Wijzigingsgeschiedenis
Wet van 5 februari 2020, houdende tijdelijke maatregelen inzake een publiekrechtelijke aanpak van de gevolgen van bodembeweging door gaswinning uit het Groningenveld en de gasopslag bij Norg (Tijdelijke wet Groningen)
12 versions
· 2026-01-22
2026-01-22
Tijdelijke wet Groningen — arts. 21, 22
2025-07-17
Tijdelijke wet Groningen — arts. 21, 22
Wijzigingen op 2025-07-17
@@ -26,11 +26,11 @@
##### Artikel 21
1. Besluiten van de deelcommissie mijnbouwschade op grond van [artikel 3, tweede lid, van het Besluit Mijnbouwschade Groningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040584&artikel=3), en de deelcommissie bezwaar, op grond van artikel 3, derde lid, van het Besluit Mijnbouwschade Groningen, worden na inwerkingtreding van deze wet aangemerkt als besluiten van het Instituut Mijnbouwschade als bedoeld in [artikel 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=2&artikel=2&z=2025-03-14&g=2025-03-14).
2. Aanvragen tot vergoeding van schade die in de periode van 19 maart 2018 tot de datum van inwerkingtreding van deze wet in behandeling zijn bij de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen, worden voor de toepassing van deze wet aangemerkt als een aanvraag tot vergoeding van schade als bedoeld in [artikel 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=2&artikel=2&z=2025-03-14&g=2025-03-14).
3. Schademeldingen die in de periode van 31 maart 2017, 12:00 uur, tot 19 maart 2018 zijn voorgelegd aan de Nederlandse Aardolie Maatschappij N.V. of het Centrum Veilig Wonen en in behandeling zijn, worden voor de toepassing van deze wet aangemerkt als een aanvraag tot vergoeding van schade als bedoeld in [artikel 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=2&artikel=2&z=2025-03-14&g=2025-03-14).
1. Besluiten van de deelcommissie mijnbouwschade op grond van [artikel 3, tweede lid, van het Besluit Mijnbouwschade Groningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0040584&artikel=3), en de deelcommissie bezwaar, op grond van artikel 3, derde lid, van het Besluit Mijnbouwschade Groningen, worden na inwerkingtreding van deze wet aangemerkt als besluiten van het Instituut Mijnbouwschade als bedoeld in [artikel 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=2&artikel=2&z=2025-07-17&g=2025-07-17).
2. Aanvragen tot vergoeding van schade die in de periode van 19 maart 2018 tot de datum van inwerkingtreding van deze wet in behandeling zijn bij de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen, worden voor de toepassing van deze wet aangemerkt als een aanvraag tot vergoeding van schade als bedoeld in [artikel 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=2&artikel=2&z=2025-07-17&g=2025-07-17).
3. Schademeldingen die in de periode van 31 maart 2017, 12:00 uur, tot 19 maart 2018 zijn voorgelegd aan de Nederlandse Aardolie Maatschappij N.V. of het Centrum Veilig Wonen en in behandeling zijn, worden voor de toepassing van deze wet aangemerkt als een aanvraag tot vergoeding van schade als bedoeld in [artikel 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=2&artikel=2&z=2025-07-17&g=2025-07-17).
4. Het Instituut neemt de zaken bedoeld in het eerste tot en met derde lid over in de staat waarin deze zich bevinden.
@@ -48,7 +48,7 @@
2. Degene die voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet is benoemd als voorzitter van Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen, is van rechtswege benoemd als voorzitter van het Instituut en de duur van zijn benoeming wordt vastgesteld op vier jaar.
3. Voor het bepalen van het tijdvak van de benoeming, bedoeld in [artikel 4, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=2&artikel=4&z=2025-03-14&g=2025-03-14), geldt het tijdvak, vervuld als lid of voorzitter van de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen, voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet als een tijdvak, vervuld als lid of voorzitter van het Instituut.
3. Voor het bepalen van het tijdvak van de benoeming, bedoeld in [artikel 4, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=2&artikel=4&z=2025-07-17&g=2025-07-17), geldt het tijdvak, vervuld als lid of voorzitter van de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen, voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet als een tijdvak, vervuld als lid of voorzitter van het Instituut.
##### Artikel 23
@@ -76,9 +76,9 @@
##### Artikel 29
1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan, verschillend kan worden vastgesteld, met uitzondering van [artikel 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=4&artikel=13&z=2025-03-14&g=2025-03-14), dat in werking treedt op het tijdstip waarop artikel I, onderdelen D en E, van het bij koninklijke boodschap van 13 oktober 2020 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Tijdelijke wet Groningen in verband met de versterking van gebouwen in de provincie Groningen (Kamerstukken 35 603), nadat dat voorstel tot wet is of wordt verheven, in werking treedt.
2. In afwijking van het eerste lid treedt [artikel 28, aanhef en onderdelen b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=8&artikel=28&z=2025-03-14&g=2025-03-14), in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2018.
1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan, verschillend kan worden vastgesteld, met uitzondering van [artikel 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=4&artikel=13&z=2025-07-17&g=2025-07-17), dat in werking treedt op het tijdstip waarop artikel I, onderdelen D en E, van het bij koninklijke boodschap van 13 oktober 2020 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Tijdelijke wet Groningen in verband met de versterking van gebouwen in de provincie Groningen (Kamerstukken 35 603), nadat dat voorstel tot wet is of wordt verheven, in werking treedt.
2. In afwijking van het eerste lid treedt [artikel 28, aanhef en onderdelen b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=8&artikel=28&z=2025-07-17&g=2025-07-17), in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2018.
##### Artikel 30
@@ -96,13 +96,13 @@
- –. **Instituut:** het Instituut Mijnbouwschade Groningen;
- –. **Onze Minister:** Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat;
- –. **Onze Minister:** Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
- –. **schade:** schade die is ontstaan door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of als gevolg van de gasopslag Norg of de gasopslag bij Grijpskerk;
- –. **veiligheidsnorm:** veiligheidsnorm van 10-5, zijnde het individueel aardbevingsrisico van maximaal 1 op de 100.000 per jaar dat een individu mag lopen in of nabij de verschillende bouwwerken waar dat individu verblijft;
- –. **versterkingsbesluit:** besluit als bedoeld in [artikel 13j, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13j&z=2025-03-14&g=2025-03-14).
- –. **versterkingsbesluit:** besluit als bedoeld in [artikel 13j, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13j&z=2025-07-17&g=2025-07-17).
##### Artikel 2
@@ -126,7 +126,7 @@
4. Het Instituut is niet bevoegd om een aanvraag om vergoeding van schade te behandelen indien deze schade betreft waarvoor:
- a. voor 31 maart 2017, 12:00 uur een schademelding – of claim is voorgelegd aan het Centrum Veilig Wonen of de exploitant;
- a. voor 31 maart 2017, 12:00 uur een schademelding of -claim is voorgelegd aan het Centrum Veilig Wonen of de exploitant;
- b. door de exploitant met de gedupeerde of diens vertegenwoordiger een vaststellingsovereenkomst is gesloten;
@@ -148,7 +148,7 @@
8. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen aan het Instituut andere taken en bevoegdheden worden opgedragen, die samenhangen met de taken en bevoegdheden, bedoeld in het derde lid.
9. Het Instituut is bevoegd om ter uitvoering van zijn taken en bevoegdheden op grond van deze wet met het oog op voorkoming of beperking van schade maatregelen te treffen of vergoedingen uit te keren die leiden tot versterking van een gebouw, voor zover dit geen versterkingsmaatregelen betreft als bedoeld in [artikel 13j, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13j&z=2025-03-14&g=2025-03-14).
9. Het Instituut is bevoegd om ter uitvoering van zijn taken en bevoegdheden op grond van deze wet met het oog op voorkoming of beperking van schade maatregelen te treffen of vergoedingen uit te keren die leiden tot versterking van een gebouw, voor zover dit geen versterkingsmaatregelen betreft als bedoeld in [artikel 13j, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13j&z=2025-07-17&g=2025-07-17).
10. Naast de schade, bedoeld in [artikel 184 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289&artikel=184), kan het Instituut aan de aanvrager een in redelijkheid te bepalen tegemoetkoming in geld of in natura toekennen voor iedere redelijke maatregel die nodig is om te bewerkstelligen dat de schade waarvoor vergoeding wordt toegekend, duurzaam kan worden hersteld. Aan de toekenning van deze tegemoetkoming kan het Instituut voorwaarden verbinden.
@@ -158,25 +158,27 @@
##### Artikel 3
1. Ten behoeve van de goede uitvoering van [artikel 2, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=2&artikel=2&z=2025-03-14&g=2025-03-14), verwerkt het Instituut de nodige gegevens, waaronder persoonsgegevens. Het Instituut is verwerkingsverantwoordelijke voor deze verwerking.
2. Ten behoeve van de goede uitwerking van [artikel 2, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=2&artikel=2&z=2025-03-14&g=2025-03-14), verwerkt de exploitant de nodige gegevens, waaronder persoonsgegevens. De exploitant is verwerkingsverantwoordelijke voor deze verwerking.
3. Gelet op artikel 9, tweede lid, onderdeel g, van de Algemene verordening gegevensbescherming is het verbod om gegevens over gezondheid te verwerken niet van toepassing indien de verwerking geschiedt door het Instituut of de exploitant voor zover deze verwerking noodzakelijk is in het belang van de goede uitvoering en uitwerking van [artikel 2, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=2&artikel=2&z=2025-03-14&g=2025-03-14).
4. Het Instituut en de exploitant verstrekken elkaar desgevraagd de informatie, waaronder begrepen de persoonsgegevens, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, voor zover die noodzakelijk is in het belang van de goede uitvoering van [artikel 2, derde, vierde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=2&artikel=2&z=2025-03-14&g=2025-03-14), of van de taken en bevoegdheden die op grond van artikel 2, achtste lid, aan het Instituut zijn opgedragen.
1. Ten behoeve van de goede uitvoering van [artikel 2, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=2&artikel=2&z=2025-07-17&g=2025-07-17), verwerkt het Instituut de nodige gegevens, waaronder persoonsgegevens. Het Instituut is verwerkingsverantwoordelijke voor deze verwerking.
2. Ten behoeve van de goede uitwerking van [artikel 2, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=2&artikel=2&z=2025-07-17&g=2025-07-17), verwerkt Onze Minister de nodige gegevens, waaronder persoonsgegevens. Onze Minister is verwerkingsverantwoordelijke voor deze verwerking.
3. Gelet op artikel 9, tweede lid, onderdeel g, van de Algemene verordening gegevensbescherming is het verbod om gegevens over gezondheid te verwerken niet van toepassing indien de verwerking geschiedt door het Instituut of Onze Minister voor zover deze verwerking noodzakelijk is in het belang van de goede uitvoering en uitwerking van [artikel 2, derde, vierde en elfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=2&artikel=2&z=2025-07-17&g=2025-07-17).
4. Het Instituut en Onze Minister verstrekken elkaar desgevraagd de informatie, waaronder begrepen de persoonsgegevens, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, voor zover die noodzakelijk is in het belang van de goede uitvoering van [artikel 2, derde, vierde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=2&artikel=2&z=2025-07-17&g=2025-07-17), of van de taken en bevoegdheden die op grond van artikel 2, achtste lid, aan het Instituut zijn opgedragen.
5. Het Instituut, Onze Minister en het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeenten verstrekken elkaar desgevraagd of eigener beweging de gegevens, waaronder persoonsgegevens, over de afhandeling van aanvragen om schadevergoeding en beslissingen in het kader van de uitvoering van de versterkingsoperatie die noodzakelijk zijn voor een goede uitvoering van deze wettelijke taak.
6. Het Instituut informeert Onze Minister en het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeenten indien het gegronde vermoedens heeft dat een gebouw niet voldoet aan de veiligheidsnorm.
7. Onze Minister informeert het Instituut indien hij gegronde vermoedens heeft dat sprake is van een acuut onveilige situatie als bedoeld in [artikel 2, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=2&artikel=2&z=2025-03-14&g=2025-03-14).
8. Het Instituut, Onze Minister en het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeenten verstrekken niet de gegevens over gezondheid.
9. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de wijze waarop Onze Minister en het Instituut de uitvoering van de versterking op grond van [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&z=2025-03-14&g=2025-03-14) en de vergoeding van schade op grond van [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=2&z=2025-03-14&g=2025-03-14) op elkaar afstemmen. De voordracht voor een krachtens dit lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
10. De exploitant verstrekt Onze Minister desgevraagd de gegevens, waaronder persoonsgegevens, voor zover die noodzakelijk zijn in het belang van een goede uitvoering van de versterking op grond van [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&z=2025-03-14&g=2025-03-14).
6. Ten behoeve van de goede uitvoering van het oplossen van knelpunten die als gevolg van de schade zijn ontstaan als bedoeld in [artikel 2, elfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=2&artikel=2&z=2025-07-17&g=2025-07-17), verwerkt het Instituut de nodige gegevens, waaronder persoonsgegevens.
7. Het Instituut informeert Onze Minister en het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeenten indien het gegronde vermoedens heeft dat een gebouw niet voldoet aan de veiligheidsnorm.
8. Onze Minister informeert het Instituut indien hij gegronde vermoedens heeft dat sprake is van een acuut onveilige situatie als bedoeld in [artikel 2, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=2&artikel=2&z=2025-07-17&g=2025-07-17).
9. Het Instituut, Onze Minister en het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeenten verstrekken niet de gegevens over gezondheid behoudens voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de uitvoering van [artikel 2, elfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=2&artikel=2&z=2025-07-17&g=2025-07-17), en de betrokkene daar uitdrukkelijk zijn instemming aan heeft gegeven.
10. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de wijze waarop Onze Minister en het Instituut de uitvoering van de versterking op grond van [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&z=2025-07-17&g=2025-07-17) en de vergoeding van schade op grond van [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=2&z=2025-07-17&g=2025-07-17) op elkaar afstemmen. De voordracht voor een krachtens dit lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
11. De exploitant verstrekt Onze Minister desgevraagd de gegevens, waaronder persoonsgegevens, voor zover die noodzakelijk zijn in het belang van een goede uitvoering van de versterking op grond van [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&z=2025-07-17&g=2025-07-17).
##### Artikel 4
@@ -284,7 +286,7 @@
3. Indien de deskundige binnen de gestelde termijn geen advies kan uitbrengen, deelt de deskundige dit, onder opgaaf van redenen, aan het Instituut mee voor het einde van de termijn en kan het Instituut de termijn met ten hoogste zes maanden verlengen. Het Instituut stelt de aanvrager daarvan schriftelijk in kennis.
4. Indien de aanvrager tegen het besluit, bedoeld in [artikel 13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=4&artikel=13&z=2025-03-14&g=2025-03-14), in bezwaar gaat, wijst het Instituut ambtshalve of op verzoek een deskundige aan, anders dan die bedoeld in het eerste lid, die de aanvrager kan bijstaan, tenzij de zaak waarop het betrekking heeft hier evident geen aanleiding voor geeft.
4. Indien de aanvrager tegen het besluit, bedoeld in [artikel 13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=4&artikel=13&z=2025-07-17&g=2025-07-17), in bezwaar gaat, wijst het Instituut ambtshalve of op verzoek een deskundige aan, anders dan die bedoeld in het eerste lid, die de aanvrager kan bijstaan, tenzij de zaak waarop het betrekking heeft hier evident geen aanleiding voor geeft.
5. Het Instituut stelt eisen aan de deskundige, waaronder begrepen het aantal keren dat de deskundige per aanvraag mag onderzoeken of de schade evident en aantoonbaar uitsluitend een andere oorzaak heeft dan beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk als bedoeld in [artikel 177a, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005289&artikel=177a).
@@ -310,21 +312,19 @@
1. Onze Minister legt een heffing op aan een exploitant:
- a. ter bestrijding van alle kosten gemaakt in verband met de uitvoering van de taken en bevoegdheden, bedoeld in [artikel 2, derde lid, onderdelen a en b, en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=2&artikel=2&z=2025-03-14&g=2025-03-14), met uitzondering van de kosten die verband houden met de bezoldiging van de leden van het Instituut, de huisvestingskosten van het Instituut en de BTW voor werkzaamheden die door derden worden uitgevoerd in opdracht van het Instituut;
- b. ter bestrijding van de kosten gemaakt in verband met de uitvoering van de taken en bevoegdheden, bedoeld in [artikel 2, derde lid, onderdeel c, en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=2&artikel=2&z=2025-03-14&g=2025-03-14), indien deze kosten gemaakt zijn ten behoeve van vergoeding van schade als bedoeld in deze wet, met uitzondering van de BTW voor werkzaamheden die door derden worden uitgevoerd in opdracht van het Instituut;
- c. ter bestrijding van alle kosten gemaakt door de overheid voor de voorbereiding en uitvoering van de maatregelen om een gebouw aan de veiligheidsnorm te laten voldoen en de maatregelen, bedoeld in [artikel 13j, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13j&z=2025-03-14&g=2025-03-14), indien het gebouw een beschermd monument is, alsmede de kosten die daar direct verband mee houden, met uitzondering van de BTW voor werkzaamheden die door derden worden uitgevoerd in opdracht van Onze Minister;
- d. ter bestrijding van de kosten gemaakt in verband met de vergoedingen, bedoeld in [artikel 13m, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13m&z=2025-03-14&g=2025-03-14), en subsidies op grond van [artikel 13n, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5a&artikel=13n&z=2025-03-14&g=2025-03-14), in combinatie met de [artikelen 37b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37b) en [37c van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37c), en vergoedingen op grond van artikel 13n, vierde en vijfde lid; en
- a. ter bestrijding van alle kosten gemaakt in verband met de uitvoering van de taken en bevoegdheden, bedoeld in de [artikelen 2, derde lid, onderdelen a en b, zevende en negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=2&artikel=2&z=2025-07-17&g=2025-07-17) en [12, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=4&artikel=12&z=2025-07-17&g=2025-07-17), met uitzondering van de kosten die verband houden met de bezoldiging van de leden van het Instituut, de huisvestingskosten van het Instituut en de BTW voor werkzaamheden die door derden worden uitgevoerd in opdracht van het Instituut;
- b. ter bestrijding van de kosten gemaakt door de overheid in verband met de uitvoering van overige maatregelen ter bestrijding van de nadelige gevolgen van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld, of van de gasopslag Norg of de gasopslag Grijpskerk, met uitzondering van de BTW voor werkzaamheden die door derden worden uitgevoerd in opdracht van de overheid;
- c. ter bestrijding van alle kosten gemaakt door de overheid om te voldoen aan [artikel 13ba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13ba&z=2025-07-17&g=2025-07-17) alsmede de kosten die daar direct verband mee houden, met uitzondering van de BTW voor werkzaamheden die door derden worden uitgevoerd in opdracht van Onze Minister;
- d. ter bestrijding van de kosten gemaakt in verband met de vergoedingen, bedoeld in [artikel 13m, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13m&z=2025-07-17&g=2025-07-17), en subsidies op grond van [artikel 13n, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5a&artikel=13n&z=2025-07-17&g=2025-07-17), in combinatie met de [artikelen 37b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37b) en [37c van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37c), en vergoedingen op grond van artikel 13n, vierde en vijfde lid; en
- e. ter compensatie van het rentevoordeel dat de exploitant ondervindt als gevolg van de afhandeling van schade door het Instituut, als gevolg van de voorbereiding en uitvoering van maatregelen als bedoeld in onderdeel c, en de toekenning van de vergoedingen, bedoeld in onderdeel d.
2. De heffing wordt opgelegd aan de exploitant die ten tijde van het bekend worden van de schade, waarop de kosten van vergoedingen die de basis vormen voor de heffing betrekking hebben, exploitant is, respectievelijk aan de exploitant die ten tijde van het maken van de kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, exploitant is, respectievelijk aan de exploitant die ten tijde van het maken van de kosten, bedoeld in onderdeel d, exploitant is. Indien deze schade bekend wordt of deze kosten gemaakt worden na sluiting van het mijnbouwwerk, wordt de heffing opgelegd aan degene die de laatste exploitant was.
3. De hoogte van de heffing wordt vastgesteld bij ministeriële regeling.
4. Onze Minister kan een tussentijdse heffing opleggen tot ten hoogste het bedrag, bedoeld in het derde lid, voor de kosten die op dat moment gemaakt zijn. De tussentijdse heffing wordt verrekend met de definitieve heffing.
3. Onze Minister kan een tussentijdse heffing opleggen voor de kosten die op dat moment gemaakt zijn. De tussentijdse heffing wordt verrekend met de definitieve heffing.
### Hoofdstuk 6. Financiering
@@ -372,7 +372,7 @@
10. De Hoge Raad dan wel de Afdeling bestuursrechtspraak ziet af van beantwoording indien de Hoge Raad, gehoord de procureur-generaal, dan wel de Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de vraag zich niet voor beantwoording bij wijze van prejudiciële uitspraak leent of de vraag van onvoldoende gewicht is om beantwoording te rechtvaardigen. De Hoge Raad dan wel de Afdeling bestuursrechtspraak kan zich bij de vermelding van de gronden van de uitspraak beperken tot dit oordeel.
11. Indien het antwoord op de vraag, nadat deze is gesteld, niet meer nodig is om in de procedure, bedoeld in [artikel 16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=7&artikel=16&z=2025-03-14&g=2025-03-14), op het beroep te beslissen, kan de Hoge Raad dan wel de Afdeling bestuursrechtspraak, indien dat de Hoge Raad dan wel de Afdeling bestuursrechtspraak geraden voorkomt, de vraag desondanks beantwoorden met het oog op aanhangige beroepen in soortgelijke zaken.
11. Indien het antwoord op de vraag, nadat deze is gesteld, niet meer nodig is om in de procedure, bedoeld in [artikel 16, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=7&artikel=16&z=2025-07-17&g=2025-07-17), op het beroep te beslissen, kan de Hoge Raad dan wel de Afdeling bestuursrechtspraak, indien dat de Hoge Raad dan wel de Afdeling bestuursrechtspraak geraden voorkomt, de vraag desondanks beantwoorden met het oog op aanhangige beroepen in soortgelijke zaken.
12. De Hoge Raad dan wel de Afdeling bestuursrechtspraak begroot in de uitspraak, onder overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij en krachtens [artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:75), de kosten die partijen ingevolge dit artikel hebben gemaakt.
@@ -382,15 +382,15 @@
1. Behoudens indien het antwoord op de vraag niet meer nodig is om op het beroep te beslissen, beslist de rechtbank, nadat zij partijen de gelegenheid heeft gegeven zich schriftelijk over de uitspraak van de Hoge Raad dan wel de Afdeling bestuursrechtspraak uit te laten, met inachtneming van deze uitspraak.
2. De rechtbank kan onder de proceskosten waarin een partij veroordeeld wordt, ook opnemen het door de Hoge Raad dan wel de Afdeling bestuursrechtspraak begrote bedrag, bedoeld in [artikel 17, twaalfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=7&artikel=17&z=2025-03-14&g=2025-03-14).
3. Geen griffierecht wordt geheven van belanghebbenden, het bestuursorgaan en anderen die verschijnen in de prejudiciële procedure als bedoeld in [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=7&artikel=16&z=2025-03-14&g=2025-03-14).
2. De rechtbank kan onder de proceskosten waarin een partij veroordeeld wordt, ook opnemen het door de Hoge Raad dan wel de Afdeling bestuursrechtspraak begrote bedrag, bedoeld in [artikel 17, twaalfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=7&artikel=17&z=2025-07-17&g=2025-07-17).
3. Geen griffierecht wordt geheven van belanghebbenden, het bestuursorgaan en anderen die verschijnen in de prejudiciële procedure als bedoeld in [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=7&artikel=16&z=2025-07-17&g=2025-07-17).
##### Artikel 19
1. [Artikel 27gc van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=27gc) alsmede [artikel 8:62 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:62) zijn van overeenkomstige toepassing op de behandeling van een verzoek om een prejudiciële uitspraak door de Hoge Raad. De artikelen [8:10 tot en met 8:12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:10), [8:14 tot en met 8:20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:14), [8:23 tot en met 8:28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:23), [8:29 tot en met 8:32a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:29), [8:35 tot en met 8:40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:35), [8:45a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:45a), [8:47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:47), [8:60](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:60), [8:60a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:60a), [8:61](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:61), [8:62](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:62), [8:65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:65); [8:77, eerste lid, onderdelen a tot en met e, en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:77), [8:78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:78) en [8:79 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:79) zijn van overeenkomstige toepassing op de behandeling van een verzoek om een prejudiciële uitspraak door de Afdeling bestuursrechtspraak.
2. De Hoge Raad dan wel de Afdeling bestuursrechtspraak doet op de op grond van [artikel 17, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=7&artikel=17&z=2025-03-14&g=2025-03-14), bepaalde dag schriftelijk uitspraak op een verzoek om een prejudiciële beslissing.
2. De Hoge Raad dan wel de Afdeling bestuursrechtspraak doet op de op grond van [artikel 17, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=7&artikel=17&z=2025-07-17&g=2025-07-17), bepaalde dag schriftelijk uitspraak op een verzoek om een prejudiciële beslissing.
### Hoofdstuk 7. Rechtsbescherming
@@ -398,7 +398,7 @@
##### Artikel 19b
In afwijking van [artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:2) is een exploitant geen belanghebbende bij een besluit als bedoeld in [artikel 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=2&artikel=2&z=2025-03-14&g=2025-03-14), of bij een versterkingsbesluit.
In afwijking van [artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:2) is een exploitant geen belanghebbende bij een besluit als bedoeld in [artikel 2, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=2&artikel=2&z=2025-07-17&g=2025-07-17), of bij een versterkingsbesluit.
### Hoofdstuk 8. Slotbepalingen
@@ -406,13 +406,13 @@
##### Artikel 2a
1. Onze Minister is aanspreekpunt voor eigenaren van gebouwen die versterking behoeven en coördineert de versterking van gebouwen, bedoeld in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&z=2025-03-14&g=2025-03-14).
2. Onze Minister neemt alle beslissingen die redelijkerwijs nodig zijn voor de versterking van gebouwen, bedoeld in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&z=2025-03-14&g=2025-03-14).
3. Onze Minister en het Instituut werken nauw samen en stemmen de uitvoering van de versterking op grond van [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&z=2025-03-14&g=2025-03-14) en de vergoeding van de schade op grond van [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=2&z=2025-03-14&g=2025-03-14) op elkaar af, tenzij eigenaren aangeven dat ze deze afstemming niet willen.
4. Indien de eigenaar van een gebouw dat wenst, wordt de vergoeding van de schade en de versterking van zijn gebouw in samenhang behandeld. De eigenaar krijgt de keuze om de vergoeding van de schade, bedoeld in [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=2&z=2025-03-14&g=2025-03-14), en de versterking van zijn gebouw, bedoeld in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&z=2025-03-14&g=2025-03-14), te laten coördineren door Onze Minister of door het Instituut.
1. Onze Minister is aanspreekpunt voor eigenaren van gebouwen die versterking behoeven en coördineert de versterking van gebouwen, bedoeld in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&z=2025-07-17&g=2025-07-17).
2. Onze Minister neemt alle beslissingen die redelijkerwijs nodig zijn voor de versterking van gebouwen, bedoeld in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&z=2025-07-17&g=2025-07-17).
3. Onze Minister en het Instituut werken nauw samen en stemmen de uitvoering van de versterking op grond van [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&z=2025-07-17&g=2025-07-17) en de vergoeding van de schade op grond van [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=2&z=2025-07-17&g=2025-07-17) op elkaar af, tenzij eigenaren aangeven dat ze deze afstemming niet willen.
4. Indien de eigenaar van een gebouw dat wenst, wordt de vergoeding van de schade en de versterking van zijn gebouw in samenhang behandeld. De eigenaar krijgt de keuze om de vergoeding van de schade, bedoeld in [hoofdstuk 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=2&z=2025-07-17&g=2025-07-17), en de versterking van zijn gebouw, bedoeld in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&z=2025-07-17&g=2025-07-17), te laten coördineren door Onze Minister of door het Instituut.
### Hoofdstuk 3. Aansturing en toezicht
@@ -450,7 +450,7 @@
##### Artikel 19a
1. Op een beroep tegen een versterkingsbesluit, een besluit als bedoeld in [artikel 13i, tweede en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13i&z=2025-03-14&g=2025-03-14), een besluit als bedoeld in [artikel 13k, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13k&z=2025-03-14&g=2025-03-14), en een besluit als bedoeld in [artikel 13l, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13l&z=2025-03-14&g=2025-03-14), beslist de Afdeling bestuursrechtspraak binnen zes maanden na ontvangst van het verweerschrift.
1. Op een beroep tegen een versterkingsbesluit, een besluit als bedoeld in [artikel 13i, tweede en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13i&z=2025-07-17&g=2025-07-17), en een besluit als bedoeld in [artikel 13k, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13k&z=2025-07-17&g=2025-07-17), beslist de Afdeling bestuursrechtspraak binnen zes maanden na ontvangst van het verweerschrift.
2. In bijzondere omstandigheden kan de Afdeling bestuursrechtspraak de in het eerste lid genoemde termijn met ten hoogste drie maanden verlengen.
@@ -458,47 +458,55 @@
##### Artikel 22b
1. Een plan van een gemeenteraad dat hetzelfde doel nastreeft als een programma als bedoeld in [artikel 13g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13g&z=2025-03-14&g=2025-03-14), wordt daarmee gelijkgesteld.
2. Een risicoprofiel, een beoordeling of een gebouw voldoet aan de veiligheidsnorm of een besluit daarover, een besluit tot versterken en een besluit tot niet versterken die krachtens [artikel 52g van de Mijnbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=52g) zijn vastgesteld, respectievelijk genomen, worden met ingang van de datum van inwerkingtreding van [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&z=2025-03-14&g=2025-03-14) gelijkgesteld met een risicoprofiel als bedoeld in [artikel 13e, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13e&z=2025-03-14&g=2025-03-14), een beoordeling als bedoeld in [artikel 13i, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13i&z=2025-03-14&g=2025-03-14), een versterkingsbesluit, respectievelijk een besluit als bedoeld in artikel 13i, zesde lid of [artikel 13k, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13k&z=2025-03-14&g=2025-03-14).
3. Voor de toepassing van het tweede lid, wordt als de datum van de dagtekening, bedoeld in [artikel 13j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13j&z=2025-03-14&g=2025-03-14), de datum van inwerkingtreding van [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&z=2025-03-14&g=2025-03-14) aangemerkt.
4. Indien een beoordeling heeft plaatsgevonden voor een bij ministeriële regeling te bepalen tijdstip en uit die beoordeling blijkt dat een gebouw niet aan de veiligheidsnorm voldoet en de uitvoering van de versterkingsmaatregelen nog niet is aangevangen, kan Onze Minister op verzoek van de eigenaar het gebouw laten beoordelen op een bij of krachtens [artikel 13h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13h&z=2025-03-14&g=2025-03-14) voorgeschreven wijze.
5. Indien een nieuwe beoordeling als bedoeld in het vierde lid plaatsvindt en krachtens [artikel 52g van de Mijnbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=52g) voor het gebouw een besluit is vastgesteld, trekt Onze Minister het op grond van het tweede lid daarmee gelijkgestelde besluit in en besluit Onze Minister op basis van de nieuwe beoordeling overeenkomstig [artikel 13i, tweede tot en met zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13i&z=2025-03-14&g=2025-03-14), en de [artikelen 13j tot en met 13m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13j&z=2025-03-14&g=2025-03-14).
1. Een plan van een gemeenteraad dat hetzelfde doel nastreeft als een programma als bedoeld in [artikel 13g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13g&z=2025-07-17&g=2025-07-17), wordt daarmee gelijkgesteld.
2. Met ingang van de datum van inwerkingtreding van [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&z=2025-07-17&g=2025-07-17) wordt een krachtens [artikel 52g van de Mijnbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=52g):
- a. vastgesteld risicoprofiel gelijkgesteld met een risicoprofiel als bedoeld in [artikel 13e, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13e&z=2025-07-17&g=2025-07-17);
- b. vastgestelde beoordeling of een gebouw voldoet aan de veiligheidsnorm of een besluit daarover gelijkgesteld met een beoordeling als bedoeld in [artikel 13i, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13i&z=2025-07-17&g=2025-07-17);
- c. genomen besluit tot versterken of gesloten overeenkomst tot vergoeding van kosten voor het treffen van versterkingsmaatregelen gelijkgesteld met een versterkingsbesluit; en
- d. genomen besluit tot niet-versterken gelijkgesteld met een besluit als bedoeld in [artikel 13i, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13i&z=2025-07-17&g=2025-07-17), of [13k, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13k&z=2025-07-17&g=2025-07-17).
3. Voor de toepassing van het tweede lid, wordt als de datum van de dagtekening, bedoeld in [artikel 13j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13j&z=2025-07-17&g=2025-07-17), de datum van inwerkingtreding van [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&z=2025-07-17&g=2025-07-17) aangemerkt.
4. Indien een beoordeling heeft plaatsgevonden op een bij ministeriële regeling te bepalen wijze en uit die beoordeling blijkt dat een gebouw niet aan de veiligheidsnorm voldoet en de uitvoering van de versterkingsmaatregelen nog niet is aangevangen, kan Onze Minister het gebouw laten beoordelen op een bij of krachtens [artikel 13h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13h&z=2025-07-17&g=2025-07-17) voorgeschreven wijze.
5. Indien een nieuwe beoordeling als bedoeld in het vierde lid plaatsvindt en krachtens [artikel 52g van de Mijnbouwwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&artikel=52g) voor het gebouw een besluit is vastgesteld, trekt Onze Minister het op grond van het tweede lid daarmee gelijkgestelde besluit in en besluit Onze Minister op basis van de nieuwe beoordeling overeenkomstig [artikel 13i, tweede tot en met zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13i&z=2025-07-17&g=2025-07-17), en de [artikelen 13j tot en met 13m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13j&z=2025-07-17&g=2025-07-17).
6. Onze Minister kan een vergoeding verstrekken aan de eigenaar die op grond van het vierde lid in aanmerking komt voor een nieuwe beoordeling.
7. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de vergoeding, bedoeld in het zesde lid.
7. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over het besluit, bedoeld in het vierde lid, en over de vergoeding, bedoeld in het zesde lid.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
##### Artikel 13a
1. Dit hoofdstuk, met uitzondering van [artikel 13ba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13ba&z=2025-03-14&g=2025-03-14), is uitsluitend van toepassing op gebouwen in de gemeenten Eemsdelta, Groningen, Het Hogeland, Midden-Groningen en Oldambt.
1. Dit hoofdstuk, met uitzondering van [artikel 13ba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13ba&z=2025-07-17&g=2025-07-17), is uitsluitend van toepassing op gebouwen in de gemeenten Eemsdelta, Groningen, Het Hogeland, Midden-Groningen en Oldambt.
2. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald dat dit hoofdstuk niet van toepassing is, of onderdelen daarvan niet van toepassing zijn, op gebouwen of categorieën van gebouwen waarvoor op een andere wijze in de versterking wordt voorzien.
3. In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister onderzoeken of een gebouw dat niet gelegen is in de in dat lid genoemde gemeenten mogelijk versterking behoeft, indien er een redelijk vermoeden bestaat dat het gebouw versterkt moet worden in verband met de gevolgen van beweging van de bodem door aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of als gevolg van de gasopslag bij Norg of de gasopslag bij Grijpskerk. Indien uit het onderzoek blijkt dat het gebouw mogelijk versterking behoeft, zijn de [artikelen 13h tot en met 13m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13h&z=2025-03-14&g=2025-03-14) van overeenkomstige toepassing.
3. In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister onderzoeken of een gebouw dat niet gelegen is in de in dat lid genoemde gemeenten mogelijk versterking behoeft, indien er een redelijk vermoeden bestaat dat het gebouw versterkt moet worden in verband met de gevolgen van beweging van de bodem door aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of als gevolg van de gasopslag bij Norg of de gasopslag bij Grijpskerk. Indien uit het onderzoek blijkt dat het gebouw mogelijk versterking behoeft, zijn de [artikelen 13h tot en met 13m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13h&z=2025-07-17&g=2025-07-17) van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 13b
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- **Adviescollege:** het Adviescollege Veiligheid Groningen, bedoeld in [artikel 13c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13c&z=2025-03-14&g=2025-03-14);
- **Adviescollege:** het Adviescollege Veiligheid Groningen, bedoeld in [artikel 13c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13c&z=2025-07-17&g=2025-07-17);
- **beschermd monument:** monument als bedoeld in [artikel 1.1 van de Erfgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=1.1) dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen of een rijksmonument;
- **college:** college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eemsdelta, Groningen, Het Hogeland, Midden-Groningen of Oldambt;
- **programma:** programma van aanpak als bedoeld in [artikel 13g, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13g&z=2025-03-14&g=2025-03-14);
- **programma:** programma van aanpak als bedoeld in [artikel 13g, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13g&z=2025-07-17&g=2025-07-17);
- **rijksmonument:** monument als bedoeld in [artikel 1.1 van de Erfgoedwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037521&artikel=1.1);
- **risicoprofiel:** risicoprofiel als bedoeld in [artikel 13e, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13e&z=2025-03-14&g=2025-03-14);
- **versterkingsmaatregelen:** maatregelen als bedoeld in [artikel 13j, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13j&z=2025-03-14&g=2025-03-14).
- **risicoprofiel:** risicoprofiel als bedoeld in [artikel 13e, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13e&z=2025-07-17&g=2025-07-17);
- **versterkingsmaatregelen:** maatregelen als bedoeld in [artikel 13j, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13j&z=2025-07-17&g=2025-07-17).
##### Artikel 13ba
@@ -510,7 +518,13 @@
2. Het Adviescollege bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijf leden, onder wie de voorzitter.
3. Het Adviescollege heeft tot taak Onze Minister te adviseren over de regels, bedoeld in de [artikelen 13e, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13e&z=2025-03-14&g=2025-03-14), en [13h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13h&z=2025-03-14&g=2025-03-14). In de adviezen wordt aandacht besteed aan de laatste bouwkundige en seismische inzichten, de laatste inzichten over toekomstige gaswinning, de uitvoerbaarheid van de regels en de doeltreffendheid van de regels in de praktijk.
3. Het Adviescollege heeft tot taak Onze Minister te adviseren over:
- a. de regels, bedoeld in de [artikelen 13e, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13e&z=2025-07-17&g=2025-07-17), en [13h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13h&z=2025-07-17&g=2025-07-17), waarbij in de adviezen aandacht wordt besteed aan de laatste bouwkundige en seismische inzichten, de laatste inzichten over toekomstige gaswinning, de uitvoerbaarheid van de regels en de doeltreffendheid van de regels in de praktijk;
- b. de relatie tussen beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of als gevolg van de gasopslag bij Norg of de gasopslag bij Grijpskerk, en de veiligheid;
- c. schade die van invloed is op de constructieve veiligheid van gebouwen.
4. Het Adviescollege raadpleegt bij de voorbereiding van zijn adviezen de colleges en de inspecteur-generaal der mijnen over de uitvoerbaarheid van de adviezen en de doeltreffendheid van de adviezen in de praktijk.
@@ -522,7 +536,7 @@
##### Artikel 13e
1. Onze Minister stelt risicoprofielen vast van gebouwen waarvoor nog geen beoordeling als bedoeld in [artikel 13i, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13i&z=2025-03-14&g=2025-03-14), heeft plaatsgevonden en actualiseert deze risicoprofielen, indien nodig, jaarlijks.
1. Onze Minister stelt risicoprofielen vast van gebouwen waarvoor nog geen beoordeling als bedoeld in [artikel 13i, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13i&z=2025-07-17&g=2025-07-17), heeft plaatsgevonden en actualiseert deze risicoprofielen, indien nodig, jaarlijks.
2. Bij de actualisatie van de risicoprofielen krijgt een gebouw waarvoor een risicoprofiel is vastgesteld, niet een lager risicoprofiel.
@@ -530,7 +544,7 @@
##### Artikel 13f
1. Onze Minister zendt een overzicht van de risicoprofielen van gebouwen, bedoeld in [artikel 13e, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13e&z=2025-03-14&g=2025-03-14), toe aan het betrokken college en aan de inspecteur-generaal der mijnen.
1. Onze Minister zendt een overzicht van de risicoprofielen van gebouwen, bedoeld in [artikel 13e, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13e&z=2025-07-17&g=2025-07-17), toe aan het betrokken college en aan de inspecteur-generaal der mijnen.
2. Op verzoek van de eigenaar verstrekt Onze Minister het risicoprofiel van het gebouw aan de eigenaar nadat dit is vastgesteld en informeert de eigenaar over het verdere verloop van de versterking van zijn gebouw.
@@ -568,7 +582,7 @@
##### Artikel 13i
1. Onze Minister beoordeelt conform de prioritering in het programma van aanpak of een gebouw aan de veiligheidsnorm voldoet.
1. Onze Minister beoordeelt of een gebouw aan de veiligheidsnorm voldoet. De beoordeling vindt plaats overeenkomstig de prioritering in het programma, tenzij uit het onderzoek, bedoeld in [artikel 13g, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13g&z=2025-07-17&g=2025-07-17), blijkt dat er gegronde vermoedens zijn dat sprake is van een acuut onveilige situatie.
2. Indien een gebouw aan de veiligheidsnorm voldoet, neemt Onze Minister een besluit inhoudende dat het gebouw aan de veiligheidsnorm voldoet en geen versterkingsmaatregelen noodzakelijk zijn. Dit besluit bevat zo nodig een vergoeding van de door eigenaar geleden schade die een direct gevolg is van de beoordeling of een gebouw aan de veiligheidsnorm voldoet. De minister zendt een afschrift van dit besluit aan het college van de gemeente waarin het gebouw is gelegen en, indien het gebouw of het terrein waarop het staat een rijksmonument is, aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
@@ -576,17 +590,17 @@
4. In het geval, bedoeld in het derde lid, wordt in overleg met de eigenaar van het gebouw een versterkingsbesluit voorbereid.
5. De eigenaar van een gebouw kan schriftelijk bij Onze Minister bedenkingen indienen over de beoordeling, bedoeld in het derde lid, tot het tijdstip waarop de minister een versterkingsbesluit heeft bekendgemaakt.
6. Indien de eigenaar bedenkingen als bedoeld in het vijfde lid indient, neemt Onze Minister binnen acht weken na ontvangst ervan en met inachtneming van de ingediende bedenkingen een versterkingsbesluit of, indien de eigenaar daarom heeft verzocht, een besluit dat het gebouw niet wordt versterkt indien daardoor de belangen van gebruikers of derde belanghebbenden niet worden geschaad. In bijzondere gevallen verband houdende met de complexiteit daarvan of het aantal te nemen besluiten kan de termijn, genoemd in de eerste volzin, eenmaal worden verlengd met ten hoogste zes weken.
7. Indien een besluit, bedoeld in het zesde lid, wordt genomen dat een gebouw niet wordt versterkt, zendt Onze Minister een afschrift hiervan aan het college van de gemeente waarin het gebouw is gelegen en, indien het gebouw of het terrein waarop het staat een rijksmonument is, aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en draagt de minister zorg voor inschrijving van dit besluit in de openbare registers, bedoeld in [artikel 16 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=16), nadat het besluit onherroepelijk is geworden.
8. De inschrijving in het register, bedoeld in het zevende lid, nadat het besluit onherroepelijk is geworden, laat onverlet de mogelijkheid van een eigenaar om terug te komen op een keuze om een gebouw niet te versterken. Indien de eigenaar de keuze om een gebouw wel te versterken kenbaar maakt aan Onze Minister, neemt Onze Minister een nieuw versterkingsbesluit en draagt tevens zorg voor de doorhaling van het eerdere besluit in het register.
5. De eigenaar van een gebouw kan schriftelijk bij Onze Minister bedenkingen indienen over de beoordeling, bedoeld in het derde lid, of een verzoek doen om het gebouw niet te versterken, tot het tijdstip waarop de minister een versterkingsbesluit heeft bekendgemaakt.
6. Indien de eigenaar bedenkingen of een verzoek om niet te versterken als bedoeld in het vijfde lid indient, neemt Onze Minister binnen acht weken na ontvangst ervan en met inachtneming van de ingediende bedenkingen een versterkingsbesluit of, indien de eigenaar daarom heeft verzocht, een besluit dat het gebouw niet wordt versterkt indien daardoor de belangen van gebruikers of derde belanghebbenden niet worden geschaad. In bijzondere gevallen verband houdende met de complexiteit daarvan of het aantal te nemen besluiten kan de termijn, genoemd in de eerste volzin, eenmaal worden verlengd met ten hoogste zes weken.
7. Indien een besluit, bedoeld in het zesde lid, wordt genomen dat een gebouw niet wordt versterkt, zendt Onze Minister een afschrift hiervan aan het college van de gemeente waarin het gebouw is gelegen en, indien het gebouw of het terrein waarop het staat een rijksmonument is, aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en draagt de minister zorg voor inschrijving van dit besluit in de openbare registers, bedoeld in [artikel 16 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=16).
8. De inschrijving in het register, bedoeld in het zevende lid, laat onverlet de mogelijkheid van een eigenaar om terug te komen op een keuze om een gebouw niet te versterken. Indien de eigenaar de keuze om een gebouw wel te versterken kenbaar maakt aan Onze Minister, neemt Onze Minister een nieuw versterkingsbesluit en draagt tevens zorg voor de doorhaling van het eerdere besluit in het register.
##### Artikel 13ia
1. In afwijking van [artikel 13i, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13i&z=2025-03-14&g=2025-03-14), kan de eigenaar de beoordeling of het gebouw aan de veiligheidsnorm voldoet in eigen beheer uitvoeren nadat hij het voornemen hiertoe aan Onze Minister heeft gemeld, indien:
1. In afwijking van [artikel 13i, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13i&z=2025-07-17&g=2025-07-17), kan de eigenaar de beoordeling of het gebouw aan de veiligheidsnorm voldoet in eigen beheer uitvoeren nadat hij het voornemen hiertoe aan Onze Minister heeft gemeld, indien:
- a. het gebouw deel uitmaakt van een programma;
@@ -602,9 +616,9 @@
4. Zodra de beoordeling is uitgevoerd zendt de eigenaar een afschrift van de beoordeling aan Onze Minister.
5. Indien de beoordeling volgens Onze Minister voldoet aan de regels, bedoeld in [artikel 13h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13h&z=2025-03-14&g=2025-03-14), en die regels op de juiste wijze zijn toegepast, en uit de beoordeling blijkt dat het gebouw aan de veiligheidsnorm voldoet, neemt Onze Minister binnen twaalf weken na ontvangst een besluit als bedoeld in [artikel 13i, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13i&z=2025-03-14&g=2025-03-14).
6. Indien de beoordeling volgens Onze Minister voldoet aan de regels, bedoeld in [artikel 13h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13h&z=2025-03-14&g=2025-03-14), en die regels op de juiste wijze zijn toegepast, en uit de beoordeling blijkt dat het gebouw niet aan de veiligheidsnorm voldoet, is [artikel 13i, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13i&z=2025-03-14&g=2025-03-14), van overeenkomstige toepassing, tenzij toepassing wordt gegeven aan [artikel 13ib, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13ib&z=2025-03-14&g=2025-03-14).
5. Indien de beoordeling volgens Onze Minister voldoet aan de regels, bedoeld in [artikel 13h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13h&z=2025-07-17&g=2025-07-17), en die regels op de juiste wijze zijn toegepast, en uit de beoordeling blijkt dat het gebouw aan de veiligheidsnorm voldoet, neemt Onze Minister binnen twaalf weken na ontvangst een besluit als bedoeld in [artikel 13i, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13i&z=2025-07-17&g=2025-07-17).
6. Indien de beoordeling volgens Onze Minister voldoet aan de regels, bedoeld in [artikel 13h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13h&z=2025-07-17&g=2025-07-17), en die regels op de juiste wijze zijn toegepast, en uit de beoordeling blijkt dat het gebouw niet aan de veiligheidsnorm voldoet, is [artikel 13i, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13i&z=2025-07-17&g=2025-07-17), van overeenkomstige toepassing, tenzij toepassing wordt gegeven aan [artikel 13ib, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13ib&z=2025-07-17&g=2025-07-17).
7. De eigenaar van een gebouw die ervoor kiest om de beoordeling in eigen beheer te laten plaatsvinden, kan tijdens de uitvoering hiervan ervoor kiezen deze alsnog door Onze Minister te laten plaatsvinden. Indien nodig wordt daarop de vergoeding, bedoeld in het derde lid, aangepast.
@@ -612,7 +626,7 @@
##### Artikel 13ib
1. In afwijking van [artikel 13i, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13i&z=2025-03-14&g=2025-03-14), kan de eigenaar van een gebouw dat blijkens een beoordeling als bedoeld in artikel 13i, eerste lid, of [artikel 13ia, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13ia&z=2025-03-14&g=2025-03-14), niet aan de veiligheidsnorm voldoet, ervoor kiezen om een overzicht van maatregelen die nodig zijn om het gebouw aan de veiligheidsnorm te laten voldoen in eigen beheer op te stellen, nadat hij het voornemen hiertoe aan Onze Minister heeft gemeld, indien:
1. In afwijking van [artikel 13i, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13i&z=2025-07-17&g=2025-07-17), kan de eigenaar van een gebouw dat blijkens een beoordeling als bedoeld in artikel 13i, eerste lid, of [artikel 13ia, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13ia&z=2025-07-17&g=2025-07-17), niet aan de veiligheidsnorm voldoet, ervoor kiezen om een overzicht van maatregelen die nodig zijn om het gebouw aan de veiligheidsnorm te laten voldoen in eigen beheer op te stellen, nadat hij het voornemen hiertoe aan Onze Minister heeft gemeld, indien:
- a. het gebouw niet constructief verbonden is met een ander gebouw, tenzij alle eigenaren van de constructief verbonden gebouwen gezamenlijk en gelijktijdig het overzicht van maatregelen opstellen;
@@ -622,17 +636,23 @@
2. Onze Minister informeert de betrokken gemeente over het voornemen, bedoeld in het eerste lid.
3. Op verzoek van de eigenaar verstrekt Onze Minister binnen twaalf weken na ontvangst van het verzoek een vergoeding voor de kosten van het opstellen van het overzicht, indien de beoordeling voldoet aan de regels, bedoeld in [artikel 13h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13h&z=2025-03-14&g=2025-03-14), en die regels op de juiste wijze zijn toegepast.
3. Op verzoek van de eigenaar verstrekt Onze Minister binnen twaalf weken na ontvangst van het verzoek een vergoeding voor de kosten van het opstellen van het overzicht, indien de beoordeling voldoet aan de regels, bedoeld in [artikel 13h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13h&z=2025-07-17&g=2025-07-17), en die regels op de juiste wijze zijn toegepast.
4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de vergoeding, bedoeld in het derde lid.
##### Artikel 13j
1. Onze Minister neemt binnen een in overleg met de eigenaar te bepalen redelijke termijn, maar uiterlijk binnen één jaar na de dagtekening van de beoordeling, bedoeld in [artikel 13i, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13i&z=2025-03-14&g=2025-03-14), een versterkingsbesluit dat in ieder geval bevat:
- a. een overzicht van de te treffen versterkingsmaatregelen die nodig zijn om een gebouw aan de veiligheidsnorm te laten voldoen, en
- b. de aanspraak van de eigenaar op vergoeding van de kosten voor de voorbereiding of de uitvoering van de versterkingsmaatregelen, bedoeld in onderdeel a.
1. Onze Minister neemt binnen een in overleg met de eigenaar te bepalen redelijke termijn, maar uiterlijk binnen één jaar na de dagtekening van de beoordeling, bedoeld in [artikel 13i, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13i&z=2025-07-17&g=2025-07-17), een versterkingsbesluit dat in ieder geval bevat:
- a. een overzicht van de te treffen versterkingsmaatregelen die nodig zijn om een gebouw aan de veiligheidsnorm te laten voldoen;
- b. de aanspraak van de eigenaar op vergoeding van de kosten voor de voorbereiding of de uitvoering van de versterkingsmaatregelen, bedoeld in onderdeel a;
- c. de aanspraak van de eigenaar op vergoeding van door de eigenaar geleden schade die een direct gevolg is van:
- 1°. de beoordeling of het gebouw aan de veiligheidsnorm voldoet;
- 2°. de voorbereiding en uitvoering van de versterkingsmaatregelen.
2. In bijzondere gevallen verband houdende met de complexiteit daarvan of het aantal te nemen besluiten kan de termijn, genoemd in het eerste lid, eenmaal worden verlengd met een redelijke termijn.
@@ -644,9 +664,9 @@
6. In een versterkingsbesluit kunnen op verzoek van de eigenaar werkzaamheden worden opgenomen die niet noodzakelijk zijn om een gebouw aan de veiligheidsnorm te laten voldoen, indien deze werkzaamheden geen onredelijke vertraging opleveren voor het laten voldoen van het gebouw of andere gebouwen aan de veiligheidsnorm. Onze Minister bepaalt in hoeverre de werkzaamheden worden uitgevoerd voor rekening van de eigenaar.
7. Onze Minister verbindt aan het versterkingsbesluit de voorwaarde dat de aanspraak, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, vervalt indien:
- a. door de exploitant met de eigenaar of diens vertegenwoordiger een vaststellingsovereenkomst is gesloten, tenzij dit zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard;
7. Onze Minister verbindt aan het versterkingsbesluit de voorwaarde dat de aanspraak, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, vervalt, tenzij dit zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, indien:
- a. door de exploitant met de eigenaar of diens vertegenwoordiger een vaststellingsovereenkomst is gesloten;
- b. door de eigenaar of diens vertegenwoordiger met de exploitant onderhandeld wordt met het doel te komen tot een vergoeding van de kosten van de versterkingsmaatregelen;
@@ -660,19 +680,19 @@
10. Onze Minister kan naast de voorwaarde, bedoeld in het zevende lid, aan het versterkingsbesluit andere voorwaarden verbinden.
11. Indien het versterkingsbesluit betrekking heeft op een rijksmonument zendt Onze Minister onmiddellijk na de bekendmaking van het versterkingsbesluit een afschrift van dat besluit aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, indien het rijksmonument is gelegen buiten de bebouwde kom aan gedeputeerde staten.
11. Indien het versterkingsbesluit betrekking heeft op een rijksmonument zendt Onze Minister onmiddellijk na de bekendmaking van het versterkingsbesluit een afschrift van dat besluit aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, indien het rijksmonument is gelegen buiten de bebouwde kom aan betrokken gedeputeerde staten.
12. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de aanspraak, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, en kunnen nadere regels worden gesteld over het bepaalde in het zevende en achtste lid.
##### Artikel 13ja
1. In afwijking van [artikel 13j, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13j&z=2025-03-14&g=2025-03-14), neemt Onze Minister een versterkingsbesluit binnen acht weken na ontvangst van een aanvraag van de eigenaar van een gebouw die in eigen beheer een overzicht als bedoeld in [artikel 13ib, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13ib&z=2025-03-14&g=2025-03-14), heeft opgesteld van de maatregelen die nodig zijn om het gebouw aan de veiligheidsnorm te laten voldoen.
2. De aanvraag bevat het overzicht en de beoordeling of het gebouw aan de veiligheidsnorm voldoet, indien de beoordeling in eigen beheer is uitgevoerd als bedoeld in [artikel 13ia, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13ia&z=2025-03-14&g=2025-03-14).
1. In afwijking van [artikel 13j, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13j&z=2025-07-17&g=2025-07-17), neemt Onze Minister een versterkingsbesluit binnen acht weken na ontvangst van een aanvraag van de eigenaar van een gebouw die in eigen beheer een overzicht als bedoeld in [artikel 13ib, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13ib&z=2025-07-17&g=2025-07-17), heeft opgesteld van de maatregelen die nodig zijn om het gebouw aan de veiligheidsnorm te laten voldoen.
2. De aanvraag bevat het overzicht en de beoordeling of het gebouw aan de veiligheidsnorm voldoet, indien de beoordeling in eigen beheer is uitgevoerd als bedoeld in [artikel 13ia, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13ia&z=2025-07-17&g=2025-07-17).
3. Onze Minister kan de aanvraag geheel of gedeeltelijk afwijzen indien:
- a. de beoordeling niet voldoet aan de regels, bedoeld in [artikel 13h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13h&z=2025-03-14&g=2025-03-14), of die regels niet op de juiste wijze zijn toegepast; of
- a. de beoordeling niet voldoet aan de regels, bedoeld in [artikel 13h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13h&z=2025-07-17&g=2025-07-17), of die regels niet op de juiste wijze zijn toegepast; of
- b. het overzicht niet de maatregelen bevat die naar het oordeel van de minister nodig zijn om het gebouw aan de veiligheidsnorm te laten voldoen.
@@ -680,9 +700,9 @@
##### Artikel 13k
1. Indien Onze Minister door toedoen van de eigenaar of gebruiker niet kan vaststellen of een gebouw aan de veiligheidsnorm voldoet en belangen van de eigenaar, gebruiker of derde belanghebbenden niet worden geschaad, besluit de minister dat een gebouw niet wordt versterkt. De minister zendt een afschrift van dit besluit aan het college van de gemeente waarin het gebouw is gelegen, en, indien het gebouw of het terrein waarop het staat een rijksmonument is, aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en draagt zorg voor inschrijving van dit besluit in de openbare registers, bedoeld in [artikel 16 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=16), nadat het besluit onherroepelijk is geworden.
2. Onze Minister kan ten behoeve van de beoordeling, bedoeld in [artikel 13i, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13i&z=2025-03-14&g=2025-03-14), de uitvoering van de versterkingsmaatregelen en voor het gebruik, bedoeld in het derde lid, personen aanwijzen die bevoegd zijn met medeneming van de benodigde apparatuur en andere hulpmiddelen, een gebouw met inbegrip van een woning binnen te treden.
1. Indien Onze Minister door toedoen van de eigenaar niet kan vaststellen of een gebouw aan de veiligheidsnorm voldoet of indien het Onze Minister ook na herhaalde pogingen en een uiterste inspanning niet mogelijk is met medewerking van de eigenaar het versterkingsbesluit voor te bereiden, en de belangen van de eigenaar, gebruiker of derde belanghebbenden niet worden geschaad, besluit de minister dat een gebouw niet wordt versterkt. De minister zendt een afschrift van dit besluit aan het college van de gemeente waarin het gebouw is gelegen, en, indien het gebouw of het terrein waarop het staat een rijksmonument is, aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en draagt zorg voor inschrijving van dit besluit in de openbare registers, bedoeld in [artikel 16 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=16).
2. Onze Minister kan ten behoeve van de beoordeling, bedoeld in [artikel 13i, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13i&z=2025-07-17&g=2025-07-17), de uitvoering van de versterkingsmaatregelen en voor het gebruik, bedoeld in het derde lid, personen aanwijzen die bevoegd zijn met medeneming van de benodigde apparatuur en andere hulpmiddelen, een gebouw met inbegrip van een woning binnen te treden.
3. Indien voor de uitvoering van de versterkingsmaatregelen gebruik moet worden gemaakt van een onroerende zaak waarop het versterkingsbesluit geen betrekking heeft, kan Onze Minister besluiten de rechthebbende met wie daarover geen overeenstemming is bereikt, behoudens recht op schadevergoeding, de verplichting op te leggen om te gedogen dat zijn onroerende zaak wordt gebruikt voor de uitvoering van die maatregelen.
@@ -692,7 +712,7 @@
##### Artikel 13l
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Onze Minister, het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeenten, betrokken gedeputeerde staten en Onze Minister die het aangaat, maken in een samenwerkingsovereenkomst afspraken over de onderlinge afstemming van de besluiten die nodig zijn bij de voorbereiding van een versterkingsbesluit.
##### Artikel 13m
@@ -710,7 +730,7 @@
1. Als een bijzonder doeleinde als bedoeld in [artikel 37b van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=37b) waarvoor het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, bedoeld in [artikel 2 van de Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=2), subsidie verstrekt, wordt aangemerkt, het door de eigenaar van een gebouw:
- a. indienen van een zienswijze in het kader van de aanvraag om vergoeding van schade bij het Instituut en de afwikkeling van schade en leveren van inbreng bij de voorbereiding van een versterkingsbesluit na ontvangst van de beoordeling, bedoeld in [artikel 13i, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13i&z=2025-03-14&g=2025-03-14), en de uitvoering van de versterkingsmaatregelen;
- a. indienen van een zienswijze in het kader van de aanvraag om vergoeding van schade bij het Instituut en de afwikkeling van schade en leveren van inbreng bij de voorbereiding van een versterkingsbesluit na ontvangst van de beoordeling, bedoeld in [artikel 13i, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13i&z=2025-07-17&g=2025-07-17), en de uitvoering van de versterkingsmaatregelen;
- b. maken van bezwaar of het instellen van beroep tegen een besluit van het Instituut of van Onze Minister op grond van deze wet.
@@ -720,7 +740,7 @@
4. Het Instituut verstrekt aan de eigenaar van een gebouw een vergoeding voor de kosten die hij maakt voor bouwkundig en financieel advies ten behoeve van het indienen van een zienswijze in het kader van de aanvraag om vergoeding van schade en de afwikkeling van schade, indien dit advies niet wordt ingeroepen in het kader van het verlenen van rechtsbijstand.
5. Onze Minister verstrekt aan de eigenaar van een gebouw een vergoeding voor de kosten die hij maakt voor bouwkundig en financieel advies ten behoeve van het leveren van inbreng bij de voorbereiding van een versterkingsbesluit na ontvangst van de beoordeling, bedoeld in [artikel 13i, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13i&z=2025-03-14&g=2025-03-14), en de uitvoering van de versterkingsmaatregelen, indien dit advies niet wordt ingeroepen in het kader van het verlenen van rechtsbijstand.
5. Onze Minister verstrekt aan de eigenaar van een gebouw een vergoeding voor de kosten die hij maakt voor bouwkundig en financieel advies ten behoeve van het leveren van inbreng bij de voorbereiding van een versterkingsbesluit na ontvangst van de beoordeling, bedoeld in [artikel 13i, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&hoofdstuk=5&artikel=13i&z=2025-07-17&g=2025-07-17), en de uitvoering van de versterkingsmaatregelen, indien dit advies niet wordt ingeroepen in het kader van het verlenen van rechtsbijstand.
6. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld over het verstrekken van de vergoeding, bedoeld in het vierde en vijfde lid.
2025-03-14
Tijdelijke wet Groningen — arts. 21, 22
2024-05-16
Tijdelijke wet Groningen — arts. 21, 21, 22, 22
2024-05-01
Tijdelijke wet Groningen — arts. 21, 21, 22, 22
2023-07-01
Tijdelijke wet Groningen — art. 13
2023-06-20
Tijdelijke wet Groningen — arts. 21, 22, 3 y 4 más
2023-05-16
Tijdelijke wet Groningen — arts. 21, 21, 22 y 15 más
2023-05-15
Tijdelijke wet Groningen
2020-07-01
Tijdelijke wet Groningen — art. 13
2018-01-01
Tijdelijke wet Groningen — arts. 1, 2, 2 y 16 más
2018-01-01
Tijdelijke wet Groningen
original version
Tekst op deze datum