Wijzigingsgeschiedenis
Kavelbesluit VI windenergiegebied Hollandse Kust (west), Ministerie van Economische Zaken en Klimaat
2 versions
· 2025-03-22
2025-03-22
Kavelbesluit VI windenergiegebied Hollandse Kust (west) — arts. 4, 2019
Wijzigingen op 2025-03-22
@@ -20,7 +20,7 @@
Het Energieakkoord voor duurzame groei2Energieakkoord voor duurzame groei, Kamerstukken II, 2012/13, 30 196, nr. 202. (hierna: Energieakkoord) bevat afspraken tussen de overheid, het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties over het aandeel duurzame energie in 2023. Windenergie op zee speelt daarin een prominente rol. Specifiek voor windparken op zee is afgesproken dat in 2023 circa 4,5 GW operationeel vermogen gerealiseerd is. Ook is vastgelegd dat het kabinet zorgdraagt voor een robuust wettelijk kader om de opschaling van windenergie op zee mogelijk te maken. Korte(re) doorlooptijden en kostenreductie waren daarbij belangrijke uitgangspunten. Het resultaat, de [Wet windenergie op zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036752), voorziet daartoe in een stelsel van uitgifte van kavels in windenergiegebieden (zie paragrafen 1.2 en 2.1). In lijn met het Energieakkoord zijn op grond van de Wet windenergie op zee inmiddels kavels uitgegeven in achtereenvolgens de windenergiegebieden Borssele, Hollandse Kust (zuid) en Hollandse Kust (noord).3De ‘routekaart windenergie op zee 2023’ bevat het uitrolschema tot 2023, zie Kamerstukken I/II 2014/15, 33 561, A/nr. 11 Herdruk. De windparken in genoemde kavels worden tussen 2020 en 2023 in gebruik genomen.
De Energieagenda4Energieagenda ‘Naar een CO2-arme energievoorziening’, Kamerstukken II, 2016/17, 31 510, nr. 64. uit 2016 bevat vervolgafspraken die de periode tot 2050 beslaan. In 2050 moet de energievoorziening bijna helemaal duurzaam zijn. De uitstoot van CO2 is dan 80-95 procent minder vergeleken met 1990. In de Energieagenda heeft het kabinet tevens aangekondigd het beleid van windenergie op zee door te zetten. Voor de periode 2024–2030 betekent dit dat aanvullend op de thans bestaande windparken (ca. 2,5 GW) en de windparken die nog tot en met 2023 worden gebouwd (ca. 2 GW), nog eens ca. 7 GW (in 2030) wordt gerealiseerd. De routekaart windenergie op zee 2030 (hierna: routekaart 2030) bevat het uitrolschema hiervoor.5Kamerstukken II, 2017/18, 33 561, nr. 42. Het Klimaatakkoord van juni 2019, dat voor windenergie op zee spreekt van ten minste 49 TWh productie in 2030, sluit daarbij aan.6[www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2019/06/28/klimaatakkoord](onbekend). De kavels VI en VII in windenergiegebied Hollandse Kust (west) zijn de eerste kavels die in het kader van de routekaart 2030 worden uitgegeven.
De Energieagenda4Energieagenda ‘Naar een CO2-arme energievoorziening’, Kamerstukken II, 2016/17, 31 510, nr. 64. uit 2016 bevat vervolgafspraken die de periode tot 2050 beslaan. In 2050 moet de energievoorziening bijna helemaal duurzaam zijn. De uitstoot van CO2 is dan 80-95 procent minder vergeleken met 1990. In de Energieagenda heeft het kabinet tevens aangekondigd het beleid van windenergie op zee door te zetten. Voor de periode 2024–2030 betekent dit dat aanvullend op de thans bestaande windparken (ca. 2,5 GW) en de windparken die nog tot en met 2023 worden gebouwd (ca. 2 GW), nog eens ca. 7 GW (in 2030) wordt gerealiseerd. De routekaart windenergie op zee 2030 (hierna: routekaart 2030) bevat het uitrolschema hiervoor.5Kamerstukken II, 2017/18, 33 561, nr. 42. Het Klimaatakkoord van juni 2019, dat voor windenergie op zee spreekt van ten minste 49 TWh productie in 2030, sluit daarbij aan.6[www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2019/06/28/klimaatakkoord](http://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2019/06/28/klimaatakkoord). De kavels VI en VII in windenergiegebied Hollandse Kust (west) zijn de eerste kavels die in het kader van de routekaart 2030 worden uitgegeven.
Kavel VI van windenergiegebied Hollandse Kust (west) draagt ongeveer 7 procent bij aan de genoemde doelstelling van 49 TWh. Een windpark in kavel VI kan meer dan een miljoen huishoudens van elektriciteit voorzien.7De gemiddelde woning heeft volgens het CBS (2016) een elektriciteitsverbruik van 2.910 kWh per jaar.
@@ -120,7 +120,7 @@
Voor het MER ten behoeve van het kavelbesluit VI in het windenergiegebied Hollandse Kust (west) wordt op grond van [artikel 7.24, vierde lid, aanhef en onderdeel a, van de Wm](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=7.24) de uitgebreide m.e.r.-procedure gevolgd. Omdat significante effecten op Natura 2000-gebieden bij het realiseren van windparken in windenergiegebied Hollandse Kust (west) niet op voorhand zijn uit te sluiten, is ook een passende beoordeling opgesteld.
De reikwijdte en het detailniveau van het milieueffectonderzoek wordt vastgesteld op basis van de concept-notitie reikwijdte en detailniveau (concept-NRD) van de initiatiefnemer en de daarop ontvangen zienswijzen, reacties en adviezen. Tijdens de terinzagelegging van de concept-NRD van 14 juni 2019 tot en met 25 juli 2019 is eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen kenbaar te maken. De betrokken bestuursorganen en wettelijk adviseurs zijn geraadpleegd over de reikwijdte en het detailniveau. Tevens is de Commissie voor de milieueffectrapportage (Commissie m.e.r.) om advies gevraagd.21Het dossier is te vinden op: [www.commissiemer.nl/adviezen/3369](onbekend) De definitieve NRD is op 7 november 2019 gepubliceerd.22[https://www.rvo.nl/onderwerpen/bureau-energieprojecten/lopende-projecten/windparken/wind-op-zee-kavels-hollandse-kust-west-vi-en-vii](onbekend)
De reikwijdte en het detailniveau van het milieueffectonderzoek wordt vastgesteld op basis van de concept-notitie reikwijdte en detailniveau (concept-NRD) van de initiatiefnemer en de daarop ontvangen zienswijzen, reacties en adviezen. Tijdens de terinzagelegging van de concept-NRD van 14 juni 2019 tot en met 25 juli 2019 is eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen kenbaar te maken. De betrokken bestuursorganen en wettelijk adviseurs zijn geraadpleegd over de reikwijdte en het detailniveau. Tevens is de Commissie voor de milieueffectrapportage (Commissie m.e.r.) om advies gevraagd.21Het dossier is te vinden op: [www.commissiemer.nl/adviezen/3369](http://www.commissiemer.nl/adviezen/3369) De definitieve NRD is op 7 november 2019 gepubliceerd.22[https://www.rvo.nl/onderwerpen/bureau-energieprojecten/lopende-projecten/windparken/wind-op-zee-kavels-hollandse-kust-west-vi-en-vii](https://www.rvo.nl/onderwerpen/bureau-energieprojecten/lopende-projecten/windparken/wind-op-zee-kavels-hollandse-kust-west-vi-en-vii)
Gedurende de terinzagelegging van het oorspronkelijke ontwerpkavelbesluit is de Commissie m.e.r. gevraagd te adviseren over de milieueffectrapportage zelf. De commissie heeft op 14 april 2021 geadviseerd het MER op een aantal specifieke aspecten aan te vullen:
@@ -154,7 +154,7 @@
### 4.1.3. Doelmatige aansluiting van een windpark op een aansluitpunt
Een gecoördineerde en gestandaardiseerde netaansluiting van windparken leidt tot lagere maatschappelijke kosten en een kleinere impact op de leefomgeving.25Kamerstukken II, 2014/15, 33 561, nr. 12. Het uitgangspunt van de routekaart 2030 is dat windenergie op zee in het windenergiegebied Hollandse Kust (west) het meest kosteneffectief gerealiseerd kan worden door het realiseren van een net op zee, dat aansluit op het bestaande hoogspanningsnet op land. Een samenstel van turbines met een gecombineerd geïnstalleerd vermogen tot 760 MW wordt in ieder geval aangesloten op het TenneT-platform Hollandse Kust (west Alpha).26TenneT garandeert een transportvermogen van 700 MW. Het maximaal in te voeden vermogen van de windparken ter hoogte van het overdrachtspunt op het wisselstroomplatform bedraagt 760 MW. Uit het oogpunt van kostenefficiëntie kan het voordelig zijn om meer vermogen te installeren dan het door de netbeheerder gegarandeerde transportvermogen. Immers de windparken zullen lang niet altijd op vol vermogen draaien, waardoor de transportcapaciteit van het net op zee meestal maar ten dele wordt benut. Door meer windvermogen te installeren (‘overplanting’) kan meer elektriciteit worden geproduceerd en kunnen de kosten per hoeveelheid elektriciteit (kWh) afnemen. Dit komt de beoogde kostenreductie van windenergie op zee en het behalen van de Nederlandse CO2-reductiedoelen ten goede. Er is echter sprake van een optimum: op een gegeven moment zal het geïnstalleerde windvermogen de gegarandeerde transportcapaciteit van het net op zee zodanig overstijgen dat op momenten dat het hard waait een steeds groter deel van de elektriciteit niet meer door TenneT getransporteerd kan worden. Hierdoor zal de noodzaak kunnen ontstaan windturbines af te schakelen. Dit optimum zal bij het windpark afhangen van de keuze van het type windturbine, de beschikbare ruimte voor windturbines en de toename van zogeffecten. Zie paragraaf 3.6 in het Ontwikkelkader windenergie op zee (2020): [https://www.rvo.nl/sites/default/files/2020/05/Ontwikkelkader%20windenergie%20op%20zee%20versie%20voorjaar%202020.pdf](onbekend). Het net op zee Hollandse Kust (west Alpha) verbindt het windpark met het hoogspanningsnet op land.27De netaansluiting voor kavel VII van Hollandse Kust (west) wordt aangeduid als Hollandse Kust (west Beta). De mogelijkheid om het tracé van de netaansluiting Hollandse Kust (west Alpha) gedeeltelijk te combineren met het kabeltracé van het windpark in Hollandse Kust (noord) is in de routekaart 2030 als argument genoemd om met het gebied Hollandse Kust (west) te beginnen. Het deels combineren van de tracés biedt mogelijkheden voor duurzaam en beperkt ruimtegebruik van de infrastructuur voor beide windparken op zowel zee als land. Ook kan daarmee tijdwinst geboekt worden in de vergunningprocedures voor Hollandse Kust (west Alpha) en wordt de omgeving zo min mogelijk belast met de aanlegwerkzaamheden.
Een gecoördineerde en gestandaardiseerde netaansluiting van windparken leidt tot lagere maatschappelijke kosten en een kleinere impact op de leefomgeving.25Kamerstukken II, 2014/15, 33 561, nr. 12. Het uitgangspunt van de routekaart 2030 is dat windenergie op zee in het windenergiegebied Hollandse Kust (west) het meest kosteneffectief gerealiseerd kan worden door het realiseren van een net op zee, dat aansluit op het bestaande hoogspanningsnet op land. Een samenstel van turbines met een gecombineerd geïnstalleerd vermogen tot 760 MW wordt in ieder geval aangesloten op het TenneT-platform Hollandse Kust (west Alpha).26TenneT garandeert een transportvermogen van 700 MW. Het maximaal in te voeden vermogen van de windparken ter hoogte van het overdrachtspunt op het wisselstroomplatform bedraagt 760 MW. Uit het oogpunt van kostenefficiëntie kan het voordelig zijn om meer vermogen te installeren dan het door de netbeheerder gegarandeerde transportvermogen. Immers de windparken zullen lang niet altijd op vol vermogen draaien, waardoor de transportcapaciteit van het net op zee meestal maar ten dele wordt benut. Door meer windvermogen te installeren (‘overplanting’) kan meer elektriciteit worden geproduceerd en kunnen de kosten per hoeveelheid elektriciteit (kWh) afnemen. Dit komt de beoogde kostenreductie van windenergie op zee en het behalen van de Nederlandse CO2-reductiedoelen ten goede. Er is echter sprake van een optimum: op een gegeven moment zal het geïnstalleerde windvermogen de gegarandeerde transportcapaciteit van het net op zee zodanig overstijgen dat op momenten dat het hard waait een steeds groter deel van de elektriciteit niet meer door TenneT getransporteerd kan worden. Hierdoor zal de noodzaak kunnen ontstaan windturbines af te schakelen. Dit optimum zal bij het windpark afhangen van de keuze van het type windturbine, de beschikbare ruimte voor windturbines en de toename van zogeffecten. Zie paragraaf 3.6 in het Ontwikkelkader windenergie op zee (2020): [https://www.rvo.nl/sites/default/files/2020/05/Ontwikkelkader%20windenergie%20op%20zee%20versie%20voorjaar%202020.pdf](https://www.rvo.nl/sites/default/files/2020/05/Ontwikkelkader%20windenergie%20op%20zee%20versie%20voorjaar%202020.pdf). Het net op zee Hollandse Kust (west Alpha) verbindt het windpark met het hoogspanningsnet op land.27De netaansluiting voor kavel VII van Hollandse Kust (west) wordt aangeduid als Hollandse Kust (west Beta). De mogelijkheid om het tracé van de netaansluiting Hollandse Kust (west Alpha) gedeeltelijk te combineren met het kabeltracé van het windpark in Hollandse Kust (noord) is in de routekaart 2030 als argument genoemd om met het gebied Hollandse Kust (west) te beginnen. Het deels combineren van de tracés biedt mogelijkheden voor duurzaam en beperkt ruimtegebruik van de infrastructuur voor beide windparken op zowel zee als land. Ook kan daarmee tijdwinst geboekt worden in de vergunningprocedures voor Hollandse Kust (west Alpha) en wordt de omgeving zo min mogelijk belast met de aanlegwerkzaamheden.
Het net op zee Hollandse Kust (west Alpha) bestaat uit:
@@ -168,7 +168,7 @@
### 4.1.5. Bodemsamenstelling
De waterdiepte in het windenergiegebied Hollandse Kust (west) varieert van ongeveer 18,6 tot 35,5 meter (**lowest astronomical tide** - LAT). Er liggen zandbanken en -golven in het gebied. De zeebodem bestaat hoofdzakelijk uit fijn tot gemiddeld zand met tussenliggende klei-, slib- en slibhoudende zandlagen.29Voor een overzicht van beschikbare bodemdata, zie [https://offshorewind.rvo.nl/soilw](onbekend).
De waterdiepte in het windenergiegebied Hollandse Kust (west) varieert van ongeveer 18,6 tot 35,5 meter (**lowest astronomical tide** - LAT). Er liggen zandbanken en -golven in het gebied. De zeebodem bestaat hoofdzakelijk uit fijn tot gemiddeld zand met tussenliggende klei-, slib- en slibhoudende zandlagen.29Voor een overzicht van beschikbare bodemdata, zie [https://offshorewind.rvo.nl/soilw](https://offshorewind.rvo.nl/soilw).
### 4.1.6. Explosieven
@@ -298,7 +298,7 @@
Hieronder wordt ingegaan op een aantal belangrijke bevindingen uit het MER.
In navolging van het Kader ecologie en cumulatie (KEC, 2019)41Rijkswaterstaat, in opdr. van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Kader ecologie en cumulatie, versie 3.0, 2019. Zie voor een overzicht van alle (deel)rapporten: [www.noordzeeloket.nl/functies-gebruik/windenergie-zee/ecologie/cumulatie/kader-ecologie/](onbekend) is in het MER aandacht uitgegaan naar mogelijke cumulatieve effecten op de populaties van te beschermen soorten gedurende de bouw en exploitatie van windparken op zee tot 2030. Uit de analyse in het KEC blijkt dat voor alle vogel- en vleermuissoorten in het kader van de soortenbescherming het PBR-criterium (**Potential Biological Removal**)42De aanvaardbaarheid van de effecten wordt in het KEC (2015, 2016, 2019) voor vogels en vleermuizen bepaald aan de hand van de Potential Biological Removal (PBR). De PBR is een maat voor het aantal exemplaren van een soort die jaarlijks ‘extra’ (= bovenop de natuurlijke sterfte en emigratie) aan de populatie onttrokken kunnen worden via de in virtuele extra jaarlijkse sterfte uitgedrukte cumulatieve effecten, zonder dat die populatie daardoor structureel achteruit zal gaan. Populatiekenmerken als groei- en herstelcapaciteit en omvang en trend van betreffende populatie zijn in deze maat verdisconteerd. Zolang PBR niet overschreden wordt, zal in theorie geen sprake zijn van significante en dus onacceptabele effecten. niet wordt overschreden wanneer de routekaart 2030 gerealiseerd wordt met turbines van ten minste 10 MW. In het MER is in relatie tot onder meer aanvaringsslachtoffers onder vogels een bandbreedte onderzocht met een ondergrens van 76 turbines met een rotordiameter van 164 meter. Hoewel deze variant met een betrekkelijk geringe rotordiameter een vrij beperkt (en daarmee voor vogels gunstig) rotoroppervlak heeft, leidt deze onder een aantal laagvliegende vogelsoorten (waaronder meeuwensoorten) tot meer slachtoffers dan berekend in het KEC. Dit is niet het gevolg van de rotordiameter als zodanig maar is te verklaren door de betrekkelijk geringe ashoogte van de turbine in deze variant van 107 meter. Rond de as van een turbine is de kans op aanvaring het hoogst. In dit kavelbesluit is dan ook, naast een maximaal rotoroppervlak, minimale tiplaagte en maximale tiphoogte, een minimale ashoogte (135 meter) voorgeschreven, waarmee wordt aangesloten bij de uitgangspunten van het KEC.43Als gevolg van de voorgenomen aanwijzing van de Bruine Bank als Natura 2000-gebied met instandhoudingsdoelstellingen voor verschillende vogelsoorten, is de voorgeschreven bandbreedte nader beperkt. Zie o.a. paragraaf 7.2.
In navolging van het Kader ecologie en cumulatie (KEC, 2019)41Rijkswaterstaat, in opdr. van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Kader ecologie en cumulatie, versie 3.0, 2019. Zie voor een overzicht van alle (deel)rapporten: [www.noordzeeloket.nl/functies-gebruik/windenergie-zee/ecologie/cumulatie/kader-ecologie/](http://www.noordzeeloket.nl/functies-gebruik/windenergie-zee/ecologie/cumulatie/kader-ecologie/) is in het MER aandacht uitgegaan naar mogelijke cumulatieve effecten op de populaties van te beschermen soorten gedurende de bouw en exploitatie van windparken op zee tot 2030. Uit de analyse in het KEC blijkt dat voor alle vogel- en vleermuissoorten in het kader van de soortenbescherming het PBR-criterium (**Potential Biological Removal**)42De aanvaardbaarheid van de effecten wordt in het KEC (2015, 2016, 2019) voor vogels en vleermuizen bepaald aan de hand van de Potential Biological Removal (PBR). De PBR is een maat voor het aantal exemplaren van een soort die jaarlijks ‘extra’ (= bovenop de natuurlijke sterfte en emigratie) aan de populatie onttrokken kunnen worden via de in virtuele extra jaarlijkse sterfte uitgedrukte cumulatieve effecten, zonder dat die populatie daardoor structureel achteruit zal gaan. Populatiekenmerken als groei- en herstelcapaciteit en omvang en trend van betreffende populatie zijn in deze maat verdisconteerd. Zolang PBR niet overschreden wordt, zal in theorie geen sprake zijn van significante en dus onacceptabele effecten. niet wordt overschreden wanneer de routekaart 2030 gerealiseerd wordt met turbines van ten minste 10 MW. In het MER is in relatie tot onder meer aanvaringsslachtoffers onder vogels een bandbreedte onderzocht met een ondergrens van 76 turbines met een rotordiameter van 164 meter. Hoewel deze variant met een betrekkelijk geringe rotordiameter een vrij beperkt (en daarmee voor vogels gunstig) rotoroppervlak heeft, leidt deze onder een aantal laagvliegende vogelsoorten (waaronder meeuwensoorten) tot meer slachtoffers dan berekend in het KEC. Dit is niet het gevolg van de rotordiameter als zodanig maar is te verklaren door de betrekkelijk geringe ashoogte van de turbine in deze variant van 107 meter. Rond de as van een turbine is de kans op aanvaring het hoogst. In dit kavelbesluit is dan ook, naast een maximaal rotoroppervlak, minimale tiplaagte en maximale tiphoogte, een minimale ashoogte (135 meter) voorgeschreven, waarmee wordt aangesloten bij de uitgangspunten van het KEC.43Als gevolg van de voorgenomen aanwijzing van de Bruine Bank als Natura 2000-gebied met instandhoudingsdoelstellingen voor verschillende vogelsoorten, is de voorgeschreven bandbreedte nader beperkt. Zie o.a. paragraaf 7.2.
Uit het MER blijkt voorts dat de effecten op de soortengroepen van zangvogels en vleermuizen (met name de ruige dwergvleermuis) beperkt kunnen worden. Gelet op de zorgplicht als bedoeld in de [Wet natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552) worden mitigerende maatregelen opgenomen, waaronder de maatregel dat het aantal rotaties per minuut van de windturbines tot minder dan 2 moet worden teruggebracht bij specifieke weersomstandigheden met vogeltrek en vleermuizentrek op rotorhoogte.
@@ -320,7 +320,7 @@
Windparken mogen alleen worden gebouwd in gebieden die daarvoor zijn aangewezen in het nationaal waterplan. In het Nationaal Waterplan 2009–2015 is het windenergiegebied Hollandse Kust aangewezen, waartoe het ‘deelgebied’ Hollandse Kust (west) behoort. Deze aanwijzing is in het vigerend Nationaal Waterplan 2016–2021 gehandhaafd. Bij de aanwijzing van het windenergiegebied in het nationaal waterplan heeft de belangenafweging voor de realisatie van een windpark in relatie tot landschappelijke inpassing al plaatsgevonden.
Verlichting op windturbines is noodzakelijk vanuit (aero)nautische veiligheid maar kan door sommigen als hinderlijk worden ervaren. In [artikel 6.16h van het Waterbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026872&artikel=6.16h) zijn de eisen opgenomen waaraan de verlichting en aanduiding van de windturbines moet voldoen. Het Ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft het informatieblad44[https://www.noordzeeloket.nl/en/functions-and-use/offshore-wind-energy/@168238/informatieblad/](onbekend) ‘Aanduiding offshore windturbines en offshore windparken in relatie tot luchtvaartveiligheid’ gepubliceerd. In dit informatieblad zijn de eisen ten aanzien van de markering van windparken en individuele turbines in relatie tot de luchtvaartveiligheid nader uitgewerkt. Het gaat daarbij om onder meer eisen ten aanzien van kleurstelling, het type verlichting en de positionering daarvan.
Verlichting op windturbines is noodzakelijk vanuit (aero)nautische veiligheid maar kan door sommigen als hinderlijk worden ervaren. In [artikel 6.16h van het Waterbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026872&artikel=6.16h) zijn de eisen opgenomen waaraan de verlichting en aanduiding van de windturbines moet voldoen. Het Ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft het informatieblad44[https://www.noordzeeloket.nl/en/functions-and-use/offshore-wind-energy/@168238/informatieblad/](https://www.noordzeeloket.nl/en/functions-and-use/offshore-wind-energy/@168238/informatieblad/) ‘Aanduiding offshore windturbines en offshore windparken in relatie tot luchtvaartveiligheid’ gepubliceerd. In dit informatieblad zijn de eisen ten aanzien van de markering van windparken en individuele turbines in relatie tot de luchtvaartveiligheid nader uitgewerkt. Het gaat daarbij om onder meer eisen ten aanzien van kleurstelling, het type verlichting en de positionering daarvan.
In dit kavelbesluit worden enkele voorschriften opgenomen om lichthinder te voorkomen. Hiermee gelden voor specifieke aspecten inzake markering en verlichting bijzondere bepalingen. Voor overige niet in het kavelbesluit gereguleerde aspecten blijven de algemene eisen onverminderd van kracht zoals deze voortvloeien uit het bovengenoemde informatieblad en [artikel 6.16h van het Waterbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026872&artikel=6.16h).
@@ -750,7 +750,7 @@
In KEC 3.0 zijn minder soorten bestudeerd dan in het KEC 1.1. De keuze voor vogelsoorten die in het KEC 3.0 (2019) zijn betrokken is bepaald door die soorten te nemen die in KEC 1.1 nabij of op de PBR zaten.
De Commissie m.e.r heeft in 2019 een positief advies uitgebracht naar aanleiding van KEC 3.084[https://commissiemer.nl/docs/mer/p33/p3369/a3369_rd.pdf](onbekend)
De Commissie m.e.r heeft in 2019 een positief advies uitgebracht naar aanleiding van KEC 3.084[https://commissiemer.nl/docs/mer/p33/p3369/a3369_rd.pdf](https://commissiemer.nl/docs/mer/p33/p3369/a3369_rd.pdf)
Het MER geeft inzicht in de milieueffecten van de opstellingsvarianten van windturbines in kavel VI. Bij de in het MER onderzochte bandbreedte is uitgegaan van een ondergrens met een turbine van 10 MW (76 stuks) en een bovengrens met een turbine van 16 MW (47 stuks). Daarnaast is de bandbreedte gedefinieerd op overige relevante aspecten zoals ashoogte, rotordiameter en fundatietype (zie ook hoofdstuk 5).
@@ -780,7 +780,7 @@
Tijdens de seizoenstrek vliegen vele vogelsoorten door het windenergiegebied Hollandse Kust (west). Hierdoor lopen zij de kans in aanraking te komen met de turbines. De resultaten van het rekenmodel laten zien dat tot meer dan duizend trekvogels per jaar slachtoffer zullen worden van een windpark in kavel VI windenergiegebied Hollandse Kust (west). Veruit de meeste hiervan zijn zangvogels, bestaande uit verschillende individueel beschermde soorten. Het aantal slachtoffers per soort is echter gering. Er zijn geen effecten op populatieniveau te verwachten. Behalve zangvogels bevinden zich onder de trekvogelslachtoffers enkele tientallen ganzen en zwanen. Verder zullen ook onder eenden, reigers, roofvogels, uilen en steltlopers jaarlijks slachtoffers vallen.
In het KEC 3.088Actualisatie van KEC vogelaanvaring berekeningen volgens Routekaart 2030, [https://www.noordzeeloket.nl/publish/pages/157580/actualisatie_van_kec_vogelaanvaring_berekeningen_volgens_routekaart_2030.pdf](onbekend) zijn de cumulatieve effecten ten gevolge van aanvaringen van enkele soorten onderzocht. Het maximale effect is berekend voor de zwarte stern en wulp, waar het cumulatieve effect respectievelijk 98 en 64 procent van de (internationale) PBR bedraagt. Aantasting van de staat van instandhouding ten gevolge van aanvaringen kan daarom voor alle windparken tot 2030 worden uitgesloten.
In het KEC 3.088Actualisatie van KEC vogelaanvaring berekeningen volgens Routekaart 2030, [https://www.noordzeeloket.nl/publish/pages/157580/actualisatie_van_kec_vogelaanvaring_berekeningen_volgens_routekaart_2030.pdf](https://www.noordzeeloket.nl/publish/pages/157580/actualisatie_van_kec_vogelaanvaring_berekeningen_volgens_routekaart_2030.pdf) zijn de cumulatieve effecten ten gevolge van aanvaringen van enkele soorten onderzocht. Het maximale effect is berekend voor de zwarte stern en wulp, waar het cumulatieve effect respectievelijk 98 en 64 procent van de (internationale) PBR bedraagt. Aantasting van de staat van instandhouding ten gevolge van aanvaringen kan daarom voor alle windparken tot 2030 worden uitgesloten.
Als gevolg van een windpark in kavel VI kunnen vogels het gebied mijden of in aanvaring komen met de windturbines. Met name jan-van-genten, zeekoeten en alken kunnen mogelijk het gebied vermijden, waarbij het vermeden gebied zo groot is als kavel VI. Het gaat daarbij maximaal om een gebied van 90 km2. Er is berekend dat 28 zeekoeten en zeven alken door habitatverlies sterven. Onder de jan-van-gent vallen maximaal drie slachtoffers door habitatverlies.
@@ -826,7 +826,7 @@
Voor de bruinvis, naar alle waarschijnlijk de meest gevoelige zeezoogdiersoort voor onderwatergeluid, zijn de effecten op de populatie in de Zuidelijke Noordzee onderzocht als gevolg van hei-activiteiten. Bij de andere funderingstechnieken die in het MER zijn beschouwd zal minder geluid worden geproduceerd en zullen de effecten minder zijn. Bij het bepalen van de doorwerking van effecten van heigeluid op zeezoogdieren is ervan uitgegaan dat de effecten op het gedrag daarvoor maatgevend zijn. Door het nemen van mitigerende maatregelen (toepassen ‘soft start’ in combinatie met een of meer akoestische afschrikmiddelen (ADD)) wordt voorkomen dat permanente effecten op het gehoor optreden (PTS).
Bruinvissen kunnen over een oppervlak van maximaal 1.062 km2 kilometer een vermijdingsreactie (verstoringsdrempel >140 dB) vertonen als gevolg van de hei-activiteiten voor kavel VI. De gevolgen van deze vermijdingsreactie voor de bruinvispopulatie zijn bepaald door middel van het **Interim PCoD 5.0**model. Bij het toepassen van het **Interim PCoD**model is gebruik gemaakt van de meest recente inzichten van de ‘Werkgroep Onderwatergeluid90De Werkgroep Onderwatergeluid is op initiatief van Rijkswaterstaat Zee en Delta (toenmalig Dienst Noordzee) begin 2013 opgericht. Deelnemende experts zijn afkomstig van Rijkswaterstaat, Wageningen Marine Research, Universiteit Utrecht, De Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO), SEAMARCO, Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Ministerie van Defensie en HEINIS Waterbeheer en Ecologie. De werkgroep stelt zich tot doel op grond van de meest recente (internationale) inzichten uit onderzoek te komen tot een breed gedragen redeneerlijn voor het inschatten van (cumulatieve) effecten van impulsief onderwatergeluid op (populaties van) zeezoogdieren. Hierbij is wordt gebruik gemaakt van het Interim PCoD model. van SMRU consulting ([http://www.smruconsulting.com/products-tools/pcod/ipcod/](onbekend)).. Uit het model volgen op basis van het aantal bruinvisverstoringsdagen de theoretische populatie-effecten. Het aantal bruinvisverstoringsdagen is berekend door het aantal mogelijk verstoorde dieren per dag te vermenigvuldigen met het aantal verstoringsdagen. Het aantal mogelijk verstoorde bruinvissen per dag wordt hierbij berekend door het berekende verstoringsoppervlak te vermenigvuldigen met een schatting van de dichtheid van bruinvissen binnen dat oppervlak. Het aantal verstoringsdagen staat gelijk aan het aantal windturbines, waarbij de aanname is dat een fundering per dag wordt geheid (in twee uur) en de verstoring als gevolg daarvan zes uur duurt.
Bruinvissen kunnen over een oppervlak van maximaal 1.062 km2 kilometer een vermijdingsreactie (verstoringsdrempel >140 dB) vertonen als gevolg van de hei-activiteiten voor kavel VI. De gevolgen van deze vermijdingsreactie voor de bruinvispopulatie zijn bepaald door middel van het **Interim PCoD 5.0**model. Bij het toepassen van het **Interim PCoD**model is gebruik gemaakt van de meest recente inzichten van de ‘Werkgroep Onderwatergeluid90De Werkgroep Onderwatergeluid is op initiatief van Rijkswaterstaat Zee en Delta (toenmalig Dienst Noordzee) begin 2013 opgericht. Deelnemende experts zijn afkomstig van Rijkswaterstaat, Wageningen Marine Research, Universiteit Utrecht, De Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO), SEAMARCO, Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Ministerie van Defensie en HEINIS Waterbeheer en Ecologie. De werkgroep stelt zich tot doel op grond van de meest recente (internationale) inzichten uit onderzoek te komen tot een breed gedragen redeneerlijn voor het inschatten van (cumulatieve) effecten van impulsief onderwatergeluid op (populaties van) zeezoogdieren. Hierbij is wordt gebruik gemaakt van het Interim PCoD model. van SMRU consulting ([http://www.smruconsulting.com/products-tools/pcod/ipcod/](http://www.smruconsulting.com/products-tools/pcod/ipcod/)).. Uit het model volgen op basis van het aantal bruinvisverstoringsdagen de theoretische populatie-effecten. Het aantal bruinvisverstoringsdagen is berekend door het aantal mogelijk verstoorde dieren per dag te vermenigvuldigen met het aantal verstoringsdagen. Het aantal mogelijk verstoorde bruinvissen per dag wordt hierbij berekend door het berekende verstoringsoppervlak te vermenigvuldigen met een schatting van de dichtheid van bruinvissen binnen dat oppervlak. Het aantal verstoringsdagen staat gelijk aan het aantal windturbines, waarbij de aanname is dat een fundering per dag wordt geheid (in twee uur) en de verstoring als gevolg daarvan zes uur duurt.
De populatiereductie door de aanleg van een windpark in kavel VI van windenergiegebied Hollandse Kust (west) bedraagt maximaal veertig dieren, d.w.z. ongeveer 0,08 procent van de Nederlandse bruinvispopulatie. Hierbij is ervan uitgegaan dat een ‘soft start’ procedure wordt toegepast en dat een limiet aan het maximaal te produceren geluidniveau is gesteld op 750 meter van de heilocatie van SELss = 168 dB re 1 µPa2s.
@@ -1042,7 +1042,7 @@
### 7.7. Afweging omtrent overige relevante regelgeving
Binnen de Kaderrichtlijn Mariene Strategie97[http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=URISERV:l28164](onbekend) is ten aanzien van onderwatergeluid nog geen specifiek doel opgesteld voor (de cumulatie) van impulsief geluid zoals dat bij heien vrijkomt. Daarom kan in onderhavig besluit hieraan nog niet getoetst worden. Voor afzonderlijke gevallen dienen schadelijke effecten op populaties of het ecosysteem voorkomen te worden. Uit het MER en de Passende beoordeling volgt, dat als gevolg van de aanleg van een windpark in kavel VI met inbegrip van mitigerende maatregelen (voorschrift 3 en voorschrift 4, eerste tot en met vierde lid), ook tezamen met andere windturbineprojecten, het herstellend vermogen van populaties van zeezoogdieren niet wordt aangetast.
Binnen de Kaderrichtlijn Mariene Strategie97[http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=URISERV:l28164](http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=URISERV:l28164) is ten aanzien van onderwatergeluid nog geen specifiek doel opgesteld voor (de cumulatie) van impulsief geluid zoals dat bij heien vrijkomt. Daarom kan in onderhavig besluit hieraan nog niet getoetst worden. Voor afzonderlijke gevallen dienen schadelijke effecten op populaties of het ecosysteem voorkomen te worden. Uit het MER en de Passende beoordeling volgt, dat als gevolg van de aanleg van een windpark in kavel VI met inbegrip van mitigerende maatregelen (voorschrift 3 en voorschrift 4, eerste tot en met vierde lid), ook tezamen met andere windturbineprojecten, het herstellend vermogen van populaties van zeezoogdieren niet wordt aangetast.
Ten aanzien van vogels en zeezoogdieren gelden doelen die overeenkomen met de landelijke doelen zoals geformuleerd onder de [Wet natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552). Uit het MER en de Passende beoordeling volgt, dat als gevolg van de aanleg en exploitatie van een windpark in kavel VI met inbegrip van mitigerende maatregelen (voorschrift 3 en voorschrift 4, eerste tot en met vierde lid), ook tezamen met andere windturbineprojecten, het duurzame voortbestaan van zeezoogdierpopulaties en vogels niet wordt aangetast.
@@ -1092,7 +1092,7 @@
Omdat alle vleermuissoorten strikt beschermd zijn op grond van de [Wet natuurbescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552) en de Europese Habitatrichtlijn, is in voorschrift 4, vierde lid, een mitigerende maatregel opgenomen waarmee het risico op aanvaringsslachtoffers onder vleermuizen met naar schatting 40 procent100Boonman, M. (2018) Mitigerende maatregelen voor vleermuizen in offshore windparken. Evaluatie en verbetering van stilstandvoorziening’, Bureau Waardenburg. wordt gereduceerd. Vanwege het hoogste aantal te verwachten slachtoffers onder de ruige dwergvleermuis, is deze maatregel in het bijzonder gericht op deze soort. De effectiviteit van de maatregel is afgestemd op het soort-specifieke voorkomen en gedrag van de ruige dwergvleermuis op de projectlocatie. Uit recente onderzoeksgegevens101Lagerveld **et al**. (2014) Monitoring bat activity in offshore wind farms OWEZ and PAWP in 2013. IMARES Report C165/14; Jonge Poerkink et al. (2012) Pilot study Bat activity in the Dutch offshore wind farm OWEZ and PAWP. IMARES report number C026/13 / tFC report number 20120402. op de Noordzee volgt dat de meeste activiteit van de ruige dwergvleermuis in het najaar plaats vindt, tussen half augustus tot eind september. Uit recentere data102Lagerveld et al. (2017) Spatial and temporal occurrence of bats in the southern North Sea area. Wageningen University & Research Report C090/17. blijkt dat de vleermuisactiviteit met name in nachten tussen 25 augustus tot 10 oktober plaatsvindt en dat daarbij ook nog factoren als windrichting en temperatuur van belang zijn.
Tot dusverre is alleen het verhogen van de zogenaamde **cut-in windspeed**103De cut-in-windspeed is de gegeven windsnelheid waarbij de turbine begint te produceren. Onder deze snelheid draait de turbine in vrijloop. De cut-in windspeed varieert per turbinetype, maar ligt doorgaans rond 3,5 m/s. Met een ingreep kan de cut-in-windspeed verhoogd worden. een maatregel gebleken die effectief is in het verminderen van het aantal aanvaringslachtoffers104[http://www.eurobats.org/sites/default/files/documents/pdf/Meeting_of_Parties/MoP7.Record.Annex8-Res7.5-WindturbinesandBatPopulations_adopted.pdf](onbekend). Daarom dient de vergunninghouder in nachten (tussen zonsondergang en zonsopkomst) gedurende de periode 25 augustus tot 10 oktober, de cut-in-windspeed op ashoogte van de turbines (ook) aan te passen aan de temperatuur en windrichting. De cut-in-windspeed is dan (variabel) zoals weergegeven in onderstaande tabel.
Tot dusverre is alleen het verhogen van de zogenaamde **cut-in windspeed**103De cut-in-windspeed is de gegeven windsnelheid waarbij de turbine begint te produceren. Onder deze snelheid draait de turbine in vrijloop. De cut-in windspeed varieert per turbinetype, maar ligt doorgaans rond 3,5 m/s. Met een ingreep kan de cut-in-windspeed verhoogd worden. een maatregel gebleken die effectief is in het verminderen van het aantal aanvaringslachtoffers104[http://www.eurobats.org/sites/default/files/documents/pdf/Meeting_of_Parties/MoP7.Record.Annex8-Res7.5-WindturbinesandBatPopulations_adopted.pdf](http://www.eurobats.org/sites/default/files/documents/pdf/Meeting_of_Parties/MoP7.Record.Annex8-Res7.5-WindturbinesandBatPopulations_adopted.pdf). Daarom dient de vergunninghouder in nachten (tussen zonsondergang en zonsopkomst) gedurende de periode 25 augustus tot 10 oktober, de cut-in-windspeed op ashoogte van de turbines (ook) aan te passen aan de temperatuur en windrichting. De cut-in-windspeed is dan (variabel) zoals weergegeven in onderstaande tabel.
Bij een windsnelheid lager dan de (aangepaste) cut-in-windspeed in nachten in bovengenoemde periode geldt een verhoogde kans op vleermuisactiviteit en daarom brengt de vergunninghouder het aantal rotaties per minuut per windturbine omlaag tot minder dan 2.
@@ -1160,7 +1160,7 @@
Mede vanuit het beleidsdoel om de verslechtering van het mariene ecosysteem om te buigen naar herstel, is in dit besluit een voorschrift voor natuurinclusief bouwen opgenomen (voorschrift 4, zevende lid). Dit voorschrift verplicht de vergunninghouder, indien deze stenen of andere materialen gebruikt als erosiebescherming rondom de fundatie van windturbinepalen, om maatregelen te nemen ter vergroting van de kansen voor van nature in de Noordzee voorkomende soorten en habitats. Op deze wijze draagt het windpark actief bij aan een gezonde zee en het behoud en duurzaam gebruik van soorten en habitats die van nature in Nederland voorkomen, in het bijzonder van soorten en habitats die versterking behoeven. Indien de vergunninghouder geen erosiebescherming rondom de fundatie aanlegt, is dit voorschrift niet van toepassing.
Naar aanleiding van een eerder onderzoek kwamen twee voorkeursrichtingen voor vervolgonderzoek over natuurstimulerende maatregelen in de Noordzee naar voren: het toepassen van natuurstimulerende erosiebescherming bij nieuwe windparken en introductie van platte oesters in windparken. Deze richtingen zijn nader verkend middels een onderzoek naar mogelijkheden voor het toepassen van natuurstimulerende erosiebescherming in windparken op zee (focus op twee ‘paraplusoorten’: platte oester en kabeljauw)113Lengkeek, W., Didderen, K., Teunis, M., Driessen, F., Coolen, J.W.P., Bos, O.G., Vergouwen, S.A., Raaijmakers, T.C., De Vries, M.B. & Van Koningsveld, M. (2017). Eco-friendly design of scour protection: potential enhancement of ecological functioning in offshore wind farms: towards an implementation guide and experimental set-up. Report nr 17-001 Bureau Waardenburg. Culemborg: Bureau Waardenburg. < [http://www.buwa.nl/fileadmin/buwa_upload/Bureau_Waardenburg_rapporten/17-001_Bureau_Waardenburg_report_EcoFriendly_design_scour_protection.pdf](onbekend) >, zie o.a. blz. 19/20, twee onderzoeken naar mogelijkheden voor de ontwikkeling van platte-oesterpopulaties in Nederlandse windparken op zee114Kamermans, P., Van Duren, L. & Kleissen, F. (2018). Flat oysters on offshore wind farms: additional locations: opportunities for the development of flat oyster populations on planned wind farms and additional locations in the Dutch section of the North Sea. Wageningen Marine Research. [http://edepot.wur.nl/456358>](onbekend) en Smaal, A., Kamermans, P., Kleissen, F., Van Duren, L. & Van der Have, T. (2017). Platte oesters in offshorewindparken (POP): mogelijkheden voor de ontwikkeling van platte oester populaties in bestaande en geplande windmolenparken in het Nederlandse deel van de Noordzee. Rapport C035/17 Wageningen Marine Research; Yerseke: Wageningen Marine Research. [http://library.wur.nl/WebQuery/wurpubs/fulltext/412950](onbekend) en een studie naar aanvullende opties voor het natuurinclusief bouwen115Hermans, A., Bos, O., & Prusina, I. (2020). Nature Inclusive Design: a catalogue for offshore wind infrastructure. Technical report. Den Haag: Witteveen+Bos..
Naar aanleiding van een eerder onderzoek kwamen twee voorkeursrichtingen voor vervolgonderzoek over natuurstimulerende maatregelen in de Noordzee naar voren: het toepassen van natuurstimulerende erosiebescherming bij nieuwe windparken en introductie van platte oesters in windparken. Deze richtingen zijn nader verkend middels een onderzoek naar mogelijkheden voor het toepassen van natuurstimulerende erosiebescherming in windparken op zee (focus op twee ‘paraplusoorten’: platte oester en kabeljauw)113Lengkeek, W., Didderen, K., Teunis, M., Driessen, F., Coolen, J.W.P., Bos, O.G., Vergouwen, S.A., Raaijmakers, T.C., De Vries, M.B. & Van Koningsveld, M. (2017). Eco-friendly design of scour protection: potential enhancement of ecological functioning in offshore wind farms: towards an implementation guide and experimental set-up. Report nr 17-001 Bureau Waardenburg. Culemborg: Bureau Waardenburg. < [http://www.buwa.nl/fileadmin/buwa_upload/Bureau_Waardenburg_rapporten/17-001_Bureau_Waardenburg_report_EcoFriendly_design_scour_protection.pdf](http://www.buwa.nl/fileadmin/buwa_upload/Bureau_Waardenburg_rapporten/17-001_Bureau_Waardenburg_report_EcoFriendly_design_scour_protection.pdf) >, zie o.a. blz. 19/20, twee onderzoeken naar mogelijkheden voor de ontwikkeling van platte-oesterpopulaties in Nederlandse windparken op zee114Kamermans, P., Van Duren, L. & Kleissen, F. (2018). Flat oysters on offshore wind farms: additional locations: opportunities for the development of flat oyster populations on planned wind farms and additional locations in the Dutch section of the North Sea. Wageningen Marine Research. [http://edepot.wur.nl/456358>](http://edepot.wur.nl/456358>) en Smaal, A., Kamermans, P., Kleissen, F., Van Duren, L. & Van der Have, T. (2017). Platte oesters in offshorewindparken (POP): mogelijkheden voor de ontwikkeling van platte oester populaties in bestaande en geplande windmolenparken in het Nederlandse deel van de Noordzee. Rapport C035/17 Wageningen Marine Research; Yerseke: Wageningen Marine Research. [http://library.wur.nl/WebQuery/wurpubs/fulltext/412950](http://library.wur.nl/WebQuery/wurpubs/fulltext/412950) en een studie naar aanvullende opties voor het natuurinclusief bouwen115Hermans, A., Bos, O., & Prusina, I. (2020). Nature Inclusive Design: a catalogue for offshore wind infrastructure. Technical report. Den Haag: Witteveen+Bos..
In het voorliggende voorschrift mogen maatregelen voor het zogeheten natuurinclusief ontwerpen en bouwen alleen betrekking hebben op de windparkstructuren zelf (direct gerelateerd aan de op te richten windturbines en erosiebescherming). Het voorschrift stelt op de eerste plaats eisen aan de stabiliteit van de bovenste gradatie (laag) van de erosiebescherming van de turbinefundaties bij minimaal 20 procent van de windturbines in het windpark. Door beweging van erosiebescherming te beperken worden de kansen vergroot voor in of op de bescherming levende organismen. Op de tweede plaats stelt het voorschrift voor die turbines eisen aan de mate waarin holten en spleten worden gecreëerd in de erosiebescherming of middels additionele structuren. Daarvan moet in elk geval kabeljauw kunnen profiteren alsmede ‘begeleidende’ biodiversiteit. Voorbeelden van de in onderdeel c van voorschrift 4, zevende lid, genoemde additionele structuren zijn te vinden in de genoemde studie naar aanvullende opties voor het natuurinclusief bouwen3.
@@ -1290,7 +1290,7 @@
### Voorschrift 4, zesde lid
Maatregelen uit het Beheerplan Voordelta116[https://www.noordzeeloket.nl/images/Natura%202000%20Beheerplan%20Voordelta%202015-2021_5002.pdf](onbekend), het Beheerplan Deltawateren117[http://rwsnatura2000.nl/Gebieden/DW_Deltawateren/documenten+deltawateren/default.aspx#folder=648248](onbekend), Beheerplan Noordzeekustzone118[http://rwsnatura2000.nl/Gebieden/noordzeekustzone/NZKZ_Documenten/default.aspx#folder=389024](onbekend) en Beheerplan Waddenzee119[https://puc.overheid.nl/rijkswaterstaat/doc/PUC_151769_31/](onbekend).
Maatregelen uit het Beheerplan Voordelta116[https://www.noordzeeloket.nl/images/Natura%202000%20Beheerplan%20Voordelta%202015-2021_5002.pdf](https://www.noordzeeloket.nl/images/Natura%202000%20Beheerplan%20Voordelta%202015-2021_5002.pdf), het Beheerplan Deltawateren117[http://rwsnatura2000.nl/Gebieden/DW_Deltawateren/documenten+deltawateren/default.aspx#folder=648248](http://rwsnatura2000.nl/Gebieden/DW_Deltawateren/documenten%2Bdeltawateren/default.aspx#folder%3D648248), Beheerplan Noordzeekustzone118[http://rwsnatura2000.nl/Gebieden/noordzeekustzone/NZKZ_Documenten/default.aspx#folder=389024](http://rwsnatura2000.nl/Gebieden/noordzeekustzone/NZKZ_Documenten/default.aspx#folder%3D389024) en Beheerplan Waddenzee119[https://puc.overheid.nl/rijkswaterstaat/doc/PUC_151769_31/](https://puc.overheid.nl/rijkswaterstaat/doc/PUC_151769_31/).
Het om de volgende rustgebieden:
@@ -1302,9 +1302,9 @@
Platen en rustgebieden in de Waddenzee en Noordzeekustzone staan weergegeven in:
[http://rwsnatura2000.nl/Gebieden/noordzeekustzone/NZKZ_Documenten/default.aspx#folder=389032](onbekend)
[http://rwsnatura2000.nl/Gebieden/noordzeekustzone/NZKZ_Documenten/default.aspx#folder=343139](onbekend)
[http://rwsnatura2000.nl/Gebieden/noordzeekustzone/NZKZ_Documenten/default.aspx#folder=389032](http://rwsnatura2000.nl/Gebieden/noordzeekustzone/NZKZ_Documenten/default.aspx#folder=389032)
[http://rwsnatura2000.nl/Gebieden/noordzeekustzone/NZKZ_Documenten/default.aspx#folder=343139](http://rwsnatura2000.nl/Gebieden/noordzeekustzone/NZKZ_Documenten/default.aspx#folder=343139)
Bij de aanwezigheid van op de platen rustende zeehonden zal een minimale afstand van 1.200 meter aangehouden moeten worden.
@@ -1318,26 +1318,26 @@
Van vrijdag 5 februari 2021 tot en met donderdag 18 maart 2021 heeft het (oorspronkelijke) ontwerpkavelbesluit VI Hollandse Kust (west) voor dit project ter inzage gelegen. De inspraakbundel met de daarop binnengekomen zienswijzen is integraal onderdeel van het besluitvormingsproces en in de onderstaande nota van antwoord worden deze zienswijzen beantwoord. Het ontwerpbesluit is vervolgens op wezenlijke aspecten gewijzigd. In september 2021 is het (herziene) ontwerpkavelbesluit VI Hollandse Kust (west) gepubliceerd op de website van het Bureau Energieprojecten en is de kennisgeving in de Staatscourant van 23 september 2021 (2021, Nr. 40759) gepubliceerd. Het ontwerpkavelbesluit en de daarop betrekking hebbende stukken hebben van 24 september 2021 tot en met 4 november 2021 ter inzage gelegen. Gedurende die periode is eenieder in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen op het ontwerpkavelbesluit. Alle nieuwe ingediende zienswijzen worden ook in deze nota beantwoord.
Dit document bevat een overzicht en een samenvatting van de ontvangen zienswijzen op zowel het oorspronkelijke kavelbesluit VI als het herziene ontwerpkavelbesluit, alsmede de beantwoording daarvan. De volledige geanonimiseerde zienswijzen zijn te vinden op [www.bureau-energieprojecten.nl](onbekend) in de ‘Inspraakbundel, Zienswijzen op ontwerpkavelbesluiten ‘VI en VII in het windenergiegebied Hollandse Kust (west)’, van november 2021. In de bundel is ook een ‘Opzoektabel mondelinge, schriftelijke en digitale zienswijzen/reacties’ opgenomen, waarin met het registratienummer het nummer van de zienswijze kan worden opgezocht. Ook is de kennisgeving in deze bundel opgenomen.
Dit document bevat een overzicht en een samenvatting van de ontvangen zienswijzen op zowel het oorspronkelijke kavelbesluit VI als het herziene ontwerpkavelbesluit, alsmede de beantwoording daarvan. De volledige geanonimiseerde zienswijzen zijn te vinden op [www.bureau-energieprojecten.nl](http://www.bureau-energieprojecten.nl) in de ‘Inspraakbundel, Zienswijzen op ontwerpkavelbesluiten ‘VI en VII in het windenergiegebied Hollandse Kust (west)’, van november 2021. In de bundel is ook een ‘Opzoektabel mondelinge, schriftelijke en digitale zienswijzen/reacties’ opgenomen, waarin met het registratienummer het nummer van de zienswijze kan worden opgezocht. Ook is de kennisgeving in deze bundel opgenomen.
1 MARIN, in opdr. van Pondera Consult, Effecten op scheepvaartveiligheid voor windenergiegebied Hollandse Kust (west), ref. 31909-1-mo-rev.1. 0, 2019.
2 MARIN, in opdr. van Pondera Consult, MEMO Aanvulling effect scheepvaartveiligheid van de herziene kavelindeling HK(west), ref. 31909.602/V1.1, 2021.
3 [www.noordzeeloket.nl/publish/pages/144229/benthic_development_in_and_around_offshore_wind_farm_prinses_amalia_windpark.pdf](onbekend)
4 [www.noordzeeloket.nl/publish/pages/162457/assessment_of_system_effects_of_large](onbekend) scale_implementation_of_offshore_wind_in_the_southern_north_se.pdf
5 Van Duren, L.A., Gittenberger, A., Smaal, A.C., Van Koningsveld, M., Osinga, R., Cado van der Lelij, J.A. & De Vries, M.B. (2016). Rijke riffen in de Noordzee: verkenning naar het stimuleren van natuurlijke riffen en gebruik van kunstmatig hard substraat. Delft: Deltares. Zie: [http://publications.deltares.nl/1221293_000.pdf](onbekend).
6 Lengkeek, W., Didderen, K., Teunis, M., Driessen, F., Coolen, J.W.P., Bos, O.G., Vergouwen, S.A., Raaijmakers, T.C., De Vries, M.B. & Van Koningsveld, M. (2017). Eco-friendly design of scour protection: potential enhancement of ecological functioning in offshore wind farms: towards an implementation guide and experimental set-up. Report nr 17-001 Bureau Waardenburg. Culemborg: Bureau Waardenburg. Zie: [http://www.buwa.nl/fileadmin/buwa_upload/Bureau_Waardenburg_rapporten/17-001_Bureau_Waardenburg_report_EcoFriendly_design_scour_protection.pdf](onbekend).
7 Hermans, A., Bos, O., & Prusina, I. (2020). Nature-Inclusive Design: a catalogue for offshore wind infrastructure: Technical report. Den Haag: Witteveen+Bos. Zie: [https://edepot.wur.nl/518699](onbekend).
3 [www.noordzeeloket.nl/publish/pages/144229/benthic_development_in_and_around_offshore_wind_farm_prinses_amalia_windpark.pdf](http://www.noordzeeloket.nl/publish/pages/144229/benthic_development_in_and_around_offshore_wind_farm_prinses_amalia_windpark.pdf)
4 [www.noordzeeloket.nl/publish/pages/162457/assessment_of_system_effects_of_large](http://www.noordzeeloket.nl/publish/pages/162457/assessment_of_system_effects_of_large) scale_implementation_of_offshore_wind_in_the_southern_north_se.pdf
5 Van Duren, L.A., Gittenberger, A., Smaal, A.C., Van Koningsveld, M., Osinga, R., Cado van der Lelij, J.A. & De Vries, M.B. (2016). Rijke riffen in de Noordzee: verkenning naar het stimuleren van natuurlijke riffen en gebruik van kunstmatig hard substraat. Delft: Deltares. Zie: [http://publications.deltares.nl/1221293_000.pdf](http://publications.deltares.nl/1221293_000.pdf).
6 Lengkeek, W., Didderen, K., Teunis, M., Driessen, F., Coolen, J.W.P., Bos, O.G., Vergouwen, S.A., Raaijmakers, T.C., De Vries, M.B. & Van Koningsveld, M. (2017). Eco-friendly design of scour protection: potential enhancement of ecological functioning in offshore wind farms: towards an implementation guide and experimental set-up. Report nr 17-001 Bureau Waardenburg. Culemborg: Bureau Waardenburg. Zie: [http://www.buwa.nl/fileadmin/buwa_upload/Bureau_Waardenburg_rapporten/17-001_Bureau_Waardenburg_report_EcoFriendly_design_scour_protection.pdf](http://www.buwa.nl/fileadmin/buwa_upload/Bureau_Waardenburg_rapporten/17-001_Bureau_Waardenburg_report_EcoFriendly_design_scour_protection.pdf).
7 Hermans, A., Bos, O., & Prusina, I. (2020). Nature-Inclusive Design: a catalogue for offshore wind infrastructure: Technical report. Den Haag: Witteveen+Bos. Zie: [https://edepot.wur.nl/518699](https://edepot.wur.nl/518699).
8 Boonman, M. (2018). Mitigerende maatregelen voor vleermuizen in offshore windparken: Evaluatie en verbetering van stilstandvoorziening.
9 Kamerstukken I 2020/21, 35 092, nr. E.
10 Kamermans, P., Van Duren, L. & Kleissen, F. (2018). Flat oysters on offshore wind farms: additional locations: opportunities for the development of flat oyster populations on planned wind farms and additional locations in the Dutch section of the North Sea. Wageningen Marine Research; <[http://edepot.wur.nl/456358](onbekend)>.
10 Kamermans, P., Van Duren, L. & Kleissen, F. (2018). Flat oysters on offshore wind farms: additional locations: opportunities for the development of flat oyster populations on planned wind farms and additional locations in the Dutch section of the North Sea. Wageningen Marine Research; <[http://edepot.wur.nl/456358](http://edepot.wur.nl/456358)>.
11 Bureau Waardenburg, Aanvullend natuuronderzoek voor Hollandse Kust (west). Rapport 21-108. 2021.
2022-04-01
Kavelbesluit VI windenergiegebied Hollandse Kust (west) — versión or
original version
Tekst op deze datum