← Geldende tekst · Geschiedenis

Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 15 december 2020, nr. WJZ/ 20169624, tot uitvoering van de CO2-heffing industrie

Geldende tekst a fecha 2024-01-01

Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Financiën;

Gelet op artikelen 16b.3, derde lid, 16b.5, tweede lid, 16b.7, vierde en vijfde lid, 16b.8, tweede lid, 16b.10, derde lid, 16b.12, tweede lid, 16b.13, tweede lid, 16b.14, tweede lid, 16b.17, 16b.19, vierde lid, van de Wet milieubeheer;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2. Toepassingsbereik

Deze regeling heeft het toepassingsbereik van artikel 16b.2 van de wet.

Artikel 3. Relatie Verordening monitoring en rapportage emissiehandel

Voor zover in deze regeling artikelen uit de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel van overeenkomstige toepassing zijn verklaard, geldt het volgende:

Artikel 4. Relatie bijlagen Verordening monitoring en rapportage emissiehandel

Voor zover in deze regeling artikelen uit de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel van overeenkomstige toepassing zijn verklaard die verwijzen naar een bijlage bij die Verordening is die bijlage van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor afvalverbrandingsinstallaties en lachgasinstallaties in ieder geval het volgende geldt:

Artikel 5. Definities Verordening monitoring en rapportage emissiehandel

Artikel 3 van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in deze regeling wordt verstaan onder:

Hoofdstuk 2. Monitoring en verslaglegging emissies industriële installatie

Artikel 6. Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

Afdeling 2.1. Monitoring emissies industriële installatie

Artikel 7. Industrieel monitoringsplan
1.

De monitoring op basis van een industrieel monitoringsplan is in ieder geval noodzakelijk:

2.

Het opstellen en indienen van een industrieel monitoringsplan is voor een exploitant van een startende broeikasgasinstallatie niet noodzakelijk.

Artikel 8. Inhoud industrieel monitoringsplan voor afvalverbrandingsinstallaties en lachgasinstallaties
1.

De artikelen 5, 6, 7, 8 en 69 en de hoofdstukken II, III, V en VII van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel zijn van overeenkomstige toepassing op de monitoring van afvalverbrandingsinstallaties en lachgasinstallaties met dien verstande dat:

2.

Een industrieel monitoringsplan van een afvalverbrandingsinstallatie neemt de volgende voorwaarden in acht:

Artikel 9. Inhoud industrieel monitoringsplan voor broeikasgasinstallatie zonder aanvraag gratis toewijzing EU-ETS
1.

Dit artikel is van toepassing indien een industrieel monitoringsplan noodzakelijk is doordat de exploitant van de broeikasgasinstallatie geen aanvraag voor kosteloze toewijzing heeft ingediend, als bedoeld in artikel 4 van de Verordening kosteloze toewijzing van emissierechten, dan wel na aanvraag heeft afgezien van kosteloze toewijzing.

2.

De artikelen 7, 8, eerste, tweede en derde lid, 9, 11 en 12, van de Verordening kosteloze toewijzing van emissierechten zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor ‘monitoringsmethodiekplan’ wordt gelezen, ‘industrieel monitoringsplan’.

3.

In afwijking van artikel 8, eerste lid, van de Verordening kosteloze toewijzing van emissierechten bevat het industrieel monitoringsplan de volgende elementen die zijn opgenomen in bijlage VI: Onderdelen 1, 3, 4b, 4c, 4d, 4e, 4f, met dien verstande dat in onderdeel 4 voor ‘subinstallatie’ wordt gelezen ‘installatie’.

4.

In afwijking van artikel 8, tweede lid, van de Verordening kosteloze toewijzing van emissierechten kiest de exploitant een monitoringsmethode voor de volgende parameters, genoemd in bijlage IV van die verordening:

Artikel 10. Standaardformulier industrieel monitoringsplan
1.

Het industrieel monitoringsplan wordt opgesteld met gebruikmaking van een door het bestuur van de emissieautoriteit beschikbaar gesteld standaardformulier.

2.

Het bestuur van de emissieautoriteit bepaalt de wijze waarop de aanvraag om een goedkeuring van een industrieel monitoringsplan moet geschieden, de gegevens en de bescheiden die door de aanvrager moeten worden verstrekt met het oog op de beslissing op de aanvraag, en de wijze waarop die gegevens moeten worden verkregen.

Artikel 11. Wijzigingen industrieel monitoringsplan afvalverbrandingsinstallaties en lachgasinstallaties
1.

Onder significante wijzigingen als bedoeld in artikel 15, derde lid, van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel worden tevens verstaan veranderingen van de wijze waarop activiteitsgegevens en berekeningsfactoren worden bepaald.

2.

De melding van wijzigingen van het industrieel monitoringsplan die niet significant zijn, wordt gedaan vóór 31 december van de verslagperiode, bedoeld in artikel 3, twaalfde lid, van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel, waarin de wijziging zich heeft voorgedaan.

3.

Tijdelijke wijzigingen van het industrieel monitoringsplan als bedoeld in artikel 23 van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel, worden binnen vijf dagen, na het ontstaan van de tijdelijke wijziging gemeld aan het bestuur van de emissieautoriteit.

4.

Voor de meldingen wordt gebruik gemaakt van door het bestuur van de emissieautoriteit beschikbaar gestelde standaardformulieren.

Afdeling 2.2. Bepaling en registratie industriële jaarvracht

Artikel 12. Berekening industriële jaarvracht broeikasgasinstallaties

De industriële jaarvracht voor broeikasgasinstallaties wordt berekend volgens de formule:

industriële jaarvracht = EMinstallatieEMelektriciteitEMstadsverwarming

Waarbij:

EMinstallatie staat voor: de totale emissie uitgedrukt in tCO2(e) per jaar als vermeld in het emissieverslag;

EMelektriciteit staat voor de som van (a), (b) en (c):

EMstadsverwarming staat voor: emissie uitgedrukt in tCO2(e) ten gevolge van de productie van warmte voor stadsverwarming als bedoeld in artikel 2, vierde lid, in samenhang met Bijlage IV, onderdeel 2.2 van de Verordening kosteloze toewijzing emissierechten als vermeld in het verslag over het activiteitsniveau of het industrieel emissieverslag. Indien driekwart of minder dan driekwart van de totaal geproduceerde meetbare warmte in dat kalenderjaar is uitgevoerd ten behoeve van stadsverwarming dan staat EMstadsverwarming gelijk aan nul.

Artikel 13. Opwekking van elektriciteit met warmtekrachtkoppelingen

De bepaling van de industriële jaarvracht bij warmtekrachtkoppelingen in broeikasgasinstallaties gebeurt met in achtneming van het volgende:

Artikel 14. Restgassen

Bij de inzet van restgassen voor de opwekking van elektriciteit wordt voor de bepaling van de gewogen gemiddelde emissiefactor voor brandstoffen die zijn ingezet voor de opwekking van elektriciteit de emissiefactor van de restgassen als volgt bepaald: 56,1 wordt vermenigvuldigd met de factor die het rendementsverschil tussen het verbruik van restgassen en het verbruik van de referentiebrandstof aardgas tot uitdrukking brengt. De standaardwaarde van deze factor is gelijk aan 0,667.

Artikel 15. Berekening industriële jaarvracht afvalverbrandingsinstallaties en lachgasinstallaties

De industriële jaarvracht voor afvalverbrandingsinstallaties en lachgasinstallaties is gelijk aan de totale jaarvracht in tCO2(e) per jaar van de industriële installatie als vermeld in het industrieel emissieverslag overeenkomstig artikel 68, eerste lid, van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel. EMstadsverwarming en EMelektriciteit zijn gelijk aan nul.

Afdeling 2.3. Historisch industrieel emissieverslag en industrieel emissieverslag

Artikel 16. Historische emissies afvalverbrandingsinstallaties en lachgasinstallaties
1.

De exploitant van een afvalverbrandingsinstallatie en een lachgasinstallatie dient uiterlijk op 1 september 2021 een historisch industrieel emissieverslag in dat de jaarvracht over de jaren 2014 tot en met 2020 bevat.

2.

In afwijking van het eerste lid dient de exploitant van een lachgasinstallatie waarin acrylonitril wordt geproduceerd een historisch industrieel emissieverslag in dat de jaarvracht over de jaren 2018 tot en met 2020 bevat.

3.

De artikelen 8 en 17 zijn van overeenkomstige toepassing.

4.

Het historisch industrieel emissieverslag wordt opgesteld met gebruikmaking van een door het bestuur van de emissieautoriteit beschikbaar gesteld standaardformulier.

Artikel 17. Verificatie industrieel emissieverslag
1.

Het industrieel emissieverslag voor installaties die op grond van artikel 7 een industrieel monitoringsplan hebben opgesteld gaat vergezeld van een verificatierapport van een verificateur, waarin de resultaten worden weergegeven van een door hem uitgevoerde beoordeling waarin wordt vastgesteld of het industrieel emissieverslag voldoet aan de in deze regeling gestelde eisen.

2.

De verificateur is door een nationale accreditatie-instantie geaccrediteerd voor de verificatie, als uitbreiding van een accreditatie voor één of meer activiteiten als bedoeld in bijlage 1 bij de Verordening verificatie en accreditatie emissiehandel volgens de eisen van die verordening, waarbij geldt dat voor:

3.

De verificateur handelt overeenkomstig hoofdstuk II van de Verordening verificatie en accreditatie emissiehandel en voldoet aan de eisen, bedoeld in hoofdstuk III van de Verordening verificatie en accreditatie emissiehandel.

4.

De verificateur heeft kennis van:

5.

De verificatie van het industrieel emissieverslag is voor een exploitant van een startende broeikasgasinstallatie niet verplicht.

6.

Een exploitant van een stoppende broeikasgasinstallatie levert na afloop van het kalenderjaar waarin de vergunning, bedoeld in artikel 16.5, eerste lid, van de wet, is ingetrokken een industrieel emissieverslag in dat vergezeld gaat van een verificatierapport van een verificateur, waarin de resultaten worden weergegeven van een door hem uitgevoerde beoordeling waarin wordt vastgesteld of het industrieel emissieverslag voldoet aan de in deze regeling gestelde eisen.

Artikel 18. Standaardformulier industrieel emissieverslag
1.

Het industrieel emissieverslag wordt opgesteld met gebruikmaking van een door het bestuur van de emissieautoriteit beschikbaar gesteld standaardformulier.

2.

De artikelen 68 en 72 van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel zijn van overeenkomstige toepassing op de inhoud van het industrieel emissieverslag voor afvalverbrandingsinstallaties en lachgasinstallaties.

3.

De bij deze regeling behorende bijlage 1, onder I, is van toepassing op de inhoud van het industrieel emissieverslag voor broeikasgasinstallaties.

4.

De artikelen 5 tot en met 8 van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel zijn van overeenkomstige toepassing op het industrieel emissieverslag.

5.

Het bestuur van de emissieautoriteit kan alle gegevens opvragen bij de exploitant van de broeikasgasinstallatie die het bij de beoordeling van de vaststelling van de industriële jaarvracht noodzakelijk acht.

Hoofdstuk 3. Dispensatierechten

Afdeling 3.1. Het register dispensatierechten industrie

Artikel 19. Algemeen
1.

Het register is toegankelijk via het internet.

2.

Voor de toegang tot het register wordt gebruik gemaakt van een door het bestuur van de emissieautoriteit aangewezen inlogmiddel.

3.

Alvorens het register te gebruiken accepteert de rekeninghouder de gebruiksvoorwaarden.

4.

Het bestuur van de emissieautoriteit kan de toegang tot het register opschorten indien schade is ontstaan of dreigt te ontstaan aan het register.

5.

Het bestuur van de emissieautoriteit neemt alle maatregelen die redelijkerwijs verwacht kunnen worden om te zorgen dat het register beschikbaar is op werkdagen van 9.00 tot 17.00 uur.

6.

Het bestuur van de emissieautoriteit kan nadere regels stellen over de werking van het register.

Artikel 20. Toegang tot het register
1.

De exploitant van een industriële installatie die reeds gebruik maakt van het EU-register voor de handel in emissierechten, bedoeld in artikel 16.1, eerste lid, van de wet, krijgt direct toegang tot het register dispensatierechten industrie, tenzij het inlogmiddel, bedoeld in artikel 19, tweede lid, aanvullende eisen aan de toegang stelt.

2.

De exploitant van een industriële installatie die geen gebruik maakt van het EU-register voor de handel in emissierechten krijgt toegang tot het register dispensatierechten industrie door rekeningbevoegden aan te wijzen nadat de volgende gegevens zijn verstrekt:

3.

De gegevensverstrekking, bedoeld in het tweede lid, blijft achterwege als daarin voldoende wordt voorzien door het inlogmiddel, bedoeld in artikel 19, tweede lid.

4.

Het bestuur van de emissieautoriteit controleert of de gegevens en documenten die verstrekt zijn, volledig, actueel, nauwkeurig en waarheidsgetrouw zijn.

5.

Het bestuur van de emissieautoriteit kan om een verklaring omtrent het gedrag en om waarmerking van de kleurenkopie van het legitimatiebewijs, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, verzoeken.

Artikel 21. Wijziging gegevens
1.

De rekeninghouder stelt het bestuur van de emissieautoriteit binnen 20 werkdagen in kennis van wijzigingen in de gegevens die met het oog op de opening van een rekening zijn verstrekt, tenzij de melding van de wijziging verloopt via het inlogmiddel, bedoeld in artikel 19, tweede lid.

2.

De emissieautoriteit wijzigt de gegevens, nadat de juistheid van de melding is vastgesteld, overeenkomstig die melding binnen twintig werkdagen na ontvangst van die melding.

3.

Artikel 19, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

4.

De verplichting, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing indien de wijziging van gegevens reeds op grond van artikel 16.19, tweede lid, van de wet is doorgegeven aan het bestuur van de emissieautoriteit.

Artikel 22. Melding toegang onbevoegd persoon
1.

De emissieautoriteit kan de rekening blokkeren op het moment dat er verdenking bestaat van onbevoegd toegang of andere verdachte activiteiten in het register.

2.

Indien een rekeningbevoegde weet of vermoedt dat onbevoegd toegang of andere verdachte activiteiten hebben plaatsgevonden of kunnen plaatsvinden, meldt hij dit onverwijld aan het bestuur van de emissieautoriteit.

3.

Indien een melding als bedoeld in het eerste lid is ontvangen, blokkeert de emissieautoriteit de toegang tot de betreffende rekening.

4.

In geval van fraude of andere strafrechtelijke handelingen, doet de emissieautoriteit onmiddellijk aangifte bij de bevoegde autoriteiten.

Afdeling 3.2. Bepaling activiteitsniveau

Artikel 23. Definities Verordening kosteloze toewijzing van emissierechten

Artikel 2 van de Verordening kosteloze toewijzing van emissierechten is voor de toepassing van deze afdeling en [afdeling 3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044637&hoofdstuk=3&afdeling=3.3&z=2024-01-01&g=2024-01-01). van overeenkomstige toepassing.

Artikel 24. Productgerelateerd activiteitsniveau

Het actueel productgerelateerd activiteitsniveau is gelijk aan de jaarlijkse productie van het corresponderende product in de betrokken subinstallatie in dat jaar als bedoeld in bijlage IV, onderdeel 2.7, onder a), van de Verordening kosteloze toewijzing van emissierechten, zoals gerapporteerd in het verslag over het activiteitsniveau in sectie F onder I 1(a) tot en met F onder I 10(a).

Artikel 25. Warmtegerelateerd activiteitsniveau CO2-heffing
1.

Het actueel warmtegerelateerd activiteitsniveau in de CO2-heffing industrie is gelijk aan de optelling van (a) met (b), waarbij:

2.

Het historisch warmte gerelateerd activiteitsniveau in de CO2-heffing is gelijk aan de optelling van (a) met (b), waarbij:

Artikel 26. Brandstofgerelateerd activiteitsniveau
1.

Het actueel brandstofgerelateerd activiteitsniveau is gelijk aan het jaarlijkse bij elkaar opgetelde gebruik van brandstof toegekend aan de brandstofbenchmark-subinstallaties in dat jaar uitgedrukt in TJ per jaar als bedoeld in bijlage IV, onderdeel 2.4, onder a, derde gedachtestreepje, van de Verordening kosteloze toewijzing van emissierechten, zoals gerapporteerd in het verslag over het activiteitsniveau in sectie E onder I 1(c).

2.

Het historisch brandstofgerelateerd activiteitsniveau is gelijk aan het rekenkundig gemiddelde van het gebruik van brandstof toegekend aan de brandstofbenchmark-subinstallaties in de referentieperiode uitgedrukt in TJ per jaar als bedoeld in bijlage IV, onderdeel 2.4, onder a), derde gedachtestreepje, van de Verordening kosteloze toewijzing van emissierechten, zoals gerapporteerd in het verslag met referentiegegevens en in de nieuwkomersaanvraag in sectie E onder I 1(c).

Artikel 27. Procesemissiegerelateerd activiteitsniveau
1.

Het actueel procesemissiegerelateerd activiteitsniveau is gelijk aan de emissies toegekend aan de procesemissie-subinstallaties in dat jaar uitgedrukt in ton CO2(e) per jaar als bedoeld in bijlage IV, onderdeel 2.2, van de Verordening kosteloze toewijzing van emissierechten, zoals gerapporteerd in het verslag over het activiteitsniveau in sectie G onder 6(a) en 7(a).

2.

Het historisch procesemissiegerelateerd activiteitsniveau is gelijk aan het rekenkundig gemiddelde van de emissies toegekend aan de procesemissie- subinstallaties in de referentieperiode uitgedrukt in ton CO2(e) per jaar als bedoeld in bijlage IV, onderdeel 2.2, van de Verordening kosteloze toewijzing van emissierechten, zoals gerapporteerd in het verslag met referentiegegevens en in de nieuwkomersaanvraag in sectie G onder 6(a) en 7(a).

Artikel 28. Activiteitsniveau afvalverbrandingsinstallaties
1.

Het actueel activiteitsniveau voor afvalverbrandingsinstallaties is gelijk aan de industriële jaarvracht uitgedrukt in ton CO2 in dat jaar, zoals gerapporteerd in het industrieel emissieverslag.

2.

Het historische activiteitsniveau voor afvalverbrandingsinstallaties is gelijk aan het rekenkundig gemiddelde van de jaarlijkse industriële jaarvrachten uitgedrukt in ton CO2 in de referentieperiode, zoals gerapporteerd in het historisch industrieel emissieverslag dan wel het industrieel emissieverslag.

Artikel 29. Activiteitsniveau lachgasinstallaties
1.

Het actueel activiteitsniveau voor lachgasinstallaties is gelijk aan de industriële jaarvracht uitgedrukt in ton CO2(e) in dat jaar, zoals gerapporteerd in het industrieel emissieverslag.

2.

Het historisch activiteitsniveau voor lachgasinstallaties die caprolactam produceren is gelijk aan het rekenkundig gemiddelde van de jaarlijkse industriële jaarvrachten uitgedrukt in ton CO2(e) in de referentieperiode, zoals gerapporteerd in het historisch industrieel emissieverslag dan wel het industrieel emissieverslag.

3.

Voor de toewijzingsperiode 2021–2025 is het historisch activiteitsniveau voor lachgasinstallaties die acrylonitril produceren gelijk aan de optelling van (a) met (b), waarbij:

4.

Voor de toewijzingsperiodes na 2025 is het historisch activiteitsniveau voor lachgasinstallaties die acrylonitril produceren gelijk aan het rekenkundig gemiddelde van de industriële jaarvrachten uitgedrukt in ton CO2(e) in de referentieperiode, zoals gerapporteerd in het industrieel emissieverslag.

Afdeling 3.3. Berekening aantal dispensatierechten

§ 3.3.1. Berekening op basis van benchmarks

Artikel 30. Productbenchmark-subinstallaties

Het aantal dispensatierechten bij productbenchmark-subinstallaties wordt berekend volgens de formule: DRS,K=BMNL,P x AANP,S,K x NRFK

Waarbij:

DRS,K staat voor: dispensatierechten voor subinstallatie s in jaar k (uitgedrukt in dispensatierechten per jaar)

BMNL,P staat voor: productbenchmark van de CO2-heffing industrie voor product p vervaardigd in subinstallatie s (uitgedrukt in dispensatierechten per eenheid product) zoals opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 2

AANP,S,K staat voor: productgerelateerd actueel activiteitsniveau voor subinstallatie s in jaar k (uitgedrukt in eenheid product)

NRFK staat voor: nationale reductiefactor, bedoeld in artikel 16b.17, derde lid, van de wet, in jaar k

Artikel 31. Productbenchmark-subinstallaties met uitwisselbaarheid van elektriciteit en brandstof

Het aantal dispensatierechten bij productbenchmark-subinstallaties voor productbenchmarks die zijn opgenomen in bijlage I, onderdeel 2, van de Verordening kosteloze toewijzing van emissierechten waarvoor de uitwisselbaarheid van elektriciteit en brandstof in aanmerking wordt genomen, wordt berekend volgens de formule: DRS,K=CFS,14–18 x BMNL,P x AANP,S,K x NRFK

Waarbij:

DRS,K staat voor: dispensatierechten voor subinstallatie s in jaar k (uitgedrukt in dispensatierechten per jaar)

BMNL,P staat voor: productbenchmark van de CO2-heffing industrie voor product p vervaardigd in subinstallatie s (uitgedrukt in dispensatierechten per eenheid product) zoals opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 2

AANP,S,K staat voor: productgerelateerd actueel activiteitsniveau voor productbenchmark-subinstallatie s in jaar k (uitgedrukt in eenheid product)

NRFK staat voor: nationale reductiefactor, bedoeld in artikel 16b.17, derde lid, van de wet, in jaar k

CFS,14–18 staat voor: correctiefactor voor productbenchmarks met uitwisselbaarheid van elektriciteit en brandstof voor subinstallatie s voor de periode 2014–2018 zoals opgenomen in het verslag met referentiegegevens

Artikel 32. Uitzondering toepassing productbenchmark stoomkraken en vinylchloride
1.

In afwijking van de artikelen 30 en 31 wordt het aantal dispensatierechten bij productbenchmark-subinstallaties met betrekking tot de productie van hoogwaardige chemicaliën (HVC) en monomeer vinylchloride berekend overeenkomstig de artikelen 19 respectievelijk 20 van de Verordening kosteloze toewijzing van emissierechten, met dien verstande dat telkens:

2.

Het resultaat van de berekening op grond van het eerste lid wordt vermenigvuldigd met de Nationale reductiefactor in jaar k.

§ 3.3.2. Terugvalbenchmarks en procesemissie-subinstallaties

Artikel 33. Warmtebenchmark-subinstallaties

Het aantal dispensatierechten bij warmtebenchmark-subinstallaties wordt berekend volgens de formule: DRS,K=BMNL,H x HANH,S x NRFK

Waarbij:

DRS,K staat voor: dispensatierechten voor subinstallatie s in jaar k (uitgedrukt in dispensatierechten per jaar)

BMNL,H staat voor: warmtebenchmark van de CO2-heffing industrie zoals opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 2 (uitgedrukt in dispensatierechten per TJ)

HANH,S staat voor: warmtegerelateerd historisch activiteitsniveau CO2-heffing industrie voor subinstallatie s (uitgedrukt in TJ per jaar)

NRFK staat voor: nationale reductiefactor, bedoeld in artikel 16b.17, derde lid, van de wet, in jaar k

Artikel 34. Brandstofbenchmark-subinstallaties

Het aantal dispensatierechten bij brandstofbenchmark-subinstallaties wordt berekend volgens de formule: DRS,K=BMNL,F x HANF,S x NRFK

Waarbij:

DRS,K staat: dispensatierechten voor brandstofsubinstallatie s in jaar k (uitgedrukt in dispensatierechten per jaar)

BMNL,F staat voor: brandstofbenchmark van de CO2-heffing industrie zoals opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 2 (uitgedrukt in dispensatierechten per TJ)

HANF,S staat voor: brandstofgerelateerd historisch activiteitsniveau voor subinstallatie s (uitgedrukt in TJ per jaar)

NRFK staat voor: nationale reductiefactor, bedoeld in artikel 16b.17, derde lid, van de wet, in jaar k

Artikel 35. Procesemissie-subinstallaties

Het aantal dispensatierechten bij procesemissie-subinstallaties wordt berekend volgens de formule: DRS,K= PF x HANPE,S x NRFK

Waarbij:

DRS,K staat voor: dispensatierechten voor subinstallatie s in jaar k (uitgedrukt in dispensatierechten per jaar)

PF staat voor: procesemissiefactor

HANPE,S staat voor: procesemissiegerelateerd historisch activiteitsniveau voor subinstallatie s (uitgedrukt in ton CO2(e) per jaar)

NRFK staat voor: nationale reductiefactor, bedoeld in artikel 16b.17, derde lid, van de wet, in jaar k

§ 3.3.3. Berekening voor niet-ETS installaties

Artikel 36. Afvalverbrandingsinstallaties

Het aantal dispensatierechten voor afvalverbrandingsinstallaties wordt berekend volgens de formule: DRS,K= PF x HANAVI,S x NRFK

Waarbij:

DRS,K staat voor: dispensatierechten voor afvalverbrandingsinstallatie s in jaar k (uitgedrukt in dispensatierechten per jaar)

PF staat voor: procesemissiefactor

HANAVI,S staat voor: historisch activiteitsniveau afvalverbrandingsinstallaties voor afvalverbrandingsinstallatie s (uitgedrukt in ton CO2 per jaar).

NRFK staat voor: nationale reductiefactor, bedoeld in artikel 16b.17, derde lid, van de wet, in jaar k

Artikel 37. Lachgasinstallaties

Het aantal dispensatierechten voor lachgasinstallaties wordt berekend volgens de formule: DRS,K=PF x HANLG,S x NRFK

Waarbij:

DRS,K staat voor: dispensatierechten voor subinstallatie s in jaar k (uitgedrukt in dispensatierechten per jaar)

PF staat voor: procesemissiefactor

HANLG,S staat voor: historisch activiteitsniveau lachgasinstallaties voor lachgasinstallatie s (uitgedrukt in ton CO2-equivalent per jaar)

NRFK staat voor: nationale reductiefactor, bedoeld in artikel 16b.17, derde lid, van de wet, in jaar k

§ 3.3.3. Berekening voor niet-ETS installaties

Artikel 38
1.

Het aantal dispensatierechten voor nieuwkomers en nieuwe subinstallaties in het kalenderjaar waarin de normale werking aanvangt wordt berekend overeenkomstig de artikelen 30 tot en met 37 en 39 tot en met 41, waarbij voor het historisch activiteitsniveau gerelateerd aan warmte, brandstof, en procesemissies en het historisch activiteitsniveau afvalverbrandingsinstallatie en lachgasinstallatie het betreffende actuele activiteitsniveau in dat jaar wordt genomen.

2.

Het historisch activiteitsniveau voor nieuwkomers en nieuwe subinstallaties gerelateerd aan warmte, brandstof, en procesemissies en het historisch activiteitsniveau afvalverbrandingsinstallatie en lachgasinstallatie is het betreffende actueel activiteitsniveau in het eerste kalenderjaar na aanvang van de normale werking.

3.

Het aantal dispensatierechten voor nieuwkomers en nieuwe subsinstallaties vanaf het eerste jaar na de aanvang van de normale werking wordt berekend overeenkomstig de artikelen 30 tot en met 37 en 39 tot en met 42.

4.

Voor nieuwkomers en nieuwe productbenchmark-subinstallaties met uitwisselbaarheid van elektriciteit en brandstof wordt de correctiefactor, in afwijking van artikel 31, in het kalenderjaar waarin de reguliere productie is aangevangen gebaseerd op de verhouding directe en indirecte emissies in dat jaar. In het eerste volledige kalenderjaar na aanvang van de reguliere productie wordt de correctiefactor gebaseerd op de verhouding directe en indirecte emissies in dat jaar. Deze correctiefactor wordt bevroren en toegepast als correctiefactor in de jaren die daarop volgen.

§ 3.3.5. Specifieke berekeningen voor gevestigde installatie en nieuwkomers

Artikel 39. Correctie warmte-import salpeterzuurbenchmark
1.

Indien warmte-import plaatsvindt vanuit subinstallaties onder de salpeterzuurbenchmark wordt het aantal dispensatierechten verlaagd.

2.

Het aantal dispensatierechten voor subinstallaties die meetbare warmte hebben ontvangen van subinstallaties die producten vervaardigen vallend onder de salpeterzuurbenchmark wordt:

Artikel 40. Correctie warmte-import niet-ETS installatie
1.

Indien een productbenchmark-subinstallatie meetbare warmte omvat die wordt ingevoerd uit een niet in het EU-ETS opgenomen installatie wordt het aantal dispensatierechten verlaagd.

2.

Als een productbenchmark-subinstallatie meetbare warmte omvat die wordt ingevoerd uit een niet in de EU-ETS opgenomen installatie of andere entiteit, wordt het aantal dispensatierechten voor de betrokken productbenchmark-subinstallatie zoals berekend overeenkomstig artikel 30, 31, 32, 33 of 38, verminderd met de hoeveelheid warmte in het betrokken jaar ingevoerd uit niet in de EU-ETS opgenomen installaties of andere entiteiten, vermenigvuldigd met de waarde van de warmtebenchmark zoals opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 2 en vermenigvuldigd met de toepasselijke nationale reductiefactor.

3.

Warmte die is opgewekt met elektriciteit in een eenheid die door dezelfde exploitant op dezelfde locatie wordt geëxploiteerd wordt niet beschouwd als warmte die wordt ingevoerd vanuit een niet in het EU-ETS opgenomen installatie.

Artikel 41. Fusies en splitsingen

Voor broeikasgasinstallaties die uit een fusie of splitsing zijn ontstaan wordt het historisch activiteitenniveau, bedoeld in de artikelen 25, 26 en 27, bepaald met de gegevens uit het verslag, bedoeld in artikel 25 van de Verordening kosteloze toewijzing van emissierechten.

Artikel 42. Aanpassingen als gevolg van veranderingen in (sub)installaties die geen productbenchmark omvatten
1.

Indien in enig jaar de absolute waarde van het verschil tussen het actueel activiteitsniveau en het historisch activiteitsniveau, méér dan 15 procent bedraagt, wordt het aantal dispensatierechten voor dat jaar berekend op basis van het actueel activiteitsniveau in plaats van het historisch activiteitsniveau.

2.

In afwijking van het eerste lid wordt het aantal dispensatierechten niet aangepast bij:

3.

In afwijking van het eerste lid wordt het aantal dispensatierechten niet aangepast bij:

4.

Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, onder 1 en 2, wordt het historische activiteitenniveau 10 jaar bevroren vanaf het jaar dat het actueel activiteitsniveau voor de eerste keer met meer dan 15 procent is gedaald ten opzichte van het historisch activiteitsniveau.

5.

Het productieniveau van een afvalverbrandingsinstallatie wordt uitgedrukt in de hoeveelheid afvalstoffen die verbrand worden, uitgedrukt in ton afval/jaar.

Afdeling 3.4. Verslag over het aantal dispensatierechten

Artikel 43. Standaardformulier verslag over het aantal dispensatierechten
1.

Het verslag over het aantal dispensatierechten wordt opgesteld met gebruikmaking van een door het bestuur van de emissieautoriteit beschikbaar gesteld standaardformulier.

2.

De bij deze regeling behorende bijlage 1, onder II, is van toepassing op de inhoud van het verslag over het aantal dispensatierechten.

Hoofdstuk 4. Slotbepalingen

Artikel 44. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2021.

Artikel 45. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling CO2-heffing industrie.

Bijlage 1

I. bij artikel 18

I. bij artikel 18

Bijlage 2. bij de artikelen 30 tot en met 35, 39 en 40

Benchmark Eenheid Benchmarkwaarde (dispensatierechten /eenheid) Benchmarkwaarde (dispensatierechten /eenheid)
Raffinaderijproducten CWT 0,0286 0,0286
Cokes ton 0,277 0,277
Gesinterd erts ton 0,166 0,166
Vloeibaar ruwijzer ton 1,288 1,288
Ongelegeerd staal uit vlamboogovens ton 0,275 0,275
Hooggelegeerd staal uit vlamboogovens ton 0,341 0,341
Gietijzer ton 0,315 0,315
Voorgebakken anode ton 0,314 0,314
[Primair] aluminium ton 1,469 1,469
Grijze cementklinker ton 0,743 0,743
Witte cementklinker ton 0,957 0,957
Kalk ton 0,925 0,925
Dolime ton 1,040 1,040
Gesinterde dolime ton 1,406 1,406
Vuurgepolijst glas (‘floatglas’) ton 0,439 0,439
Flessen en potten in kleurloos glas ton 0,371 0,371
Flessen en potten in gekleurd glas ton 0,297 0,297
Continuglasvezelproducten ton 0,394 0,394
Bekledingsstenen ton 0,135 0,135
Vloerstenen ton 0,186 0,186
Dakpannen ton 0,140 0,140
Gesproeidroogd poeder ton 0,0737 0,0737
Minerale wol ton 0,662 0,662
Pleisterkalk ton 0,0466 0,0466
Droog secundair gips ton 0,0165 0,0165
Gipsplaat ton 0,127 0,127
Kortvezelige kraftpulp Adt 0,116 0,116
Langvezelige kraftpulp Adt 0,0582 0,0582
Sulfietpulp, thermomechanische en mechanische pulp Adt 0,0194 0,0194
Teruggewonnen papierpulp Adt 0,0378 0,0378
Krantenpapier Adt 0,289 0,289
Ongecoat fijnpapier Adt 0,308 0,308
Gecoat fijnpapier Adt 0,308 0,308
Kristalpapier ton 0,324 0,324
Testliner en golfblad Adt 0,241 0,241
Ongecoat karton Adt 0,230 0,230
Gecoat karton Adt 0,265 0,265
Roet ton 1,895 1,895
Salpeterzuur ton 0,293 0,293
Adipinezuur ton 2,706 2,706
Ammoniak ton 1,570 1,570
Stoomkraken ton 0,681 0,681
Aromaten CWT 0,0286 0,0286
Styreen ton 0,511 0,511
Fenol/aceton ton 0,258 0,258
Ethyleenoxide/ethyleenglycolen ton 0,497 0,497
Vinylchloride (monomeer) ton 0,198 0,198
S-pvc ton 0,0825 0,0825
E-pvc ton 0,231 0,231
Waterstof ton 8,585 8,585
Synthesegas ton 0,235 0,235
Natriumcarbonaat ton 0,818 0,818
Warmtebenchmark TJ 60,431 60,431
Brandstofbenchmark TJ 54,417 54,417

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 27a. Afwijkende bepaling waarden rekenkundig gemiddelde

Indien een subinstallatie voor warmte, brandstof of procesemissies of de installatie voor de opwekking van warmte uit elektriciteit tijdens de referentieperiode minder dan twee kalenderjaren in bedrijf is geweest, wordt bij het bepalen van het historisch activiteitsniveau, bedoeld in de artikelen 25, tweede lid, 26, tweede lid en 27, tweede lid, het rekenkundig gemiddelde vervangen voor de waarde uit het eerste kalenderjaar na aanvang van de normale werking.

Afdeling 3.3. Berekening aantal dispensatierechten

§ 3.3.1. Berekening op basis van benchmarks

§ 3.3.2. Terugvalbenchmarks en procesemissie-subinstallaties

§ 3.3.3. Berekening voor niet-ETS installaties

§ 3.3.4. Berekening voor nieuwkomers

§ 3.3.4. Berekening voor nieuwkomers

Afdeling 3.4. Verslag over het aantal dispensatierechten

Hoofdstuk 4. Slotbepalingen

Bijlage 1

I. bij artikel 18

Bijlage 2. bij de artikelen 30 tot en met 35, 39 en 40

Benchmark Eenheid Benchmarkwaarde (dispensatierechten /eenheid) Benchmarkwaarde (dispensatierechten /eenheid)
Raffinaderijproducten CWT 0,0286 0,0286
Cokes ton 0,277 0,277
Gesinterd erts ton 0,166 0,166
Vloeibaar ruwijzer ton 1,288 1,288
Ongelegeerd staal uit vlamboogovens ton 0,275 0,275
Hooggelegeerd staal uit vlamboogovens ton 0,341 0,341
Gietijzer ton 0,315 0,315
Voorgebakken anode ton 0,314 0,314
[Primair] aluminium ton 1,469 1,469
Grijze cementklinker ton 0,743 0,743
Witte cementklinker ton 0,957 0,957
Kalk ton 0,925 0,925
Dolime ton 1,040 1,040
Gesinterde dolime ton 1,406 1,406
Vuurgepolijst glas (‘floatglas’) ton 0,439 0,439
Flessen en potten in kleurloos glas ton 0,371 0,371
Flessen en potten in gekleurd glas ton 0,297 0,297
Continuglasvezelproducten ton 0,394 0,394
Bekledingsstenen ton 0,135 0,135
Vloerstenen ton 0,186 0,186
Dakpannen ton 0,140 0,140
Gesproeidroogd poeder ton 0,0737 0,0737
Minerale wol ton 0,662 0,662
Pleisterkalk ton 0,0466 0,0466
Droog secundair gips ton 0,0165 0,0165
Gipsplaat ton 0,127 0,127
Kortvezelige kraftpulp Adt 0,116 0,116
Langvezelige kraftpulp Adt 0,0582 0,0582
Sulfietpulp, thermomechanische en mechanische pulp Adt 0,0194 0,0194
Teruggewonnen papierpulp Adt 0,0378 0,0378
Krantenpapier Adt 0,289 0,289
Ongecoat fijnpapier Adt 0,308 0,308
Gecoat fijnpapier Adt 0,308 0,308
Kristalpapier ton 0,324 0,324
Testliner en golfblad Adt 0,241 0,241
Ongecoat karton Adt 0,230 0,230
Gecoat karton Adt 0,265 0,265
Roet ton 1,895 1,895
Salpeterzuur ton 0,293 0,293
Adipinezuur ton 2,706 2,706
Ammoniak ton 1,570 1,570
Stoomkraken ton 0,681 0,681
Aromaten CWT 0,0286 0,0286
Styreen ton 0,511 0,511
Fenol/aceton ton 0,258 0,258
Ethyleenoxide/ethyleenglycolen ton 0,497 0,497
Vinylchloride (monomeer) ton 0,198 0,198
S-pvc ton 0,0825 0,0825
E-pvc ton 0,231 0,231
Waterstof ton 8,585 8,585
Synthesegas ton 0,235 0,235
Natriumcarbonaat ton 0,818 0,818
Warmtebenchmark TJ 60,431 60,431
Brandstofbenchmark TJ 54,417 54,417

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 40a. Correctie restgassen
1.

Indien de productbenchmark-subinstallatie voor cokes of vloeibaar ijzer restgassen omvat die worden uitgevoerd naar een in het EU-ETS opgenomen installatie ten behoeve van de productie van meetbare warmte, niet-meetbare warmte of elektriciteit, wordt het aantal dispensatierechten dat is berekend overeenkomstig artikel 30 of 31, verminderd met de emissie die wordt toegewezen aan de productie van de hoeveelheid uitgevoerde restgassen overeenkomstig de regels voor het bijwerken van de benchmarkwaarden zoals opgenomen in paragraaf 10.1.5 van bijlage VII van de Verordening kosteloze toewijzing van emissierechten, waarbij de vermindering maximaal het aantal overeenkomstig artikel 30 of 31 berekende dispensatierechten bedraagt.

2.

Het aantal dispensatierechten dat wordt berekend voor een installatie die restgassen als bedoeld in het eerste lid invoert, is gelijk aan de emissie die wordt toegewezen aan de productie van deze hoeveelheid ingevoerde restgassen overeenkomstig de regels voor het bijwerken van de benchmarkwaarden zoals opgenomen in paragraaf 10.1.5 van bijlage VII van de Verordening kosteloze toewijzing. Het aantal dispensatierechten is niet groter dan het aantal dispensatierechten dat op grond van het eerste lid in mindering is gebracht.

Afdeling 3.4. Verslag over het aantal dispensatierechten

Hoofdstuk 4. Slotbepalingen

Bijlage 1

II. bij artikel 43

Bijlage 1

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 2a. Exploitant van een startende broeikasgasinstallatie

Onverminderd artikel 1, onderdeel a, wordt voor de toepassing van deze regeling een exploitant van een startende broeikasgasinstallatie niet langer als zodanig beschouwd vanaf vijf jaar na het moment waarop de vergunning, bedoeld in artikel 16.5, eerste lid, van de wet, is verleend.

Hoofdstuk 2. Monitoring en verslaglegging emissies industriële installatie

Afdeling 2.1. Monitoring emissies industriële installatie

Artikel 11a. Industrieel monitoringsmethodiekplan

Het opstellen en indienen van een industrieel monitoringsmethodiekplan is voor een exploitant van een startende broeikasgasinstallatie niet noodzakelijk.

Afdeling 2.2. Bepaling en registratie industriële jaarvracht

Afdeling 2.3. Historisch industrieel emissieverslag en industrieel emissieverslag

Hoofdstuk 3. Dispensatierechten

Afdeling 3.1. Het register dispensatierechten industrie

Afdeling 3.2. Bepaling activiteitsniveau

Afdeling 3.3. Berekening aantal dispensatierechten

§ 3.3.1. Berekening op basis van benchmarks

§ 3.3.2. Terugvalbenchmarks en procesemissie-subinstallaties

§ 3.3.5. Specifieke berekeningen voor gevestigde installatie en nieuwkomers

Afdeling 3.4. Verslag over het aantal dispensatierechten

Artikel 43a. Verificatie verslag over het aantal dispensatierechten voor een exploitant van een stoppende broeikasgasinstallatie
1.

Een exploitant van een stoppende broeikasgasinstallatie levert na afloop van het kalenderjaar waarin de vergunning, bedoeld in artikel 16.5, eerste lid, van de wet, is ingetrokken een verslag over het aantal dispensatierechten in dat vergezeld gaat van een verificatierapport van een verificateur, waarin de resultaten worden weergegeven van een door hem uitgevoerde beoordeling waarin wordt vastgesteld of het verslag over het aantal dispensatierechten voldoet aan de in deze regeling gestelde eisen.

2.

De verificateur, bedoeld in het eerste lid, moet voldoen aan de eisen in artikel 17 tweede tot en met vierde lid.

Hoofdstuk 4. Slotbepalingen

I. bij artikel 18

II. bij artikel 43

Bijlage 2. bij de artikelen 30 tot en met 35, 39 en 40

Benchmark Eenheid Benchmarkwaarde (dispensatierechten/eenheid)
Raffinaderijproducten CWT 0,0228
Cokes ton 0,217
Gesinterd erts ton 0,157
Vloeibaar ruwijzer ton 1,288
Ongelegeerd staal uit vlamboogovens ton 0,215
Hooggelegeerd staal uit vlamboogovens ton 0,268
Gietijzer ton 0,282
Voorgebakken anode ton 0,312
[Primair] aluminium ton 1,464
Grijze cementklinker ton 0,693
Witte cementklinker ton 0,957
Kalk ton 0,725
Dolime ton 0,815
Gesinterde dolime ton 1,406
Vuurgepolijst glas ("floatglas") ton 0,399
Flessen en potten in kleurloos glas ton 0,290
Flessen en potten in gekleurd glas ton 0,237
Continuglasvezelproducten ton 0,309
Bekledingsstenen ton 0,106
Vloerstenen ton 0,146
Dakpannen ton 0,120
Gesproeidroogd poeder ton 0,058
Minerale wol ton 0,536
Pleisterkalk ton 0,047
Droog secundair gips ton 0,013
Gipsplaat ton 0,110
Kortvezelige kraftpulp Adt 0,091
Langvezelige kraftpulp Adt 0,046
Sulfietpulp, thermomechanische en mechanische pulp Adt 0,015
Teruggewonnen papierpulp Adt 0,030
Krantenpapier Adt 0,226
Ongecoat fijnpapier Adt 0,242
Gecoat fijnpapier Adt 0,242
Kristalpapier ton 0,254
Testliner en golfblad Adt 0,188
Ongecoat karton Adt 0,180
Gecoat karton Adt 0,207
Roet ton 1,485
Salpeterzuur ton 0,230
Adipinezuur ton 2,120
Ammoniak ton 1,570
Stoomkraken ton 0,681
Aromaten CWT 0,0228
Styreen ton 0,401
Fenol/aceton ton 0,230
Ethyleenoxide/ethyleenglycolen ton 0,389
Vinylchloride (monomeer) ton 0,155
S-pvc ton 0,066
E-pvc ton 0,181
Waterstof ton 6,840
Synthesegas ton 0,187
Natriumcarbonaat ton 0,753
Warmtebenchmark TJ 47,3
Brandstofbenchmark TJ 42,6

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.