10. Relatiesoort details Boorbeschrijvingsinterval maakt deel uit van
1.6.5. Objecttype Geïnterpreteerd geologische eenheid-interval
1.6.5.1. Attribuutsoort details Geïnterpreteerd geologische eenheid-interval interval
1.6.5.2. Attribuutsoort details Geïnterpreteerd geologische eenheid-interval geologische eenheid
1.6.5.3. Attribuutsoort details Geïnterpreteerd geologische eenheid-interval indicatie gestuwd
1.6.5.4. Attribuutsoort details Geïnterpreteerd geologische eenheid-interval geulgeneratie
1.6.5.5. Relatiesoort details Geïnterpreteerd geologische eenheid-interval behoort tot
1.6.6. Objecttype Laag
1.6.6.1. Attribuutsoort details Laag grensvlak top
1.6.6.2. Attribuutsoort details Laag grensvlak basis
1.6.6.3. Attribuutsoort details Laag dikte
1.6.6.4. Attribuutsoort details Laag kans geologische eenheid
1.6.6.5. Attribuutsoort details Laag geologische eenheid
1.6.6.6. Attribuutsoort details Laag breuk
1.6.6.7. Attribuutsoort details Laag karteergebied
1.6.6.8. Relatiesoort details Laag maakt deel uit van
1.6.7. Referentielijst Geologische eenheid
1.6.7.1. Referentie element details Geologische eenheid code
1.6.7.2. Referentie element details Geologische eenheid naam
1.6.7.3. Referentie element details Geologische eenheid volgnummer
1.6.7.4. Referentie element details Geologische eenheid kleur
1.6.8. Gestructureerd datatype Interval
1.6.8.1. Data element details Interval top
1.6.8.2. Data element details Interval basis
1.6.9. Gestructureerd datatype Grensvlak
1.6.9.1. Data element details Grensvlak hoogteligging
1.6.9.2. Data element details Grensvlak standaardeviatie
1.6.10. Gestructureerd datatype Dikte
1.6.10.1. Data element details Dikte dikte
1.6.10.2. Data element details Dikte standaardeviate
1.6.11. Gestructureerd datatype Kleur
1.6.11.1. Data element details Kleur rood
1.6.11.2. Data element details Kleur groen
1.6.11.3. Data element details Kleur blauw
1.6.12. Enumeratie details Indicatie
Toelichting
2.1. Beschrijving
Digitaal Geologisch Model (DGM) is een registratieobject in het domein modellen. Het gaat in dit domein om schematische weergaven van de werkelijkheid in twee of drie dimensies. Deze schematische weergaven geven een schatting of voorspelling van de opbouw en eigenschappen van de bodem of ondergrond. Modellen zijn sterk afhankelijk van de hoeveelheid en kwaliteit van de beschikbare ondergrondgegevens zoals boormonsterbeschrijvingen. De kwaliteit van de modellen zal daarom toenemen naarmate er meer ondergrondgegevens in de BRO beschikbaar komen.
DGM is een driedimensionaal geologisch model van de laagopbouw van de matig diepe ondergrond van Nederland tot een gemiddelde diepte van ongeveer 500 m onder NAP, met een maximum diepte van 1.200 m onder NAP. De basisbouwstenen van DGM zijn lithostratigrafische c.q. geologische eenheden. Deze termen worden hieronder toegelicht:
DGM bestaat uit de volgende in de BRO opgenomen producten die ontstaan uit een gestandaardiseerd werkproces:
De onderlinge samenhang van de in de BRO opgenomen geïnterpreteerde boormonsterbeschrijvingen en het lagenmodel is geïllustreerd in Figuur 3.1 – 3.2.
2.2. Versiebeheer
Op DGM is versiebeheer van toepassing. De in de BRO uitgeleverde versie van DGM bevat altijd het meest actuele model.
De beheerder van een model maakt zijn waardenlijsten (codelijsten en/of referentielijsten) bekend op een algemeen bekend formaat (PDF en als downloadable bestand) en maakt deze toegankelijk viawww.basisregistratieondergrond.nl. De waardenlijsten worden meegeleverd bij de modellevering.
Als er wijzigingen zijn in een waardelijst, wordt er uiterlijk twee maanden vóór inwerkingtreding een notificatie op die website gezet, zodat gebruikers nog tijd hebben om hun eigen omgeving op de wijzigingen aan te passen.
2.3. Modelonzekerheden
2.3.1. Onzekerheid
De belangrijkste gegevensbron voor DGM zijn boormonsterbeschrijvingen. Elk van deze boormonsterbeschrijvingen geeft gedetailleerde informatie over de opbouw van de ondergrond op één specifieke locatie. Voor het overgrote deel van de gridcellen geldt echter dat ze niet doorboord zijn. Dit betekent dat we een schatting moeten doen op basis van de in de omgeving van de gridcel aanwezige boormonsterbeschrijvingen. Hoe goed het model hiertoe in staat is, is onder andere afhankelijk van:
Alle maatstaven van onzekerheid in DGM zijn gebaseerd op de in het model gebruikte (stochastische) interpolatietechnieken. Het is belangrijk om te beseffen dat deze technieken niet expliciet rekening houden met de onzekerheidsmarges in de gebruikte brongegevens (waaronder de boormonsterbeschrijvingen). In DGM spreken we daarom van modelonzekerheid in plaats van onzekerheid.
2.3.2. Standaarddeviaties in het lagenmodel
Van elke gemodelleerde geologische eenheid van het lagenmodel is van zowel de top, basis als de dikte een standaarddeviatieraster berekend. Deze rasters geven voor elke rastercel de modelonzekerheid weer, uitgedrukt in de standaarddeviatie (in m) van de door het model geschatte, meest waarschijnlijke diepteligging van de gemodelleerde top en basis van de geologische eenheid en de daaruit afgeleide dikte. Met de standaarddeviatie is het mogelijk om de kans te bepalen dat de dikte of de diepteligging van de top of basis een bepaalde afwijking vertoont van de door het model geschatte, meest waarschijnlijke waarde. De manier waarop de standaarddeviatie berekend wordt kan per geologische eenheid verschillen. Welke manier van toepassing is wordt beschreven in het Totstandkomingsrapport dat met het model in de BRO is opgenomen.
2.3.3. Kans op voorkomen geologische eenheid
Voor iedere rastercel per geologische eenheid is een kans op voorkomen van deze geologische eenheid berekend.
2.4. Doel en gebruik
DGM is een regionaal ondergrondmodel met een gebruiksschaal die past bij toepassingen op landelijk en provinciaal niveau. Deze gebruiksschaal is vergelijkbaar met de schaal van 1:100.000. Bij ondergrondvraagstukken op een grotere schaal (subregionaal) kan DGM als raamwerk dienen waarbinnen meer detail kan worden aangebracht.
2.5. Kwaliteitsaspecten
2.5.1. Algemeen
De kwaliteit van DGM is onder andere afhankelijk van de volgende factoren, de hoeveelheid, diepte, ruimtelijke verdeling en kwaliteit van de boormonsterbeschrijvingen, de verbreiding van een geologische eenheid, de breukwerking in deze eenheid en het modelleren van de eenheden.
Deze kwaliteitsaspecten wordt in de navolgende paragrafen nader besproken.
2.5.2. Boormonsterbeschrijvingen
2.5.2.1. Boormonsterbeschrijvingen
Voor DGM wordt een subset van alle beschikbare boormonsterbeschrijvingen gebruikt. Er wordt gestreefd naar een zo gelijkmatig mogelijke verdeling van boormonsterbeschrijvingen per geologische eenheid, maar dit kan niet altijd gerealiseerd worden. Er zijn gebieden met een hogere boordichtheid (in onderzoeksgebieden, drinkwateronttrekkingsgebieden) en gebieden met een veel lagere boordichtheid (Waddenzee, IJsselmeer). Daarnaast kan de boordichtheid per eenheid per regio variëren. Tot slot varieert de kwaliteit van de boorbeschrijvingen binnen deze subset. De gebruikte boormethode, de daaraan gekoppelde manier van monstername en de methode waarmee de monsters zijn beschreven beïnvloeden de kwaliteit van laagbeschrijvingen.
2.5.2.2. Kwaliteitsfiltering
Binnen de subset van DGM kunnen de boormonsterbeschrijvingen soms te weinig lithologische kenmerken bevatten of uit te grote diepte-intervallen bestaan om een geologische eenheid te kunnen interpreteren. Indien ook aanvullende informatie, bijvoorbeeld in de vorm van een geofysische boorgatmeting, die ondersteunend kan zijn bij de interpretatie, ontbreekt, kan besloten worden om dergelijke boormonsterbeschrijvingen niet bij de modellering van de top en/of basis van de betreffende eenheid mee te nemen. De selectie welke boormonsterbeschrijvingen wel/niet worden meegenomen bij de modellering van een geologische eenheid wordt handmatig uitgevoerd.
Daarnaast wordt de DGM subset onderworpen aan een geautomatiseerde kwaliteitscontrole. Hierbij worden plausibiliteitstesten uitgevoerd
2.5.2.3. Momentopname
Bij het actualiseren van het model wordt op een zeker moment een momentopname (‘snapshot’) gemaakt van de boormonsterbeschrijvingen en de bijbehorende boorbeschrijvingen. De interpretaties van de boormonsterbeschrijvingen worden gebaseerd op deze momentopname. Alle wijzigingen die na de momentopname aan deze boormonsterbeschrijvingen worden aangebracht, zullen niet zichtbaar in de momentopname zijn en zullen daarom niet zichtbaar zijn in het betreffende model.
2.5.2.4. Interpretatie in geologische eenheden
Alle in de subset geselecteerde boormonsterbeschrijvingen worden handmatig voorzien van een lithostratigrafische indeling. Bij deze handmatige interpretatie kan additionele informatie worden gebruikt, zoals geofysische boorgatmetingen, zware mineralen diagrammen, pollenonderzoek en in de omgeving opgenomen sonderingen.
Na het in geologische eenheden interpreteren van de boormonsterbeschrijvingen worden de interpretaties middels een aantal plausibiliteitscontroles gecontroleerd.
2.5.3. Breukwerking
Binnen de modellering van DGM wordt rekening gehouden met breuken. Per breuksegment is aangegeven in welke basis van een geologische eenheid dit breuksegment nog invloed heeft. Om modeltechnische redenen worden in de modellering van de geologische eenheden van DGM deze breuken verondersteld verticaal te zijn.
2.5.4. Lagenmodel
2.5.4.1. Consistent lagenmodel
Het lagenmodel is consistent, dat wil zeggen dat de top van een eenheid ofwel samenvalt met de basis van een of meerdere hoger gelegen eenheden, ofwel aan maaiveld ligt. Omgekeerd valt de basis van een eenheid samen met een of meerdere toppen van dieper gelegen eenheden, of de basis ligt aan de onderkant van het model. Een logisch gevolg is dat elk willekeurig punt in de ruimte (binnen de begrenzingen van het modelgebied) zich altijd tussen de top en basis van één enkele geologische eenheid bevindt.
2.5.4.2. Verschillen met boormonsterbeschrijvingen
Een boormonsterbeschrijving geeft veelal een gedetailleerd beeld van de hoogteligging van geologische eenheden op één specifieke locatie. In het lagenmodel wordt middels geostatistische technieken een schatting gegeven van de hoogteligging van de geologische eenheden per rastercel. Deze is daarmee representatief voor een gebied van 100 bij 100 m (10.000 m2). De diepteligging van de geologische eenheden in een boormonsterbeschrijving kan daarom afwijken van de voorspelde diepte van geologische eenheden in het lagenmodel op dezelfde locatie. Ook geldt dat de stratigrafische opeenvolging van eenheden in een boormonsterbeschrijving kan afwijken van de gemodelleerde opeenvolging van de eenheden, dunne eenheden kunnen weggeschaald zijn in het lagenmodel en een complexe afwisseling van eenheden moet voor de modellering vereenvoudigd worden.
De hoogte van het maaiveld op de locatie van het boormonsterbeschrijving kan eveneens afwijken van de maaiveldhoogte van het model. Dit kan verschillende oorzaken hebben, zoals fouten in de opname van de maaiveldhoogte of een daadwerkelijke verandering in maaiveldhoogte door bijvoorbeeld afgraving of ophoging die in de tijd tussen het maken van het boormonsterbeschrijving en het modelleren heeft plaatsgevonden. Verder geldt dat de maaiveldhoogte in het model representatief is voor een gebied van 100 bij 100 m en de hoogte van een boormonsterbeschrijving geldt voor één specifieke locatie.
2.6. Metadata
2.6.1. Resolutie
Rastercellen in het lagenmodel hebben afmetingen van 100 bij 100 m.
2.6.2. Gebruiksschaal
In het ondiepe bereik van DGM is de gebruiksschaal circa 1:100.000. Door de afnemende datadichtheid met de diepte geldt op groterere dieptes een kleinere gebruiksschaal. Door verschillen in datadichtheid zijn er daarnaast regionale verschillen in de gebruiksschaal van het model. Zie ook de toelichting in 5.4.
2.6.3. Gebiedsaanduiding
De omgrenzende rechthoek, uitgedrukt in minimale en maximale coördinaten van het model, is vastgesteld in het Rijksdriehoekstelsel (RD). De waarden zijn in onderstaande tabel weergegeven, met daarbij de omgerekende waarden in WGS84.
2.6.4. Horizontale begrenzing
De horizontale begrenzing is voor het model vastgelegd in een polygoon.
2.6.5. Verticale begrenzing
De verticale begrenzing aan de bovenkant wordt bepaald door het maaiveld- en waterbodemhoogtebestand. Dit bestand is een raster met cellen van 100 x 100 m. Elke rastercel geeft de hoogteligging van het maaiveld resp. de waterbodem ten opzichte van NAP weer.
Voor het lagenmodel geldt dat de verticale begrenzing aan de onderkant wordt bepaald door de basis van de diepst gelegen gemodelleerde geologische eenheden.
2.6.6. Horizontaal referentiesysteem
Alle coördinaten in DGM zijn gegeven in meter in het Rijksdriehoekstelsel (RD).
Voor de geïnterpreteerde boormonsterbeschrijvingen geven de coördinaten de ligging van de boorlocatie aan maaiveld aan. Voor het lagenmodel geldt de conventie dat de ligging van een rastercel wordt beschreven door de coördinaten van de linkeronderhoek (‘lower left corner’).
2.6.7. Verticaal referentiesysteem
Alle hoogten in het lagenmodel van DGM zijn gegeven in meter ten opzichte van NAP.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.