Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over bouwwerken in de fysieke leefomgeving (Besluit bouwwerken leefomgeving)
| gebruiksfunctie | gebruiksfunctie | gebruiksfunctie | leden van toepassing | leden van toepassing | leden van toepassing | leden van toepassing | leden van toepassing | leden van toepassing | leden van toepassing | leden van toepassing | leden van toepassing | leden van toepassing | leden van toepassing | leden van toepassing | leden van toepassing | leden van toepassing | leden van toepassing | leden van toepassing | leden van toepassing |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| verbod op roken en open vuur | verbod op roken en open vuur | vastzetten zelfsluitend constructieonderdeel | aankleding | aankleding | aankleding | aankleding | aankleding | brandveiligheid inrichtingselementen | brandveiligheid inrichtingselementen | brandveiligheid inrichtingselementen | vluchtroute woongebouw | vluchtroute woongebouw | vluchtroute woongebouw | brandveilig gebruik grote brandcompartimenten | behandeling constructieonderdeel | overgangsrecht: aankleding | |||
| artikel | artikel | artikel | 6.12 | 6.12 | 6.13 | 6.14 | 6.14 | 6.14 | 6.14 | 6.14 | 6.15 | 6.15 | 6.15 | 6.15a | 6.15a | 6.15a | 6.16 | 6.17 | 6.18 |
| lid | lid | lid | 1 | 2 | * | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 1 | 2 | 3 | 1 | 2 | 3 | * | * | * |
| 1 | Woonfunctie | Woonfunctie | 1 | – | * | 1 | 2 | – | 4 | 5 | 1 | 2 | 3 | 1 | 2 | 3 | * | * | – |
| 2 | Industriefunctie | Industriefunctie | |||||||||||||||||
| a | lichte industriefunctie voor het houden van dieren | 1 | 2 | * | – | – | 3 | 4 | – | 1 | 2 | – | – | – | – | * | * | * | |
| b | andere industriefunctie | 1 | 2 | * | 1 | 2 | – | 4 | – | 1 | 2 | – | – | – | – | * | * | – | |
| 3 | Logiesfunctie | Logiesfunctie | |||||||||||||||||
| a | in een logiesgebouw | 1 | 2 | * | 1 | 2 | – | 4 | – | 1 | 2 | – | – | – | – | * | * | – | |
| b | andere logiesfunctie | 1 | 2 | * | 1 | 2 | – | 4 | 5 | 1 | 2 | 3 | – | – | – | * | * | – | |
| Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties | Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties | Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties | 1 | 2 | * | 1 | 2 | – | 4 | – | 1 | 2 | – | – | – | – | * | * | – |
Artikel 6.12. (verbod op roken en open vuur)
Het is verboden te roken of open vuur te hebben:
- a. in een ruimte die is bestemd voor de opslag van een brandgevaarlijke stof;
- b. bij het verrichten van een handeling die het uitstromen van een brandgevaarlijke stof kan veroorzaken; en
- c. bij het vullen van een brandstofreservoir met een brandgevaarlijke stof.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, wordt goed zichtbaar aangegeven door het aanbrengen van een gestandaardiseerd symbool als bedoeld in NEN 3011.
Artikel 6.13. (vastzetten zelfsluitend constructieonderdeel)
Een zelfsluitend constructieonderdeel als bedoeld in de artikelen 3.123, eerste lid, en 4.218, eerste lid, mag niet in geopende stand zijn vastgezet tenzij het constructieonderdeel bij brand en bij rook door brand automatisch wordt losgelaten.
Artikel 6.14. (aankleding)
Aankleding in een besloten ruimte mag geen brandgevaar opleveren. Dit gevaar is in ieder geval niet aanwezig als de aankleding:
- a. een ondergeschikte bijdrage aan het brandgevaar levert;
- b. onbrandbaar is, bepaald volgens NEN 6064;
- c. voldoet aan brandklasse A1 bedoeld in NEN-EN 13501-1;
- d. voldoet aan de eisen voor constructieonderdelen, bedoeld in de paragrafen 3.2.7 en 4.2.7; of
- e. een navlamduur heeft van ten hoogste 15 seconden en een nagloeiduur van ten hoogste 60 seconden.
Bij een besloten ruimte voor het verblijven of vluchten van meer dan 50 personen, of voor een besloten ruimte waardoor een beschermde of extra beschermde vluchtroute of een beschermde route voert, is het eerste lid, onderdeel e, niet van toepassing, als de aankleding:
- a. zich bevindt boven een gedeelte van de vloer waar zich personen kunnen bevinden;
- b. de verticale vrije ruimte tussen de vloer en de aankleding minder dan 2,5 m is; en
- c. niet rechtstreeks op de vloer, trap of hellingbaan is aangebracht.
Aankleding in een besloten ruimte die niet rechtstreeks op de vloer, trap of hellingbaan is aangebracht mag geen brandgevaar opleveren. Dit gevaar is in ieder geval niet aanwezig als de aankleding:
- a. een ondergeschikte bijdrage aan het brandgevaar levert;
- b. onbrandbaar is, bepaald volgens NEN 6064;
- c. voldoet aan brandklasse A1, bedoeld in NEN-EN 13501-1; of
- d. voldoet aan de eisen voor constructieonderdelen, bedoeld in de paragrafen 3.2.7 en 4.2.7.
Aankleding ter plaatse van of nabij apparatuur en installaties die warmte ontwikkelen voldoet aan brandklasse A1, bedoeld in NEN-EN 13501-1, of is onbrandbaar, bepaald volgens NEN 6064, als:
- a. op de aankleding een intensiteit van de warmtestraling kan optreden die, bepaald volgens NEN 6061, groter is dan 2 kW/m2; of
- b. in de aankleding een temperatuur kan optreden die, bepaald volgens NEN 6061, hoger is dan 90 °C.
Het eerste, tweede en vierde lid gelden niet voor een niet-gemeenschappelijke ruimte.
Artikel 6.15. (brandveiligheid inrichtingselementen)
In een voor publiek toegankelijke ruimte opgestelde stands, kramen, schappen, podia en daarmee vergelijkbare inrichtingselementen zijn brandveilig.
Aan het in het eerste lid gestelde is in ieder geval voldaan als een naar de lucht gekeerd onderdeel van het inrichtingselement:
- a. onbrandbaar is, bepaald volgens NEN 6064;
- b. voldoet aan brandklasse A1, bedoeld in NEN-EN 13501-1;
- c. een dikte heeft van ten minste 3,5 mm, en voldoet aan brandklasse D, bedoeld in NEN-EN 13501-1;
- d. een dikte heeft van ten minste 3,5 mm, en voldoet aan klasse 4, bedoeld in NEN 6065; of
- e. een dikte heeft van minder dan 3,5 mm en over de volle oppervlakte is verlijmd met een onderdeel als bedoeld onder c of d.
Het eerste en tweede lid gelden niet voor een niet-gemeenschappelijke ruimte.
Artikel 6.16. (brandveilig gebruik grote brandcompartimenten)
Als bij de toepassing van artikel 4.51, eerste lid, gebruik is gemaakt van de bepalingsmethoden van NEN 6060 of NEN 6079 wordt bij het gebruik van het bouwwerk rekening gehouden met de gebruiksvoorwaarden in die normbladen.
Artikel 6.17. (behandeling constructieonderdeel)
Een constructieonderdeel waarvoor op grond van dit besluit een eis aan de sterkte bij brand of brand, brandvoortplanting, rookdichtheid, brandklasse of rookklasse geldt waaraan het constructieonderdeel alleen met een aanvullende behandeling kan blijven voldoen, wordt op adequate wijze onderhouden.
Artikel 6.18. (overgangsrecht: aankleding)
Op aankleding die voor 1 april 2014 is aangebracht in een besloten ruimte van een lichte industriefunctie voor het bedrijfsmatig houden van dieren, maar niet rechtstreeks op de vloer, trap of hellingbaan, is artikel 7.4, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 van toepassing zoals dit luidde voor 1 april 2014.
§ 6.2.2. Veilig vluchten bij brand
Artikel 6.19. (aansturingsartikel)
De regels in deze paragraaf zijn op een gebruiksfunctie van toepassing voor zover deze in tabel 6.19 voor die gebruiksfunctie zijn aangewezen.
| gebruiksfunctie | gebruiksfunctie | gebruiksfunctie | leden van toepassing | leden van toepassing | leden van toepassing | leden van toepassing | leden van toepassing | leden van toepassing | leden van toepassing | leden van toepassing | leden van toepassing | leden van toepassing | leden van toepassing | leden van toepassing | leden van toepassing | leden van toepassing | leden van toepassing | leden van toepassing | leden van toepassing | leden van toepassing | leden van toepassing | leden van toepassing | leden van toepassing | leden van toepassing |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| ontruiming bij brand | ontruiming bij brand | ontruiming bij brand | ontruiming bij brand | deuren in vluchtroutes | deuren in vluchtroutes | deuren in vluchtroutes | deuren in vluchtroutes | deuren in vluchtroutes | opstelling zitplaatsen en verdere inrichting | opstelling zitplaatsen en verdere inrichting | opstelling zitplaatsen en verdere inrichting | opstelling zitplaatsen en verdere inrichting | opstelling zitplaatsen en verdere inrichting | gangpaden | gangpaden | vluchtroute woongebouw | beperking van gevaar voor letsel | beperking van gevaar voor letsel | beperking van gevaar voor letsel | beperking van gevaar voor letsel | beperking van gevaar voor letsel | |||
| artikel | artikel | artikel | 6.20 | 6.20 | 6.20 | 6.20 | 6.21 | 6.21 | 6.21 | 6.21 | 6.21 | 6.22 | 6.22 | 6.22 | 6.22 | 6.22 | 6.23 | 6.23 | 6.23a | 6.24 | 6.24 | 6.24 | 6.24 | 6.24 |
| lid | lid | lid | 1 | 2 | 3 | 4 | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 1 | 2 | * | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 |
| 1 | Woonfunctie | Woonfunctie | ||||||||||||||||||||||
| a. | voor zorg | 1 | 2 | 3 | – | 1 | 2 | – | – | – | – | – | – | – | – | – | – | * | 1 | 2 | 3 | 4 | – | |
| b. | andere woonfunctie | – | – | – | – | 1 | – | 3 | – | – | – | – | – | – | – | – | – | * | 1 | 2 | 3 | 4 | – | |
| 2 | Bijeenkomstfunctie | Bijeenkomstfunctie | 1 | – | 3 | – | 1 | 2 | – | – | – | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 1 | 2 | – | 1 | 2 | 3 | – | – |
| 3 | Celfunctie | Celfunctie | 1 | – | 3 | – | 1 | 2 | – | – | – | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 1 | 2 | – | 1 | 2 | 3 | – | – |
| 4 | Gezondheidszorgfunctie | Gezondheidszorgfunctie | 1 | – | 3 | – | 1 | 2 | – | – | – | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 1 | 2 | – | 1 | 2 | 3 | – | – |
| 5 | Industriefunctie | Industriefunctie | 1 | – | 3 | – | 1 | 2 | – | – | – | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 1 | 2 | – | 1 | 2 | 3 | – | – |
| 6 | Kantoorfunctie | Kantoorfunctie | 1 | – | 3 | – | 1 | 2 | – | – | – | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 1 | 2 | – | 1 | 2 | 3 | – | – |
| 7 | Logiesfunctie | Logiesfunctie | ||||||||||||||||||||||
| a. | in een logiesgebouw met 24-uurs bewaking | 1 | – | 3 | 4 | 1 | 2 | – | 4 | – | – | – | – | – | – | 1 | 2 | – | 1 | 2 | 3 | – | 5 | |
| b. | in een logiesgebouw zonder 24-uurs bewaking | 1 | – | 3 | – | 1 | 2 | – | 4 | – | – | – | – | – | – | 1 | 2 | – | 1 | 2 | 3 | – | 5 | |
| c. | andere logiesfunctie | 1 | – | – | – | 1 | 2 | – | 4 | – | – | – | – | – | – | – | – | – | – | – | – | – | – | |
| 8 | Onderwijsfunctie | Onderwijsfunctie | ||||||||||||||||||||||
| a. | voor het basisonderwijs | 1 | – | 3 | – | 1 | 2 | – | – | – | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 1 | 2 | – | 1 | 2 | 3 | – | – | |
| b. | andere onderwijsfunctie | 1 | – | 3 | – | 1 | 2 | – | – | – | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 1 | 2 | – | 1 | 2 | 3 | – | – | |
| 9 | Sportfunctie | Sportfunctie | 1 | – | 3 | – | 1 | 2 | – | – | – | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 1 | 2 | – | 1 | 2 | 3 | – | – |
| 10 | Winkelfunctie | Winkelfunctie | 1 | – | 3 | – | 1 | 2 | – | – | – | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 1 | 2 | – | 1 | 2 | 3 | – | – |
| 11 | Overige gebruiksfunctie | Overige gebruiksfunctie | – | – | 3 | – | 1 | 2 | – | – | – | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 1 | 2 | – | 1 | 2 | 3 | – | – |
| 12 | Bouwwerk geen gebouw zijnde | Bouwwerk geen gebouw zijnde | ||||||||||||||||||||||
| a. | wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m | – | – | – | – | 1 | – | – | – | 5 | – | – | – | – | – | – | – | – | – | – | – | – | – | |
| b. | ander bouwwerk geen gebouw zijnde | – | – | – | – | 1 | – | – | – | – | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 1 | 2 | – | 1 | 2 | 3 | – | – |
Artikel 6.20. (ontruiming bij brand)
In een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 3.115 en in een bouwwerk waarvoor een gebruiksmelding als bedoeld in artikel 6.7 is gedaan, zijn voldoende personen aangewezen om de ontruiming bij brand voldoende snel te laten verlopen.
Het eerste lid is niet van toepassing op een woonfunctie voor zorg met zorg op afspraak of met zorg op afroep.
Een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 3.115 heeft een ontruimingsplan.
In een logiesfunctie met 24-uursbewaking is 24 uur per dag een functionaris aanwezig op het eigen perceel of op een loopafstand van ten hoogste 100 m vanaf een toegang van het logiesgebouw.
Artikel 6.21. (deuren in vluchtroutes)
Een deur op een vluchtroute is bij aanwezigheid van personen in het bouwwerk alleen gesloten als die deur tijdens het vluchten, zonder gebruik te moeten maken van een sleutel, onmiddellijk over de ten minste vereiste breedte kan worden geopend.
In afwijking van het eerste lid kan een deur op een vluchtroute die begint in een ruimte voor het insluiten van personen als bedoeld in de artikelen 3.122, derde lid, en 4.217, derde lid, tijdens het vluchten met een sleutel over de ten minste vereiste breedte worden geopend, mits de inrichting, het gebruik en de organisatie zodanig zijn dat het in artikel 6.2 beoogde brandveiligheidsniveau is gewaarborgd.
Het eerste lid geldt niet voor een niet-gemeenschappelijke vluchtroute.
Het eerste lid geldt niet voor een vluchtroute in een logiesverblijf.
In afwijking van het eerste lid kan een deur op een vluchtroute in een tunnel worden ontgrendeld met een automatische ontgrendeling.
Artikel 6.22. (opstelling zitplaatsen en verdere inrichting)
De inrichting van een ruimte is zodanig dat:
- a. voor elke persoon zonder zitplaats ten minste 0,25 m2 vloeroppervlakte beschikbaar is;
- b. voor elke persoon met zitplaats ten minste 0,3 m2 vloeroppervlakte beschikbaar is als geen inventaris kan verschuiven of omvallen als gevolg van gedrang; en
- c. voor elke persoon met zitplaats ten minste 0,5 m2 vloeroppervlakte beschikbaar is als inventaris kan verschuiven of omvallen als gevolg van gedrang.
Bij de berekening van de per persoon beschikbare vloeroppervlakte wordt uitgegaan van de vloeroppervlakte aan verblijfsruimte na aftrek van de oppervlakte van de inventaris.
In een ruimte met meer dan 100 zitplaatsen zijn de zitplaatsen gekoppeld of aan de vloer bevestigd, zodanig dat deze niet kunnen verschuiven of omvallen als gevolg van gedrang, voor zover die zitplaatsen in meer dan 4 rijen van meer dan 4 stoelen zijn opgesteld.
Bij in rijen opgestelde zitplaatsen is tussen de rijen een vrije ruimte aanwezig met een breedte van ten minste 0,4 m, gemeten tussen de loodlijnen op de elkaar dichtst naderende gedeelten van de rijen. Als in de rij tussen de zitplaatsen een tafel is geplaatst, bevindt deze zich niet in de vrije ruimte.
Een rij zitplaatsen die alleen aan een einde op een gangpad of uitgang uitkomt, heeft niet meer dan 8 zitplaatsen.
Een rij zitplaatsen die aan beide einden op een gangpad of uitgang uitkomt, heeft ten hoogste:
- a. 16 zitplaatsen als de vrije ruimte, bedoeld in het derde lid, niet groter is dan 0,45 m en de breedte van de vrije doorgang van het gangpad of van de uitgang ten minste 0,6 m is;
- b. 32 zitplaatsen als de vrije ruimte, bedoeld in het derde lid, groter is dan 0,45 m en de breedte van de vrije doorgang van het gangpad of van de uitgang ten minste 0,6 m is; of
- c. 50 zitplaatsen als de vrije ruimte, bedoeld in het derde lid, groter is dan 0,45 m en de breedte van de vrije doorgang van het gangpad of van de uitgang ten minste 1,1 m is.
Artikel 6.23. (gangpaden)
Gangpaden tussen stands, kramen, schappen, podia en andere inrichtingselementen in een voor publiek toegankelijke ruimte zijn ten minste 1,1 m breed.
Voor een uitgang in een ruimte als bedoeld in het eerste lid is een vrije vloeroppervlakte met een lengte en een breedte van ten minste de breedte van deze uitgang.
Artikel 6.24. (beperking van gevaar voor letsel)
Tegen of onder het plafond aangebracht glas is veiligheidsglas of glas voorzien van een ingegoten kruiswapening met een maximale maaswijdte van 0,016 m.
Textiel, folie of papier in horizontale toepassing is onderspannen met metaaldraad op een onderlinge afstand van ten hoogste 0,35 m, of metaaldraad in twee richtingen met een maximale maaswijdte van 0,7 m.
Aankleding in een besloten ruimte mag bij brand geen druppelvorming geven boven een gedeelte van een vloer bestemd voor gebruik door personen.
Het eerste tot en met derde lid gelden niet voor een niet-gemeenschappelijke ruimte.
Het eerste tot en met derde lid gelden niet in een logiesverblijf.
Afdeling 6.3. Asbestvezels en formaldehyde
Artikel 6.25. (concentratie asbestvezels)
De concentratie van asbestvezels in de binnenlucht van een voor personen toegankelijke ruimte van een bouwwerk is niet groter dan 2.000 vezels/m3, bepaald volgens NEN 2991.
Artikel 6.26. (concentratie formaldehyde)
De concentratie van formaldehyde in de binnenlucht van een voor personen toegankelijke ruimte van een bouwwerk is niet groter dan 120 μg/m3, bepaald volgens NEN-EN-ISO 16000-2.
Afdeling 6.4. Energielabel
Artikel 6.27. (beschikbaarheid energielabel)
Bij oplevering van een gebouw of gedeelte daarvan stelt de verkoper van dat gebouw of gedeelte daarvan een geldig energielabel beschikbaar aan de koper.
In afwijking van het eerste lid zorgt de eigenaar van een gebouw of gedeelte daarvan, voor de aanwezigheid van een geldig energielabel bij oplevering als dat gebouw of gedeelte is gebouwd in opdrachtgeverschap waarbij die eigenaar de volledige zeggenschap heeft over en verantwoordelijkheid draagt voor de bouw.
Na de oplevering van een ingrijpende renovatie zorgt de eigenaar van een gebouw of gedeelte daarvan voor de aanwezigheid van een geldig energielabel.
Bij de verhuur van een gebouw of gedeelte daarvan stelt de eigenaar een afschrift van een geldig energielabel voor dat gebouw of gedeelte daarvan beschikbaar aan de nieuwe huurder. Bij verlenging van een huurovereenkomst of na een ingrijpende renovatie stelt de eigenaar een afschrift van een geldig energielabel beschikbaar aan de huurder.
Bij de verkoop van een gebouw of gedeelte daarvan, of van een deelnemings- of lidmaatschapsrecht dat recht geeft op het gebruik van dat gebouw of gedeelte, stelt de eigenaar een geldig energielabel beschikbaar aan de koper.
De overheidsinstantie die een gebouw of gedeelte daarvan in eigendom heeft of in gebruik heeft, zorgt voor de aanwezigheid van een geldig energielabel voor dat gebouw of gedeelte daarvan.
Artikel 6.28. (uitzonderingen energielabel)
Artikel 6.27 is niet van toepassing op:
- a. een gebouw of gedeelte daarvan, dat niet is bestemd om te worden verwarmd of gekoeld voor personen;
- b. een gebouw of gedeelte daarvan, dat wordt gebruikt voor erediensten en religieuze activiteiten;
- c. een industriefunctie;
- d. een gebouw of gedeelte daarvan, dat ten hoogste twee jaar wordt gebruikt;
- e. een gebouw of gedeelte daarvan, met een woonfunctie of logiesfunctie, dat minder dan vier maanden per jaar wordt gebruikt, en een verwacht energieverbruik heeft van minder dan 25% van het energieverbruik bij permanent gebruik;
- f. een alleenstaand gebouw met een gebruiksoppervlakte van minder dan 50 m2; en
- g. een gebouw of gedeelte daarvan, dat bij minnelijke verwerving als bedoeld in artikel 11.7, eerste lid, onder a, van de wet wordt verkregen en voor de uitvoering van het werk waarmee die verkrijging verband houdt zal worden gesloopt.
Artikel 6.29. (eisen aan het energielabel)
Een energielabel bevat:
- a. het resultaat van de berekening van de energieprestatie;
- b. referentiewaarden waarmee de energieprestatie kan worden vergeleken en beoordeeld; en
- c. aanbevelingen voor de kosteneffectieve verbetering van de energieprestatie, de vermindering van de operationele broeikasgasemissies en de verbetering van de binnenluchtkwaliteit, tenzij het gebouw of gedeelte daarvan al emissievrij is.
Deze aanbevelingen zijn technisch haalbaar voor het gebouw of gedeelte daarvan, waarvoor het energielabel is afgegeven en kunnen een raming bieden van de terugverdientijden of kostenvoordelen gedurende de economische levensduur. De aanbevelingen omvatten in ieder geval maatregelen over de ingrijpende renovatie van de bouwschil of technische bouwsystemen en maatregelen voor individuele onderdelen van dat gebouw of gedeelte zonder dat sprake is van een ingrijpende renovatie, en een vindplaats voor extra informatie.
Een energielabel bevat tenminste een numerieke energieprestatie-indicator van het primair fossiel energiegebruik in kWh/m2.jr en een in een letter of lettercombinatie uitgedrukte weergave van de energieprestatie.
Een energielabel is tien jaar geldig gerekend vanaf de datum van opname van de gegevens voor de afgifte ervan.
Artikel 6.30. (kenbaarheid energielabel)
Degene die een gebouw of gedeelte daarvan te koop of te huur aanbiedt door middel van advertenties in commerciële media, vermeldt in die advertenties de energieprestatie-indicator en de letter of lettercombinatie van een geldig energielabel, bedoeld in artikel 6.29, derde lid, dat is afgegeven voor dat gebouw of het gedeelte daarvan, met uitzondering van gebouwen of gedeeltes daarvan waarop artikel 6.27 niet van toepassing is.
De eigenaar van een gebouw of gedeelte daarvan brengt het energielabel aan op een voor het publiek duidelijk zichtbare plaats in dat gebouw of gedeelte, als het gebouw of gedeelte daarvan in gebruik is door een overheidsinstantie en dat gebouw of gedeelte veelvuldig door het publiek wordt bezocht.
De eigenaar van een gebouw of gedeelte daarvan dat geen woonfunctie heeft en waarvoor een geldig energielabel is afgegeven, brengt het energielabel aan op een duidelijk zichtbare plaats.
Artikel 6.31
Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2022/172.
Afdeling 6.5. Bouwwerkinstallaties
§ 6.5.1. Brandveiligheidsinstallaties
Artikel 6.32. (brandmeldinstallatie)
In de in bijlage II bedoelde gevallen heeft een in artikel 3.115 voorgeschreven brandmeldinstallatie een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging.
Een krachtens de wet voorgeschreven brandmeldinstallatie wordt op adequate wijze beheerd, gecontroleerd en onderhouden.
Een inspectiecertificaat heeft een geldigheidsduur van drie jaar. Als op grond van artikel 3.115 doormelding is verplicht, is de geldigheidsduur een jaar.
Artikel 6.33. (ontruimingsalarminstallatie)
In de in bijlage II bedoelde gevallen heeft een in artikel 3.119 voorgeschreven ontruimingsalarminstallatie een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging.
Een krachtens de wet voorgeschreven ontruimingsalarminstallatie wordt op adequate wijze beheerd, gecontroleerd en onderhouden.
Een inspectiecertificaat heeft een geldigheidsduur van drie jaar. Als op grond van artikel 3.115 doormelding is verplicht, is de geldigheidsduur een jaar.
Artikel 6.34. (droge blusleiding)
Een krachtens de wet voorgeschreven droge blusleiding en pompinstallatie worden eenmaal in de vijf jaar getest volgens NEN 1594.
Artikel 6.35. (blustoestellen en brandslanghaspels)
Een krachtens de wet voorgeschreven draagbaar of verrijdbaar blustoestel wordt ten minste eenmaal per twee jaar op adequate wijze onderhouden, waarbij ook de goede werking van dat blustoestel wordt gecontroleerd.
Een krachtens de wet voorgeschreven brandslanghaspel wordt ten minste eenmaal per twee jaar op adequate wijze onderhouden, waarbij ook de goede werking van die brandslanghaspel wordt gecontroleerd.
Artikel 6.36. (automatische brandblusinstallatie en rookbeheersingssysteem)
Een krachtens de wet voorgeschreven automatische brandblusinstallatie is voorzien van een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging.
Een krachtens de wet voorgeschreven rookbeheersingsinstallatie is voorzien van een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging.
Een inspectiecertificaat heeft een geldigheidsduur van een jaar.
§ 6.5.2. Airconditioningsystemen
Artikel 6.37. (keuring van airconditioningsystemen)
Vervallen
§ 6.5.2. Airconditioningsystemen
Artikel 6.37a. (begrippen)
Voor de toepassing van deze paragraaf zijn de begripsomschrijvingen, bedoeld in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing op de begrippen «stookinstallatie», «afgas», «dieselmotor», «gasmotor», «gasturbine», «aardgas», «rie-biomassa», «vergistingsgas», en «emissiegrenswaarde».
Artikel 6.38. (keuring van stookinstallaties)
Een niet-gasgestookte stookinstallatie met een nominaal vermogen van:
- a. 20 kW tot ten hoogste 100 kW wordt ten minste eenmaal per vier jaar gekeurd op veilig functioneren, optimale verbranding en energiezuinigheid; en
- b. meer dan 100 kW, wordt ten minste eenmaal per twee jaar gekeurd op veilig functioneren, optimale verbranding en energiezuinigheid.
Een gasgestookte stookinstallatie met een nominaal vermogen van meer dan 100 kW wordt ten minste eenmaal per vier jaar gekeurd op veilig functioneren, optimale verbranding en energiezuinigheid.
Een keuring wordt voor de eerste keer uitgevoerd binnen zes weken na ingebruikname.
Het eerste en tweede lid gelden alleen voor een stookinstallatie die onderdeel is van een technisch bouwsysteem.
Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op een niet-gemeenschappelijk stooktoestel met een nominaal vermogen van ten hoogste 100 kW van een woonfunctie.
Artikel 6.39. (afstellen, onderhoud en rapportage)
Een keuring als bedoeld in artikel 6.38 omvat:
- a. de afstelling voor de verbranding;
- b. het systeem voor de toevoer van brandstof en verbrandingslucht;
- c. de afvoer van verbrandingsgassen; en
- d. voor stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW de meting van het gehalte koolmonoxide, uitgevoerd direct voorafgaand aan de afstelling van de verbranding, uitgedrukt in mg/Nm3 bij een zuurstofpercentage van 15% in afgas, als het gaat om een dieselmotor, een gasturbine of een gasmotor, 6% in afgas, als het gaat om een stookinstallatie voor vaste brandstoffen, of 3% in afgas, als het gaat om een andere stookinstallatie.
De meting van koolmonoxide, bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt voor een stookinstallatie die in gebruik is genomen voor 20 december 2018 vanaf:
- a. 1 januari 2024, als deze een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MW heeft; of
- b. 1 januari 2029, als deze een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 5 MW heeft.
Aan het eerste lid, onder d, wordt, voor een stookinstallatie die niet meer dan 500 uur per jaar in bedrijf is, in ieder geval voldaan, als een meetrapport van de fabrikant wordt overgelegd van een koolmonoxide-meting die is uitgevoerd aan de stookinstallatie of een stookinstallatie van hetzelfde merk en type, overeenkomstig de eisen, bedoeld in dat onderdeel.
Als uit de keuring blijkt dat de installatie onderhoud nodig heeft, vindt dat onderhoud binnen twee weken na de keuring plaats.
Artikel 6.39a. (verslag keuring)
Van de keuring, bedoeld in artikel 6.38, wordt een verslag gemaakt.
Voor stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW omvat het verslag:
- a. de naam en het adres van de gebruiker;
- b. het adres van de stookinstallatie;
- c. een unieke identificatie van de stookinstallatie;
- d. gegevens over het nominaal thermisch ingangsvermogen in MW van de stookinstallatie;
- e. gegevens over het type stookinstallatie, onderverdeeld naar gasmotor, dieselmotor, dual-fualmotor, gasturbine, ketel, formuis, droger, luchtverhitter of andere stookinstallatie;
- f. gegevens over het type gebruikte brandstoffen en het aandeel ervan, onderverdeeld naar vaste rie-biomassa, houtpellets, andere vaste brandstof, gasolie, dieselolie, huisbrandolie, biodiesel, andere vloeibare brandstoffen, aardgas, propaangas, butaangas, vergistingsgas en andere gasvormige brandstoffen;
- g. de datum waarop de stookinstallatie in gebruik is genomen;
- h. het verwachte aantal jaarlijkse bedrijfsuren van de stookinstallatie en de gemiddelde belasting tijdens het gebruik;
- i. de 4-cijferige NACE-code van de bedrijfstak waarvan de stookinstallatie deel uitmaakt;
- j. de datum en meetresultaten van de laatst verrichte emissiemetingen van koolmonoxide en zuurstof en de emissieconcentratie van deze stoffen die tijdens de keuring is gemeten;
- k. als het gaat om een stookinstallatie die niet meer dan 500 uren per jaar in bedrijf is, met uitzondering van een dieselmotor die wordt gebruikt voor het opwekken van elektriciteit als het openbare net beschikbaar is en geen geplande bedrijfsnoodzakelijke test wordt verricht: een verklaring dat de stookinstallatie niet meer dan 500 uren in bedrijf is; en
- l. wijzigingen aan de stookinstallatie of in de bedrijfsvoering die hebben geleid tot een verandering van de emissiegrenswaarde.
Voor het bepalen van het aantal uren dat een stookinstallatie als bedoeld in het tweede lid, onder k, niet meer dan 500 uren per jaar in bedrijf is, wordt het aantal uren dat de stookinstallatie in gebruik is maandelijks geregistreerd.
Artikel 6.40. (certificatie keuringsinstelling)
Een keuring als bedoeld in artikel 6.38 wordt verricht door een onderneming met een certificaat voor de Deelregeling voor stookinstallaties, onderdeel van de Certificatieregeling ten behoeve van het uitvoeren van onderhoud en inspectie aan technische installaties, van de stichting SCIOS, afgegeven door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens die Deelregeling.
Artikel 6.41. (inzage in bescheiden)
De volgende gegevens en documenten worden ten minste zes jaar bij de stookinstallatie bewaard:
- a. het verslag van de keuring bedoeld in artikel 6.39a, ondertekend door degene die de keuring heeft verricht;
- b. een bewijs van uitvoering van onderhoud als bedoeld in artikel 6.39, vierde lid, gedateerd en ondertekend door degene die het onderhoud heeft uitgevoerd;
- c. de registratie van het aantal draaiuren, bedoeld in artikel 6.39a, derde lid;
- d. de resultaten van de laatst verrichte metingen en andere gegevens die nodig zijn om te kunnen beoordelen of wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden;
- e. een overzicht van de soort en de hoeveelheid in de installatie gebruikte brandstoffen;
- f. een overzicht van eventuele storingen of uitvallen van aanvullende emissiebeperkende apparatuur; en
- g. een overzicht van de gevallen van niet-voldoen aan de emissiegrenswaarden en de getroffen maatregelen.
Als een stookinstallatie bij de keuring of na het onderhoud, bedoeld in artikel 6.39, vierde lid, voldoet aan de eisen voor veilig functioneren, optimale verbranding en energiezuinigheid, wordt deze afgemeld in het afmeldsysteem van de Stichting SCIOS.
De afmelding bevat de gegevens, genoemd in artikel 6.39a, tweede lid.
§ 6.5.3. Stookinstallaties
Artikel 6.42. (keuring verwarmingssysteem)
Vervallen
Artikel 6.43
Vervallen
§ 6.5.5. Gasverbrandingsinstallaties
Artikel 6.44. (definitie certificaathouder)
In deze paragraaf wordt verstaan onder certificaathouder:
natuurlijke persoon of rechtspersoon met een certificaat als bedoeld in artikel 3.35, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving voor een op grond van artikel 3.37, eerste lid, van dat besluit afgegeven certificatieschema door een op grond van artikel 3.36, eerste lid, van dat besluit aangewezen certificatie-instelling.
Artikel 6.45. (werkzaamheden aan verbrandingstoestellen, verbrandingsluchttoevoervoorzieningen en rookgasafvoervoorzieningen)
Aan de regels in dit artikel wordt voldaan door degene die de werkzaamheden uitvoert en degene die de werkzaamheden laat uitvoeren.
De volgende werkzaamheden aan een gebouwgebonden gasverbrandingstoestel en bijbehorende voorzieningen voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rookgas worden verricht door een certificaathouder:
- a. het installeren van gasverbrandingstoestellen, verbrandingsluchttoevoervoorzieningen of rookgasafvoervoorzieningen;
- b. het repareren van gasverbrandingstoestellen, verbrandingsluchttoevoervoorzieningen of rookgasafvoervoorzieningen;
- c. het onderhouden van gasverbrandingstoestellen, verbrandingsluchttoevoervoorzieningen of rookgasafvoervoorzieningen; en
- d. het in bedrijf stellen en vrijgeven voor gebruik van een gasverbrandingstoestel na werkzaamheden als bedoeld onder a tot en met c.
Het tweede lid is niet van toepassing op:
- a. stookinstallaties als bedoeld in artikel 6.38;
- b. werkzaamheden die worden verricht voor het verkrijgen van een certificaat als bedoeld in artikel 3.35, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving of een accreditatie als bedoeld in artikel 3.36, tweede lid, onder a, van dat besluit.
Het tweede lid is niet van toepassing op werkzaamheden die worden verricht met een certificaat dat is afgegeven door een certificatie-instelling waarvan de aanwijzing is ingetrokken, gedurende zes maanden na de intrekking of, als het certificaat op het moment van intrekking een kortere geldigheidsduur heeft dan zes maanden, gedurende die geldigheidsduur.
Artikel 6.46. (signalering (bijna-)ongevallen)
Als een certificaathouder bij het verrichten van zijn werkzaamheden constateert dat een gasverbrandingsinstallatie een hogere concentratie koolmonoxide produceert dan een bij ministeriële regeling vastgestelde concentratie en dat deze vrijkomt in een ruimte waarin zich personen kunnen bevinden, stelt hij onverwijld de bewoner of gebruiker en eigenaar van het gebouw, het bevoegd gezag en de certificatie-instelling hiervan op de hoogte.
Artikel 6.47. (beeldmerk)
Een certificaathouder voert een bij ministeriële regeling vastgesteld beeldmerk.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over het gebruik van het beeldmerk.
Artikel 6.48. (overgangsrecht: werkzaamheden aan verbrandingstoestellen, verbrandingsluchttoevoervoorzieningen en rookgasafvoervoorzieningen)
Artikel 6.45 is niet van toepassing op werkzaamheden die aangevangen zijn voor het tijdstip waarop artikel II van het Besluit van 14 september 2020 houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012, het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Omgevingsbesluit in verband met de introductie van een stelsel van certificering voor werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties in werking is getreden.
Hoofdstuk 7. Bouw- en sloopwerkzaamheden
Afdeling 7.1. Bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken
§ 7.1.1. Algemeen
Artikel 7.1. (toepassingsbereik: activiteiten)
Deze afdeling is van toepassing op bouw- en sloopactiviteiten die het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken betreffen, met uitzondering van het mobiel breken van bouw- en sloopafval.
Artikel 7.2. (toepassingsbereik: oogmerken)
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:
- a. het waarborgen van de veiligheid en het beschermen van de gezondheid in de directe omgeving van bouw- en sloopwerkzaamheden;
- b. het waarborgen van duurzaamheid bij het scheiden van bouw- en sloopafval op een bouw- en sloopterrein; en
- c. het waarborgen van duurzaamheid bij de emissie van stikstofverbindingen naar de lucht bij het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden.
Artikel 7.3. (toepassingsbereik: normadressaat)
Aan de regels in deze afdeling wordt voldaan door degene die de bouw- of sloopwerkzaamheden verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Artikel 7.4. (specifieke zorgplicht)
Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de werkzaamheden tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid in de directe omgeving kunnen leiden, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
Onder gevaar voor de gezondheid of veiligheid in de directe omgeving als bedoeld in het eerste lid wordt ook verstaan beschadiging of belemmering van wegen, van in de weg gelegen werken en van andere roerende of onroerende zaken op een aangrenzend perceel of op een aan het bouw- of sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen, die tot dat gevaar kan leiden.
Artikel 7.5. (maatwerkvoorschriften)
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over artikel 7.4 en de paragrafen 7.1.2 tot en met 7.1.5, met uitzondering van de artikelen 7.20, 7.22 en 7.22a en bepalingen over:
- a. meldingplichten; en
- b. meet- of rekenmethoden.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de regels in de paragrafen 7.1.2 tot en met 7.1.5, waarbij afwijken van de artikelen 7.17 en 7.18 alleen versoepelen als bedoeld in artikel 7.23, eerste lid, kan inhouden.
Een maatwerkvoorschrift over de artikelen 7.15 tot en met 7.19 kan in ieder geval inhouden een verplichting tot het aanstellen van een veiligheidscoördinator directe omgeving als bedoeld in artikel 7.5b en het opstellen van een bouw- of sloopveiligheidsplan met maatregelen ter uitvoering van de artikelen 7.15 tot en met 7.19.
In afwijking van het tweede lid kan een maatwerkvoorschrift over de artikelen 7.19a en 7.21 alleen nadere invulling van het bepaalde in dat artikel inhouden. Met een maatwerkvoorschrift wordt de uitvoering van een vastgesteld projectbesluit niet belemmerd.
Een maatwerkvoorschrift op aanvraag van degene die de bouw- of sloopwerkzaamheden verricht, kan worden gesteld met het oog op andere belangen dan bedoeld in artikel 7.2, voor zover de in dat artikel bedoelde belangen zich daartegen niet verzetten.
Artikel 7.5a. (risicomatrix)
Er is een risicomatrix met een duiding van de risico’s voor de veiligheid die zijn verbonden aan de beoogde bouw- of sloopwerkzaamheden.
Een veiligheidscoördinator directe omgeving als bedoeld in artikel 7.5b wordt aangesteld en een bouw- of sloopveiligheidsplan wordt opgesteld als de ingevulde risicomatrix daartoe noodzaakt.
Artikel 7.5b. (veiligheid en gezondheid directe omgeving: veiligheidscoördinator directe omgeving)
Als op grond van artikel 7.5 of 7.5a een veiligheidscoördinator directe omgeving moet worden aangesteld, draagt degene die de bouw- of sloopwerkzaamheden verricht er zorg voor dat die coördinator:
- a. de maatregelen coördineert die bij de bouw- of sloopwerkzaamheden worden getroffen ter uitvoering van de artikelen 7.15 tot en met 7.19, voor zover het maatregelen betreft om de veiligheid te waarborgen en de gezondheid te beschermen in de directe omgeving van het bouw- of sloopterrein; en
- b. erop toe ziet dat:
- 1°. de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onder a, op doeltreffende wijze worden getroffen;
- 2°. de werkzaamheden die gelijktijdig of achtereenvolgend plaatsvinden, goed op elkaar zijn afgestemd;
- 3°. er voorlichting wordt gegeven aan degenen die de bouw- of sloopwerkzaamheden verrichten;
- 4°. alleen bevoegde personen de directe omgeving waar de bouw- of sloopwerkzaamheden worden verricht, kunnen betreden;
- 5°. de maatregelen die worden getroffen in de directe omgeving van het bouw- of sloopterrein worden aangepast als de bouw- of sloopwerkzaamheden daartoe aanleiding geven; en
- 6°. passende maatregelen worden getroffen als niet, onjuist of in onvoldoende mate uitvoering wordt gegeven aan de onderdelen 1° tot en met 5°.
Artikel 7.5c. (gegevens en bescheiden: stikstofemissie en risicomatrix)
Gelijktijdig met de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of de bouwmelding, bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, en de sloopmelding als de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m3 bedraagt, bedoeld in artikel 7.10, eerste lid, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
- a. een beschrijving van de maatregelen om te voldoen aan artikel 7.19a, eerste lid; en
- b. de risicomatrix en, voor zover van toepassing, het bouw- of sloopveiligheidsplan en de naam en contactgegevens van de veiligheidscoördinator directe omgeving, en andere gegevens en bescheiden over de maatregelen om de veiligheid te waarborgen en de gezondheid te beschermen in de directe omgeving van de bouw- of sloopwerkzaamheden.
Als de bouw- of sloopwerkzaamheden op een andere manier worden verricht dan overeenkomstig de gegevens en bescheiden, bedoeld in het eerste lid, worden de gewijzigde gegevens en bescheiden zo spoedig mogelijk verstrekt.
Artikel 7.6. (geen gelijkwaardige maatregel)
Het treffen van een gelijkwaardige maatregel is uitgesloten voor de artikelen 7.9, 7.20 en 7.22.
§ 7.1.2. Procedure bouwwerkzaamheden
Artikel 7.7. (informeren: begin en beëindiging bouwwerkzaamheden)
Ten minste twee werkdagen voor het begin van bouwwerkzaamheden, met inbegrip van ontgravingswerkzaamheden, wordt het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.2, daarover geïnformeerd.
Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.2, wordt uiterlijk op de eerste werkdag na beëindiging van de bouwwerkzaamheden daarover geïnformeerd. Het bouwwerk wordt niet in gebruik genomen voordat aan deze informatieplicht is voldaan.
Het eerste en tweede lid zijn alleen van toepassing op het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een melding als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, nodig is.
Artikel 7.8. (aanwezigheid gegevens en bescheiden bouwwerkzaamheden)
Tijdens het verrichten van bouwwerkzaamheden zijn, voor zover deze documenten zijn opgesteld, de volgende gegevens en bescheiden of een afschrift daarvan op het bouwterrein aanwezig:
- a. de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit;
- b. de melding, bedoeld in artikel 2.18, eerste lid;
- c. een actuele planning van de data waarop specifieke bouwwerkzaamheden worden uitgevoerd;
- d. de risicomatrix, het bouwveiligheidsplan en andere gegevens en bescheiden over de maatregelen om de veiligheid te waarborgen en de gezondheid te beschermen in de directe omgeving van de bouwwerkzaamheden;
- e. een afschrift van een maatwerkvoorschrift als bedoeld in de artikelen 3.7 en 7.23;
- f. als op grond van artikel 7.5 of 7.5a een veiligheidscoördinator directe omgeving als bedoeld in artikel 7.5b moet worden aangesteld: de naam en contactgegevens van die coördinator;
- g. een besluit tot oplegging van een last onder bestuursdwang of last onder dwangsom; en
- h. overige voor het bouwen van belang zijnde gegevens en bescheiden.
§ 7.1.1. Algemeen
Artikel 7.9. (asbestinventarisatieplicht)
De normadressaat beschikt over een asbestinventarisatierapport voor het gedeelte van het bouwwerk waar wordt gesloopt, als hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zich in het bouwwerk asbest of een asbesthoudend product bevindt.
Het eerste lid is niet van toepassing op:
- a. werkzaamheden die worden verricht in of aan een bouwwerk of gedeelte daarvan dat na 1 januari 1994 is gebouwd;
- b. het geheel of gedeeltelijk verwijderen van rem- en frictiematerialen;
- c. het als een geheel verwijderen van verwarmingstoestellen;
- d. het in de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of gedeeltelijk:
- 1°. verwijderen van waterleidingbuizen, gasleidingbuizen, rioolleidingbuizen, telecombuizen en mantelbuizen, voor zover deze deel uitmaken van een ondergronds openbaar water-, gas-, elektra-, riool- of telecomleidingnet;
- 2°. verwijderen van geklemde vloerplaten onder een verwarmingstoestel;
- 3°. verwijderen van beglazingskit die is verwerkt in de constructie van een kas; of
- 4°. verwijderen van pakkingen uit:
- i. een verbrandingsmotor;
- ii. een verwarmingstoestel met een nominaal vermogen dat lager is dan 2.250 kW; of
- iii. een procesinstallatie of onderdelen van een procesinstallatie, inclusief aan- en afvoerende leidingen; of
- 5°. verwijderen van gas- en elektrotechnische componenten die aanwezig zijn in een distributiesysteem, bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet, door of vanwege een distributiesysteembeheerder, bedoeld in artikel 1.1 van die wet; en
- e. het anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf in zijn geheel verwijderen van geschroefde, asbesthoudende platen waarin de asbestvezels hechtgebonden zijn, anders dan dakleien, of van asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde, asbesthoudende vloerbedekking, uit een woonfunctie of nevengebruiksfunctie daarvan, voor zover die woonfunctie of die nevengebruiksfunctie niet in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf wordt gebruikt of bedoeld is voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende platen, vloertegels of vloerbedekking in totaal ten hoogste 35 m2 bedraagt.
Degene die een handeling laat verrichten waarop het eerste lid van toepassing is, verstrekt, voordat de handeling wordt verricht, een afschrift van het asbestinventarisatierapport aan degene die de handeling verricht.
Artikel 7.10. (sloopmelding)
Het is verboden een bouwwerk of gedeelte daarvan te slopen als daarbij asbest wordt verwijderd of de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m3 bedraagt, zonder dit ten minste vier weken voor het begin van de sloopwerkzaamheden te melden.
De in het eerste lid genoemde termijn is ten minste een week als:
- a. de sloopwerkzaamheden in het kader van reparatie- of mutatieonderhoudswerkzaamheden worden verricht aan een asbesthoudende toepassing en handhaving van de termijn tot onnodige leegstand zou leiden of het gebruiksgenot van het bouwwerk ernstig zou belemmeren; of
- b. de sloopwerkzaamheden bestaan uit het anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf in zijn geheel verwijderen van geschroefde, asbesthoudende platen waarin de asbestvezels hechtgebonden zijn, anders dan dakleien, of van asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde, asbesthoudende vloerbedekking, uit een woonfunctie of nevengebruiksfunctie daarvan, voor zover die woonfunctie of die nevengebruiksfunctie niet in het kader van een beroep of bedrijf wordt gebruikt of bedoeld is voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende platen, vloertegels of vloerbedekking in totaal ten hoogste 35 m2 bedraagt.
Als dit naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig is, kan worden afgeweken van de in het eerste en tweede lid genoemde termijnen.
Het eerste lid is niet van toepassing op het:
- a. slopen van een seizoensgebonden bouwwerk;
- b. slopen op grond van een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 3.6, of van een besluit tot oplegging van een last onder bestuursdwang of last onder dwangsom; en
- c. slopen dat alleen bestaat uit het in de uitoefening van een beroep of bedrijf:
- 1°. geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbesthoudende waterleidingbuizen, gasleidingbuizen, rioolleidingbuizen, telecombuizen en mantelbuizen, voor zover deze deel uitmaken van een ondergronds openbaar water-, gas-, elektra-, riool- of telecomleidingnet;
- 2°. geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbesthoudende geklemde vloerplaten onder een verwarmingstoestel;
- 3°. als een geheel verwijderen van asbesthoudende verwarmingstoestellen;
- 4°. geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbesthoudende beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van een kas;
- 5°. geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbesthoudende rem- en frictiematerialen;
- 6°. geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbesthoudende pakkingen uit:
- i. een verbrandingsmotor;
- ii. een verwarmingstoestel met een nominaal vermogen dat lager is dan 2.250 kW; of
- iii. een procesinstallatie of onderdelen van een procesinstallatie, inclusief aan- en afvoerende leidingen; en
- 7°. geheel of gedeeltelijk verwijderen van gas- en elektrotechnische componenten die aanwezig zijn in een distributiesysteem, bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet, door of vanwege een distributiesysteembeheerder, bedoeld in artikel 1.1 van die wet.
Een sloopmelding kan betrekking hebben op meerdere bouwwerken op hetzelfde terrein of op met elkaar samenhangende terreinen.
Artikel 7.11. (gegevens en bescheiden bij sloopmelding)
Een sloopmelding wordt ondertekend en bevat de volgende gegevens en bescheiden:
- a. de naam en het adres van de eigenaar van het te slopen bouwwerk en, voor zover van toepassing, van diegene die om een andere reden bevoegd is tot het slopen of laten slopen van het bouwwerk;
- b. de naam en het adres van diegene die de sloopwerkzaamheden gaat verrichten, als de uitvoerder een ander persoon is dan bedoeld onder a;
- c. de dagtekening;
- d. het adres, de kadastrale aanduiding en aard van het te slopen bouwwerk of gedeelte daarvan;
- e. de data, de tijdstippen en een beschrijving van de wijze waarop het verrichten van de sloopwerkzaamheden gaat plaatsvinden;
- f. een globale inventarisatie van de aard en de hoeveelheid van de afvalstoffen die naar verwachting zullen vrijkomen bij de sloopwerkzaamheden en een opgave van de voorgenomen afvoerbestemming van die stoffen; en
- g. als op grond van artikel 7.9 een asbestinventarisatierapport is vereist, het asbestinventarisatierapport of een afschrift van de resultaten van de eindbeoordeling, bedoeld in artikel 7.22.
In afwijking van het eerste lid worden de gegevens, bedoeld in onderdeel b van dat lid, ten minste twee werkdagen voor het begin van de sloopwerkzaamheden verstrekt.
Als tijdens het slopen asbest wordt ontdekt dat niet is opgenomen in het asbestinventarisatierapport wordt het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.2, daarover onverwijld geïnformeerd.
Een sloopmelding die betrekking heeft op slopen waarbij asbest wordt verwijderd dat is ingedeeld in risicoklasse 2 of 2A als bedoeld in artikel 4.48 of 4.53a van het Arbeidsomstandighedenbesluit, wordt alleen langs elektronische weg gedaan.
Artikel 7.12. (informeren: begin en beëindiging sloopwerkzaamheden)
Ten minste twee werkdagen voor het begin van sloopwerkzaamheden wordt het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.2, daarover geïnformeerd.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)