Kavelbesluit VII windenergiegebied Hollandse Kust (west)

Type Ministeriële regeling
Publication 2025-03-22
State In force
Source BWB
artikelen Not indexed
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Belangrijke preventieve maatregelen zijn voorts monitoring en toezicht met sensoren, het kustwachtvliegtuig, kustwachtvaartuigen en watch-officers in het Kustwachtcentrum. De kustwacht zal actief het scheepvaartverkeer in en om de windparken gaan volgen daar waar grotere risico’s worden voorzien. Deze vorm van Vessel Traffic Management/VTM wordt een nieuwe taak voor de kustwacht. Als reactieve maatregel staat een bergingsschip (ETV) stand-by voor de windparken voor de Hollandse Kust. Daarnaast wordt geïnvesteerd in SAR-inzet en in het MIRG.NL-team.66MIRG.NL staat voor Maritime Incident Response Group (NL)-team. Dit is een samenwerkingsverband tussen het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Rijkswaterstaat, Kustwacht Nederland, Koninklijke Marine brandweer, Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR), Gezamenlijke Brandweer en Havenbedrijf Rotterdam. De doelstelling van het MIRG.NL-team is ten tijde van brand aan boord van een schip het voorkomen van een evacuatie van passagiers/bemanning op de Noordzee en daarnaast het voorkomen van escalatie t.b.v. milieu incidenten en scheepvaartstremming.

Als zowel de preventieve als reactieve maatregelen worden ingezet, zijn de gevolgen voor de scheepvaartveiligheid aanvaardbaar.

6.12.4. Voorschriften

De overheid zal sensoren (AIS & radars) installeren in het windpark of aan de randen van het windpark om op de scheepvaart te kunnen toezien en indien nodig te handhaven. Hiertoe is voorschrift 4, elfde lid, aan dit besluit toegevoegd dat regelt dat de vergunninghouder zonder financiële tegenprestatie medewerking verleent bij het installeren van (radar)apparatuur in het windpark, mocht dit aan de orde zijn. Deze apparatuur kan worden geplaatst in de turbines maar ook aan de (buitenkant van de) turbineconstructies. De medewerkingsplicht betreft ook het ter beschikking stellen van constructies aan windturbines voor het bevestigen van de hierboven genoemde apparatuur, zoals beugels en andere draagconstructies, inclusief de verantwoordelijkheid voor het ontwerp daarvan. Ook stelt de vergunninghouder ruimte op de datakabels (glasvezel, dark fibre) vanuit de turbines naar een verzamelpunt (OSS, Offshore SubStation platform) beschikbaar, om de informatie van de sensoren op de juiste plaatsen te krijgen. Daarnaast is geregeld dat de vergunninghouder zonder financiële tegenprestatie meewerkt aan de toegang van de turbines ten behoeve van het beheer en onderhoud van deze apparatuur. Dit betreft bijvoorbeeld het ter beschikking stellen van een vaartuig met bijbehorend personeel, wat niet wegneemt dat het ook mogelijk moet zijn (bijvoorbeeld in het geval van calamiteiten) toegang te krijgen tot de faciliteiten met een eigen vaartuig.

De radarapparatuur wordt op verschillende windparken geplaatst. Deze apparatuur wordt door de rijksoverheid aangeschaft en blijft eigendom van de overheid. De medewerkingsplicht van de vergunninghouder wordt breed opgevat. Er is voor gekozen om de verantwoordelijkheid (inclusief financiële verantwoordelijkheid) voor de bevestiging bij de vergunninghouder neer te leggen omdat bevestigingsconstructies kunnen verschillen per turbinetype. Ook is ervoor gekozen om (kosten verband houdende met) de logistiek bij de vergunninghouder neer te leggen. Op die wijze kan op efficiënte wijze worden aangesloten bij de reguliere beheer- en onderhoudslogistiek van het windpark. Voor zowel plaatsing en installatie als voor het beheer en onderhoud van de apparatuur zal een overeenkomst worden gesloten met de vergunninghouder van het windpark. De ingewonnen data kunnen (op verzoek) beschikbaar worden gesteld aan de vergunninghouder.

Het visueel kunnen waarnemen van een object op zee, zowel overdag als ’s nachts, om de positie te kunnen bepalen, zonder dat hier aanvullende navigatiemiddelen of een eigen lichtbron voor nodig is, draagt bij aan de veiligheid van personen op zee. Met het toenemend aantal windparken op zee en de verwachte beleidswijziging ten aanzien van (nachtelijke) doorvaart neemt de kans op noodsituaties van schepen in windparken toe. In voorschrift 4, tiende lid, is de verplichting opgenomen dat alle turbines zijn voorzien van goed zichtbare nautische herkenningstekens/identificatiecodes die indirect en overkapt zijn verlicht met een eigen lichtbron van lage lichtsterkte. De herkenningstekens zijn met intervallen van 120 graden gepositioneerd op het transitiestuk of de mast. De identificatiecodes zijn duidelijk leesbaar vanaf een positie op 3 meter boven MSL en ten minste 150 meter afstand van de turbine. Door indirecte en overkapte verlichting te gebruiken worden ecologische effecten zo veel mogelijk beperkt.

Het voorschrift betreft een nadere specificering van de in artikel 6.16h van het Waterbesluit opgenomen bepaling dat herkenningstekens voldoen aan de IALA-aanbeveling O-139. Die internationale richtlijn biedt voor wat betreft het zichtbaar maken van identificatiecodes een keuzemogelijkheid tussen het toepassen van indirecte verlichting en het gebruik van retro-reflectief materiaal. Het gebruik van uitsluitend retro-reflectief materiaal, dus zonder verlichting, heeft echter tot consequentie dat de identificatiecode van een turbine niet altijd zichtbaar is zonder externe lichtbron, wat nachtelijke reddingsacties in een windpark kan bemoeilijken. Een snelle en correcte positiebepaling door een schip in nood, juist in de donkere uren, is van essentieel belang voor een succesvolle SAR-inzet. Zoeken naar een schip in nood waarvan bijvoorbeeld de elektriciteitsvoorziening aan boord is uitgevallen, zonder bekende positie en zonder verlichting, is als het zoeken naar een speld in een hooiberg. Hoe langer het duurt om een schip in nood te lokaliseren, hoe kleiner de kans dat een incident een goede afloop kent.

Daarnaast kan de retro-reflectieve werking van materialen verminderen door blootstelling aan de elementen. Het gebruik van (enkel) retro-reflectief materiaal is ook om die reden niet langer wenselijk.

6.13. Morfologie en hydrologie

6.13.1. Beleid

De gevolgen van de bouw, exploitatie en verwijdering van het windpark op de morfologie en de hydrologie ter plaatse is een van de aspecten die in het MER zijn beschreven. Hier is geen specifiek beleid voor opgenomen in de Nederlandse wet- en regelgeving. Gestreefd wordt naar het zo min mogelijk verstoren van de bodem en de hydrologische processen in het gebied.

6.13.2. Gevolgen

In het MER zijn de morfologische en hydrologische processen beschreven. Hiermee wordt bedoeld de wisselwerking tussen de beweging van water, het transport van zand/slib en erosie en sedimentatie. Onderzocht is welke effecten een windpark in kavel VII op deze processen heeft. Meer specifiek zijn de effecten op golven, waterbeweging, waterdiepte en bodemvormen, de bodemsamenstelling, troebelheid en waterkwaliteit, sedimenttransport en op kustveiligheid bepaald.

6.13.3. Afweging

Alle morfologische en hydrologische veranderingen die het gevolg zijn van de aanleg, exploitatie, verwijdering en onderhoud van het windpark zijn, voor zover de huidige kennis inzichten geeft, lokaal, beperkt van omvang en tijdelijk van aard. De veranderingen, voor zover die optreden, zijn zeer gering in vergelijking met de natuurlijke dynamiek van het gebied. Gelet op het bovenstaande heeft het realiseren van een windpark binnen kavel VII geen onaanvaardbare gevolgen voor morfologie en hydrologie.

6.13.4. Voorschriften

Er is geen aanleiding om voor dit onderwerp voorschriften op te nemen in dit kavelbesluit.

6.14. Visserij

6.14.1. Beleid

Het visserijbeleid wordt door de Europese Unie bepaald en is vastgelegd in de Verordening 1380/2013 in het kader van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid. In beginsel kan op het gehele Nederlandse continentaal plat (NCP) worden gevist, behalve in gebieden waar dit verboden is. Verschillende verboden gelden binnen een zone van 500 meter van mijnbouwplatforms, in opgroeigebieden van jonge vis zoals de scholbox67De scholbox is ingesteld ter bescherming van jonge schol. Het is een gebied waarbinnen beperkingen worden gesteld aan de scholvangst. De scholbox is gesloten voor boomkor visserij met schepen met een vermogen van meer dan 300 pk. Het gebied is ongeveer 40.000 vierkante kilometer groot en ligt ten noorden van de Nederlandse en Duitse Waddeneilanden, en ten westen van de Deense Waddeneilanden., in en rondom windparken op zee en boven munitiestortlocaties. Daarnaast gelden in bepaalde delen van Natura 2000-gebieden68Dit betreft delen van de Noordzeekustzone, de Vlakte van de Raan en de Voordelta (Kamerstukken II 2015-16, 33 450, nr. 50). visserijbeperkingen. Deze maatregelen kunnen variëren per vangsttechniek.

Met uitzondering van hengelvisserij zijn thans alle visserijactiviteiten verboden in een windpark. Recent zijn onderzoeken uitgevoerd naar de implicaties van bodemberoerende visserij in windparken.69Ecorys, in opdr. van RVO, Kansen, risico’s en kosten voor de visserij bij toestaan sleepnetvisserij in windenergiegebieden, 2019; Green Giraffe, in opdr. van RVO, LCOE impact of seabed fishing in OWFs, 2019; Primo Marine, Consequences of possible sea-bed fishery in future offshore wind farms, ref. 0509_RVO_WF_FISHING_0001, 2019. Uit de rapporten kan worden geconcludeerd dat visserij met bodemberoerende vistuigen in windparken leidt tot hogere kosten voor windparken. De kostenverhoging houdt verband met het dieper ingraven van kabels zodat deze niet beschadigd worden door vistuig en met de noodzaak van monitoring van de diepteligging van de kabels, en tevens met de hogere verzekeringspremies voor windparkexploitanten en vissers. Deze nadelen zijn groot vergeleken met de opbrengst van de (bodemberoerende) visserij in deze gebieden.

Hoewel visserij met actief vistuig grote implicaties kan hebben in windparken en naar verwachting verboden blijft, worden met experimenten nieuwe mogelijkheden verkend voor visserij met passieve vistuigen, zoals het gebruik van korven voor de vangst van krabben en kreeften. De mogelijkheid bestaat dat deze passieve vormen van visserij in de toekomst onder voorwaarden kunnen worden toegestaan binnen windparken.

6.14.2. Gevolgen

Uit het MER blijkt dat het zuidelijke deel van de Noordzee waarin het windenergiegebied Hollandse Kust (west) gelegen is, samen met het centrale deel het meest beviste gebied in de Noordzee vormt en daarmee een belangrijk gebied is voor de commerciële visserij. Er wordt gevist op demersale vis zoals schol en tong en pelagische vis zoals haring, makreel en horsmakreel. In de kustzone richt de visserij zich voornamelijk op garnalen en schelpdieren.

Het belangrijkste gevolg voor de visserij is ruimteverlies aangezien in het windpark en de bijbehorende veiligheidszone, die zich uitstrekt tot 500 meter rondom het windpark, niet mag worden gevist.70De (doorgaans recreatieve) hengelvisserij is uitgezonderd van het verbod. Dit vanwege gevaar voor zowel de vissersschepen als voor de in het windpark aanwezige installaties en kabels. Het gebied dat verloren gaat voor visserij door de realisatie van een windpark in kavel VII windenergiegebied Hollandse Kust (west) is een gebied met een vangstopbrengst waarvan het geschatte volume varieert van 42.486 kg per jaar71Pondera Consult in MER kavel VII Windenergiegebied Hollandse Kust (west), op basis van: Wageningen Economic Research, in opdr. van Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Wind op Zee; Bepaling van de waarde van geplande windparkgebieden voor de visserij, ref. 2019-011, 2019. voor alleen de demersale visserij tot 82.450 kg per jaar72Eigen berekening, gebaseerd op een gemiddelde opbrengst van 850 kg per km2 als genoemd in MER kavel VII Windenergiegebied Hollandse Kust (west). voor de gehele visserijsector.

Het ruimtebeslag van kavel VII ten opzichte van het totale NCP is gering. De oppervlakte van kavel VII bedraagt netto circa 88 km². Dit betekent dat het, gezien de grootte van het NCP (57.000 km²), een ruimtebeslag van circa 0,15 procent van het NCP betreft. Het verlies aan visgebied zal een beperkte toename van de visserijdruk op resterende visgronden laten zien. Dit effect speelt echter wel tegen de achtergrond dat bij de eerdere kavelbesluiten voor de windenergiegebieden Borssele, Hollandse Kust (zuid) en Hollandse Kust (noord) ook gebiedsafsluitingen voor vissers in het vooruitzicht zijn gesteld.

Daarnaast kan de aanwezigheid van windparken in windenergiegebied Hollandse Kust (west) en elders er toe leiden dat de vaartijd van grotere vissersschepen van de haven naar de visgebieden toeneemt. De eventuele toename van vaartijd is afhankelijk van de thuishaven, de locatie van de visgebieden en de positie van het windpark ten opzichte van thuishaven en visgronden. De toename van de vaartijd van vissersschepen is moeilijk in te schatten omdat de visserijsector niet altijd van vaste vaarroutes gebruik maakt. Door de verwachte aanpassing van het doorvaartbeleid met een verruiming voor schepen tot 46 meter, zowel overdag als ’s nachts, zal de toename in vaartijd enigszins worden beperkt.

6.14.3. Afweging

Vissers die gebruik maken van het gebied waar kavel VII wordt aangewezen, zullen moeten uitwijken naar andere delen van de Noordzee vanaf het moment dat wordt aangevangen met de bouw van een windpark. Om een kwantificering te kunnen maken, is het ruimtebeslag van kavel VII afgezet tegen de totale beschikbare ruimte op het NCP. Hoewel buiten de windparken en andere uitgezonderde gebieden in beginsel overal mag worden gevist, is dit niet de praktijk. Niet alle delen van het NCP zijn van even groot belang voor de visserij. De visserijsector maakt doorgaans gebruik van visbestekken. Dit zijn specifieke voorkeurslocaties waar bepaalde soorten vis vaak worden aangetroffen. In dat verband is het van belang ook naar toekomstige gebiedssluitingen te kijken als gevolg van de uitvoering van de routekaart 2030.

In een onderzoek uit 2019 is de waarde van geplande windenergiegebieden uit de routekaart 2030 voor de Nederlandse demersale visserijsector onderzocht tijdens de periode 2010 tot 201773Onder de routekaart 2030 worden ook begrepen de windparken uit de routekaart 2023. Zie Wageningen Economic Research, in opdr. van Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Wind op Zee; Bepaling van de waarde van geplande windparkgebieden voor de visserij, ref. 2019-011, 2019.. Deze gebieden dragen gemiddeld 1,52 miljoen euro per jaar bij aan de bruto toegevoegde waarde (netto resultaat plus afschrijvingen, rente, lonen en sociale lasten) van de Nederlandse kottervisserij. Hiermee leverden deze gebieden een gemiddelde bijdrage van 1,36 procent aan de Nederlandse kottersector in zijn geheel en 2,65 procent aan de Nederlandse kottersector vissend op het NCP.

De algemene afhankelijkheid van deze gebieden voor de opbrengst van individuele schepen is laag. Kijkend naar de totale opbrengst van individuele schepen is 95 procent van de schepen voor hooguit 5 procent afhankelijk van deze gebieden. Voor 3 procent van de schepen is dat tussen de 5-10 procent, en voor 2 procent van de schepen is dat tussen de 10-25 procent.74Pondera Consult in MER kavel VII Windenergiegebied Hollandse Kust (west), op basis van: Wageningen Economic Research, in opdr. van Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Wind op Zee; Bepaling van de waarde van geplande windparkgebieden voor de visserij, ref. 2019-011, 2019. Voor een individuele visser kunnen de gebiedssluitingen daarmee vergaande consequenties hebben. Er zijn op dit moment echter geen aanwijzingen dat de overblijvende visgronden onvoldoende zouden zijn voor het volledig benutten van de beschikbare landelijke visquota. De efficiëntie van de visvangst kan wel veranderen doordat een andere route gevaren moet worden. Dit kan de winstgevendheid beïnvloeden. De kosten van omvaren als gevolg van de gebiedssluitingen in het kader van de routekaart 2030 worden geraamd op 0,4 tot 1,7 miljoen euro, met de verwachting dat 160 van de 289 schepen zullen moeten omvaren. Dit komt neer op 1,4 tot 5,8 procent van de nettowinst van deze 160 schepen.75Ecorys, in opdr. van RVO, Kansen, risico’s en kosten voor de visserij bij toestaan sleepnetvisserij in windenergiegebieden, 2019.

De gebiedssluitingen voor de visserij kunnen in individuele gevallen grote gevolgen hebben. Dit laatste is echter moeilijk in kaart te brengen omdat geen informatie beschikbaar is over welke vissers specifiek gebruik maken van de betreffende gebieden. Dit komt mede doordat deze informatie uit concurrentieoverwegingen niet wordt prijsgegeven. Het is ook lastig om in zijn algemeenheid in te schatten waar de visserij zich vervolgens zal concentreren. Het ruimtelijk gedrag van vis is moeilijk voorspelbaar en daarmee ook het gedrag van de vissers.

Het Noordzeebeleid is erop gericht om zo efficiënt mogelijk gebruik te maken van de beschikbare ruimte op de Noordzee. Activiteiten en belangen kunnen ruimtelijk conflicteren waardoor keuzes gemaakt moeten worden. Deze keuzes kunnen nadelig zijn voor een bepaalde activiteit. Met de aanwijzing van het windenergiegebied Hollandse Kust (west) in het Nationaal Waterplan is bepaald dat het gebied bestemd is voor duurzame energieopwekking. Daarmee is besloten dat windenergie op zee ter plaatse van kavel VII prioriteit heeft boven andere activiteiten in het gebied, zoals de bestaande visserij. Er is gekozen om vooralsnog het noordelijk en centrale deel van het windenergiegebied Hollandse Kust (west) te gebruiken voor windenergie.

Gelet op het bovenstaande en gezien het nationaal belang van het realiseren van een windpark binnen de kavel worden de gevolgen voor de visserij als aanvaardbaar beschouwd.

6.14.4. Voorschriften

De belangenafweging geeft geen aanleiding om nadere voorschriften aan dit kavelbesluit te verbinden. In het besluit tot instellen van een veiligheidszone op grond van de Waterwet wordt vastgesteld dat schepen onder voorwaarden in het windpark worden toegestaan. Het toestaan van medegebruik en doorvaart voor de visserij kan mogelijk leiden tot aanvullende voorwaarden met betrekking tot de regulering van de toegang tot het windpark en op het gebied van SAR, toezicht en handhaving.

6.15. Medegebruik

In het Nationaal Waterplan 2016-2021 en de onderliggende Beleidsnota Noordzee is meervoudig ruimtegebruik het uitgangspunt. Daarom moet worden nagegaan of medegebruik binnen de windparken mogelijk is. Vormen van medegebruik zijn bijvoorbeeld opwekking en opslag van energie uit zon en getijden, aqua- en maricultuur en natuurontwikkeling. Voor zover het gaat om activiteiten met een vaste constructie op de zeebodem of in de waterkolom voor een langere periode op dezelfde locatie, dient in het kader van de Waterwet een vergunning te worden aangevraagd. In de afweging die volgt op een vergunningaanvraag worden de effecten op het mariene milieu, het windpark en de andere gebruikers van de Noordzee betrokken.

Voor visserij-activiteiten, zoals het voor een korte periode uitzetten van visnetten of visfuiken, bestaat geen vergunningplicht op grond van de Waterwet. Visserij-activiteiten op de Noordzee worden gereguleerd via de visserijwet- en regelgeving. Vooralsnog is op grond van de Beleidsregel instelling veiligheidszone windparken op zee alleen hengelvisserij in windparken toegestaan. Zoals aangegeven in paragraaf 6.14.3 bestaat de mogelijkheid dat passieve vormen van visserij, zoals het gebruik van korven voor de vangst van krabben en kreeften, in de toekomst onder voorwaarden kunnen worden toegestaan binnen windparken op zee.

6.16. Waterkwaliteit

6.16.1. Beleid

De Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) verplicht elke Europese lidstaat tot het vaststellen van een mariene strategie, welke is gericht op bescherming, behoud en herstel van het mariene milieu (een goede milieutoestand van de Noordzee) waarbij tevens een duurzaam gebruik van de Noordzee wordt veiliggesteld. De KRM is geïmplementeerd in het Waterbesluit. Verder is de grondslag van het emissiebeleid vastgelegd in de Wet milieubeheer. Hieruit volgt dat de best beschikbare technieken (BBT) moeten worden toegepast ter bescherming van het milieu.

6.16.2. Gevolgen

De bouw, exploitatie en verwijdering van een windpark heeft geen lozingen van gevaarlijke en/of milieugevaarlijke stoffen tot gevolg. Hooguit zal beperkte diffuse verontreiniging ontstaan door het uitlogen van materialen. In het Waterbesluit zijn regels gesteld aan de technische integriteit van de gehele installatie. Daaruit volgt onder meer dat de stalen constructies worden voorzien van kathodische bescherming zodat corrosie wordt voorkomen. Als opofferingsanodes worden toegepast komen er jaarlijks kleine hoeveelheden aluminium (Al) of zink (Zn) in het zeewater. In het MER is aangegeven dat deze hoeveelheden geen negatieve effecten hebben op het zeemilieu. Verder zullen de masten en turbines zodanig gecoat moeten worden dat ook geen corrosie zal optreden. De oliën die in de gondel worden gebruikt, moeten zijn opgeslagen in gesloten systemen.

6.16.3. Afweging

De bouw, exploitatie en verwijdering van een windpark heeft geen negatieve invloed op de waterkwaliteit van de Noordzee. In het Waterbesluit zijn ook geen aanvullende voorschriften met betrekking tot dit aspect opgenomen. Om te voorkomen dat kathodische bescherming wordt toegepast waarbij zware metalen in het zeewater worden gebracht, wordt daartoe een voorschrift in dit kavelbesluit opgenomen.

6.16.4. Voorschriften

In voorschrift 3, tiende lid, is geregeld dat indien opofferingsanodes als kathodische bescherming worden toegepast ter voorkoming van corrosie van funderingen van windturbines, deze uitsluitend uit legeringen van magnesium of aluminium mogen bestaan. Deze legeringen mogen maximaal 5 gewichtsprocent aan andere metalen bevatten. Het is ook mogelijk om een systeem toe te passen dat gebruik maakt van opgedrukte stroom. Deze technieken worden beschouwd als de best beschikbare technieken voor corrosiebescherming van stalen constructies in zeewater.

6.17. Zand- en schelpenwinning

6.17.1. Beleid

In het Nationaal Waterplan 2016-2021 is vastgelegd dat zandwinning een activiteit van nationaal belang is. Buiten de 12-mijlszone hebben andere activiteiten van nationaal belang voorrang boven zandwinning. Binnen de 12-mijlszone heeft zandwinning prioriteit boven ander gebruik, waaronder activiteiten van nationaal belang. Zandwinning vindt enerzijds plaats ten behoeve van suppleties van het kustfundament en anderzijds voor aanleg- en bouwtoepassingen.

Schelpenwinning is toegestaan in gebieden tot 50 kilometer uit de kust, in water dieper dan -5 meter NAP. De hoeveelheden gewonnen schelpen mogen niet groter zijn dan de natuurlijke aanwas. Schelpen worden toegepast in bouwtoepassingen (isolatiemateriaal) en ter verharding van voet- en fietspaden.

6.17.2. Gevolgen

In kavel VII vindt geen zand- en schelpenwinning plaats. De aanwezigheid van een windpark in kavel VII in het windenergiegebied Hollandse Kust (west) heeft geen effect op de bestaande zand- en schelpenwinningsactiviteiten.

6.17.3. Afweging

Er zijn geen effecten op de zand- en schelpenwinning. Er worden aan dit kavelbesluit geen nadere voorschriften verbonden ten aanzien van het beschermen van de belangen inzake zand- en schelpenwinning.

7. Ecologie

7.1. Leeswijzer

In paragraaf 7.2 worden de rapporten toegelicht die zijn opgesteld ten behoeve van de besluitvorming.

In paragraaf 7.3 worden de gevolgen van de ontwikkeling en exploitatie van een windpark in kavel VII van windenergiegebied Hollandse Kust (west) per soortgroep beschreven. Achtereenvolgens worden voor iedere soortgroep de gevolgen van het eigenstandige project en de gevolgen van het project tezamen met andere plannen en projecten beschreven.

Voor soorten met een instandhoudingsdoelstelling in Natura 2000-gebieden zijn ook de gevolgen opgenomen zoals deze in de Passende beoordeling zijn geanalyseerd. Dit is gedaan voor het voorkeursalternatief, dat wil zeggen: de middels dit kavelbesluit vast te leggen bandbreedte inclusief maatregelen. Deze beschrijving zal gebruikt worden voor de afweging in het kader van de gebiedsbescherming onder de Wet natuurbescherming.

In paragraaf 7.4 is een overzicht opgenomen van de geconstateerde kennisleemtes.

In paragraaf 7.5 is de afweging opgenomen met betrekking tot artikel 7 van de Wet windenergie op zee, die betrekking heeft op de soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming.

In paragraaf 7.6 is de afweging opgenomen met betrekking tot artikel 5 van de Wet windenergie op zee, die betrekking heeft op de gebiedsbescherming onder de Wet natuurbescherming.

In paragraaf 7.7 is de afweging opgenomen met betrekking tot overige relevante beleidskaders en wetgeving.

In paragraaf 7.8 worden de voorschriften beschreven die betrekking hebben op de aanleg, exploitatie en verwijdering van een windpark in kavel VII.

7.2. Kec, mer, passende beoordeling

In de Beleidsnota Noordzee 2016-2021 is bepaald dat toekomstige ruimtelijke besluiten, zoals kavelbesluiten, voor windenergie op zee worden beoordeeld aan de hand van het toetsingskader Ecologie en Cumulatie. Het Rijk heeft een zelfstandig kader ontwikkeld voor de afweging van cumulatie van effecten op beschermde natuurwaarden voor het realiseren van de doelstellingen voor windenergie op zee uit de routekaart 2030. Uitgangspunt is dat, ook in cumulatie, voorkomen moet worden dat significant negatieve effecten kunnen optreden of de staat van instandhouding van beschermde soorten in negatieve zin aangetast kan worden. Cumulatieve effecten zijn in het MER conform dit kader onderzocht en beoordeeld.

Uitgangspunten van het KEC 3.0:

In het KEC 1.1 was mitigatie nog niet in de analyse betrokken. Uit de beoordeling van de effecten zoals berekend in KEC 1.1 bleek dat bij de aanleg en exploitatie van windparken volgens de routekaart voor diverse beschermde soorten significante effecten kunnen ontstaan indien geen mitigerende maatregelen worden genomen. In KEC update versie 2.0 is hier op basis van een aantal ontwikkelingen wel aandacht aan besteed. In het huidige KEC 3.0 is mitigatie wel betrokken in de beoordeling. Bij de verschillende onderdelen is uitgegaan van een ‘basismitigatie’. Daar waar nodig (bijvoorbeeld bij nieuwe inzichten of nieuwe scenario’s) kan deze mitigatie aangepast worden op basis van berekeningen in de MER en PB van het desbetreffende kavelbesluit.

In KEC 3.0 zijn minder soorten bestudeerd dan in het KEC 1.1. De keuze voor vogelsoorten die in het KEC 3.0 (2019) zijn betrokken is bepaald door die soorten te nemen die in KEC 1.1 nabij of op de PBR zaten.

De Commissie m.e.r heeft in 2019 een positief advies uitgebracht naar aanleiding van KEC 3.083https://commissiemer.nl/docs/mer/p33/p3369/a3369_rd.pdf

Het MER geeft inzicht in de milieueffecten van de opstellingsvarianten van windturbines in kavel VII. Bij de in het MER onderzochte bandbreedte is uitgegaan van een ondergrens met een turbine van 10 MW (76 stuks) en een bovengrens met een turbine van 16 MW (47 stuks). Daarnaast is de bandbreedte gedefinieerd op overige relevante aspecten zoals ashoogte, rotordiameter en fundatietype (zie ook hoofdstuk 5).

In het MER wordt in eerste instantie het ORNIS-criterium van 1 procent additionele sterfte als ‘grove zeef’ toegepast om te toetsen of de staat van instandhouding van vogelsoorten in het geding komt. Wanneer de sterfte onder deze 1 procent blijft, kan een effect op de staat van instandhouding van de betreffende populatie uitgesloten worden. Wanneer de voorspelde sterfte de 1 procent overschrijdt, is door middel van de PBR-methode in meer detail bekeken wat de effecten op de populatie zijn.

De cumulatieve aantallen zijn in het geval jan-van-gent, drieteenmeeuw, grote mantelmeeuw, kleine mantelmeeuw, zilvermeeuw, alk en zeekoet gebaseerd op de KEC 3.0 studie (Rijkswaterstaat 2019) en voor de overige soorten op de KEC 1.0 studie (Rijkswaterstaat 2015) en de meest recente actualisaties daarvan (Gyimesi & Fijn 2015b, Gyimesi et al. 2018c).

Negatieve gevolgen op soorten en habitats met een instandhoudingsdoelstelling in beschermde Natura 2000-gebieden zijn in de Passende beoordeling onderzocht.

In de Passende beoordeling is geconcludeerd dat met zekerheid is uitgesloten dat effecten ten aanzien van fytoplankton, bodemfauna, vissen, vislarven en doorwerkende effecten daarvan op visetende broedvogels leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden.

Voor onder meer effecten op vogels en zeezoogdieren heeft een nadere analyse van de effecten plaatsgevonden in de Passende beoordeling. Hierbij is onderzocht of de (cumulatieve) effecten van het initiatief afbreuk doen aan omvang, kwaliteit en draagkracht van de habitats en leefgebieden van soorten met instandhoudingsdoelstellingen binnen die Natura 2000-gebieden. In enkele gevallen gaat het om ruimtelijk beperkte effectrelaties waarvoor een nadere cumulatieve effect analyse heeft plaatsgevonden in aanvulling op de resultaten uit het KEC 3.0. De resultaten staan in paragraaf 7.3 beschreven.

In de Passende beoordeling is in eerste instantie uitgegaan van de volgende bandbreedte in combinatie met bindende mitigerende maatregelen:

In het MER is, waar zinvol, per soortgroep nagegaan wat de mogelijke worst case en best case situatie is zodat inzicht in de bandbreedte aan effecten ontstaat.

Het voornemen bestaat de Bruine Bank aan te wijzen84Stcrt. 2021, nr. 13907. als Natura 2000-gebied met instandhoudingsdoelen voor de dwergmeeuw (opgenomen in bijlage I van de Vogelrichtlijn) en de in het gebied geregeld voorkomende soorten jan-van-gent, grote jager, grote mantelmeeuw, zeekoet en alk.85Het betreft geregeld voorkomende trekvogels waarvoor het gebied van betekenis is als foerageergebied in hun trekzones (als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Vogelrichtlijn). Vanwege deze ontwikkeling zijn de effecten van de windparkontwikkelingen op de mogelijke instandhoudingsdoelstellingen in beeld gebracht in een aanvulling op de Passende beoordeling. Op basis van de resultaten is besloten de bovengrens van het aantal turbines bij te stellen tot 60. Hierbij is uitgegaan van turbines met een vermogen van ten minste 14 MW en een maximaal rotoroppervlak per kavel van 2.624.613 m2.86Bij het onderzoeken van de effecten in de Passende beoordeling zijn beschikbare gegevens gehanteerd van drie reeds ontwikkelde turbines, met een rotordiameter van 220 meter (14 MW), 222 meter (14 MW) en 236 meter (15 MW). Dit is vastgelegd in voorschrift 3.

7.3. Effectbeschrijving

7.3.1. Vogels

In het plangebied komen veel verschillende vogelsoorten voor. Voor de effectbepaling zijn vogels onder te verdelen in drie categorieën:

Tijdens de seizoenstrek vliegen vele vogelsoorten door het windenergiegebied Hollandse Kust (west). Hierdoor lopen zij de kans in aanraking te komen met de turbines. De resultaten van het rekenmodel laten zien dat tot meer dan duizend trekvogels per jaar slachtoffer zullen worden van een windpark in kavel VII windenergiegebied Hollandse Kust (west). Veruit de meeste hiervan zijn zangvogels, bestaande uit verschillende individueel beschermde soorten. Het aantal slachtoffers per soort is echter gering. Er zijn geen effecten op populatieniveau te verwachten. Behalve zangvogels bevinden zich onder de trekvogelslachtoffers enkele tientallen ganzen en zwanen. Verder zullen ook onder eenden, reigers, roofvogels, uilen en steltlopers jaarlijks slachtoffers vallen.

In het KEC 3.087Actualisatie van KEC vogelaanvaring berekeningen volgens Routekaart 2030, https://www.noordzeeloket.nl/publish/pages/157580/actualisatie_van_kec_vogelaanvaring_berekeningen_volgens_routekaart_2030.pdf zijn de cumulatieve effecten ten gevolge van aanvaringen van enkele soorten onderzocht. Het maximale effect is berekend voor de zwarte stern en wulp, waar het cumulatieve effect respectievelijk 98 en 64 procent van de (internationale) PBR bedraagt. Aantasting van de staat van instandhouding ten gevolge van aanvaringen kan daarom voor alle windparken tot 2030 worden uitgesloten.

Als gevolg van een windpark in kavel VII kunnen vogels het gebied mijden of in aanvaring komen met de windturbines. Met name jan-van-genten, zeekoeten en alken kunnen mogelijk het gebied vermijden, waarbij het vermeden gebied zo groot is als kavel VII. Het gaat daarbij maximaal om een gebied van 97 km2. Er is berekend dat 27 zeekoeten en zeven alken door habitatverlies sterven. Onder de jan-van-gent vallen twee slachtoffers door habitatverlies.

Lokale niet-broedende zeevogels zullen geen barrièrewerking ondervinden, omdat voor deze soorten in het windenergiegebied Hollandse Kust (west) geen sprake is van gerichte bewegingen op zee waarvoor een windpark aldaar een belemmering op de vliegroute kan vormen.

Voor verblijvende vogels zijn de cumulatieve gevolgen in het KEC onderzocht via leefgebiedsverlies (vermijding) en aanvaringsslachtoffers. De vermijdingseffecten onder zeevogels zijn het grootst voor zeekoet en alk. Hoewel de effecten van vermijding voor een enkel windpark verwaarloosbaar zijn, is dit niet het geval wanneer bestaande en geplande windparken samen worden beschouwd. Worst case wordt aangenomen dat ten gevolge van het verlies aan leefgebied 10 procent van de dieren die vermijding vertonen sterven. Voor de alk, de meest gevoelige soort voor dit type effect, wordt berekend dat het aantal slachtoffers dat sterft als gevolg van verlies aan leefgebied en aanvaringen in cumulatie neerkomt op ongeveer 27 procent van de PBR. De staat van instandhouding komt hiermee niet in het geding.

De PBR berekeningen laten zien dat bij alle zeevogelsoorten de aantallen aanvaringsslachtoffers veilig onder de PBR-norm blijven, bij zowel het internationale als het nationale scenario. Enkel voor de zilvermeeuw, kleine mantelmeeuw en drieteenmeeuw gaat het om een mortaliteit die hoger is dan 10 procent van het landelijke PBR-niveau (respectievelijk 48, 22 en 10 procent).

In het MER is een cumulatieve mortaliteit berekend door aanvaringen én gebiedsverlies vanuit een worst case benadering, wat resulteerde in kleine verschillen (53, 24 en 16 procent). De staat van instandhouding komt hiermee niet in het geding.

Negatieve effecten op broedende kolonievogels met een instandhoudingsdoel in Natura 2000-gebieden kunnen enkel optreden via zogenaamde externe werking. Vanwege de afstand tot Natura 2000-gebieden kan verstoring worden uitgesloten en gaat het enkel om aanvaringslachtoffers die een binding hebben met Natura 2000-gebieden.

Het maximaal aantal slachtoffers in kavel VII onder kleine mantelmeeuwen uit de kolonie in het Natura 2000-gebied Duinen en Lage Land Texel betreft tien per jaar. Daarmee ligt de jaarlijkse additionele sterfte onder de 1-procent-mortaliteitsnorm. Bovendien is de populatie in het Natura 2000-gebied Duinen en Lage Land Texel thans groter dan het instandhoudingsdoel, waardoor een additionele mortaliteit boven de 1-procent-mortaliteitsnorm niet automatisch zou betekenen dat er significant negatieve effecten zijn op de daar broedende populatie.

In kavel VII in Hollandse Kust (west) zou één kleine zwaan slachtoffer kunnen worden als gevolg van aanvaringen met een windturbine. Een kleine zwaan die kavel VII in windenergiegebied Hollandse Kust (west) passeert kan van veel verschillende gebieden afkomstig zijn in Nederland en in het buitenland. Als de flux van kleine zwanen die kavel VII passeert over alle mogelijke herkomstgebieden wordt verdeeld, zal het jaarlijks slachtoffertal in kavel VII in relatie tot een specifiek Natura 2000-gebied altijd onder één blijven, en zodanig als incidenteel beschouwd kunnen worden. Meer in het algemeen geldt dat vanwege de relatief lage aantallen slachtoffers in kavel VII ten opzichte van bronpopulaties, significant negatieve effecten op Natura 2000 instandhoudingsdoelstellingen van trekvogels zijn uit te sluiten.

Voor de meeste soorten waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, geldt dat de additionele mortaliteit ruim onder de PBR blijft in cumulatie met andere windparken op de zuidelijke Noordzee. Op basis hiervan zijn significante effecten op populaties binnen Natura 2000-gebieden ook in cumulatie op voorhand uitgesloten.

Significante gevolgen zijn ook uit te sluiten voor de kleine zwaan, de trekvogelsoort die de kleinste bronpopulatie (9.986 vogels) kent. In de Nederlandse windparken op zee zullen onder de kleine zwaan jaarlijks in cumulatie twee slachtoffers vallen door aanvaring met een turbine. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat de aantallen slachtoffers onder de kleine zwaan als gevolg van een windpark in kavel VII in windenergiegebied Hollandse Kust (west) in cumulatie met andere windparken in de Nederlandse Noordzee geen significant effect hebben op de instandhoudingsdoelen van de kleine zwaan in Natura 2000-gebieden.

Zoals beschreven in paragraaf 7.2 is in een aanvulling op de Passende beoordeling onderzocht wat de effecten van windparkontwikkelingen in windenergiegebied Hollandse Kust (west) zijn voor de (voorgenomen) aanwijzing van de Bruine Bank als Natura 2000-gebied met mogelijke instandhoudingsdoelstellingen voor de dwergmeeuw, jan-van-gent, grote jager, grote mantelmeeuw, zeekoet en alk. Gelet op de externe werking van het Natura 2000-beschermingsregime is in de beoordeling (voor zover relevant) rekening gehouden met aanvaringsslachtoffers en habitatverlies. Voorzichtigheidshalve is een worst case-aanpak gehanteerd, waarbij nadere eisen zijn gesteld aan het minimale vermogen per turbine, het aantal turbines en het maximale rotoroppervlak per kavel. Deze uitgangspunten zijn bindend vastgelegd in voorschrift 3.

Uit de aanvulling op de Passende beoordeling volgt dat significant negatieve effecten op de Bruine Bank, gelet op de mogelijke instandhoudingsdoelstellingen, uitgesloten kunnen worden. Ook in cumulatie met de in de Passende Beoordeling genoemde windparkontwikkelingen in de zuidelijke Noordzee zijn significant negatieve effecten van Hollandse Kust (west) als gevolg van habitatverlies en aanvaringen op vogels in de Bruine Bank uit te sluiten.

7.3.2. Vleermuizen

Over de aanwezigheid, het gedrag en daarmee ook de gevoeligheid van vleermuizen op zee voor operationele windparken bestaan nog kennisleemtes. Op basis van de beschikbare kennis is duidelijk dat in ieder geval de ruige dwergvleermuis boven de Zuidelijke Noordzee voorkomt. In (veel) mindere mate komen ook de rosse vleermuis en tweekleurige vleermuis voor.

De gegevens die er zijn, suggereren dat vrijwel alle activiteit van vleermuizen op zee plaatsvindt in het voorjaar en vooral in de nazomer in de nacht bij windkrachten onder de 8 m/s. Het merendeel van de vleermuisactiviteit wordt echter gemeten in nachten met windkrachten tot 7,5 m/s.

Mogelijke negatieve effecten van het windpark op vleermuizen hebben vooral betrekking op aanvaringen met windturbines en barotrauma. De worst case aanname is één dode vleermuis per turbine per jaar. Het gaat in dit worst case scenario (76 turbines van 10 MW) om totaal maximaal 76 slachtoffers per jaar ten gevolge van een windpark in kavel VII. Hiervan zullen maximaal 73 slachtoffers vallen onder de ruige dwergvleermuis en twee onder de rosse vleermuis. Onder overige vleermuissoorten kunnen hooguit incidenteel slachtoffers vallen. Aantasting van de staat van instandhouding door het eigenstandige project in kavel VII kan voor alle vleermuissoorten worden uitgesloten, omdat de aantallen ruim onder de PBR voor de betreffende soorten liggen, zelfs indien wordt uitgegaan van een conservatieve schatting van de populaties.

Op dit moment zijn cumulatieve effecten van een windpark in windenergiegebied Hollandse Kust (west) en andere windparken in de zuidelijke Noordzee uitsluitend gebaseerd op sterftecijfers gemeten op land. Onder de in het KEC gedane aanname van één dode vleermuis per turbine per jaar en achtduizend turbines over de gehele Zuidelijke Noordzee, kunnen mogelijk achtduizend extra dode vleermuizen per jaar als slachtoffer vallen. Dit betreft voornamelijk (95 procent) ruige dwergvleermuizen.

Gebaseerd op de huidige kennis, en dan vooral het ontbreken van goede informatie over het voorkomen van vleermuizen op de Noordzee enerzijds en het ontbreken van betrouwbare schattingen van populatiegroottes anderzijds, is het niet uit te sluiten dat in het worst-case scenario negatieve effecten op de staat van instandhouding van de ruige dwergvleermuis zullen optreden. Echter kan met maatregelen het aantal slachtoffers sterk worden beperkt.

Om die reden wordt een voorschrift opgenomen. De hierin vastgelegde maatregel is afgestemd op perioden en omstandigheden met de hoogste activiteit van ruige dwergvleermuizen boven de Noordzee. De staat van instandhouding van de ruige dwergvleermuis blijft in dat geval gewaarborgd. Ook andere vleermuissoorten worden met deze maatregel beschermd. De onderbouwing en uitwerking van dit voorschrift worden nader toegelicht in paragraaf 7.8.3.

Zowel in het MER als in het KEC zijn kennisleemtes geconstateerd ten aanzien van de aanwezigheid en het gedrag van vleermuizen op de Noordzee. In het Windenergie op zee ecologisch programma (Wozep) wordt daarom specifiek aandacht besteed aan het vergroten van de kennis over dit onderwerp.

7.3.3. Bruinvis

Voor de bruinvis, naar alle waarschijnlijk de meest gevoelige zeezoogdiersoort voor onderwatergeluid, zijn de effecten op de populatie in de Zuidelijke Noordzee onderzocht als gevolg van hei-activiteiten. Bij de andere funderingstechnieken die in het MER zijn beschouwd zal minder geluid worden geproduceerd en zullen de effecten minder zijn. Bij het bepalen van de doorwerking van effecten van heigeluid op zeezoogdieren is ervan uitgegaan dat de effecten op het gedrag daarvoor maatgevend zijn. Door het nemen van mitigerende maatregelen (toepassen ‘soft start’ in combinatie met een of meer akoestische afschrikmiddelen (ADD)) wordt voorkomen dat permanente effecten op het gehoor optreden (PTS).

Bruinvissen kunnen over een oppervlak van maximaal 1.062 km2 kilometer een vermijdingsreactie (verstoringsdrempel >140 dB) vertonen als gevolg van de hei-activiteiten voor kavel VII. De gevolgen van deze vermijdingsreactie voor de bruinvispopulatie zijn bepaald door middel van het interim- PCoD 5.0model. Bij het toepassen van het interim- PCoDmodel is gebruik gemaakt van de meest recente inzichten van de ‘Werkgroep Onderwatergeluid89De Werkgroep Onderwatergeluid is op initiatief van Rijkswaterstaat Zee en Delta (toenmalig Dienst Noordzee) begin 2013 opgericht. Deelnemende experts zijn afkomstig van Rijkswaterstaat, Wageningen Marine Research, Universiteit Utrecht, De Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO), SEAMARCO, Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Ministerie van Defensie en HEINIS Waterbeheer en Ecologie. De werkgroep stelt zich tot doel op grond van de meest recente (internationale) inzichten uit onderzoek te komen tot een breed gedragen redeneerlijn voor het inschatten van (cumulatieve) effecten van impulsief onderwatergeluid op (populaties van) zeezoogdieren. Hierbij is wordt gebruik gemaakt van het interim- PCoD model. van SMRU consulting (http://www.smruconsulting.com/products-tools/pcod/ipcod/).. Uit het model volgen op basis van het aantal bruinvisverstoringsdagen de theoretische populatie-effecten. Het aantal bruinvisverstoringsdagen is berekend door het aantal mogelijk verstoorde dieren per dag te vermenigvuldigen met het aantal verstoringsdagen. Het aantal mogelijk verstoorde bruinvissen per dag wordt hierbij berekend door het berekende verstoringsoppervlak te vermenigvuldigen met een schatting van de dichtheid van bruinvissen binnen dat oppervlak. Het aantal verstoringsdagen staat gelijk aan het aantal windturbines, waarbij de aanname is dat een fundering per dag wordt geheid (in twee uur) en de verstoring als gevolg daarvan zes uur duurt.

De populatiereductie door de aanleg van een windpark in kavel VII van windenergiegebied Hollandse Kust (west) bedraagt maximaal veertig dieren, d.w.z. ongeveer 0,08 procent van de Nederlandse bruinvispopulatie. Hierbij is ervan uitgegaan dat een ‘soft start’ procedure wordt toegepast en dat een limiet aan het maximaal te produceren geluidniveau is gesteld op 750 meter van de heilocatie van SELss = 168 dB re 1 µPa2s.

Onderwatergeluidsniveaus als gevolg van operationele windturbines zijn lager dan de geluidsniveaus waarboven de gevoeligste soort, de bruinvis, vermijding vertoont. Negatieve effecten van operationele windturbines op de populatie zijn dan ook uit te sluiten.

Als gevolg van het (gemitigeerde) impulsief geluid dat gepaard gaat in windenergiegebied Hollandse Kust (west) met de constructie van een windpark in kavel VI, een windpark in kavel VII, alsmede twee TenneT-platforms en de benodigde seismische onderzoeken, neemt de bruinvispopulatie op het NCP met grote zekerheid (95 procent) met niet meer dan 103 dieren af, wat overeenkomt met 0,2 procent van deze populatie. Deze maximale effecten zijn te verwachten als alle werkzaamheden in de periode januari – mei plaatshebben, wanneer de bruinvisdichtheid relatief hoog is.

Voorts is in het KEC 3.0 voor de uitvoering van de gehele routekaart 2030 gedurende de periode 2016 – 2030 het cumulatieve effect van impulsief geluid op de bruinvispopulatie op het NCP berekend, waarbij (naleving van) een in de kavelbesluiten vast te leggen universele geluidnorm van SELss (750 m) = 168 dB re 1 μPa2s is verondersteld. Er is daarbij ook rekening gehouden met de aanleg van de TenneT-platforms, het uitvoeren van het benodigde seismische onderzoeken en de bouw van de windparken met inachtneming van een universele geluidsnorm. Dit leidt tot een kans van 95 procent op een reductie van de bruinvispopulatie na 2030 van 865 dieren (= ca. 1,7 procent van de bruinvissen op het NCP). De conclusie, die in het KEC nader is onderbouwd, is dat de bruinvispopulatie deze reductie kan dragen.

In het MER is vastgesteld dat de constructie van de kavels VI en VII van windenergiegebied Hollandse Kust (west) de omvang en kwaliteit van het leefgebied voor bruinvissen in de Natura 2000-gebieden Noordzeekustzone en Vlakte van de Raan niet negatief beïnvloedt. De verstoringscontouren overlappen niet met de Natura 2000-gebieden. Er is geen sprake van directe externe werking. Negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van de bruinvis in de Natura 2000-gebieden Noordzeekustzone en Vlakte van de Raan via indirecte externe werking zijn eveneens uit te sluiten gelet op de eerder beschreven beperkte maximale populatiereductie.

7.3.4. Gewone en grijze zeehond

De aanname is dat beide zeehondensoorten die op het NCP voorkomen, de grijze zeehond en gewone zeehond, minder gevoelig reageren op onderwatergeluid dan de bruinvis. Effecten als gevolg van onderwatergeluid tijdens aanlegwerkzaamheden (hei-activiteiten) zijn daarom beperkter.

Uit het MER blijkt dat tijdens het heien in het windenergiegebied Hollandse Kust (west) voor zeehonden maximaal 219 km2 verstoord gebied kan ontstaan met het toepassen van de genoemde geluidsnorm van SELss (750 m) = 168 dB re 1 μPa2s (verstoringsdrempel >145 dB).

Vermijdingseffecten als gevolg van gemitigeerde hei-activiteiten in kavel VII kunnen zich maximaal voordoen bij 0,05 procent van de populatie op de NCP, wat overeenkomt met zes en vier exemplaren van respectievelijk de gewone zeehond en grijze zeehond. Vanwege het geringe aantal dieren en/of de tijdelijkheid van het effect wordt de staat van instandhouding niet aangetast.

Bij het bepalen van de mogelijke doorwerking van effecten van heigeluid op zeezoogdieren is ervan uitgegaan dat de effecten op het gedrag daarvoor maatgevend zijn en dat door het nemen van mitigerende maatregelen (toepassen ‘soft start’ in combinatie met Acoustic Deterrent Devices (ADDs)) wordt voorkomen dat permanente effecten op het gehoor optreden (PTS).

Zeehonden hebben een kleinere kans om aan impulsief geluid door heien te worden blootgesteld. Op de locaties waar de activiteiten voor de aanleg van de windparken van routekaart 2030 zijn gepland is de gemiddelde dichtheid van bruinvissen namelijk veel groter dan die van de twee, vooral in kustwateren voorkomende, zeehondensoorten. Er is daarom uitgegaan van de resultaten van de berekeningen voor bruinvissen die in het kader van het KEC 3.0 zijn gedaan. Hiermee worden eventuele effecten op zeehonden overschat, aangezien de aanname is dat zeehonden minder gevoelig op onderwatergeluid reageren. Uit de resultaten blijkt dat bij de werkzaamheden voor de aanleg van twee kavels in windenergiegebied Hollandse Kust (west) geproduceerde impulsieve geluid maximaal 0,3 procent van de Nederlandse populatie gewone zeehonden wordt verstoord (uitgaande van volledig plaatstrouwe individuen).

De effecten op zeehonden zijn gering, aangezien zeehonden een relatief hoge drempelwaarde kennen ten aanzien van verstoring in vergelijking met de bruinvis. Maximaal gaat het om elf individuen uit de populatie van het gehele NCP die het verstoringsgebied zullen mijden.

Mede gelet op de maatregel om de geluidsproductie bij heien te verminderen, treden geen geluidsbelastingen op in Natura 2000-gebieden waarbij zeehonden vermijdingsgedrag vertonen. Voor zeehonden treden geen significant negatieve effecten ten gevolge van het realiseren van een windpark in kavel VII in Hollandse Kust (west). De verstoringscontour voor zeehonden reikt, met de toegepaste geluidsnorm, niet tot aan de kust. Migratieroutes tussen de Natura 2000-gebieden Waddenzee en Voordelta worden daardoor niet geblokkeerd als gevolg van onderwatergeluid.

In de Passende beoordeling is, mede gelet op de afwezigheid van overlap tussen de verstoringscontour en de Natura 2000-gebieden met een instandhoudingsdoelstelling voor zeehonden, geconcludeerd dat significante effecten, ook in cumulatie, zijn uitgesloten.

Om negatieve effecten ten gevolge van onderhoudsschepen op de rust-, verhaar- en verblijfplaatsen in Natura 2000-gebieden uit te sluiten wordt een voorschrift opgenomen. Dit voorschrift wordt verder toegelicht in paragraaf 7.8.5.

7.3.5. Vissen

Een aantal vissoorten behoort tot beschermde soorten volgens de EU-Habitatrichtlijn. Het betreft soorten die migreren tussen zoet en zout water. In het algemeen is de kennis over de verspreiding van die soorten in de Noordzee zeer beperkt, maar voor deze beschermde soorten wordt op basis van expert judgement niet verwacht dat het windenergiegebied Hollandse Kust (west) van wezenlijk belang is. Voor Natura 2000-gebieden waar deze soorten een instandhoudingsdoelstelling kennen, zijn de belangrijkste knelpunten voor deze beschermde soorten de kwaliteit en beschikbaarheid van zoetwaterhabitats. Mede om die reden worden significante effecten als gevolg van de aanleg van windparken op deze soorten uitgesloten.

7.4. Leemtes in kennis

In het KEC, het MER en de Passende beoordeling wordt aangegeven dat er verschillende kennisleemtes zijn.

Voor vogels geldt dat er leemtes in kennis zijn over aanvaringsrisico’s, barrièrewerking en verstoring als gevolg van windparken op zee (zowel overdag als ’s nachts). Met name soortspecifieke kennis ontbreekt. Validatie van modellen om aanvaringsslachtoffers te voorspellen op zee ontbreekt. Ook over verstoringsgevoeligheden en verstoringsafstanden van zeevogels zijn nog leemtes in kennis, evenals in hoeverre vogels kunnen wennen aan windparken. Op basis van literatuur is aangenomen dat 10 procent van de verstoorde vogels sterft. Het is momenteel niet bekend in hoeverre deze aanname overeenkomt met de werkelijkheid. Wetenschappers van de Universiteit van Amsterdam werken aan een model dat de intensiteit van trekvogelmigratie op rotorhoogte over de Noordzee kan voorspellen op basis van data die verzameld worden met vogeldetectiesystemen. Wat betreft het gebruik van PBR rijzen ook vragen op en wordt gekeken naar alternatieve risicobeoordelingen (populatiemodellen).

Voor vleermuizen geldt dat er leemtes in kennis zijn ten aanzien van de populatieomvang en soortspecifieke verspreiding. Onbekend is het relatieve belang van de Noordzee voor verschillende soorten vleermuizen en hun veranderingen in gedrag als gevolg van windparken.

Voor vissen en zeezoogdieren ontbreekt kennis over het relatieve belang en de functies van specifieke gebieden op zee.

Een belangrijke kennisleemte met betrekking tot zeezoogdieren betreft de relatie tussen de mate van verstoring van individuele dieren en populatie-effecten. Huidige modellen berusten vooral op expert judgement. Validatie van deze modellen ontbreekt. Voor bruinvissen ontbreken bovendien nauwkeurige basisgegevens van populatieparameters zoals omvang en aantalsverloop door de tijd. Invloed van omgevingsfactoren op gedragsveranderingen van zeezoogdieren als gevolg van onderwatergeluid zijn onbekend.

Er zijn kennisleemtes over effecten op onderwaterleven (gedrag) als gevolg van scheepsgeluid en geluid door seismisch onderzoek. Daarnaast is er een kennisleemte ten aanzien van de effecten van het geluidsspectrum tijdens het heien. Het effect van signaalvorm en frequentie-inhoud op de dosis-effectrelatie van bruinvissen behoeft nader onderzoek. De effecten van trillingen door de zeebodem als gevolg van hei-activiteiten zijn slechts beperkt bekend.

Verder is onbekend in hoeverre grootschalige aanpassing van het Noordzeehabitat veranderingen of verschuivingen teweeg kan brengen in het ecosysteem.

Deze leemtes in kennis zullen niet leiden tot onomkeerbare gevolgen als gevolg van de windparken voor de relevante soorten vanwege het gehanteerde worst case scenario bij het bepalen van effecten van de windparken. Ten behoeve van de geconstateerde kennisleemtes en de effectiviteit van opgenomen mitigerende maatregelen is een monitorings- en evaluatieprogramma gedefinieerd, het Windenergie op zee ecologisch programma (Wozep)90Kamerstukken II, 2015/16, 33 561, nr. 26. Om uitvoering van dit generieke monitoringsprogramma mogelijk te maken is een voorschrift opgenomen (voorschrift 5, eerste lid). Dit voorschrift wordt verder toegelicht in paragraaf 7.8.6. Vanwege het ontbreken van locatiespecifieke kennisleemtes worden in dit besluit geen voorschriften opgenomen die de vergunninghouder verplichten tot het uitvoeren van locatiespecifiek onderzoek.

7.5. Afweging omtrent soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming

7.5.1. Eisen Soortenbescherming

Zoals in paragraaf 2.2 is beschreven, moet er, voordat vrijstelling of ontheffing van de Wet natuurbescherming kan worden verleend, aan drie eisen worden voldaan: de staat van instandhouding van beschermde soorten mag niet in het geding komen, er mag geen andere bevredigende oplossing zijn en er moet sprake zijn van minstens één van de in de wet en/of Europese richtlijnen genoemde belangen. Het beschermingsregime waar de betreffende soort onder valt, bepaalt welk belang van toepassing is.

Alle van nature in het wild voorkomende vogels in Nederland zijn beschermd op grond van artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming en op grond van de Vogelrichtlijn (79/409/EEG). Vleermuizen en de bruinvis zijn beschermd op grond van artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming en zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn (92/43/EEC). De gewone zeehond en de grijze zeehond zijn beschermde inheemse diersoorten onder artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming.

Daarnaast geldt onder de Wet natuurbescherming voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving, zowel beschermd als onbeschermd, de zorgplicht in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Op grond hiervan moet schade aan alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving zoveel als redelijkerwijs mogelijk worden voorkomen.

7.5.2. Vogels

Langs de kust van Nederland vindt twee maal per jaar een trekbeweging van grote aantallen vogels plaats. Deze trek vindt grotendeels boven het land en de kustzone plaats, waarbij het aannemelijk is dat de aantallen trekvogels lager worden naarmate men verder van de kust komt. Veruit het grootste deel van de trekvogels vliegt in de hoogste luchtlagen waardoor geen aanvaring met windturbines is te verwachten. Alleen onder minder gunstige omstandigheden (tegenwind, mist, regen) tijdens de nacht, verplaatsen de vogels zich in de onderste luchtlagen en is de kans op aanvaring met windturbines hoog. Gemiddeld genomen vliegt ongeveer 20 procent van het totale volume aan trekvogels ’s nachts op rotorhoogte van een turbine. Om deze aanvaringen tot een minimum te beperken wordt een specifieke mitigerende maatregel (voorschrift 4, derde lid) ingezet op dagen met (gemodelleerde) massale vogeltrek. Dit voorschrift wordt verder toegelicht in paragraaf 7.8.4.

Ondanks de lagere aanvaringskans door het treffen van de mitigerende maatregel (voorschrift 4, derde lid) is de kans dat onder trekvogelsoorten aanvaringsslachtoffers vallen niet verwaarloosbaar, vanwege de relatief grote aantallen die per soort passeren. Voor deze soorten vallen naar verwachting jaarlijks slachtoffers waarmee sprake is van strijd met artikel 3.1, eerste lid, van de Wet natuurbescherming in samenhang met artikel 7 van de Wet windenergie op zee. De additionele jaarlijkse sterfte als gevolg van aanvaringen blijft voor deze soorten echter ruim beneden het ORNIS-criterium van 1 procent additionele sterfte welke gehanteerd wordt om te bepalen of sprake is van negatieve effecten op populatieniveau. Er is in dit geval dan ook geen sprake van aantasting van de staat van instandhouding van de genoemde soorten.

Er komen verschillende soorten vogels voor die binding hebben met het plangebied. Deze soorten foerageren en rusten in het gebied waardoor dagelijks sprake kan zijn van het passeren van het windpark. Daarom is een mitigerende maatregel zoals voorgeschreven in voorschrift 4, derde lid, ten aanzien van deze soorten niet realistisch. In de bandbreedte is echter wel voorzien dat een kleiner aantal hogere turbines met grotere rotorbladen minder aanvaringslachtoffers veroorzaakt. Daarom wordt in dit besluit een voorschrift opgenomen dat een minimum vermogen van de te bouwen turbines vastlegt. Deze maatregel is verwerkt in voorschrift 3, tweede lid, en wordt verder toegelicht in paragraaf 7.8.1. Ondanks de voorziene brandbreedte is de kans dat onder een aantal verblijvende vogelsoorten aanvaringsslachtoffers vallen niet verwaarloosbaar. Voor deze soorten vallen naar verwachting jaarlijks slachtoffers, waarmee sprake is van strijd met artikel 3.1, eerste lid, van de Wet natuurbescherming in samenhang met artikel 7 van de Wet windenergie op zee. De additionele jaarlijkse sterfte als gevolg van aanvaringen blijft voor de meeste soorten echter beneden het ORNIS-criterium van 1 procent additionele sterfte welke gehanteerd wordt om te bepalen of sprake is van negatieve effecten op populatieniveau. Voor alle verblijvende vogelsoorten ligt de voorspelde sterfte daarnaast ver onder de PBR. Er is in dit geval dan ook geen sprake van aantasting van de staat van instandhouding van de genoemde soorten.

Uit de cumulatie-analyse voor de Nederlandse populaties blijkt dat het aantal slachtoffers onder grote mantelmeeuwen, zilvermeeuwen en kleine mantelmeeuwen ruim onder de PBR-norm blijft. Gezien het worst case scenario dat is gehanteerd in de berekeningen ten aanzien van de tellingen en metingen, aannames in het gedrag van vogels, schattingen over turbinespecificaties en berekeningen van de PBR-normen, wordt geconcludeerd dat ook voor de kleine mantelmeeuw de PBR van de Nederlandse Noordzeepopulatie niet overschreden wordt en dat de Nederlandse Noordzeepopulatie de additionele mortaliteit kan verdragen.

Met name jan-van-genten, zeekoeten en alken kunnen mogelijk het windenergiegebied mijden. In dit gebied wordt gefoerageerd en gemigreerd maar het is een onderdeel van een veel groter gebied waar dit gebeurt. Uit het KEC 3.0 blijkt dat ten aanzien van dit effect van leefgebiedverlies als zodanig geen sprake is van een verstoring die van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van deze soorten.

Onder 140 soorten vogels zullen slachtoffers vallen als gevolg van aanvaringen met windturbines. Dit houdt een overtreding in van het in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet natuurbescherming in samenhang met artikel 7 van de Wet windenergie op zee neergelegde verbod, namelijk het opzettelijk doden van vogels. Door het uitvoeren van de mitigerende maatregel zullen de effecten op vogelsoorten echter zoveel mogelijk voorkomen worden. De staat van instandhouding van de soorten komt met de voorgeschreven mitigerende maatregelen, ook in cumulatie met andere windparken, niet in het geding.

7.5.3. Vleermuizen

Als gevolg van aanvaringen met windturbines kunnen slachtoffers vallen onder vleermuizen. Door middel van de voorgeschreven maatregel kan het aantal slachtoffers onder vleermuizen echter met 40 procent gereduceerd worden (zie voorschrift 4, vierde lid). Daarnaast profiteren de vleermuizen ook van de maatregel waarmee het aantal turbines beperkt wordt (voorschrift 3, eerste lid). Met inbegrip van deze maatregelen wordt de kans dat aanvaringsslachtoffers vallen onder de tweekleurige vleermuis verwaarloosbaar geacht. Voor de ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis worden nog wel jaarlijks slachtoffers verwacht.

Onder de ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis zullen jaarlijks slachtoffers vallen als gevolg van aanvaringen met windturbines. Dit houdt een overtreding in van het in artikel 3.5, eerste lid, van de Wet natuurbescherming en artikel 7 van de Wet windenergie op zee neergelegde verbod, namelijk het opzettelijk doden van de ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis. Door het uitvoeren van de mitigerende maatregel, zoals opgenomen in voorschrift 4, vierde lid, zullen de effecten op de ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis echter zoveel mogelijk worden voorkomen. De staat van instandhouding van de soorten komt niet in het geding.

7.5.4. Zeezoogdieren en vissen

Als gevolg van onderwatergeluid door heien kunnen tijdens de aanlegfase van het windpark negatieve effecten optreden op zeezoogdieren en vissen. Door de voorgeschreven geluidsnorm (beperking geluidsbelasting tijdens de aanlegfase) worden negatieve effecten echter beperkt. Daarnaast wordt, om te voorkomen dat permanente gehoorbeschadiging met mogelijke sterfte als gevolg optreedt bij bruinvissen en zeehonden, in dit besluit een voorschrift opgenomen over het toepassen van een akoestisch afschrikmiddel (ADD) en het starten van het heiproces met een lage hei-energie. Ook in het gebied aanwezige vissen profiteren van deze maatregelen.

Er is door het toepassen van de mitigerende maatregelen geen sprake van het opzettelijk doden van de bruinvis en de gewone en grijze zeehond en daarmee is van een overtreding van verbodsartikel 3.5, eerste lid, en 3.10, eerste lid, onderdeel a, van de Wet natuurbescherming geen sprake.

Vanwege het sporadisch voorkomen van overige zeezoogdieren en vissen beschermd onder artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming én het toepassen van genoemde mitigerende maatregelen is geen sprake van een overtreding van het opzettelijk doden of verstoren als bedoeld in artikel 3.5, eerste en tweede lid, van de Wet Natuurbescherming.

Alleen voor de bruinvis, beschermd onder artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming, is sprake van het verstoren zoals genoemd in artikel 3.5, tweede lid, van de Wet natuurbescherming. Verstoring van bruinvissen als gevolg van onderwatergeluid kan uiteindelijk leiden tot een reductie van de populatie. Hoewel uit het MER blijkt dat door het toepassen van de geluidsnorm de afname van de bruinvispopulatie in grote mate gereduceerd kan worden, omvat de verstoring een betrekkelijk groot gebied. Doordat de verstoring tijdelijk is, zal de bruinvis na de aanleg wel weer gebruik kunnen maken van het gebied. De staat van instandhouding van de bruinvis komt niet in het geding.

Uit het MER blijkt dat de productie van onderwatergeluid tijdens de operationele fase van het windpark lager ligt dan de vermijdingsdrempel van de gevoeligste soort, de bruinvis. Er is daarom geen sprake van leefgebiedsverlies voor zeezoogdieren en vissen. Tijdens de operationele fase zijn daarom geen overtredingen van Wet natuurbescherming te verwachten.

Een gedeelte van het leefgebied van zeezoogdieren zal tijdens de aanlegfase van het windpark tijdelijk niet beschikbaar zijn voor deze soorten. Alleen voor de bruinvis is hierbij sprake van een overtreding van het in artikel 3.5, tweede lid, van de Wet natuurbescherming. Door het uitvoeren van de mitigerende maatregelen (voorschrift 4, eerste en tweede lid) zullen effecten op bruinvissen en andere zeezoogdieren en vissen zoveel mogelijk voorkomen of beperkt worden. De staat van instandhouding van zeezoogdieren komt, ook in cumulatie met andere windparken, niet in het geding.

7.5.5. Conclusie staat van instandhouding

Met de voorgeschreven bandbreedte, maatregelen en geluidsnorm (voorschrift 3 en voorschrift 4, eerste tot en met vierde lid) komt de staat van instandhouding voor geen van de betreffende beschermde soorten in het geding.

7.5.6. Belang van de ingreep

Vervolgens wordt nagegaan of sprake is van één of meer geldige belangen en of sprake is van een andere bevredigende oplossing.

Het doel van het project is om windturbines te exploiteren ten einde elektriciteit op te wekken uit wind, een hernieuwbare bron van energie. Het belang van windenergie ligt in het bijzonder in de bijdrage aan het beperken van de klimaatverandering, de transitie naar hernieuwbare energie en de vermindering van de afhankelijkheid van energie-exporterende landen en het verbeteren van de luchtkwaliteit. Zoals ook in paragraaf 1.1 van de inleiding wordt beschreven zijn op zowel nationaal als Europees niveau afspraken gemaakt over het opwekken van duurzame energie.

Hieronder wordt specifiek ingegaan op de in de Wet natuurbescherming genoemde belangen.

Klimaatverandering kan leiden tot belangrijke economische schade, door overstromingen, weersextremen en beperkingen van zoetwatervoorzieningen, bedreiging van de energievoorziening, vermindering van de beroepsscheepvaart, verandering van productieomstandigheden, toenemend risico op ziekten en plagen en verzilting ten gevolge van een hogere zeespiegel.

Door de overheid is de ambitie vastgelegd van een grootschalige reductie van de CO2-uitstoot ten opzichte van 1990: 49 procent in 2030 en 95 procent in 2050. Deze doelstelling is mede ingegeven door ambities en regels op Europees niveau. Hiertoe zal in de jaarlijkse energiebehoefte moeten worden voorzien door (meerdere typen) hernieuwbare (duurzame) energiebronnen. Ten aanzien van de betreffende bronnen valt te denken aan windenergie (windturbines), zonne-energie (zonnepanelen), biomassa (vergisting), bodem (aardwarmte) en water(kracht). Deze voorgenomen duurzame ontwikkeling en doelstelling zal de komende jaren voornamelijk worden toegeschreven aan windenergie, aangezien dit een van de goedkoopste en makkelijkste manieren is om hernieuwbare energie te produceren. In het Klimaatakkoord van juni 2019 is voor windenergie op zee de doelstelling neergelegd om ten minste 49 TWh te produceren in 2030. Het onderhavige windpark in de Noordzee zal substantieel bijdragen aan de doelstelling. Daarnaast zal Nederland minder afhankelijk zijn van fossiele brandstoffen.

Verder wordt een belangrijk deel van de huidige elektriciteitsvoorziening geleverd door centrales die voor hun productie afhankelijk zijn van koeling door middel van koelwater uit de grote rivieren. Verwacht wordt dat ten gevolge van klimaatverandering de beschikbaarheid van koelwater en daarmee de elektriciteitsproductie in bepaalde perioden sterk zal afnemen. De oorzaken hiervan zijn gelegen in hogere watertemperaturen waardoor minder koelwater mag worden geloosd, specifiek gedurende hittegolven.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)