← Geldende tekst · Geschiedenis

Leidraad FATCA/CRS met technische toelichting bij de NL IGA en de CRS-regelgeving

Geldende tekst a fecha 2020-06-24

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Inleiding

Hoofdstuk 1. Verduidelijkingen voor de CRS en de NL IGA aanvullend op het CRS-commentaar

Sectie I. Algemene rapportageverplichtingen

Sectie II. Algemene due diligence-bepalingen

Sectie III. Due diligence-bepalingen ten aanzien van bestaande rekeningen van natuurlijke personen

Sectie IV. Due diligence-bepalingen ten aanzien van nieuwe rekeningen van natuurlijke personen

Sectie V. Due diligence-bepalingen ten aanzien van bestaande rekeningen van entiteiten

1.22. Gebruik van SBI-codes

Voor de bepaling of een rekeninghouder een actieve of passieve NFE is moet een FI zich baseren op de self certification van de rekeninghouder om diens status vast te stellen, tenzij de FI informatie in haar bezit heeft of er publiek beschikbare informatie is op basis waarvan zij kan vaststellen dat de rekeninghouder een actieve NFE is of een FI anders dan een beleggingsinstelling beschreven in sectie VIII, onderdeel A, punt 6, onder b, die geen FI is in een deelnemend rechtsgebied. Volgens het CRS-commentaar kan voor de publiek beschikbare informatie geput worden uit het gestandaardiseerde industriecodesysteem. Voorbeelden die worden genoemd zijn de International Standard Industrial Classification (ISIC) van de Verenigde Naties, de statistische classificatie van de economische activiteiten in de Europese Unie (NACE), en het Noord-Amerikaanse Industry Classification System (NAICS). Hieronder kan zowel voor de NL IGA als voor de CRS worden verstaan de zogenaamde ‘StandaardBedrijfsIndeling’ (SBI) codes + aanvullende code. De SBI mag alleen gebruikt worden als er reeds geclassificeerd was in kader van AML/KYC en er geen reden is hieraan te twijfelen. (Zie het CRS-commentaar op Sectie V, paragraaf D, punt 12 en Sectie VIII, paragraaf E(6), punt 154.)

(Sectie V.D.2.a en VI.2.a van de CRS en onderdeel IV.D.4.b van Bijlage 1 NL IGA)

1.23. Identificatie passieve of actieve NFE (‘presumption rule’)

Voor de identificatie van een rekeninghouder kan de FI – behalve op grond van de bij de FI zelf beschikbare informatie – ook op grond van publiekelijk beschikbare informatie vaststellen of sprake is van een FI of van een actieve NFE. Als dit op grond van de beschikbare informatie niet is vast te stellen, moet de FI aan de rekeninghouder een self certification-formulier toezenden. Als de rekeninghouder na herhaaldelijk verzoek zijn self certification-formulier niet terugstuurt aan de FI, dan wordt de rekeninghouder geacht een passieve NFE te zijn. De FI moet dan de rekeninghouder als zodanig kwalificeren en de uiteindelijk belanghebbende(n) (UBO/‘Controlling Persons’) identificeren aan de hand van onderdeel IV.D.4.c.1 van Bijlage I NL IGA en de vereiste gegevens rapporteren als een uiteindelijk belanghebbende (UBO) een Amerikaanse persoon is. Hetzelfde geldt voor de CRS (op grond van artikel 6, eerste en vierde lid, UB CRS en het CRS-commentaar op Sectie V.D(2), punten 20 en 24). Dat wil zeggen dat de FI de uiteindelijk belanghebbende(n) moet identificeren aan de hand van Sectie III.B.2 van de CRS. Voor de CRS is het mogelijk dat er indicatoren zijn naar meer dan één land. Als een rekeninghouder na herhaaldelijk verzoek geen self certification-formulier indient, rapporteert de FI de rekeninghouden en/of zijn uiteindelijk belanghebbenden naar de landen ten aanzien waarvan er indicatoren zijn.

(Sectie V.D.2.a CRS en onderdeel IV.D.3.a, 4.b en c.1 NL IGA.)

1.24. Kwalificatie van non-profit organisatie (NPO) als actieve NFE

Een NPO die voldoet aan alle voorwaarden van CRS Sectie VIII.D.9.h. is een Actieve NFE en niet een FI ook al wordt haar vermogen door een FI beheerd.

Een Professionally Managed Investment Entity die niet aan deze voorwaarden voldoet is geen actieve NFE in de zin van Sectie VIII.D.9.h. CRS.

(Zie Sectie VIII.D.9.h CRS)

Sectie VI. Due diligence-bepalingen ten aanzien van nieuwe rekeningen van entiteiten

Sectie VII. Bijzondere due diligence-bepalingen

Sectie VIII. Definities

1.29. (Dubbel) inwonerschap van een FI en feitelijke leiding

Een FI valt onder de jurisdictie waar zij fiscaal gevestigd is (CRS-commentaar bij Sectie VIII.A 2). De nationale wet van een jurisdictie bepaalt wanneer sprake is van fiscaal inwonerschap. De Belastingdienst beoordeelt op grond van de criteria van artikel 4 AWR of een FI inwoner is van Nederland en daarmee onder het toepassingsbereik van de CRS valt. Voor de NL IGA is dit ter verduidelijking in het Memorandum of Understanding (MoU) opgenomen.

(Kamerstukken II 2013/14, 33 985, nr. 3 , Bijlage, Goedkeuringswet NL IGA.)

Een Nederlands filiaal van een buitenlandse bank moet in Nederland aan de rapportageverplichtingen voldoen. De Belastingdienst zal voor een FI bepalen waar de feitelijke leiding van die FI zich bevindt (artikel 4 AWR). Zij kan daarbij betekenis toekennen aan onder andere de volgende omstandigheden:

Een FI kan elders geen fiscale vestigingsplaats hebben, bijvoorbeeld omdat ze wordt behandeld als fiscaal transparant. In lijn met het genoemde CRS-commentaar, is deze FI een in Nederland gevestigde financiële instelling als zij aan een van de volgende voorwaarden voldoet:

Een FI kan voor belastingdoeleinden inwoner zijn van meer jurisdicties.

Andere jurisdicties kunnen (ook) andere criteria dan de plaats van feitelijke leiding hanteren, bijvoorbeeld als een FI is opgericht naar het recht van die jurisdictie. Daardoor kan er sprake zijn van dubbel inwonerschap van de FI.

Een FI (anders dan een trust) die inwoner is van twee of meer deelnemende rechtsgebieden, is onderworpen aan de identificatie- en rapportagevoorschriften van dat deelnemend rechtsgebied waarin zij de financiële rekeningen houdt (CRS-commentaar op Sectie VIII, paragraaf A, punt 5, zie ook artikel 2a, tweede lid, WIB)

De situatie kan zich voordoen dat een entiteit inwoner is van een jurisdictie die de CRS niet geïmplementeerd heeft (FAQ 17 bij Secties II-VII). De regels van de jurisdictie waarin de entiteit de financiële rekeningen aanhoudt, bepalen de status van de entiteit als een FI of NFE.

(CRS-commentaar Sectie VIII.A.2, punten 4 en 5, FAQ 17 bij Secties II-VII en artikel 1, eerste lid, onderdeel l, NL IGA en de MoU bij de NL IGA)

1.30. Verzekeringsmaatschappij

1.31. Internationale organisatie

1.32. Uitleg van het begrip ‘passief inkomen’: definitie uit CRS-commentaar

1.33. Uitleg van het begrip ‘een wezenlijk deel van de activiteiten’

1.34. Dochtermaatschappij van actieve N(F)FE

1.35. Treasury center binnen een (niet-) financiële groep

1.36. Activiteitentoets voor een beleggingsentiteit

1.37. Activiteitentoets voor een instelling die deposito’s neemt

1.38. Aandeelhouders uit één familie

Entiteiten anders dan een trust waarvan de activa bestaan uit kasgeld of beleggingen – of een holdingmaatschappij daarvan -, met een (zeer) beperkte groep van onmiddellijke en middellijke aandeelhouders of participanten die behoren tot één familie, die zich niet presenteren als beleggingsentiteit en die geen kapitaal uit de markt hebben aangetrokken noch (zullen) aantrekken, zijn geen beleggingsentiteit in de zin van Sectie VIII.A.6 van de CRS en artikel 1, eerste lid, onderdeel j, van de NL IGA, ook niet als de activa gemanaged worden door een FI. Een dergelijke entiteit – of een holdingmaatschappij daarvan – wordt aangemerkt als passieve NFE, tenzij gekozen wordt om rapporterende FI te zijn met alle daarbij komende verplichtingen.

(Sectie VIII.A.6 van de CRS en artikel 1, eerste lid, onderdeel j, van de NL IGA)

1.39. Beleggingsinstellingen

1.40. Beleggingsadviseurs en (vermogens)beheerders

1.41. ‘Qualified credit card issuers’

1.42. Swapovereenkomst en securities lending-overeenkomst (geen ‘debt interest’ in beleggingsentiteit)

1.43. Onderpandrekening

1.44. Bestaande rekeninghouder met nieuwe rekening

1.45. Bestaande rekeningen verzekeringsproducten

1.46. Uitzonderingen op het begrip ‘financiële rekening’ (‘Financial Account’; Excluded Account’)

1.47. Overleden rekeninghouder

1.48. Overleden UBO

1.49. Erkende effectenbeurs

1.50. Regelmatig verhandeld

1.51. Stichting administratiekantoor (STAK)

Voor de NL IGA is in het MoU opgenomen dat een Stichting Administratiekantoor (STAK) gevestigd in Nederland wordt behandeld als een passieve NFE. Alleen als de certificaten van de STAK regelmatig verhandeld worden op een erkende effectenbeurs is sprake van een actieve NFE. Hetzelfde geldt voor de toepassing van de CRS.

FI’s dienen ingeval gebruik gemaakt wordt van een STAK en de klant claimt dat er daardoor een wijziging in UBO’s optreedt, vast te stellen dat deze wijziging zich ook in materiële zin voordoet. Zo moet worden voorkomen dat – door het plaatsen van een STAK tussen BV/NV en aandeelhouders – de uiteindelijk belanghebbende niet als begunstigde wordt aangemerkt omdat hij als houder van bijvoorbeeld 50% van de certificaten niet 25% van de zeggenschap in de stichting heeft. De basis voor deze verplichting ligt in artikel 3, eerste lid, onder c, Uitvoeringsbesluit Wwft 2018. In deze bepaling is geregeld welke categorieën van natuurlijke personen in elk geval moeten worden aangemerkt als UBO. In het geval van een rechtspersoon zijn dat de natuurlijke personen die op basis van het bezitspercentage als UBO kwalificeren of zeggenschap hebben over de rechtspersoon (bijvoorbeeld via het direct of indirect houden van meer dan 25% van het eigendomsbelang in de rechtspersoon). In het UBO-register zijn zowel de ‘bezits-UBO’ (certificaathouders) als ‘zeggenschaps-UBO’s’ (de bestuurders van de STAK) opgenomen. Een certificaathouder met maar 10% van de certificaten, maar wel met meer dan 25% zeggenschap in het STAK-bestuur zal dus als zodanig in het UBO-register staan.

Een certificaathouder van een STAK is indirect aandeelhouder van de onderliggende entiteit(en) en dus mogelijk ook UBO van deze entiteit(en). Wanneer bijvoorbeeld een STAK alle aandelen houdt van een BV is een UBO van de STAK automatisch ook UBO van de onderliggende B.V.

(Sectie VIII.D.8 CRS en paragraaf 1.2 MoU bij de NL IGA)

1.52. Holding bestuurd door een trustkantoor

1.53. Nadere uitleg van het begrip ‘gelieerde entiteit’

1.54. Rijbewijs kan geldig gedocumenteerd bewijsstuk zijn

1.55. ‘Securities Lending’

1.56. De insolvente rekeninghouder (natuurlijk persoon)

1.57. Buitenlands telefoonnummer

1.58. Minderjarige rekeninghouder

1.59. Redelijke inspanning voor het verkrijgen van een TIN in kader CRS

Hoofdstuk 2. Uitsluitend FATCA-specifieke onderwerpen

Annex I

Annex II

Artikel II. Ingetrokken regeling[en]

Artikel III. Inwerkingtreding

Artikel IV. Citeertitel