← Geldende tekst · Geschiedenis

Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 december 2019, nr. 2019-0000139944, tot het verstrekken van subsidies in het kader van leren en ontwikkelen in het mkb en in het grootbedrijf in de sectoren landbouw, horeca en recreatie (Stimuleringsregeling voor leren en ontwikkelen in mkb-ondernemingen en specifiek voor de grootbedrijven in de landbouw-, horeca- of recreatiesector)

Geldende tekst a fecha 2026-04-04

Gelet op artikelen 3, eerste lid, en 5 van de Kaderwet SZW-subsidies;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2. Toepasselijkheid kaderregeling en benodigde formulieren
1.

Op het aanvragen en verstrekken van subsidies op grond van deze regeling is de kaderregeling, met uitzondering van de artikelen 3.1, 3.6, 5.5, tweede lid, 6.1, vijfde lid, en 7.1, van toepassing.

2.

De formulieren, modellen en formats waarnaar in deze regeling wordt verwezen, zijn door de minister elektronisch beschikbaar gesteld op www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.

Artikel 3. Doel van de regeling

Het doel van deze regeling is om door middel van subsidie een bijdrage te leveren aan initiatieven in mkb-ondernemingen, gericht op het stimuleren van leren en ontwikkelen.

Artikel 4. Subsidiabele activiteiten
1.

De minister kan op aanvraag subsidie verstrekken voor het bekostigen van onderstaande activiteiten die uiting geven aan het doel van deze regeling:

2.

Een activiteit komt niet voor subsidie in aanmerking, indien de werkenden in de onderneming waarop de activiteit zich richt, enkel bestaan uit werkenden die bestuurder van de onderneming zijn of in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007, zijn geregistreerd als degenen aan wie de onderneming toebehoort.

3.

Een loopbaan- of ontwikkeladviestraject als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, komt alleen voor subsidie in aanmerking indien de loopbaanadviseur individuele gesprekken met de deelnemer voert met een tijdsbeslag van in totaal minimaal vier uren.

4.

Een initiatief waarvoor subsidie wordt aangevraagd op grond van hoofdstuk 2 en dat bestaat uit een activiteit als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en c, komt alleen voor subsidie in aanmerking indien de subsidiabele kosten ten minste € 5.000 bedragen.

5.

Een initiatief waarvoor subsidie wordt aangevraagd op grond van hoofdstuk 3 komt alleen voor subsidie in aanmerking, indien het initiatief ten minste de activiteit, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, bevat en de subsidiabele kosten ten minste € 210.000 bedragen.

Artikel 5. Aanvraagtijdvakken

Een subsidieaanvraag kan voor het jaar 2025 bij de minister worden ingediend in de volgende tijdvakken:

Artikel 6. Subsidieplafond
1.

Het subsidieplafond voor subsidies op grond van hoofdstuk 2 bedraagt voor het jaar 2025:

2.

Het subsidieplafond voor subsidies op grond van hoofdstuk 3 bedraagt voor het jaar 2025 € 20 miljoen.

3.

Indien een deel van het bedrag dat beschikbaar is in een aanvraagtijdvak niet volledig wordt benut, kunnen de resterende middelen worden toegevoegd aan de middelen van een ander aanvraagtijdvak van hetzelfde kalenderjaar. De minister maakt de verschuivingen van het beschikbare budget bekend op www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.

Artikel 7. Subsidieaanvraag
1.

De subsidieaanvrager dient de subsidieaanvraag in door middel van het daartoe bestemde elektronisch aanvraagformulier dat is getekend door een functionaris, bevoegd om namens de subsidieaanvrager te handelen, en voegt hierbij:

2.

De subsidieaanvrager dient een de-minimisverklaring in en, indien de subsidieaanvrager een mkb-onderneming is, een mkb-verklaring. Indien sprake is van een samenwerkingsverband, is een de-minimisverklaring vereist van alle partijen van het samenwerkingsverband en een mkb-verklaring van alle partijen van het samenwerkingsverband die een mkb-onderneming zijn.

3.

Het activiteitenplan, de begroting, de de-minimisverklaring en de mkb-verklaring worden opgesteld overeenkomstig het door de minister vastgestelde model.

4.

Per aanvraagtijdvak wordt per subsidieaanvrager, of partij in een samenwerkingsverband, maximaal één subsidieaanvraag in behandeling genomen. Brancheorganisaties, onderwijsinstellingen, O&O-fondsen en werknemers- of werkgeversverenigingen kunnen binnen een aanvraagtijdvak deelnemen in meerdere samenwerkingsverbanden en daardoor partij zijn bij meerdere subsidieaanvragen binnen hetzelfde aanvraagtijdvak.

5.

Een subsidieaanvraag kan bestaan uit meerdere activiteiten.

6.

Voor zover de subsidieaanvrager voor dezelfde begrote kosten of een deel daarvan ook subsidie of een andere financiële bijdrage heeft aangevraagd of zal aanvragen bij een ander bestuursorgaan of rechtspersoon, doet hij daarvan mededeling in de subsidieaanvraag, onder vermelding van de stand van zaken van de beoordeling van die andere aanvraag.

7.

Door het indienen van een aanvraag stemt de subsidieaanvrager ermee in dat het subsidiedossier, met uitzondering van persoonsgegevens, openbaar wordt gemaakt.

Artikel 8. Rangschikking behandeling subsidieaanvragen
1.

Bij overschrijding van een subsidieplafond als bedoeld in artikel 6, eerste lid, wordt na afloop van het aanvraagtijdvak door middel van loting de volgorde vastgesteld waarin de ontvangen subsidieaanvragen worden afgehandeld.

2.

Indien een subsidieaanvrager meerdere aanvragen heeft ingediend voor soortgelijke of vergelijkbare initiatieven, wordt slechts de als eerste ingediende aanvraag in de loting meegenomen.

3.

Onvolledige subsidieaanvragen voor subsidies op grond van hoofdstuk 2 worden, na aanvulling door de subsidieaanvrager, geplaatst aan het einde van de lijst die volgt uit de loting, waarbij het tijdstip van ontvangst van de volledige subsidieaanvraag bepalend is voor de volgorde van plaatsing op die lijst.

4.

Volledige subsidieaanvragen voor subsidies op grond van hoofdstuk 3 worden behandeld op volgorde van ontvangst.

Artikel 9. Beschikking tot subsidieverlening
1.

Op een subsidieaanvraag op basis van hoofdstuk 2 wordt binnen 13 weken na afloop van het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 5 beslist. De subsidieaanvraag wordt beoordeeld op grond van de voorwaarden, bedoeld in artikel 7.

2.

Op een subsidieaanvraag op basis van hoofdstuk 3 wordt binnen 13 weken na ontvangst beslist. De subsidieaanvraag wordt beoordeeld op grond van de voorwaarden, bedoeld in artikel 7, en de eisen, bedoeld in artikel 21.

3.

Indien de minister op grond van artikel 16, tweede lid, een voorschot verleent, vermeldt de beschikking tot subsidieverlening, onverminderd artikel 4.2, eerste lid, van de Kaderregeling, de wijze van bevoorschotting.

4.

In geval van een samenwerkingsverband vermeldt de beschikking tot subsidieverlening, in aanvulling op het derde lid, de partijen van het samenwerkingsverband en de verdeling van het subsidiebedrag van de partijen in het samenwerkingsverband.

Artikel 10. Weigeringsgronden

Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de subsidie in ieder geval geheel of gedeeltelijk geweigerd, indien:

Artikel 11. Looptijd
1.

Een initiatief voor subsidies op grond van hoofdstuk 2 wordt afgerond binnen een periode van 12 maanden.

2.

Een initiatief voor subsidies op grond van hoofdstuk 3 wordt afgerond binnen een periode van 24 maanden.

3.

De voor subsidie in aanmerking komende kosten worden gemaakt in een door de minister aangewezen initiatiefperiode. Deze periode start de dag na dagtekening van het besluit tot verlening van de subsidie.

4.

Indien een subsidieontvanger vanwege omstandigheden die niet aan hem zijn toe te rekenen, het initiatief waarvoor subsidie is verleend naar verwachting niet binnen de initiatiefperiode, bedoeld in het derde lid, zal kunnen afronden, kan de subsidieontvanger de minister verzoeken om de duur van de initiatiefperiode te verlengen.

5.

De minister kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, de duur van de initiatiefperiode verlengen tot ten hoogste drie maanden na de van toepassing zijnde periode, genoemd in het eerste en tweede lid.

Artikel 12. Subsidiabele kosten
1.

Voor de subsidie van initiatieven als bedoeld onder artikel 4, eerste lid, onderdeel a en c, komen de volgende kosten in aanmerking:

2.

De kosten zijn, met uitzondering van het eerste lid, onderdeel c, door de subsidieaanvrager daadwerkelijk gemaakt en betaald, ten laste van het initiatief gebleven en rechtstreeks aan het initiatief toe te rekenen.

3.

Voor externe opdrachten wordt de marktconformiteit van de kosten bepaald door:

4.

Wordt gebruik gemaakt van een externe adviseur dan is het subsidiabele uurtarief maximaal € 125 per uur exclusief btw en is een offerteprocedure als bedoeld in het derde lid, aanhef en onderdeel a, niet vereist. Het uurtarief bedraagt maximaal € 135 per uur exclusief BTW voor subsidies die zijn aangevraagd in het jaar 2024 of 2025.

5.

Voor zover activiteiten zijn uitgevoerd door de volgende partijen, zijn uitsluitend de directe loonkosten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subsidiabel:

Artikel 13. Niet subsidiabele kosten

Met betrekking tot de initiatieven, bedoeld onder artikel 4, eerste lid, onderdeel a en c, komen niet voor subsidie in aanmerking:

Artikel 14. Subsidiebedrag loopbaan- en ontwikkeladviezen

De subsidie voor loopbaan- en ontwikkeladviezen als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, bedraagt € 700,– per afgerond loopbaan- of ontwikkeltraject.

Artikel 15. Administratievoorschriften
1.

Onverminderd artikel 5.2, eerste lid, van de Kaderregeling, bevat de administratie van de subsidieontvanger een bijlage met een overzicht van de KvK-nummers van alle ondernemingen die deelnemen aan het project, onder vermelding van de activiteiten waaraan is deelgenomen en, indien de subsidie is verleend voor een activiteit als bedoeld in:

2.

Onder een prestatieverklaring, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, wordt verstaan: een verklaring in het daarvoor geldende format, getekend door de loopbaanadviseur en de deelnemer, waarin wordt bevestigd dat de deelnemer aan het ontwikkeltraject heeft deelgenomen, welke onderwerpen daarin aan bod zijn gekomen en welke resultaten hiervoor zijn behaald.

Artikel 16. Rapportageverplichting en bevoorschotting
1.

Indien de subsidieontvanger een samenwerkingsverband is en het initiatief waarvoor subsidie is verleend een periode van meer dan twaalf maanden omvat, dient de subsidieontvanger uiterlijk acht weken na afloop van de eerste twaalf maanden een tussentijds voortgangsverslag in bij de minister, onder gebruikmaking van het daartoe door de minister elektronisch beschikbaar gestelde model.

2.

De minister kan bij de beschikking tot subsidieverlening een voorschot verlenen van:

Hoofdstuk 2. Subsidieverlening aan het mkb

Artikel 17. Aanvraaggerechtigde

Subsidie op grond van dit hoofdstuk wordt aangevraagd door een mkb-onderneming.

Artikel 18. Subsidiebedrag en subsidiabele kosten
1.

Voor de activiteiten, bedoeld in artikel 4, eerste lid, wordt op grond van dit hoofdstuk een subsidie verstrekt tot € 25.000, met uitzondering van landbouwbedrijven, waarvoor een maximum geldt van € 20.000.

2.

Voor de activiteiten, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdelen a en c, bedraagt de subsidie 60% van de subsidiabele kosten.

Hoofdstuk 2. Subsidieverlening aan het mkb

Artikel 19. Aanvraaggerechtigde
1.

Subsidie op grond van dit hoofdstuk wordt aangevraagd door de hoofdaanvrager van het samenwerkingsverband.

2.

Onder hoofdaanvrager wordt verstaan een mkb-onderneming, brancheorganisatie, onderwijsinstelling, O&O-fonds of werknemers- of werkgeversvereniging, die gemachtigd is om de andere partijen in het samenwerkingsverband in en buiten rechte te vertegenwoordigen.

Artikel 20. Subsidiebedrag
1.

De subsidie die wordt verleend voor de activiteiten, bedoeld in artikel 4, eerste lid, bedraagt maximaal € 500.000, waarbij geen enkele partij van het samenwerkingsverband aanspraak kan maken op € 200.000 of meer.

2.

In afwijking van het eerste lid is de maximale subsidie bij deelname aan een samenwerkingsverband voor landbouwbedrijven € 20.000, voor visserijbedrijven € 30.000 en voor goederenververvoer over de weg € 100.000.

3.

Voor de activiteiten, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdelen a en c, bedraagt de subsidie 60% van de subsidiabele kosten, voor zover het de kosten betreft, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdelen a tot en met c.

Artikel 21. Specifieke eisen subsidieaanvraag en administratie samenwerkingsverbanden
1.

In aanvulling op artikel 7 bestaat de subsidieaanvraag voor samenwerkingsverbanden uit:

2.

De hoofdaanvrager is verantwoordelijk voor de administratievoorschriften van alle partijen in het samenwerkingsverband.

Hoofdstuk 4. Subsidieverlening aan grootbedrijven in de landbouw- horeca- of recreatiesector

Artikel 22. Subsidievaststelling
1.

De minister doet verzoeken als bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, van de Kaderregeling op basis van een steekproef voorafgaande aan het vaststellen van de subsidie.

2.

Een samenwerkingsverband waaraan subsidie is verleend op grond van deze regeling dient door middel van een elektronisch formulier binnen 22 weken na afloop van de initiatiefperiode, bedoeld in artikel 11, derde lid, bij de minister een verzoek in tot vaststelling van de subsidie.

3.

Het verzoek tot vaststelling gaat, onverminderd artikel 7.8 van de Kaderregeling, vergezeld van een evaluatieverslag als bedoeld in artikel 24.

4.

Het activiteitenverslag en het financieel verslag, bedoeld in de Kaderregeling, worden opgesteld overeenkomstig het door de minister vastgestelde model.

5.

In afwijking van artikel 1.1 van de Kaderregeling is het bij het opstellen van de controleverklaring in acht te nemen accountantsprotocol, genoemd in dat artikel, gepubliceerd op de website www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.

6.

Indien uit de beoordeling van het verzoek tot vaststelling blijkt, dat minder dan 60% van de totale subsidiabele kosten, genoemd in de laatst afgegeven beschikking tot subsidieverlening, is gerealiseerd, gaat de minister na of er aanleiding is om de subsidie lager of op nihil vast te stellen.

Artikel 23. Intrekking en terugvordering
1.

Onverminderd artikel 4:48 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de beschikking tot subsidieverlening geheel ingetrokken indien:

2.

De beschikking tot subsidieverlening of de beschikking tot subsidievaststelling kan, in afwijking van het eerste lid, gedeeltelijk worden ingetrokken indien er naar het oordeel van de minister geen aanleiding is de subsidie geheel in te trekken.

3.

Indien de beschikking tot subsidievaststelling geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken, wordt het subsidiebedrag dat tot dat moment is uitgekeerd, vermeerderd met de wettelijke rente, geheel of gedeeltelijk van de subsidieontvanger teruggevorderd.

4.

Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de beschikking tot voorschotverlening, bedoeld in artikel 16, tweede lid.

Hoofdstuk 4. Subsidieverlening aan grootbedrijven in de landbouw- horeca- of recreatiesector

Artikel 24. Evaluatie van de initiatieven
1.

Een samenwerkingsverband waaraan subsidie is verleend op grond van deze regeling draagt zorg voor de evaluatie van de uitvoering van het initiatief op grond van deze regeling en het bereik, de doeltreffendheid en doelmatigheid daarvan.

2.

Het evaluatieverslag wordt gelijktijdig met de aanvraag tot subsidievaststelling aan de minister aangeboden.

3.

Het evaluatieverslag omvat in ieder geval:

Artikel 25. Hardheidsclausule

De minister kan een of meer bepalingen van deze regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat de desbetreffende bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 26. Evaluatie van de regeling
1.

De minister draagt zorg voor de evaluatie van de doeltreffendheid en doelmatigheid van deze regeling.

2.

De subsidieontvanger werkt mee aan door of namens de minister ingesteld onderzoek dat erop is gericht de minister inlichtingen te verschaffen die van belang zijn voor de evaluatie van de doeltreffendheid en doelmatigheid van deze regeling en de ontwikkeling van het beleid van de minister. De subsidieontvanger verstrekt in dat kader de daartoe benodigde inlichtingen, gegevens en bescheiden.

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Artikel 27. Inwerkingtreding en vervaldatum
1.

Deze regeling treedt in werking met ingang 1 januari 2020 en vervalt met ingang van 1 januari 2030.

2.

In afwijking van het eerste lid blijft deze regeling, zoals die luidde op 31 december 2029, van toepassing op de afwikkeling van verleende subsidies op grond van deze regeling.

Artikel 28. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: SLIM-regeling.

Artikel 29. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: SLIM-regeling.

Bijlage. behorend bij artikel 4a, SLIM-regeling

Gedragscode

De loopbaanadviseurs volgen bij de beroepsuitoefening de volgende gedragsregels:

011 Teelt van eenjarige gewassen

Landbouw (branche A. Landbouw, bosbouw en visserij; subbranche 01. Landbouw, jacht en dienstverlening voor de landbouw en jacht):

Landbouw (branche A. Landbouw, bosbouw en visserij; subbranche 01. Landbouw, jacht en dienstverlening voor de landbouw en jacht):

011 Teelt van eenjarige gewassen

0111 Teelt van granen, peulvruchten en oliehoudende zaden

0113 Teelt van groenten en wortel- en knolgewassen

01131 Teelt van groenten in de volle grond

01132 Teelt van groenten onder glas

01133 Teelt van paddenstoelen

01134 Teelt van aardappels en overige wortel- en knolgewassen

0116 Teelt van vezelgewassen

0119 Teelt van overige eenjarige gewassen

01191 Teelt van snijbloemen en snijheesters in de volle grond

01192 Teelt van snijbloemen en snijheesters onder glas

01193 Teelt van voedergewassen

01199 Teelt van overige eenjarige gewassen (rest)

012 Teelt van meerjarige gewassen

0121 Teelt van druiven

0124 Teelt van appels, peren, pruimen, kersen en andere pit- en steenvruchten

01241 Teelt van appels en peren

01242 Teelt van steenvruchten

0125 Teelt van overige boomvruchten, kleinfruit en noten

01251 Teelt van aardbeien in de volle grond

01252 Teelt van aardbeien onder glas

01253 Teelt van houtig kleinfruit in de volle grond (incl. overige boomvruchten en noten)

01254 Teelt van houtig kleinfruit onder glas

0127 Teelt van gewassen bestemd voor de vervaardiging van dranken

0128 Teelt van specerijgewassen en van aromatische en medicinale gewassen

0129 Teelt van overige meerjarige gewassen

De loopbaanadviseurs volgen bij de beroepsuitoefening de volgende gedragsregels:

De loopbaanadviseurs volgen bij de beroepsuitoefening de volgende gedragsregels:

01301 Teelt van bloembollen

01302 Teelt van perkplanten in de volle grond

01303 Teelt van perkplanten onder glas

01304 Teelt van potplanten onder glas

01305 Teelt van boomkwekerijgewassen in de volle grond

01309 Teelt van overige sierplanten in de volle grond

01411 Houden van melkvee

01412 Opfokken van jongvee voor de melkveehouderij

0142 Fokken en houden van runderen (geen melkvee)

01421 Houden van vleeskalveren

01422 Overige vleesveehouderij en zoogkoeienbedrijven

0143 Fokken en houden van paarden en ezels

0145 Fokken en houden van schapen en geiten

01451 Fokken en houden van schapen

01452 Fokken en houden van geiten

0146 Fokken en houden van varkens

01461 Fokvarkens- en vermeerderingsbedrijven

01462 Vleesvarkensbedrijven

01463 Gesloten en deels gesloten varkensbedrijven

0147 Opfokken en/of houden van pluimvee

01471 Opfokken en/of houden van leghennen

01472 Opfokken en/of houden van vleeskuikens

01473 Opfokken en/of houden van ouderdieren van leghennen en vleeskuikens

01479 Opfokken en/of houden van overig pluimvee

0149 Fokken en houden van overige dieren

01491 Fokken en houden van edelpelsdieren

01499 Fokken en houden van overige dieren (rest)

015 Akker- en/of tuinbouw in combinatie met het fokken en houden van dieren

0150 Akker- en/of tuinbouw in combinatie met het fokken en houden van dieren

0161 Dienstverlening voor de akker- en/of tuinbouw

0162 Dienstverlening voor het fokken en houden van dieren

0163 Behandeling van gewassen na de oogst

0164 Behandeling van zaden voor vermeerdering

017 Jacht

0170 Jacht

5520 Verhuur van vakantiehuisjes en appartementen; jeugdherbergen en vakantiekampen

551 Hotels en dergelijke

5510 Hotels en dergelijke

55101 Hotel-restaurants

55102 Hotels (geen hotel-restaurants), pensions en conferentieoorden

552 Verhuur van vakantiehuisjes en appartementen; jeugdherbergen en vakantiekampen

5520 Verhuur van vakantiehuisjes en appartementen; jeugdherbergen en vakantiekampen

55201 Verhuur van vakantiehuisjes

55202 Jeugdherbergen, vakantiekampen, groepsaccommodaties

553 Kampeerterreinen

5530 Kampeerterreinen

559 Overige logiesverstrekking

5590 Overige logiesverstrekking

56 Eet- en drinkgelegenheden

561 Restaurants, cafetaria's en dergelijke en ijssalons

5610 Restaurants, cafetaria's en dergelijke en ijssalons

56101 Restaurants

56102 Fastfoodrestaurants, cafetaria's, ijssalons, eetkramen e.d.

562 Kantines en catering

5621 Eventcatering

5629 Kantines en contractcatering

563 Cafés

5630 Cafés

9329 Overige ontspanning en recreatie (rest)

Deze regeling zal met toelichting en de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 4a. Eisen aan loopbaanadviseur
1.

De activiteiten, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, worden uitgevoerd door een loopbaanadviseur, die:

2.

Een loopbaanadviseur wordt geacht aan de eisen in het eerste lid, onderdelen a en c, te hebben voldaan, wanneer hij is geregistreerd bij Noloc als Register Loopbaanprofessional.

3.

Een loopbaanadviseur, gevestigd in een van de andere lidstaten van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, die een opleiding heeft afgerond overeenkomstig de opleiding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en overigens voldoet aan het eerste lid, onderdelen b en c, wordt gelijkgesteld met de loopbaanadviseur, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 13a. Subsidiabele vergoeding loopbaan- en ontwikkeltrajecten

De subsidie bedraagt € 700,00 per afgerond loopbaan- of ontwikkeltraject, zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b.

Hoofdstuk 2. Subsidieverlening aan het mkb

Hoofdstuk 3. Subsidieverlening aan samenwerkingsverbanden

Hoofdstuk 4. Subsidievaststelling

Hoofdstuk 5. Subsidievaststelling

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Bijlage I. behorend bij artikel 1, Stimuleringsregeling voor leren en ontwikkelen in mkb-ondernemingen en specifiek voor de grootbedrijven in de landbouw-, horeca- of recreatiesector

Lijst met SBI-codes voor landbouw-, horeca- en recreatiesector

932 Overige recreatie

9321 Pret- en themaparken; kermisattracties

Bijlage II. behorend bij artikel 4a, Stimuleringsregeling voor leren en ontwikkelen in mkb-ondernemingen en specifiek voor de grootbedrijven in de landbouw-, horeca- of recreatiesector

Gedragscode

9329 Overige recreatie (rest)

Deze regeling zal met toelichting en de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 7a. Verstrekking van persoonsgegevens

De minister is bevoegd persoonsgegevens, die hij in het kader van deze subsidieregeling heeft verkregen, te verstrekken aan de aanbieder van een kennis- en ondersteuningsprogramma ten behoeve van deze subsidieregeling, ter uitvoering en verbetering van dat programma.

Hoofdstuk 3. Subsidieverlening aan samenwerkingsverbanden

Hoofdstuk 5. Hardheidsclausule en slotbepalingen

Hoofdstuk 3. Subsidieverstrekking ten behoeve van scholing in sectorale ontwikkelpaden

Bijlage I. behorend bij artikel 1, SLIM-regeling

Lijst met SBI-codes voor landbouw-, horeca- en recreatiesector

93211 Pret- en themaparken

Bijlage II. behorend bij artikel 4a, Stimuleringsregeling voor leren en ontwikkelen in mkb-ondernemingen en specifiek voor de grootbedrijven in de landbouw-, horeca- of recreatiesector

Gedragscode

93291 Jachthavens

Deze regeling zal met toelichting en de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

Landbouw (branche A. Landbouw, bosbouw en visserij; subbranche 01. Landbouw, jacht en dienstverlening voor de landbouw en jacht):

Horeca (branche I. Logies-, maaltijd en drankverstrekking; subbranches 55. Logiesverstrekking en 56. Eet- en drinkgelegenheden):

Recreatie (branche R. Cultuur, sport en recreatie; subbranche 93 Sport en recreatie):

93212 Kermisattracties

93299 Overige recreatie (rest, geen jachthavens)

94993 Steunfondsen (niet op het gebied van welzijnszorg)

Bijlage II. behorend bij artikel 4a, SLIM-regeling

Gedragscode

De loopbaanadviseurs volgen bij de beroepsuitoefening de volgende gedragsregels:

Deze regeling zal met toelichting en de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

Deze regeling zal met toelichting en de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 1.2. Vindplaats formulieren, modellen en formats

De formulieren, modellen en formats waarnaar in deze regeling wordt verwezen, zijn door de minister elektronisch beschikbaar gesteld op www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.

Hoofdstuk 2. Subsidieverstrekking aan het mkb en samenwerkingsverbanden

Paragraaf 2.1. Algemene bepalingen

Artikel 2.1. Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

Artikel 2.2. Toepasselijkheid Kaderregeling

Op het aanvragen en verstrekken van subsidies op grond van dit hoofdstuk is de Kaderregeling van toepassing, met uitzondering van de artikelen 3.1, 3.6, 5.5, tweede lid, 6.1, vijfde lid, en 7.1.

Artikel 2.3. Doel van subsidie verstrekt op grond van dit hoofdstuk

Het doel van subsidies verstrekt op grond van dit hoofdstuk is om een bijdrage te leveren aan initiatieven in mkb-ondernemingen, gericht op het stimuleren van leren en ontwikkelen.

Artikel 2.4. Subsidiabele activiteiten
1.

De minister kan op aanvraag subsidie verstrekken voor het bekostigen van onderstaande activiteiten die uiting geven aan het doel, bedoeld in artikel 2.3:

2.

Een activiteit komt niet voor subsidie in aanmerking, indien de werkenden in de onderneming waarop de activiteit zich richt, enkel bestaan uit werkenden die bestuurder van de onderneming zijn of in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007, zijn geregistreerd als degenen aan wie de onderneming toebehoort.

3.

Een loopbaan- of ontwikkeladviestraject als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, komt alleen voor subsidie in aanmerking indien de loopbaanadviseur individuele gesprekken met de deelnemer voert met een tijdsbeslag van in totaal minimaal vier uren.

4.

Een initiatief waarvoor subsidie wordt aangevraagd op grond van paragraaf 2.2 en dat bestaat uit een activiteit als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en c, komt alleen voor subsidie in aanmerking indien de subsidiabele kosten ten minste € 5.000 bedragen.

5.

Een initiatief waarvoor subsidie wordt aangevraagd op grond van paragraaf 2.3 komt alleen voor subsidie in aanmerking, indien het initiatief ten minste de activiteit, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, bevat en de subsidiabele kosten ten minste € 210.000 bedragen.

Artikel 2.5. Eisen aan loopbaanadviseur
1.

De activiteiten, bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onderdeel b, worden uitgevoerd door een loopbaanadviseur, die:

2.

Een loopbaanadviseur wordt geacht aan de eisen in het eerste lid, onderdelen a en c, te hebben voldaan, wanneer hij is geregistreerd bij Noloc als Register Loopbaanprofessional.

3.

Een loopbaanadviseur, gevestigd in een van de andere lidstaten van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, die een opleiding heeft afgerond overeenkomstig de opleiding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en overigens voldoet aan het eerste lid, onderdelen b en c, wordt gelijkgesteld met de loopbaanadviseur, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2.6. Aanvraagtijdvakken
1.

De minister stelt vast binnen welke aanvraagtijdvakken subsidies kunnen worden aangevraagd op grond van de paragrafen 2.2 en 2.3.

2.

De vastgestelde aanvraagtijdvakken worden bekendgemaakt in de Staatscourant en op www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.

Artikel 2.7. Subsidieplafond
1.

De minister stelt subsidieplafonds vast voor elk van de aanvraagtijdvakken, bedoeld in artikel 2.6, eerste lid.

2.

De vastgestelde subsidieplafonds worden bekendgemaakt in de Staatscourant en op www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.

3.

Indien een deel van het bedrag dat beschikbaar is in een aanvraagtijdvak niet volledig wordt benut, kunnen de resterende middelen worden toegevoegd aan de middelen van een ander aanvraagtijdvak van hetzelfde kalenderjaar. De minister maakt de verschuivingen van het beschikbare budget bekend op www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.

Artikel 2.8. Subsidieaanvraag
1.

De subsidieaanvrager dient de subsidieaanvraag in door middel van het daartoe bestemde elektronisch aanvraagformulier dat is getekend door een functionaris, bevoegd om namens de subsidieaanvrager te handelen, en voegt hierbij:

2.

De subsidieaanvrager dient een de-minimisverklaring in en, indien de subsidieaanvrager een mkb-onderneming is, een mkb-verklaring. Indien sprake is van een samenwerkingsverband, is een de-minimisverklaring vereist van alle partijen van het samenwerkingsverband en een mkb-verklaring van alle partijen van het samenwerkingsverband die een mkb-onderneming zijn.

3.

Het activiteitenplan, de begroting, de de-minimisverklaring en de mkb-verklaring worden opgesteld overeenkomstig het door de minister vastgestelde model.

4.

Per aanvraagtijdvak wordt per subsidieaanvrager, of partij in een samenwerkingsverband, maximaal één subsidieaanvraag in behandeling genomen. Brancheorganisaties, onderwijsinstellingen, O&O-fondsen en werknemers- of werkgeversverenigingen kunnen binnen een aanvraagtijdvak deelnemen in meerdere samenwerkingsverbanden en daardoor partij zijn bij meerdere subsidieaanvragen binnen hetzelfde aanvraagtijdvak.

5.

Een subsidieaanvraag kan bestaan uit meerdere activiteiten.

6.

Voor zover de subsidieaanvrager voor dezelfde begrote kosten of een deel daarvan ook subsidie of een andere financiële bijdrage heeft aangevraagd of zal aanvragen bij een ander bestuursorgaan of rechtspersoon, doet hij daarvan mededeling in de subsidieaanvraag, onder vermelding van de stand van zaken van de beoordeling van die andere aanvraag.

7.

Door het indienen van een aanvraag stemt de subsidieaanvrager ermee in dat het subsidiedossier, met uitzondering van persoonsgegevens, openbaar wordt gemaakt.

Artikel 2.9. Verstrekking van persoonsgegevens

Vervallen

Artikel 2.10. Rangschikking behandeling subsidieaanvragen
1.

Bij overschrijding van een subsidieplafond als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, wordt voor aanvraagtijdvakken met ingang van 2026, na afloop van het aanvraagtijdvak door middel van loting de volgorde vastgesteld waarin de ontvangen subsidieaanvragen worden afgehandeld.

2.

Indien een subsidieaanvrager meerdere aanvragen heeft ingediend voor soortgelijke of vergelijkbare initiatieven, wordt slechts de als eerste ingediende aanvraag in de loting meegenomen.

3.

Onvolledige subsidieaanvragen worden, na aanvulling door de subsidieaanvrager, geplaatst aan het einde van de lijst die volgt uit de loting, waarbij het tijdstip van ontvangst van de volledige subsidieaanvraag bepalend is voor de volgorde van plaatsing op die lijst.

Artikel 2.11. Beschikking tot subsidieverlening
1.

Op een subsidieaanvraag op basis van paragraaf 2.2 wordt binnen 13 weken na afloop van het van toepassing zijnde aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 2.6 beslist. De subsidieaanvraag wordt beoordeeld op grond van de voorwaarden, bedoeld in artikel 2.8.

2.

Op een subsidieaanvraag op basis van paragraaf 2.3 wordt binnen 13 weken na afloop van het van toepassing zijnde aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 2.6, beslist. De subsidieaanvraag wordt beoordeeld op grond van de voorwaarden, bedoeld in artikel 2.8, en de eisen, bedoeld in artikel 2.23.

3.

Indien de minister op grond van artikel 2.18, tweede lid, een voorschot verleent, vermeldt de beschikking tot subsidieverlening, onverminderd artikel 4.2, eerste lid, van de Kaderregeling, de wijze van bevoorschotting.

4.

In geval van een samenwerkingsverband vermeldt de beschikking tot subsidieverlening, in aanvulling op het derde lid, de partijen van het samenwerkingsverband en de verdeling van het subsidiebedrag van de partijen in het samenwerkingsverband.

Artikel 2.12. Weigeringsgronden

Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de subsidie in ieder geval geheel of gedeeltelijk geweigerd, indien:

Artikel 2.13. Looptijd
1.

Een initiatief voor subsidies op grond van paragraaf 2.2 wordt afgerond binnen een periode van 12 maanden.

2.

Een initiatief voor subsidies op grond van paragraaf 2.3 wordt afgerond binnen een periode van 24 maanden.

3.

De voor subsidie in aanmerking komende kosten worden gemaakt in een door de minister aangewezen initiatiefperiode. Deze periode start de dag na dagtekening van het besluit tot verlening van de subsidie.

4.

Indien een subsidieontvanger vanwege omstandigheden die niet aan hem zijn toe te rekenen, het initiatief waarvoor subsidie is verleend naar verwachting niet binnen de initiatiefperiode, bedoeld in het derde lid, zal kunnen afronden, kan de subsidieontvanger de minister verzoeken om de duur van de initiatiefperiode te verlengen.

5.

De minister kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, de duur van de initiatiefperiode verlengen tot ten hoogste drie maanden na de van toepassing zijnde periode, genoemd in het eerste en tweede lid.

Artikel 2.14. Subsidiabele kosten
1.

Voor de subsidie van initiatieven als bedoeld onder artikel 2.4, eerste lid, onderdeel a en c, komen de volgende kosten in aanmerking:

2.

De kosten zijn, met uitzondering van het eerste lid, onderdeel c, door de subsidieaanvrager daadwerkelijk gemaakt en betaald, ten laste van het initiatief gebleven en rechtstreeks aan het initiatief toe te rekenen.

3.

Voor externe opdrachten wordt de marktconformiteit van de kosten bepaald door:

4.

Wordt gebruik gemaakt van een externe adviseur dan is het subsidiabele uurtarief maximaal € 125 per uur exclusief btw en is een offerteprocedure als bedoeld in het derde lid, aanhef en onderdeel a, niet vereist. Het uurtarief bedraagt maximaal € 135 per uur exclusief BTW voor subsidies die zijn aangevraagd vanaf het jaar 2024.

5.

Voor zover activiteiten zijn uitgevoerd door de volgende partijen, zijn uitsluitend de directe loonkosten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subsidiabel:

Artikel 2.15. Niet subsidiabele kosten

Met betrekking tot de initiatieven, bedoeld onder artikel 2.4, eerste lid, onderdeel a en c, komen niet voor subsidie in aanmerking:

Artikel 2.16. Subsidiebedrag loopbaan- en ontwikkeladviezen

De subsidie voor loopbaan- en ontwikkeladviezen als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onderdeel b, bedraagt € 700,– per afgerond loopbaan- of ontwikkeltraject.

Artikel 2.17. Administratievoorschriften
1.

Onverminderd artikel 5.2, eerste lid, van de Kaderregeling, bevat de administratie van de subsidieontvanger een bijlage met een overzicht van de KvK-nummers van alle ondernemingen die deelnemen aan het project, onder vermelding van de activiteiten waaraan is deelgenomen en, indien de subsidie is verleend voor een activiteit als bedoeld in:

2.

Onder een prestatieverklaring, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, wordt verstaan: een verklaring in het daarvoor geldende format, getekend door de loopbaanadviseur en de deelnemer, waarin wordt bevestigd dat de deelnemer aan het ontwikkeltraject heeft deelgenomen, welke onderwerpen daarin aan bod zijn gekomen en welke resultaten hiervoor zijn behaald.

Artikel 2.18. Rapportageverplichting en bevoorschotting
1.

Indien de subsidieontvanger een samenwerkingsverband is en het initiatief waarvoor subsidie is verleend een periode van meer dan twaalf maanden omvat, dient de subsidieontvanger uiterlijk acht weken na afloop van de eerste twaalf maanden een tussentijds voortgangsverslag in bij de minister, onder gebruikmaking van het daartoe door de minister elektronisch beschikbaar gestelde model.

2.

De minister kan bij de beschikking tot subsidieverlening een voorschot verlenen van:

Paragraaf 2.2. Subsidieverlening aan het mkb

Artikel 2.19. Aanvraaggerechtigde

Subsidie op grond van dit hoofdstuk wordt aangevraagd door een mkb-onderneming.

Artikel 2.20. Subsidiebedrag en subsidiabele kosten
1.

Voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, wordt op grond van dit hoofdstuk een subsidie verstrekt tot € 25.000, met uitzondering van landbouwbedrijven, waarvoor een maximum geldt van € 20.000.

2.

Voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onderdelen a en c, bedraagt de subsidie 60% van de subsidiabele kosten.

Paragraaf 2.3. Subsidieverlening aan samenwerkingsverbanden

Artikel 2.21. Aanvraaggerechtigde
1.

Subsidie op grond van dit hoofdstuk wordt aangevraagd door de hoofdaanvrager van het samenwerkingsverband.

2.

Onder hoofdaanvrager wordt verstaan een mkb-onderneming, brancheorganisatie, onderwijsinstelling, O&O-fonds of werknemers- of werkgeversvereniging, die gemachtigd is om de andere partijen in het samenwerkingsverband in en buiten rechte te vertegenwoordigen.

Artikel 2.22. Subsidiebedrag
1.

De subsidie die wordt verleend voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, bedraagt maximaal € 500.000, waarbij geen enkele partij van het samenwerkingsverband aanspraak kan maken op € 200.000 of meer.

2.

In afwijking van het eerste lid is de maximale subsidie bij deelname aan een samenwerkingsverband voor landbouwbedrijven € 20.000, voor visserijbedrijven € 30.000 en voor goederenververvoer over de weg € 100.000.

3.

Voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onderdelen a en c, bedraagt de subsidie 60% van de subsidiabele kosten, voor zover het de kosten betreft, bedoeld in artikel 2.14, eerste lid, onderdelen a tot en met c.

Artikel 2.23. Specifieke eisen subsidieaanvraag en administratie samenwerkingsverbanden
1.

In aanvulling op artikel 2.8 bestaat de subsidieaanvraag voor samenwerkingsverbanden uit:

2.

De hoofdaanvrager is verantwoordelijk voor de administratievoorschriften van alle partijen in het samenwerkingsverband.

Paragraaf 2.4. Subsidievaststelling

Artikel 2.24. Subsidievaststelling
1.

De minister doet verzoeken als bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, van de Kaderregeling op basis van een steekproef voorafgaande aan het vaststellen van de subsidie.

2.

Een samenwerkingsverband waaraan subsidie is verleend op grond van deze regeling dient door middel van een elektronisch formulier binnen 22 weken na afloop van de initiatiefperiode, bedoeld in artikel 2.13, derde lid, bij de minister een verzoek in tot vaststelling van de subsidie.

3.

Het verzoek tot vaststelling gaat, onverminderd artikel 7.8 van de Kaderregeling, vergezeld van een evaluatieverslag als bedoeld in artikel 2.26.

4.

Het activiteitenverslag en het financieel verslag, bedoeld in de Kaderregeling, worden opgesteld overeenkomstig het door de minister vastgestelde model.

5.

In afwijking van artikel 1.1 van de Kaderregeling is het bij het opstellen van de controleverklaring in acht te nemen accountantsprotocol, genoemd in dat artikel, gepubliceerd op de website www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.

6.

Indien uit de beoordeling van het verzoek tot vaststelling blijkt, dat minder dan 60% van de totale subsidiabele kosten, genoemd in de laatst afgegeven beschikking tot subsidieverlening, is gerealiseerd, gaat de minister na of er aanleiding is om de subsidie lager of op nihil vast te stellen.

Artikel 2.25. Intrekking en terugvordering
1.

Onverminderd artikel 4:48 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de beschikking tot subsidieverlening geheel ingetrokken indien:

2.

De beschikking tot subsidieverlening of de beschikking tot subsidievaststelling kan, in afwijking van het eerste lid, gedeeltelijk worden ingetrokken indien er naar het oordeel van de minister geen aanleiding is de subsidie geheel in te trekken.

3.

Indien de beschikking tot subsidievaststelling geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken, wordt het subsidiebedrag dat tot dat moment is uitgekeerd, vermeerderd met de wettelijke rente, geheel of gedeeltelijk van de subsidieontvanger teruggevorderd.

4.

Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de beschikking tot voorschotverlening, bedoeld in artikel 2.18, tweede lid.

Artikel 2.26. Evaluatie van de initiatieven
1.

Een samenwerkingsverband waaraan subsidie is verleend op grond van deze regeling draagt zorg voor de evaluatie van de uitvoering van het initiatief op grond van deze regeling en het bereik, de doeltreffendheid en doelmatigheid daarvan.

2.

Het evaluatieverslag wordt gelijktijdig met de aanvraag tot subsidievaststelling aan de minister aangeboden.

3.

Het evaluatieverslag omvat in ieder geval:

Artikel 3.1. Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

Artikel 3.2. Toepasselijkheid Kaderregeling

Op het aanvragen en verstrekken van subsidies op grond van dit hoofdstuk is de Kaderregeling van toepassing, met uitzondering van de artikelen 3.1, 3.6,7.1 en 7.4, tweede lid.

Artikel 3.3. Doel van subsidies verstrekt op grond van dit hoofdstuk

Het doel van subsidies verstrekt op grond van dit hoofdstuk is om met scholing de instroom in en doorstroom binnen sectoren en het overstappen tussen sectoren van werkenden en werkzoekenden in beroepsgroepen in maatschappelijk cruciale sectoren te vergroten.

Artikel 3.4. Aanvraaggerechtigde

Subsidies op grond van dit hoofdstuk worden aangevraagd door een werkgever, een geregistreerd gastouderbureau of een collectief.

Artikel 3.5. Subsidiabele activiteiten
1.

De minister kan op aanvraag subsidie verstrekken aan een werkgever of geregistreerd gastouderbureau voor scholing die door hem is ingekocht en aan een collectief voor het inkopen van scholing of het vergoeden van scholingskosten.

2.

Een scholing is subsidiabel op grond van dit hoofdstuk, indien:

3.

In afwijking van het tweede lid, onderdeel c, is tot 1 mei 2026 scholing als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 5, tevens subsidiabel, indien de aanbieder van de scholing een aanvraag als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet NLQF heeft ingediend voor de non-formele opleiding en het Nationaal coördinatiepunt NLQF, genoemd in de Wet NLQF, heeft geoordeeld dat de aanvraag volledig is. Het tweede lid, onderdeel d, is van overeenkomstige toepassing.

4.

Het derde lid is voor een aanbieder niet langer van toepassing als het Nationaal coördinatiepunt NLQF een negatief besluit heeft genomen over de validiteit, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van het Besluit NLQF en dit is verwerkt in een scholingspakket. De scholing en volgende aanvragen van scholing van deze aanbieder zijn weer subsidiabel nadat het Nationaal coördinatiepunt NLQF alsnog een positief besluit heeft genomen en dit is verwerkt in een scholingspakket.

5.

De minister neemt scholing die voldoet aan de criteria in het tweede lid, onderdelen a tot en met f, op in een scholingspakket en maakt dit bekend op www.rijksoverheid.nl en www.leeroverzicht.nl.

6.

De minister neemt scholing die voldoet aan de in het derde lid gestelde voorwaarden op in een scholingspakket indien de aanbieder de minister hierover gegevens heeft verstrekt en verwerkt de in het vierde lid bedoelde mutaties in een daaropvolgend vaststellingsmoment van een scholingspakket. De uiterste termijnen voor de ontvangst van deze gegevens, worden bekendgemaakt op www.uitvoeringvanbeleid.nl.

Artikel 3.6. Erkenning ontwikkelpaden
1.

De minister erkent op aanvraag van een werkgeversvereniging en een werknemersvereniging dan wel een O&O-fonds een ontwikkelpad, indien het ontwikkelpad:

2.

In afwijking van het eerste lid, onderdeel c, mag een ontwikkelpad scholing bevatten die qua inhoud en niveau niet volledig past bij een of meer van de functies of specialisaties in het ontwikkelpad en, indien van toepassing, een NLQF-niveau heeft dat lager ligt dan het niveau van de bijbehorende functie of specialisatie in het ontwikkelpad, mits wordt aangetoond dat de scholing bijdraagt aan de instroom in de functies of specialisaties waartoe de betreffende scholing behoort.

3.

De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een door de minister elektronisch beschikbaar gesteld aanvraagformulier dat vergezeld gaat van een specificatie dat de scholing bijdraagt aan de doelen van het ontwikkelpad, qua inhoud en niveau past bij de functies en specialisaties in het ontwikkelpad of voldoet aan het tweede lid, praktijkgericht is en te combineren is met werken in een betaalde baan, overeenkomstig het door de minister vastgestelde model.

4.

Indien het ontwikkelpad scholing bevat als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, subonderdelen 4 en 5, gaat de aanvraag daarnaast vergezeld van een specificatie dat de betreffende scholing een branchewaardering heeft, wat blijkt uit:

5.

Aanvragen tot erkenning van ontwikkelpaden kunnen worden ingediend van 28 februari 2025 tot en met 7 maart 2025 en van 16 juni tot en met 31 juli 2025 en daarna jaarlijks van 17 maart tot en met 31 maart, 16 juni tot en met 30 juni, 16 september tot en met 30 september en van 17 december tot en met 31 december.

6.

De minister maakt ontwikkelpaden die hij heeft erkend, bekend op www.rijksoverheid.nl en www.leeroverzicht.nl.

7.

De minister trekt de erkenning van een ontwikkelpad in:

Artikel 3.7. Bemiddeling minister bij niet opnemen scholing in erkend ontwikkelpad
1.

Indien een opleider van oordeel is dat zijn scholing voldoet aan het bepaalde in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c, en, indien van toepassing, artikel 3.6, tweede lid, maar de partijen die een ontwikkelpad hebben vastgesteld dat door de minister is erkend, deze scholing niet hierin wil opnemen, kan de opleider aan de minister een verzoek tot bemiddeling doen.

2.

De opleider voegt bij zijn verzoek:

3.

Na ontvangst van het verzoek treedt de minister in overleg met de partijen die het erkende ontwikkelpad hebben vastgesteld en gaat daarbij in elk geval na wat de redenen zijn geweest voor het niet opnemen van de scholing in het ontwikkelpad.

4.

Indien na het overleg overeenstemming wordt bereikt over het opnemen van de scholing in het ontwikkelpad, deelt de minister dit mede aan de opleider en dragen de partijen die het ontwikkelpad hebben vastgesteld er zorg voor dat de scholing in het ontwikkelpad wordt opgenomen en een aanvraag als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, wordt ingediend.

5.

Indien geen overeenstemming wordt bereikt, brengt de minister aan de partijen die het ontwikkelpad hebben vastgesteld een advies uit over de opname van de scholing in het ontwikkelpad, dat hij tevens deelt met de opleider.

6.

De minister kan, onverminderd artikel 3.6, eerste lid, een ontwikkelpad weigeren te erkennen, indien de scholing niet is opgenomen in het te erkennen ontwikkelpad en de minister van oordeel is dat de partijen die het ontwikkelpad hebben vastgesteld de opname van de scholing redelijkerwijs niet achterwege had kunnen laten.

Artikel 3.8. Subsidiabele kosten
1.

Op grond van dit hoofdstuk komen de volgende kosten van werkgevers, geregistreerde gastouderbureaus en collectieven in aanmerking voor subsidie:

2.

Onverminderd het eerste lid, wordt aan een collectief tevens verstrekt:

3.

De subsidie voor de kosten, bedoeld in het eerste lid, bedraagt 90% van de kosten indien de scholing, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, NLQF-niveau 1, 2 of 3 heeft, en 40% indien de scholing NLQF-niveau 4 of hoger heeft. Indien een scholing een onderdeel is van een beroepsopleiding dan wel een non-formele opleiding als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1 respectievelijk 4, wordt het subsidiepercentage bepaald door het NLQF-niveau van de opleiding waar de scholing onderdeel van uitmaakt.

4.

In het geval van scholing als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 5, wordt voor de toepassing van het derde lid uitgegaan van het NLQF-niveau dat is vermeld in de aanvraag, bedoeld in artikel 3.5, derde lid. Het derde lid, tweede zin, is van overeenkomstige toepassing.

5.

Voor zover de kosten, bedoeld in het eerste en tweede lid, bestaan uit kosten van externe opdrachten met een waarde van ten minste € 50.000, zijn deze kosten slechts subsidiabel, indien zij marktconform zijn, wat wordt aangetoond aan de hand van:

Artikel 3.9. Niet subsidiabele kosten

Niet subsidiabel zijn btw en kosten waarvoor op grond van deze of een andere regeling reeds subsidie of een andere financiële bijdrage is verstrekt of zal worden verstrekt.

Artikel 3.10. Subsidiebedrag collectief

De subsidie die aan een collectief wordt verstrekt, bedraagt ten minste € 125.000 per aanvraag.

Artikel 3.11. Looptijd subsidiabele activiteiten collectief
1.

De voor subsidie in aanmerking komende kosten van een collectief worden gemaakt in een door de minister aangewezen periode.

2.

De periode start de dag na de datum van indiening van de subsidieaanvraag en eindigt uiterlijk op 31 december 2027.

Artikel 3.12. Aanvraagtijdvakken

Een subsidieaanvraag kan in het jaar 2025 bij de minister worden ingediend in de volgende tijdvakken:

Artikel 3.13. Subsidieplafond
1.

De subsidieplafonds voor de tijdvakken, genoemd in artikel 3.12, bedragen voor het jaar 2025:

2.

De minister bepaalt per erkend ontwikkelpad dat voldoet aan artikel 3.5, tweede lid, onderdeel b, of per groep van zodanige ontwikkelpaden welk deel van het subsidieplafond, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, beschikbaar is voor de scholing in het ontwikkelpad, respectievelijk de tot de groep behorende ontwikkelpaden en maakt deze verdeling bekend op www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.

3.

Indien het bedrag dat beschikbaar is in een aanvraagtijdvak niet volledig wordt benut, kan de minister de resterende middelen toevoegen aan de middelen van een ander aanvraagtijdvak in hetzelfde kalenderjaar of, indien middelen zijn overgebleven in het aanvraagtijdvak, genoemd in artikel 3.12, onderdeel b, de verdeling, bedoeld in het tweede lid, herzien. De minister maakt de verschuivingen van het beschikbare budget bekend op www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.

Artikel 3.14. Subsidieaanvraag werkgever en geregistreerd gastouderbureau
1.

Een werkgever of geregistreerd gastouderbureau dient de subsidieaanvraag in door middel van een door de minister elektronisch beschikbaar gesteld aanvraagformulier dat vergezeld gaat van:

2.

Een werkgever en een geregistreerd gastouderbureau kunnen per aanvraag subsidie aanvragen voor een bedrag dat lager is dan € 25.000.

3.

Door het indienen van een aanvraag stemt de subsidieaanvrager ermee in dat het subsidiedossier, met uitzondering van persoonsgegevens, openbaar wordt gemaakt.

4.

De minister maakt de informatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en wijzigingen hiervan bekend op www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.

Artikel 3.15. Subsidieaanvraag collectief
1.

Een collectief dient de subsidieaanvraag in door middel van een door de minister elektronisch beschikbaar gesteld aanvraagformulier dat vergezeld gaat van:

2.

Indien het collectief een bij overeenkomst vastgelegd samenwerkingsverband is, wordt de aanvraag ingediend door de hoofdaanvrager van het collectief en gaat de subsidieaanvraag, onverminderd het eerste lid, vergezeld van:

3.

Alleen een werkgeversvereniging, werknemersvereniging, O&O-fonds of koepelorganisatie kunnen worden aangewezen als hoofdaanvrager van een collectief.

4.

Het activiteitenplan, de begroting en de verklaring, genoemd in het eerste lid, onderdeel c, worden opgesteld overeenkomstig het door de minister vastgestelde model.

5.

Voor zover het collectief voor dezelfde begrote kosten of een deel daarvan ook subsidie of een andere financiële bijdrage heeft aangevraagd of zal aanvragen bij een ander bestuursorgaan of rechtspersoon, doet hij daarvan mededeling in de subsidieaanvraag, onder vermelding van de stand van zaken van de beoordeling van die andere aanvraag.

6.

Door het indienen van een aanvraag stemt het collectief ermee in dat het subsidiedossier, met uitzondering van persoonsgegevens, openbaar wordt gemaakt.

Artikel 3.16. Verplichte deelname centrumgemeente aan collectief
1.

Een centrumgemeente als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, van het Besluit SUWI kan voor 30 juni van het lopende kalenderjaar aan de minister melden dat zij onderdeel uit wil maken van een collectief dat op grond van deze regeling subsidie aan zal vragen.

2.

De centrumgemeente doet de melding met gebruikmaking van het door de minister ter beschikking gestelde formulier en geeft daarbij aan ten aanzien van welke van de volgende ontwikkelpaden zij onderdeel wil uitmaken van een collectief:

3.

De minister maakt de centrumgemeenten die een melding hebben gedaan en de erkende ontwikkelpaden waar de melding betrekking op heeft bekend op www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.

4.

Indien een collectief subsidie aanvraagt voor scholing uit een of meer erkende ontwikkelpaden ten aanzien waarvan een of meer centrumgemeenten een melding hebben gedaan, maken deze centrumgemeenten tevens onderdeel uit van het collectief.

5.

Het vierde lid is niet van toepassing op de centrumgemeente die:

6.

Indien er sprake is van de situatie, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel b, voegt het collectief, onverminderd artikel 3.15, eerste en tweede lid, bij de aanvraag een onderbouwing waaruit blijkt dat met de betreffende centrumgemeente redelijkerwijs geen overeenstemming over de deelname aan het collectief kon worden bereikt.

Artikel 3.17. Wijze van verdeling
1.

Subsidieaanvragen worden behandeld op volgorde van ontvangst, waarbij alleen volledige subsidieaanvragen in behandeling worden genomen.

2.

Een aanvraag is volledig wanneer:

3.

Voor onvolledige subsidieaanvragen geldt, na aanvulling door de subsidieaanvrager, de datum van ontvangst van de volledige subsidieaanvraag als datum van binnenkomst.

4.

Indien na sluiting van het aanvraagtijdvak voor collectieven uit een beoordeling van de ontvangen subsidieaanvragen blijkt dat het van toepassing zijnde deel van het subsidieplafond, bedoeld in artikel 3.13, tweede lid, zal worden overschreden, verdeelt de minister, in afwijking van het eerste lid, het beschikbare subsidieplafond evenredig over de ingediende aanvragen die voldoen aan de voorwaarden, met dien verstande dat:

Artikel 3.18. Beschikking tot subsidieverlening
1.

Op aanvragen van een werkgever en een geregistreerd gastouderbureau beslist de minister binnen 13 weken na de subsidieaanvraag.

2.

Op aanvragen van een collectief beslist de minister binnen 13 weken na afloop van het aanvraagtijdvak op de subsidieaanvraag.

3.

Onverminderd artikel 4.2, eerste lid, van de Kaderregeling vermeldt de beschikking tot subsidieverlening in ieder geval de wijze van bevoorschotting.

Artikel 3.19. Bevoorschotting collectief
1.

De minister kan bij de beschikking tot subsidieverlening aan een collectief een voorschot verlenen van 25% van de verleende subsidie en, indien de looptijd, bedoeld in artikel 3.11, meer dan twaalf maanden bedraagt, een aanvullend voorschot van 50% van de verleende subsidie.

2.

Het aanvullend voorschot, bedoeld in het eerste lid, wordt uitbetaald na indiening van de voortgangsrapportage.

Artikel 3.20. Weigeringsgronden
1.

Onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de subsidie geheel of gedeeltelijk geweigerd, indien de subsidieaanvraag niet voldoet aan de bij deze regeling gestelde eisen.

2.

Aanvragen voor scholing worden ook geweigerd indien de scholing wordt uitgevoerd door:

3.

Indien bij subsidieverlening het totaal aan subsidieverleningen aan één individuele aanvrager het bedrag van € 100.000,– per jaar zou overschrijden, wordt het deel van de aanvraag geweigerd dat zou leiden tot overschrijding van de € 100.000,–.

4.

De subsidie wordt ook geweigerd indien het activiteitenplan de aannemelijkheid van de omvang en invulling van de aanvraag, of de haalbaarheid van de realisatie van het plan onvoldoende onderbouwt.

Artikel 3.21. Subsidieverplichtingen collectief

Een collectief is verplicht om door haar ingekochte scholing aan te bieden aan alle begunstigden en, voor zover hij de verleende subsidie gebruikt voor het vergoeden van scholingskosten, om elke werkgever en elk geregistreerd gastouderbureau de gelegenheid te geven een verzoek tot vergoeding van scholingskosten bij het collectief in te dienen.

Artikel 3.22. Administratievoorschriften collectief
1.

Onverminderd artikel 5.2 van de Kaderregeling, bevat de administratie van een collectief ten minste:

2.

Indien het collectief een bij overeenkomst vastgelegd samenwerkingsverband is, ziet de hoofdaanvrager van het collectief erop toe dat wordt voldaan aan het eerste lid en artikel 5.2 van de Kaderregeling en verstrekt hij op verzoek aan de minister alle informatie uit de administratie die de minister in het kader van de subsidieverstrekking nodig acht.

3.

De facturen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, bevatten ten minste de door de minister te bepalen informatie. Artikel 3.14, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.23. Voortgangsrapportage
1.

Indien de duur van de subsidiabele activiteiten meer dan twaalf maanden bedraagt, dient een collectief waaraan subsidie is verleend op grond van dit hoofdstuk op de tijdstippen, genoemd in de beschikking tot subsidieverlening, een voortgangsrapportage in.

2.

De voortgangsrapportage heeft betrekking op een periode van twaalf maanden, gerekend vanaf de dag na de datum van indiening van de subsidieaanvraag dan wel, indien het een voortgangsrapportage betreft die volgt op een eerdere voortgangsrapportage, een periode van twaalf maanden volgend op de periode waarop de laatste voortgangsrapportage betrekking heeft.

3.

De minister stelt het model van de voortgangsrapportage vast.

Artikel 3.24. Subsidievaststelling
1.

De minister bepaalt voorafgaande aan het vaststellen van de subsidie op basis van een steekproef aan welke werkgevers en geregistreerde gastouderbureaus waaraan een subsidie is verleend op grond van deze regeling hij een verzoek doet als bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, van de Kaderregeling.

2.

De minister neemt binnen 35 weken na indiening van de subsidieaanvraag ambtshalve een besluit over de vaststelling van de aan een werkgever of geregistreerd gastouderbureau verleende subsidie.

3.

Een collectief waaraan subsidie is verstrekt op grond van dit hoofdstuk dient binnen 22 weken na afloop van de in de beschikking tot subsidieverlening bepaalde periode, een verzoek in tot vaststelling van de subsidie met gebruikmaking van een door de minister elektronisch beschikbaar gesteld formulier.

4.

Het activiteitenverslag en het financieel verslag, bedoeld in artikel 7.8 van de Kaderregeling, worden opgesteld overeenkomstig het door de minister vastgestelde model.

5.

In afwijking van artikel 1.1 van de Kaderregeling, gaat het financieel verslag vergezeld van het door een accountant opgestelde product dat is voorgeschreven in het op www.uitvoeringvanbeleidszw.nl gepubliceerde accountantsprotocol.

6.

De subsidieontvanger verstrekt bij het verzoek tot vaststelling van de subsidie het burgerservicenummer van alle personen die de scholing volgen of hebben gevolgd, die met de verleende subsidie is ingekocht.

Artikel 3.25. Intrekking en terugvordering
1.

Onverminderd artikel 4:48 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de beschikking tot subsidieverlening geheel ingetrokken indien:

2.

De beschikking tot subsidieverlening of de beschikking tot subsidievaststelling kan, in afwijking van het eerste lid, gedeeltelijk worden ingetrokken indien er naar het oordeel van de minister geen aanleiding is de subsidie geheel in te trekken.

3.

Indien de beschikking tot subsidieverlening of de beschikking tot subsidievaststelling geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken, wordt het aan de subsidieontvanger betaalde voorschot respectievelijk het subsidiebedrag dat tot dat moment is uitgekeerd, vermeerderd met de wettelijke rente, geheel of gedeeltelijk teruggevorderd van de subsidieontvanger.

Hoofdstuk 4. Hardheidsclausule en slotbepalingen

Artikel 4.1. Hardheidsclausule

De minister kan een of meer bepalingen van deze regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat de desbetreffende bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 4.2. Evaluatie van de regeling
1.

De minister draagt zorg voor de evaluatie van de doeltreffendheid en doelmatigheid van deze regeling.

2.

De subsidieontvanger werkt mee aan door of namens de minister ingesteld onderzoek dat erop is gericht de minister inlichtingen te verschaffen die van belang zijn voor de evaluatie van de doeltreffendheid en doelmatigheid van deze regeling en de ontwikkeling van het beleid van de minister. De subsidieontvanger verstrekt in dat kader de daartoe benodigde inlichtingen, gegevens en bescheiden.

Artikel 4.3. Inwerkingtreding en vervaldatum
1.

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2020 en vervalt met ingang van 1 januari 2030, met uitzondering van hoofdstuk 3, dat vervalt met ingang van 1 januari 2028.

2.

In afwijking van het eerste lid blijft deze regeling, zoals deze luidde op 31 december 2027 respectievelijk 31 december 2029, van toepassing op de afwikkeling van verleende subsidies op grond van hoofdstuk 3 respectievelijk hoofdstuk 2 van deze regeling.

Artikel 4.4. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: SLIM-regeling.

Bijlage I. Behorend bij artikel 2.5 van deze regeling

Gedragscode

Bijlage II. Behorend bij artikel 3.1 van deze regeling

Beroepsgroep Uitzonderingen
0111 Docenten hoger onderwijs en hoogleraren
0112 Docenten beroepsgerichte vakken secundair onderwijs
0113 Docenten algemene vakken secundair onderwijs
0114 Leerkrachten basisonderwijs
0115 Onderwijskundigen en overige docenten
0131 (Pedagogisch) medewerkers kinderopvang en onderwijsassistenten
0711 Biologen en natuurwetenschappers
0712 Ingenieurs (geen elektrotechniek)
0713 Elektrotechnisch ingenieurs
0714 Architecten
0721 Technici bouwkunde en natuur
0722 Productieleiders industrie en bouw
0723 Procesoperators
0731 Bouwarbeiders ruwbouw
0732 Timmerlieden
0733 Bouwarbeiders afbouw
0734 Loodgieters en pijpfitters
0735 Schilders en metaalspuiters
0741 Metaalbewerkers en constructiewerkers
0742 Lassers en plaatwerkers
0743 Automonteurs
0744 Machinemonteurs
0751 Slagers
0752 Bakkers
0753 Productcontroleurs Tabaksbereiders en vervaardigers van tabaksproducten
0754 Meubelmakers, kleermakers en stoffeerders
0755 Medewerkers drukkerij en kunstnijverheid Drukkerijmedewerkers
0761 Elektriciens en elektronicamonteurs
0771 Productiemachinebedieners
0772 Assemblagemedewerkers
0781 Hulpkrachten bouw en industrie
0811 Software- en applicatieontwikkelaars
0812 Databank- en netwerkspecialisten
0821 Gebruikersondersteuning ICT
0822 radio en televisietechnici
0911 Land- en bosbouwers
0912 Hoveniers, tuinders en kwekers Sierteelt en perkplanten
0913 Veetelers
0921 Hulpkrachten landbouw
1011 Artsen
1012 Gespecialiseerd verpleegkundigen
1013 Fysiotherapeuten Alternatief genezers
1021 Maatschappelijk werkers
1022 Psychologen en sociologen Theologen en voorgangers van de eredienst, sociologen, antropologen, filosofen, historici en politicologen
1031 Laboranten
1032 Apothekersassistenten
1033 Verpleegkundigen (mbo)
1034 Medisch praktijkassistenten
1035 Medisch vakspecialisten Vakspecialisten alternatieve geneeskunde
1041 Sociaal werkers, groeps- en woonbegeleiders Pastoraal werkers, juridisch medewerkers
1051 Verzorgenden
1215 Bedieners mobiele machines
Beroepen Sector
--- ---
Administratief medewerkers Onderwijs
Secretaresses Onderwijs
Receptionisten Onderwijs
Telefonisten Onderwijs
Boekhoudkundig medewerkers Onderwijs
Conciërges Onderwijs
Teamleiders schoonmaak Onderwijs
Ecologen Groen
Vergunningverleners Groen
Geografisch sociologen Groen
Agrarische bedrijfsadviseurs Groen
Agrarische loonwerkers Groen
Loonwerkers in relatie tot natuurbeheer Groen
Landschapsarchitecten Groen
Planologen Groen
Stedenbouwkundigen Groen
Dierverzorgers Groen
Beroepen in de visserijketen Groen
Beroepen in de veredeling Groen
Managers binnen landbouw, bosbouw en visserij Groen
Managers aquacultuur en visserij Groen
Huishoudelijke hulp Zorg
Energiefixberoepen Energie
Cybersecurity specialisten ICT

Deze regeling zal met toelichting en de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 4.1a. Overgangsbepaling bij verduidelijking en aanscherping hoofdstuk 3

Op subsidieaanvragen die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 1 juli 2025, nr. 2025-0000095142, tot wijziging van de SLIM-regeling met name in verband met het verduidelijken en aanscherpen van de regels voor de subsidieverstrekking ten behoeve van scholing in sectorale ontwikkelpaden, blijft de SLIM-regeling van toepassing zoals die luidde op de dag voor het genoemde tijdstip.

Bijlage I. Behorend bij artikel 2.5 van deze regeling

Gedragscode

Bijlage II. Behorend bij artikel 3.1 van deze regeling

Beroepsgroep Uitzonderingen
0111 Docenten hoger onderwijs en hoogleraren
0112 Docenten beroepsgerichte vakken secundair onderwijs
0113 Docenten algemene vakken secundair onderwijs
0114 Leerkrachten basisonderwijs
0115 Onderwijskundigen en overige docenten
0131 (Pedagogisch) medewerkers kinderopvang en onderwijsassistenten
0711 Biologen en natuurwetenschappers
0712 Ingenieurs (geen elektrotechniek)
0713 Elektrotechnisch ingenieurs
0714 Architecten
0721 Technici bouwkunde en natuur
0722 Productieleiders industrie en bouw
0723 Procesoperators
0731 Bouwarbeiders ruwbouw
0732 Timmerlieden
0733 Bouwarbeiders afbouw
0734 Loodgieters en pijpfitters
0735 Schilders en metaalspuiters
0741 Metaalbewerkers en constructiewerkers
0742 Lassers en plaatwerkers
0743 Automonteurs
0744 Machinemonteurs
0751 Slagers
0752 Bakkers
0753 Productcontroleurs Tabaksbereiders en vervaardigers van tabaksproducten
0754 Meubelmakers, kleermakers en stoffeerders
0755 Medewerkers drukkerij en kunstnijverheid Drukkerijmedewerkers
0761 Elektriciens en elektronicamonteurs
0771 Productiemachinebedieners
0772 Assemblagemedewerkers
0781 Hulpkrachten bouw en industrie
0811 Software- en applicatieontwikkelaars
0812 Databank- en netwerkspecialisten
0821 Gebruikersondersteuning ICT
0822 radio en televisietechnici
0911 Land- en bosbouwers
0912 Hoveniers, tuinders en kwekers Sierteelt en perkplanten
0913 Veetelers
0921 Hulpkrachten landbouw
1011 Artsen
1012 Gespecialiseerd verpleegkundigen
1013 Fysiotherapeuten Alternatief genezers
1021 Maatschappelijk werkers
1022 Psychologen en sociologen Theologen en voorgangers van de eredienst, sociologen, antropologen, filosofen, historici en politicologen
1031 Laboranten
1032 Apothekersassistenten
1033 Verpleegkundigen (mbo)
1034 Medisch praktijkassistenten
1035 Medisch vakspecialisten Vakspecialisten alternatieve geneeskunde
1041 Sociaal werkers, groeps- en woonbegeleiders Pastoraal werkers, juridisch medewerkers
1051 Verzorgenden
1215 Bedieners mobiele machines
Beroepen Sector
--- ---
Administratief medewerkers Onderwijs
Secretaresses Onderwijs
Receptionisten Onderwijs
Telefonisten Onderwijs
Boekhoudkundig medewerkers Onderwijs
Conciërges Onderwijs
Teamleiders schoonmaak Onderwijs
Ecologen Groen
Vergunningverleners Groen
Geografisch sociologen Groen
Agrarische bedrijfsadviseurs Groen
Agrarische loonwerkers Groen
Loonwerkers in relatie tot natuurbeheer Groen
Landschapsarchitecten Groen
Planologen Groen
Stedenbouwkundigen Groen
Dierverzorgers Groen
Beroepen in de visserijketen Groen
Beroepen in de veredeling Groen
Managers binnen landbouw, bosbouw en visserij Groen
Managers aquacultuur en visserij Groen
Huishoudelijke hulp Zorg
Energiefixberoepen Energie
Cybersecurity specialisten ICT

Deze regeling zal met toelichting en de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.