Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over bouwwerken in de fysieke leefomgeving (Besluit bouwwerken leefomgeving)

Type AMvB
Publication 2026-07-01
Laatst bijgewerkt 2026-07-18
State In force
Source BWB
artikelen 934
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
2.

Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 2.2, wordt uiterlijk op de eerste werkdag na beëindiging van de sloopwerkzaamheden daarover geïnformeerd.

3.

Het eerste en tweede lid zijn alleen van toepassing op het slopen van een bouwwerk waarvoor een sloopmelding nodig is.

Artikel 7.13. (aanwezigheid gegevens en bescheiden sloopwerkzaamheden)

Tijdens het slopen zijn, voor zover deze zijn opgesteld, de volgende gegevens en bescheiden of een afschrift daarvan op het sloopterrein aanwezig:

  • a. de sloopmelding en de daarbij behorende gegevens en bescheiden;
  • b. de risicomatrix, het sloopveiligheidsplan, en andere gegevens en bescheiden over de maatregelen om de veiligheid te waarborgen en de gezondheid te beschermen in de directe omgeving van de sloopwerkzaamheden;
  • c. als op grond van artikel 7.5 of 7.5a een veiligheidscoördinator directe omgeving als bedoeld in artikel 7.5b moet worden aangesteld: de naam en contactgegevens van die coördinator;
  • e. een besluit tot oplegging van een last onder bestuursdwang of last onder dwangsom;
  • f. overige voor het slopen van belang zijnde gegevens en bescheiden; en
  • g. als op grond van artikel 7.9 een asbestinventarisatierapport is vereist, het asbestinventarisatierapport, of een afschrift van de resultaten van de eindbeoordeling, bedoeld in artikel 7.22.
Artikel 7.14. (afbakening maatwerkvoorschriften procedure sloopwerkzaamheden)
1.

Een maatwerkvoorschrift over deze paragraaf kan alleen inhouden dat degene die meldingplichtige sloopwerkzaamheden heeft verricht, wordt verplicht binnen een door het bevoegd gezag te bepalen termijn na beëindiging van de werkzaamheden een opgave te doen van de aard en de hoeveelheid van de bij de sloopwerkzaamheden vrijgekomen afvalstoffen en van de afvoerbestemming van die stoffen.

2.

Na een sloopmelding als bedoeld in artikel 7.10 kunnen alleen maatwerkvoorschriften worden gesteld als deze noodzakelijk zijn voor het voorkomen of beperken van hinder of van een onveilige situatie tijdens het verrichten van de sloopwerkzaamheden.

§ 7.1.3. Procedure sloopwerkzaamheden

Artikel 7.15. (veiligheid in de directe omgeving)
1.

Bij het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden worden maatregelen getroffen ter voorkoming van:

  • a. letsel aan personen in de directe omgeving van het bouw- en sloopterrein;
  • b. letsel aan personen die het bouw- en sloopterrein onbevoegd betreden; en
  • c. gevaar voor de veiligheid van belendingen.
2.

Bij het bouwen of slopen van een gebouw wordt bij de bouw- en sloopplaats een veiligheidsafstand vrijgehouden bepaald volgens paragraaf 6.2 van de Landelijke richtlijn Bouw- en sloopveiligheid.

Artikel 7.16. (grondwaterstand)

Het bemalen van een bouwput, leidingsleuf of andere tijdelijke ontgraving ten behoeve van bouwwerkzaamheden leidt niet tot een voor de veiligheid van belendingen gevaarlijke grondwaterstand.

Artikel 7.17. (geluidhinder)
1.

Bedrijfsmatige bouw- en sloopwerkzaamheden worden alleen op werkdagen en op zaterdag, tussen 7.00 uur en 19.00 uur verricht.

2.

Bij het verrichten van die bedrijfsmatige werkzaamheden worden de dagwaarden en de daarbij behorende maximale blootstellingsduur, genoemd in tabel 7.17, niet overschreden.

Dagwaarde ≤60 dB(A) >60 dB(A) >65 dB(A) >70 dB(A) >75 dB(A) >80 dB(A)
maximale blootstellingsduur op de gevel van een woonfunctie, bijeenkomstfunctie voor kinderopvang, gezondheidszorgfunctie of onderwijsfunctie, of op de grens van een geluidsgevoelig terrein onbeperkt 50 dagen 30 dagen 15 dagen 5 dagen 0 dagen
3.

Als het bevoegd gezag over het veroorzaken van geluidhinder bij het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden beleidsregels als bedoeld in titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht, heeft vastgesteld, is in afwijking van artikel 7.23 geen maatwerkvoorschrift vereist als het verrichten van de werkzaamheden voldoet aan die beleidsregels en het bevoegd gezag ten minste twee werkdagen voor het begin van de werkzaamheden daarover is geïnformeerd.

Artikel 7.18. (trillinghinder)
1.

Trillingen veroorzaakt door het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden bedragen in een verblijfsgebied niet meer dan de trillingsterkte genoemd in tabel 4 van de Meet- en beoordelingsrichtlijn deel B «Hinder voor personen in gebouwen» 2006 van de Stichting Bouwresearch Rotterdam.

2.

Het eerste lid is alleen van toepassing op een verblijfsgebied van een woonfunctie, een bijeenkomstfunctie voor kinderdagopvang, een gezondheidszorgfunctie en een onderwijsfunctie.

Artikel 7.19. (stofhinder)

Tijdens het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden worden maatregelen getroffen om visueel waarneembare stofverspreiding buiten het bouw- en sloopterrein te beperken.

Artikel 7.19a. (stikstofemissie)
1.

Bij het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden worden adequate maatregelen getroffen om de emissie van stikstofverbindingen naar de lucht te beperken.

2.

Het eerste lid is alleen van toepassing op het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een melding als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, nodig is en op het slopen van een bouwwerk waarvoor een melding als bedoeld in artikel 7.10, eerste lid, is vereist omdat de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m3 bedraagt.

Artikel 7.20. (verwijderen asbest risicoklasse 2 en 2A)
1.

Als de concentratie van asbestvezels is ingedeeld in risicoklasse 2 of 2A, bedoeld in artikel 4.48 of 4.53a van het Arbeidsomstandighedenbesluit, dan worden de volgende handelingen verricht door een bedrijf dat in het bezit is van een certificaat als bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit:

  • a. het slopen van een bouwwerk als in dat bouwwerk asbest of een asbesthoudend product is verwerkt; en
  • b. het verwijderen van asbest of een asbesthoudend product uit een bouwwerk.
2.

De onderdelen b tot en met e van artikel 7.9, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7.21. (asbestverwijdering)

Degene die bij sloopwerkzaamheden asbest of een asbesthoudend product verwijdert, zorgt er voor dat:

  • a. de verwijderingshandeling, wanneer technisch mogelijk, als eerste wordt verricht wanneer het bouwwerk wordt gesloopt;
  • b. verwijderde asbest en asbesthoudende producten, onmiddellijk van niet-asbesthoudende producten worden gescheiden;
  • c. verwijderde asbest en asbesthoudende producten onmiddellijk worden verzameld en, tenzij dit door vorm of formaat niet mogelijk is, worden verpakt in niet-luchtdoorlatend verpakkingsmateriaal van zodanige dikte en sterkte dat deze niet scheurt waarbij:
  • 1°. de verpakking van de verpakte asbest en asbesthoudende producten onmiddellijk wordt afgesloten en opgeslagen in een afgesloten opslagplaats; en
  • 2°. de niet verpakte asbest en asbesthoudende producten onmiddellijk worden opgeslagen in een afgesloten container;
  • d. na het verwijderen volgens onderdeel a geen resten asbest achterblijven;
  • e. het verpakkingsmateriaal op duidelijke wijze is voorzien van aanduidingen volgens aanhangsel 7 bij bijlage XVII bij verordening (EG) 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (PbEU 2006, L 396); en
Artikel 7.22. (eindbeoordeling asbestverwijdering)
1.

Degene die in een binnenruimte een handeling laat verrichten als bedoeld in artikel 7.20, eerste lid, zorgt er voor dat onmiddellijk na het verrichten van die handeling een eindbeoordeling wordt uitgevoerd in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4.51a, eerste, tweede, vierde en zesde lid, en 4.53c van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

2.

Degene die in de buitenlucht een handeling laat verrichten als bedoeld in artikel 7.20, eerste lid, zorgt er voor dat onmiddellijk na het verrichten van die handeling een visuele inspectie wordt uitgevoerd in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens artikel 4.51a, derde, vierde en zesde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

3.

In een binnenruimte worden geen andere werkzaamheden verricht aan het bouwwerk waarvoor een handeling als bedoeld in artikel 7.20, eerste lid, is verricht, zolang niet een eindbeoordeling is uitgevoerd of als uit de eindbeoordeling volgt dat er ter plaatse nog visueel waarneembaar asbest aanwezig is of de concentratie asbestvezels in de lucht, bedoeld in de artikelen 4.51a, tweede lid, en 4.53c van het Arbeidsomstandighedenbesluit, wordt overschreden.

4.

In de buitenlucht worden geen andere handelingen verricht aan het bouwwerk waarvoor een handeling als bedoeld in artikel 7.20, eerste lid, is verricht, zolang de visuele inspectie niet is uitgevoerd of als uit de visuele inspectie volgt dat het te verwijderen asbest op de plaats van de handeling nog visueel waarneembaar is.

Artikel 7.22a. (veiligheidsmaatregelen aanbrengen gespoten PUR-schuim)

Bij het aanbrengen van gespoten PUR-schuim in de kruipruimte van een woonfunctie:

  • a. zijn tijdens het aanbrengen van het gespoten PUR-schuim en ten minste twee uur na afloop van de werkzaamheden in de woonfunctie geen andere personen aanwezig dan de personen die het gespoten PUR-schuim aanbrengen; en
  • b. wordt tijdens het aanbrengen de kruipruimte geventileerd met ten minste een ventilatiecapaciteit van 30 keer het volume van de kruipruimte per uur.
Artikel 7.23. (afbakening maatwerkvoorschriften veiligheid en gezondheid in directe omgeving bouw- en sloopwerkzaamheden)
1.

Met een maatwerkvoorschrift over de artikelen 7.17 en 7.18 kunnen alleen worden versoepeld:

2.

Onverkort het gestelde in een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het eerste lid, wordt bij het verrichten van de bouw- en sloopwerkzaamheden gebruik gemaakt van de beste beschikbare stille technieken.

§ 7.1.5. Scheiden bouw- en sloopafval

Artikel 7.24. (vrijkomend bouw- en sloopafval)

Bouw- en sloopwerkzaamheden worden zodanig verricht dat tijdens de uitvoering vrijkomend gevaarlijk en overig bouw- en sloopafval deugdelijk wordt gescheiden.

Artikel 7.25. (scheiden gevaarlijk bouw- en sloopafval)
1.

Ongeacht de hoeveelheid wordt gevaarlijk bouw- en sloopafval in ieder geval gescheiden in de volgende fracties:

  • a. als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen als bedoeld in hoofdstuk 17 van de afvalstoffenlijst van de Regeling Europese afvalstoffenlijst, voor zover deze stoffen niet onder b tot en met d van dit lid zijn opgenomen;
  • b. teerhoudende dakbedekking, al dan niet met dakbeschot;
  • c. teerhoudend asfalt; en
  • d. gasontladingslampen.
2.

Een gevaarlijke stof wordt niet gemengd of gescheiden.

3.

De fracties worden op het bouw- en sloopterrein gescheiden gehouden en gescheiden afgevoerd.

4.

In afwijking van het derde lid kunnen de fracties op een andere plaats worden gescheiden voor zover scheiding op het bouw- en sloopterrein redelijkerwijs niet mogelijk is.

Artikel 7.26. (scheiden overig bouw- en sloopafval)
1.

Overig bouw- en sloopafval wordt in ieder geval gescheiden in de volgende fracties:

  • a. bitumineuze dakbedekking, al dan niet met dakbeschot;
  • b. niet-teerhoudend asfalt;
  • c. vlakglas, al dan niet met kozijn;
  • d. gipsblokken en gipsplaatmateriaal;
  • e. dakgrind; en
  • f. armaturen.
2.

De fracties worden op het bouw- of sloopterrein gescheiden gehouden en gescheiden afgevoerd.

3.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing voor zover de hoeveelheid afval van die fractie minder dan 1 m³ bedraagt.

4.

In afwijking van het tweede lid kunnen de fracties op een andere plaats worden gescheiden voor zover scheiding op het bouw- en sloopterrein redelijkerwijs niet mogelijk is.

Afdeling 7.2. Mobiel breken van bouw- en sloopafval

§ 7.1.5. Scheiden bouw- en sloopafval

Artikel 7.27. (toepassingsbereik: activiteiten)

Deze afdeling is van toepassing op het breken van steenachtige bedrijfsafvalstoffen, bedoeld in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover afkomstig van het bouwen en slopen van bouwwerken of wegen, met een mobiele installatie voor het bewerken van bouw- en sloopafval, met inbegrip van alle daarbij gebruikte overige installaties en toestellen, gedurende een periode van ten hoogste drie maanden en in de directe nabijheid van het bouwwerk of de weg waar het te breken afval vrijkomt.

Artikel 7.28. (toepassingsbereik: oogmerken)

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:

  • a. het waarborgen van de veiligheid;
  • b. het beschermen van de gezondheid;
  • c. het beschermen van de kwaliteit van lucht en bodem;
  • d. het zuinig gebruik van energie en grondstoffen;
  • e. een doelmatig beheer van afvalstoffen;
  • f. het beperken van de kans op en de gevolgen van ongewone voorvallen; en
  • g. het voorkomen of beperken van geluidhinder, trillinghinder, lichthinder en geurhinder.
Artikel 7.29. (toepassingsbereik: normadressaat)

Aan de regels in deze afdeling wordt voldaan door degene die een mobiele puinbreker in werking heeft. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 7.30. (bevoegd gezag)
1.

Het college van burgemeester en wethouders is het bevoegd gezag voor het mobiel breken:

  • a. waaraan een melding wordt gedaan;
  • b. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; en
  • c. dat beslist op een aanvraag om toestemming tot het treffen van een gelijkwaardige maatregel.
2.

In afwijking van het eerste lid zijn voor een activiteit als bedoeld in dit besluit, die wordt verricht op dezelfde locatie als een activiteit als bedoeld in afdeling 3.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving waarvoor een door gedeputeerde staten eerder verleende omgevingsvergunning geldt, gedeputeerde staten het bevoegd gezag voor de in het eerste lid bedoelde handelingen.

Artikel 7.31. (specifieke zorgplicht)
1.

Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat het in werking hebben van een mobiele puinbreker nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 7.28, is verplicht:

  • a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
  • b. voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zo veel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
  • c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
2.

Voor het in werking hebben van een mobiele puinbreker houdt deze plicht in ieder geval in dat:

  • a. alle passende preventieve maatregelen tegen verontreiniging worden getroffen;
  • b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen;
  • c. de beste beschikbare technieken worden toegepast;
  • d. geen significante verontreiniging wordt veroorzaakt;
  • e. alle passende maatregelen worden getroffen om ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan te voorkomen;
  • f. metingen representatief zijn;
  • g. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd; en
  • h. voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft.
Artikel 7.32. (maatwerkvoorschriften)
1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de paragrafen 7.2.2 en 7.2.3 en artikel 7.31, met uitzondering van bepalingen over:

  • a. meldingplichten; en
  • b. meet- of rekenmethoden.
2.

Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de regels in de paragrafen 7.2.2 en 7.2.3, waarbij:

  • a. en maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 7.37 alleen het bepaalde in dat artikel kan inhouden; en
  • b. met een maatwerkvoorschrift over artikel 7.39 alleen de dagwaarden, blootstellingsduur, tijdstippen en perioden kunnen worden versoepeld.
3.

Een maatwerkvoorschrift op aanvraag van degene die de mobiele puinbreker in werking heeft, kan worden gesteld met het oog op andere belangen dan bedoeld in artikel 7.28, voor zover de in dat artikel bedoelde belangen zich daartegen niet verzetten.

§ 7.2.2. Procedurele regels

Artikel 7.33. (melding mobiel puinbreken)

Het is verboden een mobiele puinbreker in werking te hebben of te laten hebben zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

Artikel 7.34. (gegevens en bescheiden bij melding mobiel puinbreken)

Een melding mobiel puinbreken wordt ondertekend en bevat de volgende gegevens en bescheiden:

  • a. de naam en het adres van de natuurlijke of rechtspersoon die de mobiele puinbreker in werking heeft en van de eigenaar van het recyclinggranulaat;
  • b. de dagtekening;
  • c. het adres, de kadastrale aanduiding of de plaatselijke aanduiding van de locatie, met de exacte positie aldaar waar de mobiele puinbreker in werking zal worden gebracht;
  • d. de data en de tijdstippen waarop met een mobiele puinbreker bouw- of sloopafval wordt bewerkt;
  • e. een globale inventarisatie van de hoeveelheid en de aard van het met de mobiele puinbreker te bewerken bouw- en sloopafval; en
  • f. een beschrijving van de bronsterkte (LW) in dB(A) van de mobiele puinbreker.
Artikel 7.35. (informeren: aanvang mobiel breken)

Ten minste twee werkdagen voor het begin van het in werking hebben van een mobiele puinbreker wordt het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 7.30, daarover geïnformeerd.

Artikel 7.36. (aanwezigheid bescheiden)
1.

Tijdens het in werking zijn van een mobiele puinbreker zijn, voor zover deze zijn opgesteld, de volgende bescheiden of een afschrift daarvan op het terrein aanwezig:

  • a. de melding mobiel puinbreken;
  • b. gegevens over de bronsterkte in dB(A) van de mobiele puinbreker;
  • c. het inspectie- en onderhoudsschema van de mobiele puinbreker en de kalibratiegegevens; en
  • d. certificaten of bewijzen van:
  • 1°. de installatie van tanks, filters en andere voorzieningen; en
  • 2°. onderhoud of keuringen van voor de mobiele puinbreker aanwezige voorzieningen en installaties.
Artikel 7.37. (afbakening maatwerkvoorschriften procedure mobiel puinbreken)

Met een maatwerkvoorschrift kan degene die een mobiele puinbreker in werking heeft gehad, worden verplicht binnen een door het bevoegd gezag te bepalen termijn na beëindiging van de werkzaamheden een opgave te doen van de aard en de hoeveelheid van de bij de werkzaamheden vrijgekomen afvalstoffen en van de afvoerbestemming van die stoffen.

§ 7.2.3. Inhoudelijke regels

Artikel 7.38. (overeenkomstige toepassing inhoudelijke regels sloopwerkzaamheden)

Met uitzondering van artikel 7.17 zijn de regels in de paragrafen 7.1.4 en 7.1.5 van overeenkomstige toepassing op het in werking hebben van een mobiele puinbreker.

Artikel 7.39. (geluidhinder)
1.

Een mobiele puinbreker is alleen op werkdagen tussen 07.00 uur en 19.00 uur in werking.

2.

Daarbij worden de dagwaarden en de daarbij behorende maximale blootstellingsduur, genoemd in tabel 7.39, niet overschreden.

Dagwaarde ≤ 60 dB(A) > 60 dB(A) > 65 dB(A) > 70 dB(A) > 75 dB(A)
maximale blootstellingsduur op de gevel van een woonfunctie, bijeenkomstfunctie voor kinderopvang of op de grens van een geluidsgevoelig terrein 65 dagen 65 dagen 15 dagen 5 dagen 0 dagen
maximale blootstellingsduur op de gevel van een gezondheidszorgfunctie en een onderwijsfunctie 65 dagen 0 dagen 0 dagen 0 dagen 0 dagen
Artikel 7.40. (registratie)

Op de locatie waar de mobiele puinbreker in werking is, wordt een registratie bijgehouden. Op deze registratie is artikel 8.39 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 8. Overgangsrecht

Artikel 8.1. (gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten)
1.

Voor de toepassing van de artikelen 2.8, onder a, 2.17, tweede lid, onder a, 2.30, eerste en tweede lid, en 6.28, onder b, wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.

2.

Het eerste lid is van toepassing:

  • a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in het omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en
  • b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in het omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of het omgevingsplan nog geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.
Artikel 8.2. (rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten)

Artikel 2.30, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in dat lid die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in het omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.

Artikel 8.3. (algemeen overgangsrecht lopende aanvragen en meldingen)
1.

Op een aanvraag om een omgevingsvergunning, een aanvraag om toestemming tot het treffen van een gelijkwaardige maatregel of een aanvraag om een besluit tot het stellen van maatwerkvoorschriften, ingediend voor het tijdstip waarop een wijziging van dit besluit in werking treedt, of op bezwaar of beroep, ingesteld tegen een beslissing over een dergelijke aanvraag, blijven de regels van dit besluit van toepassing zoals die golden op het tijdstip waarop de aanvraag is ingediend.

2.

Op een melding gedaan voor het tijdstip waarop een wijziging van dit besluit in werking treedt, blijven de regels van dit besluit van toepassing zoals die golden op het tijdstip waarop de melding is gedaan.

3.

Op een melding als bedoeld in artikel 2.18 voor het tijdstip waarop een wijziging van dit besluit in werking treedt, blijven de regels van dit besluit zoals die golden op het tijdstip waarop de melding is gedaan een jaar van toepassing.

Hoofdstuk 8. Overgangsrecht

Artikel 9.1. (inwerkingtreding)

De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 9.2. (citeertitel)

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bouwwerken leefomgeving.

Bijlage I. bij artikel 1.1 van dit besluit (begrippen)

A. Begrippen: algemeen

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

A. Begrippen: algemeen

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

A. Begrippen: algemeen

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

Bijlage II. bij de artikelen 3.115 en 4.208 van dit besluit (brandmeldinstallatie)

gebruiksoppervlakte hoogste vloer van de gebruiksfunctie gemeten boven het meetniveau omvang van de bewaking, volgens NEN 2535 hoogste vloer van de gebruiksfunctie gemeten boven het meetniveau omvang van de bewaking, volgens NEN 2535 doormelding volgens NEN 2535 geldig inspectiecertificaat
Groter dan [m2] Hoger dan [m]
1 Woonfunctie Woonfunctie Woonfunctie
a woonfunctie voor zorg woonfunctie voor zorg
1 Zorgclusterwoning voor zorg op afroep in een woongebouw Gedeeltelijk
2 Zorgclusterwoning voor 24-uurszorg in een woongebouw Gedeeltelijk ja ja
3 Zorgclusterwoning voor 24-uurszorg niet in een woongebouw Volledig
4 Groepszorgwoning voor zorg op afspraak Volledig
5 Groepszorgwoning voor zorg op afroep Volledig
6 Groepszorgwoning voor 24-uurszorg Volledig ja ja
7 Andere woonfunctie voor zorg
b andere woonfunctie andere woonfunctie
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie
a voor het aanschouwen van sport voor het aanschouwen van sport
b kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar 200 Volledig
1,5 Volledig ja ja
c andere bijeenkomstfunctie andere bijeenkomstfunctie 5 Gedeeltelijk ja
50 Volledig ja
500 Niet-automatisch
1.000 Gedeeltelijk ja
5.000 Volledig ja
3 Celfunctie Celfunctie Celfunctie Volledig ja ja
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie
a gezondheidszorgfunctie met bedgebied gezondheidszorgfunctie met bedgebied Volledig ja ja
b andere gezondheidszorgfunctie andere gezondheidszorgfunctie 50 Gedeeltelijk ja ja
4,1 Niet-automatisch
250 1,5 Niet-automatisch
500 Niet-automatisch
5 Industriefunctie Industriefunctie Industriefunctie
a lichte industriefunctie lichte industriefunctie
b andere industriefunctie andere industriefunctie 20 Niet-automatisch
750 4,1 Niet-automatisch
1.500 1,5 Niet-automatisch
2.500 Niet-automatisch
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie Kantoorfunctie 20 Niet-automatisch
50 Gedeeltelijk ja
500 4,1 Niet-automatisch
750 1,5 Niet-automatisch
1.500 Niet-automatisch
7 Logiesfunctie Logiesfunctie Logiesfunctie
a in een logiesgebouw met 24-uursbewaking in een logiesgebouw met 24-uursbewaking 250 Volledig ja
b in een logiesgebouw zonder 24-uursbewaking in een logiesgebouw zonder 24-uursbewaking 1,5 Volledig ja ja
250 Volledig ja
c niet in een logiesgebouw niet in een logiesgebouw
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 4,1 Niet-automatisch
50 Gedeeltelijk ja
250 1,5 Niet-automatisch
500 Niet-automatisch
9 Sportfunctie Sportfunctie Sportfunctie 4,1 Niet-automatisch
50 Gedeeltelijk ja
500 1,5 Niet-automatisch
1.000 Niet-automatisch
10 Winkelfunctie Winkelfunctie Winkelfunctie 4,1 Niet-automatisch
50 Volledig ja
500 1,5 Niet-automatisch
1.000 Niet-automatisch
5.000 13 Gedeeltelijk ja
10.000 Gedeeltelijk ja
10.000 13 Volledig ja
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie
a besloten overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen besloten overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen 1,5 Niet-automatisch
1.000 Volledig
2.500 Volledig ja
b besloten overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer besloten overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer 1,5 Niet-automatisch
13 Gedeeltelijk
1.000 Niet-automatisch
2.500 Gedeeltelijk ja
c andere overige gebruiksfunctie andere overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 6.15a. (geen brandgevaarlijke objecten op vluchtroute woongebouw)
1.

In een gemeenschappelijk verkeersruimte van een woongebouw waardoor een vluchtroute voert zijn geen brandgevaarlijke objecten aanwezig. Onder brandgevaarlijke objecten worden in ieder geval verstaan:

  • a. meubilair;
  • b. fietsen en scootmobielen;
  • c. afvalstoffen en kratten; en
  • d. decoratie.
2.

In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a en d, is meubilair en decoratie toegestaan als het:

  • a. van metaal, steenachtig materiaal of glas is;
  • b. materiaal dat onbrandbaar is volgens NEN 6064; of
  • c. materiaal dat voldoet aan brandklasse A1 als bedoeld in NEN-EN 13501-1.
3.

Het is eerste lid is niet van toepassing op:

  • a. objecten voor bewegwijzering en informatie aan de bewoners;
  • b. een foto, een schilderij of een andere afbeelding met een oppervlakte van ten hoogste 0,5 m2 bij de toegang van een woning; en
  • c. een deurmat met een oppervlakte van ten hoogste 0,5 m2 bij de toegang van een woning.

§ 6.2.2. Veilig vluchten bij brand

Artikel 6.23a. (geen belemmerende objecten op vluchtroute woongebouw)

In een gemeenschappelijk verkeersruimte van een woongebouw waardoor een vluchtroute voert zijn geen objecten aanwezig die het vluchten belemmeren. Onder objecten die het vluchten belemmeren worden in ieder geval verstaan objecten waardoor de bouwkundige vrije breedte van de verkeersruimte wordt ingeperkt, tenzij er ten minste een beschikbare breedte van 0,85 m overblijft.

Afdeling 6.3. Asbestvezels en formaldehyde

Afdeling 6.4. Energielabel

Afdeling 6.5. Bouwwerkinstallaties

§ 6.5.1. Brandveiligheidsinstallaties

§ 6.5.2. Airconditioningsystemen

§ 6.5.4. Verwarmingssystemen

§ 6.5.5. Gasverbrandingsinstallaties

Hoofdstuk 7. Bouw- en sloopwerkzaamheden

Afdeling 7.1. Bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken

§ 6.5.4. Verwarmingssystemen

§ 7.1.2. Procedure bouwwerkzaamheden

§ 7.1.3. Procedure sloopwerkzaamheden

§ 7.1.4. Inhoudelijke regels

§ 7.1.4. Inhoudelijke regels

Afdeling 7.2. Mobiel breken van bouw- en sloopafval

§ 7.2.1. Algemeen

§ 7.1.5. Scheiden bouw- en sloopafval

§ 7.2.2. Procedurele regels

Hoofdstuk 8. Overgangsrecht

Hoofdstuk 8. Overgangsrecht

Bijlage I. bij artikel 1.1 van dit besluit (begrippen)

A. Begrippen: algemeen

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

Bijlage I. bij artikel 1.1 van dit besluit (begrippen)

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 2.7a. (voorrangsregel omgevingsvergunning bouwactiviteit algemeen)

Voor zover een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit afwijkt van een in hoofdstuk 4 of 5 gestelde regel, zijn alleen de omgevingsvergunning en de daaraan verbonden voorschriften van toepassing.

Afdeling 2.2. CE-markeringen, markttoezicht en kwaliteitsverklaringen bouw

Afdeling 2.2a. Stelsel van kwaliteitsborging voor het bouwen

Afdeling 2.3. Afbakening vergunningplichten

§ 2.3.1. Algemene bepalingen

§ 2.3.2. Vergunningplichtige gevallen bouwactiviteit

§ 2.3.3. Vergunningvrije gevallen omgevingsplanactiviteiten met betrekking tot bouwwerken

Afdeling 2.4. Drijvende bouwwerken

Hoofdstuk 3. Bestaande bouw

Afdeling 3.1. Algemeen

Afdeling 3.2. Veiligheid

§ 3.2.1. Constructieve veiligheid

§ 3.2.2. Constructieve veiligheid bij brand

§ 3.2.3. Afscheiding aan de rand van een vloer, trap of hellingbaan

§ 3.2.4. Veilig overbruggen van hoogteverschillen

§ 3.2.5. Beweegbare constructieonderdelen

§ 3.2.6. Beperking van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie

§ 3.2.7. Beperking van het ontwikkelen van brand en rook

§ 3.2.8. Beperking van uitbreiding van brand

§ 3.2.9. Verdere beperking van uitbreiding van brand en beperking van verspreiding van rook

§ 3.2.10. Vluchtroutes: verloop

§ 3.2.11. Vluchtroutes: inrichting

§ 3.2.12. Wegtunnels: hulpverlening bij brand

Afdeling 3.3. Gezondheid

§ 3.3.1. Wering van vocht

§ 3.3.2. Luchtverversing

§ 3.3.3. Spuivoorziening

§ 3.3.4. Afvoer van rookgas en toevoer van verbrandingslucht

§ 3.3.5. Bescherming tegen ratten en muizen

§ 3.3.6. Daglicht

Afdeling 3.4. Duurzaamheid

§ 3.4.1. Energieprestatie

§ 3.4.2. Laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen

Afdeling 3.5. Bruikbaarheid

§ 3.5.1. Verblijfsgebied en verblijfsruimte

§ 3.5.2. Toiletruimte

§ 3.5.3. Opstelplaatsen

Afdeling 3.6. Toegankelijkheid, bereikbaarheid vanaf de openbare weg

Afdeling 3.7. Bouwwerkinstallaties

§ 3.7.1. Verlichting

§ 3.7.2. Voorziening voor het afnemen en gebruiken van energie

§ 3.7.3. Watervoorziening

§ 3.7.4. Afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater

§ 3.7.5. Tijdig vaststellen van brand

§ 3.7.6. Vluchten bij brand

§ 3.7.7. Bestrijden van brand

§ 3.7.8. Toegankelijkheid voor hulpverleningsdiensten

§ 3.7.9. Aanvullende regels tunnelveiligheid

§ 3.7.10. Tegengaan van veel voorkomende criminaliteit

§ 3.7.11. Inzicht in de kwaliteit van de binnenlucht

§ 3.7.12. Systeem voor gebouwautomatisering en -controle

Hoofdstuk 4. Nieuwbouw

Afdeling 4.1. Algemeen

Afdeling 4.2. Veiligheid

§ 4.2.1. Constructieve veiligheid

§ 4.2.1a. Stabiliteit, drijvend vermogen en sterkte drijvende bouwwerken

§ 4.2.2. Constructieve veiligheid bij brand

§ 4.2.3. Afscheiding aan een rand van een vloer, trap of hellingbaan

§ 4.2.4. Veilig overbruggen van hoogteverschillen

§ 4.2.5. Beweegbare constructieonderdelen

§ 4.2.6. Beperking van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie

§ 4.2.7. Beperking van het ontwikkelen van brand en rook

§ 4.2.8. Beperking van uitbreiding van brand

§ 4.2.9. Verdere beperking van uitbreiding van brand en beperking van verspreiding van rook

§ 4.2.10. Vluchtroutes: verloop

§ 4.2.11. Vluchtroutes: inrichting en capaciteit

§ 4.2.12. Hulpverlening bij brand

§ 4.2.13. Hoge en ondergrondse gebouwen

§ 4.2.14. Brand- en explosievoorschriftengebieden

§ 4.2.15. Aanvullende regels tunnelveiligheid

§ 4.2.16. Inbraakwerendheid

Afdeling 4.3. Gezondheid

§ 4.3.1. Bescherming tegen geluid van buiten

§ 4.3.2. Bescherming tegen geluid van bouwwerkinstallaties

§ 4.3.3. Beperking van galm

§ 4.3.4. Geluidwering tussen ruimten

§ 4.3.5. Wering van vocht

§ 4.3.6. Luchtverversing

§ 4.3.7. Spuivoorziening

§ 4.3.8. Afvoer van rookgas en toevoer van verbrandingslucht

§ 4.3.9. Bescherming tegen ratten en muizen

§ 4.3.10. Daglicht

Afdeling 4.4. Duurzaamheid

§ 4.4.1. Energiezuinigheid

§ 4.4.2. Milieuprestatie

§ 4.4.3. Laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen

§ 4.4.4. Systeem voor gebouwautomatisering en -controle

Afdeling 4.5. Bruikbaarheid

§ 4.5.1. Algemeen

§ 4.5.2. Verblijfsgebied en verblijfsruimte

§ 4.5.3. Toiletruimte

§ 4.5.4. Badruimte

§ 4.5.5. Buitenberging

§ 4.5.6. Buitenruimte

§ 4.5.7. Opstelplaatsen

Afdeling 4.6. Toegankelijkheid

§ 4.5.7. Opstelplaatsen

Artikel 4.181a. (hoofdtoegang)
1.

Ten minste een toegang van een gebruiksfunctie is een hoofdtoegang.

2.

Ten minste een toegang van een woongebouw is een hoofdtoegang.

§ 4.6.2. Toegankelijkheidssector

§ 4.6.3. Bereikbaarheid van een bouwwerk

Afdeling 4.7. Bouwwerkinstallaties

§ 4.7.1. Verlichting

§ 4.7.2. Voorziening voor het afnemen en gebruiken van energie

§ 4.7.3. Watervoorziening

§ 4.7.4. Afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater

§ 4.7.5. Tijdig vaststellen van brand

§ 4.7.6. Vluchten bij brand

§ 4.7.7. Bestrijden van brand

§ 4.7.8. Toegankelijkheid voor hulpverleningsdiensten

§ 4.7.9. Aanvullende regels tunnelveiligheid

§ 4.7.10. Tegengaan van veel voorkomende criminaliteit

§ 4.7.11. Veilig onderhoud gebouwen

§ 4.7.12. Inzicht in de kwaliteit van de binnenlucht

§ 4.7.13. Elektronische communicatie

§ 4.7.14. Technische bouwsystemen

Hoofdstuk 5. Verbouw en verplaatsing van een bouwwerk en wijziging van een gebruiksfunctie

Afdeling 5.1. Algemeen

Afdeling 5.1. Algemeen

Afdeling 5.2. Algemene regels bij het verbouwen of verplaatsen van een bouwwerk en bij gebruiksfunctiewijziging

Afdeling 5.4. Wijziging van een gebruiksfunctie

Hoofdstuk 6. Gebruik van bouwwerken

Afdeling 6.1. Algemeen

§ 6.1.1. Algemeen

§ 6.1.2. Gebruiksmelding

Afdeling 6.2. Brandveiligheid

§ 6.2.1. Voorkomen van brandgevaar en ontwikkeling van brand

§ 6.2.2. Veilig vluchten bij brand

Afdeling 6.3. Asbestvezels en formaldehyde

Afdeling 6.3. Asbestvezels en formaldehyde

Afdeling 6.3. Asbestvezels en formaldehyde

§ 6.5.1. Brandveiligheidsinstallaties

§ 6.5.3. Stookinstallaties

§ 6.5.2. Airconditioningsystemen

§ 6.5.4. Verwarmingssystemen

Hoofdstuk 7. Bouw- en sloopwerkzaamheden

Afdeling 7.1. Bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken

§ 7.1.1. Algemeen

§ 7.1.2. Procedure bouwwerkzaamheden

§ 7.1.2. Procedure bouwwerkzaamheden

§ 7.1.4. Inhoudelijke regels

§ 7.1.5. Scheiden bouw- en sloopafval

Afdeling 7.2. Mobiel breken van bouw- en sloopafval

§ 7.2.1. Algemeen

§ 7.2.2. Procedurele regels

§ 7.2.3. Inhoudelijke regels

Hoofdstuk 9. Slotbepalingen

Bijlage I. bij artikel 1.1 van dit besluit (begrippen)

B. Begrippen: gebruiksfuncties

Voor de toepassing van dit besluit wordt voorts verstaan onder:

Bijlage II. bij de artikelen 3.115 en 4.208 van dit besluit (brandmeldinstallatie)

gebruiksoppervlakte hoogste vloer van de gebruiksfunctie gemeten boven het meetniveau omvang van de bewaking, volgens NEN 2535 hoogste vloer van de gebruiksfunctie gemeten boven het meetniveau omvang van de bewaking, volgens NEN 2535 doormelding volgens NEN 2535 geldig inspectiecertificaat
Groter dan [m2] Hoger dan [m]
1 Woonfunctie Woonfunctie Woonfunctie
a woonfunctie voor zorg woonfunctie voor zorg
1 Zorgclusterwoning voor zorg op afroep in een woongebouw Gedeeltelijk
2 Zorgclusterwoning voor 24-uurszorg in een woongebouw Gedeeltelijk ja ja
3 Zorgclusterwoning voor 24-uurszorg niet in een woongebouw Volledig
4 Groepszorgwoning voor zorg op afspraak Volledig
5 Groepszorgwoning voor zorg op afroep Volledig
6 Groepszorgwoning voor 24-uurszorg Volledig ja ja
7 Andere woonfunctie voor zorg
b andere woonfunctie andere woonfunctie
2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie
a voor het aanschouwen van sport voor het aanschouwen van sport
b kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar 200 Volledig
1,5 Volledig ja ja
c andere bijeenkomstfunctie andere bijeenkomstfunctie 5 Gedeeltelijk ja
50 Volledig ja
500 Niet-automatisch
1.000 Gedeeltelijk ja
5.000 Volledig ja
3 Celfunctie Celfunctie Celfunctie Volledig ja ja
4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie
a gezondheidszorgfunctie met bedgebied gezondheidszorgfunctie met bedgebied Volledig ja ja
b andere gezondheidszorgfunctie andere gezondheidszorgfunctie 50 Gedeeltelijk ja ja
4,1 Niet-automatisch
250 1,5 Niet-automatisch
500 Niet-automatisch
5 Industriefunctie Industriefunctie Industriefunctie
a lichte industriefunctie lichte industriefunctie
b andere industriefunctie andere industriefunctie 20 Niet-automatisch
750 4,1 Niet-automatisch
1.500 1,5 Niet-automatisch
2.500 Niet-automatisch
6 Kantoorfunctie Kantoorfunctie Kantoorfunctie 20 Niet-automatisch
50 Gedeeltelijk ja
500 4,1 Niet-automatisch
750 1,5 Niet-automatisch
1.500 Niet-automatisch
7 Logiesfunctie Logiesfunctie Logiesfunctie
a in een logiesgebouw met 24-uursbewaking in een logiesgebouw met 24-uursbewaking 250 Volledig ja
b in een logiesgebouw zonder 24-uursbewaking in een logiesgebouw zonder 24-uursbewaking 1,5 Volledig ja ja
250 Volledig ja
c niet in een logiesgebouw niet in een logiesgebouw
8 Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie Onderwijsfunctie 4,1 Niet-automatisch
50 Gedeeltelijk ja
250 1,5 Niet-automatisch
500 Niet-automatisch
9 Sportfunctie Sportfunctie Sportfunctie 4,1 Niet-automatisch
50 Gedeeltelijk ja
500 1,5 Niet-automatisch
1.000 Niet-automatisch
10 Winkelfunctie Winkelfunctie Winkelfunctie 4,1 Niet-automatisch
50 Volledig ja
500 1,5 Niet-automatisch
1.000 Niet-automatisch
5.000 13 Gedeeltelijk ja
10.000 Gedeeltelijk ja
10.000 13 Volledig ja
11 Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie Overige gebruiksfunctie
a besloten overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen besloten overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen 1,5 Niet-automatisch
1.000 Volledig
2.500 Volledig ja
b besloten overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer besloten overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer 1,5 Niet-automatisch
13 Gedeeltelijk
1.000 Niet-automatisch
2.500 Gedeeltelijk ja
c andere overige gebruiksfunctie andere overige gebruiksfunctie
12 Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde Bouwwerk geen gebouw zijnde

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 7.12a. (informeren: begin en beëindiging sloopwerkzaamheden asbest in risicoklasse 2 of 2A)
1.

Dit artikel is van toepassing als bij de sloopwerkzaamheden asbest is of wordt verwijderd dat is ingedeeld in risicoklasse 2 of 2A als bedoeld in artikel 4.48 of 4.53a van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

2.

In afwijking van artikel 7.12, eerste lid, wordt ten minste twee werkdagen voor het begin van de sloopwerkzaamheden de datum waarop wordt begonnen met de werkzaamheden in het LAVS ingevoerd.

3.

In afwijking van het artikel 7.12, tweede lid, wordt uiterlijk de eerste werkdag na de beëindiging van de sloopwerkzaamheden de datum van beëindiging in het LAVS ingevoerd.

4.

Degene die de eindbeoordeling, bedoeld in artikel 7.22, eerste lid, of de visuele inspectie, bedoeld artikel 7.22, tweede lid, heeft verricht, voert binnen twee weken nadat de eindbeoordeling of visuele inspectie is verricht, het eindresultaat daarvan in het LAVS in.

5.

Binnen twee weken nadat de eindbeoordeling, bedoeld in artikel 7.22, eerste lid, of de visuele inspectie, bedoeld artikel 7.22, tweede lid, is verricht, wordt in het LAVS een bewijs ingevoerd van de afvoer van het asbestafval, onder opgave van het gewicht en van de afvoerbestemming van het asbestafval.

6.

Het tweede tot en met vierde lid zijn alleen van toepassing op het slopen van een bouwwerk waarvoor een sloopmelding nodig is.

§ 7.1.4. Inhoudelijke regels

Afdeling 7.2. Mobiel breken van bouw- en sloopafval

§ 7.2.1. Algemeen

§ 7.2.2. Procedurele regels

§ 7.2.3. Inhoudelijke regels

Artikel 7.39a. (stofemissie)
1.

Het breken van steen of puin vindt plaats met een puinbreker met doelmatige stofbestrijdingstechnieken.

2.

Als doelmatige stofbestrijdingstechnieken worden aangemerkt:

  • a. effectieve natte werkmethoden waarbij de waterstraal of het watergordijn zo is gedimensioneerd dat geen visueel waarneembare stofverspreiding optreedt op een afstand van 2 m van de stofbron; of
  • b. effectieve mechanische stofafzuiging waarbij de emissies door een geschikte filterende afscheider worden geleid zodat geen visueel waarneembare stofverspreiding optreedt bij de uitgang van de filterinstallatie.

Hoofdstuk 9. Slotbepalingen

Bijlage I. bij artikel 1.1 van dit besluit (begrippen)

C. Tabel: symbolen en afkortingen

Voor de toepassing van dit besluit wordt in een tabel verstaan onder:

Bijlage II. bij de artikelen 3.115 en 4.208 van dit besluit (brandmeldinstallatie)

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)