Besluit van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, van 12 februari 2019, nr. 5252180, tot intrekking van waarderingskaders onder vaststelling van beleidsregels houdende Onderzoekskaders 2019

Type Ministeriële regeling
Publication 2024-08-01
State In force
Source BWB
artikelen 3
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De omgeving en de condities waarin het bestuur en de school opereren, kunnen in positieve of negatieve zin de onderwijskwaliteit en het financieel beheer beïnvloeden. Omgevingsfactoren en condities zijn bijvoorbeeld de kenmerken en de ontwikkeling van de leerlingenpopulatie, de beschikbaarheid van personeel, de huisvesting, de organisatieontwikkeling en de ontwikkeling van het bestuur. We verwachten dat besturen en scholen met hun visie, ambities, doelen en beleid op deze factoren inspelen om goede kwaliteit van het onderwijs voor al hun leerlingen te realiseren. Onze waarderingen gaan altijd over de gerealiseerde kwaliteit van de (be)sturing en van het onderwijs dat leerlingen ontvangen. Omgeving en condities spelen hoofdzakelijk een rol bij het bepalen van de invulling van het onderzoek en eventueel bij het vervolgtoezicht. Dat geldt vooral in de buitenlandsituatie, die zeer divers kan zijn (zie paragraaf 3.4.4).

3.4.4. Expertise van de bevindingen

Het karakter van het waarderingskader, met enerzijds een stevige basis (vaststelling door de Minister en vermelding in de subsidieregeling van de Stichting NOB), en anderzijds ruimte voor aanvullende ambities, stelt hoge eisen aan onze expertise. Met het onderzoekskader als instrument en met de vermelde richtlijnen voor de bevindingen / waarderingen kwalificeren we de feitelijke realisatie van het onderwijs zoals leerlingen dat ontvangen. Met onze deskundigheid als toezichthouder en met kennis van zaken op de onderscheiden kwaliteitsgebieden zijn we in staat om in gelijke situaties tot gelijke waarderingen te komen.

Onze focus gedurende het gehele proces van kwalificeren en waarderen is dat we recht doen aan de onderwijskwaliteit die we aantreffen en we zijn hierin geslaagd als besturen en scholen onze bevindingen / waarderingen als passend ervaren. In de buitenlandsituatie geldt dat (taal)scholen en inspectie ieder vanuit hun eigen rol samenwerken aan het bevorderen van de onderwijskwaliteit om de aansluiting met het onderwijs in Nederland (en Vlaanderen) te bevorderen.

3.5. Vervolgtoezicht

3.5.1. Herstelopdrachten

Het effect van het niet naleven van een deugdelijkheidseis, zoals die in Nederland geldt, kan verschillen en dit wegen we mee in het bepalen van de herstelopdracht. Interventies van de inspectie kunnen – afhankelijk van de contextfactoren – een meer of minder directief karakter hebben. In de praktijk zullen we bij herstelopdrachten waarbij niet wordt voldaan aan de deugdelijkheidseisen zoals die in Nederland gelden, of aan de eisen van aansluiting bij de Stichting NOB, de herstelopdrachten monitoren. Het gaat hierbij om maatwerk. Afhankelijk van de ernst en hoeveelheid van de herstelopdrachten en het niveau van de kwaliteitszorg, kan het zijn dat we besturen vragen om informatie toe te sturen – en hierover eventueel een gesprek voeren – om aan te tonen dat aan de herstelopdracht wordt gewerkt en/of is voldaan. Als de herstelopdrachten meer omvattend zijn (bijvoorbeeld bij een Onvoldoende school) kunnen we een of meerdere voortgangsgesprekken (VG) voeren. Hiervan doen we schriftelijk verslag aan het bestuur. Dit verslag wordt niet op onze website gepubliceerd.

3.5.2. Frequentie van bezoek

3.5.3. Escalatie

Bij onvoldoende herstel op schoolniveau én bij onvoldoende zicht op verdere spoedige kwaliteitsverbetering kan de inspectie de Stichting NOB adviseren de aansluiting van de school bij de stichting en daarmee de subsidieverstrekking in te trekken (Reglement van aansluiting Stichting NOB, artikel 10, derde lid). Dit gebeurt uitsluitend nadat een herstelonderzoek heeft plaatsgevonden.

Onderzoekskader 2024

Het Nederlands onderwijs in het buitenland kent verschillende verschijningsvormen. Naast volledig primair en voortgezet dagonderwijs (deze scholen lijken erg op het onderwijs in Nederland) zijn er de leslocaties voor Nederlandse taal en cultuur (NTC), waarin leerlingen gedurende drie uur per week het Nederlands bijhouden en verder ontwikkelen. Dit gebeurt naast het lokale of internationale dagonderwijs dat deze leerlingen in het buitenland volgen. Als derde verschijningsvorm is er het afstandsonderwijs.

De onderzoekskaders primair en voortgezet onderwijs voor het Nederlands onderwijs buitenland komen ondanks de genoemde diversiteit aan verschijningsvormen en ondanks de andere wettelijke basis zoveel mogelijk overeen met, en zijn afgeleid van de onderzoekskaders zoals die in Nederland gelden.

De onderzoekskaders voor scholen primair en voortgezet onderwijs in Nederland onderscheiden basiskwaliteit (deugdelijkheidseisen) en aanvullende ambities. Deze deugdelijkheidseisen zijn voor de scholen in het buitenland niet rechtstreeks vanuit de sectorwetten of de Leerplichtwet 1969 toepasbaar. Omwille van de vergelijkbaarheid van kwaliteit van Nederlandse scholen in het buitenland en scholen in Nederland, hanteren we in de onderzoekskaders Nederlands Onderwijs buitenland de term ‘basiskwaliteit’, die vergelijkbaar is met de deugdelijkheidseisen zoals die voor scholen in Nederland gelden. Op de standaarden spreken we van ‘bevindingen’ of ‘waarderingen’, dit omdat de term ‘oordeel’ uitsluitend is voorbehouden aan wettelijke eisen.

De bestuursgerichte benadering, waarbij in Nederland wordt uitgegaan van een grote mate van autonomie van besturen – maar ook van continuïteit van bestuurlijk handelen ten behoeve van vaak meerdere scholen, in relatie tot andere schoolbesturen, gemeenten en samenwerkingsverbanden – vraagt bij het Nederlands onderwijs buitenland een geheel andere invulling. De besturen van het Nederlands onderwijs in het buitenland functioneren doorgaans autonoom als zogenaamde éénpitter in een geïsoleerde omgeving. Wel vergelijkbaar is het aanspreken van het bestuur op de verantwoordelijkheid voor het in stand houden van de school en voor de kwaliteit van het onderwijs. In die zin zijn de gehanteerde standaarden van de waarderingskaders in gelijke mate van toepassing, maar worden bevindingen / waarderingen alleen gegeven op schoolniveau.

Doordat we de kwaliteitszorg van een school apart waarderen, kunnen we bij de andere twee standaarden binnen dit kwaliteitsgebied een andere focus leggen; namelijk de wijze waarop een professionele kwaliteitscultuur wordt gerealiseerd (SKA2) en hoe het bestuur en de school verantwoording afleggen en de dialoog voeren (SKA3). Tot slot sluit deze afwijking van de reguliere toezichtsystematiek beter aan op de NTC-scholen die onderdeel zijn van een internationale school. Bij deze scholen kan het voorkomen dat we de standaard Kwaliteitszorg (SKA1) wel onderzoeken, maar geen waardering geven omdat de kwaliteitszorg integraal onderdeel is van de internationale school. In bepaalde situaties kunnen wij dan de andere twee standaarden (SKA 2 en 3) uit dit kwaliteitsgebied wel een waardering toekennen.

De kwalificatie ‘Zeer zwak’ is een laatste belangrijke afwijking van de reguliere toezichtsystematiek in Nederland. Bij onvoldoende kwaliteit van standaarden en van overige al dan niet wettelijke eisen (zoals bijvoorbeeld de vereisten aan de schoolgids) geeft de inspectie herstelopdrachten. Indien nodig kennen we ook de bevinding ‘Onvoldoende’ (op schoolniveau) toe. Bij de afweging sluiten we aan bij de in Nederland gehanteerde normering.

2.1. Opbouw van het waarderingskader

In het waarderingskader onderscheiden we vier kwaliteitsgebieden: Onderwijsproces, Veiligheid en Schoolklimaat, Onderwijsresultaten en Sturen, kwaliteitszorg en ambitie.

Iedere standaard binnen het kwaliteitsgebied is op grond van basisvoorwaarden geoperationaliseerd. Deze basisvoorwaarden zijn afgeleid van de deugdelijkheidseisen zoals die in de Wet Voortgezet onderwijs 2020 zijn opgenomen (WVO2020).

Het waarderingskader voortgezet onderwijs kent de volgende opbouw:

Het onderwijs in basisvaardigheden bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs en de samenleving.

Voor Nederlandse taal is de inhoud van het curriculum tenminste dekkend voor de kerndoelen en werkt het toe naar de referentieniveaus. Het curriculum kent een logisch doorlopende opbouw van doelen en bereidt leerlingen voor op de volgende leerjaren, het vervolgonderwijs en de samenleving. De uitvoering van het curriculum is herkenbaar in de onderwijspraktijk.

Aanvullende ambities:

De school bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs en de samenleving. Zij biedt een breed en op de kerndoelen gebaseerd aanbod. Het aanbod is dekkend voor examenprogramma’s. Onder aanbod verstaan we alle lesinhouden, ook die digitaal zijn of online aangeboden worden. Het aanbod van de school is afgestemd op de leerlingenpopulatie en sluit aan bij het (beoogde) (taal)niveau en de onderwijsbehoeften van de leerlingen. Het aanbod wordt waar nodig gedurende de schoolloopbaan verdiept en verbreed, zodanig dat leerlingen een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen. Het aanbod is doelgericht, samenhangend en herkenbaar. Bovendien heeft de school de leerinhouden evenwichtig en in samenhang over de leerjaren verdeeld. Het aanbod omvat mede activiteiten voor loopbaanoriëntatie en -begeleiding. Stages kunnen, met name in het vmbo, onderdeel uitmaken van het aanbod. Wanneer een school stages aanbiedt, zorgt ze ervoor dat de inhoud en vormgeving van de stage bijdraagt aan de voorbereiding van de leerling op het vervolgonderwijs en de samenleving.

Het pedagogisch-didactisch handelen van de leraren is afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen en draagt eraan bij dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen.

Zijn er aanvullende ambities voor het pedagogisch-didactisch handelen en (hoe) worden deze gerealiseerd?

De afsluiting van het onderwijs verloopt zorgvuldig.

De school zorgt ervoor dat alle leerlingen goed worden voorbereid op de afsluiting van het onderwijs. De school werkt toe naar examens, indien mogelijk aansluitend bij het dagonderwijs. De school maakt tijdig aan ouders en leerlingen duidelijk hoe het examen is georganiseerd en welke stof wordt geëxamineerd.

Aanvulling specifiek voor volledig dagonderwijs:

De school bereidt de leerlingen voor op het leven in de maatschappij. Zij creëert daarvoor een oefenplaats die leerlingen ondersteunt bij het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties. De school draagt zorg voor een positief schoolklimaat en aan de bevordering daarvan. Het personeel van de school is in zijn gedrag een voorbeeld voor de leerlingen.

Te denken valt aan:

Het bestuur en de school hebben een stelsel van kwaliteitszorg ingericht. Het stelsel van kwaliteitszorg staat uitgewerkt in het schoolplan van de school. Vanuit dit stelsel bewaakt en bevordert het bestuur (en de school) de kwaliteit van het onderwijsleerproces en de leerresultaten. Het bestuur heeft, als onderdeel van het stelsel van kwaliteitszorg, een gedragen visie, ambities en toetsbare doelen gericht op goed onderwijs die ervoor zorgen dat leerlingen een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen. De schoolleiding vertaalt deze visie, ambities en doelen in onderwijskundig beleid en stuurt daarop om de beoogde resultaten te behalen. De schoolleiding beschrijft op welke manier ze zorgt voor het realiseren, borgen en verbeteren van de onderwijskwaliteit en hoe ze de naleving van de gestelde eisen realiseert. De schoolleiding sluit met haar visie, ambities en doelen aan op de kenmerken van de leerlingenpopulatie van de school. Resultaten van eerdere evaluaties, interne en externe dialoog zijn zichtbaar in de doelen voor het onderwijskundig beleid.

Het bestuur en zijn school (scholen) kennen een professionele kwaliteitscultuur en functioneren transparant en integer.

Te denken valt aan:

De Nederlandse wetgeving is zoals eerder vermeld beperkt van toepassing op het onderwijs in het buitenland. De Stichting NOB stelt als subsidievoorwaarden onder meer het hebben van een schoolgids en een schoolplan. Afgeleid van het toezicht op de naleving van wet- en regelgeving in Nederland en aansluitend bij de subsidievoorwaarden van de Stichting NOB, controleert de inspectie of de schoolgids en het schoolplan van Nederlandse scholen in het buitenland dezelfde onderdelen bevatten als die in Nederland wettelijk verplicht zijn (voor zover deze van toepassing zijn op het Nederlands onderwijs buitenland). De formuleringen zijn daarop aangepast.

3. Normering

3.1. Kwaliteitsbepaling op twee niveaus: op niveau van de standaarden en op schoolniveau

3.3. Normering op het schoolniveau

3.4.2. Waarderen van ambities

3.4.3. Omgevingsfactoren

3.4.4. Expertise van de bevindingen

Het karakter van het waarderingskader, met enerzijds een stevige basis (vaststelling door de Minister en vermelding in de subsidieregeling van de Stichting NOB), en anderzijds ruimte voor aanvullende ambities, stelt hoge eisen aan onze expertise. Met het onderzoekskader als instrument en met de vermelde richtlijnen voor de bevindingen / waarderingen kwalificeren we de feitelijke realisatie van het onderwijs zoals leerlingen dat ontvangen. Met onze deskundigheid als toezichthouder en met kennis van zaken op de onderscheiden kwaliteitsgebieden zijn we in staat om in gelijke situaties tot gelijke waarderingen te komen.

3.5. Vervolgtoezicht

Het effect van het niet naleven van een deugdelijkheidseis, zoals die in Nederland geldt, kan verschillen en dit wegen we mee in het bepalen van de herstelopdracht. Interventies van de inspectie kunnen – afhankelijk van de contextfactoren – een meer of minder directief karakter hebben. In de praktijk zullen we bij herstelopdrachten waarbij niet wordt voldaan aan de deugdelijkheidseisen zoals die in Nederland gelden, of aan de eisen van aansluiting bij de Stichting NOB, de herstelopdrachten monitoren. Het gaat hierbij om maatwerk. Afhankelijk van de ernst en hoeveelheid van de herstelopdrachten en het niveau van de kwaliteitszorg, kan het zijn dat we besturen vragen om informatie toe te sturen – en hierover eventueel een gesprek voeren – om aan te tonen dat aan de herstelopdracht wordt gewerkt en/of is voldaan. Als de herstelopdrachten meer omvattend zijn (bijvoorbeeld bij een Onvoldoende school) kunnen we een of meerdere voortgangsgesprekken (VG) voeren. Hiervan doen we schriftelijk verslag aan het bestuur. Dit verslag wordt niet op onze website gepubliceerd.

3.5.2. Frequentie van bezoek

3.5.3. Escalatie

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)