← Geldende tekst · Geschiedenis

Wet van 30 september 2020, houdende regels over het voortgezet onderwijs (Wet voortgezet onderwijs 2020)

Geldende tekst a fecha 2023-10-11

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, mede gelet op artikel 23 van de Grondwet, met het oog op de rechtszekerheid en de consistentie en toegankelijkheid van de wetgeving voor het voortgezet onderwijs in zowel Europees Nederland als Caribisch Nederland, wenselijk is om de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES te vervangen door een nieuwe wet voor het voortgezet onderwijs met een heldere ordening en duidelijk geformuleerde regels;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders is bepaald, verstaan onder:

Artikel 1.2. Toepassing bepalingen in openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt steeds gelezen voor:

Artikel 1.3. Reikwijdte
1.

Deze wet is van toepassing op uit ’s Rijks kas bekostigde scholen, met uitzondering van de artikelen 2.66 tot en met 2.71, 2.109, 3.27 en 7.44.

4.

Artikel 2.71 is van toepassing op scholen als bedoeld in artikel 1 WEC waar voortgezet speciaal onderwijs wordt gegeven.

6.

Voor zover bij algemene maatregel van bestuur niet anders wordt bepaald, is deze wet niet van toepassing op de inrichtingen, bedoeld in:

7.

Deze wet is van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, tenzij anders is bepaald.

Artikel 1.4. Karakter en doelen voortgezet onderwijs
1.

Voortgezet onderwijs wordt gegeven na het basisonderwijs en het speciaal onderwijs. Het omvat algemene vorming, legt de grondslag voor het volgen van beroepsonderwijs of hoger onderwijs, en bereidt voor op het uitoefenen van functies op de arbeidsmarkt en op deelname aan de maatschappij.

2.

Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen. Het wordt afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen.

Artikel 1.5. Aard bepalingen bekostigd bijzonder onderwijs

De bij of krachtens deze wet gestelde bepalingen die zich rechtstreeks of naar hun aard richten tot het bevoegd gezag, zijn voor het bekostigd bijzonder onderwijs voorwaarden voor bekostiging.

Hoofdstuk 2. Onderwijs

Paragraaf 1. Schoolsoorten, doelen en structuren voortgezet onderwijs

Artikel 2.1. Schoolsoorten voortgezet onderwijs
1.

Voortgezet onderwijs omvat de volgende schoolsoorten:

2.

Onderwijs als bedoeld in artikel 2.86 is ook voortgezet onderwijs.

Artikel 2.2. Actief burgerschap en sociale cohesie
1.

Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie op doelgerichte en samenhangende wijze, waarbij het onderwijs zich in ieder geval herkenbaar richt op:

2.

Het bevoegd gezag draagt zorg voor een schoolcultuur die in overeenstemming is met de waarden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, creëert een omgeving waarin leerlingen worden gestimuleerd actief te oefenen met de omgang met en het handelen naar deze waarden en draagt voorts zorg voor een omgeving waarin leerlingen en personeel zich veilig en geaccepteerd weten, ongeacht de in het eerste lid, onder c, genoemde verschillen.

Artikel 2.3. Karakter openbaar voortgezet onderwijs

Openbaar voortgezet onderwijs draagt bij aan de ontwikkeling van leerlingen met aandacht voor de godsdienstige, levensbeschouwelijke en maatschappelijke waarden die leven in de Nederlandse samenleving. Daarbij wordt de betekenis van de verscheidenheid van deze waarden onderkend. Openbaar voortgezet onderwijs wordt zo gegeven dat ieders godsdienst of levensovertuiging wordt geëerbiedigd.

Artikel 2.4. Voorbereidend wetenschappelijk onderwijs
1.

Vwo wordt gegeven aan scholen voor vwo, die zijn onderscheiden in gymnasia en athenea. Aan een gymnasium wordt in elk geval voortgezet onderwijs gegeven in Latijnse taal en cultuur en Griekse taal en cultuur.

2.

Vwo is ingericht om voor te bereiden op aansluitend wetenschappelijk onderwijs.

3.

Vwo heeft een cursusduur van zes leerjaren.

Artikel 2.5. Hoger algemeen voortgezet onderwijs
1.

Havo wordt gegeven aan:

2.

Havo is ingericht om voor te bereiden op aansluitend hoger beroepsonderwijs.

3.

Havo aan scholen voor havo heeft een cursusduur van vijf leerjaren.

4.

Havo aan afdelingen van scholen voor mavo heeft een cursusduur van twee leerjaren.

Artikel 2.6. Middelbaar algemeen voortgezet onderwijs
1.

Mavo wordt gegeven aan scholen voor mavo.

2.

Mavo is ingericht om voor te bereiden op aansluitend beroepsonderwijs of op havo.

3.

Mavo heeft een cursusduur van vier leerjaren.

Artikel 2.7. Voorbereidend beroepsonderwijs
1.

Vbo wordt gegeven aan scholen voor vbo.

2.

Vbo is ingericht om voor te bereiden op aansluitend beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b, c en d, WEB, of artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b, c en d, WEB BES.

3.

Vbo heeft een cursusduur van vier leerjaren.

Artikel 2.8. Praktijkonderwijs
1.

Praktijkonderwijs wordt gegeven aan scholen voor praktijkonderwijs.

2.

Praktijkonderwijs is ingericht om voor te bereiden op functies binnen de regionale arbeidsmarkt op een niveau onder dat van de entreeopleiding.

Artikel 2.9. Dagscholen; contractactiviteiten
1.

Scholen voor voortgezet onderwijs zijn dagscholen.

2.

Aan een school kunnen contractactiviteiten worden verricht bestaande uit:

3.

Deze cursussen of werkzaamheden houden verband met het onderwijs aan de school en schaden niet het belang van het onderwijs aan de school.

Paragraaf 2. Inrichting van het voortgezet onderwijs

Artikel 2.10. Reikwijdte

Deze paragraaf heeft betrekking op de schoolsoorten vwo, havo, mavo en vbo, en op het praktijkonderwijs, indien dat nadrukkelijk is bepaald.

Artikel 2.11. Instructietaal
1.

Het voortgezet onderwijs wordt gegeven in het Nederlands.

2.

Bij het geven van voortgezet onderwijs kan een andere taal dan het Nederlands worden gebruikt als:

3.

Het bevoegd gezag stelt voor de school een gedragscode vast voor het gebruik van een andere taal dan het Nederlands bij het geven van onderwijs in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen b en c.

4.

Dit artikel is ook van toepassing op het praktijkonderwijs.

Artikel 2.12. Algemeen doel inrichting voortgezet onderwijs eerste twee leerjaren

Het voortgezet onderwijs in de eerste twee leerjaren is zo ingericht dat met behoud van de keuzevrijheid van de leerlingen, de doorstroming van leerlingen wordt bevorderd naar:

Artikel 2.13. Kerndoelen eerste twee leerjaren
1.

Bij algemene maatregel van bestuur worden kerndoelen vastgesteld. Kerndoelen zijn de na te streven inhoudelijke doelstellingen voor het onderwijsprogramma voor de eerste twee leerjaren, gericht op het verwerven van kennis, inzicht en vaardigheden door leerlingen.

2.

De kerndoelen besteden aandacht aan aspecten van:

Artikel 2.14. Onderwijsprogramma eerste twee leerjaren
1.

Het bevoegd gezag richt voor de eerste twee leerjaren een samenhangend onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag verzorgd onderwijsprogramma in.

2.

Het bevoegd gezag werkt in dit onderwijsprogramma de kerndoelen uit voor de verschillende schoolsoorten en verschillende groepen leerlingen.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over het verzorgen van het onderwijsprogramma voor zover het om ander onderwijs gaat dan onderwijs dat wordt verzorgd op basis van de kerndoelen.

4.

Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens inzake het onderwijsprogramma.

Artikel 2.15. Fries eerste twee leerjaren
1.

Op de scholen in de provincie Fryslân wordt in de eerste twee leerjaren met inachtneming van de kerndoelen, ook voortgezet onderwijs gegeven in Friese taal en cultuur.

2.

Gedeputeerde staten van de provincie Fryslân kunnen op aanvraag van het bevoegd gezag geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de plicht om voortgezet onderwijs te geven in Friese taal en cultuur.

3.

Gedeputeerde staten stellen in beleidsregels criteria vast voor de ontheffing, bedoeld in het tweede lid, nadat zij over de inhoud van de criteria overleg hebben gevoerd met het voortgezet onderwijs in Fryslân.

Artikel 2.16. Vaststelling kerndoelen Fries
1.

Provinciale staten van Fryslân stellen de kerndoelen Friese taal en cultuur bij verordening vast nadat gedeputeerde staten over de inhoud van de kerndoelen overleg hebben gevoerd met het voortgezet onderwijs in Fryslân.

2.

Voor de verordening is goedkeuring vereist van Onze Minister.

Artikel 2.17. Gronden onthouden goedkeuring verordening inzake kerndoelen Fries
1.

Onze Minister kan aan de verordening, bedoeld in artikel 2.16, in elk geval goedkeuring onthouden indien:

2.

Onze Minister kan ook aan de verordening goedkeuring onthouden indien naar zijn oordeel de kerndoelen onvoldoende aandacht schenken aan:

3.

Ten behoeve van het besluit, bedoeld in het eerste lid, verstrekken gedeputeerde staten aan Onze Minister gegevens over de onderwerpen, bedoeld het eerste lid.

4.

Indien Onze Minister voornemens is goedkeuring te onthouden, verzoekt hij de Onderwijsraad advies uit te brengen en geeft hij daarbij een omschrijving van de onderwerpen waarover advies wordt verwacht. De Onderwijsraad brengt binnen zes weken advies uit aan Onze Minister. Het advies wordt openbaar gemaakt.

5.

Onze Minister informeert beide Kamers der Staten-Generaal over het voornemen de verordening al dan niet goed te keuren.

Artikel 2.18. Ontheffingen delen onderwijsprogramma eerste twee leerjaren; bijzondere regels
1.

Het bevoegd gezag kan na overleg met de ouders van de leerling die leerling ontheffing verlenen voor onderdelen van het onderwijsprogramma, bedoeld in artikel 2.14. In dat geval stelt het bevoegd gezag het alternatieve onderwijsprogramma voor die programmaonderdelen vast.

2.

Het bevoegd gezag kan voor leerlingen die daarvoor in aanmerking komen bij de inrichting van het onderwijs afwijken van onderdelen van het onderwijsprogramma, bedoeld in artikel 2.14. De laatste volzin van het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.

3.

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de procedure om vast te stellen welke leerlingen in aanmerking komen voor afwijkingen als bedoeld in het tweede lid.

Artikel 2.19. Onderwijsprogramma derde leerjaar vwo en havo
1.

Het bevoegd gezag richt voor het derde leerjaar aan scholen voor vwo en aan scholen voor havo een samenhangend onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag verzorgd onderwijsprogramma in.

2.

Het onderwijsprogramma wordt zo ingericht dat met behoud van de keuzevrijheid van leerlingen de doorstroming van leerlingen wordt bevorderd naar elk van de profielen, genoemd in artikel 2.20, vierde lid.

3.

Artikel 2.14, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

4.

Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens inzake het onderwijsprogramma.

Artikel 2.20. Voorbereidend hoger onderwijs; profielen vwo en havo
1.

Het onderwijs aan scholen voor vwo en aan scholen voor havo heeft met ingang van het vierde leerjaar een periode van voorbereidend hoger onderwijs.

2.

Het bevoegd gezag richt deze periode in volgens profielen. Een profiel is een samenhangend onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag verzorgd onderwijsprogramma met een normatieve studielast voor de leerling van 1600 klokuren per leerjaar.

3.

Een profiel biedt:

4.

Het bevoegd gezag van een school voor vwo of havo biedt alle profielen aan. Deze profielen zijn:

Artikel 2.21. Opbouw en vakken van profielen vwo en havo
1.

Elk profiel in vwo en havo bestaat uit:

2.

Bij algemene maatregel van bestuur worden voor alle profielen regels gesteld over:

3.

Bij algemene maatregel van bestuur wordt voor de profielen het relatieve gewicht vastgesteld van elk van de vakken binnen het geheel van de vakken van het eindexamen vwo en havo, dat wordt uitgedrukt in een normatieve studielast per vak.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de mogelijkheid dat:

5.

Het bevoegd gezag kan beslissen dat alle leerlingen onderwijs in bepaalde vakken en andere programmaonderdelen volgen.

Artikel 2.22. Vmbo
1.

Het onderwijs aan scholen voor mavo en aan scholen voor vbo heeft met ingang van het derde leerjaar een periode van vmbo. Deze periode heeft vier leerwegen:

2.

Onderwijs in de theoretische leerweg wordt gegeven aan scholen voor mavo.

3.

Onderwijs in de basisberoepsgerichte leerweg en in de kaderberoepsgerichte leerweg wordt gegeven aan scholen voor vbo. Het bevoegd gezag van de school voor vbo biedt beide leerwegen aan.

4.

Onderwijs in de gemengde leerweg kan alleen worden gegeven aan een school voor mavo of voor vbo binnen een scholengemeenschap waar beide schoolsoorten deel van uitmaken.

Artikel 2.23. Leerwegen en profielen vmbo

Het bevoegd gezag richt de leerwegen in de periode van vmbo in volgens profielen. Een profiel is een samenhangend onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag verzorgd onderwijsprogramma.

Artikel 2.24. Opbouw en vakken van profielen vmbo
1.

Elk profiel in het vmbo bestaat uit:

2.

Bij algemene maatregel van bestuur worden voor alle profielen regels gesteld over:

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

4.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voor het derde leerjaar in de theoretische leerweg, de basisberoepsgerichte leerweg, de kaderberoepsgerichte leerweg of de gemengde leerweg regels worden gesteld over het minimum aantal te volgen vakken waarin eindexamen kan worden afgelegd, en welke vakken het betreft.

5.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de mogelijkheid dat:

6.

Het bevoegd gezag kan beslissen dat in het vrije deel alle leerlingen onderwijs in bepaalde vakken en andere programmaonderdelen volgen.

Artikel 2.25. Profielen in de theoretische leerweg
1.

Een profiel in de theoretische leerweg is zo ingericht dat het:

2.

Het bevoegd gezag van een school voor mavo biedt alle profielen in de theoretische leerweg aan. De profielen zijn:

Artikel 2.26. Profielen in de beroepsgerichte leerwegen
1.

Een profiel in de basisberoepsgerichte leerweg en in de kaderberoepsgerichte leerweg is zo ingericht dat het:

2.

Het bevoegd gezag van een school voor vbo biedt een of meer profielen in basisberoepsgerichte en de kaderberoepsgerichte leerweg aan. De profielen zijn:

3.

De basisberoepsgerichte en de kaderberoepsgerichte leerweg kunnen een stage omvatten. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de stage.

Artikel 2.27. Profielen in de gemengde leerweg
1.

Een profiel in de gemengde leerweg is zo ingericht dat het:

2.

Het bevoegd gezag van een school met een gemengde leerweg biedt een of meer profielen in de gemengde leerweg aan. De profielen zijn:

3.

De gemengde leerweg kan een stage omvatten. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de stage.

Artikel 2.29. Doelgroep praktijkonderwijs

Praktijkonderwijs is bedoeld voor leerlingen voor wie vaststaat dat:

Artikel 2.30. Toelaatbaarheid en toelating praktijkonderwijs
1.

Het bevoegd gezag van de school waar de leerling is aangemeld of van de school waaraan de leerling is ingeschreven kan aan de ouders van een leerling van wie redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze behoort tot de doelgroep van artikel 2.29, voorstellen dat deze leerling praktijkonderwijs volgt.

2.

Het bevoegd gezag kan bij het samenwerkingsverband een aanvraag indienen voor een leerling die:

3.

In afwijking van het tweede lid kan een aanvraag voor een vreemdeling als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, onderdeel b of c, die op 1 oktober van het schooljaar waarin hij voor het eerst wordt meegeteld als leerling in het voortgezet onderwijs korter dan een jaar in Nederland is, uitsluitend worden ingediend na dat schooljaar.

4.

Het bevoegd gezag voegt bij de aanvraag een onderwijskundig rapport over de leerling als bedoeld in artikel 42 WPO of artikel 43 WEC en de op schrift gestelde zienswijze van de ouders.

5.

Het samenwerkingsverband beslist op de aanvraag of de leerling toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs.

6.

Op de beslissing, bedoeld in het vijfde lid, is artikel 8:4, derde lid, onderdeel b, Awb, niet van toepassing.

7.

Het bevoegd gezag van de school voor praktijkonderwijs beslist, na overleg met de ouders van de leerling, over de toelating van de leerling die toelaatbaar is verklaard tot het praktijkonderwijs.

Artikel 2.31. Inrichting praktijkonderwijs
1.

Praktijkonderwijs omvat:

2.

Praktijkonderwijs wordt zoveel mogelijk verzorgd op basis van de kerndoelen, en op de scholen voor praktijkonderwijs in de provincie Fryslân ook zoveel mogelijk op basis van de kerndoelen Friese taal en cultuur, bedoeld in artikel 2.15.

3.

Praktijkonderwijs is erop gericht dat leerlingen zoveel mogelijk de referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen bereiken die voor het praktijkonderwijs zijn vastgesteld op grond van artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen.

4.

Het bevoegd gezag van een school voor praktijkonderwijs richt voor dat onderwijs een samenhangend onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag verzorgd onderwijsprogramma in.

5.

Bij algemene maatregel van bestuur worden voor het praktijkonderwijs regels gesteld over

de vakken die dat onderwijs ten minste omvat en het onderwijs in de praktijk van de uitoefening van een vak of beroep.

6.

Het bevoegd gezag van een school voor praktijkonderwijs kan, met inachtneming van het tweede en derde lid en van artikel 2.38, zevende lid, indien dat voor de leerling noodzakelijk is, bij het aanbieden van dat onderwijs afwijken van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.39.

7.

Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens inzake het onderwijsprogramma.

Artikel 2.32. Maatschappelijke stage
1.

Het onderwijsprogramma van een school kan een maatschappelijke stage omvatten.

2.

Deze stage is gericht op het verwerven van vaardigheden voor het functioneren in de maatschappij. De stage bestaat uit onbezoldigde vrijwilligersactiviteiten die geen stage zijn als bedoeld in de artikelen 2.26, derde lid, en 2.27, derde lid.

3.

Het bevoegd gezag sluit een schriftelijke stage-overeenkomst met de leerling of diens ouders, en de stagebieder. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de stageovereenkomst.

4.

Dit artikel is ook van toepassing op het praktijkonderwijs.

Artikel 2.33. Voortgezet onderwijs in lichamelijke opvoeding
1.

Het voortgezet onderwijs in lichamelijke opvoeding:

2.

Bij het geven van voortgezet onderwijs in lichamelijke opvoeding wordt uitgegaan van de situatie die op 1 augustus 2005 voor het bewegingsonderwijs gold.

3.

Het voortgezet onderwijs in lichamelijke opvoeding wordt afgesloten na de maand november van het laatste leerjaar.

4.

Het bevoegd gezag kan een leerling ontheffing verlenen van het volgen van onderwijs in lichamelijke opvoeding indien de leerling op grond van zijn lichamelijke gesteldheid niet in staat is dit onderwijs te volgen. Het bevoegd gezag stelt de inspectie in kennis van een verleende ontheffing en vermeldt daarbij de gronden waarop het berust.

Artikel 2.34. Bestrijding achterstanden voortgezet onderwijs

Het voortgezet onderwijs en het praktijkonderwijs worden zo ingericht dat het op structurele en herkenbare wijze aandacht besteedt aan het bestrijden van achterstanden, vooral in de beheersing van de Nederlandse taal.

Artikel 2.35. Godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk onderwijs aan openbare scholen
1.

Het bevoegd gezag van een openbare school stelt op aanvraag van kerkelijke gemeenten of van plaatselijke kerken de leerlingen van wie de ouders dat wensen, in de gelegenheid om in de school godsdienstonderwijs te volgen van godsdienstleraren die deze gemeenten of kerken daarvoor hebben aangewezen. De schoollokalen worden, zo nodig verwarmd en verlicht, kosteloos beschikbaar gesteld. Met kerkelijke gemeenten worden voor de toepassing van de eerste volzin gelijkgesteld verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid die zich volgens hun statuten het geven of doen geven van godsdienstonderwijs als doel stellen.

2.

Het bevoegd gezag van een openbare school stelt op aanvraag van genootschappen op geestelijke grondslag die Onze Minister daarvoor aanwijst, de leerlingen van wie de ouders dat wensen, in de gelegenheid om in de school levensbeschouwelijk vormingsonderwijs te volgen van leraren die deze genootschappen daarvoor hebben aangewezen. De schoollokalen worden, zo nodig verwarmd en verlicht, kosteloos beschikbaar gesteld.

3.

Bij een geschil over het vaststellen van lessen of het beschikbaar stellen van ruimten van openbare scholen beslist Onze Minister.

4.

Het bevoegd gezag ziet erop toe dat het onderwijs alleen wordt gegeven door een leraar die volgens een schriftelijke verklaring daarover van de aanwijzende kerkelijke gemeente, plaatselijke kerk of het aanwijzend genootschap op geestelijke grondslag:

5.

Dit artikel is ook van toepassing op het praktijkonderwijs.

Artikel 2.36. Volgen van lessen bijzondere school door leerlingen met andere levensovertuiging
1.

Het bevoegd gezag kan leerlingen die op grond van artikel 8.3 zijn toegelaten tot een bijzondere school, er niet toe verplichten, de lessen te volgen in de vakken of andere programmaonderdelen die worden gegeven in verband met de levensovertuiging waarvan de school uitgaat.

2.

Dit artikel is ook van toepassing op het praktijkonderwijs.

Artikel 2.37. Vrijstelling en ontheffing onderwijsprogramma

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de mogelijkheid dat:

Paragraaf 3. Onderwijstijd, vakanties

Artikel 2.38. Onderwijstijd
1.

Vwo omvat ten minste 5700 klokuren.

2.

Havo aan scholen voor havo omvat ten minste 4700 klokuren. Havo aan afdelingen van scholen voor mavo omvat ten minste 1700 klokuren.

3.

Mavo omvat ten minste 3700 klokuren.

4.

Vbo omvat ten minste 3700 klokuren.

5.

Het bevoegd gezag vult de klokuren in met activiteiten die worden verzorgd in een samenhangend onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag verzorgd onderwijsprogramma als bedoeld in de artikelen 2.14, 2.19, 2.20, tweede lid, en 2.23.

6.

In de eerste twee leerjaren samen worden ten minste 1425 klokuren onderwijs verzorgd, dat wordt gegeven op basis van:

7.

Het praktijkonderwijs wordt zo ingericht dat de leerlingen per schooljaar ten minste 1000 klokuren praktijkonderwijs ontvangen. De leerlingen ontvangen per dag ten hoogste 5,5 klokuren praktijkonderwijs, voor aangepast theoretisch onderwijs, persoonlijkheidsvorming en het aanleren van sociale vaardigheden.

8.

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het aantal klokuren dat het onderwijs in de praktijk van de uitoefening van een vak of beroep in het kader van het praktijkonderwijs in een schoolweek ten hoogste omvat.

9.

Het buitenschools praktijkgedeelte van een leer-werktraject omvat ten minste 640 klokuren, verzorgd in 80 dagen, en ten hoogste 1280 klokuren, verzorgd in 160 dagen, van de gezamenlijke onderwijstijd van het derde en vierde leerjaar.

10.

Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens over de invulling van de klokuren met activiteiten, bedoeld in het vijfde lid, en over de spreiding van deze klokuren over de verschillende leerjaren of jaren van de opleiding.

11.

De inspectie kan op verzoek van het bevoegd gezag ermee instemmen dat om lichamelijke of psychische redenen voor individuele leerlingen wordt afgeweken van het eerste, tweede, derde of vierde lid.

Artikel 2.39. Onderwijsdagen
1.

In elk schooljaar wordt op ten minste 189 dagen onderwijs verzorgd.

2.

In afwijking van het aantal dagen, genoemd in het eerste lid, is het bevoegd gezag niet verplicht om in het laatste leerjaar onderwijs te verzorgen vanaf het begin van het eerste tijdvak waarin het centraal examen wordt afgenomen.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over vakanties en over andere dagen waarop geen onderwijs hoeft te worden verzorgd.

4.

Bij ministeriële regeling kunnen vakantieperioden worden vastgesteld, waarbij het begin en het einde kunnen verschillen voor groepen van scholen. In afwijking van het eerste lid, kan bij ministeriële regeling voor een te bepalen groep scholen het minimum aantal dagen waarop onderwijs wordt verzorgd worden vastgesteld op een ander aantal dan 189 indien dit noodzakelijk is voor de spreiding van de landelijk vastgestelde vakanties over verschillende delen van Nederland.

Artikel 2.40. Meetellen onderwijstijd voortgezet speciaal onderwijs
1.

Indien een leerling een deel van het onderwijsprogramma ontvangt op een school voor voortgezet speciaal onderwijs, op een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, of op een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, telt de tijd mee voor het aantal klokuren, bedoeld in artikel 2.38.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen:

Paragraaf 4. Extra begeleiding en ondersteuning van leerlingen

Artikel 2.41. Begeleiding van leerlingen met extra ondersteuning
1.

Het voortgezet onderwijs aan leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben, is gericht op individuele begeleiding, afgestemd op de behoeften van de leerling. Zo nodig overlegt het bevoegd gezag over die begeleiding met:

2.

Het bevoegd gezag stelt voor deze leerlingen ten minste eenmaal in de vier jaar een schoolondersteuningsprofiel vast.

Artikel 2.42. Doelgroep en inrichting leerwegondersteunend onderwijs
1.

Leerwegondersteunend onderwijs wordt gegeven aan de leerling voor wie een orthopedagogische en orthodidactische benadering nodig is om het onderwijs in een van de leerwegen, bedoeld in artikel 2.22, eerste lid, te kunnen afsluiten.

2.

Leerwegondersteunend onderwijs:

3.

Voor leerlingen die leerwegondersteunend onderwijs volgen, wordt het onderwijs in de eerste twee leerjaren verzorgd op basis van een samenstel van kerndoelen dat niet alle kerndoelen behoeft te omvatten.

4.

Het bevoegd gezag beslist na overleg met de ouders van de leerling of aan de leerling leerwegondersteunend onderwijs wordt aangeboden.

Artikel 2.43. Aangewezen zijn op leerwegondersteunend onderwijs
1.

Het samenwerkingsverband beslist op aanvraag van het bevoegd gezag of de leerling is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs.

2.

Het bevoegd gezag voegt bij de aanvraag na overleg met de ouders een onderwijskundig rapport over de leerling als bedoeld in artikel 42 WPO of artikel 43 WEC.

4.

Op de beslissing, bedoeld in het eerste lid, is artikel 8:4, derde lid, onderdeel b, Awb, niet van toepassing

Artikel 2.44. Ontwikkelingsperspectief
1.

Het bevoegd gezag stelt, nadat op overeenstemming gericht overleg is gevoerd met de ouders, een ontwikkelingsperspectief vast voor leerlingen die:

2.

In afwijking van het eerste lid, wordt het deel van het ontwikkelingsperspectief dat betrekking heeft op de individuele begeleiding, bedoeld in artikel 2.41, eerste lid, vastgesteld nadat daarover overeenstemming is bereikt tussen het bevoegd gezag en de ouders. Het ontwikkelingsperspectief wordt zo spoedig mogelijk vastgesteld, maar uiterlijk binnen zes weken na de inschrijving van de leerling. Bij een inschrijving op grond van artikel 8.13 wordt het ontwikkelingsperspectief vastgesteld binnen zes weken na de definitieve plaatsing van de leerling.

3.

Het bevoegd gezag evalueert het ontwikkelingsperspectief ten minste een keer per schooljaar met de ouders.

4.

Het bevoegd gezag kan het ontwikkelingsperspectief bijstellen:

5.

Het ontwikkelingsperspectief bevat een omschrijving van de individuele begeleiding, bedoeld in artikel 2.41, eerste lid. Indien voor leerlingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, bij de inrichting van het onderwijs wordt afgeweken van een of meer onderdelen van het onderwijsprogramma, vermeldt het bevoegd gezag dit in het ontwikkelingsperspectief.

6.

Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de inhoud van het ontwikkelingsperspectief.

Artikel 2.45. Voortgezet onderwijs aan zieke leerlingen

Het bevoegd gezag richt het voortgezet onderwijs zo in dat leerlingen die door ziekte thuis verblijven of die zijn opgenomen in een ziekenhuis op adequate wijze voldoende onderwijs kunnen ontvangen.

Artikel 2.46. Ondersteuning bij het voortgezet onderwijs aan zieke leerlingen
1.

Het bevoegd gezag kan worden ondersteund bij het geven van voortgezet onderwijs aan leerlingen als bedoeld in artikel 2.45.

2.

De ondersteuning wordt verzorgd door:

3.

De ondersteuning kan ook bestaan uit het geven van onderwijs aan de leerling, indien daarover overeenstemming bestaat tussen de educatieve voorziening of de schoolbegeleidingsdienst en de school waarbij de leerling is ingeschreven.

4.

Het Rijk verstrekt aan schoolbegeleidingsdiensten bekostiging voor activiteiten ter ondersteuning van het voortgezet onderwijs aan zieke leerlingen.

5.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor deze bekostiging.

Artikel 2.47. Samenwerkingsverbanden
1.

Het bevoegd gezag van een of meer scholen is voor elke vestiging van die school of scholen aangesloten bij een samenwerkingsverband als bedoeld in het tweede lid of bij een landelijk samenwerkingsverband als bedoeld in het achttiende lid.

2.

Een samenwerkingsverband omvat alle binnen een gebied als bedoeld in het derde lid gelegen vestigingen van scholen, scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor zover daaraan voortgezet speciaal onderwijs wordt verzorgd behorend tot cluster 3 of 4 met uitzondering van de vestigingen waarvoor het bevoegd gezag is aangesloten bij een landelijk samenwerkingsverband. Het samenwerkingsverband stelt zich ten doel een samenhangend geheel van ondersteuningsvoorzieningen binnen en tussen de scholen, bedoeld in de vorige volzin, te realiseren en wel zodanig dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doormaken en leerlingen die extra ondersteuning behoeven een zo passend mogelijke plaats in het onderwijs krijgen.

3.

Bij ministeriële regeling worden voor de samenwerkingsverbanden aaneengesloten gebieden aangewezen.

4.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop een samenwerkingsverband dat is gelegen aan de landsgrens bij de vervulling van zijn taken kan samenwerken met een school of instelling in België of in een van de bondsstaten Noord-Rijnland-Westfalen, Nedersaksen of Bremen van de Bondsrepubliek Duitsland.

5.

De bevoegde gezagsorganen van de scholen, bedoeld in het tweede lid, geven het samenwerkingsverband vorm door het oprichten van een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid zonder winstoogmerk, waarin uitsluitend deze bevoegde gezagsorganen deelnemen, behoudens deelname van een bevoegd gezag op grond van het zesde lid. De statuten van de rechtspersoon bevatten een voorziening voor de beslechting van geschillen.

6.

Indien het bevoegd gezag van een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 of 4, waarvan de vestiging of vestigingen zijn gelegen buiten het gebied van een samenwerkingsverband, wenst deel te nemen aan dit samenwerkingsverband, wordt dit bevoegd gezag niet uitgesloten van deelname aan het samenwerkingsverband.

7.

Het samenwerkingsverband heeft in elk geval tot taak:

8.

Het samenwerkingsverband stelt ten minste eenmaal in de vier jaar een ondersteuningsplan vast. Bij het vaststellen van het ondersteuningsplan kunnen door het samenwerkingsverband slechts beperkingen worden gesteld aan de door de school gewenste invulling van het schoolondersteuningsprofiel, indien dat voor het samenwerkingsverband met het oog op de beschikbare ondersteuningsmiddelen en ondersteuningsvoorzieningen een onevenredige belasting zou vormen.

9.

Het ondersteuningsplan omvat in elk geval:

10.

Het ondersteuningsplan wordt niet vastgesteld voordat over een concept van het plan op overeenstemming gericht overleg heeft plaatsgevonden met het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente of gemeenten en overleg heeft plaatsgevonden met het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 18a WPO, waarvan het gebied geheel of gedeeltelijk samenvalt met het gebied van het samenwerkingsverband. Het samenwerkingsverband nodigt het bevoegd gezag van een instelling voor beroepsonderwijs met een of meer vestigingen in het gebied van het samenwerkingsverband uit voor het overleg met het college van burgemeester en wethouders over het onderdeel van het ondersteuningsplan, bedoeld in het negende lid, onderdeel a. Het overleg met het college van burgemeester en wethouders vindt plaats overeenkomstig een procedure, vastgesteld door het samenwerkingsverband en het college van burgemeester en wethouders van die gemeente of gemeenten. De procedure bevat een voorziening voor het beslechten van geschillen.

11.

Het ondersteuningsplan wordt voor 1 mei voorafgaand aan het eerste schooljaar van de periode waarop het plan betrekking heeft, toegezonden aan de inspectie.

12.

Het samenwerkingsverband kan, met het oog op de doelstelling, bedoeld in het tweede lid, een of meer orthopedagogisch-didactische centra inrichten. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de voorwaarden waaronder een zodanige voorziening kan worden ingericht.

13.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de procedure en de criteria voor het beoordelen of een leerling is aangewezen op het leerwegondersteunend onderwijs of het toelaatbaar verklaren van leerlingen tot het praktijkonderwijs.

14.

Het samenwerkingsverband draagt er zorg voor dat deskundigen in elk geval het samenwerkingsverband adviseren over het beoordelen of een leerling is aangewezen op het leerwegondersteunend onderwijs of de toelaatbaarheid van leerlingen tot het praktijkonderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de aard van de noodzakelijke deskundigheid.

15.

Het samenwerkingsverband stelt een adviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 Awb in, die adviseert over bezwaarschriften over besluiten van het samenwerkingsverband inzake de beoordeling of een leerling is aangewezen op het leerwegondersteunend onderwijs en de toelaatbaarheid van leerlingen tot het praktijkonderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs.

16.

Het samenwerkingsverband is bevoegd gegevens over gezondheid als bedoeld in artikel 4, onderdeel 15, van de Algemene verordening gegevensbescherming te verwerken over leerlingen, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitoefening van de taken, bedoeld in het zevende lid, onderdelen b tot en met d. Het samenwerkingsverband verstrekt de gegevens, bedoeld in de eerste volzin, niet aan derden, met uitzondering van het bevoegd gezag van de school waar de betrokken leerling is aangemeld of ingeschreven. Het samenwerkingsverband bewaart de gegevens op een plaats die uitsluitend toegankelijk is voor het samenwerkingsverband en de deskundigen, bedoeld in het veertiende lid. Het samenwerkingsverband bewaart de gegevens tot drie jaar na:

17.

Het samenwerkingsverband kent aan elke beslissing als bedoeld in artikel 2.43, eerste lid, en aan elke toelaatbaarheidsverklaring als bedoeld in artikel 2.30, tweede lid, en artikel 40, twaalfde lid, WEC een volgnummer toe. Het samenwerkingsverband verstrekt van elk advies over de ondersteuningsbehoefte van een leerling als bedoeld in het zestiende lid, een afschrift aan de ouders.

18.

Bevoegde gezagsorganen van tot dezelfde richting behorende scholen en scholen als bedoeld in de WEC waaraan voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4 wordt verzorgd kunnen aangesloten blijven of kunnen zich aansluiten bij een landelijk samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 17a, zestiende lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals dat luidde op 31 oktober 2020. Op een landelijk samenwerkingsverband zijn het tweede, vierde, vijfde, zevende tot en met zeventiende en negentiende lid van overeenkomstige toepassing. Indien een bevoegd gezag scholen heeft met ten minste de richting van de scholen die behoren tot het landelijk samenwerkingsverband bepaalt het bevoegd gezag eenmalig of aansluiting bij het landelijk samenwerkingsverband wordt gevraagd. Het landelijk samenwerkingsverband beslist over de aansluiting.

19.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de samenwerkingsverbanden.

Artikel 2.48. Mogelijkheid afwijken van landelijke criteria, procedure, duur en licenties
1.

In afwijking van artikel 2.30, vierde lid, onderdelen a en b, artikel 2.43, eerste lid, en artikel 2.47, dertiende lid, kan het samenwerkingsverband regels stellen over:

2.

Het samenwerkingsverband kan in afwijking van artikel 4.8 een school die is aangesloten bij dit samenwerkingsverband, voordragen aan Onze Minister voor bekostiging van leerwegondersteunend onderwijs.

3.

Voor gebruik van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste en het tweede lid, is de instemming vereist van de bevoegde gezagsorganen met vestigingen in het gebied van het samenwerkingsverband.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de toepassing van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste en het tweede lid.

Artikel 2.49. Taakverwaarlozing samenwerkingsverband
1.

Indien Onze Minister van oordeel is dat het samenwerkingsverband zijn taak ernstig verwaarloost, kan Onze Minister tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum de noodzakelijke voorzieningen treffen.

2.

De voorzieningen worden, behalve in spoedeisende gevallen, niet eerder getroffen dan nadat het samenwerkingsverband in de gelegenheid is gesteld om binnen een termijn, gesteld door Onze Minister, alsnog zijn taak naar behoren uit te voeren.

3.

Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing in het geval de bevoegde gezagsorganen van de scholen, bedoeld in artikel 2.47, tweede lid, niet of niet tijdig voldoen aan de verplichtingen, bedoeld in dat artikel.

Paragraaf 5. Toetsen en eindexamens

Artikel 2.50. Reikwijdte

Deze paragraaf heeft betrekking op de schoolsoorten vwo, havo, mavo en vbo, en op praktijkonderwijs indien dat uitdrukkelijk is bepaald.

Artikel 2.51. Eindexamen
1.

Het bevoegd gezag geeft de leerlingen de gelegenheid om het onderwijs af te sluiten met een eindexamen op de school, tenzij in de plaats daarvan de gelegenheid bestaat tot het afleggen van een eindexamen dat niet vanwege de school wordt afgenomen en het bevoegd gezag in verband hiermee een eindexamen aan de school niet nodig oordeelt.

2.

Het bevoegd gezag kan personen die niet als leerling aan de school zijn ingeschreven, in de gelegenheid stellen een diploma te behalen door hen als extraneus tot het eindexamen toe te laten.

3.

De rector of directeur en de examinatoren nemen het eindexamen af, onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag. Examinatoren kunnen zijn de conrector, adjunct-directeur, leden van de centrale directie en leraren van de school.

4.

Het bevoegd gezag kan een of meer deskundigen aanwijzen die het eindexamen ook afnemen, onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag.

5.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de toelating van een extraneus tot het eindexamen, waaronder de gevallen waarin een extraneus een financiële bijdrage is verschuldigd en de hoogte daarvan.

6.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over examens die niet vanwege de school worden afgenomen.

Artikel 2.51a. De examensecretaris
1.

De rector of directeur wijst een of meer van de personeelsleden van de school aan tot examensecretaris van het eindexamen.

2.

De rector of directeur en de examensecretaris verrichten gezamenlijk de taken bedoeld in de artikelen 2.57, tweede lid, en 2.58, vierde lid.

3.

De examensecretaris heeft de taak om de rector of directeur te ondersteunen bij:

4.

De rector of directeur stelt een taakomschrijving voor de examensecretaris vast waarin in ieder geval de taken bedoeld in het tweede en derde lid worden opgenomen.

5.

De rector of directeur verstrekt de taakomschrijving aan het bevoegd gezag, aan de examensecretaris en aan de examencommissie.

6.

De rector of directeur draagt er zorg voor dat het deskundig functioneren van de examensecretaris is gewaarborgd.

7.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de taken van de examensecretaris.

Artikel 2.52. Afnametaal bij toetsen en examens
1.

De toetsen en examens als onderdeel van het eindexamen worden afgenomen in het Nederlands.

2.

Bij het afnemen van toetsen en examens kan een andere taal dan het Nederlands worden gebruikt als:

3.

Het bevoegd gezag stelt voor de school een gedragscode vast voor het gebruik van een andere taal dan het Nederlands bij toetsen en examens in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen b en c.

Artikel 2.53. Inhoud eindexamen
1.

Het bevoegd gezag stelt de examenkandidaat in de gelegenheid met inachtneming van de bij of krachtens deze paragraaf gestelde bepalingen de vakken of andere programmaonderdelen waarin hij eindexamen aflegt te kiezen, voor zover het bevoegd gezag, al dan niet in samenwerking met het bevoegd gezag van een of meer andere scholen, de examenkandidaat in de gelegenheid heeft gesteld zich op het examen in die vakken voor te bereiden.

2.

Het eindexamen bestaat voor elk vak of ander programmaonderdeel uit een schoolexamen of een centraal examen, of uit beide.

3.

Het schoolexamen vwo, havo en vmbo wat de theoretische leerweg en de gemengde leerweg betreft, omvat een profielwerkstuk. Het profielwerkstuk is een werkstuk, een presentatie daaronder begrepen, waarin op geïntegreerde wijze kennis, inzicht en vaardigheden aan de orde komen die van betekenis zijn in het betrokken profiel.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden:

Artikel 2.54. Examenprogramma’s
1.

Bij ministeriële regeling wordt, behalve voor door het bevoegd gezag vast te stellen vakken die onderdeel zijn van het eindexamen, per schoolsoort en leerweg per vak of voor groepen vakken een examenprogramma vastgesteld.

2.

Het examenprogramma bevat in elk geval:

3.

Bij de vaststelling van de examenprogramma’s voor Nederlandse taal en literatuur respectievelijk Nederlandse taal worden de referentieniveaus in acht genomen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen.

Artikel 2.55. Schoolexamen
1.

Het bevoegd gezag beslist op welk tijdstip het schoolexamen begint.

2.

Het schoolexamen in een vak waarin ook centraal examen wordt afgelegd, wordt afgesloten voor het begin van het eerste tijdvak van het centraal examen.

3.

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het tijdstip van afsluiting van het schoolexamen in een vak in de gevallen dat:

4.

Het bevoegd gezag kan een examenkandidaat die wegens ziekte of een andere van zijn wil onafhankelijke omstandigheid het schoolexamen in één of meer vakken niet heeft kunnen afsluiten voor het begin van het eerste tijdvak van het centraal examen, in de gelegenheid stellen het schoolexamen in een vak af te sluiten voor het centraal examen in dat vak of in die vakken, maar na het begin van het eerste tijdvak.

5.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het schoolexamen, waaronder regels over de wijze van examinering en de beoordeling.

6.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de herkansing van een schoolexamen.

Artikel 2.55a. Verstrekking beoordeling schoolexamen
1.

De rector of directeur verstrekt de beoordeling van het schoolexamen aan de examenkandidaat voor aanvang van het eerste tijdvak van het centraal examen.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het verstrekken van de beoordeling van het schoolexamen.

Artikel 2.56. Centraal examen
1.

Het centraal examen heeft drie afnameperiodes. Deze worden aangeduid als eerste, tweede en derde tijdvak. Het tweede en derde tijdvak bieden de examenkandidaat volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels gelegenheid om het centraal examen alsnog te voltooien, dan wel het centraal examen te herkansen.

2.

Het eerste en tweede tijdvak vallen in het laatste leerjaar. Het derde tijdvak is aansluitend op het laatste leerjaar.

3.

Het College voor toetsen en examens kan volgens bij algemene maatregel van bestuur gestelde regels bepalen dat voor een centraal examen wordt afgeweken van de afnameperiodes.

4.

Het bevoegd gezag kan leerlingen volgens bij algemene maatregel van bestuur gestelde regels de gelegenheid geven om in het voorlaatste leerjaar of in het daaraan voorafgaande leerjaar het centraal examen in een of meer vakken, maar niet in alle vakken, af te leggen.

5.

In afwijking van artikel 2.51, derde lid, wordt het centraal examen in het derde tijdvak afgenomen door het College voor toetsen en examens. In bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen kan het centraal examen ook in het tweede tijdvak door dit College worden afgenomen.

6.

Op het examenwerk van het centraal examen vindt een tweede correctie plaats door een gecommitteerde. Bij ministeriële regeling kunnen examens of examenonderdelen worden aangewezen waarbij geen tweede correctie plaatsvindt.

7.

De rector of directeur stelt het cijfer voor het centraal examen in een vak vast.

8.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:

Artikel 2.57. Vaststelling uitslag eindexamen
1.

De rector of directeur stelt de eindcijfers van het eindexamen vast.

2.

De rector of directeur en de examensecretaris stellen de uitslag van het eindexamen vast. De uitslag luidt «geslaagd» of «afgewezen».

3.

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

Artikel 2.58. Diploma’s, getuigschriften, certificaten en cijferlijsten
1.

De rector of directeur reikt op grond van de definitieve uitslag van het eindexamen aan elke examenkandidaat een cijferlijst uit.

2.

De rector of directeur reikt uit:

3.

De directeur reikt een schooldiploma praktijkonderwijs uit aan de leerling die een school voor praktijkonderwijs verlaat en naar het oordeel van de directeur in aanmerking komt voor het schooldiploma. De directeur baseert zijn oordeel op een reglement dat door het bevoegd gezag wordt vastgesteld. Een portfolio waarin de behaalde resultaten zijn opgenomen, maakt deel uit van het schooldiploma.

4.

De rector of directeur en de examensecretaris tekenen de cijferlijsten, diploma’s, getuigschriften en certificaten, bedoeld in het eerste tot en met derde lid.

5.

Bij ministeriële regeling worden modellen vastgesteld voor de cijferlijst, de diploma’s, het schooldiploma, het getuigschrift en het certificaat bedoeld in het eerste tot en met derde lid.

6.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

Artikel 2.59. Verklaring bij verlaten school en getuigschrift praktijkonderwijs
1.

Het bevoegd gezag verstrekt aan de leerling die een school voor vwo, havo, mavo of vbo verlaat en aan wie geen diploma of getuigschrift wordt uitgereikt, een verklaring waarin in elk geval worden vermeld:

2.

Het bevoegd gezag verstrekt een verklaring aan de leerling die een deel van het programma heeft voltooid, een school voor praktijkonderwijs verlaat en aan wie niet op grond van artikel 2.58, derde lid, een schooldiploma wordt uitgereikt.

3.

Bij ministeriële regeling wordt een model vastgesteld voor de verklaring, bedoeld in het eerste of tweede lid.

Artikel 2.60. Examenreglement: inhoud en vaststelling
1.

Het bevoegd gezag stelt een examenreglement vast, dat in elk geval bevat:

2.

Het bevoegd gezag kan bij de vaststelling van het examenreglement slechts afwijken van het voorstel, bedoeld in artikel 2.60e, eerste lid, onderdeel a:

3.

Het bevoegd gezag zendt de schriftelijke motivering, bedoeld in het tweede lid, zo spoedig mogelijk aan de examencommissie en de medezeggenschapsraad.

4.

Het bevoegd gezag hoeft voor het vaststellen van het examenreglement de instemming van de medezeggenschapsraad van de school voor voortgezet onderwijs, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder b, WMS.

5.

Het bevoegd gezag zendt jaarlijks voor 1 oktober het vastgestelde examenreglement aan de kandidaten en de inspectie.

Artikel 2.60a. Programma van toetsing en afsluiting: de inhoud
1.

Het bevoegd gezag stelt jaarlijks voor 1 oktober een programma van toetsing en afsluiting vast voor het desbetreffende schooljaar.

2.

Het programma van toetsing en afsluiting vermeldt in ieder geval:

3.

Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat ten aanzien van de toetsen die deel uitmaken van het schoolexamen, in het programma van toetsing en afsluiting duidelijk en herleidbaar wordt aangegeven welke toetsen bijdragen aan de afsluiting van:

Artikel 2.60b. Programma van toetsing en afsluiting: vaststelling
1.

Het bevoegd gezag kan bij de vaststelling van het programma van toetsing en afsluiting als bedoeld in artikel 2.60a, eerste lid, slechts afwijken van het voorstel van de examencommissie, bedoeld in artikel 2.60e, eerste lid, onderdeel b:

2.

Het bevoegd gezag zendt de schriftelijke motivering, bedoeld in het eerste lid, zo spoedig mogelijk aan de examencommissie en de medezeggenschapsraad.

3.

Het bevoegd gezag behoeft voor het vaststellen van het programma van toetsing en afsluiting de instemming van de medezeggenschapsraad van de school, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder b, WMS.

4.

Het bevoegd gezag zendt jaarlijks voor 1 oktober het vastgestelde programma van toetsing en afsluiting voor het desbetreffende schooljaar aan de kandidaten en de inspectie.

Artikel 2.60c. Programma van toetsing en afsluiting: wijziging
1.

Het bevoegd gezag kan het programma van toetsing en afsluiting na 1 oktober slechts wijzigen:

2.

De examencommissie wordt vooraf in de gelegenheid gesteld om te adviseren over een wijziging als bedoeld in het eerste lid.

3.

Het bevoegd gezag kan bij de vaststelling van een wijziging van het programma van toetsing en afsluiting slechts afwijken van het advies van de examencommissie:

4.

Het derde en vierde lid van artikel 2.60b zijn van overeenkomstige toepassing op de vaststelling van de wijziging van het programma van toetsing en afsluiting na 1 oktober.

Artikel 2.60d. Benoeming en samenstelling van de examencommissie
1.

Het bevoegd gezag:

2.

De examencommissie heeft een oneven aantal leden en ten minste drie leden.

3.

Niet kunnen worden benoemd tot lid van de examencommissie:

4.

Bij de benoeming van de leden van de examencommissie draagt het bevoegd gezag er zorg voor dat de examencommissie deskundig is op het gebied van:

5.

Alvorens tot benoeming van een lid over te gaan, hoort het bevoegd gezag de overige leden van de examencommissie.

Artikel 2.60e. Taken en bevoegdheden van de examencommissie
1.

De examencommissie heeft voor de borging van de kwaliteit van de schoolexaminering de volgende taken en bevoegdheden:

2.

De examencommissie stelt regels vast over haar werkwijze.

3.

De examencommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden.

4.

De examencommissie evalueert jaarlijks de kwaliteit van de schoolexaminering en stelt een advies op aan het bevoegd gezag en de directeur over noodzakelijke en wenselijke verbeteringen.

5.

De examencommissie verstrekt de regels over haar werkwijze, het verslag, de evaluatie en het advies, bedoeld in het tweede tot en met het vierde lid, aan het bevoegd gezag, aan de directeur en aan de examensecretaris van een school.

Artikel 2.61. Onregelmatigheden; onvoorziene omstandigheden; maatregelen
1.

Indien een examenkandidaat zich bij een onderdeel van het eindexamen of bij een aanspraak op ontheffing aan een onregelmatigheid schuldig maakt of heeft gemaakt, of zonder geldige reden afwezig is op het eindexamen, kan de rector of directeur van de school maatregelen nemen.

2.

Indien het centraal examen naar het oordeel van de inspectie niet op regelmatige wijze heeft plaatsgevonden, kan zij besluiten dat het geheel of gedeeltelijk voor een of meer examenkandidaten opnieuw wordt afgenomen. In dat geval stelt het College voor toetsen en examens op verzoek van de inspectie nieuwe opgaven vast en bepaalt het College op welke wijze en door wie het examen zal worden afgenomen.

3.

Indien door onvoorziene omstandigheden het centraal examen in een of meer vakken aan een of meer scholen niet op de voorgeschreven wijze kan worden afgenomen, besluit Onze Minister op welke wijze wordt gehandeld.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over onregelmatigheden inzake het eindexamen.

Artikel 2.62. Intrekking examenbevoegdheid
1.

Onze Minister kan beslissen dat het bevoegd gezag voor een periode van twee jaren leerlingen niet in de gelegenheid stelt een eindexamen op de school af te leggen in een schoolsoort of leerweg, indien het gemiddelde verschil tussen de cijfers van het centraal examen en het schoolexamen in die schoolsoort of leerweg, gemeten over een periode van drie jaren, groter is dan een half punt.

2.

Onze Minister neemt deze beslissing niet eerder dan drie jaren nadat het bevoegd gezag de gelegenheid heeft gehad om het gemiddelde verschil terug te brengen tot een half punt of minder.

Artikel 2.63. Administratief beroep bij besluiten inzake maatregelen
1.

Een examenkandidaat of diens wettelijk vertegenwoordiger kan tegen een besluit van de rector of directeur als bedoeld in artikel 2.61, eerste lid, administratief beroep instellen bij een commissie van beroep voor de eindexamens die is ingesteld door het bevoegd gezag. De rector of directeur heeft geen zitting in deze commissie.

2.

In afwijking van artikel 6:7 Awb is de termijn voor het indienen van het beroepschrift vijf dagen.

3.

In afwijking van artikel 7:24, eerste, tweede, en vierde tot en met zevende lid, Awb beslist de commissie van beroep voor de eindexamens binnen twee weken na ontvangst van het beroepschrift. Zij kan de beslissing voor ten hoogste twee weken verdagen.

4.

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het besluit van de commissie van beroep voor de eindexamens.

Artikel 2.64. Voorziening bij beslissingen inzake maatregelen
1.

Een examenkandidaat of diens wettelijk vertegenwoordiger kan tegen een beslissing van de rector of directeur als bedoeld in artikel 2.61, eerste lid, die geen besluit is als bedoeld in de Awb, voorziening vragen bij de commissie van beroep voor de eindexamens. De rector of directeur heeft geen zitting in deze commissie.

2.

De termijn voor het indienen van het verzoekschrift is vijf dagen, met ingang van de dag na die waarop de beslissing aan de leerling is uitgereikt of toegezonden.

3.

De commissie van beroep voor de eindexamens beslist binnen twee weken na ontvangst van het verzoekschrift. Zij kan de beslissing voor ten hoogste twee weken verdagen.

4.

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de beslissing van de commissie van beroep voor de eindexamens.

Artikel 2.65. Hardheidsclausule

Onze Minister kan regels die bij of krachtens deze wet zijn gesteld over eindexamens, buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing van die regels gelet op het belang dat deze regels beogen te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Paragraaf 6. Aanwijzing als school met examenbevoegdheid

Artikel 2.66. Aanwijzing als school met examenbevoegdheid
1.

Onze Minister kan op aanvraag een niet uit ’s Rijks kas bekostigde school waarvan de cursusduur, de opdracht tot bevorderen van actief burgerschap en sociale cohesie, het schoolplan en de bevoegdheid van de leraren overeenkomen met die van een uit ’s Rijks kas bekostigde school voor vwo, havo, mavo of vbo, aanwijzen als bevoegd om aan leerlingen die met goed gevolg een eindexamen aan de school afleggen, het diploma uit te reiken, bedoeld in artikel 2.58, tweede lid.

2.

Artikel 2.62 is van overeenkomstige toepassing op de bevoegdheid om het eindexamen af te nemen.

3.

De bij of krachtens paragraaf 5 van dit hoofdstuk gestelde bepalingen zijn op het eindexamen van toepassing.

Artikel 2.67. Aanvraag tot aanwijzing als school met examenbevoegdheid
1.

Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 2.66, eerste lid, worden de volgende gegevens verstrekt:

2.

Onze Minister beslist binnen 26 weken na ontvangst van een aanvraag.

Artikel 2.68. Toepasselijke regels aangewezen school met examenbevoegdheid
1.

Het schoolplan van een school die op grond van artikel 2.66, eerste lid, is aangewezen, voldoet in elk geval aan de regels die zijn gesteld bij of krachtens de artikelen 2.2, 2.12 tot en met 2.27, 2.37, 2.38, en 2.88 tot en met 2.91.

2.

De naam van de school vermeldt de schoolsoort waarin het onderwijs aan de school wordt aangeboden.

3.

De voorwaarden voor de toelating tot de school zijn in elk geval gelijk aan de voorwaarden die voor de toelating zijn vastgesteld op grond van de artikelen 8.4 en 8.16.

4.

Artikel 2.94 is van overeenkomstige toepassing.

5.

Het bevoegd gezag meldt wijziging van het schoolplan onmiddellijk aan de inspectie.

Artikel 2.69. Overige regels aangewezen school met examenbevoegdheid

Op een school die is aangewezen op grond van artikel 2.66, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing de artikelen:

Artikel 2.70. Intrekking aanwijzing

Onze Minister kan de aanwijzing, bedoeld in artikel 2.66, eerste lid, intrekken indien:

Artikel 2.71. Aanwijzing scholen voortgezet speciaal onderwijs met examenbevoegdheid
1.

Op scholen als bedoeld in artikel 1 WEC waar voortgezet speciaal onderwijs wordt verzorgd, zijn van overeenkomstige toepassing de artikelen 2.66, 2.67, eerste lid, onderdelen a en b, en tweede lid, 2.68, 2.70, 2.109, 2.109a en 9.3.

2.

Op scholen voor voortgezet speciaal onderwijs die door Onze Minister zijn aangewezen op grond van het eerste lid, juncto artikel 2.66, zijn van overeenkomstige toepassing:

3.

Onze Minister kan, onverminderd artikel 2.70, de aanwijzing intrekken indien niet meer wordt voldaan aan het tweede lid.

4.

Voor een aangewezen school voor voortgezet speciaal onderwijs kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld die afwijken van de op grond van het eerste en tweede lid bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voor een aangewezen school voor voortgezet speciaal onderwijs in aanvulling op de kerndoelen die zijn vastgesteld op grond van artikel 2.13 kerndoelen worden vastgesteld. Daarbij kan worden bepaald dat het onderwijs na de eerste twee leerjaren ook wordt verzorgd op basis van de kerndoelen die zijn vastgesteld op grond van dit lid.

5.

Voor een aangewezen school voor voortgezet speciaal onderwijs kunnen provinciale staten van Fryslân bij verordening kerndoelen Friese taal en cultuur vaststellen in afwijking van de kerndoelen Friese taal en cultuur die zijn vastgesteld op grond van artikel 2.16. De artikelen 2.15 tot en met 2.17 zijn van overeenkomstige toepassing op de verordening.

6.

Indien een aanvraag op grond van het eerste lid betrekking heeft op het vbo, geeft het bevoegd gezag in de aanvraag aan in welke profielen, bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, het onderwijs wordt verzorgd.

Paragraaf 7. Staatsexamens

Artikel 2.72. Staatsexamens en deelstaatsexamens
1.

Het College voor toetsen en examens geeft degenen die zich daarvoor hebben aangemeld, en, indien van toepassing, voldoen aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels voor toelating tot het staatsexamen, jaarlijks de gelegenheid om een staatsexamen vwo, havo of vmbo of een daarvan onderdeel uitmakend deelstaatsexamen af te leggen.

2.

Het staatsexamen vindt op één van de volgende wijzen plaats:

3.

Bij algemene maatregel van bestuur wordt geregeld welke andere staatsexamens dan bedoeld in het eerste lid kunnen worden afgelegd voor het College voor toetsen en examens. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over deze andere staatsexamens.

4.

Examenkandidaten zijn voor het afleggen van een staatsexamen of deelstaatsexamen een financiële bijdrage verschuldigd. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over deze bijdrage en de betaling daarvan. Examenkandidaten die zijn ingeschreven op een school voor voortgezet speciaal onderwijs zijn geen bijdrage verschuldigd.

5.

Indien de examenkandidaat is ingeschreven op een school of een instelling als bedoeld in de WEB of WEB BES waarvan de examenbevoegdheid is ingetrokken op grond van artikel 2.62 van deze wet respectievelijk op grond van artikel 6a.2.1 WEB of artikel 6.2.2a WEB BES, is de financiële bijdrage niet verschuldigd door de examenkandidaat maar door het bevoegd gezag van die school of instelling.

6.

De mondelinge onderdelen van het staatsexamen worden in het openbaar afgenomen.

7.

Degene die is afgewezen voor het eindexamen van een school of van een school voor voortgezet speciaal onderwijs, wordt niet toegelaten tot het overeenkomstige staatsexamen in hetzelfde jaar.

8.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de aanmelding voor en toelating tot het staatsexamen en het deelstaatsexamen.

Artikel 2.73. Identificatie bij staatsexamen

Een ieder die aan het staatsexamen of deelstaatsexamen deelneemt, is verplicht op verzoek van degenen die de examens afnemen of daarop toezicht houden een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden.

Artikel 2.74. Afnametaal bij toetsen en examens
1.

De toetsen en examens als onderdeel van het staatsexamen of deelstaatsexamen worden afgenomen in het Nederlands.

2.

Bij het afnemen van de toetsen en examens kan een andere taal dan het Nederlands worden gebruikt als:

3.

Het College voor toetsen en examens stelt een gedragscode vast voor het gebruik van een andere taal dan het Nederlands bij toetsen of examens in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen b en c.

Artikel 2.75. Inhoud staatsexamen en deelstaatsexamen
1.

Het College voor toetsen en examens stelt de examenkandidaat in de gelegenheid met inachtneming van de bij of krachtens deze paragraaf gestelde bepalingen de vakken te kiezen waarin hij staatsexamen of deelstaatsexamen aflegt.

2.

Het staatsexamen vmbo in de basisberoepsgerichte, kaderberoepsgerichte en gemengde leerweg omvat geen beroepsgerichte vakken.

3.

Het staatsexamen of deelstaatsexamen bestaat voor elk vak uit een college-examen of een centraal examen, of uit beide.

4.

Het college-examen vwo, havo en vmbo in de theoretische leerweg of gemengde leerweg omvat een profielwerkstuk als bedoeld in artikel 2.53, derde lid.

5.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden:

Artikel 2.76. Examenprogramma’s
1.

De staatsexamens en deelstaatsexamens worden afgenomen op basis van de examenprogramma’s vwo, havo en vmbo die zijn vastgesteld op grond van artikel 2.54.

2.

Voor het college-examen geldt dat:

Artikel 2.77. College-examen
1.

Het college-examen wordt afgenomen door het College voor toetsen en examens.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het college-examen, waaronder regels over de wijze van examinering en het beoordelen van het college-examen.

Artikel 2.78. Centraal examen van staatsexamen
1.

Het centraal examen van het staatsexamen heeft in elk kalenderjaar drie afnameperiodes. Deze worden aangeduid als eerste, tweede en derde tijdvak. Het tweede en derde tijdvak bieden volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels gelegenheid om het centraal examen van het staatsexamen alsnog te voltooien, dan wel het centraal examen te herkansen. Het College voor toetsen en examens kan bepalen dat een centraal examen op een ander tijdstip plaatsvindt.

2.

Het examenwerk voor het centraal examen wordt beoordeeld door twee of, indien het College voor de toetsen en examens dit noodzakelijk acht, drie correctoren. Het College voor toetsen en examens wijst hen aan.

3.

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

Artikel 2.79. Vaststelling van de uitslag
1.

Het College voor toetsen en examens stelt vast:

2.

De uitslag van het staatsexamen wordt vastgesteld op basis van:

3.

De uitslag luidt «geslaagd» of «afgewezen».

4.

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

Artikel 2.80. Diploma’s, certificaten en cijferlijsten
1.

Het College voor toetsen en examens reikt op grond van de definitieve uitslag van het staatsexamen of deelstaatsexamen aan elke examenkandidaat een cijferlijst uit.

2.

Het College voor toetsen en examens draagt er zorg voor dat op grond van de definitieve uitslag wordt uitgereikt:

3.

Bij ministeriële regeling worden modellen vastgesteld voor de cijferlijst, de diploma’s en het certificaat, bedoeld in het tweede lid.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

Artikel 2.81. Examenreglement; programma van toetsing en afsluiting
1.

Het College voor toetsen en examens stelt een examenreglement vast, dat in elk geval bevat:

2.

Het College voor toetsen en examens stelt jaarlijks voor 1 oktober een programma van toetsing en afsluiting vast voor de examinering in het daaropvolgende jaar. Het programma vermeldt per vak in elk geval:

3.

Het College voor toetsen en examens zendt het examenreglement en het programma van toetsing en afsluiting voor 1 januari aan de inspectie en draagt er zorg voor dat ze bij de bevestiging van de aanmelding aan de eindexamenkandidaten worden verstrekt.

Artikel 2.82. Onregelmatigheden; onvoorziene omstandigheden; maatregelen
1.

Indien een examenkandidaat zich bij een onderdeel van het staatsexamen of deelstaatsexamen of bij een aanspraak op ontheffing aan een onregelmatigheid schuldig maakt of heeft gemaakt, kan het College voor toetsen en examens maatregelen nemen.

2.

De examenkandidaat die onaangekondigd afwezig is bij het centraal examen in een vak, dan wel met aankondiging maar zonder een door het College voor toetsen en examens aanvaarde reden, afwezig is bij enig onderdeel van het staatsexamen of deelstaatsexamen, is uitgesloten van verdere deelname aan het centraal examen in dat vak en ook van deelname aan het college-examen in het desbetreffende vak.

3.

Indien het centraal examen van het staatsexamen naar het oordeel van de inspectie niet op regelmatige wijze heeft plaatsgevonden, kan zij besluiten dat het geheel of gedeeltelijk voor een of meer examenkandidaten opnieuw wordt afgenomen. In dat geval stelt het College voor toetsen en examens op verzoek van de inspectie nieuwe opgaven vast en bepaalt het College op welke wijze en door wie het examen zal worden afgenomen.

4.

Indien door onvoorziene omstandigheden het centraal examen van het staatsexamen in een of meer vakken niet op de voorgeschreven wijze kan worden afgenomen, besluit het College voor toetsen en examens op welke wijze wordt gehandeld.

5.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over maatregelen als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2.83. Bezwaar bij College voor toetsen en examens
1.

In afwijking van artikel 6:7 Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen een besluit over het deelnemen aan staatsexamens of tegen een besluit als bedoeld in artikel 2.82, eerste lid, vijf dagen.

2.

In afwijking van artikel 7:24, eerste, tweede, en vierde tot en met zevende lid, Awb beslist het College voor toetsen en examens binnen twee weken na ontvangst van het bezwaarschrift. Het College voor toetsen en examens kan de beslissing voor ten hoogste twee weken verdagen.

3.

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de beslissing van het College voor toetsen en examens op het bezwaarschrift.

Artikel 2.84. Uitvoeringsregels over het staatsexamen

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de documenten van het staatsexamen, de verstrekking van informatie en gegevens aan de inspectie, de gegevensverstrekking aan Onze Minister over de afgelegde staatsexamens en deelstaatsexamens en het bewaren van het examenwerk.

Artikel 2.85. Hardheidsclausule

Het College voor toetsen en examens kan regels over staatsexamens en deelstaatsexamens die bij of krachtens deze wet zijn gesteld, buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet op de bijzondere functie van het staatsexamen en het deelstaatsexamen ook voor kandidaten die in bijzondere omstandigheden verkeren, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Paragraaf 8. Andere vormen van voortgezet onderwijs

Artikel 2.86. Instellingen voor voortgezet onderwijs
1.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen instellingen worden aangewezen die ander voortgezet onderwijs geven dan voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, en die voor bekostiging uit ’s Rijks kas in aanmerking komen.

2.

Hoofdstuk 2, paragrafen 2 en 5, hoofdstuk 4, paragrafen 1 en 4, hoofdstuk 5, paragrafen 2, 3 en 5, hoofdstuk 7, paragrafen 2, 3, 4 en 7, en hoofdstuk 8 zijn niet van toepassing op deze instellingen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen deze bepalingen van toepassing of overeenkomstige toepassing worden verklaard dan wel kunnen regels worden gesteld over:

Paragraaf 9. Kwaliteitszorg en communicatie

Artikel 2.87. Kwaliteit onderwijs

Het bevoegd gezag draagt zorg voor de kwaliteit van het onderwijs op de school. Daaronder wordt in elk geval verstaan het naleven van de regels die zijn gesteld bij of krachtens deze wet en het uitvoeren van het stelsel van kwaliteitszorg, bedoeld in artikel 2.91.

Artikel 2.88. Schoolplan: typering
1.

Het bevoegd gezag stelt in elk geval eenmaal in de vier jaar het schoolplan vast.

2.

Het schoolplan bevat een beschrijving van het beleid voor de kwaliteit van het onderwijs dat binnen de school wordt gevoerd. Deze beschrijving omvat in elk geval:

3.

Het schoolplan bevat een beschrijving van het beleid voor het aanvaarden van materiële of financiële bijdragen, niet zijnde de financiële bijdrage, bedoeld in artikel 8.8, zevende lid, of een andere op de onderwijswetgeving gebaseerde bijdrage, indien het bevoegd gezag bij het aanvaarden van deze bijdragen verplichtingen op zich neemt waarmee de leerlingen zullen worden geconfronteerd binnen de schooltijden, tijdens de activiteiten die worden georganiseerd onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag, en tijdens het overblijven.

4.

Het schoolplan geeft aan, op welke wijze de identiteitscommissie, bedoeld in artikel 3.23, invulling geeft aan het openbare karakter of, voor zover het een samenwerkingsschool betreft, de identiteit ervan, respectievelijk de identiteit van de school voor zover het betreft een samenwerkingsschool.

5.

Het bevoegd gezag zendt het schoolplan of een wijziging daarvan zo spoedig mogelijk na de vaststelling aan de medezeggenschapsraad en de inspectie.

Artikel 2.89. Schoolplan: onderwijskundig beleid
1.

De beschrijving van het onderwijskundig beleid, bedoeld in artikel 2.88, tweede lid, onderdeel a, omvat in elk geval:

2.

Bij de beschrijving van het onderwijskundig beleid wordt ook het schoolondersteuningsprofiel betrokken.

Artikel 2.90. Schoolplan: personeelsbeleid

De beschrijving van het personeelsbeleid, bedoeld in artikel 2.88, tweede lid, onderdeel b, omvat in elk geval:

Artikel 2.91. Schoolplan: stelsel van kwaliteitszorg

De beschrijving van het stelsel van kwaliteitszorg, bedoeld in artikel 2.88, tweede lid, onderdeel c, vermeldt in elk geval hoe wordt zorggedragen voor:

Artikel 2.92. Schoolgids
1.

Het bevoegd gezag stelt jaarlijks de schoolgids voor het eerstvolgende schooljaar vast.

2.

De schoolgids bevat voor ouders en leerlingen informatie over de werkwijze van de school en in elk geval over:

3.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop in de schoolgids:

4.

Het bevoegd gezag stelt de schoolgids zo spoedig mogelijk na de vaststelling beschikbaar voor de ouders, dan wel de meerderjarige en handelingsbekwame leerling, de medezeggenschapsraad en de inspectie.

Artikel 2.93. Aanduiding onderwijsaanbod in maatschappelijk verkeer
1.

Het bevoegd gezag vermeldt in de naam van de school de schoolsoort waartoe de school behoort.

2.

Bij een geschil tussen het bevoegd gezag en Onze Minister over de vraag tot welke schoolsoort de school behoort, beslist Onze Minister.

3.

Het bevoegd gezag van een school voor mavo, een school voor vbo, of een scholengemeenschap waarvan in elk geval een school voor mavo of een school voor vbo deel uitmaakt, kan voor die school de vermelding «voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs» of «vmbo» gebruiken.

4.

In het maatschappelijk verkeer brengt het bevoegd gezag tot uitdrukking:

Artikel 2.94. Zeer zwak onderwijs en beoordeling leerresultaten
1.

De kwaliteit van het onderwijs aan een school heeft de kwalificatie «zeer zwak», indien de leerresultaten van het vwo, het havo, het mavo, het vbo, het vmbo in de theoretische leerweg en de gemengde leerweg, het vmbo in de basisberoepsgerichte leerweg of het vmbo in de kaderberoepsgerichte leerweg ernstig en langdurig tekortschieten en het bevoegd gezag in verband met dit tekortschieten ook tekortschiet in de naleving van een of meer regels die zijn gesteld bij of krachtens deze wet. Het bevoegd gezag voldoet in elk geval niet aan de wettelijke opdracht om zorg te dragen voor de kwaliteit van het onderwijs, bedoeld in artikel 2.87, indien de kwaliteit van het onderwijs de kwalificatie «zeer zwak» heeft.

2.

Er is sprake van onvoldoende leerresultaten als bedoeld in het eerste lid indien in de schoolsoort of de leerweg, bedoeld in het eerste lid, de gemiddelde eindexamenresultaten en het doorstroomrendement, gemeten over een periode van drie schooljaren, liggen onder de normering, bedoeld in het vierde lid, die daarvoor geldt in vergelijking tot die leerresultaten over diezelfde schooljaren van dezelfde schoolsoorten of dezelfde leerwegen met een vergelijkbaar leerlingenbestand.

3.

Indien de leerresultaten van het onderwijs niet kunnen worden beoordeeld op grond van de regels die zijn gesteld bij of krachtens het vierde lid, heeft de kwaliteit van het onderwijs de kwalificatie «zeer zwak», indien het bevoegd gezag ten aanzien van het onderwijs, bedoeld in het eerste lid, tekortschiet in de naleving van twee of meer regels die bij of krachtens deze wet zijn gesteld en het bevoegd gezag als gevolg daarvan tekortschiet in het zorg dragen voor de veiligheid op school, bedoeld in artikel 3.40, eerste lid, of in het zodanig inrichten van het onderwijs dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen ofin het afstemmen van het onderwijs op de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen, bedoeld in artikel 1.4.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

Artikel 2.95. Opheffing school of beëindiging bekostiging
1.

In een situatie als bedoeld in artikel 2.94, eerste lid, kan Onze Minister beslissen dat met ingang van een bepaalde datum een in artikel 2.94, eerste lid, bedoelde schoolsoort of leerweg van een openbare school wordt opgeheven en de bekostiging van een in artikel 2.94, eerste lid, bedoelde schoolsoort of leerweg van een bijzondere school wordt beëindigd.

2.

Indien de toepassing van het eerste lid ertoe zou leiden dat een school alleen nog onderwijs zou verzorgen in de eerste twee leerjaren, is het eerste lid van toepassing op de gehele school.

3.

Voordat Onze Minister het eerste en tweede lid toepast:

4.

Op een schoolsoort of leerweg die minder dan 2 schooljaren wordt bekostigd en waarvan de kwaliteit van het onderwijs in deze periode zeer zwak is, bedoeld in artikel 2.94, eerste lid, zijn het eerste, tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing, indien het bevoegd gezag:

5.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien uit een inspectierapport als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht blijkt dat een bevoegd gezag niet of niet volledig heeft voldaan aan een aanwijzing wegens wanbeheer als bedoeld in artikel 3.38, tweede lid, onderdeel f of g, en dat het wanbeheer niet is beëindigd.

Artikel 2.96. Informeren ouders bij zeer zwak onderwijs
1.

Indien de inspectie in het inspectierapport, bedoeld in artikel 20 WOT, tot het oordeel is gekomen dat de kwaliteit van het onderwijs «zeer zwak» is, als bedoeld in artikel 2.94, eerste of derde lid, informeert het bevoegd gezag de ouders van de leerlingen van de school hierover in elk geval door hen de samenvatting van het inspectierapport toe te zenden die de inspectie heeft opgesteld en die gelijktijdig met het inspectierapport ter beschikking is gesteld aan het bevoegd gezag. De toezending vindt plaats binnen vier weken nadat het inspectierapport is vastgesteld.

2.

Indien het bevoegd gezag niet of niet tijdig aan deze informatieplicht voldoet, zendt Onze Minister de samenvatting van het inspectierapport in de vijfde week na vaststelling van het inspectierapport aan de ouders van de leerlingen.

3.

Indien de inspectie tot het oordeel komt, bedoeld in het eerste lid, dan betrekt het bevoegd gezag de ouders van de leerlingen van de school en de meerderjarige leerlingen bij de maatregelen die het bevoegd gezag voornemens is te treffen ter verbetering van de kwaliteit.

Artikel 2.97. Rapportage vorderingen van leerlingen

Het bevoegd gezag rapporteert over de vorderingen van de leerlingen aan hun ouders, dan wel aan de leerlingen zelf als zij meerderjarig en handelingsbekwaam zijn.

Artikel 2.98. Leerlingenstatuut
1.

Het bevoegd gezag stelt elke twee jaar een leerlingenstatuut vast.

2.

Het leerlingenstatuut vermeldt de rechten en plichten van de leerlingen.

3.

Het leerlingenstatuut bevat in elk geval regels over handhaving van de goede gang van zaken binnen de school, en over de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de bescherming van gegevens uit de persoonlijke levenssfeer.

4.

Het bevoegd gezag stelt de actuele versie van het leerlingenstatuut voor de leerlingen beschikbaar.

Paragraaf 10. Onderwijskundige verbanden en samenwerking

Artikel 2.99. Samenwerking tussen scholen onderling en met instellingen voor educatie en beroepsonderwijs voor doelmatig en doeltreffend onderwijs
1.

Het bevoegd gezag kan leerlingen in de gelegenheid stellen om in het kader van het onderwijs waarvoor zij aan de school zijn ingeschreven:

2.

Het eerste lid wordt toegepast om:

Artikel 2.100. Samenwerkingsovereenkomst
1.

Voor de toepassing van artikel 2.99 sluit het bevoegd gezag van de school een samenwerkingsovereenkomst met het bevoegd gezag van de school of instelling die bij de samenwerking is betrokken.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over welke onderwerpen de samenwerkingsovereenkomst in elk geval omvat.

Artikel 2.101. Nadere regels samenwerkingsovereenkomst
1.

Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld voor welke leerlingen en onder welke voorwaarden artikel 2.99 kan worden toegepast.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kan worden geregeld dat leerlingen als bedoeld in het eerste lid worden aangemerkt of ook worden aangemerkt als mbo-student of vavo-student voor de toepassing van daarbij aan te wijzen wettelijke regels.

3.

Bij algemene maatregel van bestuur kan bij toepassing van artikel 2.99 voor doelen als bedoeld in artikel 2.99, tweede lid, onderdelen a en b, worden geregeld van welke bij of krachtens de artikelen 2.21, vierde lid, 2.22 tot en met 2.27, 2.37, 2.51, 2.53, 2.54, 2.56, 2.58, 2.62, 2.72, 2.75, 2.78, derde lid, onder a, 2.80, 2.83, 2.82, 2.105, 7.2, 7.3, en 7.9 tot en met 7.24 vastgestelde regels kan worden afgeweken, en welke regels in plaats daarvan zullen gelden.

Artikel 2.102. Entreeopleiding volgen in plaats van basisberoepsgerichte leerweg vmbo
1.

Het bevoegd gezag van een school voor vbo kan leerlingen die aan de school zijn ingeschreven en die daarbij naar zijn oordeel gebaat zijn, de gelegenheid geven om een entreeopleiding te volgen, met inachtneming van de artikelen 7.2.7 en 8.1.1, derde lid, WEB, of de artikelen 7.2.6 en 8.1.1, zesde lid, WEB BES. De entreeopleiding komt geheel of gedeeltelijk in plaats van de basisberoepsgerichte leerweg, bedoeld in artikel 2.22, eerste lid, onderdeel b.

2.

De entreeopleiding stemt overeen met het programma-aanbod van de beroepsgerichte programma’s van de basisberoepsgerichte leerweg die de school verzorgt.

3.

Het bevoegd gezag is er niet toe verplicht om aan leerlingen die de entreeopleiding volgen, gelegenheid te geven aan de school een eindexamen in de basisberoepsgerichte leerweg af te leggen als bedoeld in artikel 2.51, eerste lid.

4.

Leerlingen die een entreeopleiding volgen, worden wat de toepassing van deze wet en daarop berustende bepalingen betreft aangemerkt als leerlingen van de basisberoepsgerichte leerweg waarvoor de entreeopleiding geheel of gedeeltelijk in de plaats komt.

5.

De entreeopleiding wordt verzorgd onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag op grond van een samenwerkingsovereenkomst tussen het bevoegd gezag van de school en het bevoegd gezag van een instelling voor beroepsonderwijs waarvan het onderwijsaanbod ook deze entreeopleiding omvat.

6.

Bij toepassing van artikel 7.4.4a, derde lid, WEB of artikel 7.4.6, derde lid, WEB BES is het bevoegd gezag belast met de uitvoering van de examinering, bedoeld in die artikelen.

7.

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

Artikel 2.103. Leer-werktraject als anders ingerichte basisberoepsgerichte leerweg vmbo
1.

Het bevoegd gezag kan de basisberoepsgerichte leerweg, bedoeld in artikel 2.22, eerste lid, onderdeel b, ook inrichten als leer-werktraject. Een leer-werktraject is gericht op het behalen van een startkwalificatie op het niveau van de basisberoepsopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, WEB of artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, WEB BES.

2.

Een leer-werktraject omvat een buitenschools praktijkgedeelte, dat wordt verzorgd bij een bedrijf of organisatie.

3.

Elke schoolweek in het derde en vierde leerjaar omvat in elk geval binnenschools onderwijs.

4.

Een leer-werktraject omvat in elk geval Nederlandse taal en een beroepsgericht programma. Het bevoegd gezag kan, na overleg met de leerling of diens ouders, beslissen dat het leer-werktraject voor die leerling ook een of meer andere vakken van de basisberoepsgerichte leerweg omvat.

5.

Het bevoegd gezag stelt bij de inrichting van het leer-werktraject in elk geval vast:

6.

Het buitenschoolse praktijkgedeelte omvat niet uitsluitend eenzijdige productie-arbeid. Het wordt verzorgd op grondslag van een leer-werkovereenkomst tussen het bevoegd gezag, de leerling of diens ouders, en het bedrijf dat of de organisatie die dit praktijkgedeelte verzorgt.

7.

In afwijking van artikel 610, tweede lid, tweede volzin, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, zijn in geval van strijd als bedoeld in die volzin, van toepassing het zesde lid en de regels voor de uitvoering daarvan.

8.

Voor leerlingen voor wie het bevoegd gezag het volgen van een leer-werktraject het meest geschikt acht, wordt het onderwijs in de eerste twee leerjaren vanwege de in artikel 2.12 bedoelde bevordering van de doorstroming van leerlingen, verzorgd op basis van een samenstel van kerndoelen dat niet alle kerndoelen behoeft te omvatten.

Artikel 2.104. Samenwerkingsovereenkomst bij leer-werktraject vmbo
1.

Leer-werktrajecten worden verzorgd op grondslag van een samenwerkingsovereenkomst tussen het bevoegd gezag van de school en het bevoegd gezag van een instelling voor beroepsonderwijs waaraan een basisberoepsopleiding wordt verzorgd als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, van de WEB of artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, WEB BES.

2.

De samenwerkingsovereenkomst voorziet in elk geval in het inrichten van een doorlopende leerweg tot en met de basisberoepsopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, van de WEB of artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, WEB BES.

Artikel 2.105. Beoordeling kwaliteit en erkenning leerbedrijven bij leer-werktraject vmbo
1.

Het bedrijf dat of de organisatie die het buitenschoolse praktijkgedeelte van een leer-werktraject verzorgt, draagt zorg voor de begeleiding van de leerlingen binnen het bedrijf respectievelijk de organisatie.

2.

Het bestuur van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven, bedoeld in artikel 1.5.1 WEB, draagt er zorg voor dat bedrijven en organisaties die het buitenschoolse praktijkgedeelte verzorgen eens in de vier jaren worden beoordeeld aan de hand van de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 2.106, onderdeel a. Vanwege bijzondere omstandigheden kan een bedrijf of organisatie vaker worden beoordeeld.

3.

Alleen bedrijven en organisaties met een erkenning zijn bevoegd om het buitenschoolse praktijkgedeelte te verzorgen.

4.

Het bestuur:

5.

De erkenning wordt geweigerd of ingetrokken indien niet wordt voldaan aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 2.106, onderdeel a.

6.

Het bestuur vraagt geen vergoeding voor de kosten van de beoordeling en voor de kosten van de besluiten, bedoeld in het tweede en vierde lid.

7.

De erkenning vervalt van rechtswege indien het leerbedrijf in een aaneengesloten periode van vier jaren geen buitenschools praktijkgedeelte heeft verzorgd.

8.

Het bestuur draagt zorg voor het openbaar maken van een actueel overzicht van bedrijven en organisaties met een erkenning op grond van het derde lid.

Artikel 2.106. Uitvoeringsregels leer-werktrajecten

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het buitenschoolse praktijkgedeelte van leer-werktrajecten. Deze algemene maatregel van bestuur bevat in ieder geval regels over:

Artikel 2.107. Vervangende voorziening voor praktijkplaats bij leer-werktraject vmbo
1.

Het bevoegd gezag kan na het sluiten van de leer-werkovereenkomst vaststellen dat:

2.

Indien het bevoegd gezag na het sluiten van de leer-werkovereenkomst vaststelt dat het buitenschoolse praktijkgedeelte niet naar behoren zal kunnen worden verzorgd, draagt het er zorg voor dat een toereikende voorziening beschikbaar wordt gesteld, na overleg met het bestuur van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven.

Artikel 2.107a. Doorlopende leerroute vmbo-mbo
1.

Het bevoegd gezag van een school voor mavo of een school voor vbo kan leerlingen een doorlopende leerroute vmbo-mbo aanbieden, met inachtneming van de artikelen 2.107b tot en met 2.107k.

2.

Een doorlopende leerroute vmbo-mbo is een onderwijsprogramma vanaf het derde leerjaar aan een school voor mavo of een school voor vbo, dat opleidt tot zowel een diploma vmbo als bedoeld in artikel 2.58, tweede lid, als het diploma van een basisberoepsopleiding, vakopleiding of middenkaderopleiding.

3.

In een doorlopende leerroute vmbo-mbo worden tot één onderwijsprogramma geïntegreerd:

4.

Een doorlopende leerroute vmbo-mbo stemt wat betreft het daarvan onderdeel uitmakende voortgezet onderwijs overeen met een of meer van de profielen, bedoeld in artikel 2.25, 2.26 of 2.27, die aan de school worden verzorgd.

Artikel 2.107b. Samenwerking tussen VO-scholen en MBO-instellingen in het kader van doorlopende leerroutes vmbo-mbo
1.

Een doorlopende leerroute vmbo-mbo wordt op grond van een samenwerkingsovereenkomst gezamenlijk verzorgd door het bevoegd gezag van een school en het bevoegd gezag van een instelling voor beroepsonderwijs.

2.

In de samenwerkingsovereenkomst zijn in elk geval afspraken opgenomen over:

3.

Het tweede lid is niet van toepassing indien de doorlopende leerroute vmbo-mbo volledig wordt verzorgd binnen een verticale scholengemeenschap. In plaats daarvan regelt het bevoegd gezag van de verticale scholengemeenschap op overeenkomstige wijze de onderwerpen, genoemd in het tweede lid, met uitzondering van de onderdelen h tot en met j van dat lid.

Artikel 2.107c. Melden doorlopende leerroute vmbo-mbo

Het bevoegd gezag van een school en het bevoegd gezag van een instelling voor beroepsonderwijs melden gezamenlijk aan Onze Minister dat zij een doorlopende leerroute vmbo-mbo aanbieden.

Artikel 2.107d. Inrichting doorlopende leerroutes vmbo-mbo
1.

Een doorlopende leerroute vmbo-mbo wordt aangeboden op de locatie van de school of van de instelling voor beroepsonderwijs die de doorlopende leerroute vmbo-mbo verzorgt.

2.

Het bevoegd gezag van de school en het bevoegd gezag van de instelling voor beroepsonderwijs beschrijven voor de gehele doorlopende leerroute vmbo-mbo het onderwijsprogramma en de examinering per leerjaar. Daarbij wordt vermeld welke delen van het onderwijsprogramma en van het examen:

3.

Bij de beschrijving van het onderwijsprogramma wordt tevens vermeld bij welk deel daarvan gebruik wordt gemaakt van een team als bedoeld in artikel 7.13a.

4.

De leerling in een doorlopende leerroute vmbo-mbo kan in de gelegenheid gesteld worden om delen van het onderwijsprogramma te volgen en examens af te leggen die behoren tot de van die doorlopende leerroute deel uitmakende beroepsopleiding.

5.

De school kan aan een voormalige leerling, nadat die ingevolge artikel 2.107e, tweede lid, als mbo-student is ingeschreven aan een instelling voor beroepsonderwijs, delen van het onderwijsprogramma van een doorlopende leerroute vmbo-mbo aanbieden, die behoren tot het van die doorlopende leerroute deel uitmakende mavo of vbo.

Artikel 2.107e. Inschrijving doorlopende leerroute vmbo-mbo
1.

Een leerling die een doorlopende leerroute vmbo-mbo volgt, wordt gedurende de eerste twee leerjaren van die doorlopende leerroute vmbo-mbo aangemerkt als leerling van de leerweg, bedoeld in artikel 2.21, en het profiel, bedoeld in artikel 2.25, 2.26 of 2.27, die deel uitmaken van de door die leerling gevolgde doorlopende leerroute vmbo-mbo.

2.

Een leerling in een doorlopende leerroute vmbo-mbo wordt met ingang van het derde leerjaar van die doorlopende leerroute vmbo-mbo uitgeschreven als leerling aan de school en wordt ingeschreven als mbo-student bij de instelling voor beroepsonderwijs die het beroepsonderwijs binnen de doorlopende leerroute vmbo-mbo verzorgt. Het bevoegd gezag van de school overlegt daartoe aan het bevoegd gezag van de instelling voor beroepsonderwijs de gegevens van die leerling, bedoeld in artikel 8.1.1a, eerste lid, eerste volzin, WEB of artikel 8.1.3, eerste lid, eerste volzin, WEB BES.

Artikel 2.107f. Verantwoordelijkheid van de school
1.

Het bevoegd gezag van de school draagt de gehele cursusduur van een doorlopende leerroute vmbo-mbo zorg voor:

2.

Ten aanzien van de onderdelen van een doorlopende leerroute vmbo-mbo, bedoeld in het eerste lid, die in het derde leerjaar van die route plaatsvinden, is het bepaalde bij of krachtens de artikelen 5.48, eerste tot en met derde lid en 8.17, eerste, tweede, vijfde, zevende en negende tot en met twaalfde lid, alsmede het bepaalde bij of krachtens de artikelen 10, 12, 14, 15 en 25 van de Wet register onderwijsdeelnemers van overeenkomstige toepassing.

3.

De artikelen 3.35 en 3.36 zijn van overeenkomstige toepassing op klachten over met de doorlopende leerroute vmbo-mbo verband houdende gedragingen en beslissingen van het bevoegd gezag van de instelling voor beroepsonderwijs waarmee een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel is 2.107b, tweede lid, is gesloten, of van het personeel van dat bevoegd gezag. Onverminderd artikel 3.35, tweede lid, is de voorzitter van de klachtencommissie niet werkzaam voor of bij dat bevoegd gezag.

Artikel 2.107g. Cursusduur van een doorlopende leerroute vmbo-mbo
1.

In afwijking van de artikelen 2.6, derde lid, en 2.7, derde lid, en artikel 7.2.4a, derde lid, onderdelen b tot en met d, en vierde lid, WEB of artikel 7.2.4a, derde lid, onderdelen b tot en met d, en vierde lid, WEB BES bedraagt de cursusduur van een doorlopende leerroute vmbo-mbo vanaf het derde leerjaar aan een school voor mavo of een school voor vbo:

2.

Ten aanzien van de basisberoepsopleiding, vakopleiding of middenkaderopleiding die deel uitmaakt van een doorlopende leerroute vmbo-mbo wordt onder «cursusduur» mede verstaan «studieduur als bedoeld in de WEB of WEB BES» en wordt onder «jaar» mede verstaan «studiejaar als bedoeld in artikel 1.1.1 WEB, of artikel 1.1.1 WEB BES».

Artikel 2.107h. Onderwijstijd doorlopende leerroute vmbo-mbo (BOL)
1.

In afwijking van artikel 2.38, derde en vierde lid, en artikel 7.2.7, derde lid, onderdelen b, c en d, en achtste lid, WEB omvat het onderwijsprogramma van een doorlopende leerroute vmbo-mbo waarvan een beroepsopleiding in de beroepsopleidende leerweg, bedoeld in artikel 7.2.7, derde lid, WEB deel uitmaakt:

2.

Het bevoegd gezag van de school en het bevoegd gezag van de instelling voor beroepsonderwijs kunnen gezamenlijk een onderwijsprogramma verzorgen dat minder uren omvat dan de in het eerste lid, onderdelen a tot en met e, genoemde aantallen mits de doorlopende leerroute vmbo-mbo aantoonbaar van voldoende kwaliteit is. In het geval dat het onderwijsprogramma minder uren omvat, legt het bevoegd gezag dit vast in het schoolplan, bedoeld in artikel 2.88 en neemt dit op in de schoolgids, bedoeld in artikel 2.92.

Artikel 2.107i. Onderwijstijd doorlopende leerroute vmbo-mbo (BBL)

In afwijking van artikel 2.38, derde en vierde lid, en artikel 7.2.7, vierde lid, eerste volzin, WEB, en onverminderd artikel 8.1.1, derde lid, WEB omvat het onderwijsprogramma van een doorlopende leerroute vmbo-mbo waarvan een beroepsopleiding in de beroepsbegeleidende leerweg, bedoeld in artikel 7.2.7, vierde lid, WEB deel uitmaakt:

Artikel 2.107j. Examinering en diplomering VO binnen een doorlopende leerroute vmbo-mbo
1.

In afwijking van artikel 2.56, tweede lid, vallen het eerste en tweede tijdvak van het centraal examen, voor leerlingen die een doorlopende leerroute vmbo-mbo volgen, afhankelijk van de inrichting van de doorlopende leerroute vmbo-mbo door het bevoegd gezag, in het tweede of derde leerjaar van die doorlopende leerroute vmbo-mbo. Het bevoegd gezag kan leerlingen in de gelegenheid stellen om in het eerste leerjaar van de doorlopende leerroute vmbo-mbo centraal examen af te leggen in een of meer vakken van het eindexamen.

2.

Het derde tijdvak van het centraal examen wordt afgenomen door het College voor toetsen en examens aansluitend aan het leerjaar waarin de kandidaat centraal examen heeft afgelegd in het eerste of tweede tijdvak.

3.

Het bepaalde bij of krachtens Hoofdstuk 2, Paragraaf 5, is van overeenkomstige toepassing op het derde leerjaar van een doorlopende leerroute vmbo-mbo.

4.

Indien een voormalige leerling van de school, nadat die ingevolge artikel 2.107e, tweede lid, als mbo-student is ingeschreven aan de instelling voor beroepsonderwijs waarmee de school gezamenlijk een doorlopende leerroute vmbo-mbo verzorgt nog geen volledig eindexamen vmbo heeft afgelegd, meldt het bevoegd gezag van de school hem in het derde leerjaar van de doorlopende leerroute vmbo-mbo aan als kandidaat voor het eindexamen. Het eindexamen wordt afgenomen onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag van de school. De directeur en de examensecretaris van de school stellen de uitslag van het eindexamen vast. De directeur reikt de kandidaat die geslaagd is voor het eindexamen een diploma van de betreffende leerweg uit.

5.

Indien de leerling in het eerste of tweede leerjaar van de doorlopende leerroute vmbo-mbo in één of meer vakken centraal examen heeft afgelegd, en niet is bevorderd tot het volgende leerjaar, vervallen de met dit centrale examen behaalde resultaten.

6.

Indien de leerling is afgewezen voor het eindexamen, treedt de overstapoptie, bedoeld in artikel 2.107k in werking.

Artikel 2.107k. Overstapoptie
1.

Indien deelname van de leerling aan een doorlopende leerroute vmbo-mbo wordt beëindigd voordat hij deze met succes heeft afgerond wordt hij door het bevoegd gezag van de school of het bevoegd gezag van de instelling voor beroepsonderwijs in staat gesteld een vmbo-diploma of het diploma van een beroepsopleiding te behalen, passend bij het naar het gezamenlijk oordeel van beide betrokken bevoegde gezagsorganen bereikte onderwijsniveau en de leeftijd van de leerling.

2.

Indien de leerling ingevolge het eerste lid een diploma van een beroepsopleiding wil behalen bij dezelfde instelling voor beroepsonderwijs, zijn de artikelen 8.1.1c, 8.2.1, 8.2.2 en 8.2.2a WEB en de artikelen 8.1.1b, 8.2.1, 8.2.2 en 8.2.2a WEB BES niet van toepassing.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing indien de leerling definitief van de school wordt verwijderd als bedoeld in artikel 8.15.

Artikel 2.107l. Geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding
1.

In overleg met de leerling en diens ouders kan het bevoegd gezag van een school voor voorbereidend beroepsonderwijs leerlingen die daarbij naar zijn oordeel gebaat zijn in de gelegenheid stellen om in plaats van de basisberoepsgerichte leerweg een geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding te volgen. Het bevoegd gezag besluit hiertoe slechts na overleg met het bevoegd gezag van de instelling voor beroepsonderwijs waarmee het een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 8.4.3 WEB of artikel 8.4.3 WEB BES heeft gesloten.

2.

De geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding is een onderwijsprogramma vanaf het derde leerjaar aan een school voor voorbereidend beroepsonderwijs, dat opleidt tot het diploma van een basisberoepsopleiding in een aanverwant opleidingsdomein of een aanverwante kwalificatie.

3.

De geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding stemt wat betreft het daarvan onderdeel uitmakende voortgezet onderwijs overeen met een of meer van de profielen, bedoeld in artikel 10b, derde lid, die aan de school worden verzorgd.

4.

Het bevoegd gezag is niet gehouden leerlingen die de geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding volgen gelegenheid te geven om aan de school een eindexamen in de basisberoepsgerichte leerweg af te leggen als bedoeld in artikel 2.51, eerste lid.

5.

De artikelen 2.107b tot en met 2.107k zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.108. Onderwijs aan een andere school van hetzelfde bevoegd gezag

Indien het bevoegd gezag leerlingen, in het kader van het onderwijs waarvoor zij aan de school zijn ingeschreven, in staat wil stellen onderwijs te volgen aan een andere school voor voortgezet onderwijs van datzelfde bevoegd gezag, zijn de artikelen 2.99 en 2.100 van overeenkomstige toepassing en regelt het bevoegd gezag op overeenkomstige wijze de onderwerpen, bedoeld in artikel 2.100, tweede lid.

Artikel 2.109. Samenwerking aangewezen school met onbekostigde vavo-instelling
1.

Het bevoegd gezag van een school die op grond van artikel 2.66 is aangewezen, kan leerlingen in de gelegenheid stellen om in het kader van het onderwijs waarvoor zij aan de school zijn ingeschreven, deel te nemen aan een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel a, WEB of artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel a, WEB BES, aan een instelling waarvoor wat die opleiding betreft, artikel 1.4a.1, eerste lid, WEB of artikel 1.4.2 WEB BES is toegepast, en die opleiding af te sluiten met een examen.

2.

Het eerste lid wordt alleen toegepast om leerlingen met bijzondere kenmerken beter in staat te stellen een diploma als bedoeld in artikel 2.58, tweede lid, te behalen.

3.

Toepassing van het eerste lid is gebaseerd op een samenwerkingsovereenkomst tussen het bevoegd gezag, bedoeld in het eerste lid, en het bevoegd gezag van de instelling, bedoeld in dat lid.

4.

Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld voor welke leerlingen en onder welke voorwaarden het eerste lid kan worden toegepast en regels gesteld over welke onderwerpen de samenwerkingsovereenkomst in elk geval moet omvatten.

Artikel 2.109a. Samenwerking met onbekostigd mbo t.b.v. doorlopende leerroute vmbo-mbo
1.

Het bevoegd gezag van een ingevolge artikel 2.66 aangewezen school kan leerlingen in het kader van het onderwijs waarvoor zij aan die school zijn ingeschreven in de gelegenheid stellen een doorlopende leerroute vmbo-mbo als bedoeld in artikel 2.107a of de geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding, bedoeld in artikel 2.107l te volgen.

2.

Toepassing van het eerste lid berust op een samenwerkingsovereenkomst, gesloten tussen het bevoegd gezag, bedoeld in het eerste lid, en het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in artikel 1.4.1, eerste lid, WEB of artikel 1.4.1, eerste lid, WEB BES.

3.

De artikelen 2.107a, 2.107b, met uitzondering van het tweede lid, onderdeel e, 2.107c tot en met 2.107e, 2.107f, eerste en tweede lid, 2.107g en 2.107j tot en met 2.107l zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor «instelling voor beroepsonderwijs» telkens wordt gelezen «instelling als bedoeld in artikel 1.4.1, eerste lid, WEB of artikel 1.4.1, eerste lid, WEB BES».

Paragraaf 11. Beschikbaar stellen van lesmateriaal aan leerlingen

Artikel 2.110. Beschikbaarstelling lesmateriaal aan leerlingen

Het bevoegd gezag van een uit ’s Rijks kas bekostigde school stelt elk leerjaar aan de leerling lesmateriaal ter beschikking zonder dat daarvoor een tegemoetkoming is verschuldigd. Dat lesmateriaal is naar vorm en inhoud gericht op informatieoverdracht in onderwijsleersituaties en het gebruik ervan binnen het onderwijsaanbod is door het bevoegd gezag specifiek voor dat leerjaar voorgeschreven.

Paragraaf 12. Beleidsinhoudelijke informatie

Artikel 2.111. Beleidsinhoudelijke informatie
1.

Het bevoegd gezag en het samenwerkingsverband dragen er zorg voor dat zij beschikken over geordende gegevens voor het beleid van Onze Minister voor het voortgezet onderwijs. Het bevoegd gezag en het samenwerkingsverband verlenen op verzoek medewerking aan onderzoek door of namens Onze Minister dat geheel of deels op deze gegevens is gebaseerd.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de definiëring, de wijze van ordening en de beschikbaarstelling van deze gegevens.

3.

Deze nadere regels hebben geen betrekking op het persoonsgebonden nummer van een leerling of op de andere gegevens waarmee een leerling wordt geïdentificeerd.

Hoofdstuk 3. Bestuur

Paragraaf 1. Bestuur en intern toezicht

Artikel 3.1. Goed bestuur; scheiding bestuur en intern toezicht
1.

Het bevoegd gezag draagt, mede in verband met de zorgplicht, bedoeld in artikel 2.87, zorg voor een goed bestuurde school met een scheiding tussen de functies van het bestuur en het intern toezicht, en met een rechtmatig bestuur en beheer.

2.

De scheiding tussen de functies van bestuur en intern toezicht is functioneel of organiek.

3.

Interne toezichthouders en leden van het interne toezichthoudend orgaan functioneren onafhankelijk van het bestuur.

4.

Het bevoegd gezag benoemt personen in de functies van het bestuur en het intern toezicht op basis van vooraf openbaar gemaakte competentieprofielen. Bij de benoeming van de leden van een raad van toezicht stelt het bevoegd gezag de medezeggenschapsraad van de school, bedoeld in artikel 3 WMS, in de gelegenheid een bindende voordracht te doen voor een lid.

5.

Het eerste tot en met het vierde lid, eerste volzin, zijn van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsverband. Bij de benoeming van de leden van een raad van toezicht stelt het samenwerkingsverband de ondersteuningsplanraad, bedoeld in artikel 4a WMS, in de gelegenheid om een bindende voordracht te doen voor een lid.

Artikel 3.2. Code en branchecode goed bestuur
1.

Het bevoegd gezag hanteert voor de school een code goed bestuur. De code bevat in elk geval bepalingen over de wijze waarop invulling wordt gegeven aan:

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kan een branchecode voor goed bestuur worden aangewezen.

3.

Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsverband.

Artikel 3.3. Inhoud intern toezicht
1.

De interne toezichthouder of het interne toezichthoudend orgaan houdt toezicht op de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden door het bestuur, en staat het bestuur met raad terzijde.

2.

De interne toezichthouder of het interne toezichthoudend orgaan heeft in elk geval tot taak:

3.

De taken en bevoegdheden van de interne toezichthouder of het interne toezichthoudend orgaan zijn zodanig dat een deugdelijk en onafhankelijk toezicht mogelijk is. Indien sprake is van een intern toezichthoudend orgaan of van meer dan een interne toezichthouder, is de samenstelling van het interne toezichthoudend orgaan respectievelijk de combinatie van de interne toezichthouders zodanig dat een deugdelijk en onafhankelijk intern toezicht mogelijk is.

4.

Indien een raad van toezicht is ingesteld, is deze raad, onverminderd het eerste en tweede lid, belast met het benoemen, schorsen en ontslaan van de bestuursleden en het toepassen van de artikelen 7.34, 7.35, 7.37 en 7.37a en de daarmee verband houdende wettelijke voorschriften op bestuursleden die ook tot het personeel behoren.

5.

De interne toezichthouder of het interne toezichthoudend orgaan pleegt ten minste tweemaal per jaar overleg met de medezeggenschapsraad.

6.

Dit artikel is, van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsverband. In afwijking van het vijfde lid, voert de interne toezichthouder of het interne toezichthoudend orgaan van het samenwerkingsverband ten minste tweemaal per jaar overleg met de ondersteuningsplanraad, bedoeld in artikel 4a WMS.

Paragraaf 2. Openbare rechtspersoon voor openbaar onderwijs

Artikel 3.4. Instelling openbare rechtspersoon voor openbaar onderwijs
1.

Een gemeenteraad kan bij verordening een openbare rechtspersoon instellen die tot doel heeft om een of meer openbare scholen in de gemeente in stand te houden, al dan niet samen met openbare scholen als bedoeld in de WPO, de WPO BES of de WEC. Deze openbare rechtspersoon bezit rechtspersoonlijkheid.

2.

Een openbare rechtspersoon kan ook worden ingesteld door meer dan een gemeenteraad. In dat geval komt de openbare rechtspersoon pas tot stand nadat alle daartoe strekkende verordeningen in werking zijn getreden. Deze verordeningen zijn gelijkluidend voor de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.5, eerste lid.

3.

De gemeenteraad maakt het voornemen tot het instellen van een openbare rechtspersoon bekend.

4.

Indien een openbare rechtspersoon wordt ingesteld door meer dan een gemeenteraad, wordt voor de toepassing van de deze paragraaf onder «gemeenteraad» mede verstaan: gemeenteraden.

Artikel 3.5. Verordening openbare rechtspersoon voor openbaar onderwijs
1.

De verordening regelt in elk geval:

2.

De verordening verzekert een overheersende invloed van de gemeente in het bestuur.

Artikel 3.6. Taken en bevoegdheden openbare rechtspersoon voor openbaar onderwijs
1.

Het bestuur brengt jaarlijks aan de gemeenteraad een verslag uit over de werkzaamheden en maakt dit verslag openbaar. Het verslag besteedt in elk geval aandacht aan de wijze waarop het bestuur gestalte heeft gegeven aan de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs, te weten:

2.

De vergaderingen van het bestuur zijn openbaar, tenzij het bestuur anders beslist.

Artikel 3.7. Gemeentelijke taken en bevoegdheden openbare rechtspersoon voor openbaar onderwijs
1.

De gemeenteraad benoemt de bestuursleden van de openbare rechtspersoon. Ten minste een derde gedeelte en ten hoogste de helft van de bestuursleden wordt benoemd op de bindende voordracht van de ouders van de leerlingen van de betrokken school of scholen.

2.

De begroting en de jaarrekening van de openbare rechtspersoon worden ter instemming voorgelegd aan de gemeenteraad. De gemeenteraad kan instemming aan de begroting onthouden wegens strijd met het recht of met het algemeen belang, waaronder begrepen het financiële belang van de gemeente.

3.

Indien de gemeenteraad voor 1 februari van het jaar waarvoor de begroting geldt, niet heeft ingestemd met de begroting, neemt de gemeenteraad de maatregelen die hij nodig acht om de continuïteit van het onderwijs te waarborgen.

4.

Indien de openbare rechtspersoon een raad van toezicht heeft, benoemt de gemeenteraad de leden van de raad van toezicht.

5.

De gemeenteraad is bevoegd tot opheffing van de openbare school.

Artikel 3.8. Openbare rechtspersoon voor openbaar onderwijs met raad van toezicht
1.

Indien de openbare rechtspersoon een raad van toezicht heeft, is artikel 3.5, eerste lid niet van toepassing en bevat de verordening, onverminderd artikel 3.3 in elk geval een regeling van:

2.

De verordening verzekert een overheersende invloed van de gemeente in de raad van toezicht

Artikel 3.9. Taakverwaarlozing openbare rechtspersoon voor openbaar onderwijs

De gemeenteraad is in geval van ernstige taakverwaarlozing door het bestuur of handelen in strijd met de wet bevoegd om zelf te voorzien in het bestuur van de openbare school en om zo nodig de openbare rechtspersoon te ontbinden.

Paragraaf 3. Stichting voor openbaar onderwijs

Artikel 3.10. Oprichting stichting voor openbaar onderwijs
1.

Een gemeenteraad kan besluiten tot de oprichting van een stichting die tot doel heeft om een of meer openbare scholen in de gemeente in stand te houden, al dan niet samen met openbare scholen als bedoeld in de WPO, de WPO BES of de WEC.

2.

De stichting wordt opgericht door een of meer gemeenten, al dan niet samen met een of meer privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid.

3.

De gemeenteraad maakt het voornemen tot het oprichten van een stichting bekend.

4.

Indien de stichting wordt opgericht door meer dan een gemeente, wordt voor de toepassing van deze paragraaf onder «gemeenteraad» mede verstaan: gemeenteraden.

Artikel 3.11. Statuten stichting voor openbaar onderwijs
1.

Onverminderd artikel 3.22, eerste lid, is het statutaire doel van de stichting uitsluitend het geven van openbaar onderwijs.

2.

De statuten regelen in elk geval:

3.

In de statuten is een overheersende invloed van de overheid in het bestuur verzekerd.

4.

Wijziging van de statuten behoeft de instemming van de gemeenteraad.

Artikel 3.12. Taken en bevoegdheden stichting voor openbaar onderwijs
1.

Het bestuur brengt jaarlijks aan de gemeenteraad een verslag uit over de werkzaamheden en maakt dit verslag openbaar. In het verslag wordt in elk geval aandacht geschonken aan de wijze waarop het bestuur gestalte heeft gegeven aan de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs, te weten:

2.

De vergaderingen van het bestuur zijn openbaar, tenzij het bestuur anders beslist.

Artikel 3.13. Gemeentelijke taken en bevoegdheden stichting voor openbaar onderwijs
1.

De gemeenteraad benoemt de bestuursleden van de stichting. Ten minste een derde gedeelte en ten hoogste de helft van de bestuursleden wordt benoemd op de bindende voordracht van de ouders van de leerlingen die zijn ingeschreven op de betrokken school of scholen.

2.

De begroting en de jaarrekening van de stichting worden ter instemming voorgelegd aan de gemeenteraad. De gemeenteraad kan instemming aan de begroting onthouden wegens strijd met het recht of met het algemeen belang, waaronder begrepen het financiële belang van de gemeente.

3.

Indien de gemeenteraad voor 1 februari van het jaar waarvoor de begroting geldt, niet heeft ingestemd met de begroting, neemt de gemeenteraad de maatregelen die hij nodig acht om de continuïteit van het onderwijs te waarborgen.

4.

Indien de stichting een raad van toezicht heeft, benoemt de gemeenteraad de leden van de raad van toezicht.

5.

De gemeenteraad is bevoegd tot opheffing van de openbare school.

Artikel 3.14. Stichting voor openbaar onderwijs met raad van toezicht
1.

Indien de stichting een raad van toezicht heeft, is artikel 3.11, tweede lid, niet van toepassing en bevatten de statuten, onverminderd artikel 3.3, in elk geval een regeling van:

2.

De statuten verzekeren een overheersende invloed van de overheid in de raad van toezicht.

Artikel 3.15. Taakverwaarlozing stichting voor openbaar onderwijs

De gemeenteraad is in geval van ernstige taakverwaarlozing door het bestuur of functioneren in strijd met de wet bevoegd zelf te voorzien in het bestuur van de openbare school en zo nodig de stichting te ontbinden.

Paragraaf 4. Stichting voor openbaar en bijzonder onderwijs

Artikel 3.16. Stichting voor openbaar en bijzonder onderwijs
1.

De instandhouding van een of meer openbare scholen samen met een of meer bijzondere scholen kan worden opgedragen aan een nieuwe stichting of worden overgedragen aan een bestaande stichting. De besluitvorming van de zijde van de gemeente vindt plaats door de gemeenteraad.

2.

Indien de laatste afzonderlijke openbare school en de laatste afzonderlijke bijzondere school die door de stichting in stand worden gehouden, zijn gefuseerd tot een samenwerkingsschool als bedoeld in artikel 3.22, kan de instandhouding van die samenwerkingsschool opgedragen blijven aan de stichting.

3.

In deze paragraaf wordt onder gemeenteraad verstaan: gemeenteraad van de gemeente waar de openbare school is gevestigd.

Artikel 3.17. Statuten stichting voor openbaar en bijzonder onderwijs
1.

Het statutaire doel van de stichting is in elk geval het geven van openbaar onderwijs en bijzonder onderwijs in afzonderlijke openbare respectievelijk bijzondere scholen.

2.

De statuten regelen in elk geval:

3.

De statuten verzekeren een overheersende invloed van de overheid in het bestuur voor zover het openbaar onderwijs betreft.

4.

Wijziging van de statuten behoeft de instemming van de gemeenteraad. De gemeenteraad kan instemming slechts onthouden indien overheersende invloed van de gemeente in het bestuur niet is verzekerd voor zover het openbaar onderwijs betreft.

Artikel 3.18. Taken en bevoegdheden stichting voor openbaar en bijzonder onderwijs
1.

De stichting brengt jaarlijks aan de gemeenteraad een verslag uit over de werkzaamheden en maakt dit verslag openbaar. Het verslag vermeldt in elk geval de wijze waarop de stichting gestalte heeft gegeven aan de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs, te weten:

2.

De vergaderingen van het bestuur van de stichting zijn openbaar, tenzij het bestuur anders beslist.

Artikel 3.19. Gemeentelijke bevoegdheid opheffing openbare school

De gemeenteraad is bevoegd tot opheffing van de openbare school.

Artikel 3.20

[Vervallen]

Artikel 3.21. Taakverwaarlozing stichting voor openbaar en bijzonder onderwijs

In geval van ernstige taakverwaarlozing door het bestuur of functioneren in strijd met de wet, voor zover het openbaar onderwijs betreft, neemt de gemeenteraad de maatregelen die hij nodig acht om de continuïteit van het onderwijs te waarborgen voor zover het openbaar onderwijs betreft.

Paragraaf 5. Stichting voor instandhouding samenwerkingsschool

Artikel 3.22. Stichting voor instandhouding samenwerkingsschool
1.

Een samenwerkingsschool is een school waarin zowel openbaar onderwijs als bijzonder onderwijs wordt aangeboden. Een samenwerkingsschool kan alleen tot stand komen door samenvoeging van een of meer openbare scholen met een of meer bijzondere scholen en wordt in stand gehouden door een stichting, een stichting als bedoeld in artikel 3.16 of een stichting als bedoeld in artikel 3.10 waarvan het statutaire doel in elk geval is het in stand houden van een samenwerkingsschool.

2.

Artikel 3.33 is van overeenkomstige toepassing.

3.

Een samenwerkingsschool kan alleen tot stand komen indien:

4.

Van een situatie als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, is sprake als een van de betrokken scholen op 1 oktober van het eerste of tweede schooljaar voorafgaand aan de fusiedatum werd bezocht door een aantal leerlingen gelijk aan of minder dan:

5.

Indien sprake is van een scholengemeenschap, is van een situatie als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, sprake indien de betrokken scholen van een van de betrokken scholengemeenschappen op 1 oktober van het eerste of tweede schooljaar voorafgaand aan de fusiedatum werd bezocht door een aantal leerlingen gelijk aan of minder dan:

Artikel 3.23. Identiteitscommissie en statuten stichting voor instandhouding samenwerkingsschool
1.

Aan een samenwerkingsschool is een identiteitscommissie verbonden.

2.

De identiteitscommissie adviseert gevraagd en ongevraagd het bevoegd gezag en de rector, directeur of centrale directie over alle aangelegenheden die betrekking hebben op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan het openbare karakter en de identiteit van de samenwerkingsschool. De identiteitscommissie kan ook voorstellen doen over die aangelegenheden.

3.

De statuten van de stichting die de samenwerkingsschool in stand houdt, voorzien in een regeling over de identiteitscommissie waarin in elk geval de samenstelling, benoeming, herbenoeming, ontslag, duur van de benoeming, werkwijze, inrichting en bevoegdheden van de identiteitscommissie zijn vastgelegd en ook een voorziening voor het beslechten van geschillen tussen het bevoegd gezag en de identiteitscommissie. Bij de samenstelling van de identiteitscommissie is sprake van een evenwichtige verdeling tussen openbaar en bijzonder onderwijs.

4.

Wijziging van de statuten van de stichting die de samenwerkingsschool in stand houdt voor zover die betrekking hebben op de regeling over de identiteitscommissie, is slechts mogelijk indien het bevoegd gezag en de identiteitscommissie daartoe gezamenlijk besluiten. Voor een stichting anders dan een stichting als bedoeld in artikel 3.16 en anders dan bedoeld in artikel 3.10, kan een wijziging als bedoeld in de eerste volzin alleen tot stand komen met instemming van de gemeenteraad van de gemeente waarin de samenwerkingsschool gevestigd is. Instemming kan slechts worden onthouden indien overheersende invloed van de gemeente in de identiteitscommissie niet is verzekerd voor zover het openbaar onderwijs binnen de samenwerkingsschool betreft.

Artikel 3.24. Taken en bevoegdheden stichting voor instandhouding samenwerkingsschool; overdracht, opheffing of samenvoeging samenwerkingsschool
1.

De stichting anders dan een stichting als bedoeld in artikel 3.16 of in artikel 3.10 brengt jaarlijks aan de gemeenteraad van de gemeente waarin de samenwerkingsschool gevestigd is, verslag uit over de werkzaamheden waarbij in elk geval aandacht wordt geschonken aan de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs. Het verslag wordt openbaar gemaakt.

2.

Overdracht, opheffing of samenvoeging van de samenwerkingsschool is slechts mogelijk na instemming van de gemeenteraad van de gemeente waar de samenwerkingsschool gevestigd is.

Artikel 3.25. Overige regels samenwerkingsschool
1.

Samenwerkingsscholen zijn toegankelijk voor leerlingen zonder onderscheid naar godsdienst of levensovertuiging.

2.

De regels van deze wet en van andere wetten die het voortgezet onderwijs betreffen, en de daarop gebaseerde regelingen, voor zover die regels en regelingen betrekking hebben op een bijzondere school, zijn van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsschool als bedoeld in het eerste lid, tenzij het tegendeel blijkt.

Artikel 3.26. Taakverwaarlozing stichting voor instandhouding samenwerkingsschool

In geval van ernstige taakverwaarlozing door het bestuur of functioneren in strijd met de wet, voor zover het openbaar onderwijs betreft, neemt de gemeenteraad van de gemeente waar de samenwerkingsschool gevestigd is, de maatregelen die hij nodig acht om de continuïteit van het onderwijsproces te waarborgen voor zover het openbaar onderwijs betreft. De feitelijke samenwerking wordt beëindigd op 1 augustus van het jaar na een daartoe door de gemeenteraad van de gemeente waar de samenwerkingsschool gevestigd is, en het bevoegd gezag van de samenwerkingsschool gezamenlijk genomen besluit.

Paragraaf 6. Niet bekostigd onderwijs

Artikel 3.27. Kennisgeving oprichting niet bekostigde school
1.

De rechtspersoon of de natuurlijke persoon die een school als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 3, LPW of artikel 1, onderdeel b, onder 3, LPW BES in stand houdt, stelt Onze Minister binnen vier weken na de oprichting van de school in kennis van die oprichting. De rechtspersoon overlegt daarbij de statuten en de reglementen van de rechtspersoon.

2.

Indien de statuten of reglementen worden gewijzigd of ingetrokken, stelt de rechtspersoon Onze Minister binnen vier weken in kennis van die wijziging of intrekking.

Paragraaf 7. Fusies

Artikel 3.28. Bestuursoverdracht
1.

Een rechtspersoon die een openbare school, een openbare school als bedoeld in de WPO of de WEC of een openbare instelling als bedoeld in de WEB of de WHW in stand houdt, kan de instandhouding daarvan overdragen aan een andere rechtspersoon die tot deze instandhouding bevoegd is.

2.

Een rechtspersoon die een bijzondere school, een bijzondere school als bedoeld in de WPO of in de WEC of een bijzondere instelling als bedoeld in de WEB of in de WHW in stand houdt, kan de instandhouding daarvan overdragen aan een andere rechtspersoon die voldoet aan artikel 4.1, tweede lid.

3.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als het een overdracht van de instandhouding betreft van:

Artikel 3.29. Institutionele fusie

Een rechtspersoon kan twee of meer scholen of scholengemeenschappen, die hij in stand houdt, samenvoegen tot een school of scholengemeenschap.

Artikel 3.30. Instemming Minister
1.

Voor de toepassing van de artikelen 3.30 tot en met 3.33 wordt verstaan onder fusie: een bestuursoverdracht als bedoeld in artikel 3.28 of een institutionele fusie als bedoeld in artikel 3.29.

2.

Een fusie wordt alleen na instemming van Onze Minister tot stand gebracht.

3.

Onze Minister kan aan een fusie instemming onthouden, indien als gevolg van de fusie:

4.

Onze Minister kan aan een institutionele fusie bovendien instemming onthouden indien de percentages leerlingen die zijn betrokken bij de fusie lager zijn dan de percentages, bedoeld in artikel 4.10, eerste lid.

5.

Onze Minister vraagt een onafhankelijke adviescommissie advies over het verlenen van de instemming, tenzij de noodzaak daarvoor ontbreekt. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over wanneer dit laatste het geval is.

6.

Onze Minister stelt beleidsregels vast over de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het tweede lid.

7.

Instemming van Onze Minister is niet vereist:

Artikel 3.31. Aanvraag en fusie-effectrapportage
1.

De rechtspersoon dient of de rechtspersonen samen dienen een aanvraag in bij Onze Minister voor de instemming met de fusie. De aanvraag gaat vergezeld van:

2.

Een aanvraag geldt ook als een aanvraag om voor bekostiging in aanmerking te komen als bedoeld in artikel 4.10, eerste lid.

3.

De fusie-effectrapportage bevat in elk geval een weergave van:

4.

Bij ministeriële regeling wordt een modelformulier voor de fusie-effectrapportage vastgesteld.

Artikel 3.32. Beslistermijn; positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen
1.

Onze Minister beslist binnen dertien weken op een aanvraag. De termijn kan met ten hoogste dertien weken worden verlengd. Onze Minister stelt de aanvrager hiervan voorafgaand aan de verlenging in kennis.

2.

Paragraaf 4.1.3.3 Awb is van toepassing.

Artikel 3.33. Overdracht; splitsing
1.

De bestuursoverdracht vindt plaats bij notariële akte. Bij deze akte verbindt de overdragende rechtspersoon zich ook om de rechten inzake gebouwen, terreinen en roerende zaken over te dragen. Deze akte geldt ook als akte van levering, bedoeld in artikel 89 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 89 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES.

2.

Bij de akte verbindt de verkrijgende rechtspersoon zich ook om het personeel in gelijke betrekkingen te benoemen met ingang van de datum van overdracht.

3.

Door de overdracht treedt de verkrijgende rechtspersoon in alle rechten en verplichtingen van de overdragende rechtspersoon met betrekking tot de school die uit de wet voortvloeien, onverminderd wat verder nog voor de overgang daarvan naar burgerlijk recht is vereist.

4.

Het college van burgemeester en wethouders kan in bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van de verplichting tot overdracht van de rechten ten aanzien van gebouwen, terreinen en roerende zaken.

5.

Bij een splitsing als bedoeld in artikel 334a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of artikel 335 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek BES van een rechtspersoon die een bijzondere school in stand houdt, bepaalt de splitsingsakte dat de voortbestaande splitsende rechtspersoon de school in stand zal houden of aan welke verkrijgende rechtspersoon de instandhouding van de school wordt overgedragen. In het laatste geval zijn het eerste tot en met vierde lid van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 8. Centrale diensten

Artikel 3.34. Centrale dienst
1.

Een centrale dienst is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die:

2.

Onder werkzaamheden in het belang van de goede gang van zaken van het onderwijs wordt niet verstaan:

3.

Op het personeel van een centrale dienst is de rechtspositieregeling, bedoeld in artikel 7.34 van toepassing, behalve op personeel dat zonder benoeming is tewerkgesteld.

4.

De bevoegde gezagsorganen die het bestuur van de centrale dienst vormen, geven Onze Minister en de personen die hij aanwijst op verzoek alle inlichtingen over de centrale dienst en de activiteiten daarvan.

5.

De bevoegde gezagsorganen die het bestuur van de centrale dienst vormen, zien toe op de naleving van de voorgaande leden.

Paragraaf 9. Klachten, maatregelen en aanwijzingen

Artikel 3.35. Indiening klacht; klachtenregeling
1.

Het bevoegd gezag stelt een klachtenregeling vast waarbij een klachtencommissie wordt ingesteld.

2.

De klachtencommissie bestaat uit ten minste drie leden, onder wie een voorzitter die geen deel uitmaakt van het bevoegd gezag en niet werkzaam is voor of bij het bevoegd gezag.

3.

Ouders, leerlingen en personeelsleden kunnen bij de klachtencommissie een klacht indienen over:

4.

De klachtenregeling omvat naast het instellen van de klachtencommissie in elk geval:

Artikel 3.36. Klachtenbehandeling
1.

De klager en degene over wie is geklaagd krijgen de gelegenheid:

2.

De klachtencommissie beoordeelt de gegrondheid van de klacht en deelt het oordeel, al dan niet vergezeld van aanbevelingen, schriftelijk mede aan de klager, degene over wie is geklaagd en het bevoegd gezag.

3.

Het bevoegd gezag deelt de klager en de klachtencommissie binnen vier weken na ontvangst van het oordeel van de klachtencommissie schriftelijk en gemotiveerd mee of hij het oordeel over de klacht deelt en of en zo ja, welke maatregelen hij zal nemen. Bij afwijking van de termijn, bedoeld in de eerste volzin, doet het bevoegd gezag daarvan gemotiveerd mededeling aan de klager en de klachtencommissie onder vermelding van de termijn waarbinnen het bevoegd gezag zijn besluit bekend zal maken.

4.

Degene die betrokken is bij de uitvoering van dit artikel en daarbij toegang krijgt tot gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijze moet vermoeden, is verplicht tot geheimhouding daarvan, tenzij enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.

5.

Gegevens die betrekking hebben op een klacht worden bewaard op een plaats die uitsluitend toegankelijk is voor de klachtencommissie en het bevoegd gezag.

Artikel 3.37. Maatregelen
1.

Indien het bevoegd gezag tekort schiet in zijn zorg voor de kwaliteit van het onderwijs, bedoeld in artikel 2.87, kan Onze Minister op verzoek van het bevoegd gezag, of uit eigen beweging in overeenstemming met het bevoegd gezag, maatregelen treffen.

2.

Tot de maatregelen hoort de mogelijkheid om het bevoegd gezag te laten bijstaan door een externe deskundige. Ook kunnen onder voorwaarden extra financiële middelen worden verstrekt aan de school.

3.

Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing indien het bevoegd gezag tekortschiet in zijn zorg voor de kwaliteit van de uitoefening van de taken van een samenwerkingsverband en de kwaliteit van het bestuur van een samenwerkingsverband.

Artikel 3.38. Aanwijzing
1.

Onze Minister kan het bevoegd gezag een aanwijzing tot het nemen van een of meer maatregelen geven, indien sprake is van wanbeheer.

2.

Onder wanbeheer wordt verstaan:

3.

Onze Minister motiveert in de aanwijzing waarom het doel van de aanwijzing niet met een minder zwaar middel kan worden bereikt.

4.

De aanwijzing vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd.

5.

Voordat Onze Minister een aanwijzing geeft heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld in artikel 11 of artikel 15 van de Wet op het onderwijstoezicht verricht en daarover een inspectierapport uitgebracht als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht, waaruit volgt dat sprake is van wanbeheer als bedoeld in het tweede lid.

6.

Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een door Onze Minister te geven aanwijzing aan een samenwerkingsverband.

Paragraaf 10. Veiligheid

Artikel 3.39. Verplichting tot overleg en aangifte zedenmisdrijven
1.

Indien het een bevoegd gezag bekend is geworden dat een persoon die voor zijn school met taken is belast, zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht of in het Tweede Boek, Titel XIV, van het Wetboek van Strafrecht BES jegens een minderjarige leerling van de school, treedt het bevoegd gezag onverwijld in overleg met de vertrouwensinspecteur, bedoeld in artikel 6 WOT.

2.

Indien uit het overleg blijkt dat er sprake is van een redelijk vermoeden dat de betrokken persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, doet het bevoegd gezag onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 127 juncto artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering of artikel 1 juncto artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering BES. Voordat het bevoegd gezag aangifte doet, stelt het de ouders van de leerling en de betrokken persoon hiervan op de hoogte. Het bevoegd gezag stelt de vertrouwensinspecteur onverwijld in kennis van de aangifte.

3.

Het personeelslid dat bekend is geworden dat een voor de school met taken belast persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, stelt het bevoegd gezag daarvan onverwijld in kennis.

Artikel 3.40. Zorgplicht veiligheid op school
1.

Het bevoegd gezag draagt zorg voor de veiligheid op school, waarbij het in elk geval:

2.

Onder veiligheid wordt verstaan de sociale, psychische en fysieke veiligheid van leerlingen.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over het instrument, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, dat door de school wordt vormgegeven of gekozen, waaronder:

4.

Het bevoegd gezag zendt onverwijld de resultaten van de monitor, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, aan de inspectie.

Artikel 3.41. Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling
1.

Het bevoegd gezag stelt voor het personeel een meldcode vast waarin wordt aangegeven op welke wijze met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden.

2.

Onder huiselijk geweld wordt verstaan: huiselijk geweld als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

3.

Onder kindermishandeling wordt verstaan: kindermishandeling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

4.

Het bevoegd gezag bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode.

5.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de elementen waaruit een meldcode in elk geval bestaat.

Paragraaf 11. Overige bepalingen

Artikel 3.42. Overleg onderwijsachterstandenbeleid
1.

Het college van burgemeester en wethouders en de bevoegde gezagsorganen van de scholen in de gemeente voeren ten minste jaarlijks op overeenstemming gericht overleg over:

2.

Het overleg is gericht op het maken van afspraken over de onderwerpen, bedoeld in het eerste lid. Deze afspraken hebben zoveel mogelijk het karakter van meetbare doelen. De inspectie rapporteert jaarlijks over de mate waarin die doelen worden bereikt.

3.

Het college van burgemeester en wethouders kan de uitkomsten van het overleg omzetten in bindende afspraken over onder andere de te realiseren prestaties en inspanningen, die, voordat de afspraken tot stand komen, aan alle partijen worden voorgelegd. Indien het overleg over de voorgenomen bindende afspraken niet tot overeenstemming leidt, schrijft het college van burgemeester en wethouders een nieuw overleg uit, waarbij het college initiatieven neemt tot het bereiken van een zo groot mogelijke consensus. Indien ook dit overleg niet tot overeenstemming leidt, vraagt het college van burgemeester en wethouders of een van de bevoegde gezagsorganen aan de geschillencommissie, bedoeld in het vierde lid, om een bindend advies.

4.

Onze Minister stelt een geschillencommissie in.

5.

De geschillencommissie bestaat uit een voorzitter en vier leden, die allen door Onze Minister worden benoemd op voordracht van de gezamenlijke besturenorganisaties en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. De voorzitter is een jurist.

6.

De voorzitter en de leden worden benoemd voor een termijn van vier jaar. Zij zijn opnieuw benoembaar. Op eigen verzoek wordt aan hen ontslag verleend.

7.

De geschillencommissie brengt binnen vier weken aan het college van burgemeester en wethouders of aan het bevoegd gezag dat om het advies heeft verzocht, een bindend advies als bedoeld in het derde lid uit. Het college van burgemeester en wethouders deelt dit advies mede aan de bevoegde gezagsorganen van de scholen in de gemeente.

Hoofdstuk 4. Voorzieningenplanning

Paragraaf 1. Aanspraak op bekostiging

Artikel 4.1. Bekostiging en voorzieningenplanning
1.

Bekostiging uit ’s Rijks kas van een school of scholengemeenschap neemt geen aanvang dan krachtens de bepalingen van dit hoofdstuk.

2.

Een uit ’s Rijks kas bekostigde bijzondere school wordt in stand gehouden door een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich het geven van voortgezet onderwijs ten doel stelt zonder daarbij het maken van winst te beogen, en die geen stichting is als bedoeld in artikel 3.10.

3.

Artikel 4:32 Awb is niet van toepassing op de bekostiging van scholen.

Artikel 4.2. Nieuwe school of scholengemeenschap
1.

Onze Minister brengt een openbare of bijzondere school voor bekostiging in aanmerking indien het bevoegd gezag:

2.

Onze Minister brengt een openbare of bijzondere scholengemeenschap voor bekostiging in aanmerking indien het bevoegd gezag:

3.

Onze Minister brengt een school of scholengemeenschap die ontstaat na splitsing van een school of scholengemeenschap voor bekostiging in aanmerking indien wordt voldaan aan de verplichtingen die zijn vastgesteld:

4.

Onze Minister brengt een openbare school of scholengemeenschap waarvoor een aanvraag als bedoeld in artikel 4.4, eerste of tweede lid, is ingediend voor bekostiging in aanmerking, indien voldaan is aan de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 4.5, eerste en tweede lid, en 4.5a, eerste en tweede lid, met uitzondering van een document waaruit blijkt dat de gemeente van de beoogde plaats van vestiging van de school of scholengemeenschap is gevraagd om te overleggen over het voornemen tot het doen van een aanvraag om bekostiging. Artikel 4.7 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.2a. Nieuwe nevenvestiging
1.

Onze Minister brengt een nevenvestiging van een school als bedoeld in artikel 4.12, aanhef en onderdeel a, voor bekostiging in aanmerking indien:

2.

Onze Minister brengt een nevenvestiging van een scholengemeenschap als bedoeld in artikel 4.12, aanhef en onderdeel a, voor bekostiging in aanmerking indien:

3.

Van het aantal leerlingen voor de nieuwe nevenvestiging, en van de leerlingen van 1 van de al bestaande vestigingen van de school of scholengemeenschap is ten minste een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage afkomstig uit dezelfde postcodegebieden.

Artikel 4.3. Toevoegen profiel vbo of school
1.

Onze Minister brengt een nieuw te vormen profiel als bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, aan een al bekostigde school voor vbo voor bekostiging in aanmerking indien het bevoegd gezag:

2.

Onze Minister brengt een nieuw te vormen school die wordt toegevoegd aan een al bekostigde school of scholengemeenschap voor bekostiging in aanmerking indien het bevoegd gezag:

3.

De artikelen 4.6 en 4.7 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.4. Voldoende openbaar onderwijs
1.

Gedeputeerde staten dragen er zorg voor dat is voorzien in de behoefte aan openbaar onderwijs door een voldoende aantal scholen in de provincie. Zij kunnen een college van burgemeester en wethouders opdragen, een aanvraag bij Onze Minister in te dienen om een openbare school of scholengemeenschap voor bekostiging in aanmerking te brengen indien de ouders van een naar hun oordeel voldoende groot aantal leerlingen hebben aangegeven dat zij dat wensen en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente deze wens niet heeft ingewilligd.

2.

Onze Minister kan het college van burgemeester en wethouders opdragen een aanvraag bij hem in te dienen om een openbare school of scholengemeenschap voor bekostiging in aanmerking te brengen, indien gedeputeerde staten het eerste lid niet toepassen en de ouders van een naar zijn oordeel voldoende groot aantal leerlingen hebben aangegeven dat zij indiening van een dergelijke aanvraag wensen.

3.

Indien een besluit van Onze Minister op een aanvraag als bedoeld in dit artikel onherroepelijk is geworden, gaat het college van burgemeester en wethouders over tot stichting van de bij het besluit voor bekostiging in aanmerking gebrachte school of scholengemeenschap.

Artikel 4.5. Aanvraagprocedure nieuwe school, scholengemeenschap, profiel vbo, nevenvestiging of school door splitsing
1.

Het bevoegd gezag dient voor 1 november bij Onze Minister een aanvraag in om voor bekostiging in aanmerking te brengen:

2.

Indien het bevoegd gezag het voornemen heeft om een aanvraag, bedoeld in het eerste lid, in te dienen, meldt het bevoegd gezag dit aan Onze Minister voor 1 juli voorafgaand aan die voorgenomen aanvraag. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld aan de wijze waarop deze melding plaatsvindt en kan een model voor de melding worden vastgesteld.

3.

De inspectie adviseert Onze Minister of de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 4.5a, tweede lid, onderdeel b.

4.

Onze Minister controleert of de belangstellingsmeting juist en volledig is en besluit voor 1 juni:

5.

Onverminderd artikel 4:35 Awb kan Onze Minister de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, afwijzen indien deze is ingediend door een rechtspersoon, niet zijnde een gemeente, die voorafgaande aan de aanvraag een of meer scholen in stand heeft gehouden waarop artikel 2.95, eerste lid, van toepassing is geweest of waarvan een of meer van de bestuurders of toezichthouders deel uitmaakte of uitmaakt van een andere rechtspersoon die een dergelijke school in stand heeft gehouden, welke toepassing onherroepelijk is geworden en ten tijde van de aanvraag nog geen vijf jaren oud is gerekend vanaf de ontvangst van het besluit tot toepassing van artikel 2.95, eerste lid.

6.

Onverminderd artikel 4:35 Awb kan Onze Minister de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, afwijzen indien de aanvraag is ingediend door een rechtspersoon, niet zijnde een gemeente, die reeds een of meer scholen in stand houdt en die een aanwijzing heeft ontvangen als bedoeld in artikel 3.38, eerste lid, of waarvan een of meer van de bestuurders of toezichthouders deel uitmaakte of uitmaakt van een andere rechtspersoon die een dergelijke aanwijzing heeft ontvangen welke aanwijzing onherroepelijk is geworden en ten tijde van de aanvraag nog geen vijf jaren oud is gerekend vanaf de ontvangst van het besluit tot toepassing van artikel 3.38, eerste lid.

7.

Onverminderd artikel 3:41 Awb wordt van de besluiten, bedoeld in het vierde, vijfde en zesde lid mededeling gedaan in de Staatscourant.

8.

Voor uitsluitend de controle of de gegevens uit de ouderverklaringen, bedoeld in artikel 4.6, vierde lid, juist en volledig zijn, maakt Onze Minister gebruik van het burgerservicenummer, van een van de ouders en de leerling waarop de ouderverklaring betrekking heeft.

9.

Onze Minister stelt op voordracht van de inspectie een kader vast waarin de werkwijze voor het advies, bedoeld in het derde lid, is vastgelegd. Deze werkwijze omvat in ieder geval een gesprek over de aanvraag met het bevoegd gezag dat de aanvraag heeft ingediend. Dit kader wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.

10.

Burgemeester en wethouders van de beoogde plaats van vestiging van de school, scholengemeenschap of nevenvestiging kunnen voor de datum, genoemd in het eerste lid, bij Onze Minister een zienswijze naar voren brengen.

Artikel 4.5a. Verplichtingen voor aanvraag bekostiging
1.

Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, vermeldt:

2.

De aanvraag gaat vergezeld van:

3.

De aanvraag bevat tevens:

4.

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld aan de wijze waarop de aanvraag plaatsvindt en wordt een model voor de aanvraag vastgesteld.

5.

In afwijking van het tweede lid, onderdeel c, bevat een aanvraag voor een school voor praktijkonderwijs een document waaruit blijkt dat deze aanvraag in overeenstemming is met de bevoegde gezagsorganen in het samenwerkingsverband waarvan de school deel gaat uitmaken en wordt deze ingediend na overleg met de gemeente van de beoogde plaats van vestiging.

Artikel 4.6. Belangstellingsmeting
1.

De belangstellingsmeting wordt uitgevoerd aan de hand van hetzij ouderverklaringen dan wel, in bij ministeriële regeling te bepalen gevallen, een marktonderzoek.

2.

De belangstellingsmeting:

3.

Het te verwachten aantal leerlingen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt berekend overeenkomstig de formule q = (y/x *100%) * w * z, waarbij:

De aanvraag bevat de berekeningen die tot de uitkomsten van de formules, bedoeld onder a, of b, hebben geleid.

4.

De ouderverklaring, bedoeld in het eerste lid, heeft betrekking op één leerling in de leeftijd van 10 tot en met 12 jaar op 1 november van het kalenderjaar waarin de aanvraag wordt gedaan en wordt ingediend door de ouder van deze leerling.

5.

Het marktonderzoek, bedoeld in het eerste lid:

6.

Indien uit de belangstellingsmeting van meer dan één aanvraag blijkt dat de betrokken postcodegebieden, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, elkaar overlappen en daardoor de som van de leerlingen voor wie belangstelling is aangetoond in het overlappende voedingsgebied groter is dan het totaal aantal leerlingen in de overlappende voedingsgebieden, worden de aantallen van de leerlingen voor wie belangstelling is aangetoond in het overlappende voedingsgebied naar evenredigheid verminderd tot de som van het totaal aantal leerlingen in het overlappende voedingsgebied voor wie belangstelling is aangetoond gelijk is aan het totaal aantal leerlingen in het overlappende voedingsgebied.

7.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld aan de uitvoering van de belangstellingsmeting over:

Artikel 4.7. Aanvang bekostiging en vervallen aanspraak bekostiging
1.

De bekostiging vangt aan op 1 augustus.

2.

De aanspraak op bekostiging op grond van de artikelen 4.2, 4.2a en 4.3 vervalt, indien uiterlijk op de eerste schooldag na 1 augustus in het kalenderjaar na het besluit van Onze Minister geen onderwijs aan de nieuwe school, scholengemeenschap, nevenvestiging of in het nieuwe profiel wordt gegeven.

3.

In afwijking van het tweede lid en op aanvraag van het bevoegd gezag of de gemeente van de beoogde plaats van vestiging van de school, scholengemeenschap of nevenvestiging kan Onze Minister besluiten in bijzondere gevallen de aanspraak op bekostiging voor een jaar te handhaven. De aanspraak op bekostiging vervalt in dat geval, indien uiterlijk op de eerste schooldag na 1 augustus in het tweede kalenderjaar na het in het tweede lid bedoelde besluit geen onderwijs wordt gegeven.

Artikel 4.8. Leerwegondersteunend onderwijs

Onze Minister kan op aanvraag van het bevoegd gezag van een school of scholengemeenschap leerwegondersteunend onderwijs voor bekostiging in aanmerking brengen indien:

Artikel 4.9. Omzetting
1.

Onze Minister kan, onder door hem te stellen voorwaarden, voor bekostiging in aanmerking brengen een school die wordt opgericht door omzetting van een bekostigde openbare school in een gelijksoortige bijzondere school.

2.

Onze Minister brengt voor bekostiging in aanmerking een school die wordt opgericht door omzetting van een bekostigde bijzondere school in een gelijksoortige openbare school.

3.

Onze Minister brengt een bijzondere school waaraan het onderwijs wordt uitgebreid met onderwijs van een andere richting voor bekostiging in aanmerking.

4.

Een omzetting kan slechts plaatsvinden met ingang van 1 augustus van enig kalenderjaar.

5.

Dit artikel is mede van toepassing op een scholengemeenschap.

Artikel 4.10. Samenvoeging scholen of scholengemeenschappen
1.

Met inachtneming van hoofdstuk 3, paragraaf 7, kan Onze Minister een school of scholengemeenschap die is ontstaan door samenvoeging van scholen of scholengemeenschappen voor bekostiging in aanmerking brengen, indien:

2.

Indien niet wordt voldaan aan het eerste lid, kan Onze Minister met inachtneming van hoofdstuk 3, paragraaf 7, een school of scholengemeenschap die is ontstaan door samenvoeging van scholen of scholengemeenschappen voor bekostiging in aanmerking brengen, indien de bij de samenvoeging betrokken vestigingen van de scholen of scholengemeenschappen zijn gelegen in dezelfde gemeente dan wel in aangrenzende gemeenten.

3.

Na een samenvoeging kan op een vestiging in elk geval onderwijs worden verzorgd in dezelfde schoolsoorten, in dezelfde profielen als bedoeld in de artikelen 2.26, tweede lid, en 2.27, tweede lid, en in dezelfde leerjaren als op de desbetreffende vestiging voor de samenvoeging werd verzorgd.

4.

Samenvoeging vindt plaats met ingang van 1 augustus.

Paragraaf 2. Vestigingen

Artikel 4.12. Vestigingen

Aan een school of scholengemeenschap kan naast een hoofdvestiging zijn verbonden:

Artikel 4.13. Hoofdvestiging
1.

De eerste vestiging van een school of scholengemeenschap die op grond van artikel 4.2 voor bekostiging in aanmerking is gebracht, wordt aangeduid als hoofdvestiging.

2.

Naast het onderwijsaanbod dat mag worden verzorgd door het voor bekostiging in aanmerking brengen van een scholengemeenschap, kan op een hoofdvestiging van een scholengemeenschap in elk geval onderwijs worden verzorgd in de in artikel 4.14, tweede tot en met vierde lid, genoemde leerjaren van de schoolsoorten die de scholengemeenschap omvat.

Artikel 4.14. Nevenvestiging
1.

Een nevenvestiging komt tot stand door een samenvoeging als bedoeld in artikel 4.10, eerste lid, of door vorming van een nieuwe nevenvestiging van een school of scholengemeenschap als bedoeld in artikel 4.2a.

2.

Op een nevenvestiging van een school voor vwo of havo kan in elk geval onderwijs worden verzorgd in de eerste 3 leerjaren van die schoolsoort.

3.

Op een nevenvestiging van een school voor mavo of vbo kan in elk geval onderwijs worden verzorgd in de eerste 2 leerjaren van die schoolsoort.

4.

Op een nevenvestiging van een scholengemeenschap kan in elk geval onderwijs worden verzorgd in de in het tweede of derde lid genoemde leerjaren van de schoolsoort die ingevolge artikel 4.2a, eerste of tweede lid, voor bekostiging in aanmerking is gebracht.

Artikel 4.15. Uitbreiding onderwijsaanbod vestigingen

Onze Minister brengt voor bekostiging in aanmerking onderwijs vanaf het vierde leerjaar op een hoofdvestiging of nevenvestiging aan een school voor vwo of havo, en onderwijs vanaf het derde leerjaar op een hoofdvestiging of nevenvestiging van een school voor mavo of vbo indien:

Artikel 4.16. Tijdelijke nevenvestiging
1.

Een tijdelijke nevenvestiging voorziet in de tijdelijke huisvestingsbehoefte van een hoofdvestiging of nevenvestiging en is gelegen op hemelsbreed gemeten een afstand van minder dan 3 kilometer van de hoofdvestiging of nevenvestiging.

2.

Onze Minister brengt een tijdelijke nevenvestiging voor bekostiging in aanmerking indien het bevoegd gezag heeft aangetoond dat het college van burgemeester en wethouders de benodigde huisvesting ter beschikking zal stellen. De verplichting in de eerste volzin is niet van toepassing op verticale scholengemeenschappen en scholen waarvoor jaarlijks een bedrag voor huisvestingskosten wordt betaald op grond van artikel 6.21.

3.

Op een tijdelijke nevenvestiging kan onderwijs worden verzorgd in dezelfde schoolsoorten, in dezelfde profielen als bedoeld in de artikelen 2.26, tweede lid, en 2.27, tweede lid, en in dezelfde leerjaren als op de hoofdvestiging of nevenvestiging.

Artikel 4.17. Verplaatsing vestiging en gevolgen voor bekostigingsaanspraak

De aanspraak op bekostiging blijft bestaan indien het bevoegd gezag over hemelsbreed gemeten een afstand van minder dan 3 kilometer van het huidige vestigingsadres:

Paragraaf 3. Regionale samenwerking voorzieningenplanning

Artikel 4.18. Regionale samenwerking
1.

Een bevoegd gezag van een school of scholengemeenschap kan samenwerken met ten minste een ander bevoegd gezag met als doel het onderwijsaanbod af te stemmen op de vraag van de leerlingen, ouders en andere belanghebbenden in hun regio.

2.

Een regio omvat een aaneengesloten grondgebied van een of meer gemeenten, met dien verstande dat:

Artikel 4.19. Regionaal plan onderwijsvoorzieningen
1.

De samenwerkende bevoegde gezagsorganen stellen voor hun regio een regionaal plan onderwijsvoorzieningen vast, dat een gezamenlijk gedragen visie bevat op het onderwijs in de regio.

2.

Het plan omvat in elk geval:

3.

Een regionaal plan onderwijsvoorzieningen geldt voor een periode van vijf jaar, die begint op 1 augustus van enig kalenderjaar.

4.

Voordat een regionaal plan onderwijsvoorzieningen wordt vastgesteld, overleggen de samenwerkende bevoegde gezagsorganen over een concept van het plan met:

5.

Voordat de samenwerkende bevoegde gezagsorganen een regionaal plan onderwijsvoorzieningen vaststellen, wordt over een concept van het plan op overeenstemming gericht overleg gevoerd met de betrokken colleges van burgemeester en wethouders. Daartoe wordt een procedure vastgesteld door de samenwerkende bevoegde gezagsorganen en de colleges van burgemeester en wethouders. De procedure bevat een voorziening voor het beslechten van geschillen.

Artikel 4.20. Aanvraag onderwijsvoorzieningen deelnemers RPO
1.

Onverminderd artikel 4.21, brengt Onze Minister voor bekostiging in aanmerking een onderwijsvoorziening als bedoeld in de onderdelen a tot en met e, indien de voorziening is opgenomen in een regionaal plan onderwijsvoorzieningen en indien nodig ook wordt voldaan aan de in die onderdelen genoemde voorwaarden. Een bevoegd gezag kan voor 1 november bij Onze Minister een aanvraag indienen voor bekostiging van:

2.

Onze Minister kan een onderwijsvoorziening als bedoeld in het eerste lid, onderdelen b tot en met e, die niet is opgenomen in een regionaal plan onderwijsvoorzieningen, voor bekostiging in aanmerking brengen indien de overige bevoegde gezagsorganen die deelnemen aan de regionale samenwerking instemmen met de aanvraag en ook wordt voldaan aan de in die onderdelen genoemde voorwaarden.

3.

Onze Minister beslist voor 1 mei volgend op de aanvraag of de onderwijsvoorziening voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht.

4.

Onverminderd artikel 3:41 Awb wordt van een besluit tot bekostiging van een onderwijsvoorziening mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 4.21. Weigeringsgrond

Onze Minister wijst een aanvraag als bedoeld in artikel 4.20 af indien een bevoegd gezag dat niet deelneemt aan de samenwerking aantoont dat de onderwijsvoorziening leidt tot meer dan 10 procent leerlingverlies op een vestiging van een school of scholengemeenschap van dat bevoegd gezag.

Artikel 4.22. Huisvesting en aanvang bekostiging onderwijsvoorziening deelnemers RPO
1.

Indien het bevoegd gezag op grond van artikel 6.4 een aanvraag indient, stelt het college van burgemeester en wethouders uiterlijk op 1 augustus van het zesde kalenderjaar na het besluit van Onze Minister om een onderwijsvoorziening als bedoeld in artikel 4.20, eerste lid, onderdeel a, voor bekostiging in aanmerking te brengen, huisvesting ter beschikking. Het college van burgemeester en wethouders maakt het besluit daartoe uiterlijk een jaar voor het beschikbaar stellen van de huisvesting bekend.

2.

Na een besluit van Onze Minister om een onderwijsvoorziening als bedoeld in artikel 4.20 voor bekostiging in aanmerking te brengen vangt de bekostiging van de betrokken onderwijsvoorziening aan op 1 augustus van enig kalenderjaar.

Artikel 4.23. Voorbereiding besluiten

Op de voorbereiding van de besluiten bedoeld in artikel 4.20, eerste en tweede lid, is afdeling 3.4 Awb van toepassing, met uitzondering van artikel 3:18.

Paragraaf 4. Beëindiging van de bekostiging

Artikel 4.24. Opheffingsnormen
1.

Een openbare school wordt opgeheven en de bekostiging van een bijzondere school wordt beëindigd indien de school in elk van drie achtereenvolgende schooljaren op 1 oktober is bezocht door een aantal leerlingen dat minder bedraagt dan:

2.

Een openbare scholengemeenschap wordt opgeheven en de bekostiging van een bijzondere scholengemeenschap wordt beëindigd indien de scholengemeenschap in elk van drie achtereenvolgende schooljaren is bezocht door een kleiner aantal leerlingen dan de helft van het aantal leerlingen dat op grond van artikel 4.2, eerste lid, is vereist voor stichting van de scholen die deel uitmaken van de scholengemeenschap, met dien verstande dat het voor scholen voor vbo binnen een scholengemeenschap gaat om:

3.

Een openbare school binnen een scholengemeenschap wordt opgeheven en de bekostiging van een bijzondere school binnen een scholengemeenschap wordt beëindigd indien de school gedurende drie achtereenvolgende schooljaren:

4.

Een openbare school of scholengemeenschap wordt opgeheven en de bekostiging van een bijzondere school of scholengemeenschap wordt beëindigd met ingang van 1 augustus volgend op de drie achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid.

5.

Indien een profiel als bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, of artikel 2.27, tweede lid, aan een school voor vbo gedurende drie achtereenvolgende schooljaren door 0 leerlingen gevolgd is, wordt dat profiel aan een openbare school opgeheven, of eindigt de aanspraak op bekostiging voor dat profiel aan een bijzondere school met ingang van 1 augustus volgend op die drie achtereenvolgende schooljaren.

Artikel 4.25. Grondslag, afbouw en uitzonderingsmogelijkheden
1.

Ontbreekt voor de leerlingen binnen redelijke afstand plaatsruimte op een gelijksoortige school, dan past Onze Minister artikel 4.24 zo toe dat de leerlingen van elk leerjaar het onderwijs kunnen voltooien.

2.

Artikel 4.24 blijft buiten toepassing, indien de school nog niet wordt bekostigd gedurende het aantal jaren van de cursusduur. In afwijking van de eerste volzin eindigt de bekostiging van de school met ingang van het vierde schooljaar indien op deze school in het derde schooljaar van de bekostiging niet ten minste het volgende aantal leerlingen is ingeschreven:

3.

Artikel 4.24 blijft buiten toepassing, indien de scholengemeenschap nog niet wordt bekostigd gedurende het aantal jaren van de langste cursusduur van een van de samenstellende scholen. In afwijking van de eerste volzin eindigt de bekostiging van de school die deel uitmaakt van de scholengemeenschap met ingang van het vierde schooljaar indien op deze scholengemeenschap in het derde schooljaar van de bekostiging niet ten minste het volgende aantal leerlingen op de desbetreffende school is ingeschreven:

4.

In bijzondere gevallen kan Onze Minister op aanvraag van het bevoegd gezag toestaan dat een openbare school in stand wordt gehouden of een bijzondere school wordt bekostigd, ook al is het aantal leerlingen minder dan in artikel 4.24 is vermeld of op grond van artikel 11.53, tweede of vierde lid, is vastgesteld, dan wel als sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, of derde lid, tweede volzin. De toestemming geldt voor een door Onze Minister te bepalen tijd. Onze Minister beslist binnen 26 weken na ontvangst van een aanvraag.

5.

Binnen acht weken nadat de aantallen leerlingen per school voor voortgezet onderwijs zijn bekendgemaakt door het Centraal Bureau voor de Statistiek of door Onze Minister, stellen gedeputeerde staten vast welke scholen uit hun provincie die door de gemeente in stand worden gehouden al een jaar lang niet meer voldoen aan de norm van artikel 4.24 die voor hen geldt. Wanneer gedeputeerde staten van oordeel zijn dat er als gevolg van de opheffing van een school als bedoeld in de vorige volzin, niet meer voldoende zal zijn voorzien in de behoefte aan openbaar onderwijs in een voldoende aantal scholen, geven gedeputeerde staten aan het college van burgemeester en wethouders de opdracht om een aanvraag te doen op grond van het vierde lid.

Artikel 4.26. Beëindiging bekostiging bij einde looptijd regionaal plan onderwijsvoorzieningen
1.

Bij het verstrijken van de looptijd van een regionaal plan onderwijsvoorzieningen als bedoeld in artikel 4.19 gaat de aanspraak op bekostiging verloren voor zover het gaat om een profiel als bedoeld in artikel 4.20, eerste lid, onderdeel e, al dan niet met gebruikmaking van artikel 4.20, tweede lid. De bekostiging blijft in dat geval nog 1 jaar gehandhaafd voor het onderwijs in het derde leerjaar en nog 2 jaar voor het onderwijs in het vierde leerjaar.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing indien het betrokken profiel voor bekostiging in aanmerking is gebracht op grond van een aansluitend regionaal plan onderwijsvoorzieningen als bedoeld in artikel 4.19 of op grond van artikel 4.3, eerste lid.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op een profiel dat met ingang van 1 augustus 2016 voor bekostiging in aanmerking is gebracht op grond van artikel 118bb in samenhang met artikel 118cc, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals die wet op die datum luidde.

Artikel 4.27. Beëindiging bekostiging afdelingen voor havo

De artikelen 4.24 en 4.25 zijn, voor zover zij betrekking hebben op scholen voor havo, van overeenkomstige toepassing op afdelingen als bedoeld in artikel 2.5.

Paragraaf 5. Overige bepalingen

Artikel 4.28. Cursussen
1.

Onze Minister kan in bijzondere gevallen cursussen voortgezet onderwijs, voor zover het niet gaat om vbo, geheel of gedeeltelijk en voor een door hem te bepalen periode voor bekostiging in aanmerking brengen, indien naar zijn oordeel daaraan behoefte bestaat.

2.

Onze Minister kan aan de bekostiging verplichtingen verbinden.

3.

Onze Minister kan in verband met de in het eerste lid bedoelde bekostiging een bekostigingsplafond instellen. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels over de verdeling gesteld.

4.

Indien een cursus voortgezet onderwijs voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht, is artikel 2.110 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.29. Overige uitvoeringsregels voorzieningenplanning

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over:

Hoofdstuk 5. Bekostiging en verantwoording

Paragraaf 1. Algemene bepalingen bekostiging

Artikel 5.1. Algemeen
1.

Het Rijk bekostigt met inachtneming van dit hoofdstuk de scholen of scholengemeenschappen waarvan de bekostiging aanvangt op grond van hoofdstuk 4. De uitgaven, bedoeld in de artikelen 5.23 en 5.24, en de bedragen die de gemeente op grond van deze wet in aanvulling op de rijksbekostiging verstrekt, blijven ten laste van de gemeente.

2.

Het Rijk bekostigt met inachtneming van dit hoofdstuk samenwerkingsverbanden.

3.

Rijksbekostiging aan niet door de gemeente in stand gehouden scholen wordt uitsluitend verstrekt op grond van deze wet.

Artikel 5.2. Bekostiging van school, scholengemeenschap en cursussen

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, zo nodig in afwijking van dit hoofdstuk, regels worden gesteld over de bekostiging, verantwoording en informatievoorziening van een scholengemeenschap, een verticale scholengemeenschap of een school en de daaraan verbonden cursussen, bedoeld in artikel 4.28.

Artikel 5.3. Toepassing hoofdstuk 5 op openbare scholen in stand gehouden door stichting of openbare rechtspersoon

Voor de toepassing van dit hoofdstuk zijn de regels over bijzondere scholen van overeenkomstige toepassing op openbare scholen die in stand worden gehouden door een openbare rechtspersoon als bedoeld in artikel 3.4 of door een stichting als bedoeld in artikel 3.10, tenzij anders is bepaald.

Paragraaf 2. Grondslag bekostiging personeel en exploitatie scholen

Artikel 5.4. Bekostiging scholen en scholengemeenschappen
1.

De bekostiging voor een school of scholengemeenschap bestaat uit:

2.

Indien op één adres vestigingen van verschillende scholen of scholengemeenschappen van hetzelfde bevoegd gezag zijn gehuisvest, wordt aan iedere vestiging een deel van het bedrag per vestiging als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, verstrekt naar rato van het aantal vestigingen op dat adres, rekening houdend met het soort vestiging.

3.

De bekostiging is bestemd voor kosten voor personeel en exploitatie van een school. De bekostiging wordt per school of scholengemeenschap berekend aan de hand van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde berekeningswijze.

4.

De bekostiging van de scholen wordt verstrekt voor:

Artikel 5.5. Aanvullende bekostiging scholen met leerwegondersteunend onderwijs en scholen voor praktijkonderwijs
1.

Een school of scholengemeenschap die op grond van artikel 4.8 of 2.48, tweede lid, in aanmerking komt voor bekostiging van leerwegondersteunend onderwijs ontvangt in aanvulling op de bekostiging, bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, een bedrag voor bekostiging van personeelskosten en een bedrag voor bekostiging van exploitatiekosten per leerling voor wie het samenwerkingsverband heeft bepaald dat deze is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs.

2.

Een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 2.8 ontvangt in aanvulling op de bekostiging, bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, een bedrag voor bekostiging van personeelskosten en een bedrag voor bekostiging van exploitatiekosten per leerling voor wie het samenwerkingsverband heeft bepaald dat deze toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs.

Artikel 5.6. Bepalen van de hoogte van de bekostiging
1.

Onze Minister stelt de hoogte van de bekostiging, bedoeld in de artikelen 5.4 en 5.5, zodanig vast dat zij voldoet aan de redelijke behoeften van een in normale omstandigheden verkerende school.

2.

Bij ministeriële regeling worden jaarlijks voor 1 oktober de bedragen, bedoeld in de artikelen 5.4, eerste lid, en 5.5 vastgesteld en worden regels gesteld over de termijnen van de betaling daarvan.

3.

De vastgestelde bedragen gelden voor het kalenderjaar volgend op het tijdstip van vaststelling.

4.

Bij de vaststelling van de bedragen, bedoeld in het eerste lid, of bij tussentijdse aanpassing van die bedragen, worden volgens bij ministeriële regeling te stellen regels loon- en prijsontwikkelingen verwerkt, tenzij de toestand van 's Rijks financiën zich daartegen verzet.

Artikel 5.8. Teldatum aantal leerlingen en vestigingen voor berekening bekostiging
1.

Voor het bepalen van de hoogte van de bekostiging, bedoeld in de artikelen 5.4 en 5.5, neemt Onze Minister in aanmerking het aantal en het soort vestigingen van de school of scholengemeenschap, alsmede het aantal leerlingen dat op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de bekostiging betrekking heeft:

2.

In geval van oprichting, verplaatsing of splitsing van een school of scholengemeenschap kan Onze Minister afwijken van de teldatum en de leerlingen, bedoeld in het eerste lid, op die afwijkende datum toerekenen aan de nieuwe scholen. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de leerlingen die niet worden meegeteld voor het bepalen van de hoogte van de bekostiging.

Artikel 5.9. Verstrekken aanvullende bekostiging bij bijzondere ontwikkelingen
1.

Indien bijzondere ontwikkelingen in het voortgezet onderwijs daartoe aanleiding geven, kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld over het verstrekken van aanvullende bekostiging.

2.

Onze Minister kan in verband met de in het eerste lid bedoelde bekostiging een bekostigingsplafond vaststellen. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels gesteld over de verdeling.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het verstrekken van aanvullende bekostiging voor een scholengemeenschap met een hoofd- of nevenvestiging waaraan elk van de schoolsoorten, genoemd in artikel 2.1, eerste lid, onderdelen a tot en met d, wordt verzorgd.

Artikel 5.10. Aanvraag en verstrekken aanvullende bekostiging bij bijzondere omstandigheden
1.

Indien bijzondere omstandigheden van een school daartoe aanleiding geven, kan Onze Minister aanvullende bekostiging verstrekken.

2.

De verstrekking vindt plaats:

3.

De aanvraag wordt ingediend in het kalenderjaar waarin de bijzondere omstandigheden zich voordoen. Onze Minister beslist binnen achttien weken na ontvangst van de aanvraag. Indien de beschikking niet binnen achttien weken kan worden gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan schriftelijk in kennis en noemt bij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.

4.

Onze Minister kan in verband met de in het eerste lid bedoelde bekostiging een bekostigingsplafond vaststellen. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels gesteld over de verdeling.

Artikel 5.11. Verstrekken middelen in aanvulling op bekostiging

Onze Minister kan aanvullende middelen ter beschikking stellen die niet strekken tot bekostiging van het onderwijs, bedoeld in deze wet, en de schoolbegeleiding, bedoeld in de artikelen 179 WPO en 165 WEC ten behoeve daarvan, maar die direct of indirect dienstig zijn voor de uitvoering van het onderwijs of voor verhoging van de mogelijkheid tot deelname aan het onderwijs. Onze Minister kan aan de beschikbaarstelling voorwaarden verbinden. Bij de toepassing van dit artikel zijn de artikelen 4, 5, 9 en 10 van de Wet overige OCW-subsidies van toepassing.

Artikel 5.12. Verstrekken subsidie godsdienstonderwijs en levensbeschouwelijk onderwijs op openbare scholen
1.

Onze Minister kan aan de kerkelijke gemeenten of de plaatselijke kerken, bedoeld in artikel 2.35, eerste lid, en aan de genootschappen, bedoeld in artikel 2.35, tweede lid, subsidie verstrekken voor het onderwijs, bedoeld in die artikelleden.

2.

De artikelen 4, 5, 9 en 10 van de Wet overige OCW-subsidies zijn van toepassing, met dien verstande dat subsidie alleen kan worden verstrekt op grond van een algemene maatregel van bestuur.

Paragraaf 3. Grondslag bekostiging personeel en exploitatie samenwerkingsverbanden

Artikel 5.13. Bekostiging lichte ondersteuning samenwerkingsverband
1.

Aan het samenwerkingsverband wordt bekostiging toegekend voor leerwegondersteunend onderwijs, praktijkonderwijs en regionale ondersteuning. De bekostiging is een bedrag per leerling.

2.

Artikel 5.4, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

3.

Het aantal leerlingen voor de bekostiging voor leerwegondersteunend onderwijs, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald door:

4.

Het aantal leerlingen voor de bekostiging voor praktijkonderwijs, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald door:

5.

De bekostiging voor regionale ondersteuning, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit bedrag per leerling die is ingeschreven op een school of vestiging in het gebied van het samenwerkingsverband.

6.

Voor elke leerling die op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt, was aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs op een vestiging in het gebied van het samenwerkingsverband die bekostigd is op grond van artikel 4.8 of artikel 2.48, tweede lid, wordt een bedrag in mindering gebracht op de bekostiging van het samenwerkingsverband.

7.

Voor elke leerling die op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt, was ingeschreven op een vestiging voor praktijkonderwijs in het gebied van het samenwerkingsverband, wordt een bedrag in mindering gebracht op de bekostiging van het samenwerkingsverband.

8.

Bij ministeriële regeling worden de bedragen, bedoeld in het eerste, vierde, vijfde en zesde lid vastgesteld.

Artikel 5.14. Vermindering bekostiging bij uitputting lichte ondersteuning samenwerkingsverband
1.

Indien het totaal van de bedragen, bedoeld in artikel 5.13, vijfde en zesde lid, de bekostiging van het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 5.13, eerste lid, overschrijdt, wordt het bedrag waarmee die bekostiging wordt overschreden door Onze Minister in mindering gebracht op de bekostiging van alle scholen, waarvan een of meer vestigingen zijn gelegen in het gebied van het samenwerkingsverband.

2.

Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, dat in mindering wordt gebracht wordt bepaald per school op basis van het leerlingenaantal op 1 oktober voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt, van de desbetreffende vestiging of vestigingen in het gebied van het samenwerkingsverband, met uitzondering van de leerlingen bedoeld in artikel 5.13, vijfde en zesde lid.

Artikel 5.15. Bekostiging zware ondersteuning samenwerkingsverband
1.

Aan het samenwerkingsverband wordt bekostiging toegekend voor de inrichting van de ondersteuningsstructuur en de ondersteuningsvoorzieningen voor de zware ondersteuning. De bekostiging bestaat uit een bedrag per leerling

2.

Onze Minister gaat bij het bepalen van de hoogte van de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, uit van het aantal leerlingen op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt op de vestigingen van de scholen die op 1 januari zijn aangesloten bij een samenwerkingsverband.

3.

Bij ministeriële regeling wordt jaarlijks het bedrag, bedoeld in het eerste lid, vastgesteld.

4.

Voor elke leerling die op 1 februari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt, was ingeschreven op een school voor voortgezet speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, wordt een bedrag in mindering gebracht op de bekostiging van het samenwerkingsverband dat de leerling op grond van artikel 40, twaalfde lid, van de WEC toelaatbaar heeft verklaard tot het voortgezet speciaal onderwijs.

5.

Het bedrag, bedoeld in het derde lid, is afhankelijk van de in de toelaatbaarheidsverklaring opgenomen ondersteuningsbehoefte van de leerling en komt overeen met één van de bedragen die bij ministeriële regeling worden vastgesteld.

6.

Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op leerlingen opgenomen in residentiële instellingen aan die op 1 februari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt staan ingeschreven op een school op basis van een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 71a, tweede lid, van de WEC, met dien verstande dat het bedrag, bedoeld in artikel 117, zevende lid, van die wet in mindering wordt gebracht op de bekostiging van:

7.

De artikelen 5.9 en 5.10 zijn van overeenkomstige toepassing op het samenwerkingsverband.

Artikel 5.16. Vermindering bekostiging bij uitputting bekostiging zware ondersteuning samenwerkingsverband
1.

Indien het totaal van de bedragen, bedoeld in artikel 5.15, vierde lid, bekostiging van het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 5.15, eerste lid, overschrijdt, wordt het bedrag waarmee die bekostiging wordt overschreden door Onze Minister in mindering gebracht op de bekostiging van alle scholen waarvan één of meer vestigingen zijn gelegen in het gebied van het samenwerkingsverband.

2.

Het bedrag dat in mindering wordt gebracht wordt per school bepaald op basis van het leerlingenaantal van de desbetreffende vestiging of vestigingen in het samenwerkingsverband.

Artikel 5.18. Bekostiging samenwerkingsverband materiële instandhouding

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Artikel 5.19. Vermindering bekostiging materiële instandhouding bij uitputting bekostiging materiële instandhouding samenwerkingsverband
1.

Indien het totaal van de bedragen, bedoeld in artikel 5.18, derde lid, eerste volzin, en vierde lid, de materiële bekostiging van het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 5.18, eerste lid, overschrijdt, wordt het bedrag waarmee die bekostiging wordt overschreden door Onze Minister in mindering gebracht op de materiële bekostiging van alle scholen en scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 of 4, waarvan één of meer vestigingen zijn gelegen in het gebied van het samenwerkingsverband.

2.

Het bedrag dat in mindering wordt gebracht wordt per school dan wel school voor voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 of 4, voor zover het betreft het daaraan verzorgde voortgezet speciaal onderwijs, bepaald op basis van het leerlingenaantal van de desbetreffende vestiging of vestigingen in het samenwerkingsverband.

Artikel 5.20. Aanvullende bekostiging materiële instandhouding samenwerkingsverband
1.

In aanvulling op de bekostiging van artikel 5.18, ontvangt het samenwerkingsverband aanvullende bekostiging voor materiële instandhouding voor leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs en bekostiging voor regionale ondersteuning als bedoeld in het tweede, derde en vierde lid.

2.

De aanvullende bekostiging voor materiële instandhouding voor leerwegondersteunend onderwijs bestaat uit een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag per leerling. Het aantal leerlingen wordt bepaald door:

3.

De aanvullende bekostiging voor materiële instandhouding voor praktijkonderwijs bestaat uit een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag per leerling. Het aantal leerlingen wordt bepaald door:

4.

De bekostiging voor regionale ondersteuning bestaat uit een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag per leerling van de scholen en vestigingen in het gebied van het samenwerkingsverband. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de vaststelling en uitkering van bekostiging voor regionale ondersteuning.

5.

Voor elke leerling die op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt, was aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs op een vestiging in het gebied van het samenwerkingsverband die bekostigd is op grond van artikel 4.8 of artikel 2.48, tweede lid, wordt een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag in mindering gebracht op de in het eerste lid bedoelde bekostiging van het samenwerkingsverband.

6.

Voor elke leerling die op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de bekostiging betrekking heeft, was ingeschreven op een vestiging voor praktijkonderwijs in het gebied van het samenwerkingsverband wordt een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag in mindering gebracht op de in het eerste lid bedoelde bekostiging van het samenwerkingsverband.

Artikel 5.21. Vermindering bekostiging materiële instandhouding bij uitputting aanvullende bekostiging samenwerkingsverband
1.

Indien het totaal van de bedragen, bedoeld in artikel 5.20, vijfde en zesde lid, de bekostiging van materiële instandhouding van het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 5.20, eerste lid, overschrijdt, wordt het bedrag waarmee die bekostiging wordt overschreden door Onze Minister in mindering gebracht op de bekostiging van materiële instandhouding van alle scholen en scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 of 4, waarvan één of meer vestigingen zijn gelegen in het gebied van het samenwerkingsverband.

2.

Het bedrag dat in mindering wordt gebracht wordt bepaald per school dan wel school voor voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 of 4, voor zover het betreft het daaraan verzorgde voortgezet speciaal onderwijs, op basis van het leerlingenaantal op 1 oktober voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt, van de desbetreffende vestiging of vestigingen in het gebied van het samenwerkingsverband.

Paragraaf 4. Rol gemeente

Artikel 5.22. Verstrekken bedrag belastingen voor onroerende zaken aan bijzondere school
1.

In geval van een niet door de gemeente in stand gehouden school verstrekt de gemeente aan het bevoegd gezag het bedrag dat is uitgegeven voor de belastingen voor de gebouwen en terreinen die in de gemeente zijn gelegen, indien het bevoegd gezag is onderworpen aan één of meer van de belastingen voor onroerende zaken, bedoeld in artikel 220 van de Gemeentewet of artikel 43 van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

2.

Dit artikel is niet van toepassing op een school die deel uitmaakt van een verticale scholengemeenschap.

Artikel 5.23. Gemeentelijk beleid als gemeente geen openbare scholen in stand houdt of als openbare scholen ontbreken
1.

Een gemeente die zelf geen openbare scholen in stand houdt, of waar openbare scholen ontbreken, kan uitgaven doen voor het voortgezet onderwijs die niet door het Rijk worden bekostigd. De gemeenteraad stelt in dat geval bij verordening een regeling voor die uitgaven vast.

2.

De verordening maakt geen onderscheid tussen openbaar en bijzonder onderwijs en behandelt scholen voor openbaar en bijzonder onderwijs volgens dezelfde maatstaf.

3.

De verordening bevat in elk geval de voorzieningen die het bevoegd gezag van een in de gemeente gelegen, niet door de gemeente in stand gehouden school kan aanvragen en de aanvraagprocedure.

4.

De gemeenteraad kan besluiten dat het college van burgemeester en wethouders de regeling, bedoeld in het eerste lid, tijdelijk kan aanvullen met nieuwe voorzieningen. De aanvulling wordt binnen een week gezonden aan de bevoegde gezagsorganen van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen. Binnen twaalf weken na de totstandkoming van de aanvulling legt het college van burgemeester en wethouders de aanvulling voor aan de gemeenteraad en besluit de gemeenteraad over de bekrachtiging ervan. Indien de gemeenteraad niet binnen twaalf weken een besluit heeft genomen, wordt de aanvulling gelijkgesteld met een bekrachtigde aanvulling. Wijst de gemeenteraad de aanvulling af, dan heeft dat geen gevolgen voor aanvragen waarop al is beslist of die al zijn ingediend en die gaan over voorzieningen waarop de aanvulling betrekking heeft.

5.

Voor de toepassing van dit artikel geldt een nevenvestiging als een nevenvestiging die is gelegen in de gemeente van de hoofdvestiging. De gemeenteraad kan in de verordening aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid toekennen om, met inachtneming van de regels in die verordening, te besluiten dat in de gemeente gelegen nevenvestigingen van scholen waarvan de hoofdvestiging is gelegen in een andere gemeente, in afwijking van de eerste volzin in aanmerking komen voor de voorzieningen die zijn genoemd in de regeling.

6.

Het college van burgemeester en wethouders maakt jaarlijks in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze, een overzicht bekend van de voorzieningen die zijn toegekend op grond van de regeling.

7.

De artikelen 5.25 tot en met 5.28 zijn niet van toepassing.

Artikel 5.24. Gemeentelijk beleid als gemeente zelf openbare scholen in stand houdt
1.

Indien een gemeente een of meer openbare scholen in stand houdt en uitgaven wil doen voor het voortgezet onderwijs die niet door het Rijk worden bekostigd, kan de gemeenteraad daarvoor bij verordening een regeling vaststellen.

2.

Artikel 5.23, tweede tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.25. Vaststellen uitgaven en inkomsten personeels- en exploitatiekosten
1.

Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente die een of meer scholen in stand houdt, stelt jaarlijks voor die scholen voorlopig vast:

2.

Indien de gemeente een deel van de ontvangsten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c of d, toevoegt aan een voorziening, wordt dat deel aangemerkt als een uitgave als bedoeld in dat lid, onderdeel a, onderscheidenlijk als een uitgave als bedoeld de onderdelen b of e van dat lid. Indien de gemeente bedragen aan een voorziening onttrekt, worden deze aangemerkt als ontvangsten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c of d.

3.

Bij het vaststellen van de bedragen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b, c, d en e, blijven buiten beschouwing de uitgaven en ontvangsten voor administratie, beheer en bestuur, bedoeld in artikel 5.4, vierde lid, onderdeel g.

4.

Bij het vaststellen van de bedragen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en e blijven buiten beschouwing:

5.

Indien de gemeente een deel van de bekostiging voor personeel of exploitatie overdraagt aan een ander bevoegd gezag, geldt dat deel als een uitgave als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of onderdeel b. Indien een ander bevoegd gezag een deel van de bekostiging voor personeel en exploitatie overdraagt aan de gemeente, geldt dat deel als een ontvangst als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c.

Artikel 5.26. Vaststellen percentage voor niet door de gemeente in stand gehouden scholen
1.

Om de vijf jaar stelt het college van burgemeester en wethouders voorlopig het totaal vast van de vastgestelde uitgaven en ontvangsten in de voorafgaande vijf kalenderjaren, zoals in artikel 5.25 is aangegeven.

2.

Indien een gemeente vanaf een tijdstip binnen een periode van vijf jaar geen school in stand houdt, stelt het college van burgemeester en wethouders in afwijking van het eerste lid zo spoedig mogelijk na dat tijdstip voorlopig het totaal vast van de vastgestelde uitgaven en ontvangsten in het deel van de periode van vijf jaar dat aan dit tijdstip voorafgaat.

3.

Na het sluiten van de rekening van de gemeente stelt het college van burgemeester en wethouders de bedragen vast, zo nodig gewijzigd.

4.

Indien de uitgaven hoger zijn dan de ontvangsten, bepaalt het college van burgemeester en wethouders het bedrag van de overschrijding en drukt het dit bedrag uit in een percentage van het totaal van de ontvangsten. Het percentage wordt afgerond op twee decimalen. Afronding naar beneden vindt plaats indien de derde decimaal kleiner is dan vijf, en naar boven indien deze decimaal ten minste vijf bedraagt.

Artikel 5.27. Vaststellen overschrijdingsbedrag voor niet door de gemeente in stand gehouden scholen
1.

In het jaar dat volgt op de definitieve vaststelling, bedoeld in artikel 5.26, derde lid, stelt het college van burgemeester en wethouders het overschrijdingsbedrag vast waarop het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school die gedurende een of meer jaren van de betreffende periode van vijf jaar in de gemeente was gevestigd, aanspraak heeft. Daartoe vermenigvuldigt het college het percentage, bedoeld in artikel 5.26, vierde lid, met het totaal van de ontvangsten van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat is gebaseerd op de bedragen die op grond van de artikelen 5.4 en 5.5 voor die periode zijn vastgesteld. Bij het vaststellen van dit totaal van ontvangsten blijven buiten beschouwing de ontvangsten voor administratie, beheer en bestuur, bedoeld in artikel 5.4, vierde lid, onderdeel g.

2.

Indien een gemeente gedurende een gedeelte van een periode van vijf jaar, als bedoeld in artikel 5.26, een of meer scholen in stand houdt, geldt voor het vaststellen van het overschrijdingsbedrag, bedoeld in het eerste lid, het totaal van de ontvangsten van een niet door de gemeente in stand gehouden school over een overeenkomstig gedeelte van die periode.

Artikel 5.28. Uitkeren overschrijdingsbedrag aan niet door de gemeente in stand gehouden scholen
1.

Na de voorlopige vaststelling van het bedrag van de overschrijding, bedoeld in artikel 5.26, eerste en tweede lid, keert het college van burgemeester en wethouders een voorschot uit aan het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat op grond van artikel 5.27, eerste lid, aanspraak heeft op een uitkering. Het voorschot is het voorlopig vastgestelde overschrijdingsbedrag van de overschrijding, berekend volgens artikel 5.27.

2.

Tegelijk met het bekendmaken van de beschikkingen tot voorlopige en definitieve vaststelling van het bedrag van de overschrijding, bedoeld in artikel 5.26, eerste of tweede lid, respectievelijk derde lid, wordt een staat van de voorzieningen als bedoeld in artikel 5.25, eerste lid, onderdeel f, bekendgemaakt, met per kalenderjaar het verloop van de toevoegingen en de onttrekkingen aan de voorzieningen.

Artikel 5.29. Overschrijdingsregeling voor nevenvestigingen
1.

Voor de toepassing van de artikelen 5.25 tot en met 5.28 gelden uitgaven voor een nevenvestiging als uitgaven voor de hoofdvestiging van de school waaraan de nevenvestiging is verbonden.

2.

Voor de toepassing van de artikelen 5.25 tot en met 5.28 geldt een nevenvestiging als een nevenvestiging die is gelegen in de gemeente van de hoofdvestiging.

3.

Indien voor een school of nevenvestiging uitgaven worden gedaan door meer dan één gemeente, gelden deze uitgaven als uitgaven van de gemeente waar de hoofdvestiging is gelegen. In dat geval neemt de laatstbedoelde gemeente de besluiten op grond van de artikelen 5.25 tot en met 5.28 en hebben deze besluiten ook betrekking op de uitgaven van de andere gemeente of gemeenten.

Artikel 5.30. In overschrijdingsregeling buiten beschouwing laten van bepaalde gemeentelijke uitgaven voor eigen openbare scholen

Het college van burgemeester en wethouders kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school besluiten dat in relatie tot een of meer scholen van dat bevoegd gezag uitgaven die de gemeente doet voor een school die zij zelf in stand houdt, buiten beschouwing worden gelaten bij het vaststellen van de bedragen, bedoeld in artikel 5.25, eerste lid.

Paragraaf 5. Vaststellen, verstrekken en betalen

Artikel 5.32. Vaststellen bekostiging kalenderjaar

Onze Minister stelt jaarlijks de bekostiging vast waarop het bevoegd gezag over een kalenderjaar aanspraak heeft.

Artikel 5.33. Vermindering bekostiging voor kosten van wachtgelduitkeringen; gebruik burgerservicenummer door Minister
1.

Op de bekostiging, bedoeld in artikel 5.13, eerste lid, artikel 5.15, eerste lid, en artikel 5.32, brengt Onze Minister een bedrag in mindering in verband met de kosten van werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid, en een bedrag in verband met uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid aan gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de vaststelling van dit bedrag. Deze regels kunnen daarbij voorzien in:

3.

Het bevoegd gezag verstrekt Onze Minister op zijn verzoek het burgerservicenummer van een gewezen personeelslid van de school.

4.

Onze Minister kan het burgerservicenummer van een persoon die behoort tot gewezen personeel als bedoeld in het eerste lid, uitsluitend in het kader van het bepaalde bij of krachtens het eerste lid gebruiken in het verkeer met:

Artikel 5.34. Vermindering bekostiging
1.

Op de bekostiging, bedoeld in artikel 5.32, eerste lid, brengt Onze Minister in mindering de salarissen, toelagen, uitkeringen of andere bijdragen waarop personeel aanspraak maakt dat benoemd is aan de school en:

2.

De termijn van twee jaar, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, kan bij een of meer ziekteperioden van langer dan vier weken met deze ziekteperioden worden verlengd.

3.

Bij ministeriële regeling wordt geregeld in welke gevallen geen vermindering plaatsvindt.

4.

Onze Minister kan projecten aanwijzen waarop het eerste lid, onderdeel a, niet van toepassing is.

5.

Onze Minister brengt ook op de bekostiging in mindering:

Artikel 5.35. Verstrekken en verrekenen voorschotten op bekostiging
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de verlening van voorschotten op de bekostiging of onderdelen daarvan.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld voor het verrekenen van de betaalde voorschotten met het bedrag van de vastgestelde bekostiging of onderdelen daarvan.

Artikel 5.36. Verrekenen van vorderingen

Onze Minister is bevoegd om:

Paragraaf 6. Overige voorschriften bekostiging

Artikel 5.37. Terugstorten exploitatie-overschot
1.

Het bevoegd gezag betaalt het exploitatie-overschot terug aan Onze Minister:

2.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder school ook verstaan: een aan een school verbonden afdeling als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, onderdeel b.

3.

Een tekort op de exploitatie blijft in deze gevallen voor rekening van het bevoegd gezag.

4.

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de berekening van het exploitatie-overschot.

Artikel 5.38. Boekhouding
1.

Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school houdt een nauwkeurige boekhouding bij van alle inkomsten en uitgaven.

2.

Het bevoegd gezag geeft op verzoek inzage in de boeken en bescheiden aan ambtenaren die Onze Minister heeft aangewezen.

3.

Het bevoegd gezag bewaart de administratie en de bescheiden die daartoe behoren gedurende zeven jaar.

Artikel 5.39. Besteden bekostiging bevoegd gezag
1.

Het bevoegd gezag besteedt de verstrekte bekostiging en de ontvangen bedragen voor de school overeenkomstig het tweede tot en met zesde lid.

2.

De bedragen die zijn betaald voor voorzieningen in de huisvesting worden zodanig aangewend dat een behoorlijke en deugdelijke totstandkoming van deze voorzieningen is verzekerd. Zijn de bedragen na realisatie van deze voorzieningen niet volledig aangewend, dan kan het resterende deel daarvan worden aangewend voor de kosten van personeel of exploitatie.

3.

Het bevoegd gezag besteedt de bekostiging die is verstrekt aan de kosten van personeel van de school of de kosten voor voorzieningen in de exploitatie van de school. Bij een overschot op die bedragen kan het bevoegd gezag dat overschot besteden aan voorzieningen in de huisvesting als bedoeld in artikel 6.2.

4.

Het bevoegd gezag kan de bekostiging die is verstrekt voor de kosten van personeel van de school of de kosten voor voorzieningen in de exploitatie van de school ook besteden aan de kosten van personeel of voorzieningen in de exploitatie van:

5.

Het bevoegd gezag besteedt de bekostiging die op grond van artikel 5.23 of 5.24 is ontvangen van de gemeente aan het doel waarvoor zij is verstrekt.

6.

Het bevoegd gezag besteedt de ontvangen overschrijdingsbedragen aan het onderwijs aan de scholen van het bevoegd gezag.

7.

Het bevoegd gezag kan met het bevoegd gezag waarmee het een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten als bedoeld in artikel 2.100 overeenkomen om een deel van de bekostiging over te dragen.

Artikel 5.40. Besteden bekostiging samenwerkingsverband

Het samenwerkingsverband besteedt de bekostiging die is verstrekt voor personeelskosten en exploitatiekosten uitsluitend aan personeelskosten of exploitatiekosten.

Artikel 5.41. Besteden overeenkomstig bestemming

Het bevoegd gezag besteedt de bedragen en bekostiging, bedoeld in artikel 5.39, niet aan contractactiviteiten.

Artikel 5.42. Overdracht bekostiging bij overstap leerling tijdens schooljaar

Indien een leerling in de loop van het schooljaar de school verlaat zonder de opleiding te hebben voltooid, en aansluitend wordt ingeschreven als leerling aan een andere school of als mbo-student of vavo-student aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs, kan het bevoegd gezag van de school met het bevoegd gezag van die andere school of die instelling overeenkomen om een deel van de bekostiging over te dragen aan dat andere bevoegd gezag.

Artikel 5.42a. Overdracht bekostiging in het kader van een doorlopende leerroute vmbo-mbo

In afwijking van artikel 5.39 kan het bevoegd gezag van de school met het bevoegd gezag van de instelling voor beroepsonderwijs waarmee het een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten als bedoeld in artikel 2.107b, tweede lid, overeenkomen om vanwege een doorlopende leerroute vmbo-mbo als bedoeld in artikel 2.107a, tweede lid, of de geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding, bedoeld in artikel 2.107l, tweede lid, een deel van de bekostiging over te dragen aan dat andere bevoegd gezag.

Artikel 5.43. Beleggen en belenen

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over het door het bevoegd gezag uitzetten van gelden, het aangaan van geldleningen en het aangaan van verbintenissen voor financiële producten.

Artikel 5.43a. Beheer van de middelen

Het bevoegd gezag beheert de middelen van de school op zodanige wijze dat het voortbestaan van de school is verzekerd.

Artikel 5.44. Geen vergoeding na schade door schuld of nalatigheid; subrogatie wegens schade aan gebouwen van scholen
1.

De gemeente vergoedt de kosten van herstel van schade aan gebouwen, terreinen en roerende zaken waarvoor de scholen bekostiging ontvangen, tenzij:

2.

Indien schade die is ontstaan aan gebouwen, terreinen of roerende zaken van een school in aanmerking komt voor vergoeding door de gemeente, treedt de gemeente op het moment van een uitdrukkelijk besluit tot vergoeding in alle rechten van de rechtspersoon die de school in stand houdt tegenover derden met betrekking tot die schade.

Artikel 5.45. Subsidie voor taken leer-werktrajecten
1.

Onze Minister verstrekt de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven, bedoeld in artikel 1.5.1 WEB, binnen de grenzen van de middelen die de begrotingswetgever beschikbaar heeft gesteld, subsidie voor de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 2.105, tweede lid.

2.

De subsidie wordt per boekjaar verstrekt. De artikelen 2.4.2 en 2.4.3 WEB zijn van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 7. Verantwoording

Artikel 5.46. Jaarverslag
1.

Het bevoegd gezag stelt jaarlijks een jaarverslag over het voorafgaande kalenderjaar vast. Op de jaarverslaggeving is Boek 2, titel 9, van het Burgerlijk Wetboek, met uitzondering van de afdelingen 1, 10, 11 en 12, van overeenkomstige toepassing voor zover bij of krachtens algemene maatregel van bestuur niet anders is bepaald. Het jaarverslag bestaat in elk geval uit de volgende onderdelen:

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over welke overige onderdelen het jaarverslag bevat, of welke onderdelen komen te vervallen.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over:

4.

Bij het beschikbaar stellen van de gegevens, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, overlegt het bevoegd gezag een verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid die is afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of een deskundige als bedoeld in artikel 121, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek BES. De interne toezichthouder of het interne toezichthoudende orgaan wijst deze accountant of deskundige aan en bedingt bij die aanwijzing dat:

5.

Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsverband.

6.

De regels, bedoeld in het tweede lid, hebben geen betrekking op het persoonsgebonden nummer van een leerling of op de andere gegevens, waarmee een leerling wordt geïdentificeerd.

7.

Het bevoegd gezag onderscheidenlijk het samenwerkingsverband maakt het jaarverslag openbaar.

8.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven over de wijze en het tijdstip waarop openbaarmaking van het jaarverslag plaatsvindt.

Paragraaf 7. Verantwoording

Artikel 5.47. Overige uitvoeringsregels bekostiging
1.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de uitvoering van dit hoofdstuk.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

Artikel 5.48. Informatie over bekostiging
1.

Het bevoegd gezag of het samenwerkingsverband draagt er zorg voor dat Onze Minister beschikt over geordende gegevens die van belang zijn voor de berekening van de hoogte van de bekostiging, en over een verklaring over de juistheid van de bekostigingsgegevens, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2, van het Burgerlijk Wetboek of een deskundige als bedoeld in artikel 121, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek BES, aangewezen door de toezichthouder of het toezichthoudend orgaan.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de definiëring, de wijze van ordening en de beschikbaarstelling van de gegevens, bedoeld in het eerste lid.

3.

Het bevoegd gezag respectievelijk het samenwerkingsverband bewaart de gegevens, bedoeld in het eerste lid, en de boeken en bescheiden die daarop betrekking hebben, gedurende een periode van zeven jaar.

4.

De regels, bedoeld in het tweede lid, hebben geen betrekking op het persoonsgebonden nummer van een leerling of op de andere gegevens waarmee een leerling wordt geïdentificeerd.

Artikel 5.49. Onderzoek vanwege de minister en correctie bekostiging
1.

Onverminderd de bevoegdheid van de inspectie op grond van de WOT kan Onze Minister een onderzoek instellen of doen instellen naar de jaarverslaggeving, naar de gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de bekostiging, naar de rechtmatigheid van de bestedingen en naar de doelmatigheid van het beheer van de school.

2.

Indien uit een op grond van het eerste lid ingesteld onderzoek blijkt dat de bekostiging voor een school onjuist is vastgesteld, kan Onze Minister correcties aanbrengen op de bekostiging.

3.

Onze Minister doet het bevoegd gezag schriftelijk mededeling van een besluit tot het aanbrengen van een correctie op de bekostiging.

4.

Indien uit de jaarverslaggeving, bedoeld in artikel 5.46, eerste lid, uit de verklaring van de accountant, bedoeld in artikel 5.46, vierde lid, of uit een op grond van het eerste lid ingesteld onderzoek blijkt dat de bekostiging voor een school onrechtmatig is besteed of evident ondoelmatig is aangewend, kan Onze Minister bepalen dat het desbetreffende gedeelte van de bekostiging niet ten laste komt van het Rijk of dat de daarmee gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de bekostiging, onverminderd artikel 4:49 Awb.

5.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de wijze waarop wordt vastgesteld dat sprake is van evident ondoelmatige aanwending van de bekostiging als bedoeld in het vierde lid.

6.

Een in het tweede lid bedoelde correctie wordt indien de correctie strekt tot verhoging van de bekostiging, binnen acht weken na de mededeling, bedoeld in het derde lid, door Onze Minister betaald.

Hoofdstuk 6. Huisvesting

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel 6.1. Huisvestingsvoorziening door de gemeente
1.

De gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders dragen ten behoeve van de door de gemeente in stand gehouden scholen en ten behoeve van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen zorg voor de huisvestingsvoorzieningen op het grondgebied van de gemeente overeenkomstig dit hoofdstuk. De raad en het college van burgemeester en wethouders behandelen daarbij de door de gemeente in stand gehouden scholen en de niet door de gemeente in stand gehouden scholen op gelijke voet.

2.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder een niet door de gemeente in stand gehouden school ook verstaan een op het grondgebied van de gemeente gelegen nevenvestiging of tijdelijke nevenvestiging van een school waarvan de hoofdvestiging op het grondgebied van een andere gemeente is gelegen.

Artikel 6.2. Huisvestingsvoorzieningen
1.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder huisvestingsvoorzieningen verstaan:

2.

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de bruto vloeroppervlakten per gelijktijdig aanwezige leerling die huisvestingsvoorzieningen ten minste dienen te bevatten. Deze oppervlakten kunnen per schoolsoort verschillend worden vastgesteld.

Paragraaf 2. Bekostigingsplafond; programma huisvestingsvoorzieningen; overzicht

Artikel 6.3. Vaststelling door college van burgemeester en wethouders van bekostigingsplafond voor nieuwe huisvestingsvoorzieningen
1.

Het college van burgemeester en wethouders stelt jaarlijks ten behoeve van het eerstvolgende jaar voor een door hem te bepalen tijdstip een bekostigingsplafond vast voor de bekostiging van de huisvestingsvoorzieningen voor:

2.

Het bekostigingsplafond wordt zodanig vastgesteld dat redelijkerwijs kan worden voorzien in de huisvesting van de scholen, bedoeld in het eerste lid, op het grondgebied van de gemeente.

Artikel 6.4. Indiening aanvraag
1.

Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school kan bij het college van burgermeester en wethouders een aanvraag indienen voor het opnemen van die voorziening in het programma, bedoeld in artikel 6.5.

2.

Het college van burgemeester en wethouders kan voor huisvestingsvoorzieningen bekostiging verstrekken voor de kosten van bouwvoorbereiding.

3.

Het college van burgemeester en wethouders stelt vast voor welk tijdstip de aanvraag wordt ingediend en welke voorwaarden gelden.

4.

Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op de door de gemeente in stand gehouden scholen.

Artikel 6.5. Programma huisvestingsvoorzieningen
1.

Het college van burgemeester en wethouders stelt, na overleg met de bevoegde gezagsorganen van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen op het grondgebied van de gemeente, jaarlijks ten behoeve van het onderwijs op het grondgebied van de gemeente voor een door hem te bepalen tijdstip een programma als bedoeld in het tweede lid vast. Het programma heeft betrekking op scholen als bedoeld in artikel 6.3.

2.

Het programma omvat de huisvestingsvoorzieningen die in het jaar na de vaststelling van het programma voor bekostiging in aanmerking zullen worden gebracht voor niet door de gemeente in stand gehouden scholen en de huisvestingsvoorzieningen die nodig zijn voor door de gemeente in stand gehouden scholen.

3.

Het college van burgemeester en wethouders neemt uitsluitend huisvestingsvoorzieningen in het programma op, voor zover:

4.

Indien het bekostigingsplafond, bedoeld in artikel 6.3, niet toereikend is, worden die voorzieningen in het programma opgenomen die uit dat bekostigingsplafond kunnen worden bekostigd, waarbij de volgorde wordt bepaald met inachtneming van de criteria, bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, onderdeel c.

5.

Het besluit van het college van burgemeester en wethouders kan een gedeelte van de gewenste voorziening dan wel een andere voorziening dan gewenst omvatten.

6.

Het college van burgemeester en wethouders kan aan opname in het programma voorwaarden verbinden over ingebruikneming of buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen.

7.

Het college van burgemeester en wethouders neemt bij de vaststelling van het programma de criteria, bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, onderdeel c, in acht.

8.

Tijdens het overleg, bedoeld in het eerste lid, kan het college van burgemeester en wethouders de Onderwijsraad verzoeken een advies uit te brengen over de vaststelling van het programma huisvestingsvoorzieningen in relatie tot de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting. Het verzoek wordt gedaan indien een bevoegd gezag hierom heeft gevraagd dan wel uit eigen beweging. Het verzoek bevat een omschrijving van de onderwerpen waarover advies wordt verwacht. Het advies wordt binnen vier weken uitgebracht aan het college van burgemeester en wethouders. Het advies wordt gelijktijdig met het programma bekend gemaakt.

9.

Binnen vier weken na de vaststelling van het programma treedt het college van burgemeester en wethouders met het bevoegd gezag in overleg over de wijze van uitvoering. Indien dit overleg niet tot overeenstemming leidt, deelt het college van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag mede dat het niet kan instemmen met de door het bevoegd gezag gewenste wijze van uitvoering.

Artikel 6.6. Overzicht

Het college van burgemeester en wethouders stelt gelijktijdig met het programma, bedoeld in artikel 6.5, ten behoeve van het onderwijs op het grondgebied van de gemeente voor een door hem te bepalen tijdstip een overzicht vast van die huisvestingsvoorzieningen die zijn aangevraagd dan wel nodig zijn, die niet op het programma zijn opgenomen. Daarbij wordt aangegeven waarom de die voorzieningen niet zijn opgenomen. Het overzicht wordt ter inzage gelegd. Het overzicht heeft betrekking op scholen als bedoeld in artikel 6.3, eerste lid.

Artikel 6.7. Geen vaststelling van programma en overzicht

Het college van burgemeester en wethouders stelt geen programma als bedoeld in artikel 6.5 en geen overzicht als bedoeld in artikel 6.6 vast, indien geen huisvestingsvoorziening nodig is noch een aanvraag is ingediend voor scholen als bedoeld in artikel 6.3.

Artikel 6.8. Aanvragen met een spoedeisend karakter
1.

Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat een huisvestingsvoorziening wenst die niet in het programma, bedoeld in artikel 6.5, is opgenomen, maar die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden, dient een aanvraag voor bekostiging van die voorziening in bij het college van burgemeester en wethouders.

2.

Het besluit kan een gedeelte van de gewenste huisvestingsvoorziening dan wel een andere huisvestingsvoorziening dan gewenst omvatten. Het college van burgemeester en wethouders wijst de aanvraag af, indien:

Artikel 6.9. Tijdstip aanvang bekostiging; vervallen aanspraak op bekostiging
1.

Het college van burgemeester en wethouders besluit met ingang van welk tijdstip in het jaar volgend op het jaar van vaststelling van het programma, bedoeld in artikel 6.5, de bekostiging van een huisvestingsvoorziening die in het programma is opgenomen, daadwerkelijk een aanvang kan nemen, onverminderd artikel 6.11.

2.

De aanspraak op bekostiging van een huisvestingsvoorziening vervalt, indien niet binnen een in de verordening op basis van artikel 6.12 te bepalen termijn na het besluit, bedoeld in het eerste lid, voorde huisvestingsvoorziening een bouwopdracht is gegeven dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is gesloten.

Artikel 6.10. Weigeringsgronden
1.

Het college van burgemeester en wethouders weigert een huisvestingsvoorziening in het programma, bedoeld in artikel 6.5, op te nemen, indien:

2.

Het college van burgemeester en wethouders weigert ook een huisvestingsvoorziening in het programma, bedoeld in artikel 6.5, op te nemen, indien de huisvestingsvoorziening als gevolg van het verwijtbaar nalaten van noodzakelijk onderhoud in een slechte bouwkundige staat verkeert of indien de voorziening nodig is voor herstel van schade die is veroorzaakt door schuld of toedoen van het bevoegd gezag.

Artikel 6.11. Toetsing in verband met wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden

De huisvestingsvoorzieningen die in het programma, bedoeld in artikel 6.5, zijn opgenomen, komen voor bekostiging in aanmerking, mits op het tijdstip, bedoeld in artikel 6.9:

Paragraaf 3. Verordening

Artikel 6.12. Gemeentelijke verordening
1.

De gemeenteraad stelt bij verordening een regeling vast over:

2.

De verordening voldoet aan de redelijke eisen die het onderwijs aan de huisvesting van scholen in de gemeente stelt.

3.

De gemeenteraad stelt bij verordening ook de normen vast aan de hand waarvan het college van burgemeester en wethouders de bedragen vaststelt voor de toegekende huisvestingsvoorzieningen.

4.

Het college van burgemeester en wethouders betaalt volgens door hem te stellen regels de bedragen op grond van de door de gemeenteraad gestelde normen, bedoeld in het derde lid.

5.

Voor de vaststelling of wijziging van de verordening, bedoeld in het eerste lid, voert de gemeenteraad op overeenstemming gericht overleg met de bevoegde gezagsorganen van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen in de gemeente. De gemeenteraad stelt daartoe een procedure vast.

6.

Tijdens het overleg, bedoeld in het vijfde lid, kan de gemeenteraad de Onderwijsraad verzoeken een advies uit te brengen over de vaststelling of wijziging van de verordening in relatie tot de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting. Het verzoek wordt gedaan indien een bevoegd gezag hierom heeft gevraagd dan wel uit eigen beweging. Het verzoek bevat een omschrijving van de onderwerpen waarover advies wordt verwacht. Het advies wordt binnen vier weken uitgebracht aan de gemeenteraad. Het advies wordt gelijktijdig met de verordening of de wijziging daarvan bekendgemaakt.

Paragraaf 3. Verordening

Artikel 6.13. Bouwheerschap
1.

Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school geeft opdracht de huisvestingsvoorziening waartoe op grond van de artikelen 6.5 en 6.8 kan worden overgegaan, tot stand te brengen met daartoe door de gemeente beschikbaar te stellen financiële middelen, tenzij het met de gemeente overeenkomt dat de gemeente deze voorziening tot stand brengt.

2.

Indien de gemeente de huisvestingsvoorziening van een niet door de gemeente in stand gehouden school tot stand heeft gebracht, worden gebouw en terrein om niet aan het bevoegd gezag in eigendom overgedragen, tenzij de gemeente en het bevoegd gezag anders overeenkomen.

3.

Indien de huisvestingsvoorziening, bedoeld in het tweede lid, niet voldoet aan de eisen voor eigendomsoverdracht, geeft de gemeente deze aan het bevoegd gezag in gebruik.

Artikel 6.14. Instemming met eigen bouwplannen voor een niet door de gemeente in stand gehouden school

Tenzij het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat aanspraak heeft op bekostiging van een huisvestingsvoorziening, met de gemeente overeenkomt dat de gemeente deze voorziening tot stand brengt, behoeven de bouwplannen en de desbetreffende begrotingen de instemming van het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 6.15. Totstandbrenging huisvestingsvoorziening voor een niet door de gemeente in stand gehouden school

De gemeente brengt een huisvestingsvoorziening van een niet door de gemeente in stand gehouden school slechts tot stand, indien tussen het college van burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag overeenstemming bestaat over de bouwplannen en de wijze van uitvoering.

Paragraaf 5. Bijzondere bepalingen gebruik

Artikel 6.16. Onderhoudsplicht; verbod tot vervreemding en bezwaring
1.

Het bevoegd gezag is verplicht het gebouw, het terrein en de roerende zaken waarvoor bekostiging wordt genoten behoorlijk te gebruiken en te onderhouden.

2.

Het zonder toestemming van het college van burgemeester en wethouders vervreemden of bezwaren met een zakelijk recht door het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school van gebouwen, terreinen en roerende zaken waarvoor bekostiging wordt genoten, anders dan een vervreemding op grond van artikel 3.33, is nietig.

3.

Het tweede lid is niet van toepassing op het recht van opstal ten behoeve van een door de gemeente te plaatsen tijdelijke huisvestingsvoorziening op grond die eigendom is van het bevoegd gezag van de betrokken school.

Artikel 6.17. Vorderingsrecht
1.

Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd een gedeelte van een gebouw of terrein dat tijdelijk of gedurende een gedeelte van de dag niet nodig zal zijn voor de daar gevestigde school, gedurende die tijd als huisvesting voor een andere school, voor ander uit ‘s Rijks kas bekostigd onderwijs niet zijnde voortgezet onderwijs, of voor educatie als bedoeld in de WEB dan wel voor andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden te bestemmen.

2.

Het voorgenomen gebruik dient zich te verdragen met het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school.

3.

Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd voor het onderwijs in lichamelijke opvoeding of expressie-activiteiten een gebouw of terrein dan wel een gedeelte daarvan dat tijdelijk gedurende gedeelten van de dag of in het geheel niet nodig zal zijn voor de daar gevestigde school, gedurende die tijd als huisvesting voor een andere school, voor ander uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs, niet zijnde voortgezet onderwijs, of voor educatie als bedoeld in de WEB dan wel voor andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden te bestemmen. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd een sportterrein, buiten de tijden dat het terrein voor het voortgezet onderwijs wordt gebruikt, gedurende die tijd te bestemmen voor culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden, op zodanige wijze dat het zich verdraagt met het onderwijs dat op het terrein wordt gegeven.

4.

Indien het gebouw of terrein in gebruik is voor een niet door de gemeente in stand gehouden school, voert het college van burgemeester en wethouders vooraf overleg met het bevoegd gezag en, voor zover van toepassing, ook met het bevoegd gezag van de andere school of nevenvestiging waarvoor de huisvesting is bestemd.

Artikel 6.18. Verhuur en medegebruik gebouw of terrein
1.

Voor zover artikel 6.17 geen toepassing vindt, kan het bevoegd gezag een gedeelte van een gebouw of terrein in gebruik geven ten behoeve van uit ‘s Rijks kas bekostigd onderwijs dan wel voor andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Voor zover niet nodig voor uit ‘s Rijks kas bekostigd onderwijs, kan het bevoegd gezag een gedeelte van het gebouw of terrein verhuren aan een derde, voor zover het gehuurde niet bestemd zal zijn als woon- of bedrijfsruimte in de zin van de vijfde en zesde afdeling van titel 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Indien het een niet door de gemeente in stand gehouden school betreft, is voor verhuur toestemming van het college van burgemeester en wethouders vereist.

2.

Een ingebruikgeving of verhuur op grond van het eerste lid eindigt:

3.

Een ingebruikgeving of verhuur op grond van het eerste lid vindt niet plaats indien het voorgenomen gebruik zich niet verdraagt met het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school.

4.

Artikel 230a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing op een ingebruikgeving of verhuur op grond van het eerste lid.

5.

Het zonder toestemming van het college van burgemeester en wethouders verhuren van een gebouw of terrein door het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school en ook elk met dit artikel strijdig beding opgenomen in een huurovereenkomst voorschoolgebouwen, is nietig.

Artikel 6.19. Huisvestingsvoorziening niet ten laste van de gemeente

De huisvestingsvoorzieningen aan gebouwen of terreinen in verband met verhuur krachtens de artikelen 6.18 of 6.20 door het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school, komen niet ten laste van de gemeente.

Artikel 6.20. Einde gebruik gebouw of terrein door een niet door de gemeente in stand gehouden school
1.

Het college van burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat eigenaar is van het gebouw en terrein kunnen in een gezamenlijke akte verklaren dat het bevoegd gezag blijvend heeft opgehouden dan wel blijvend zal ophouden het gebouw of terrein of een voor eigendomsoverdracht vatbaar gedeelte daarvan, voor de school te gebruiken.

2.

Gedeputeerde staten kunnen in geval van een geschil over de toepassing van het eerste lid op aanvraag besluiten dat het bevoegd gezag blijvend heeft opgehouden dan wel blijvend zal ophouden het gebouw of terrein of een voor eigendomsoverdracht vatbaar gedeelte daarvan, voor de school te gebruiken. De aanvraag voor het besluit wordt gedaan door het college van burgemeester en wethouders of door het bevoegd gezag van de school.

3.

Bij toepassing van het eerste lid stellen het college van burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag van de betrokken school gezamenlijk vast of voorzieningen in een slechte bouwkundige staat verkeren als gevolg van het verwijtbaar nalaten van noodzakelijk onderhoud. Indien dat het geval is, vindt verrekening plaats van de daarmee gemoeide kosten.

4.

De gemeenteraad en het bevoegd gezag van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen treffen gezamenlijk een voorziening voor het beslechten van geschillen die zich bij de toepassing van het derde lid voordoen.

5.

Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat voornemens is gebouwen of terreinen, of een gedeelte daarvan, blijvend niet meer voor de school te gebruiken, doet hiervan onverwijld mededeling aan het college van burgemeester en wethouders.

6.

Zodra de in het eerste lid bedoelde akte door beide partijen is getekend, of het in het tweede lid bedoelde besluit van gedeputeerde staten onherroepelijk is geworden dan wel in beroep is bepaald dat de uitspraak van de rechter, inhoudende een besluit als bedoeld in het tweede lid, eerste volzin, in de plaats treedt van het vernietigde besluit, wordt de akte, het onherroepelijk geworden besluit respectievelijk de uitspraak, tenzij deze een gebouw betreft als bedoeld in artikel 28 van de Overgangswet W.V.O., zoals dat artikel luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop die wet is vervallen, en waarvoor door het bevoegd gezag van rijkswege slechts een rentevergoeding is ontvangen, ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Door de inschrijving verkrijgt de gemeente de eigendom.

7.

Het college van burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat eigenaar is van het schoolgebouw, kunnen in een gezamenlijke akte verklaren dat een gedeelte van het gebouw dat niet vatbaar is voor eigendomsoverdracht, blijvend niet meer voor het onderwijs nodig zal zijn.

8.

Gedeputeerde staten kunnen in geval van een geschil over de toepassing van het zevende lid op aanvraag besluiten dat een gedeelte van het gebouw dat niet vatbaar is voor eigendomsoverdracht, blijvend niet meer voor het onderwijs nodig zal zijn. De aanvraag om het besluit wordt gedaan door het college van burgemeester en wethouders of door het bevoegd gezag van de school. Voordat op de aanvraag wordt besloten, horen gedeputeerde staten de wederpartij.

9.

Zodra de in het zevende lid bedoelde akte door beide partijen is getekend, of het in het achtste lid bedoelde besluit van gedeputeerde staten onherroepelijk is geworden dan wel in beroep is bepaald dat de uitspraak van de rechter, inhoudende een beslissing als bedoeld in het achtste lid, eerste volzin, in de plaats treedt van het vernietigde besluit, kan het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school het desbetreffende gedeelte van het gebouw met toestemming van het college van burgemeester en wethouders verhuren.

10.

De toestemming, bedoeld in het negende lid, wordt verleend voor een tijdvak van ten hoogste drie jaren. Op verzoek van het bevoegd gezag kan dit tijdvak steeds worden verlengd met ten hoogste drie jaren.

11.

Artikel 230a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing op een verhuur als bedoeld in het negende lid.

Paragraaf 6. Doordecentralisatie; verticale scholengemeenschappen; informatie

Artikel 6.21. Jaarlijks bedrag voor huisvestingskosten van een niet door de gemeente in stand gehouden school

In afwijking van dit hoofdstuk kan de gemeenteraad in overeenstemming met het bevoegd gezag besluiten dat jaarlijks een bedrag voor huisvestingskosten wordt betaald aan het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school voor zover die op het grondgebied van die gemeente in stand wordt gehouden.

Artikel 6.22. Huisvesting verticale scholengemeenschap
1.

In afwijking van dit hoofdstuk en onverminderd het tweede lid zijn de bepalingen inzake de huisvesting die bij of krachtens de WEB zijn vastgesteld van toepassing op scholen die deel uitmaken van een verticale scholengemeenschap.

2.

Artikel 6.20 is van overeenkomstige toepassing op de gebouwen en terreinen waarvan het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school eigenaar is op het moment dat op of na 1 januari 1997 een verticale scholengemeenschap tot stand komt dan wel wordt uitgebreid met een school voor voortgezet onderwijs.

3.

De gemeenteraad kan in overeenstemming met het bevoegd gezag besluiten:

4.

Indien toepassing is gegeven aan het derde lid, vindt inschrijving van dat feit plaats in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 6.23. Informatieverstrekking aan gemeenteraad of college van burgemeester en wethouders

Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school verschaft aan de gemeenteraad respectievelijk het college van burgemeester en wethouders alle inlichtingen die de gemeenteraad respectievelijk het college van burgemeester en wethouders voor een adequate uitvoering van de bepalingen in dit hoofdstuk noodzakelijk acht.

Hoofdstuk 7. Personeel

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel 7.1. Toepassing begrippen; toepassingsbereik voor personeel zonder benoeming
1.

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan onder:

2.

De artikelen 7.34, 7.35, 7.37, 7.37a en 11.89a zijn niet van toepassing op personeel dat zonder benoeming is tewerkgesteld aan een school.

Artikel 7.2. Personeelscategorieën, formatie, taken en functies
1.

Aan een school zijn leraren verbonden.

2.

Aan het hoofd van een school voor vwo staat een rector en aan het hoofd van andere scholen een directeur. Zij worden bijgestaan door conrectoren respectievelijk adjunct-directeuren, die hen bij afwezigheid vervangen.

3.

Het overige personeel heeft tot taak het onderwijs te ondersteunen.

4.

Een of meer leden van het personeel worden belast met de taak van schooldecaan.

5.

Het bevoegd gezag stelt jaarlijks het beleid vast met betrekking tot de formatie van de verschillende categorieën personeel van de school.

Artikel 7.3. Verklaring omtrent het gedrag en door de rechter opgelegde beroepsverboden
1.

Om te kunnen worden benoemd, overlegt ieder personeelslid van de school voorafgaand aan zijn benoeming een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven op grond van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens of op grond van de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag BES. Deze verklaring is op het moment van overlegging aan het bevoegd gezag niet ouder dan 26 weken.

2.

Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat met lesgevende of onderwijsondersteunende taken geen personeelsleden worden belast die van die werkzaamheden zijn uitgesloten op grond van een rechterlijke uitspraak.

Artikel 7.4. Centrale directie
1.

Het bevoegd gezag kan aan het hoofd van een school die voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur gestelde regels een centrale directie plaatsen.

2.

De centrale directie bestaat uit ten hoogste vijf leden en omvat ten hoogste drie volledige formatieplaatsen. Het bevoegd gezag benoemt een van de leden als voorzitter.

3.

De centrale directie leidt namens het bevoegd gezag de voorbereiding en uitvoering van het schoolbeleid, de coördinatie van de dagelijkse gang van zaken en het beheer van de school.

4.

Artikel 7.2, tweede lid, is niet van toepassing op een school met een centrale directie.

Artikel 7.5. Overdracht wettelijke taken en bevoegdheden
1.

Het bevoegd gezag kan wettelijke taken en bevoegdheden overdragen aan de rector, de directeur of de centrale directie van de school.

2.

De rector of de directeur kunnen de wettelijke taken en bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, en eigen wettelijke taken en bevoegdheden overdragen aan elkaar of aan de conrectoren of adjunct-directeuren.

Artikel 7.6. Managementstatuut
1.

Het bevoegd gezag stelt een managementstatuut vast, na overleg met de rector, de directeur, de conrectoren, de adjunct-directeuren of de centrale directie.

2.

Het managementstatuut bevat:

3.

Het bevoegd gezag stelt het managementstatuut, alsmede elke wijziging daarvan, zo spoedig mogelijk na de vaststelling op een voor eenieder toegankelijke wijze beschikbaar.

Artikel 7.7. Evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende posities

Het bevoegd gezag streeft evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende posities na.

Paragraaf 2. Verantwoordelijkheid, bekwaamheid en bevoegdheid van leraren

Artikel 7.8. Het beroep van leraar
1.

Onder het beroep van leraar wordt verstaan het dragen van verantwoordelijkheid voor het vakinhoudelijke, vakdidactische en pedagogische proces in de school binnen de kaders van het onderwijskundig beleid van de school.

2.

De leraar heeft een zelfstandige verantwoordelijkheid voor het beoordelen van de onderwijsprestaties van leerlingen.

3.

De leraar beschikt over voldoende vakinhoudelijke, vakdidactische en pedagogische zeggenschap, waaronder de zeggenschap over:

4.

Het bevoegd gezag stelt in overleg met de leraren een professioneel statuut op met daarin de afspraken over de wijze waarop de zeggenschap van leraren als bedoeld in het derde lid wordt georganiseerd.

Artikel 7.9. Algemene vereisten voor leraren
1.

Voortgezet onderwijs mag alleen worden gegeven door degene die daartoe op grond van deze paragraaf bevoegd is of op grond van paragraaf 3 benoembaar is.

2.

Het eerste lid heeft geen betrekking op voortgezet onderwijs in een vak of ander programmaonderdeel dat het bevoegd gezag heeft vastgesteld, behalve godsdienstonderwijs en levensbeschouwelijk vormingsonderwijs. Voor het geven van deze vakken of die programmaonderdelen kunnen bij algemene maatregel van bestuur de paragrafen 2 en 3 van dit hoofdstuk geheel of gedeeltelijk van toepassing of van overeenkomstige toepassing worden verklaard.

Artikel 7.10. Bekwaamheidseisen voor leraren
1.

Bij algemene maatregel van bestuur worden bekwaamheidseisen voor leraren gesteld.

2.

De bekwaamheidseisen zijn gericht op het handelen in het onderwijsleerproces, het algemeen professioneel handelen en het werken binnen een onderwijsorganisatie. Zij omvatten in elk geval voorschriften op het gebied van:

3.

De bekwaamheidseisen kunnen worden onderscheiden naar schoolsoort en naar samenhangende leerjaren. Zij worden in elk geval specifiek vastgesteld voor de periode van voorbereidend hoger onderwijs, bedoeld in artikel 2.20, eerste lid.

4.

Onze Minister stelt ten minste eenmaal in de zes jaren een beroepsorganisatie die hij vanuit het oogpunt van beroepskwaliteit representatief acht voor onderwijspersoneel, in de gelegenheid hem een voorstel te doen over ongewijzigde handhaving of wijziging van de bekwaamheidseisen. Uit het voorstel blijkt in hoeverre het voorstel ook steun geniet van een vertegenwoordiging van bevoegde gezagsorganen, van ouders en van leerlingen.

Artikel 7.11. Bevoegdheid
1.

Bevoegd tot het geven van voortgezet onderwijs in enig vak is de leraar die in het bezit is van:

2.

Bij ministeriële regeling worden de getuigschriften en verklaringen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d aangewezen die zijn afgegeven op grond van de WHW en die een bevoegdheid geven voor algemeen gebruikelijke vakken waarvoor die bevoegdheid niet rechtstreeks op grond van het betreffende getuigschrift of verklaring kan worden vastgesteld. In de ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over bij- of nascholing.

3.

Onze Minister kan op aanvraag van het bevoegd gezag of van de leraar schriftelijk verklaren dat de leraar bevoegd is tot het geven van voortgezet onderwijs in een vak of ander programmaonderdeel waarvoor de bevoegdheid:

4.

Tot het geven van praktijkonderwijs in een of meer bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen vakken, is ook bevoegd degene die in het bezit is van een getuigschrift op grond van de WHW waaruit blijkt dat hij heeft voldaan aan de bekwaamheidseisen op grond van artikel 32a WPO of artikel 35 WPO BES.

5.

Tot het geven van onderwijs in de entreeopleiding, bedoeld in artikel 2.102, is ook bevoegd degene die beschikt over een geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 4.2.4, eerste lid, WEB of als bedoeld in artikel 4.2.5, eerste lid, WEB BES, en die bovendien beschikt over een getuigschrift als bedoeld in artikel 7a.4 WHW.

6.

Degene die voor een vak beschikt over een bevoegdheid voor de periode van voorbereidend hoger onderwijs, bedoeld in artikel 2.20, eerste lid, is daarmee voor dat vak ook bevoegd voor het overige voortgezet onderwijs.

7.

In bijzondere gevallen kan Onze Minister aan personen die in een bepaald vak of onderdeel van een vak door buitengewone bekwaamheid uitmunten, een bevoegdheid verlenen voor het geven van onderwijs in dit vak of dit onderdeel.

Artikel 7.12. Educatieve minor en educatieve module voor onderwijs in het vbo, het mavo en in de eerste drie leerjaren van het havo en vwo
1.

Onverminderd artikel 7.10 is tot het geven van onderwijs in het vbo, het mavo en de eerste drie leerjaren havo en vwo ook bevoegd degene die in het bezit is van een getuigschrift van een bacheloropleiding als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel a, WHW, waaruit blijkt dat betrokkene:

2.

Onverminderd artikel 7.10 is tot het geven van onderwijs in het vbo, het mavo en de eerste drie leerjaren havo en vwo ook bevoegd degene die blijkens een verklaring als bedoeld in artikel 7.11, vijfde lid, van de WHW of blijkens een certificaat dat is afgegeven op basis van artikel 27, vierde lid, van het Besluit experimenten flexibel hoger onderwijs, ten minste 30 studiepunten met goed gevolg heeft besteed aan voorbereiding op het geven van onderwijs in een vak in die leerjaren dat inhoudelijk met zijn opleiding overeenkomt en waaruit blijkt dat de leraar voldoet aan de bekwaamheidseisen voor het onderwijs dat de leraar in dat vak zal geven.

3.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over welke getuigschriften van de bacheloropleidingen, bedoeld in het eerste lid, en over welke verklaringen en certificaten, bedoeld in het tweede lid, de bevoegdheid verlenen tot het geven van de daarbij aan te wijzen vakken.

Artikel 7.13. Werken in teams bij vakoverstijgende programmaonderdelen in de eerste twee leerjaren
1.

Indien in de eerste twee leerjaren vakoverstijgende programmaonderdelen voorkomen, kan worden gewerkt met teams van leraren die verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van die onderdelen.

2.

Elk lid van het team beschikt over een bevoegdheid voor voortgezet onderwijs in ten minste een van de vakken binnen het vakoverstijgende onderdeel.

3.

De leraren van het team beschikken samen over de bevoegdheden voor alle vakken binnen het vakoverstijgende onderdeel.

4.

De leraren van het team zijn ieder verantwoordelijk voor de kwaliteit van dat deel van het onderwijs van het vakoverstijgende onderdeel waarvoor zij beschikken over een bevoegdheid.

5.

Het vakoverstijgende onderdeel kan worden verzorgd door:

6.

Als het vakoverstijgende onderdeel ook wordt verzorgd door andere leraren, stelt het bevoegd gezag met inachtneming van de opvattingen van de leden van het team vast of de inhoudelijke of didactische kennis en vaardigheden van deze leraren voldoende zijn. Indien dat niet het geval is, wordt vastgesteld op welke wijze hierin alsnog wordt voorzien.

Artikel 7.13a. Werken in teams bij vak- en sectoroverstijgende programmaonderdelen in doorlopende leerroutes vmbo-mbo
1.

Indien in het onderwijsprogramma van een doorlopende leerroute vmbo-mbo als bedoeld in artikel 2.107a of de geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding, bedoeld in artikel 2.107l sprake is van vak- en sectoroverstijgende programmaonderdelen als bedoeld in artikel 2.107d, tweede lid, onderdeel a, respectievelijk c, kan worden gewerkt met teams die verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van het onderwijsprogramma voor die vak- en sectoroverstijgende programmaonderdelen.

2.

Elk lid van het team beschikt over een bevoegdheid voor voortgezet onderwijs in ten minste een van de vakken binnen het vak- of secoroverstijgende programmaonderdeel of voldoet aan de vereisten voor benoeming of tewerkstelling als docent als bedoeld in artikel 4.2.1 WEBen artikel 4.2.1 WEB BES.

3.

De leraren en docenten van het team beschikken samen over de bevoegdheden voor alle vakken en programmaonderdelen binnen het vak- en sectoroverstijgende programmaonderdeel.

4.

De leraren en docenten van het team zijn ieder verantwoordelijk voor de kwaliteit van dat deel van het onderwijs in het desbetreffende vak- en sectoroverstijgende programmaonderdeel waarvoor zij beschikken over een bevoegdheid.

Paragraaf 3. Voorwaarden voor tijdelijke benoeming van de onbevoegde, onderbevoegde of andersbevoegde leraar

Artikel 7.14. Vervanging bij tijdelijke afwezigheid of bij een onvervulbare vacature
1.

Bij tijdelijke afwezigheid van een leraar kan deze voor ten hoogste een jaar, met inbegrip van tussenperioden van niet meer dan drie maanden, worden vervangen door iemand die voor dat onderwijs niet bevoegd is.

2.

Indien een vacature niet direct kan worden vervuld door de benoeming van een bevoegde leraar, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

3.

De termijn van een jaar kan met ten hoogste twee jaar worden verlengd indien het bevoegd gezag en de betrokkene schriftelijk overeenkomen dat betrokkene zich ervoor inspant om binnen twee jaar alsnog zijn bevoegdheid te halen voor het door hem gegeven onderwijs. Het bevoegd gezag kan deze termijn onder dezelfde voorwaarde met nog twee jaar verlengen indien het bevoegd gezag dat noodzakelijk vindt voor de kwaliteit en de voortgang van het onderwijs op de school.

Artikel 7.15. Benoembaarheid voor ander vak dan waarvoor de bevoegdheid geldt
1.

Het bevoegd gezag kan een leraar die in het bezit is van een bevoegdheid voor enig vak, ten hoogste twee jaar onderwijs laten geven in een vak waarvoor de leraar niet bevoegd is. Deze termijn kan het bevoegd gezag met ten hoogste twee jaar verlengen, indien het bevoegd gezag dit noodzakelijk vindt voor de kwaliteit en de voortgang van het onderwijs.

2.

Bij toepassing van het eerste lid komen het bevoegd gezag en de betrokken leraar schriftelijk overeen dat de leraar zich ervoor inspant om binnen de genoemde termijnen alsnog de bevoegdheid te halen voor het onderwijs in dat andere vak.

3.

De inspectie kan op aanvraag van het bevoegd gezag in de eerste twee leerjaren ontheffing verlenen van het tweede lid.

Artikel 7.16. Afwijking bevoegdheidseis leraren bovenbouw havo en vwo (voorbereidend hoger onderwijs)
1.

Het bevoegd gezag kan voor maximaal vijf procent van het samenhangende onderwijsprogramma in de periode van voorbereidend hoger onderwijs bedoeld in artikel 2.20, eerste lid, toestaan dat leraren die voor een vak in het vwo of het havo wel bevoegd zijn voor de eerste drie leerjaren maar niet voor de periode van voorbereidend hoger onderwijs, dat onderwijs voor een periode van ten hoogste een schooljaar ook geven in die hogere leerjaren.

2.

Binnen de betrekkingsomvang van deze leraren moet het grootste deel van hun werkzaamheden zijn gelegen buiten de periode van voorbereidend hoger onderwijs.

Artikel 7.17. Tijdelijke benoembaarheid van de leraar in opleiding
1.

Ho-studenten in opleiding tot leraar voortgezet onderwijs in een duale opleiding aan een hogeschool die ten minste 180 studiepunten hebben behaald, of ho-studenten in opleiding tot leraar voortgezet onderwijs in een duale opleiding aan een universiteit, kunnen tijdelijk worden benoemd voor het geven van dat onderwijs waarvoor zij in opleiding zijn, voor ten hoogste vijf maanden.

2.

De benoemingsmogelijkheid geldt ook voor een ho-student in opleiding tot leraar voortgezet onderwijs in een duale opleiding aan een hogeschool die minder dan 180, maar ten minste 166 studiepunten heeft behaald indien de hogeschool heeft verklaard dat de ho-student beschikt over met 180 studiepunten vergelijkbare relevante kennis, inzicht en vaardigheden. De tijdelijke benoeming vervalt in dat geval indien de ho-student niet binnen vier weken na begin van het dienstverband over 180 studiepunten beschikt.

3.

De benoemingsmogelijkheid geldt ook voor ho-studenten die een opleiding tot leraar voortgezet onderwijs aan een universiteit volgen. In dat geval bedraagt de benoemingsperiode maximaal een schooljaar voor de ho-student die een voltijdse opleiding volgt en maximaal twee schooljaren voor de ho-student die een deeltijdse opleiding volgt.

4.

Bij de tijdelijke benoeming van een ho-student tot leraar voortgezet onderwijs wordt een overeenkomst gesloten als bedoeld in artikel 7.7, vijfde lid, WHW. De overeenkomst vermeldt de leraar onder wiens verantwoordelijkheid de betrokken ho-student werkzaamheden van onderwijskundige aard verricht.

Artikel 7.18. Benoembaarheid zij-instromer met geschiktheidsverklaring
1.

Het bevoegd gezag kan degene die in het bezit is van een geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 7.27 voor ten hoogste twee aaneengesloten schooljaren tot leraar benoemen. Het bevoegd gezag kan deze periode, al dan niet onder het stellen van voorwaarden, verlengen met ten hoogste twee jaar als dat bevoegd gezag daarvoor redenen aanwezig acht.

2.

Het bevoegd gezag dat betrokkene voor het eerst na afgifte van diens geschiktheidsverklaring tot leraar benoemt, registreert de benoeming en de datum daarvan op de geschiktheidsverklaring.

Artikel 7.19. Overige categorieën benoembare leraren
1.

Het bevoegd gezag kan een gastdocent die naar zijn oordeel bekwaam is op grond van specifieke kennis uit de praktijk, benoemen voor het geven van onderwijs in vakken waarop die kennis betrekking heeft.

2.

Deze gastdocent kan alleen worden belast met lesgevende taken voor een beperkte betrekkingsomvang van in totaal ten hoogste gemiddeld zes uur per week op jaarbasis, onder de verantwoordelijkheid van een leraar die het bevoegd gezag heeft aangewezen.

3.

De vereisten in dit hoofdstuk over bekwaamheid, bevoegdheid of benoembaarheid van leraren, zijn niet van toepassing op de leraar die alleen is belast met contractactiviteiten.

Artikel 7.20. Bekwaamheidsdossier en geordende gegevens over benoeming
1.

Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens over de bekwaamheid en het onderhouden daarvan voor elk personeelslid met een functie of werkzaamheden waarvoor bekwaamheidseisen als bedoeld in artikel 7.23, vierde lid, of artikel 7.24, tweede lid, zijn vastgesteld.

2.

Voor de onderlinge vergelijkbaarheid en herkenbaarheid van de gegevens kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld over de inrichting en wijze van ordening van de gegevens.

3.

Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens over de toepassing van de artikelen 7.14, 7.15 en 7.18.

Artikel 7.21. Maximering benoemingsperiode

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Artikel 7.22. Mogelijkheid van afwijkende regels voor leraren in vaste dienst

Bij algemene maatregel van bestuur wordt geregeld op welke gronden en volgens welke procedure voor leraren in vaste dienst aan een school kan worden afgeweken van artikel 7.9, eerste lid.

Paragraaf 4. Voorwaarden voor benoeming van leidinggevend en onderwijsondersteunend personeel

Artikel 7.23. Benoembaarheid leidinggevend personeel
1.

Het bevoegd gezag kan tot rector, directeur, conrector of adjunct-directeur benoemen degene die:

2.

Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op de leden van de centrale directie als bedoeld in artikel 7.4.

3.

Het bevoegd gezag van een school zonder centrale directie kan voor ten hoogste de helft van het aantal personeelsleden, bedoeld in het eerste lid, aan die school afwijken van het eerste lid, onderdeel a.

4.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen bekwaamheidseisen worden vastgesteld voor werkzaamheden van leidinggevende aard die nauw verband houden met het pedagogisch-didactische klimaat op de school of die onderwijskundige leiding omvatten.

5.

Onze Minister kan een beroepsorganisatie die hij vanuit het oogpunt van beroepskwaliteit representatief acht, in de gelegenheid stellen hem een voorstel te doen voor bekwaamheidseisen die op grond van het vierde lid kunnen worden vastgesteld.

Artikel 7.24. Benoembaarheid onderwijsondersteunende functionarissen
1.

Het bevoegd gezag kan met onderwijsondersteunende werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid, belasten degene die:

2.

Bij algemene maatregel van bestuur worden bekwaamheidseisen vastgesteld voor onderwijsondersteunende werkzaamheden die bij die maatregel worden aangewezen en die rechtstreeks verband houden met het onderwijsleerproces.

3.

Het bevoegd gezag kan het onderwijsondersteunende personeelslid dat niet voldoet aan het eerste lid, toch voor ten hoogste twee jaar belasten met werkzaamheden waarvoor op grond van het tweede lid bekwaamheidseisen zijn vastgesteld. De eerste volzin wordt alleen toegepast indien het bevoegd gezag en betrokkene schriftelijk hebben verklaard dat betrokkene zich ervoor inspant om binnen twee jaar alsnog te voldoen aan die bekwaamheidseisen.

4.

Voor ho-studenten aan een opleiding als bedoeld in artikel 7.7, tweede lid, WHW en mbo-studenten in de beroepsbegeleidende leerweg van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2 WEB of artikel 7.2.2 WEB BES die in het kader van die opleiding onderwijsondersteunende werkzaamheden verrichten waarvoor op grond van het tweede lid bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, kan het bevoegd gezag voor de duur van die werkzaamheden afwijken van het eerste lid.

5.

Het eerste lid is niet van toepassing voor zover de onderwijsondersteunende functionaris is belast met contractactiviteiten.

Paragraaf 5. Bijzondere regels voor scholengemeenschappen

Artikel 7.25. Bijzondere regels voor scholengemeenschappen

Bij algemene maatregel voor bestuur worden regels gesteld voor een scholengemeenschap of een verticale scholengemeenschap over de toepassing van de paragrafen 1 tot en met 4.

Paragraaf 5. Bijzondere regels voor scholengemeenschappen

Artikel 7.26. Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 7.27. Geschiktheidsonderzoek
1.

Een geschiktheidsonderzoek wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van het bestuur van een instelling die is erkend op grond van artikel 7.29.

2.

Het geschiktheidsonderzoek kan worden aangevraagd door het bevoegd gezag dat een zij-instromer wil benoemen, of door degene die als zij-instromer wil worden benoemd. Het instellingsbestuur betrekt bij het onderzoek het bevoegd gezag dat de aanvraag indient of, indien de aanvraag door betrokkene zelf is ingediend, een bevoegd gezag dat daartoe in overeenstemming met de aanvrager wordt uitgenodigd.

3.

Bij de aanvraag wordt aangetoond dat betrokkene beschikt over:

4.

Het geschiktheidsonderzoek bestaat uit:

5.

In het onderzoek naar de geschiktheid voor het beroep van leraar wordt vastgesteld of betrokkene over voldoende kennis, inzicht en vaardigheden beschikt om onderwijs te geven dat voldoet aan de daaraan gestelde kwaliteitseisen, waarbij er rekening mee wordt gehouden dat de betrokkene als zij-instromer wordt begeleid en verder wordt geschoold. De kennis, het inzicht en de vaardigheden zijn afgeleid van de bekwaamheidseisen die gelden voor leraren en omvatten in het bijzonder beroepsmatige vaardigheden. In elk geval wordt ook beoordeeld of betrokkene in de feitelijke onderwijssituatie in staat is om verantwoord les te geven.

6.

Bij het geschiktheidsonderzoek zijn in gelijke mate betrokken:

7.

De aanvrager is aan de uitvoerder van het onderzoek een vergoeding verschuldigd, waarvan de hoogte bij ministeriële regeling kan worden vastgesteld.

8.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld voor de uitvoering van het vierde lid, onderdeel b, en het vijfde lid, en kunnen regels worden gesteld ter waarborging van de kwaliteit van het geschiktheidsonderzoek en van de instellingen die dat onderzoek uitvoeren, regels over de procedure voor het aanvragen van het geschiktheidsonderzoek en regels voor afgifte van de geschiktheidsverklaring.

Artikel 7.28. Geschiktheidsverklaring
1.

Aan degene die blijkens een geschiktheidsonderzoek als bedoeld in artikel 7.27 voldoende geschikt wordt geacht voor het beroep van leraar en in staat wordt geacht binnen twee jaar na benoeming met goed gevolg deel te nemen aan het bekwaamheidsonderzoek, bedoeld in artikel 7.31, geeft het bestuur van een instelling die daartoe op grond van artikel 7.29 is erkend, een geschiktheidsverklaring af.

2.

Bij ministeriële regeling wordt een model voor de geschiktheidsverklaring vastgesteld.

Artikel 7.29. Uitvoeren geschiktheidsonderzoek
1.

Onze Minister kan op aanvraag van het bestuur van de instelling besluiten dat een instelling bevoegd is tot:

2.

Onze Minister erkent de instelling indien het bestuur van die instelling bij de aanvraag voldoende aannemelijk maakt dat de instelling het geschiktheidsonderzoek onafhankelijk, deskundig en betrouwbaar zal uitvoeren. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de aanvraag en over de behandeling en beoordeling ervan.

3.

Onze Minister kan voor de behandeling van de aanvraag een vergoeding in rekening brengen, waarvan de hoogte wordt vastgesteld bij ministeriële regeling.

4.

Onze Minister kan de erkenning intrekken indien de instelling het geschiktheidsonderzoek naar zijn oordeel niet meer onafhankelijk, deskundig of betrouwbaar uitvoert.

Artikel 7.30. Scholings- en begeleidingsovereenkomst zij-instroom
1.

Degene die in het bezit is van een geschiktheidsverklaring, het bevoegd gezag dat hem benoemt en het bestuur van de instelling, bedoeld in artikel 7.32, sluiten een scholings- en begeleidingsovereenkomst.

2.

In deze overeenkomst worden de rechten en verplichtingen van de drie betrokken partijen vastgelegd over de scholing en begeleiding die op grond van de afgegeven geschiktheidsverklaring noodzakelijk worden geacht.

3.

Indien blijkt dat de scholing of begeleiding niet volgens de overeenkomst kan worden uitgevoerd, treft het bevoegd gezag respectievelijk het bestuur van de instelling tijdig een toereikende vervangende voorziening.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld voor de uitvoering van het eerste lid, waaronder in elk geval regels ter waarborging van de kwaliteit van de scholings- en begeleidingsovereenkomst.

5.

Voor zover betrokkene de werkzaamheden waarvoor hij in het bezit is van een geschiktheidsverklaring, bij twee of meer bevoegde gezagsorganen verricht, zorgen deze bevoegde gezagsorganen ervoor dat de overeenkomsten, bedoeld in het eerste lid, waarbij zij wat de betrokkene betreft partij zijn, op elkaar worden afgestemd. Zo nodig wordt met dat doel een al gesloten overeenkomst gewijzigd.

Artikel 7.31. Bekwaamheidsonderzoek

Het bekwaamheidsonderzoek heeft tot doel vast te stellen of de zij-instromer voldoet aan de in artikel 7.10, eerste lid, bedoelde bekwaamheidseisen voor het onderwijs dat betrokkene als leraar wil gaan geven.

Artikel 7.32. Uitvoeren scholing, begeleiding en bekwaamheidsonderzoek
1.

Het bestuur van een instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel g, WHW die opleidt voor bekwaamheidseisen als bedoeld in artikel 7.10, eerste lid, en daartoe door het bestuur bij Onze Minister is gemeld, is na die melding en onder overlegging van een plan van aanpak, bevoegd tot:

2.

Het bestuur van de instelling, bedoeld in het eerste lid, biedt degene die zich daarvoor meldt en wiens scholing en begeleiding overeenkomstig de scholings- en begeleidingsovereenkomst zijn afgerond, tijdig de gelegenheid om deel te nemen aan dat onderzoek.

3.

Het bestuur van de instelling, bedoeld in het eerste lid, kan bepalen dat aan de aanvrager een vergoeding in rekening wordt gebracht voor de uitvoering van het bekwaamheidsonderzoek. Bij ministeriële regeling kan aan deze bijdrage een maximum worden gesteld.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de scholing en begeleiding, en over het bekwaamheidsonderzoek, waaronder regels ter waarborging van de kwaliteit.

Artikel 7.33. Kwaliteitsbewaking en inlichtingenplicht
1.

De besturen van instellingen die bevoegd zijn tot het uitvoeren van geschiktheidsonderzoeken, bekwaamheidsonderzoeken of het verzorgen van scholing en begeleiding op grond van geschiktheidsverklaringen, dragen zorg voor de kwaliteit van de werkzaamheden die daarmee samenhangen.

2.

Deze besturen verstrekken aan Onze Minister alle inlichtingen die deze nodig vindt voor een goede naleving van deze paragraaf. Op verzoek van de inspectie zendt het bestuur een overzicht van de geschiktheidsverklaringen die in deze periode zijn afgegeven en van de bekwaamheidsonderzoeken waaraan in die periode met goed gevolg is deelgenomen.

3.

Onze Minister kan beslissen dat aan een instelling een of meer van de in artikel 7.29 of artikel 7.32, eerste lid, bedoelde bevoegdheden wordt ontnomen, indien gebleken is dat de kwaliteit van de uitoefening daarvan tekortschiet, of als niet meer wordt voldaan aan regels die bij of krachtens deze wet zijn gesteld over de uitoefening van die bevoegdheden. Op de ontneming van bevoegdheden is artikel 6.10, vierde lid, WHW van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 7. Rechtspositie personeel

Artikel 7.34. Rechtspositieregeling personeel

Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de rechtspositie van het personeel wordt geregeld.

Artikel 7.35. Georganiseerd overleg

Over de door het bevoegd gezag ingevolge artikel 7.34 te treffen regelingen, alsmede over andere aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van het personeel, wordt door of namens het bevoegd gezag overleg gevoerd met de daarvoor in aanmerking komende verenigingen van werknemers, op een met deze schriftelijk overeengekomen wijze.

Artikel 7.36. Personeel voor contractactiviteiten

Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat het verrichten van contractactiviteiten er niet toe leidt dat minder dan 51 procent van de personeelskosten van de school uit ’s Rijks kas wordt bekostigd.

Artikel 7.37. Benoeming, schorsing en ontslag; benoeming in algemene dienst
1.

Het bevoegd gezag benoemt, schorst en ontslaat het personeel.

2.

Het bevoegd gezag benoemt het personeel in algemene dienst van het bevoegd gezag.

3.

Onder benoeming in algemene dienst wordt verstaan een benoeming voor het verrichten van werkzaamheden aan scholen die het bevoegd gezag in stand houdt.

Artikel 7.37a. Afschriften bewijsstukken
1.

Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat afschriften van de bewijsstukken waarmee de bekwaamheid wordt aangetoond, van de geschiktheidsverklaringen, van de verklaringen omtrent het gedrag en van de arbeidsovereenkomsten van het aan de school verbonden personeel worden bewaard.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op personeel dat is tewerkgesteld zonder benoeming.

Artikel 7.38. Disciplinaire maatregel, schorsing en ontslag door gedeputeerde staten

In afwijking van artikel 7.37 leggen gedeputeerde staten van de betrokken provincie de disciplinaire straf of de schorsing op of verlenen zij het ontslag, indien het betreft een rector, een directeur, een conrector, een adjunct-directeur, een lid van de centrale directie of een leraar van een openbare school, die ook lid is van de raad van de gemeente die de school in stand houdt.

Artikel 7.39

[Vervallen]

Artikel 7.40

[Vervallen]

Artikel 7.41. Disciplinaire straf bij niet eerbiedigen godsdienst of levensovertuiging op openbare school

Wie zich bij het geven van onderwijs aan een openbare school schuldig maakt aan plichtsverzuim bij het eerbiedigen van ieders godsdienst of levensovertuiging, kan bij koninklijk besluit voor ten hoogste een jaar en bij herhaling voor onbepaalde tijd worden geschorst in zijn bevoegdheid tot het geven van onderwijs aan een openbare school.

Paragraaf 8. Stages

Artikel 7.42. Bieden van stage door scholen
1.

Het bevoegd gezag laat ho-studenten die zijn ingeschreven voor een opleiding op grond van de WHW voor het beroep van leraar of die op een andere manier studeren om aan de bekwaamheidseisen te voldoen voor een functie in het voortgezet, beroeps- of primair onderwijs tot de school toe om de ervaring in de school te verkrijgen die als onderdeel van hun opleiding is vereist. Van deze verplichting kan Onze Minister het bevoegd gezag op grond van bijzondere omstandigheden geheel of gedeeltelijk ontheffing voor een schooljaar verlenen.

2.

Deze verplichting voor het bevoegd gezag geldt voor in totaal per schooljaar vijf procent van het in uren uitgedrukte aantal lessen en onderdelen van het in schooltijd in dat jaar verzorgde onderwijsprogramma. Bij ministeriële regeling kan het percentage lager worden vastgesteld.

3.

De rector, de directeur of de centrale directie regelt, onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag, de begeleiding van de ho-studenten in de school door de leraren, in overeenstemming met de leraren en de betrokken opleidingsinstellingen.

4.

De scholen waartoe de ho-studenten zijn toegelaten, zijn voor zover dat nodig is voor het toezicht op, of de begeleiding van de praktische vorming van deze ho-studenten, toegankelijk voor:

5.

Een bevoegd gezag kan een ho-student de verdere toegang tot de school ontzeggen indien de ho-student in de school in strijd handelt met de grondslag en doelstellingen van de school. Het bevoegd gezag motiveert de beslissing tot ontzegging en maakt deze schriftelijk bekend aan de ho-student. Het bevoegd gezag zendt aan het bevoegd gezag van de opleidingsinstelling een afschrift van een beslissing tot ontzegging van de toegang tot de school.

Artikel 7.43. Nadere regels stage
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over:

Paragraaf 9. Bekwaamheids- en zedelijkheidseisen personeel niet uit ’s Rijks kas bekostigde scholen

Artikel 7.44. Bekwaamheids- en zedelijkheidseisen personeel niet uit ’s Rijks kas bekostigde school
2.

Onderwijsondersteunende werkzaamheden als bedoeld in artikel 7.24 worden voor het algemeen voortgezet onderwijs aan niet uit ’s Rijks kas bekostigde scholen alleen verricht door degene die voldoet aan de artikelen 7.3 en 7.24, eerste lid. Artikel 7.24, derde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 9. Bekwaamheids- en zedelijkheidseisen personeel niet uit ’s Rijks kas bekostigde scholen

Artikel 7.46

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2021/57.

Artikel 7.54

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2021/57.

Artikel 7.55

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2021/57.

Paragraaf 11. Registervoorportaal

Artikel 7.63

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2021/57.

Hoofdstuk 8. Deelname

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel 8.1. Toepassing begrip «ouders»

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt voor «ouders» gelezen «leerling» als het gaat om een leerling die meerderjarig en handelingsbekwaam is.

Artikel 8.2. Toegang tot openbare scholen

Openbare scholen zijn toegankelijk voor leerlingen zonder dat daarbij onderscheid wordt gemaakt naar godsdienst of levensovertuiging.

Artikel 8.3. Toegang tot bekostigde bijzondere scholen

Indien binnen redelijke afstand van de woning van een leerling niet de gelegenheid bestaat om onderwijs aan een openbare school te volgen, kan het bevoegd gezag van een gelijksoortige uit ‘s Rijks kas bekostigde bijzondere school de toelating van de leerling niet weigeren op grond van godsdienst of levensovertuiging, tenzij de school uitsluitend voor interne leerlingen is bestemd.

Artikel 8.4. Toelaatbaarheid tot het voortgezet onderwijs
1.

Het bevoegd gezag laat als leerling alleen tot de school toe degene van wie de ouders hebben aangetoond dat hij:

2.

Indien de toelating niet in overeenstemming met het eerste lid heeft plaatsgevonden, verwijdert het bevoegd gezag de leerling onmiddellijk van de school.

Artikel 8.5. Toelaatbaarheid tot het eerste leerjaar
1.

Het bevoegd gezag laat tot het eerste leerjaar alleen degene toe die afkomstig is van:

2.

In gevallen waarin toepassing van het eerste lid niet mogelijk is, kan de inspectie afwijking van dat lid toestaan.

Artikel 8.6. Beslissing toelating tot de school
1.

Het bevoegd gezag beslist over de toelating als leerling tot de school, met inachtneming van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen.

2.

Het bevoegd gezag van een school voor vwo, havo, mavo of vbo baseert zijn beslissing over de toelating tot het eerste leerjaar op het definitieve schooladvies, bedoeld in artikel 45d, derde lid, WPO, artikel 48e, derde lid, WEC of artikel 51d, derde lid, WPO BES.

3.

De toelating tot het eerste leerjaar van een school kan niet voorwaardelijk geschieden.

4.

In gevallen waarin toepassing van het tweede lid niet mogelijk is, kan de inspectie afwijking van dat lid toestaan.

5.

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

6.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het toelaten van leerlingen.

Artikel 8.7. Maximumleeftijd voor volgen praktijkonderwijs
1.

Het bevoegd gezag geeft een leerling na het schooljaar waarin hij de leeftijd van achttien jaar bereikt niet meer de gelegenheid om praktijkonderwijs te volgen.

2.

De inspectie kan op aanvraag van het bevoegd gezag in het schooljaar waarin de leerling de leeftijd van achttien jaar bereikt, toestaan dat de leerling in het daaropvolgende schooljaar praktijkonderwijs blijft volgen, indien de inspectie van mening is dat de leerling zonder het volgen van een extra schooljaar niet voldoende is voorbereid op de functies, bedoeld in artikel 2.31, eerste lid, onderdeel b.

3.

Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing in het schooljaar waarin de leerling de leeftijd van negentien jaar bereikt.

Artikel 8.8. Aanmelding en toelating
1.

De ouders melden de leerling indien mogelijk ten minste tien weken voor de datum met ingang waarvan toelating wordt gevraagd schriftelijk aan. Daarbij geven zij aan bij welke andere school of scholen ook om toelating is verzocht.

2.

Het bevoegd gezag beslist over toelating van een leerling zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen zes weken na de dag van ontvangst van de aanmelding. Indien de beslissing niet binnen zes weken kan worden genomen, deelt het bevoegd gezag dit aan de ouders mee en noemt het daarbij een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beslissing wordt genomen. Deze termijn bedraagt ten hoogste vier weken.

3.

Het bevoegd gezag van een bijzondere school kan beslissen om een aanmelding niet te behandelen indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor het beoordelen van de aanmelding of voor het voorbereiden van de toelatingsbeslissing. Het bevoegd gezag geeft de ouders de gelegenheid om de aanmelding aan te vullen binnen een termijn die het bevoegd gezag heeft gesteld.

4.

Het bevoegd gezag van een bijzondere school maakt de beslissing over toelating van een leerling schriftelijk en, in geval van weigering van de toelating, voorzien van een deugdelijke motivering, bekend aan de ouders.

5.

Binnen zes weken na de bekendmaking kunnen de ouders bij het bevoegd gezag van een bijzondere school bezwaar maken tegen een beslissing over toelating van een leerling.

6.

Op een bezwaarschrift tegen een beslissing over toelating van een leerling, beslist het bevoegd gezag, voor zover het een openbare school betreft in afwijking van artikel 7:10 Awb, binnen vier weken na ontvangst van het bezwaarschrift. Voorafgaand daaraan wordt de leerling in de gelegenheid gesteld, te worden gehoord en kennis te nemen van de adviezen en rapporten over die beslissing.

Is de leerling jonger dan achttien jaar, dan komen deze rechten ook toe aan diens ouders.

7.

De toelating tot een school wordt niet afhankelijk gesteld van een andere dan een bij of krachtens de wet geregelde financiële bijdrage.

8.

In afwijking van het eerste lid, eerste volzin, melden de ouders de leerling die afkomstig is van een school als bedoeld in artikel 8.5, eerste lid, en voor wie toelating wordt gevraagd tot het eerste leerjaar, aan in de periode van 25 maart tot en met 31 maart.

Artikel 8.9. Toelating leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben; zorgplicht school
1.

Het bevoegd gezag beoordeelt of de leerling die is aangemeld extra ondersteuning nodig heeft. Voor die beoordeling kan het bevoegd gezag de ouders verzoeken gegevens te overleggen over stoornissen of handicaps van de leerling of beperkingen in de onderwijsparticipatie. Onder extra ondersteuning wordt niet verstaan ondersteuning om de beheersing van de Nederlandse taal te bevorderen voor het voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden.

2.

Het bevoegd gezag weigert de toelating van een leerling die extra ondersteuning nodig heeft alleen nadat het ervoor heeft gezorgd dat een andere school, een school voor voortgezet speciaal onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een instelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, LPW bereid is om de leerling toe te laten, na overleg met de ouders en met inachtneming van de ondersteuningsbehoefte van de leerling en de schoolondersteuningsprofielen van de betrokken scholen.

3.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien:

Artikel 8.9a. Doorstroom naar havo en vwo
1.

Het bevoegd gezag weigert een leerling niet de toelating tot het vijfde leerjaar van het vwo dan wel het vierde leerjaar van het havo op grond van zijn oordeel over kennis, vaardigheden of leerhouding van de leerling, indien de leerling in het bezit is van een diploma havo onderscheidenlijk een diploma vmbo in de theoretische of gemengde leerweg.

2.

In afwijking van het eerste lid, mag het bevoegd gezag de toelating weigeren indien de leerling niet voldoet aan voorwaarden die bij algemene maatregel van bestuur kunnen worden gesteld met betrekking tot kennis, vaardigheden of leerhouding van de leerling.

Artikel 8.10. Te verstrekken gegevens bij toelating
1.

Een leerling kan pas tot de school worden toegelaten nadat de ouders de volgende gegevens aan het bevoegd gezag hebben verstrekt:

2.

De ouders verstrekken de gegevens door middel van:

3.

Indien de ouders aannemelijk maken dat zij geen persoonsgebonden nummer van de leerling kunnen verstrekken, meldt het bevoegd gezag binnen twee weken na de beslissing tot toelating aan Onze Minister:

4.

Onze Minister verstrekt binnen acht weken na ontvangst van de melding het burgerservicenummer of het onderwijsnummer van de leerling aan het bevoegd gezag.

Artikel 8.11. Leerlingenadministratie
1.

Het bevoegd gezag neemt de gegevens, bedoeld in artikel 8.10, eerste en derde lid, op in de leerlingenadministratie van de school.

2.

Indien aan een leerling een onderwijsnummer is toegekend en het bevoegd gezag daarna de beschikking krijgt over zijn burgerservicenummer, vervangt het bevoegd gezag het onderwijsnummer in de leerlingenadministratie van de school onmiddellijk door het burgerservicenummer. Het bevoegd gezag meldt deze wijziging binnen twee weken aan Onze Minister onder opgave van het onderwijsnummer en het burgerservicenummer van de leerling.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de leerlingenadministratie.

Artikel 8.12. Inschrijving en uitschrijving
1.

Indien het bevoegd gezag een leerling tot de school toelaat, wordt de leerling door het bevoegd gezag ingeschreven in de leerlingenadministratie van de school.

2.

Indien een leerling de school verlaat, wordt de leerling door het bevoegd gezag uitgeschreven uit de leerlingenadministratie van de school.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het inschrijven en uitschrijven van leerlingen.

Artikel 8.13. Tijdelijke plaatsing
1.

Indien de aanmelding gaat over een leerling die niet is ingeschreven op een andere school, een school voor voortgezet speciaal onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een instelling voor speciaal en voortgezet onderwijs voor wat betreft het daaraan verzorgde voortgezet speciaal onderwijs, en het bevoegd gezag de beslissing over de toelating tien weken na de aanmelding nog niet heeft genomen, plaatst het bevoegd gezag de leerling tijdelijk op de school en schrijft het bevoegd gezag hem tijdelijk als leerling in.

2.

De tijdelijke plaatsing gaat in op de dag volgend op de termijn van tien weken, of op de eerstvolgende dag waarop de leerling voldoet aan de voorwaarden om te kunnen worden toegelaten tot de school.

3.

Het bevoegd gezag zet de tijdelijke plaatsing om in een definitieve plaatsing indien de leerling wordt toegelaten.

4.

Weigert het bevoegd gezag de toelating van de leerling of beslist het bevoegd gezag de aanmelding niet te behandelen, dan beëindigt het bevoegd gezag de tijdelijke plaatsing van de leerling en schrijft de leerling uit met ingang van de dag die volgt op de dag waarop het bevoegd gezag de toelating weigert of beslist de aanmelding niet te behandelen.

Artikel 8.14. Schorsing
1.

Het bevoegd gezag kan een leerling voor ten hoogste een week schorsen.

2.

Het bevoegd gezag maakt de beslissing tot schorsing schriftelijk en voorzien van een deugdelijke motivering aan de leerling bekend. Indien de leerling jonger dan 18 jaar is, maakt het bevoegd gezag de beslissing ook aan de ouders schriftelijk bekend.

3.

Het bevoegd gezag meldt een schorsing voor langer dan één dag schriftelijk en voorzien van een deugdelijke motivering aan de inspectie.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het schorsen van leerlingen.

Artikel 8.15. Verwijdering
1.

Het bevoegd gezag kan een leerling van school verwijderen.

2.

Het bevoegd gezag verwijdert een leerling op wie de LPW of LPW BES van toepassing is pas definitief van de school nadat het bevoegd gezag ervoor heeft gezorgd dat het bevoegd gezag van een andere school, een school voor voortgezet speciaal onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, een instelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de LPW of een instelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de LPW BES bereid is de leerling toe te laten.

3.

Voordat het bevoegd gezag een leerling op wie de LPW of LPW BES van toepassing is definitief van school verwijdert, overlegt het met de inspectie. Ten tijde van dit overleg kan de leerling worden geschorst. In het overleg wordt ook nagegaan op welke manier de betrokken leerling onderwijs kan volgen.

4.

Het bevoegd gezag stelt de inspectie schriftelijk en gemotiveerd in kennis van een definitieve verwijdering.

5.

Het bevoegd gezag van een bijzondere school maakt de beslissing tot verwijdering van een leerling schriftelijk en voorzien van een deugdelijke motivering aan de leerling bekend. Indien de leerling jonger dan 18 jaar is, maakt het bevoegd gezag de beslissing ook aan de ouders schriftelijk bekend.

6.

Binnen zes weken na de bekendmaking kunnen de ouders bij het bevoegd gezag van een bijzondere school bezwaar maken tegen een beslissing tot verwijdering van een leerling.

7.

Op een bezwaarschrift tegen een beslissing over verwijdering van een leerling, beslist het bevoegd gezag, voor zover het een openbare school betreft in afwijking van artikel 7:10 Awb, binnen vier weken na ontvangst van het bezwaarschrift. Voorafgaand daaraan wordt de leerling in de gelegenheid gesteld te worden gehoord en kennis te nemen van de adviezen en rapporten over die beslissing. Is de leerling jonger dan achttien jaar, dan komen deze rechten ook toe aan diens ouders.

8.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het verwijderen van leerlingen.

Artikel 8.16. Voorwaardelijke bevordering

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over het voorwaardelijk bevorderen van leerlingen.

Paragraaf 2. Gebruik persoonsgebonden nummer

Artikel 8.17. Gebruik persoonsgebonden nummer door bevoegd gezag
1.

Het bevoegd gezag kan het persoonsgebonden nummer van een leerling gebruiken in het contact met de leerling op wie het nummer betrekking heeft, of, indien de leerling minderjarig is, met de ouders van deze leerling.

2.

Het bevoegd gezag kan het persoonsgebonden nummer van een leerling, al dan niet samen met een of meer van de gegevens, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers gebruiken in het contact met Onze Minister over de vaststelling van de bekostiging van de school.

3.

Het bevoegd gezag en het hoofd, bedoeld in artikel 1, onderdeel d, LPW of artikel 1, onderdeel d, LPW BES, gebruiken het persoonsgebonden nummer van een leerling in contacten met een gemeente in het kader van de LPW of de LPW BES, samen met de gegevens die noodzakelijk zijn voor het toezicht op de naleving van die wet door de gemeente.

4.

Het bevoegd gezag gebruikt bij de opgave aan het college van burgemeester en wethouders, bedoeld in artikel 8.21, eerste lid, en artikel 8.30, eerste lid, het persoonsgebonden nummer van een leerling.

5.

Het bevoegd gezag gebruikt het persoonsgebonden nummer van een leerling in het contact met een andere school of een school of instelling voor ander onderwijs voor de in- en uitschrijving van die leerling of ten behoeve van het volgen van onderwijs in een doorlopende leerroute vmbo-mbo als bedoeld in artikel 2.107a of de geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding, bedoeld in artikel 2.107l. Onder dit contact wordt ook begrepen de uitwisseling van leergegevens en direct met het leren samenhangende begeleidingsgegevens. Bij algemene maatregel van bestuur worden de gegevens, bedoeld in de vorige volzin, gespecificeerd.

6.

Het bevoegd gezag gebruikt het persoonsgebonden nummer van een leerling in het kader van de uitvoering van subsidieregelingen van het Europees Sociaal Fonds.

7.

Het bevoegd gezag verstrekt geen persoonsgebonden nummer van een leerling voor de uitvoering van artikel 107, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, behalve als het verstrekken noodzakelijk is voor het nakomen van verplichtingen als referent in de zin van artikel 1 van die wet.

8.

Het bevoegd gezag gebruikt het persoonsgebonden nummer van een leerling in contacten met een school als bedoeld in de WEC in het kader van de ondersteuning die deze school biedt op grond van artikel 8a, eerste lid, WEC.

9.

Het bevoegd gezag kan het persoonsgebonden nummer van een leerling eenmalig gebruiken ten behoeve van het genereren van een pseudoniem voor deze leerling met het oog op het bieden van voorzieningen in het kader van het onderwijs en de begeleiding van leerlingen. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat het pseudoniem wordt bewaard in de systemen waarin de leerlingen zijn geregistreerd.

10.

Het bevoegd gezag kan het pseudoniem gebruiken voor het genereren van een ander pseudoniem voor een leerling in het kader van de toegang tot en het gebruik van digitale leermiddelen of het digitaal afnemen van toetsen en examens, waarbij het bevoegd gezag er zorg voor draagt dat dit andere pseudoniem wordt bewaard in de systemen waarin de leerlingen zijn geregistreerd. Dit andere pseudoniem wordt uitsluitend verstrekt aan een leverancier die een digitaal product of een digitale dienst aanbiedt bestaande uit leerstof of toetsen en de daarmee samenhangende digitale diensten.

11.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere gevallen worden aangewezen dan het geval, bedoeld in het tiende lid, waarvoor het bevoegd gezag op basis van het pseudoniem, bedoeld in het negende lid, een ander pseudoniem kan genereren. Daarbij worden in ieder geval de categorieën ontvangers van dit andere pseudoniem aangewezen.

12.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de voorwaarden waaronder de pseudoniemen, bedoeld in het negende tot en met het elfde lid, kunnen worden gegenereerd en gebruikt. Deze voorwaarden betreffen in ieder geval de duur en de beveiliging, waaronder de gescheiden opslag van de pseudoniemen.

Artikel 8.18. Gebruik persoonsgebonden nummer door gemeente

Onverminderd de overige artikelen die bij en op grond van deze wet zijn vastgesteld over het gebruik van het burgerservicenummer door de gemeente, gebruikt de gemeente het persoonsgebonden nummer van een leerling of een voortijdige schoolverlater, bedoeld in artikel 8.19, eerste lid, alleen voor:

Paragraaf 3. Bestrijding voortijdig schoolverlaten en volgen van jongeren in een kwetsbare positie

Artikel 8.19. Voortijdige schoolverlater
1.

Onder een voortijdige schoolverlater wordt verstaan degene:

2.

Onder een voortijdig schoolverlater wordt niet verstaan degene die werkzaam is op grond van een arbeidsovereenkomst en die in het bezit is van:

Artikel 8.20. Melding verzuim niet-leerplichtigen

Indien een leerling op wie artikel 8.19, eerste lid, onderdelen a en b, van toepassing is het onderwijs aan de school ten minste vier aaneengesloten weken of een door het bevoegd gezag te bepalen kortere periode zonder geldige reden niet meer volgt, ontstaat voor het bevoegd gezag de leveringsverplichting, bedoeld in artikel 12, derde lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers. Onder geldige reden worden in ieder geval de redenen, bedoeld in artikel 8.30, vijfde lid, verstaan.

Artikel 8.21. Melding verwijdering niet-leerplichtigen
1.

Indien het bevoegd gezag een leerling op wie artikel 8.19, eerste lid, onderdelen a en b, van toepassing is, verwijdert van de school, doet het bevoegd gezag onmiddellijk opgave van de gegevens van de leerling aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de leerling woon- of verblijfplaats heeft.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de toepassing van het eerste lid.

Artikel 8.22. Bestrijding voortijdig schoolverlaten en volgen van jongeren in een kwetsbare positie door gemeente
1.

Het college van burgemeester en wethouders draagt zorg voor een systeem van doorverwijzing van de voortijdige schoolverlaters naar onderwijs of arbeidsmarkt en voor het onderhoud van dit systeem. In verband daarmee draagt het college van burgemeester en wethouders zorg voor registratie van de gegevens die het bevoegd gezag op grond van artikel 8.21 heeft gemeld of waarover het college op grond van artikel 21, eerste en derde lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers beschikt. Het systeem heeft ook betrekking op de gegevens waarover de gemeente beschikt in het kader van de uitvoering van de LPW. Het college van burgemeester en wethouders volgt de deelname aan onderwijs en arbeidsmarkt van de personen, bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, die de leeftijd van 23 jaren nog niet hebben bereikt.

2.

Voor de uitvoering van het eerste lid kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld.

3.

Voor het vervullen van hun taak uit het eerste lid werken de colleges van burgemeester en wethouders samen binnen regio’s die bij ministeriële regeling zijn vastgesteld. Zij maken ook afspraken met scholen, instellingen als bedoeld in de WEB, scholen of instellingen als bedoeld in de WEC en organisaties die zijn betrokken bij het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten.

Artikel 8.23. Contactgemeente
1.

De colleges van burgemeester en wethouders in een regio wijzen uit hun midden een contactgemeente aan. Deze aanwijzing wordt onmiddellijk gemeld aan Onze Minister.

2.

Het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente vervult coördinerende taken met het oog op het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten. In dat verband:

3.

Het bevoegd gezag geeft aan de personen die het college van burgemeester en wethouders heeft aangewezen, alle gevraagde bescheiden ter inzage en verstrekt de gevraagde inlichtingen die van belang zijn voor het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten.

4.

Indien de colleges van burgemeester en wethouders in een regio een andere contactgemeente aanwijzen, draagt het college van burgemeester en wethouders van de vorige contactgemeente alle bescheiden over de uitvoering van dit artikel over aan het college van burgemeester en wethouders van de nieuwe contactgemeente.

Artikel 8.24. Specifieke uitkering
1.

Onze Minister kent jaarlijks uiterlijk in september aan de contactgemeente een specifieke uitkering toe voor de activiteiten die de colleges van burgemeester en wethouders in de regio verrichten op grond van artikel 8.22 en artikel 8.23, eerste lid. Deze uitkering heeft betrekking op het daarop volgende kalenderjaar en blijft binnen de grenzen van de middelen die de begrotingswetgever beschikbaar heeft gesteld.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het berekenen en betalen van de uitkering, bedoeld in het eerste lid. De berekening geschiedt in elk geval aan de hand van het aantal volwassen inwoners van de gemeenten in de regio op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar van de uitkering, waarbij rekening wordt gehouden met het opleidingsniveau en met de etnische achtergrond van die inwoners. Bij de berekening van een deel van de uitkering kunnen de volwassen inwoners van gemeenten die op grond van een andere regeling reeds een vergoeding voor de bestrijding van voortijdig schoolverlaten ontvangen, buiten beschouwing worden gelaten. Onze Minister hanteert het aantal volwassen inwoners van de gemeenten in de regio dat blijkt uit de gegevens die het Centraal Bureau voor de Statistiek op verzoek van Onze Minister daarover verstrekt.

3.

De contactgemeente draagt er zorg voor dat de colleges van burgemeester en wethouders in de regio gebruik kunnen maken van de instrumenten die met behulp van de uitkering zijn verwezenlijkt.

4.

Indien het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente het bepaalde bij of krachtens dit artikel, met uitzondering van het vierde lid, en de artikelen 8.22, 8.23, en 8.25 niet nakomt, kan Onze Minister de uitkering geheel of gedeeltelijk inhouden of opschorten. Onze Minister gaat pas na overleg met het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente over tot gehele of gedeeltelijke inhouding. Onze Minister kan de uitkering opnieuw toekennen indien de reden voor inhouding of opschorting is vervallen.

5.

Onze Minister kan de uitkering geheel of gedeeltelijk terugvorderen indien niet uit de informatie die is verstrekt op grond van artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet blijkt dat de uitkering is besteed in overeenstemming met de artikelen 8.22 tot en met 8.25, eerste lid.

Artikel 8.25. Effectrapportage
1.

De gemeenteraden in een regio stellen streefcijfers vast voor de resultaten in de regio bij het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten.

2.

Het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente stelt ook namens de andere gemeenten in de regio jaarlijks een effectrapportage vast. De effectrapportage vermeldt de streefcijfers en de bereikte resultaten en bevat een toelichting op afwijkingen. Het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente zendt de effectrapportage aan Onze Minister.

3.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over het tijdstip van indiening en de inrichting van de effectrapportage.

Artikel 8.26. Informatie over voortijdig schoolverlaten
1.

Het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente geeft aan de personen die Onze Minister heeft aangewezen, alle gevraagde gegevens ter inzage en verstrekt aan hen de gevraagde inlichtingen die van belang zijn voor het beleid van Onze Minister op het gebied van het voortijdig schoolverlaten.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop de gegevens beschikbaar worden gesteld.

Artikel 8.27. Regionaal programma, regionaal bestuurlijk overleg en regionale maatregelen
1.

Het college van burgemeester en wethouders in een regio als bedoeld in artikel 8.22, derde lid, en de in dat lid bedoelde scholen, instellingen en organisaties stellen steeds voor een periode van vier jaren een regionaal programma op met maatregelen ter voorkoming en bestrijding van voortijdig schoolverlaten van jongeren tussen twaalf en drieëntwintig jaar. Het programma heeft ook betrekking op leer- en kwalificatieplichtigen en het volgen door het college van burgemeester en wethouders van de deelname aan onderwijs en arbeidsmarkt van de personen, bedoeld in 8.22, eerste lid, vierde volzin.

2.

Het college van burgemeester en wethouders in een regio als bedoeld in 8.22, derde lid, en de in dat lid bedoelde scholen, instellingen en organisaties voeren regionaal bestuurlijk overleg over de totstandkoming van het regionaal programma en de uitvoering en financiering van de daarin opgenomen maatregelen. Bij het overleg worden ook de domeinen arbeid en zorg betrokken.

3.

Het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente coördineert het regionaal bestuurlijk overleg, de totstandkoming van het regionaal programma en de uitvoering en financiering van de daarin opgenomen regionale maatregelen.

4.

De specifieke uitkering, bedoeld in artikel 8.24, is ook bestemd voor de uitvoering van het regionaal programma.

5.

Het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente geeft in de effectrapportage, bedoeld in artikel 8.24, aan hoe de domeinen arbeid en zorg bij het regionale bestuurlijk overleg zijn betrokken en welke resultaten hiermee zijn bereikt.

Paragraaf 4. Overige regels

Artikel 8.28. Leerlingenvervoer

Het college van burgemeester en wethouders verstrekt aan ouders van leerlingen die in de gemeente verblijven, op hun aanvraag vergoeding van de vervoerskosten die het college van burgemeester en wethouders noodzakelijk acht. De aanvraag heeft uitsluitend betrekking op leerlingen die door een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap voor hun schoolbezoek:

Artikel 8.29. Gemeentelijke verordening leerlingenvervoer
1.

De gemeenteraad stelt bij verordening regels vast over het leerlingenvervoer.

2.

In de verordening wordt geen onderscheid gemaakt tussen openbaar en bijzonder onderwijs en wordt de schoolkeuze van de ouders die berust op godsdienst of levensovertuiging geëerbiedigd.

3.

In de verordening wordt rekening gehouden met de inzet die redelijkerwijs kan worden verlangd van ouders en wordt voorzien in een manier van vervoer die passend is voor de leerling. In de verordening wordt bepaald op welke wijze het college van burgemeester en wethouders advies laat uitbrengen door deskundigen over de manier van vervoer die voor de leerling passend is.

4.

In de verordening wordt bepaald dat het college van burgemeester en wethouders de kosten vergoedt van vervoer over de afstand tussen de woning van de leerling en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, met inachtneming van de keuze van de ouders, tenzij vervoer naar een verder weg gelegen school voor de gemeente minder kosten met zich zou brengen en de ouders instemmen met het vervoer naar die school. In de verordening kan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders in plaats van een vergoeding in geld te geven, het vervoer verzorgt of laat verzorgen.

5.

In de verordening kan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders in bijzondere gevallen ten gunste van de ouders kan afwijken van de verordening.

Artikel 8.30. Melding langdurige afwezigheid in verband met WTOS
1.

Indien een leerling op wie hoofdstuk 4 WTOS van toepassing is, ten minste vijf aaneengesloten weken zonder geldige reden niet aan het onderwijs heeft deelgenomen, meldt het bevoegd gezag dit aan Onze Minister.

2.

Het bevoegd gezag stuurt aan de leerling gelijktijdig met de melding aan Onze Minister een afschrift van de gegevens die aan Onze Minister zijn verstrekt. Het bevoegd gezag geeft daarbij aan dat de afwezigheid gevolgen heeft voor de tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten van de leerling op grond van de WTOS.

3.

De leerling kan binnen zes weken na ontvangst van de gegevens bij het bevoegd gezag schriftelijk bedenkingen uiten tegen de melding.

4.

Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de vaststelling en melding van de afwezigheid.

5.

Onder afwezigheid met een geldige reden als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan afwezigheid wegens:

6.

Het bevoegd gezag kan bepalen dat de periode, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel b, wordt verlengd als dit naar zijn oordeel passend is.

Artikel 8.31. Gegevensverstrekking leerlingen die naar verwachting overstappen naar het middelbaar beroepsonderwijs
1.

Het bevoegd gezag geeft jaarlijks de leerlingen op die aan die school een opleiding praktijkonderwijs of de basisberoepsgerichte, kaderberoepsgerichte, gemengde of theoretische leerweg volgen, en naar verwachting het aankomend schooljaar hun opleiding zullen vervolgen aan een beroepsopleiding in de zin van de WEB. De opgave wordt gedaan aan het college van burgemeester en wethouders van de woon- of verblijfplaats van deze leerlingen. Deze informatie wordt uitsluitend gebruikt om schooluitval bij de overgang naar het beroepsonderwijs als bedoeld in de WEB, te voorkomen.

2.

Bij ministeriële regeling worden ter uitvoering van het eerste lid regels gesteld, in elk geval ter specificatie van de gegevens die bij de opgave worden geleverd, en over het tijdstip en de wijze waarop deze gegevens worden geleverd.

Artikel 8.32. Deelname leerlingen aan extra activiteiten
1.

De deelname van leerlingen aan activiteiten die geen onderdeel uitmaken van het verplichte onderwijsprogramma en worden georganiseerd onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag, wordt niet afhankelijk gesteld van een bijdrage als bedoeld in artikel 8.8, zevende lid.

2.

Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan voor de daar bedoelde activiteiten, indien:

3.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gesteld aan de scholen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, en aan de code, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c.

Hoofdstuk 9. Experimenten, bijzondere inrichting en tijdelijke onderwijsvoorzieningen bij massale toestroom ontheemden

Paragraaf 1. Experimenten

Artikel 9.1. Experimenten scholen
1.

Met het oog op verbetering van de kwaliteit, toegankelijkheid of doelmatigheid van het voortgezet onderwijs kan bij wijze van experiment bij algemene maatregel van bestuur worden afgeweken van:

2.

Deze algemene maatregel van bestuur regelt in elk geval:

3.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de uitvoering van een experiment.

4.

Een experiment duurt maximaal zes jaar, of maximaal acht jaar indien de bijzondere aard van het experiment dat noodzakelijk maakt. Indien een voorstel van wet is ingediend om het experiment om te zetten in een structurele wettelijke regeling voordat het experiment is afgelopen, kan Onze Minister de duur van het experiment verlengen tot het tijdstip waarop die wettelijke regeling in werking is getreden.

5.

Onze Minister zendt drie maanden voor het einde van de werkingsduur van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid, een verslag aan de Staten-Generaal over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment in de praktijk, en een standpunt over omzetting van het experiment in een structurele wettelijke regeling.

Artikel 9.2. Experimenten samenwerkende scholen of instellingen
1.

Indien scholen in een experiment samenwerken met scholen als bedoeld in de WPO, scholen of instellingen als bedoeld in de WEC, instellingen als bedoeld in de WEB of instellingen als bedoeld in de WHW, kan met het oog op verbetering van de kwaliteit, toegankelijkheid of doelmatigheid van het onderwijs, bij wijze van experiment bij algemene maatregel van bestuur worden afgeweken van:

2.

Bij algemene maatregel van bestuur wordt geregeld welke bij of krachtens deze wet, de WPO, de WPO BES, de WEC, de WEB, de WEB BES of de WHW gestelde regels van toepassing of van overeenkomstige toepassing zijn op de samenwerking.

3.

Artikel 9.1 is van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 2. Bijzondere inrichting

Artikel 9.3. Afwijking regels vanwege bijzondere inrichting onderwijs aan school
1.

Voor de bijzondere inrichting van het onderwijs aan een bekostigde school kan Onze Minister toestaan dat wordt afgeweken van hoofdstuk 2, paragrafen 1, 2 en 5.

2.

Voor de bijzondere inrichting van het onderwijs aan een school die op grond van artikel 2.66, eerste lid, is aangewezen, kan Onze Minister toestaan dat wordt afgeweken van hoofdstuk 2, paragrafen 1 en 2.

3.

Onze Minister beslist binnen 26 weken na ontvangst van een aanvraag.

Paragraaf 2. Bijzondere inrichting

Artikel 9.4. Begripsbepalingen
1.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

2.

Deze paragraaf is niet van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Artikel 9.5. Inrichting en melding van een tijdelijke onderwijsvoorziening
1.

Het bevoegd gezag kan een tijdelijke onderwijsvoorziening inrichten.

2.

Het bevoegd gezag meldt de inrichting van een tijdelijke onderwijsvoorziening onverwijld bij Onze Minister.

3.

Na een melding als bedoeld in het tweede lid, stelt het bevoegd gezag binnen twee maanden een inrichtingsplan op voor de tijdelijke onderwijsvoorziening en zendt het plan aan Onze Minister.

4.

Het inrichtingsplan, bedoeld in het derde lid, bevat in ieder geval een beschrijving van:

5.

Bij de inrichting van het onderwijs wijkt het bevoegd gezag niet af van het inrichtingsplan.

6.

Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op de wijziging van het inrichtingsplan.

7.

Het eerste lid is niet van toepassing op een school waarvan de kwaliteit van het onderwijs zeer zwak is als bedoeld in artikel 2.94, eerste en derde lid.

8.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de melding, bedoeld in het tweede lid, en over het inrichtingsplan bedoeld in het vierde lid.

Artikel 9.6. Onderwijsprogramma
1.

Het bevoegd gezag stelt voor de tijdelijke onderwijsvoorziening de inhoud van het onderwijs vast in een onderwijsprogramma, dat in ieder geval:

2.

Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens over de invulling en spreiding van de uren in de tijdelijke onderwijsvoorziening

3.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de inhoud van het onderwijsprogramma, waarbij kan worden afgeweken van hoofdstuk 2, paragrafen 1 tot en met 3.

Artikel 9.7. Tijdelijke onderwijsvoorziening als tijdelijke nevenvestiging
1.

Een tijdelijke onderwijsvoorziening kan geen nevenvestiging zijn als bedoeld in artikel 4.14.

2.

Een tijdelijke onderwijsvoorziening kan een tijdelijke nevenvestiging als bedoeld in artikel 4.16, eerste lid, zijn, met dien verstande dat, in afwijking van artikel 4.16:

3.

In afwijking van artikel 4.17 blijft de aanspraak op bekostiging van een tijdelijke onderwijsvoorziening die tevens een tijdelijke nevenvestiging is ook bestaan als de afstand als bedoeld in dit artikel groter is dan drie kilometer.

Artikel 9.8. Onderwijspersoneel
1.

Indien een vacature voor het geven van onderwijs in een tijdelijke onderwijsvoorziening niet kan worden vervuld door de benoeming van een bevoegde leraar als bedoeld in artikel 7.9, kan het onderwijs niet langer dan strikt noodzakelijk en voor ten hoogste twee jaren, in afwijking van artikel 7.9, ook worden gegeven door iemand die voor dat onderwijs niet bevoegd is.

2.

Het bevoegd gezag draagt zorg voor schriftelijke afspraken met degene, bedoeld in het eerste lid, waarin wordt verklaard dat betrokkene zich inspant om binnen twee jaren alsnog te voldoen aan de eisen opgenomen in hoofdstuk 7, paragrafen 2 en 3.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op het onderwijs in:

4.

Het bevoegd gezag legt ten aanzien van elke leraar in een tijdelijke onderwijsvoorziening vast over welke opleiding en ervaring degene die benoemd wordt beschikt.

5.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld.

Artikel 9.9. Afstandsonderwijs
1.

Het onderwijs aan een tijdelijke onderwijsvoorziening kan op afstand worden verzorgd.

2.

Voor zover de aard van het afstandsonderwijs zich daar niet tegen verzet, is het bepaalde bij of krachtens deze wet ook van toepassing op het afstandsonderwijs

3.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het afstandsonderwijs.

Artikel 9.10. Regels over de inrichting

Bij ministeriële regeling kunnen, zo nodig in afwijking van hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald, voor een tijdelijke onderwijsvoorziening regels worden gesteld over:

Artikel 9.11. Vaststelling ministeriële regeling

Een krachtens deze paragraaf vast te stellen ministeriële regeling wordt niet eerder vastgesteld dan twee weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Hoofdstuk 10. Sancties

Artikel 10.1. Opschorting en inhouding bekostiging
1.

Indien het bevoegd gezag in strijd handelt met regels die bij of krachtens deze wet zijn gesteld, waaronder ook wordt verstaan het niet opvolgen van een aanwijzing als bedoeld in artikel 3.38 of een spoedaanwijzing als bedoeld in artikel 3.38a, kan Onze Minister de bekostiging geheel of gedeeltelijk opschorten of inhouden. Onder bekostiging zijn ook voorschotten begrepen.

2.

Onze Minister kent de bekostiging opnieuw toe indien er geen reden meer is het eerste lid toe te passen.

3.

Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing, indien het bevoegd gezag of het personeel van een school in strijd handelt met artikel 5:20, eerste lid, Awb.

4.

Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsverband.

Hoofdstuk 10. Sancties

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel 11.1. Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Artikel 11.2. Reikwijdte hoofdstuk 11

Dit hoofdstuk is alleen van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Artikel 11.3. Toepasselijkheid Wet administratieve rechtspraak BES

Een beslissing als bedoeld in de artikelen 7.42, vijfde lid, 11.08, tweede lid, en 11.13, vierde lid, van een bevoegd gezag van een openbare school geldt als een beschikking als bedoeld in artikel 3 van de Wet administratieve rechtspraak BES.

Paragraaf 2. Wijze van toepassing hoofdstuk 2

Artikel 11.4. Instructietaal
1.

In afwijking van artikel 2.11, eerste lid, kan het praktijkonderwijs worden gegeven in een andere taal dan het Nederlands.

2.

De gedragscode, bedoeld in artikel 2.11, derde lid, wordt toegezonden aan de inspectie.

Artikel 11.5. Profielen mavo, havo en vwo

In afwijking van de artikelen 2.20, vierde lid, aanhef, en 2.25, tweede lid, aanhef, geeft een school het onderwijs in een of meer van de profielen.

Artikel 11.6. Toepassing praktijkonderwijs

In afwijking van de artikelen 2.29 en 2.30 zijn de artikelen 11.7 en 11.8 van toepassing.

Artikel 11.7. Doelgroep praktijkonderwijs

Praktijkonderwijs is onderwijs voor leerlingen voor wie naar het oordeel van het bevoegd gezag vaststaat dat:

Artikel 11.8. Toelaatbaarheid en toelating praktijkonderwijs
1.

Indien het bevoegd gezag van de school waar een leerling zich aanmeldt, of waaraan de leerling is ingeschreven, redelijkerwijs kan aannemen dat deze niet in staat is een van de leerwegen, genoemd in artikel 2.22, eerste lid, al dan niet in combinatie met leerwegondersteunend onderwijs als bedoeld in artikel 11.13 af te sluiten met een diploma of getuigschrift vmbo als bedoeld in artikel 2.58, tweede lid, kan het bevoegd gezag aan de ouders van de leerling voorstellen dat de leerling in plaats daarvan praktijkonderwijs volgt.

2.

Het bevoegd gezag van de school voor praktijkonderwijs beslist over de toelating van de leerling tot het praktijkonderwijs. Het hanteert daartoe een indicatieprocedure die is gebaseerd op erkende testen en toetsen.

3.

Het bevoegd gezag van de school voor praktijkonderwijs waaraan de leerling wordt toegelaten, stelt, na overleg met de ouders, voor de leerling een handelingsplan op. Het handelingsplan bevat een omschrijving van de wijze waarop voor de leerling het praktijkonderwijs wordt gegeven.

Artikel 11.9. Maatschappelijke stage en onderwijs in lichamelijke opvoeding

Artikel 2.32 en artikel 2.33, tweede lid, zijn niet van toepassing.

Artikel 11.10. Bestrijding (taal)achterstand

In aanvulling op artikel 2.34 draagt het bevoegd gezag zorg voor een optimale aansluiting van leerlingen met een moedertaal die niet overeenkomt met de instructietaal die op de scholen wordt gehanteerd.

Artikel 11.10a. Meetellen onderwijstijd doorlopende leerroute vmbo-mbo

Het bevoegd gezag kan de uren, bedoeld in artikel 2.38, derde of vierde lid, invullen met activiteiten die worden verzorgd in het onderwijsprogramma als bedoeld in artikel 2.107a, tweede lid, of 2.107l, tweede lid, voor zover het leerlingen betreft die een doorlopende leerroute vmbo-mbo of een geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding volgen.

Artikel 11.11. Meetellen onderwijstijd bij het EOZ
1.

Indien een leerling in een deel van de week onderwijs ontvangt op een andere school of wordt begeleid bij het expertisecentrum onderwijszorg, telt de tijd dat de leerling dit onderwijs ontvangt mee voor het aantal uren onderwijs dat de leerling ten minste moet ontvangen op grond van hoofdstuk 2, paragraaf 3.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen:

Artikel 11.12. Extra begeleiding en ondersteuning van leerlingen

In afwijking van paragraaf 4 van hoofdstuk 2 zijn de artikelen 11.13 tot en met 11.23 van toepassing.

Artikel 11.13. Leerwegondersteunend onderwijs
1.

Leerwegondersteunend onderwijs wordt gegeven aan de leerling voor wie vaststaat dat een orthopedagogische en orthodidactische benadering nodig is om het onderwijs in een van de leerwegen, bedoeld in artikel 2.22, eerste lid, te kunnen afsluiten.

2.

Leerwegondersteunend onderwijs:

3.

Leerwegondersteunend onderwijs wordt gegeven indien de leerling met behulp van de voorzieningen die zijn getroffen voor leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte, geen ononderbroken ontwikkelingsproces kan doormaken als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c.

4.

Het bevoegd gezag beslist of een leerling is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs. Het hanteert daartoe een indicatieprocedure die is gebaseerd op erkende testen en toetsen. Na overleg met de ouders van de leerling beslist het bevoegd gezag of aan de leerling leerwegondersteunend onderwijs wordt aangeboden.

5.

Het bevoegd gezag stelt, na overleg met de ouders, voor de leerling een handelingsplan op. Het handelingsplan bevat een omschrijving van de wijze waarop aan de leerling het leerwegondersteunend onderwijs wordt gegeven.

Artikel 11.14. Handelingsplan
1.

Het bevoegd gezag van een school waar een leerling met een specifieke onderwijsbehoefte is ingeschreven stelt in overeenstemming met de ouders en met inachtneming van artikel 11.18, derde lid, voor elk schooljaar een handelingsplan op. Indien de leerling wordt ingeschreven op of na 1 augustus, wordt het handelingsplan zo spoedig mogelijk maar uiterlijk een maand na die inschrijving opgesteld.

2.

Het handelingsplan wordt jaarlijks met de ouders geëvalueerd.

Artikel 11.15. Voortgezet onderwijs aan zieke leerlingen

Het bevoegd gezag richt het voortgezet onderwijs zo in dat leerlingen die door ziekte thuis verblijven of die zijn opgenomen in een ziekenhuis op adequate wijze voldoende onderwijs kunnen ontvangen.

Artikel 11.16. Samenwerkingsverband CN
1.

Het bevoegd gezag is voor elk van zijn scholen aangesloten bij een samenwerkingsverband CN met, voor zover aanwezig in het openbaar lichaam:

2.

In afwijking van het eerste lid kan een samenwerkingsverband CN bestaan uit de betrokkenen, bedoeld in de onderdelen a, b, c of d, die samen een expertisecentrum onderwijszorg in stand houden.

3.

Het samenwerkingsverband CN heeft als doel, het realiseren van een zodanig samenhangend geheel van zorgvoorzieningen binnen en tussen scholen en in samenwerking met de betrokkenen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b tot en met e, dat zoveel mogelijk leerlingen, vavo-studenten en mbo-studenten een ononderbroken onderwijsloopbaan kunnen doormaken.

4.

Per openbaar lichaam is er één samenwerkingsverband CN.

5.

Indien een bevoegd gezag wenst deel te nemen aan het samenwerkingsverband CN, wordt deze deelname door de bevoegde gezagsorganen die samenwerken in het samenwerkingsverband CN niet geweigerd.

6.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de wijze waarop een geschil wordt beslecht tussen de organisaties, bedoeld in het eerste lid, over aangelegenheden die het samenwerkingsverband CN aangaan.

Artikel 11.17. Eilandelijk zorgplan
1.

Het bevoegd gezag stelt samen met de bevoegde gezagsorganen die samenwerken in een samenwerkingsverband CN en met het expertisecentrum onderwijszorg indien artikel 11.16, tweede lid, van toepassing is, jaarlijks voor 1 mei een gezamenlijk eilandelijk zorgplan vast voor het daaropvolgende schooljaar.

2.

Het eilandelijk zorgplan bevat in elk geval een beschrijving van:

3.

Het eilandelijk zorgplan wordt voor 15 mei voorafgaand aan het schooljaar waarop het betrekking heeft, toegezonden aan de inspectie.

Artikel 11.18. Expertisecentrum onderwijszorg
1.

Onze Minister kan op aanvraag een rechtspersoon aanwijzen die naar zijn oordeel in staat is deskundige ondersteuning te bieden aan leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte waarin binnen de school redelijkerwijs niet kan worden voorzien en waaronder in elk geval de volgende taken worden verstaan:

2.

De rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, wordt voor de toepassing van deze wet aangeduid als expertisecentrum onderwijszorg.

3.

Een leerling die binnen een locatie van het expertisecentrum onderwijszorg wordt begeleid, blijft ingeschreven bij de school. Het bevoegd gezag van deze school blijft verantwoordelijk voor de leerling tijdens het verblijf binnen het expertisecentrum onderwijszorg. Onder deze verantwoordelijkheid valt in elk geval de zorg voor het geven van adequaat onderwijs door een leraar die daartoe bevoegd is op grond van paragraaf 2 van hoofdstuk 7.

Artikel 11.19. Overige regels expertisecentrum onderwijszorg
1.

Met inachtneming van artikel 11.57 vergoedt het bevoegd gezag voor het begeleiden van zijn leerling, bedoeld in artikel 11.18, derde lid, naar redelijkheid en indien dit naar het oordeel van het samenwerkingsverband CN nodig is, de kosten die worden gemaakt door:

2.

Per openbaar lichaam is er één expertisecentrum onderwijszorg.

3.

Het expertisecentrum onderwijszorg treft een regeling voor de behandeling van klachten over gedragingen en beslissingen van het bestuur van dit centrum of het personeel, waaronder discriminatie, dan wel het nalaten van gedragingen en het niet nemen van beslissingen door het bestuur of het personeel voor zover het betreft zijn respectievelijk hun werkzaamheden in het kader van het onderwijsproces of de deskundige ondersteuning, bedoeld in artikel 11.18, eerste lid. De artikelen 3.35 en 3.36 zijn van overeenkomstige toepassing.

4.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de taken van het expertisecentrum onderwijszorg.

Artikel 11.20. Subsidie expertisecentrum onderwijszorg
1.

Onze Minister verstrekt het expertisecentrum onderwijszorg subsidie.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over het verstrekken van subsidie aan het expertisecentrum onderwijszorg voor de taken, bedoeld in artikel 11.21, eerste lid.

3.

De titels 4.1 en 4.2 Awb en de artikelen 4, 5, 9 en 10 van de Wet overige OCW-subsidies zijn van toepassing op de subsidie.

Artikel 11.21. Toezicht expertisecentrum onderwijszorg
1.

Met het toezicht op de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 11.18, eerste lid, en voor zover van toepassing artikel 11.19 vierde lid, zijn de ambtenaren belast die bij besluit van Onze Minister zijn aangewezen.

2.

De artikelen 5:13, 5:15, 5:16, 5:17 en 5:20, eerste en tweede lid Awb zijn van overeenkomstige toepassing.

3.

Onze Minister is bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, Awb ten aanzien van het in het eerste lid bedoelde toezicht.

Artikel 11.22. Taakverwaarlozing door expertisecentrum onderwijszorg
1.

Onze Minister is bevoegd tot het treffen van noodzakelijke voorzieningen indien het expertisecentrum onderwijszorg naar het oordeel van Onze Minister zijn taken ernstig verwaarloost.

2.

Deze voorzieningen worden niet eerder getroffen dan nadat het expertisecentrum onderwijszorg in de gelegenheid is gesteld om binnen een door Onze Minister te stellen redelijke termijn alsnog zijn taken naar behoren uit te voeren.

Artikel 11.23. Grondslag bekostiging zorg voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoefte
1.

Het Rijk bekostigt scholen voor zorg voor leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld voor de uitvoering van het eerste lid.

Artikel 11.24. Gedragscode afnametaal bij toetsen en examens

De gedragscode, bedoeld in artikel 2.52, derde lid, wordt toegezonden aan de inspectie.

Artikel 11.24a. Vaststelling en wijziging examenreglement en pta

De artikelen 2.60, vierde lid, 2.60b, tweede en derde lid, zijn niet van toepassing, met dien verstande dat het bevoegd gezag de schriftelijke motivering bedoeld in artikel 2.60b, tweede lid, wel zo spoedig mogelijk aan de examencommissie zendt.

Artikel 11.25. Toepassing predicaat zeer zwak onderwijs bij aangewezen scholen

Artikel 2.68, vierde lid, is niet van toepassing.

Artikel 11.26. Staatsexamens
Artikel 11.27. Schoolplan

In afwijking van artikel 2.89, tweede lid, bevat het schoolplan een beschrijving van de wijze waarop het bevoegd gezag de uitwerking van het eilandelijk zorgplan vorm geeft.

Artikel 11.28. Zeer zwak onderwijs

De artikelen 2.94 tot en met 2.96 zijn niet van toepassing.

Artikel 11.29. Toepassing leer-werktrajecten

In afwijking van de artikelen 2.103, zesde lid, tweede volzin, en zevende lid, 2.105 en 5.45 zijn de artikelen 11.30, 11.31 en 11.58 van toepassing.

Artikel 11.30. Leer-werkovereenkomst
1.

Het buitenschoolse praktijkgedeelte van het leer-werktraject wordt verzorgd door een bedrijf of organisatie, op grondslag van een leer-werkovereenkomst die wordt gesloten door het bevoegd gezag, de betrokken leerling of diens ouders, dat bedrijf of die organisatie, en de Raad onderwijs arbeidsmarkt, die daarmee verklaart:

2.

In afwijking van Boek 7A, artikel 1613c, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek BES, is bij strijd als bedoeld in dat artikel, het eerste lid van toepassing.

Artikel 11.31. Beoordeling kwaliteit leerbedrijven
1.

Het bedrijf dat of de organisatie die het buitenschoolse gedeelte van het leer-werktraject verzorgt, draagt zorg voor de begeleiding van de leerlingen binnen het bedrijf respectievelijk de organisatie.

2.

De Raad onderwijs arbeidsmarkt draagt zorg voor een regelmatige beoordeling van bedrijven en organisaties die het buitenschoolse praktijkgedeelte verzorgen, aan de hand van de eisen, bedoeld in artikel 2.106, onderdeel a.

3.

De Raad onderwijs arbeidsmarkt draagt zorg voor openbaarmaking van een overzicht van bedrijven en organisaties met een gunstige beoordeling.

4.

Het buitenschoolse praktijkgedeelte van het leer-werktraject wordt alleen verzorgd door bedrijven en organisaties met een gunstige beoordeling.

Artikel 11.32. Vervangende voorziening voor praktijkplaats bij leer-werktraject vmbo

In artikel 2.107, tweede lid, wordt voor «het bestuur van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven» gelezen «de Raad onderwijs arbeidsmarkt».

Paragraaf 3. Wijze van toepassing hoofdstuk 3

Artikel 11.33. Samenstelling medezeggenschapsraad
1.

Aan een school is een medezeggenschapsraad verbonden.

2.

De medezeggenschapsraad van een school bestaat uit ten minste vier leden.

3.

De medezeggenschapsraad van een school bestaat uit leden die:

4.

De aantallen leden, bedoeld in het derde lid, onderdeel a en onderdeel b, zijn aan elkaar gelijk. Ook zijn de aantallen leden die worden gekozen uit en door de ouders en uit en door de leerlingen aan elkaar gelijk. Indien niet aan de tweede volzin kan worden voldaan, omdat onvoldoende ouders dan wel leerlingen bereid zijn lid te worden, kan de plaats die niet door de desbetreffende groep kan worden vervuld, worden toegedeeld aan de andere groep.

5.

Kandidaten voor de verkiezing van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door het personeel wordt gekozen, kunnen worden gesteld door personeelsleden en door organisaties van personeel. Kandidaten voor de verkiezing van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door de ouders of de leerlingen wordt gekozen, kunnen worden gesteld door ouders of leerlingen en door organisaties van ouders of leerlingen.

Artikel 11.34. Personeelsgeleding medezeggenschapsraad
1.

Indien het bevoegd gezag personeel heeft benoemd of te werk gesteld zonder benoeming dat werkzaamheden verricht voor meer dan één school, kan een medezeggenschapsraad worden ingesteld die bestaat uit leden die uit en door dat personeel worden gekozen. De medezeggenschapsraad bestaat in dat geval uit ten minste twee leden.

2.

Personen die deel uitmaken van het bevoegd gezag, kunnen geen lid zijn van de medezeggenschapsraad.

3.

Een personeelslid dat is opgedragen om namens het bevoegd gezag op te treden in besprekingen met de medezeggenschapsraad kan niet ook lid zijn van de medezeggenschapsraad.

Artikel 11.35. Lidmaatschap medezeggenschapsraad
1.

De verkiezing van de leden van de medezeggenschapsraad gebeurt bij geheime schriftelijke stemming.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gegeven over de periode waarin de verkiezing van de leden van de medezeggenschapsraad plaatsvindt.

3.

Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de leden van de medezeggenschapsraad niet uit hoofde van hun lidmaatschap van de raad worden benadeeld in hun relatie met het bevoegd gezag tot de school. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op kandidaat-leden en voormalige leden.

4.

De beëindiging anders dan op eigen verzoek van de betrekking van een lid van het personeel mag geen verband houden met de kandidaatstelling voor het lidmaatschap, het lidmaatschap of het voormalig lidmaatschap van de betrokkene van de medezeggenschapsraad. Een beëindiging van de betrekking in strijd met de eerste volzin is nietig.

5.

De medezeggenschapsraad kiest uit zijn midden een voorzitter en een of meer plaatsvervangende voorzitters. De voorzitter, of diens plaatsvervangende voorzitter, vertegenwoordigt de raad in rechte.

Artikel 11.36. Medezeggenschap
1.

Het bevoegd gezag stelt de medezeggenschapsraad ten minste tweemaal per jaar in de gelegenheid de algemene gang van zaken in de school met hem te bespreken.

2.

Het bevoegd gezag en de medezeggenschapsraad komen bijeen indien daartoe een gemotiveerd verzoek wordt gedaan door het bevoegd gezag, de vertegenwoordigers van ouders, de vertegenwoordigers van leerlingen of de vertegenwoordigers van personeel. De besprekingen kunnen namens het bevoegd gezag worden gevoerd.

Artikel 11.37. Oprichting openbare rechtspersoon, en stichting voor openbaar onderwijs; totstandkoming samenwerkingsschool
1.

In afwijking van artikel 3.4, tweede lid, en 3.10, tweede lid, kunnen een openbare rechtspersoon of een stichting voor openbaar onderwijs niet door meer dan door één openbaar lichaam worden ingesteld.

2.

In afwijking van artikel 3.22, derde lid, is van een situatie als bedoeld in dat lid, onderdeel a, sprake indien één van de betrokken scholen of scholengemeenschappen op 1 oktober van het eerste of tweede schooljaar voorafgaand aan de fusiedatum werd bezocht door zestig of minder leerlingen boven de opheffingsnorm, bedoeld in artikel 11.53.

Artikel 11.38. Fusies

De artikelen 3.30 tot en met 3.33 zijn niet van toepassing.

Artikel 11.39. Centrale dienst

Artikel 3.34 is niet van toepassing.

Artikel 11.40. Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling

Artikel 3.41 is niet van toepassing.

Artikel 11.41. Overleg onderwijsachterstandenbeleid

Artikel 3.42 is niet van toepassing.

Paragraaf 4. Wijze van toepassing hoofdstuk 4

Artikel 11.42. Toepassing nieuwe school, scholengemeenschap of profiel

In plaats van de artikelen 4.2, 4.2a, 4.3 en 4.5 tot en met 4.7 zijn de artikelen 11.44 tot en met 11.45c van toepassing.

Artikel 11.43. Nieuwe school, scholengemeenschap of nevenvestiging
1.

Onze Minister brengt een openbare of bijzondere school voor bekostiging in aanmerking indien het bevoegd gezag:

2.

Onze Minister brengt een openbare of bijzondere scholengemeenschap voor bekostiging in aanmerking indien het bevoegd gezag:

3.

Onze Minister brengt een openbare school of scholengemeenschap waarvoor een aanvraag als bedoeld in artikel 4.4, eerste of tweede lid, is ingediend voor bekostiging in aanmerking, indien voldaan is aan de verplichtingen in artikel 11.45, eerste en tweede lid en artikel 11.45a, eerste en tweede lid, met uitzondering van een document waaruit blijkt dat het openbaar lichaam van het eiland van de beoogde plaats van vestiging is gevraagd om te overleggen over het voornemen tot het doen van een aanvraag om bekostiging. Artikel 11.45c is van overeenkomstige toepassing.

4.

Onze Minister brengt een openbare of bijzondere nevenvestiging van een school voor bekostiging in aanmerking indien het bevoegd gezag:

Artikel 11.44. Toevoegen profiel vbo of school
1.

Artikel 11.43, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de bekostiging van een nieuw te vormen profiel als bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, aan een bekostigde school voor vbo.

2.

Onze Minister brengt een nieuw te vormen school die wordt toegevoegd aan een al bekostigde school of scholengemeenschap voor bekostiging in aanmerking indien het bevoegd gezag:

Artikel 11.45. Aanvraagprocedure nieuwe school, scholengemeenschap of profiel vbo
1.

Het bevoegd gezag dient voor 1 november bij Onze Minister een aanvraag in om voor bekostiging in aanmerking te brengen:

2.

Indien het bevoegd gezag het voornemen heeft om een aanvraag, bedoeld in het eerste lid, in te dienen, meldt het bevoegd gezag dit aan Onze Minister voor 1 juli voorafgaand aan die voorgenomen aanvraag. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld aan de wijze waarop deze melding plaatsvindt en kan een model voor de melding worden vastgesteld.

3.

De inspectie adviseert Onze Minister of de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 11.45a, tweede lid, onderdeel b.

4.

Onze Minister controleert of de belangstellingsmeting juist en volledig is en besluit voor 1 juni:

5.

Van de besluiten, bedoeld in het vierde en achtste lid, wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

6.

Voor uitsluitend de controle of de gegevens uit de ouderverklaringen, bedoeld in artikel 11.45b, vijfde lid, onderdeel a, juist en volledig zijn, maakt Onze Minister gebruik van het burgerservicenummer van een van de ouders en het kind waarop de ouderverklaring betrekking heeft.

7.

Onze Minister stelt op voordracht van de inspectie een kader vast waarin de werkwijze voor het advies, bedoeld in het derde lid, is vastgelegd. Deze werkwijze omvat in ieder geval een gesprek over de aanvraag met het bevoegd gezag dat de aanvraag heeft ingediend. Dit kader wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.

8.

Onze Minister kan de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, afwijzen indien de aanvraag is ingediend door een rechtspersoon, niet zijnde een openbaar lichaam, die reeds een of meer scholen of scholengemeenschappen in stand houdt en die een aanwijzing heeft ontvangen als bedoeld in artikel 3.38, eerste lid, of waarvan een of meer van de bestuurders of toezichthouders deel uitmaakte of uitmaakt van een andere rechtspersoon die een dergelijke aanwijzing heeft ontvangen, welke aanwijzing onherroepelijk is geworden en ten tijde van de aanvraag nog geen vijf jaren oud is gerekend vanaf de ontvangst van het besluit tot toepassing van artikel 3.38, eerste lid.

9.

Het bestuurscollege van de beoogde plaats van vestiging van de school, scholengemeenschap of nevenvestiging kan voor de datum, genoemd in het eerste lid, bij Onze Minister een zienswijze naar voren brengen.

Artikel 11.45a. Verplichtingen voor aanvraag bekostiging
1.

Een aanvraag als bedoeld in artikel 11.45, eerste lid, vermeldt:

2.

De aanvraag gaat vergezeld van:

3.

De aanvraag bevat tevens:

4.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld aan de wijze waarop de aanvraag plaatsvindt en kan een model voor de aanvraag worden vastgesteld.

Artikel 11.45b. Belangstellingsmeting
1.

De belangstellingsmeting wordt uitgevoerd aan de hand van hetzij:

2.

De belangstellingsmeting:

3.

Het te verwachten aantal leerlingen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt berekend overeenkomstig de formule q = (y/x *100%) * w * z, waarbij:

4.

De ouderverklaring, bedoeld in het eerste lid, heeft betrekking op één leerling in de leeftijd van 10 tot en met 12 jaar op 1 november van het kalenderjaar waarin de aanvraag wordt gedaan en wordt ingediend door de ouder van deze leerling.

5.

Het marktonderzoek, bedoeld in het eerste lid:

6.

Indien uit de belangstellingsmeting van meer dan één aanvraag blijkt dat de voedingsgebieden, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, elkaar overlappen en daardoor de som van de leerlingen voor wie belangstelling is aangetoond in het overlappende voedingsgebied groter is dan het totaal aantal leerlingen in het overlappende voedingsgebied, worden de aantallen van de leerlingen voor wie belangstelling is aangetoond in het overlappende voedingsgebied naar evenredigheid verminderd tot de som van het totaal leerlingen in het overlappende voedingsgebied voor wie belangstelling is aangetoond gelijk is aan het totaal aantal leerlingen in het overlappende voedingsgebied.

7.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld aan de uitvoering van de belangstellingsmeting over:

Artikel 11.45c. Aanvang bekostiging en vervallen aanspraak bekostiging
1.

De bekostiging vangt aan op 1 augustus.

2.

De aanspraak op bekostiging op grond van de artikelen 11.43 en 11.44 vervalt indien uiterlijk op de eerste schooldag na 1 augustus in het tweede kalenderjaar na het besluit van Onze Minister geen onderwijs aan de nieuwe school, scholengemeenschap, nevenvestiging of in het nieuwe profiel wordt gegeven.

3.

In afwijking van het tweede lid en op aanvraag van het bevoegd gezag of het openbaar lichaam van het eiland van vestiging van de school, scholengemeenschap of nevenvestiging kan Onze Minister besluiten in bijzondere gevallen de aanspraak op bekostiging voor een jaar te handhaven.

Artikel 11.46. Toepassing leerwegondersteunend onderwijs

Artikel 4.8 is niet van toepassing.

Artikel 11.47. Samenvoeging en afsplitsing
1.

Artikel 4.10, eerste lid, is niet van toepassing.

2.

Onze Minister kan voor bekostiging in aanmerking brengen:

Artikel 11.48. Toepassing verticale scholengemeenschappen

Artikel 4.11 is niet van toepassing.

Artikel 11.49. Vestigingen

In plaats van de artikelen 4.12 tot en met 4.17 zijn de artikelen 11.50 en 11.51 van toepassing.

Artikel 11.50. Nevenvestiging
1.

Aan een school of scholengemeenschap kan naast een hoofdvestiging ook een nevenvestiging zijn verbonden.

2.

Een nevenvestiging komt tot stand door:

3.

Een nevenvestiging is gelegen in hetzelfde openbaar lichaam als de hoofdvestiging.

4.

Op een nevenvestiging kan onderwijs worden verzorgd in dezelfde schoolsoorten, in dezelfde profielen als bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, en in dezelfde leerjaren als op de hoofdvestiging.

Artikel 11.51. Verplaatsing vestiging en gevolgen voor bekostigingsaanspraak

De aanspraak op bekostiging blijft bestaan indien het bevoegd gezag een vestiging van een school of scholengemeenschap binnen de grenzen van het openbaar lichaam verplaatst.

Artikel 11.52. Regionale samenwerking voorzieningenplanning

De artikelen 4.18 tot en met 4.23 en 4.26 zijn niet van toepassing.

Artikel 11.53. Opheffingsnormen
1.

De artikelen 4.24 en 4.25, tweede en derde lid, zijn niet van toepassing.

2.

Een openbare school of scholengemeenschap wordt opgeheven en de bekostiging van een bijzondere school of scholengemeenschap wordt beëindigd als de school gedurende drie achtereenvolgende schooljaren steeds is bezocht door een aantal leerlingen dat minder bedraagt dan een bij ministeriële regeling vast te stellen aantal.

3.

Bij toepassing van het tweede lid, vindt de opheffing of de beëindiging van de bekostiging plaats met ingang van de eerstvolgende datum van 1 augustus na de drie achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in dat lid.

4.

Het tweede lid blijft buiten toepassing, indien de school of scholengemeenschap nog niet wordt bekostigd gedurende het aantal jaren van de cursusduur. In afwijking van het derde lid en de eerste volzin van dit lid eindigt de bekostiging van de school of scholengemeenschap met ingang van het vierde schooljaar indien op deze school in het derde schooljaar van de bekostiging niet ten minste een bij ministeriële regeling te bepalen aantal leerlingen zijn ingeschreven.

Artikel 11.54. Toepassing cursussen

Artikel 4.28 is niet van toepassing.

Paragraaf 4. Wijze van toepassing hoofdstuk 4

Artikel 11.55. Bekostigingsregels samenwerkingsverbanden niet van toepassing

Artikel 5.1, eerste lid, en hoofdstuk 5, paragraaf 3, zijn niet van toepassing.

Artikel 11.56. Bekostiging scholen
1.

In afwijking van artikel 5.4, eerste lid, bestaat de bekostiging voor een school uit:

2.

Artikel 5.4, tweede lid, is niet van toepassing.

3.

Artikel 5.4, vierde lid, onderdeel c, is niet van toepassing. In plaats daarvan wordt de bekostiging van de scholen mede verstrekt voor kosten wegens voorschriften die zijn gegevens bij of krachtens de Ambtenarenwet BES.

4.

De artikelen 5.5 en 5.9, derde lid, zijn niet van toepassing.

5.

Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden aanvullende bekostiging kan worden toegekend.

Artikel 11.57. Aangepaste regels besteden bekostiging door bevoegd gezag
1.

Artikel 5.39, vierde lid, is niet van toepassing.

2.

Het bevoegd gezag kan de bekostiging die is verstrekt voor personeelskosten en exploitatiekosten ook besteden aan de kosten van personeel of voorzieningen in de exploitatie van:

Artikel 11.58. Subsidie Raad onderwijs arbeidsmarkt voor taken leer-werktrajecten
1.

Onze Minister kan aan de Raad onderwijs arbeidsmarkt subsidie verstrekken voor de taken, geregeld in 11.31. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de wijze van subsidiëring.

2.

De titels 4.1 en 4.2 Awb en de artikelen 4, 5, 9 en 10 van de Wet overige OCW-subsidies zijn van toepassing op de subsidie.

Artikel 11.59. Jaarverslag

Voor de toepassing van artikel 5.46, eerste lid, zijn de in dat lid genoemde voorschriften van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 6. Wijze van toepassing hoofdstuk 6

Artikel 11.60. Huisvesting

In afwijking van hoofdstuk 6 zijn de artikelen 11.61 tot en met 11.80 over huisvesting van toepassing.

Artikel 11.61. Reikwijdte van hoofdstuk 6

De artikelen 11.62 tot en met 11.80 zijn van overeenkomstige toepassing op instellingen voor voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 2.86.

Artikel 11.62. Voorziening in huisvesting door het openbaar lichaam
1.

De eilandsraad of het bestuurscollege draagt overeenkomstig deze paragraaf voor de door het openbaar lichaam in stand gehouden scholen en voor de niet door het openbaar lichaam in stand gehouden scholen zorg voor de voorzieningen in de huisvesting op het grondgebied van het openbaar lichaam.

2.

De huisvesting is zodanig dat kan worden voldaan aan de redelijke eisen die het onderwijs aan de huisvesting van scholen in het openbaar lichaam stelt. De eilandsraad of het bestuurscollege behandelt daarbij de door het openbaar lichaam in stand gehouden scholen en de andere scholen op gelijke voet.

3.

Bij algemene maatregel van bestuur worden bruto vloeroppervlakten per gelijktijdig aanwezige leerling voorgeschreven die voorzieningen in de huisvesting ten minste bevatten. Deze oppervlakten kunnen per schoolsoort verschillend worden vastgesteld.

Artikel 11.63. Voorzieningen in de huisvesting
1.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder voorzieningen in de huisvesting verstaan:

2.

De kosten van bouwvoorbereiding kunnen tot de kosten van huisvesting worden gerekend.

Artikel 11.64. Vaststelling door het bestuurscollege van bekostigingsplafond voor nieuwe voorzieningen in de huisvesting
1.

Het bestuurscollege stelt jaarlijks, na overleg met de betrokken bevoegde gezagsorganen, ten behoeve van het eerstvolgende jaar voor een door hem te bepalen tijdstip een bekostigingsplafond vast voor de bekostiging van de voorzieningen in de huisvesting voor:

2.

Het bekostigingsplafond wordt zodanig vastgesteld dat redelijkerwijs kan worden voorzien in de huisvesting van de in het eerste lid bedoelde scholen op het grondgebied van het openbaar lichaam.

Artikel 11.65. Indiening aanvraag
1.

Het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school dat een voorziening in de huisvesting wenst, dient bij het bestuurscollege een aanvraag in voor 1 september voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft.

2.

De eilandsraad stelt bij verordening de vereisten voor de aanvraag vast.

3.

Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de door het openbaar lichaam in stand gehouden scholen.

Artikel 11.66. Beschikkingen op aanvragen
1.

Het bestuurscollege beslist op de aanvraag voor 1 januari van het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft. Het bestuurscollege geeft het bevoegd gezag de gelegenheid om een onvolledige aanvraag binnen een door het bestuurscollege te stellen termijn aan te vullen.

2.

Het bestuurscollege kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, als:

3.

Indien het bekostigingsplafond, bedoeld in artikel 11.64, onvoldoende is om alle aanvragen te kunnen inwilligen, wordt de volgorde van de verlening van bekostiging bepaald op basis van de urgentie van de gevraagde voorziening.

4.

De beschikking van het bestuurscollege kan een gedeelte van de gewenste voorziening of een andere voorziening dan gewenst omvatten.

Artikel 11.67. Aanvragen met een spoedeisend karakter
1.

In afwijking van de termijnen in de artikelen 11.65 en 11.66 beslist het bestuurscollege binnen vier weken op een aanvraag voor een voorziening in de huisvesting die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden.

2.

Het bestuurscollege wijst de aanvraag af indien:

Artikel 11.68. Weigeringsgronden
1.

Een voorziening in de huisvesting wordt alleen geweigerd als:

2.

Een voorziening in de huisvesting kan ook worden geweigerd, indien de voorziening als gevolg van het verwijtbaar nalaten van noodzakelijk onderhoud in een slechte bouwkundige staat verkeert of indien de voorziening nodig is voor herstel van schade die is veroorzaakt door schuld of toedoen van het bevoegd gezag.

Artikel 11.69. Tijdstip aanvang bekostiging; vervallen aanspraak op bekostiging
1.

Het bestuurscollege beslist met ingang van welk tijdstip de bekostiging van een voorziening daadwerkelijk kan beginnen, onverminderd artikel 11.70.

2.

De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt, als niet binnen een bij de beschikking te bepalen termijn een bouwopdracht is gegeven voor de voorziening, of een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is gesloten.

Artikel 11.70. Toetsing in verband met wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden

Voorzieningen komen voor bekostiging in aanmerking op voorwaarde dat op het tijdstip, bedoeld in artikel 11.69, eerste lid,:

Artikel 11.71. Bouwheerschap
1.

Het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school geeft opdracht om de voorziening in de huisvesting waartoe op grond van de artikelen 11.66 en 11.67 kan worden overgegaan, tot stand te brengen met daartoe door het openbaar lichaam beschikbaar te stellen financiële middelen, tenzij het met het bestuurscollege overeenkomt dat het openbaar lichaam deze voorziening tot stand brengt.

2.

Als het openbaar lichaam de voorziening in de huisvesting van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school tot stand heeft gebracht, worden gebouw en terrein aan het bevoegd gezag in eigendom overgedragen, tenzij het bestuurscollege en het bevoegd gezag anders overeenkomen.

3.

Als de voorziening in de huisvesting, bedoeld in het tweede lid, niet voldoet aan de eisen voor eigendomsoverdracht, geeft het bestuurscollege deze aan het bevoegd gezag in gebruik.

Artikel 11.72. Instemming met eigen bouwplannen voor een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school

Als het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school aanspraak heeft op bekostiging van een voorziening in de huisvesting, is de instemming van het bestuurscollege vereist voor de bouwplannen en begrotingen, tenzij het bevoegd gezag met het bestuurscollege overeenkomt dat het openbaar lichaam deze voorziening tot stand brengt.

Artikel 11.73. Totstandbrenging voorziening voor een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school

Het openbaar lichaam brengt een voorziening in de huisvesting van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school alleen tot stand als tussen het bestuurscollege en het bevoegd gezag overeenstemming bestaat over de bouwplannen en de wijze van uitvoering.

Artikel 11.74. Onderhoudsplicht; verbod tot vervreemding en bezwaring
1.

Het bevoegd gezag is verplicht het gebouw, het terrein en de roerende zaken waarvoor bekostiging wordt genoten, behoorlijk te gebruiken en te onderhouden.

2.

Het zonder toestemming van het bestuurscollege vervreemden of bezwaren met een zakelijk recht door het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school van gebouwen, terreinen en roerende zaken waarvoor bekostiging wordt genoten, anders dan een vervreemding op grond van artikel 3.33, is nietig.

3.

Het tweede lid is niet van toepassing op het recht van opstal voor een door het openbaar lichaam te plaatsen tijdelijke voorziening in de huisvesting op grond die eigendom is van het bevoegd gezag van de betrokken school.

Artikel 11.75. Vorderingsrecht
1.

Het bestuurscollege is bevoegd een gedeelte van een gebouw of terrein dat tijdelijk of gedurende een gedeelte van de dag niet nodig zal zijn voor de daar gevestigde school, gedurende die tijd te bestemmen als huisvesting voor een andere school, voor ander uit ‘s Rijks kas bekostigd onderwijs dat geen voortgezet onderwijs is, of voor educatie als bedoeld in de WEB BES, dan wel voor andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Het voorgenomen gebruik dient zich te verdragen met het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school. Het bestuurscollege is daarnaast bevoegd om een gebouw of terrein, of een gedeelte daarvan dat is bedoeld voor onderwijs in lichamelijke opvoeding of expressie-activiteiten, maar daarvoor tijdelijk een deel van de dag of helemaal niet nodig is, gedurende die tijd beschikbaar te stellen als huisvesting voor een andere school, voor ander uit ‘s Rijks kas bekostigd onderwijs dat geen voortgezet onderwijs is, voor educatie als bedoeld in de WEB BES of voor andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Het bestuurscollege is bevoegd een sportterrein, buiten de tijden dat het terrein voor het voortgezet onderwijs wordt gebruikt, te bestemmen voor culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden, op zodanige wijze dat het zich verdraagt met het onderwijs dat op het terrein wordt gegeven.

2.

Als het gebouw of terrein in gebruik is voor een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school, voert het bestuurscollege vooraf overleg met het bevoegd gezag en, voor zover van toepassing, ook met het bevoegd gezag van de andere school of nevenvestiging waarvoor de huisvesting is bestemd.

Artikel 11.76. Verhuur en medegebruik gebouw of terrein
1.

Voor zover artikel 11.75 geen toepassing vindt, kan het bevoegd gezag een gedeelte van een gebouw of terrein in gebruik geven ten behoeve van uit ‘s Rijks kas bekostigd onderwijs of voor andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Als een gedeelte van een gebouw of terrein niet nodig is voor uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs, kan het bevoegd gezag dat gedeelte verhuren aan een derde. Voorwaarde is dat het gehuurde niet bestemd zal zijn als woon- of bedrijfsruimte in de zin van de vijfde en zesde afdeling van titel 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Als het een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school betreft, is voor verhuur toestemming van het bestuurscollege vereist.

2.

Een ingebruikgeving of verhuur op grond van het eerste lid eindigt:

3.

Een ingebruikgeving of verhuur op grond van het eerste lid vindt niet plaats als het voorgenomen gebruik zich niet verdraagt met het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school.

4.

Artikel 230a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing op een ingebruikgeving en verhuur op grond van het eerste lid.

5.

Nietig is:

Artikel 11.77. Voorziening niet ten laste van het openbaar lichaam

Voorzieningen aan gebouwen of terreinen in verband met verhuur op grond van de artikelen 11.76 of 11.78 door het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school komen niet ten laste van het openbaar lichaam.

Artikel 11.78. Einde gebruik gebouw of terrein door niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school
1.

Het bestuurscollege en het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school dat eigenaar is van het gebouw en terrein kunnen in een gezamenlijke akte verklaren dat het bevoegd gezag blijvend heeft opgehouden of blijvend zal ophouden het gebouw of terrein of een voor eigendomsoverdracht vatbaar gedeelte daarvan, voor de school te gebruiken.

2.

Bij toepassing van het eerste lid stellen het bestuurscollege en het bevoegd gezag van de betrokken school gezamenlijk vast of voorzieningen in een slechte bouwkundige staat verkeren als gevolg van het verwijtbaar nalaten van noodzakelijk onderhoud. Als dat het geval is, worden de daarmee gemoeide kosten verrekend.

3.

De eilandsraad en het bevoegd gezag van de niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school treffen gezamenlijk een voorziening voor het beslechten van geschillen bij de toepassing van het tweede lid.

4.

De Rijksvertegenwoordiger kan in geval van een geschil over de toepassing van het eerste lid op verzoek besluiten dat het bevoegd gezag blijvend heeft opgehouden dan wel blijvend zal ophouden het gebouw of terrein of een voor eigendomsoverdracht vatbaar gedeelte daarvan, voor de school te gebruiken. Zowel het bestuurscollege als het bevoegd gezag van de school kunnen de Rijksvertegenwoordiger verzoeken een besluit te nemen.

5.

Het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school dat voornemens is gebouwen of terreinen, of een gedeelte daarvan, blijvend niet meer voor de school te gebruiken, meldt dit onverwijld aan het bestuurscollege.

6.

Zodra de in het eerste lid bedoelde akte door beide partijen is getekend, het in het vierde lid bedoelde besluit van de Rijksvertegenwoordiger onherroepelijk is geworden, of in beroep is bepaald dat de uitspraak van de rechter in de plaats treedt van het vernietigde besluit, wordt de akte, het onherroepelijk geworden besluit respectievelijk de uitspraak, ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES. Door de inschrijving verkrijgt het openbaar lichaam de eigendom.

7.

Het bestuurscollege en het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school dat eigenaar is van het schoolgebouw, kunnen in een gezamenlijke akte verklaren dat een gedeelte van het gebouw dat niet vatbaar is voor eigendomsoverdracht, blijvend niet meer voor het onderwijs nodig zal zijn.

8.

De Rijksvertegenwoordiger kan in geval van een geschil over de toepassing van het zevende lid op verzoekbesluiten dat een gedeelte van het gebouw dat niet vatbaar is voor eigendomsoverdracht, blijvend niet meer voor het onderwijs nodig zal zijn. Zowel het bestuurscollege als het bevoegd gezag van de school kunnen de Rijksvertegenwoordiger verzoeken om een besluit te nemen. Voordat hij een besluit neemt, hoort de Rijksvertegenwoordiger de wederpartij.

9.

Zodra de in het zevende lid bedoelde akte door beide partijen is getekend, het in het achtste lid bedoelde besluit van de Rijksvertegenwoordiger onherroepelijk is geworden, of in beroep is bepaald dat de uitspraak van de rechter, die een beslissing inhoudt als bedoeld in het achtste lid, eerste volzin, in de plaats treedt van het vernietigde besluit, kan het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school het desbetreffende gedeelte van het gebouw met toestemming van het bestuurscollege verhuren.

10.

De toestemming, bedoeld in het negende lid, wordt verleend voor een tijdvak van ten hoogste drie jaren. Op verzoek van het bevoegd gezag kan dit tijdvak steeds worden verlengd met een termijn van ten hoogste drie jaren.

11.

Artikel 230a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing op een verhuur als bedoeld in het negende lid.

Artikel 11.79. Jaarlijks bedrag voor huisvestingskosten van niet door het openbaar lichaam in stand gehouden scholen

In afwijking van deze paragraaf kan de eilandsraad besluiten dat jaarlijks een bedrag voor huisvestingskosten wordt betaald aan het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school, voor zover die op het grondgebied van dat openbaar lichaam in stand wordt gehouden. De eilandsraad neemt dat besluit in overeenstemming met het bevoegd gezag.

Artikel 11.80. Informatieverstrekking aan het bestuurscollege

Het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school verschaft aan de eilandsraad respectievelijk het bestuurscollege alle inlichtingen die de eilandsraad respectievelijk het bestuurscollege voor een adequate uitvoering van de bepalingen in deze paragraaf noodzakelijk achten.

Paragraaf 7. Wijze van toepassing hoofdstuk 7

Artikel 11.81. Centrale directie

Artikel 7.4 is niet van toepassing.

Artikel 11.82. Beroep van leraar

Artikel 7.8 is niet van toepassing.

Artikel 11.83. Bijhouden geordend geheel personeelsgegevens

In afwijking van artikel 7.20, eerste lid, heeft de verplichting die daarin is geregeld voor het bevoegd gezag om geordende bekwaamheidsgegevens bij te houden, ook betrekking op de leraren.

Artikel 11.85. Rechtspositieregeling personeel
1.

Artikel 7.34 is niet van toepassing.

2.

De Ambtenarenwet BES en de bepalingen die daarop berusten zijn voor het personeel van een school voor bijzonder onderwijs van overeenkomstige toepassing.

3.

Voor de salarissen en toelagen van het personeel wordt een regeling vastgesteld bij eilandsbesluit.

4.

Het bestuurscollege stelt de regeling of een wijziging daarvan pas vast nadat daarover op overeenstemming gericht overleg is gevoerd met de bevoegde gezagsorganen en met de onderwijsvakbonden of, bij het ontbreken daarvan, met een representatief te achten vertegenwoordiging van het personeel.

5.

Artikel 101 van de Ambtenarenwet BES is niet van toepassing op de vaststelling of wijziging van de regeling.

Artikel 11.86. Georganiseerd overleg

Artikel 7.35 is niet van toepassing.

Artikel 11.87. Disciplinaire maatregel, schorsing en ontslag door Rijksvertegenwoordiger

In afwijking van artikel 7.37 legt de Rijksvertegenwoordiger de disciplinaire straf of de schorsing op of verleent hij het ontslag, als het gaat om een rector, een directeur, een conrector, een adjunct-directeur of een leraar van een openbare school, die ook lid is van de eilandsraad van het openbaar lichaam dat de school in stand houdt.

Artikel 11.87a. Akte van benoeming
1.

Ieder personeelslid van een bijzondere school is in het bezit van een door het bevoegd gezag en hemzelf getekende akte van benoeming.

2.

De akte van benoeming bevat ten minste bepalingen van gelijke inhoud als de bepalingen die zijn vastgesteld in artikel 8 van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES.

Artikel 11.87b. Afschriften bewijsstukken

Artikel 7.37a is niet van toepassing.

Paragraaf 8. Wijze van toepassing hoofdstuk 8

Artikel 11.89. Toelating

Vervallen

Artikel 11.90. Aanmelding
1.
2.

Artikel 8.8, vierde en vijfde lid, is ook van toepassing op openbare scholen.

Artikel 11.91. Toepassing toelating leerlingen die extra ondersteuning behoeven

Artikel 8.9 is niet van toepassing.

Artikel 11.92. Toepassing te verstrekken gegevens bij toelating

In plaats van artikel 8.10 is artikel 11.93 van toepassing.

Artikel 11.93. Te verstrekken gegevens bij toelating
1.

Het bevoegd gezag laat een leerling pas toe tot de school nadat de ouders de volgende gegevens van de leerling hebben verstrekt aan het bevoegd gezag:

2.

De gegevens worden overgelegd door middel van een document dat van overheidswege is verstrekt, waarin de betreffende gegevens zijn opgenomen.

3.

Indien de ouders of, indien de leerling meerderjarig is, de leerling aannemelijk maakt dat geen persoonsgebonden nummer BES van de leerling kan worden overgelegd, meldt het bevoegd gezag binnen twee weken na het besluit tot toelating aan Onze Minister de beschikbare gegevens van de leerling, zijn adres en zijn woonplaats.

4.

Onze Minister verstrekt binnen acht weken na ontvangt van de melding het administratienummer of het onderwijsnummer van de leerling aan het bevoegd gezag.

Artikel 11.94. Toepassing tijdelijke plaatsing

Artikel 8.13 is niet van toepassing.

Artikel 11.95. Toepassing verwijdering
1.

Artikel 8.15, vierde en vijfde lid, is ook van toepassing op openbare scholen.

Artikel 11.96. Toepassing bestrijding voortijdig schoolverlaten

In afwijking van de artikelen 8.19 tot en met 8.27 is artikel 11.97 van toepassing.

Artikel 11.97. Bestrijding voortijdig schoolverlaten
1.

Het bevoegd gezag doet onverwijld opgave aan het bestuurscollege van het openbaar lichaam waar de betrokkene woon- of verblijfplaats heeft van de gegevens van degene:

2.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de toepassing van het eerste lid.

3.

Bij de verwerking van gegevens als bedoeld in dit artikel, wordt het persoonsgebonden nummer BES van de betrokkene gebruikt.

4.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze waarop gegevens op grond van het eerste lid worden verstrekt en worden die gegevens nader gespecificeerd.

5.

Voor zover het verstrekken van persoonsgegevens nodig is voor de informatieverstrekking over de achtergronden van het verzuim, kunnen de gegevens die worden verstrekt op grond van het eerste lid persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens BES omvatten. Daarvan zijn persoonsgegevens over ras, politieke gezindheid, seksueel leven of het lidmaatschap van een vakvereniging, uitgezonderd.

Artikel 11.98. Gegevensverstrekking leerlingen die naar verwachting overstappen naar het middelbaar beroepsonderwijs

Artikel 8.31 is niet van toepassing.

Paragraaf 9. Wijze van toepassing Wet administratieve rechtspraak BES

Artikel 11.99. Beroep en termijn beschikking
1.

In afwijking van artikel 7, eerste lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES kan een belanghebbende beroep instellen bij het Gemeenschappelijke Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba tegen een besluit op grond van de artikelen 4.4, 4.9, 4.10, 4.17, 4.24, 4.25, 5.10, 5.37, 10.1, 11.43, 11.44, 11.45, 11.45c, 11.47 en 11.50. De artikelen 54 en 55 van de Wet administratieve rechtspraak BES zijn van overeenkomstige toepassing.

2.

Indien een beschikking niet kan worden gegeven binnen de termijn, bedoeld in de artikelen 2.67, tweede lid, 4.25, vierde lid, 5.10, derde lid, 9.3, derde lid, of 11.45, vierde lid, of gesteld bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 5.47, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.

Hoofdstuk 12. Invoerings- en overgangsrecht

Paragraaf 1. Invoeringsrecht WVO 2020

Artikel 12.1. Omzetting lopende aanvragen toelating tot praktijkonderwijs

Aanvragen voor de toelaatbaarheid tot praktijkonderwijs op grond van artikel 10g, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals dat artikel luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop die wet is vervallen, waarop bij inwerkingtreding van deze wet nog niet definitief is beslist, worden aangemerkt als te zijn ingediend op grond van artikel 2.30, tweede lid.

Artikel 12.2. Omzetting lopende aanvragen tot het zijn aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs

Aanvragen tot het zijn aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs op grond van artikel 10e, vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals dat artikel luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop die wet is vervallen, waarop bij inwerkingtreding van deze wet nog niet definitief is beslist, worden aangemerkt als te zijn ingediend op grond van artikel 2.43, eerste lid.

Artikel 12.3. Omzetting lopende aanvragen tot aanwijzing school met examenbevoegdheid

Aanvragen om te worden aangewezen als school met examenbevoegdheid op grond van artikel 56, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 112, derde lid, van de Wet voortgezet onderwijs BES, beide zoals luidend onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop die wetten zijn vervallen, waarop bij inwerkingtreding van deze wet nog niet definitief is beslist, worden aangemerkt als te zijn ingediend op grond van artikel 2.67.

Artikel 12.4. Omzetting lopende aanvragen tot aanwijzing vso-school met examenbevoegdheid

Aanvragen om te worden aangewezen als vso-school met examenbevoegdheid op grond van artikel 59a, eerste lid, in samenhang met artikel 56, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals die artikelen luidden onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop die wet is vervallen, waarop bij inwerkingtreding van deze wet nog niet definitief is beslist, worden aangemerkt als te zijn ingediend op grond van artikel 2.71, eerste lid, in samenhang met artikel 2.67.

Artikel 12.5. Handhaving erkenning leerbedrijven
1.

Bedrijven en organisaties die op de dag voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.105, beschikken over een gunstige beoordeling op grond van artikel 10b4, tweede lid, eerste volzin, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals luidend op eerstbedoelde datum, worden aangemerkt als leerbedrijven met een erkenning als bedoeld in artikel 2.105, derde lid.

2.

Bedrijven en organisaties die op de dag voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 11.31, beschikken over een gunstige beoordeling op grond van artikel 22, tweede lid, eerste volzin, van de Wet voortgezet onderwijs BES, zoals luidend op eerstbedoelde datum, behouden die gunstige beoordeling op het moment van inwerkingtreding van artikel 11.31.

Artikel 12.6. Omzetting lopende aanwijzingen in geval van wanbeheer

Een aanwijzing wegens wanbeheer, gegeven op grond van artikel 103g van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 183 van de Wet voortgezet onderwijs BES, beide zoals luidend onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop die wetten zijn vervallen, waarover bij inwerkingtreding van deze wet nog niet definitief is beslist, wordt aangemerkt als te zijn gegeven op grond van artikel 3.38, eerste lid.

Artikel 12.7. Aanspraak op bekostiging
1.

In afwijking van artikel 4.1 berust de aanspraak op bekostiging van een school of scholengemeenschap die op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel werd bekostigd op grond van de Wet op het voortgezet onderwijs of de Wet voortgezet onderwijs BES, na de inwerkingtreding van artikel 4.1 op hoofdstuk 4, paragraaf 1, en hoofdstuk 11, paragraaf 4, met dien verstande dat:

2.

De aanspraak op bekostiging van een inrichting voor voortgezet onderwijs als bedoeld in een algemene maatregel van bestuur, vastgesteld op grond van artikel 117, eerste lid, WVO BES, en van de Saba Comprehensive School, genoemd in artikel 207, onderdeel d, WVO BES berust na de inwerkingtreding van artikel 2.86 op dat artikel.

Artikel 12.8. Voorzieningenplanning
1.

Op aanvragen die op grond van titel III, afdeling I, met uitzondering van artikel 75a, of III, van de Wet op het voortgezet onderwijs of titel III, afdeling I, met uitzondering van artikel 127e, of III van de Wet voortgezet onderwijs BES zijn ingediend bij Onze Minister, waarop nog niet definitief is beslist op het tijdstip van inwerkingtreding van hoofdstuk 4, respectievelijk hoofdstuk 11, paragraaf 4, zijn de overeenkomstige regels van dat hoofdstuk, respectievelijk die paragraaf van toepassing.

2.

Besluiten van Onze Minister op grond van de Wet op het voortgezet onderwijs of de Wet voortgezet onderwijs BES tot het voor bekostiging in aanmerking brengen van een school, een afdeling voor havo, een profiel van een school voor vbo, een scholengemeenschap, een cursus of leerwegondersteunend onderwijs, worden aangemerkt als te zijn genomen op grond van de overeenkomstige bepalingen van hoofdstuk 4, respectievelijk hoofdstuk 11, paragraaf 4.

Artikel 12.9. Voortzetting dienstverband personeel
1.

Het dienstverband tussen het bevoegd gezag van een school als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs of de Wet voortgezet onderwijs BES, en een personeelslid dat op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 7.2 in dienst is bij dat bevoegd gezag wordt met ingang van die inwerkingtreding voortgezet door het bevoegd gezag van die school, voor zover:

2.

Bij voortzetting van een dienstverband als bedoeld in het eerste lid met ingang van de datum van inwerkingtreding van artikel 7.2, worden zoveel mogelijk de rechten en verplichtingen in acht genomen die onder de werking van de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES vanaf die datum in dat dienstverband zouden hebben gegolden.

Artikel 12.10. Aanvangsmoment herzieningstermijn bekwaamheidseisen leraren

De termijn van zes jaren, bedoeld in artikel 7.10, vierde lid, vangt aan op het moment waarop voor de laatste maal toepassing is gegeven aan artikel 36, zesde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 7.10.

Artikel 12.11. Invoeringsrecht benoembaarheid leidinggevend personeel en onderwijsondersteunende werkzaamheden

Degene die op het tijdstip van inwerkingtreding van bekwaamheidseisen, vastgesteld op grond van artikel 7.23, vierde lid, of 7.24, tweede lid, aan een school werkzaamheden van onderwijskundig-leidinggevende aard verricht, respectievelijk onderwijsondersteunende werkzaamheden, wordt aangemerkt als op dat tijdstip aan die bekwaamheidseisen te voldoen.

Artikel 12.12. Omzetting lopende aanvragen geschiktheidsonderzoek zij-instroom

Aanvragen tot het uitvoeren van een geschiktheidsonderzoek, op grond van artikel 118l van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 198 van de Wet voortgezet onderwijs BES, waarop bij inwerkingtreding van deze wet nog niet definitief is beslist, worden aangemerkt als te zijn ingediend op grond van artikel 7.27.

Artikel 12.13. Omzetting geschiktheidsverklaringen

Op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel nog geldige geschiktheidsverklaringen, afgegeven op grond van artikel 118k, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 197, eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs BES, gelden vanaf die inwerkingtreding als te zijn afgegeven op grond van artikel 7.28, eerste lid, indien deze verklaringen vanaf dat tijdstip geldig zouden zijn geweest.

Artikel 12.14. Omzetting bevoegdheid geschiktheidsonderzoek zij-instroom

Instellingen voor hoger onderwijs die bij inwerkingtreding van dit artikel bevoegd zijn tot het verrichten van het geschiktheidsonderzoek als bedoeld in artikel 118n van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 200 van de Wet voortgezet onderwijs BES, zoals die artikelen luidden op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 7.29, worden aangemerkt als instellingen met een erkenning als bedoeld in artikel 7.29.

Artikel 12.15. Omzetting lopende aanvragen bevoegdheid tot uitvoeren geschiktheidsonderzoek zij-instroom

Aanvragen tot het mogen uitvoeren van geschiktheidsonderzoeken, op grond van artikel 118n van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 200 van de Wet voortgezet onderwijs BES, waarop op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet nog niet definitief is beslist, worden aangemerkt als te zijn ingediend op grond van artikel 7.29.

Artikel 12.16. Omzetting melding zij-instroom

Een gedane melding onder overlegging van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 118p, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, of artikel 202, eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs BES, zoals die artikelen luidden op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel, geldt als te zijn gedaan op grond van artikel 7.32, eerste lid.

Artikel 12.17. Omzetting lopende aanvragen bevoegdheid tot uitvoeren scholing, begeleiding en bekwaamheidsonderzoek zij-instroom

Aanvragen tot het mogen uitvoeren van scholing, begeleiding en het bekwaamheidsonderzoek bij zij-instroom, op grond van artikel 118p van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 202 van de Wet voortgezet onderwijs BES, waarop bij inwerkingtreding van deze wet nog niet definitief is beslist, worden aangemerkt als te zijn ingediend op grond van artikel 7.32.

Artikel 12.18. Omzetting lopende experimenten

Algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen op grond van artikel 118t van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 205a van de Wet voortgezet onderwijs BES, met betrekking tot experimenten waarvan de duur op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 9.1 nog niet is verstreken, berusten met ingang van dat tijdstip op artikel 9.1 of, indien van toepassing, op artikel 9.2.

Artikel 12.19. Sancties

Besluiten van Onze Minister, genomen op grond van artikel 104 van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 184 van de Wet voortgezet onderwijs BES, berusten met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 10.1 op dat artikel.

Artikel 12.20. Aanvragen, bezwaren en beroepen over periode voor inwerkingtreding WVO 2020
1.

Tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald, blijven de Wet op het voortgezet onderwijs en de daarop gebaseerde algemeen verbindende voorschriften zoals deze luidden onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop die wet is vervallen, van toepassing op:

2.

Tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald, blijven de Wet voortgezet onderwijs BES en de daarop gebaseerde algemeen verbindende voorschriften zoals deze luidden onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop die wet is vervallen, van toepassing op:

Paragraaf 2. Overgangsrecht Wet voortgezet onderwijs BES

Artikel 12.21. Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 12.22. Reikwijdtebepaling hoofdstuk 12, paragraaf 2

Deze paragraaf is alleen van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Artikel 12.23. Overgangsrecht voorziening in de huisvesting in Caribisch Nederland
1.

In afwijking van de artikelen 11.62 tot en met 11.68 en met overeenkomstige toepassing van artikel 11.71 gelden tot en met een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip de voorschriften van het tweede tot en met zevende lid voor de voorziening in de huisvesting van uit ’s Rijks kas bekostigde scholen in een openbaar lichaam.

2.

Onze Minister en het bestuurscollege van het openbaar lichaam zijn tot en met een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip gezamenlijk verantwoordelijk voor de huisvesting van uit ’s Rijks kas bekostigde scholen alsmede voor de financiering daarvan.

3.

Onze Minister en het bestuurscollege van het openbaar lichaam sluiten ter invulling van de gezamenlijke verantwoordelijkheid, bedoeld in het tweede lid, namens de Staat der Nederlanden onderscheidenlijk namens het betreffende openbaar lichaam, een of meer convenanten.

4.

Overeenkomstig het convenant of de convenanten, bedoeld in het derde lid, stelt Onze Minister voor elk van de openbare lichamen een plan vast, waarin de voornemens op het terrein van de huisvesting, bedoeld in het tweede lid, alsmede de financiering daarvan, op hoofdlijnen worden beschreven.

5.

Onze Minister stelt de plannen, bedoeld in het vierde lid, vast in overeenstemming met het bestuurscollege van het openbaar lichaam en na overleg met de betreffende bevoegde gezagsorganen van de scholen.

6.

Onze Minister kan een of meer plannen, bedoeld in het vierde lid, in overeenstemming met het bestuurscollege van het betreffende openbaar lichaam, wijzigen.

7.

De plannen dan wel een wijziging daarvan, worden aan de betrokken bevoegde gezagsorganen van de scholen en in de Staatscourant bekend gemaakt.

Artikel 12.25. Benoembaarheid bevoegde leraren Caribisch Nederland

Onverminderd artikel 7.3, kunnen in afwijking van artikel 7.9, eerste lid, en artikel 7.11, eerste lid, aan scholen in een openbaar lichaam leraren worden benoemd of tewerkgesteld zonder benoeming, die op 31 juli 2011 bevoegd waren tot het geven van onderwijs op grond van de Landsverordening voortgezet onderwijs.

Artikel 12.26. Benoembaarheid leidinggevend personeel Caribisch Nederland

Onverminderd de artikelen 7.3 en 7.23 kan in afwijking van artikel 7.11, eerste lid, aan een school in een openbaar lichaam tot rector, directeur, conrector of adjunct-directeur worden benoemd of tewerkgesteld zonder benoeming degene die op 31 juli 2011, bevoegd was tot het geven van onderwijs op grond van de Landsverordening voortgezet onderwijs.

Paragraaf 3. Overgangsrecht Wet van 4 juli 1996, houdende wijziging van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, alsmede de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de decentralisatie van de huisvestingsvoorzieningen (Stb. 1996, 402)

Artikel 12.27. Vergoeding restantboekwaarde van investeringen gedaan door bevoegd gezag voor 1997, bij einde gebruik gebouw
1.

Indien artikel 6.20 toepassing vindt, vergoedt de gemeente, indien gedeelten van de gebouwen uit eigen middelen zijn bekostigd en hiervoor geen vergoeding is genoten, aan het bevoegd gezag van de desbetreffende school de restantboekwaarde van die gedeelten, voor zover het gaat om investeringen die hebben plaatsgevonden voor 1 januari 1997.

2.

De restantboekwaarde wordt vastgesteld op basis van de afschrijvingstermijn van een dertigjarige annuïtaire lening. Het bevoegd gezag dient de bekostiging uit eigen middelen aan te tonen door middel van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

3.

Deze paragraaf vervalt met ingang van 1 januari 2027.

Paragraaf 3. Overgangsrecht Wet van 4 juli 1996, houdende wijziging van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, alsmede de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de decentralisatie van de huisvestingsvoorzieningen (Stb. 1996, 402)

Artikel 12.28. Overgangsrecht voorziening verticale scholengemeenschap met vakinstelling

Artikel 6.22 is van overeenkomstige toepassing op de school of scholengemeenschap die samen met een vakinstelling als bedoeld in de WEB als verticale scholengemeenschap in de zin van de artikelen 2.6.1 en 12.2.3 van die wet is aangemerkt.

Paragraaf 4. Overgangsrecht in verband met de Wet van 29 april 2004 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met verbeteringen van uiteenlopende, voornamelijk uitvoeringstechnische aard (Stb. 2004, 216)

Artikel 12.29. Overgangsrecht bestaande bewijzen van bekwaamheid en bestaande bevoegdheden

Degene die op 1 augustus 2006 in het bezit was van een bewijs van bekwaamheid tot het geven van onderwijs ingevolge de wettelijke voorschriften zoals luidend op 31 juli 2006, wordt aangemerkt als aan de van toepassing zijnde bekwaamheidseisen voor leraren te voldoen.

Artikel 12.30. Overgangsrecht voor het geven van godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs en voor het verrichten van onderwijsondersteunende werkzaamheden daarvoor
1.

Degene die op 31 juli 2017 voor het geven van godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs aan een school is benoemd of tewerkgesteld zonder benoeming, alsmede degene die eerder al voor het geven van dat onderwijs benoemd is geweest of tewerkgesteld zonder benoeming, voldoet aan de bekwaamheidseisen voor het geven van dat onderwijs.

2.

Degene die binnen een periode van vijf jaren gerekend vanaf 1 augustus 2017 voor de eerste keer wordt benoemd of tewerkgesteld zonder benoeming voor het geven van godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs aan een school, dient binnen een periode van vijf jaren gerekend vanaf het tijdstip van die eerste benoeming of die eerste tewerkstelling zonder benoeming, te voldoen aan de bekwaamheidseisen voor het geven van dat onderwijs om belast te kunnen blijven worden met de desbetreffende werkzaamheden. Bij algemene maatregel van bestuur kan deze periode worden verlengd met een daarbij te bepalen periode indien verlenging noodzakelijk is voor een goede invoering van die bekwaamheidseisen.

3.

Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op degene die:

4.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ter uitvoering van het eerste tot en met derde lid.

Paragraaf 6. Overgangsrecht Wet van 29 mei 2006 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs inzake vervanging van de basisvorming door een nieuwe regeling voor de onderbouw (regeling onderbouw VO) (Stb. 2006, 281)

Artikel 12.31. Overgangsbepaling bevoegdheden combinatievakken

Degene die op 1 augustus 2006 op grond van artikel 9b van de Regeling bewijzen van bekwaamheid O.W.V.O., zoals luidend op 31 juli 2006, bevoegd was voor een van de in dat artikel genoemde combinaties van vakken, blijft bevoegd voor de desbetreffende combinatie.

Paragraaf 6. Overgangsrecht Wet van 29 mei 2006 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs inzake vervanging van de basisvorming door een nieuwe regeling voor de onderbouw (regeling onderbouw VO) (Stb. 2006, 281)

Artikel 12.32. Invoering onderhoudsplicht bekwaamheid

Artikel 2.90, onderdeel a, vindt, wat het onderhouden van de bekwaamheid betreft, voor een bepaalde personeelscategorie voor het eerst toepassing met ingang van het tijdstip waarop de bekwaamheidseisen voor die categorie in werking treden.

Paragraaf 7. Overgangsrecht Wet van 28 juni 2006 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de beroepen in het onderwijs onder meer in verband met het aanbrengen van enkele verbeteringen in de regels over de bekwaamheid van onderwijspersoneel zoals deze komen te luiden door de Wet op de beroepen in het onderwijs (aanpassing regels bekwaamheidseisen onderwijspersoneel) (Stb. 2006, 329)

Artikel 12.33. Overgangsrecht aanvullende personele bekostiging nevenvestigingen met spreidingsnoodzaak

Een bevoegd gezag dat op grond van de Regeling aanvullende personele bekostiging nevenvestigingen met spreidingsnoodzaak VO voor 1 augustus 2008 aanspraak had op aanvullende personele bekostiging op grond van artikel 85a van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals dat luidde op 31 juli 2008, behoudt deze aanspraak zo lang wordt voldaan aan de voorwaarden die op 31 juli 2008 waren opgenomen in die regeling.

Paragraaf 2. Overgangsrecht Wet voortgezet onderwijs BES

Artikel 12.34. Tijdelijke geschillencommissie toelating en verwijdering
1.

Er is tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip een landelijke commissie voor geschillen waarbij elke school, school als bedoeld in de WPO en school als bedoeld in de WEC is aangesloten.

2.

De commissie neemt kennis van geschillen tussen ouders en bevoegd gezag van een school die ontstaan bij de toepassing van:

3.

De commissie brengt op verzoek van de ouders binnen tien weken een oordeel uit aan het bevoegd gezag, rekening houdend met het schoolondersteuningsprofiel en het ondersteuningsplan.

4.

Indien een geschil aanhangig is gemaakt bij de commissie en de ouders bezwaar hebben gemaakt tegen de beslissing over de toelating of de verwijdering, neemt het bevoegd gezag de beslissing op bezwaar pas nadat de commissie heeft geoordeeld. De termijn voor het nemen van de beslissing op bezwaar wordt opgeschort met ingang van de dag waarop het geschil aanhangig is gemaakt bij de commissie tot de dag waarop de commissie het oordeel heeft uitgebracht.

5.

Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven met betrekking tot de commissie, waaronder in elk geval het aantal leden, de wijze van benoeming en ontslag en de deskundigheid van de leden van de commissie.

Paragraaf 9. Overgangsrecht Wet van 11 oktober 2012 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met een herziening van de organisatie en financiering van de ondersteuning van leerlingen in het basisonderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs (Stb. 2012, 533)

Artikel 12.35. Overgangsrecht Wet op de beroepen in het onderwijs inzake brede benoembaarheid leraren omgangskunde
1.

Personen die in het bezit zijn van een getuigschrift, afgegeven krachtens de WHW, waaruit blijkt dat ten aanzien van het vak omgangskunde is voldaan aan de bekwaamheidseisen die zijn vastgesteld krachtens artikel 7.10, eerste lid, zijn tevens bevoegd tot het geven van praktijkonderwijs en tot het geven van onderwijs aan groepen van uitsluitend leerlingen die zijn aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs in de vakken Nederlands, Engels, wiskunde, geschiedenis, aardrijkskunde, biologie (incl. kennis der natuur), verzorging, muziek, handvaardigheid (textiele werkvormen) en tekenen.

2.

Het eerste lid is uitsluitend van toepassing ten aanzien van personen die:

Paragraaf 10. Overgangsrecht Wet van 23 februari 2013 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES in verband met het treffen van een overgangsmaatregel ten behoeve van (oud) studenten van de lerarenopleiding omgangskunde (Stb. 2013, 120)

Artikel 12.36. Kerndoelen Friese taal en cultuur

Tot het tijdstip waarop voor het eerst kerndoelen Friese taal en cultuur in werking treden die zijn vastgesteld door provinciale staten van Fryslân volgens de procedure daarvoor in de artikelen 2.16 en 2.17, zijn in afwijking van artikel 2.16 de kerndoelen Friese taal en cultuur van toepassing zoals opgenomen in onderdeel II van de bijlage behorende bij artikel 1 bij het Besluit kerndoelen onderbouw VO, zoals dat luidde op 31 juli 2014.

Paragraaf 3. Overgangsrecht Wet van 4 juli 1996, houdende wijziging van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, alsmede de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de decentralisatie van de huisvestingsvoorzieningen (Stb. 1996, 402)

Paragraaf 13. Overgangsrecht Wet van 10 februari 2016 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs BES en enkele aanverwante wetten in verband met het invoeren van profielen in het voorbereidend beroepsonderwijs en het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, alsmede de actualisatie en flexibilisering van het beroepsgerichte deel van de examenprogramma’s in het voorbereidend beroepsonderwijs (Stb. 2016, 88)

Artikel 12.40. Overgangsrecht in verband met onderwijsvoorzieningen die op grond van een regionaal plan onderwijsvoorzieningen voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht

Vervallen

Paragraaf 13. Overgangsrecht Wet van 10 februari 2016 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs BES en enkele aanverwante wetten in verband met het invoeren van profielen in het voorbereidend beroepsonderwijs en het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, alsmede de actualisatie en flexibilisering van het beroepsgerichte deel van de examenprogramma’s in het voorbereidend beroepsonderwijs (Stb. 2016, 88)

Paragraaf 5. Overgangsrecht Wet op de beroepen in het onderwijs

Artikel 12.42. Overgangsrecht lopende aanvragen
1.

Op aanvragen die voor 1 november 2020 zijn ingediend op grond van de artikelen 67, eerste lid, en 74b, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals die artikelen luidden op 31 oktober 2020, blijft Titel III van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals die titel luidde op laatstgenoemde datum van toepassing.

2.

Op besluiten tot bekostiging waarvan de aanvraag voor 1 november 2020 is ingediend op grond van artikel 67 van de Wet op het voortgezet onderwijs blijft artikel 108 van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals dat artikel luidde op 31 oktober 2020 van toepassing.

Artikel 12.43. Overgangsrecht lopende geschillen in fase bezwaar en beroep

Geschillen die in bezwaar, beroep of hoger beroep aanhangig zijn of binnen de bezwaar- dan wel beroepstermijn dan wel verschoonbaar daarbuiten aanhangig worden gemaakt tegen besluiten van Onze Minister die zijn genomen voor 1 november 2020 op grond van de artikelen 67, vijfde en zevende lid, en 74b, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals luidend op 31 oktober 2020, worden behandeld op grond van de regelingen zoals deze golden op die datum. De eerste volzin is hangende het bezwaar, beroep of hoger beroep van overeenkomstige toepassing op de bevoegdheid tot het intrekken en vervangen van besluiten die tot de aldaar bedoelde geschillen hebben geleid.

Artikel 12.44. Overgangsrecht fusietoets
1.

Op aanvragen die voor 1 november 2020 zijn ingediend op grond van artikel 53g van de Wet op het voortgezet onderwijs blijft artikel 53h van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals dat artikel luidde op 31 oktober 2020 van toepassing.

2.

Geschillen die in bezwaar, beroep of hoger beroep aanhangig zijn of binnen de bezwaar- dan wel beroepstermijn dan wel verschoonbaar daarbuiten aanhangig worden gemaakt tegen besluiten van Onze Minister die zijn genomen voor 1 november 2020 op grond van artikel 53f van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend op 31 oktober 2020, worden behandeld op grond van de regelingen zoals deze golden op laatstgenoemde datum. De eerste volzin is hangende het bezwaar, beroep of hoger beroep van overeenkomstige toepassing op de bevoegdheid tot het intrekken en vervangen van besluiten die tot de aldaar bedoelde geschillen hebben geleid.

Paragraaf 16. Overgangsrecht Wet van 1 juli 2020 tot wijziging van onder andere de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de afschaffing van de rekentoets in het voortgezet onderwijs (afschaffing rekentoets vo) (Stb. 2020, 233)

Artikel 12.45. Overgangsrecht afschaffing rekentoets eindexamens
1.

De eindexamens omvatten voor leerlingen die geen eindexamen in het vak wiskunde afleggen een schoolexamen rekenen. Bij de vaststelling van de opgaven van dit schoolexamen worden de referentieniveaus rekenen in acht genomen die voor de desbetreffende schoolsoorten of voor dan wel binnen leerwegen zijn vastgesteld op grond van artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden omtrent dit schoolexamen nadere voorschriften vastgesteld.

3.

Dit artikel is ook van toepassing op leerlingen die het eindexamen afleggen aan een school die is aangewezen op grond van artikel 2.66.

4.

Dit artikel vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 12.46. Overgangsrecht afschaffing rekentoets staatsexamen
1.

Het staatsexamen, bedoeld in artikel 2.72, eerste lid, omvat voor kandidaten die geen staatsexamen in het vak wiskunde afleggen een college-examen rekenen. Bij de vaststelling van de opgaven van dit college-examen worden de referentieniveaus rekenen in acht genomen die voor de desbetreffende schoolsoorten of voor dan wel binnen leerwegen zijn vastgesteld op grond van artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden omtrent dit college-examen nadere voorschriften vastgesteld.

3.

Dit artikel vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Paragraaf 8. Overgangsrecht Wet van 11 juli 2008 tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs ter modernisering, vereenvoudiging en beperking van de wettelijke regels over de voorzieningenplanning bij scholen (Stb. 2008, 296)

Artikel 12.47. Overgangsrecht toegroeien naar nieuwe bekostiging
1.

De bekostiging voor de scholen van een bevoegd gezag ingaande het kalenderjaar 2022 wordt eenmalig berekend op basis van de telgegevens op 1 oktober 2021:

2.

Het verschil tussen onderdelen a en b van het eerste lid is het herverdeeleffect van een bevoegd gezag.

3.

Bij een positief of negatief herverdeeleffect voor een bevoegd gezag wordt de bekostiging voor de scholen van dat bevoegd gezag in de kalenderjaren 2022 tot en met 2025 verminderd onderscheidenlijk vermeerderd met achtereenvolgens 80%, 60%, 40% en 20% van het herverdeeleffect.

4.

Bij een herverdeeleffect voor een bevoegd gezag van tenminste 3% negatief, ontvangt het bevoegd gezag in de kalenderjaren 2022 tot en met 2025 het verschil tussen 3% negatief en het werkelijke negatieve herverdeeleffect, met dien verstande dat het bevoegd gezag niet meer ontvangt dan maximaal 100% van de berekende bekostiging, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. In het kalenderjaar 2026 ontvangt het bevoegd gezag nog eenmaal 50% van dit verschil.

5.

Het herverdeeleffect, bedoeld in het tweede lid, wordt per bevoegd gezag éénmalig vastgesteld. De bekostiging, bedoeld in het derde en vierde lid, die op grond van dit herverdeeleffect wordt vastgesteld, kan volgens bij ministeriele regeling te stellen regels worden aangepast aan loon-en prijsontwikkelingen, tenzij de toestand van ’s Rijks financiën zich daartegen verzet.

6.

Dit artikel is niet van toepassing op scholen ten aanzien waarvan door Onze Minister toepassing is gegeven aan artikel 4.25, derde lid.

7.

Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari 2027.

Hoofdstuk 13. Voorhang en evaluaties

Artikel 13.1. Voorhangprocedure
1.

De voordracht voor een krachtens artikel 2.94, vierde lid, artikel 5.9, derde lid, artikel 5.49, vijfde lid, artikel 7.46, eerste of tweede lid, artikel 8.9a, tweede lid, artikel 8.15, achtste lid, artikel 9.1, tweede lid, of artikel 9.2 vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

2.

Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het derde lid, wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp van de algemene maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de beide kamers der Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.

3.

Het tweede lid betreft algemene maatregelen van bestuur op grond van:

4.

Indien de verdeling van de kosten, bedoeld in artikel 5.33, eerste lid, onderdeel c, wordt geregeld bij ministeriële regeling, is het tweede lid van overeenkomstige toepassing.

5.

Een krachtens artikel 5.9, eerste lid, vast te stellen ministeriële regeling wordt, voor zover die betrekking heeft op aanvullende bekostiging voor geïsoleerde scholen of scholengemeenschappen, aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De ministeriële regeling wordt niet eerder vastgesteld dan vier weken na de overlegging van het ontwerp. Indien een der Kamers der Staten-Generaal besluit niet in te stemmen met het ontwerp, wordt de ministeriële regeling niet vastgesteld en kan niet eerder dan vier weken na het besluit van die Kamer der Staten-Generaal een nieuw ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal worden overgelegd.

Artikel 13.3. Evaluatie regels inzake regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten (Stb. 2001, 636)

Onze Minister zendt na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onze Minister van Justitie en Veiligheid, gerekend vanaf 1 januari 2016 telkens na vier jaar, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de artikelen 8.19 en 8.21 tot en met 8.26 in de praktijk. Uit dit verslag blijkt tevens of het voor die doeltreffendheid wenselijk moet worden geacht, de door de gemeentebesturen behaalde resultaten te betrekken bij de berekening van de hoogte van de uitkering, bedoeld in artikel 8.24, eerste lid.

Artikel 13.4. Evaluatie om niet ter beschikking stellen lesmaterialen (Stb. 2008, 206)

Onze Minister zendt, gerekend vanaf 1 augustus 2016 telkens na vier jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van de Wet van 29 mei 2008 tot wijziging van diverse onderwijswetten in verband met het door de scholen om niet ter beschikking stellen van lesmateriaal aan de leerlingen in het voortgezet onderwijs (Stb. 2008, 206). Hierin wordt in ieder geval aandacht besteed aan:

Artikel 13.5. Evaluatie beoordelen kwaliteit onderwijs (Stb. 2010, 80)

Onze Minister zendt, gerekend vanaf 1 augustus 2015, steeds na vijf jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de artikelen 2.94 en 2.95 in de praktijk.

Artikel 13.6. Evaluatie Wet zorgplicht veiligheid op school (Stb. 2015, 238)
1.

Onze Minister zendt voor zover het betreft Europees Nederland binnen vijf jaar na 1 augustus 2015 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de artikelen 2.92, tweede lid, onderdeel n, en 3.40 in de praktijk.

2.

Onze Minister zendt voor zover het betreft Caribisch Nederland binnen vijf jaar na de inwerkingtreding voor Caribisch Nederland van de artikelen 2.92 en 3.40 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de artikelen 2.92, tweede lid, onderdeel n, en 3.40 in de praktijk.

Artikel 13.7. Evaluatie Wet lerarenregister en registervoorportaal (Stb. 2017, 85)

Onze Minister zendt binnen zes jaar na 1 augustus 2017 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de artikelen 7.8 en 7.45 tot en met 7.64 in de praktijk.

Artikel 13.8. Evaluatie Wet samen sterker door vereenvoudiging samenwerkingsschool (Stb. 2017, 327)

Onze Minister zendt binnen drie jaar na 1 januari 2018 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de artikelen 3.22 tot en met 3.26 in de praktijk.

Artikel 13.9. Evaluatie Wet pseudonimiseren van het persoonsgebonden nummer van een onderwijsdeelnemer (Stb. 2017, 508)

Onze Minister zendt binnen vijf jaar na 1 februari 2018 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van artikelen 8.17, negende tot en met twaalfde lid, in de praktijk.

Artikel 13.10. Evaluatie Wet gelijke kans op doorstroom naar havo en vwo (Stb. 2020, 121)

Onze Minister zendt binnen vijf jaar na 1 augustus 2020 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van artikel 8.9a in de praktijk.

Artikel 13.11. Evaluatie Wet sterk beroepsonderwijs (Stb. 2020, 157)

Onze Minister zendt binnen vijf jaar na 1 augustus 2020 aan de Staten-Generaal een verslag van de doeltreffendheid en de effecten van de Wet van 20 mei 2020 tot wijziging van onder andere de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Leerplichtwet 1969 in verband met de versterking van het beroepsonderwijs, door het wettelijk mogelijk maken van doorlopende leerroutes vmbo-mbo (sterk beroepsonderwijs) (Stb. 2020, 157) in de praktijk, waarbij in het bijzonder aandacht wordt besteed aan de effecten van die wet op de voorkoming en bestrijding van voortijdig schoolverlaten.

Artikel 13.12. Evaluatie Wet meer ruimte voor nieuwe scholen (Stb. 2020, 160)

Onze Minister zendt na vijf, tien en vijftien jaar na 1 november 2020 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de Wet van 20 mei 2020 tot wijziging van diverse onderwijswetten door het wijzigen van de systematiek van het in aanmerking brengen voor bekostiging van nieuwe openbare en bijzondere scholen zodat er meer ruimte is voor een nieuw onderwijsaanbod (Wet meer ruimte voor nieuwe scholen) (Stb. 2020, 160) in de praktijk. Daarbij wordt in ieder geval gelet op de effecten op de segregatie.

Artikel 13.13. Evaluatie Wet tot wijziging van diverse onderwijswetten teneinde te verbieden dat leerlingen van ouders die geen vrijwillige geldelijke bijdrage hebben voldaan worden buitengesloten van activiteiten (Stb. 2020, 318)

Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media zendt binnen drie jaar na 1 augustus 2021 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de artikelen 2.92, eerste lid, onderdeel f, en 8.32 in de praktijk.

Artikel 13.14. Evaluatie Wet vereenvoudiging grondslagen bekostiging vo-scholen (Stb. 2020, 437)

Onze Minister zendt binnen vijf jaar na 1 oktober 2021, en vervolgens telkens na vier jaar, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de artikelen 5.4 tot en met 5.10, 5.25, 5.27, 5.28 en 11.56 in de praktijk.

Hoofdstuk 14. Slotbepalingen

Artikel 14.1. Intrekking WVO en WVO BES
1.

De Wet op het voortgezet onderwijs wordt ingetrokken.

2.

De Wet voortgezet onderwijs BES wordt ingetrokken.

Artikel 14.2. Inwerkingtreding

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan en voor het Europese deel van Nederland en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 14.3. Horizonbepaling tijdelijke onderwijsvoorziening
2.

Bij koninklijk besluit kan voor de in het eerste lid genoemde paragraaf of onderdelen daarvan worden bepaald dat zij op een eerder of later tijdstip vervallen.

3.

De voordracht voor een koninklijk besluit als bedoeld in het tweede lid wordt niet eerder gedaan dan twee weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd. Indien een der Kamers der Staten-Generaal binnen die termijn besluit niet in te stemmen met dat ontwerp, wordt ten aanzien van dat ontwerp geen voordracht gedaan. Een besluit als bedoeld in de vorige zin kan worden genomen op voorstel van een of meer leden van een der Kamers der Staten-Generaal.

Artikel 14.4. Uitfasering tijdelijke onderwijsvoorziening
1.

Na het vervallen van artikel 9.5 regelt het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk dat de leerlingen van de tijdelijke onderwijsvoorziening doorstromen naar een school.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen na het vervallen van artikel 9.5, regels worden gesteld over de wijze waarop een tijdelijke onderwijsvoorziening wordt opgeheven en binnen welke termijn.

3.

De artikelen 9.6 en 9.10 zoals die luidden na de inwerkingtreding van artikel II, onderdeel hoofdstuk 9, paragraaf 3, zijn van overeenkomstige toepassing op de ministeriële regeling bedoeld in het tweede lid.

4.

De ministeriële regeling, bedoeld in het tweede lid, wordt niet eerder vastgesteld dan twee weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

5.

Dit artikel vervalt op een bij koninklijk besluit bepaald tijdstip.

Artikel 14.5. Citeertitel

Deze wet wordt aangehaald als: Wet voortgezet onderwijs, met vermelding van het jaartal van het Staatsblad waarin zij zal worden geplaatst.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 3.38a. Spoedaanwijzing
1.

Onze Minister kan het bevoegd gezag een spoedaanwijzing tot het nemen van een of meer voorlopige maatregelen geven, indien:

2.

Onze Minister motiveert in de spoedaanwijzing waarom het doel van de spoedaanwijzing niet met een minder zwaar middel kan worden bereikt.

3.

De spoedaanwijzing vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd.

4.

De spoedaanwijzing bepaalt de duur waarvoor zij geldt. Deze geldigheidsduur bedraagt ten hoogste zes maanden. Onze Minister kan de geldigheidsduur eenmalig verlengen met ten hoogste zes maanden. Op een verlengingsbesluit is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

5.

Voordat Onze Minister een spoedaanwijzing geeft heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld in artikel 11 of artikel 15 van de Wet op het onderwijstoezicht verricht en daarover een inspectierapport uitgebracht als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht, waaruit volgt dat is voldaan aan de vereisten, bedoeld in het eerste lid.

6.

Onze Minister informeert de beide Kamers der Staten-Generaal onverwijld nadat toepassing is gegeven aan het eerste lid.

7.

Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een door Onze Minister te geven spoedaanwijzing aan een samenwerkingsverband.

Paragraaf 10. Veiligheid

Paragraaf 11. Overige bepalingen

Artikel 3.43. Verzending berichten aan bevoegd gezag

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Hoofdstuk 4. Voorzieningenplanning

Paragraaf 1. Aanspraak op bekostiging

Paragraaf 2. Vestigingen

Paragraaf 3. Regionale samenwerking voorzieningenplanning

Paragraaf 4. Beëindiging van de bekostiging

Paragraaf 5. Overige bepalingen

Hoofdstuk 5. Bekostiging en verantwoording

Paragraaf 1. Algemene bepalingen bekostiging

Paragraaf 2. Grondslag bekostiging personeel en exploitatie scholen

Paragraaf 3. Grondslag bekostiging personeel en exploitatie samenwerkingsverbanden

Paragraaf 4. Rol gemeente

Paragraaf 5. Vaststellen, verstrekken en betalen

Paragraaf 6. Overige voorschriften bekostiging

Paragraaf 8. Overige uitvoeringsregels

Hoofdstuk 6. Huisvesting

Paragraaf 1. Algemeen

Paragraaf 2. Bekostigingsplafond; programma huisvestingsvoorzieningen; overzicht

Paragraaf 4. Bouwen

Paragraaf 5. Bijzondere bepalingen gebruik

Paragraaf 6. Doordecentralisatie; verticale scholengemeenschappen; informatie

Hoofdstuk 7. Personeel

Paragraaf 1. Algemeen

Paragraaf 2. Verantwoordelijkheid, bekwaamheid en bevoegdheid van leraren

Paragraaf 3. Voorwaarden voor tijdelijke benoeming van de onbevoegde, onderbevoegde of andersbevoegde leraar

Paragraaf 4. Voorwaarden voor benoeming van leidinggevend en onderwijsondersteunend personeel

Paragraaf 6. Zij-instroom in het beroep

Paragraaf 7. Rechtspositie personeel

Paragraaf 8. Stages

Paragraaf 10. Lerarenregister

Paragraaf 11. Registervoorportaal

Hoofdstuk 8. Deelname

Paragraaf 1. Algemeen

Paragraaf 2. Gebruik persoonsgebonden nummer

Paragraaf 3. Bestrijding voortijdig schoolverlaten en volgen van jongeren in een kwetsbare positie

Paragraaf 4. Overige regels

Hoofdstuk 9. Experimenten, bijzondere inrichting en tijdelijke onderwijsvoorzieningen bij massale toestroom ontheemden

Paragraaf 1. Experimenten

Paragraaf 2a. Nieuwkomersonderwijs

Hoofdstuk 11. Caribisch Nederland

Paragraaf 1. Algemeen

Paragraaf 2. Wijze van toepassing hoofdstuk 2

Paragraaf 3. Wijze van toepassing hoofdstuk 3

Paragraaf 4. Wijze van toepassing hoofdstuk 4

Paragraaf 5. Wijze van toepassing hoofdstuk 5

Paragraaf 6. Wijze van toepassing hoofdstuk 6

Paragraaf 7. Wijze van toepassing hoofdstuk 7

Paragraaf 8. Wijze van toepassing hoofdstuk 8

Paragraaf 9. Wijze van toepassing Wet administratieve rechtspraak BES

Hoofdstuk 12. Invoerings- en overgangsrecht

Paragraaf 1. Invoeringsrecht WVO 2020

Paragraaf 2. Overgangsrecht Wet voortgezet onderwijs BES

Paragraaf 5. Overgangsrecht Wet op de beroepen in het onderwijs

Paragraaf 4. Overgangsrecht in verband met de Wet van 29 april 2004 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met verbeteringen van uiteenlopende, voornamelijk uitvoeringstechnische aard (Stb. 2004, 216)

Paragraaf 14. Overgangsrecht Wet van 19 augustus 2017 tot wijziging van diverse onderwijswetten in verband met de vereenvoudiging van de vorming van samenwerkingsscholen (Wet samen sterker door vereenvoudiging samenwerkingsschool) (Stb. 2017, 327)

Paragraaf 15. Overgangsrecht Wet van 20 mei 2020 tot wijziging van diverse onderwijswetten door het wijzigen van de systematiek van het in aanmerking brengen voor bekostiging van nieuwe openbare en bijzondere scholen zodat er meer ruimte is voor een nieuw onderwijsaanbod (Wet meer ruimte voor nieuwe scholen) (Stb. 2020, 160)

Paragraaf 16. Overgangsrecht Wet van 1 juli 2020 tot wijziging van onder andere de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de afschaffing van de rekentoets in het voortgezet onderwijs (afschaffing rekentoets vo) (Stb. 2020, 233)

Paragraaf 9. Overgangsrecht Wet van 11 oktober 2012 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met een herziening van de organisatie en financiering van de ondersteuning van leerlingen in het basisonderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs (Stb. 2012, 533)

Hoofdstuk 13. Voorhang en evaluaties

Hoofdstuk 14. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 9.3a. Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 9.3b. Reikwijdte

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder nieuwkomer tevens verstaan een jongere in de zin van de Leerplichtwet 1969 die vier jaren of korter in Nederland is en om die reden de Nederlandse taal onvoldoende beheerst om in het voortgezet onderwijs in te stromen.

Artikel 9.3c. Overlegplicht voldoende onderwijs voor nieuwkomers
1.

Het college van burgemeester en wethouders voert ten minste jaarlijks overleg met de bevoegde gezagen van alle scholen in de gemeente en draagt zorg voor het maken van afspraken over de wijze waarop:

2.

Alle partijen werken mee aan de totstandkoming van de afspraken en de uitvoering hiervan.

Artikel 9.3d. Verzoek inrichting tijdelijke nieuwkomersvoorziening
1.

Onze Minister kan op verzoek van het college van burgemeester en wethouders toestemming verlenen voor de inrichting van een tijdelijke nieuwkomersvoorziening door de bevoegde gezagen van de scholen in de gemeente.

2.

De toestemming wordt alleen verleend indien aannemelijk is dat:

3.

De toestemming vervalt indien niet binnen acht weken melding is gemaakt van de inrichting van een tijdelijke nieuwkomersvoorziening.

4.

Onze Minister verbindt een termijn aan het bestaan van de tijdelijke nieuwkomersvoorziening. Onze Minister kan deze termijn verlengen. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op het besluit tot verlenging.

Artikel 9.3e. Ambtshalve besluit minister inrichting tijdelijke nieuwkomersvoorzieningen
1.

Onze Minister kan besluiten dat de bevoegde gezagen van de scholen in een gemeente binnen vier weken voorzien in voldoende onderwijsplaatsen voor nieuwkomers door de inrichting van een tijdelijke nieuwkomersvoorziening.

2.

Het besluit tot inrichting van een tijdelijke nieuwkomersvoorziening wordt uitsluitend genomen, indien:

3.

Het besluit tot inrichting van een tijdelijke nieuwkomersvoorziening kan ook betrekking hebben op het bevoegd gezag van een school in een aangrenzende gemeente:

4.

Artikel 9.3d, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

5.

Het besluit tot inrichting van tijdelijke nieuwkomersvoorzieningen wordt gepubliceerd in de Staatscourant.

Artikel 9.3f. Regierol en taak college burgemeester en wethouders
1.

Het college van burgemeester en wethouders maakt ter uitvoering van het besluit bedoeld in artikel 9.3e, eerste lid onverwijld afspraken met de bevoegde gezagen van alle scholen voor voortgezet onderwijs in de gemeente over de inrichting van een tijdelijke nieuwkomersvoorziening.

2.

Indien op grond van artikel 9.3e, derde lid, het bevoegd gezag van een school voor voortgezet onderwijs in een aangrenzende gemeente is aangewezen, maakt:

3.

In het geval de afspraken, bedoeld in het eerste en tweede lid, onderdeel b niet tot stand komen, wijst het college van burgemeester en wethouders een bevoegd gezag aan, niet zijnde het college van burgermeester en wethouders, dat onverwijld een tijdelijke nieuwkomersvoorziening inricht voor een school voor voortgezet onderwijs die het bevoegd gezag in die gemeente in stand houdt.

4.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de toestemming, bedoeld in artikel 9.3d, eerste lid.

5.

Een tijdelijke nieuwkomersvoorziening kan niet worden verbonden aan een school waarvan de kwaliteit van het onderwijs zeer zwak is als bedoeld in artikel 2.94, eerste en derde lid.

6.

Alle partijen werken mee aan de totstandkoming van de afspraken, bedoeld in het eerste en tweede lid, en de uitvoering van de afspraken.

Artikel 9.3g. Tijdelijke nieuwkomersvoorziening
1.

Het onderwijs in een tijdelijke nieuwkomersvoorziening is gericht op de zo spoedig mogelijke doorstroom van de leerling.

2.

Een leerling volgt niet langer dan twee jaren onderwijs aan een tijdelijke nieuwkomersvoorziening of een tijdelijke onderwijsvoorziening als bedoeld in artikel 9.5.

3.

Het bevoegd gezag plaatst een leerling alleen in een tijdelijke nieuwkomersvoorziening als:

4.

In afwijking van het tweede of derde lid kan het bevoegd gezag een nieuwkomer onderwijs laten volgen aan een tijdelijke nieuwkomersvoorziening indien:

5.

Het bevoegd gezag meldt de afwijking, bedoeld in het vierde lid, onverwijld aan Onze Minister.

Artikel 9.3h. Inrichting en melding van een tijdelijke nieuwkomersvoorziening
1.

Het bevoegd gezag meldt de inrichting van een tijdelijke nieuwkomersvoorziening onverwijld aan Onze Minister.

2.

Na een melding als bedoeld in het eerste lid, zendt het bevoegd gezag binnen acht weken een inrichtingsplan aan Onze Minister.

3.

Het inrichtingsplan, bedoeld in het tweede lid, bevat in ieder geval een beschrijving van:

4.

Bij de inrichting van het onderwijs wijkt het bevoegd gezag niet af van het inrichtingsplan.

5.

Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de wijziging van het inrichtingsplan.

6.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de melding, bedoeld in het eerste lid, en over het inrichtingsplan, bedoeld in het derde lid.

Artikel 9.3i. Onderwijsprogramma
1.

Het bevoegd gezag stelt voor de tijdelijke nieuwkomersvoorziening de inhoud van het onderwijs vast in een onderwijsprogramma waarbij kan worden afgeweken van hoofdstuk 2, paragrafen 1 tot en met 3, met dien verstande dat het onderwijsprogramma in ieder geval:

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het aantal uren dat ten minste aan het onderwijsprogramma moet worden besteed.

Artikel 9.3j. Tijdelijke nieuwkomersvoorziening als tijdelijke nevenvestiging
1.

Een tijdelijke nieuwkomersvoorziening kan geen nevenvestiging zijn als bedoeld in artikel 4.14.

2.

Een tijdelijke nieuwkomersvoorziening kan een tijdelijke nevenvestiging als bedoeld in artikel 4.16, eerste lid, zijn, met dien verstande dat, in afwijking van artikel 4.16:

3.

In afwijking van artikel 4.17 blijft de aanspraak op bekostiging van een tijdelijke nieuwkomersvoorziening die tevens een tijdelijke nevenvestiging is ook bestaan als de afstand als bedoeld in dit artikel groter is dan drie kilometer.

Artikel 9.3k. Onderwijspersoneel
1.

Indien een vacature voor het geven van onderwijs in een tijdelijke nieuwkomersvoorziening niet kan worden vervuld door de benoeming van een bevoegde leraar als bedoeld in artikel 7.9, kan het onderwijs niet langer dan strikt noodzakelijk, in afwijking van paragraaf 2 van hoofdstuk 7, ook worden gegeven door iemand die voor dat onderwijs niet bevoegd is.

2.

Het bevoegd gezag draagt zorg voor schriftelijke afspraken met degene, bedoeld in het eerste lid, waarin wordt vastgelegd op welke wijze het bevoegd gezag betrokkene ondersteunt om zo snel mogelijk te voldoen aan de eisen opgenomen in hoofdstuk 7, paragrafen 2 en 3.

3.

Het bevoegd gezag legt ten aanzien van elke leraar in een tijdelijke nieuwkomersvoorziening vast over welke opleiding en ervaring degene die benoemd wordt beschikt.

Artikel 9.3l. Regels over de inrichting

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, zo nodig in afwijking van hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald, voor een tijdelijke nieuwkomersvoorziening regels worden gesteld over:

Artikel 9.3m. Regels over de opheffing
1.

Het bevoegd gezag voorziet in de doorstroom van leerlingen voordat de termijn voor het inrichten van nieuwkomersvoorzieningen, bedoeld in artikel 9.3d, vierde lid, is verstreken.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop een tijdelijke nieuwkomersvoorziening wordt opgeheven.

Artikel 9.3n. Horizonbepaling tijdelijke nieuwkomersvoorzieningen
2.

Bij koninklijk besluit kan de in het eerste lid genoemde termijn van vijf jaar worden verlengd.

3.

De voordracht voor een koninklijk besluit als bedoeld in het tweede lid wordt niet eerder gedaan dan twee weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd. Indien een der Kamers der Staten-Generaal binnen die termijn besluit niet in te stemmen met het ontwerp, wordt ten aanzien van dat ontwerp geen voordracht gedaan. Een besluit als bedoeld in de vorige zin kan worden genomen op voorstel van een of meer leden van een der Kamers der Staten-Generaal.

Paragraaf 3. Tijdelijke onderwijsvoorzieningen bij massale toestroom van ontheemden

Hoofdstuk 10. Sancties

Hoofdstuk 11. Caribisch Nederland

Paragraaf 1. Algemeen

Paragraaf 2. Wijze van toepassing hoofdstuk 2

Paragraaf 3. Wijze van toepassing hoofdstuk 3

Paragraaf 5. Wijze van toepassing hoofdstuk 5

Paragraaf 6. Wijze van toepassing hoofdstuk 6

Paragraaf 7. Wijze van toepassing hoofdstuk 7

Paragraaf 8. Wijze van toepassing hoofdstuk 8

Paragraaf 8a. Wijze van toepassing van hoofdstuk 9

Artikel 11.98a

De paragrafen 2a en 3 van hoofdstuk 9 zijn niet van toepassing.

Paragraaf 9. Wijze van toepassing Wet administratieve rechtspraak BES

Hoofdstuk 12. Invoerings- en overgangsrecht

Paragraaf 1. Invoeringsrecht WVO 2020

Paragraaf 6. Overgangsrecht Wet van 29 mei 2006 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs inzake vervanging van de basisvorming door een nieuwe regeling voor de onderbouw (regeling onderbouw VO) (Stb. 2006, 281)

Paragraaf 7. Overgangsrecht Wet van 28 juni 2006 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de beroepen in het onderwijs onder meer in verband met het aanbrengen van enkele verbeteringen in de regels over de bekwaamheid van onderwijspersoneel zoals deze komen te luiden door de Wet op de beroepen in het onderwijs (aanpassing regels bekwaamheidseisen onderwijspersoneel) (Stb. 2006, 329)

Paragraaf 10. Overgangsrecht Wet van 23 februari 2013 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES in verband met het treffen van een overgangsmaatregel ten behoeve van (oud) studenten van de lerarenopleiding omgangskunde (Stb. 2013, 120)

Paragraaf 11. Overgangsrecht Wet van 7 mei 2014 tot wijziging van onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de expertisecentra in verband met het onderwijs in de Friese taal (Stb. 2014, 185)

Paragraaf 12. Overgangsrecht Wet van 1 april 2015 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de integratie van het leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs in het systeem van passend onderwijs (integratie lwoo en pro in passend onderwijs) (Stb. 2015, 149)

Paragraaf 13. Overgangsrecht Wet van 10 februari 2016 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs BES en enkele aanverwante wetten in verband met het invoeren van profielen in het voorbereidend beroepsonderwijs en het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, alsmede de actualisatie en flexibilisering van het beroepsgerichte deel van de examenprogramma’s in het voorbereidend beroepsonderwijs (Stb. 2016, 88)

Paragraaf 14. Overgangsrecht Wet van 19 augustus 2017 tot wijziging van diverse onderwijswetten in verband met de vereenvoudiging van de vorming van samenwerkingsscholen (Wet samen sterker door vereenvoudiging samenwerkingsschool) (Stb. 2017, 327)

Paragraaf 15. Overgangsrecht Wet van 20 mei 2020 tot wijziging van diverse onderwijswetten door het wijzigen van de systematiek van het in aanmerking brengen voor bekostiging van nieuwe openbare en bijzondere scholen zodat er meer ruimte is voor een nieuw onderwijsaanbod (Wet meer ruimte voor nieuwe scholen) (Stb. 2020, 160)

Paragraaf 16. Overgangsrecht Wet van 1 juli 2020 tot wijziging van onder andere de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de afschaffing van de rekentoets in het voortgezet onderwijs (afschaffing rekentoets vo) (Stb. 2020, 233)

Paragraaf 17. Overgangsrecht Wet van 28 oktober 2020 tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES in verband met vereenvoudiging van de grondslagen van de bekostiging voor personeels- en exploitatiekosten van de scholen voor voortgezet onderwijs (vereenvoudiging grondslagen bekostiging vo-scholen) (Stb. 2020, 437)

Hoofdstuk 13. Voorhang en evaluaties

Hoofdstuk 14. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.