Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 22 maart 2022, nr. IENW/BSK-2022/51482, houdende vaststelling van regels ter bevordering van de aanschaf, ombouw en innovatie van schoon of emissieloos bouwmaterieel dat wordt gebruikt in de bouw (Subsidieregeling schoon en emissieloos bouwmaterieel)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-01-20
State In force
Source BWB
artikelen 53
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
1.

De Minister verstrekt ambtshalve, gelijktijdig met de beschikking tot subsidieverlening, voorschotten van 90 procent van het totaal verleende bedrag.

2.

Bij subsidies op grond van dit hoofdstuk van meer dan € 200.000,– of waarvan de projectduur een jaar of meer is, geldt dat het eerste voorschot ambtshalve wordt verstrekt binnen twee weken na de datum van de beschikking tot subsidieverlening of binnen twee weken na de in het projectplan aangegeven startdatum, en:

  • a. de daaropvolgende voorschotten ambtshalve worden verstrekt binnen twee weken na 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober; en
  • b. met in achtneming van het eerste lid, het voorschot wordt berekend door het totale voorschotbedrag te delen door het aantal kwartalen in de periode waarover de subsidie is verleend.
3.

De voorschotverstrekking, bedoeld in het tweede lid, wordt opgeschort zolang de rapportage, bedoeld in artikel 4.17, in strijd met dat artikel, niet is ontvangen.

Artikel 4.17. Verplichtingen

1.

De subsidieontvanger dient door middel van een jaarlijkse voortgangsrapportage tijdens de looptijd van het project en een eindrapport met een openbaar gedeelte verslag te doen van de mate waarin het project heeft bijgedragen aan de doelen van deze regeling zoals opgenomen in artikel 1.2, onderdeel c, en 4.1.

2.

In het verslag, bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval opgenomen:

  • a. de mate waarin technologische belemmeringen zijn opgelost;
  • b. de mate waarin organisatorische belemmeringen zijn opgelost;
  • c. de mate waarin wet- en regelgeving als belemmerend is ervaren;
  • d. de invloed die het project heeft gehad op energieverbruik, emissies, kostprijs en toepasbaarheid van de innovatieve techniek ten opzichte van het conventionele alternatief waarvoor deze in de plaats komt.

Artikel 4.18. Subsidievaststelling

1.

De aanvraag tot vaststelling van de subsidie op grond van dit hoofdstuk wordt, onverminderd artikel 4.2, uiterlijk ingediend tot 4 maanden nadat het project is voltooid.

2.

Een aanvraag tot subsidievaststelling op grond van dit hoofdstuk wordt ingediend door middel van een daartoe vastgesteld formulier dat beschikbaar is via de website van RVO.

3.

Bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie wordt in ieder geval het eindrapport verstrekt en overige verplichte verantwoording krachtens artikel 4.17, alsmede een overzicht van de gerealiseerde kosten en een toelichting op afwijkingen ten opzichte van de begroting, het totale bedrag van de gerealiseerde opbrengsten, inclusief bijdragen van derden en het totale bedrag van de gerealiseerde eigen bijdrage.

4.

De subsidieontvanger voegt bij de aanvraag tot subsidievaststelling voor een subsidie van € 125.000 of meer:

  • a. een financiële verantwoording;
  • b. indien de gemaakte kosten 10% of meer afwijken van de onderbouwde begrotingspost van de aanvraag: een toelichting daarop; en
  • c. een controleverklaring.

Artikel 4.19. Betaling

Betalingen van de Minister vinden plaats op een bankrekening die op naam staat van de aanvrager of, in het geval van een samenwerkingsverband, op naam staat van de penvoerder. Het resterende bedrag, na betaling van het voorschot, wordt gelijktijdig met de beschikking tot subsidievaststelling verstrekt.

Artikel 4.20. Gewijzigde vaststelling en terugvordering

Indien niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 4.18 kan de Minister, onverminderd het bepaalde in de artikelen 4:49 en 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht, besluiten de vaststelling van de subsidie te wijzigen en het onverschuldigd betaalde deel van de subsidie terug te vorderen.

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Artikel 5.1. Misbruik en oneigenlijk gebruik

1.

De Minister houdt ter voorkoming van misbruik en oneigenlijk gebruik van subsidie een registratie bij waarin wordt vastgelegd:

  • a. het opleggen van een boete aan een subsidieontvanger op grond van de Wet bestuurlijke boete meldingsplichten door de Minister verstrekte subsidies;
  • c. de aard van de gedragingen die tot maatregelen als bedoeld in onderdelen a en b hebben geleid en, in geval van maatregelen als bedoeld in onderdeel b, het subsidiebedrag dat daarmee is gemoeid;
  • d. de naam- en adresgegevens van de subsidieontvanger jegens wie de maatregelen als bedoeld in de onderdelen a en b, worden getroffen.
2.

De registratie kan worden geraadpleegd door daartoe door de Minister aangewezen ambtenaren die zich bezighouden met het verstrekken van subsidies door de Minister.

3.

De registratie van gegevens vindt plaats voor de duur van drie jaar na de datum van registratie, waarna de betreffende gegevens uit de registratie worden verwijderd.

4.

Indien blijkt dat een aanvrager in de in het eerste lid bedoelde registratie is opgenomen kan de Minister aan de geregistreerde gegevens gevolgtrekkingen verbinden bij de beoordeling van de aanvraag, de in het kader van de subsidieverstrekking op te leggen verplichtingen en de controle op de naleving van die verplichtingen.

Artikel 5.2. Evaluatie

De subsidieontvanger verleent gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling medewerking aan een evaluatie van de effecten van de door hem op grond van deze regeling uitgevoerde activiteiten, voor zover deze medewerking redelijkerwijs van hem kan worden verlangd.

Artikel 5.2. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling schoon en emissieloos bouwmaterieel.

Artikel 5.3. Inwerkingtreding

1.

Deze regeling treedt in werking met ingang van 9 mei 2022.

2.

Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2027, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de voor die datum aangevraagde subsidies.

Bijlage 1. Lijst van bouwmachines en zeegaande bouwvaartuigen, behorende bij artikel 1.1 van de regeling

Hier wordt in een lijst aangegeven welke machines in deze regeling onder de definitie van bouwmachine of zeegaand bouwvaartuig vallen, en daarmee in aanmerking komen voor aanschaf- of retrofitsubsidie, mits de aanvragen voldoen aan alle andere in de regeling vermelde eisen. Vermeldingen zijn per categorie in alfabetische volgorde.

A. Bouwwerktuigen Aanschaf en retrofit emissieloos Retrofit SCR of hermotorisering
Mobiele machines Mobiele machines Mobiele machines
A1.1 asfalt-/betonzagen (rijdend) J J
A1.2 asfaltspreidmachine / asfaltwerkmachine J J
A1.3 asfaltvoorlader J J
A1.4 ballastafwerkmachine J J
A1.5 bestratingsmachine (zelfrijdend) J J
A1.6 beton- of mortelmachine/paver/mobiele 3D printer J J
A1.7 beton- of bentonietpomp (stand-alone) J J
A1.8 bodemstabiliseerder J J
A1.9 bulldozer J J
A1.10 emulsiespuitwagen J J
A1.11 freesmachine voor asfalt of beton J J
A1.12 sondeermachine / sondeertruck / sondeerrups J J
A1.15 gietasfaltketel J J
A1.16 graaflaadcombinatie J J
A1.17 grader/wegschaaf J J
A1.18 funderingsmachine (gemotoriseerd materieel): heimachine / (damwand) drukmachine / trilstelling / vibrostelling J J
A1.19 hoogwerker (zelfrijdend of getrokken) vanaf 46 kW en minimale werkhoogte van 12 meter J N
A1.20 kabeltreklier J J
A1.21 mobiele boorinstallatie/grondboormachine mobiele (anker) boorinstallatie/grondboormachine/gestuurde boring machine/boorrups J J
A1.22 mobiele compressor J J
A1.23 mobiele graafmachine (niet zijnde 'overslagmachine') J J
A1.24 mobiele kraan (telescoopkraan, torenkraan, rupshijskraan, ruwterreinkraan, draadkraan, minihijskraan, dragline-kraan) J J
A1.25 mobiele lopende band (transportband), zelf aangedreven mobiel modulair transportsysteem J J
A1.26 mobiele puinbreekinstallatie J J
A1.27 mobiele zeefinstallatie/grondzeef J J
A1.28 mobiele overslagmachine, rupsoverslagmachine, overslagkraan (niet zijnde statisch en bekabeld elektrisch) J N
A1.29 rupsdumper J J
A1.30 rupsgraafmachine J J
A1.31 ruw terrein heftruck 4x4 aangedreven J J
A1.32 schranklader J J
A1.33 shovel, laadschop, wiellader op banden of rups J J
A1.34 shuttle buggy J J
A1.35 sleepgraver/dragline J J
A1.36 sloopkraan J J
A1.37 teer-/asfaltsproeier J J
A1.38 tractor met motorvermogen vanaf 19 kW J J
A1.39 veegmachine met motorvermogen vanaf 56 kW J J
A1.40 verreiker (star of roterend) J J
A1.41 vlindermachine (uitsluitend ride-on) J J
A1.42 wals (klein, knik-, rol-, banden-, grond-) J J
A1.43 waterwagen bij asfalt en frees J J
A1.44 (weg)markeringsmachine J J
A1.45 wieldumper J J
A1.46 boomverplantingsmachine J J
Vervoerbare industriële uitrustingen Vervoerbare industriële uitrustingen Vervoerbare industriële uitrustingen
A2.1 aggregaat met verbrandingsmotor voor off-grid stroomvoorziening vanaf 560 kW N J
A2.2 aggregaat op wind- of zonne-energie voor off-grid stroomvoorziening (niet hybride met verbrandingsmotor) J N
A2.3 aggregaat voor off-grid stroomvoorziening aangedreven door waterstof of waterstofdragers J N
A2.4 hydraulisch aggregaat J J
A2.5 lasaggregaat J N
A2.6 lichtmastaggregaat/lichtmast (zelf aangedreven) J N
A2.7 mobiel batterijpakket vanaf 50 kWh voor off-grid stroomvoorziening op een bouwlocatie of behorend bij een bouwwerktuig J J1
A2.8 trilplaat/trilblok/stamper J N
A2.9 mobiele (vuil)-waterpomp J N
A2.10 pompen voor baggeren (DOP-pomp, jetpomp, booster-baggerstation) J N
A2.11 vervalt J
A2.12 vliegwiel als vermogensvoorziening J N
A2.13 mobiel DC (gelijkstroom) laadstation op een bouwlocatie mits aangevraagd in combinatie met A2.7 J N
A2.14 mobiele waterstof tankvoorziening J N
Spoorvoertuigen en drijvende werktuigen Spoorvoertuigen en drijvende werktuigen Spoorvoertuigen en drijvende werktuigen
A3.1 Afbrandstuiklasmachine (stomplasmachine) J J
A3.2 ballastreinigingsmachine (hormachine / kettinghor/ MFS-wagon) J J
A3.3 freestrein, spoorse freesmachine J J
A3.4 hefbordeswagen J J
A3.5 inspectietrein J J
A3.6 krol (kraan op lorries), spoorkraan J J
A3.7 meettrein (meetgereedschap specifiek voor op het spoor) J J
A3.8 schuifboot J J
A3.9 slijptrein, spoorse slijpmachine J J
A3.10 machine voor stoppen, na-verdichten en/of afwerken (stopmachine, ballastafwerkmachine, spoorstabilisator) J J
A3.11 vernieuwingstrein (voor spoor of rijdraad) / ombouwtrein, ondergrond-behandeling/sanering-machines J J
A3.12 locomotief met voorziening om onafhankelijk van bovenleiding te kunnen rijden, voorziening om elektrisch railvoertuig onafhankelijk van bovenleiding te kunnen rijden J N
A3.13 werkvlet J J
A3.14 zuigboot J J
A3.15 baggervaartuig voor binnenwateren J N
A3.16 crew transfer vessel J J
A3.17 railwegvoertuig, tweewegvoertuig J J
A3.18 gemotoriseerde lasaanhanger J J

1 Subsidiabel zijn uitsluitend aanvullende verwisselbare batterijpakketten ingediend bij een aanvraag voor ombouw naar een emissieloos bouwwerktuig dat gebruik maakt van verwisselbare batterijpakketten volgens artikel 3.2, eerste lid, onderdeel d.

B. Hulpfuncties
Aanschaf van elektrische aandrijfmotor met een brandstofcel of een niet loodhoudend batterijpakket voor aandrijving van de opbouw van een nieuw of bestaand voertuig, oplegger of spoorvoertuig (inclusief vrachtauto-railvoertuig), zijnde een:
B1.1 autolaadkraan
B1.2 betonmixer
B1.3 betonpomp
B1.4 binnenlader
B1.5 boor
B1.6 front-end cylinder
B1.7 haakarm
B1.8 kabelsysteem
B1.9 kettingsysteem
B1.10 onderwaartse cylinder
B1.11 portaalarmsysteem
B1.12 mobiele kraan (telescoopkraan, torenkraan, rupshijskraan, ruwterreinkraan, draadkraan, minihijskraan)
B1.13 hoogwerker vanaf 46 kW
B1.14 blaas- en zuigsysteem voor zand, grind en schelpen
B2.1 vervallen
Elektrische aandrijfmotor met een brandstofcel of een niet loodhoudend batterijpakket voor aandrijving van hulpfunctie op een vaartuig, niet de voortstuwing, zijnde een:
B3.1 grondpers
B3.2 hei-installatie op een heischip
B3.3 kraan
C. Bouwvoertuigen
Aanschaf van emissieloze N3-vrachtwagen met bakwagenchassis met de volgende carrosseriecodes:
C1. betonmixer (carrosseriecode 15)
C2. betonpompvoertuig (carrosseriecode 16)
C3. boorwagen (carrosseriecode 28)
C4. hoogwerker (carrosseriecode 27)
C5. kieptruck (carrosseriecode 10)
C6. kraanwagen (carrosseriecode 26 of aanduiding SF)
C7. voertuig met haakarm (carrosseriecode 9)
D. Zeegaande bouwvaartuigen
Hermotorisering en ombouw zodat het schip tenminste 25% van zijn energie haalt uit waterstof of ammonia en voldoet aan de IMO MARPOL Tier III emissienorm) van de volgende soorten werkschepen:
D1. ankerbehandelingssleepboten
D2. multifunctionele sleepboot
D3. duwboot
D4. pushbuster
D5. half-afzinkbare duwbakken/pontons
D6. kabellegger / pijpbegravingschip
D7. kraanschip
D8. multifunctioneel werkschip/multicat
D9. offshore/zeegaande installatieschepen
D10. projectladingschip / zwareladingschip
D11. schepen voor bouwondersteuning, bevoorrading, special purpose
D12. (sleep)hopperzuiger
D13. snijkopzuiger
D14. waterinjectiebaggervaartuig
D15. splijthopper
D16. lepelkraanbaggerpontons
D17. steenstortschip/valpijpschip

Hier wordt in een lijst aangegeven welke machines in deze regeling onder de definitie van bouwmachine of zeegaand bouwvaartuig vallen, en daarmee in aanmerking komen voor aanschaf- of retrofitsubsidie, mits de aanvragen voldoen aan alle andere in de regeling vermelde eisen. Vermeldingen zijn per categorie in alfabetische volgorde.

A. Bouwwerktuigen

1 Het gaat hierbij om aanvullende verwisselbare batterijpakketten ingediend bij een aanvraag voor ombouw naar een emissieloos bouwwerktuig dat gebruik maakt van verwisselbare batterijpakketten volgens artikel 3.2, eerste lid, onderdeel e.

In deze bijlage wordt geschetst waaraan retrofit SCR en retrofit SCR + DPF1SCR – Selective Catalytic Reduction; DPF – Diesel Particulate Filter ofwel roetfilter systemen moeten voldoen in het kader van deze regeling. Het protocol omvat de typegoedkeuring en enkelstukskeuring.

2. Subsidievoorwaarde: typegoedkeuring of enkelstukskeuring

2. Subsidievoorwaarde: typegoedkeuring of enkelstukskeuring

2.1. R132 typegoedkeuring mobiele werktuigen 19 – 560 kW (en bouwvoertuigen)

Bijlage 3. – Protocol voor typegoedkeuring UNECE R132 en enkelstukskeuring ISO 8178, behorende bij de artikelen 3.6 en 3.11 van de regeling.

Bijlage 3. – Protocol voor typegoedkeuring UNECE R132 en enkelstukskeuring ISO 8178, behorende bij de artikelen 3.6 en 3.11 van de regeling.

2. Subsidievoorwaarde: typegoedkeuring of enkelstukskeuring

De vermogensklassen zijn als volgt gedefinieerd (op basis van Stage IIIA vermogensklassen):

2.1. R132 typegoedkeuring mobiele werktuigen 19 – 560 kW (en bouwvoertuigen)

R132 is ontwikkeld voor roetfilters (DPF), SCR-katalysatoren en gecombineerde systemen voor wegvoertuigen en voor mobiele werktuigen inclusief landbouwmachines. Voor mobiele werktuigen is het van toepassing voor machines met een dieselmotor met variabel-toerental-aandrijving met een vermogensrange van 18 – 560 kW.

2.1. R132 typegoedkeuring mobiele werktuigen 19 – 560 kW (en bouwvoertuigen)

Een typegoedkeuring moet afgegeven zijn door een typegoedkeuringsautoriteit en de volgende onderdelen bevatten:

Belangrijke technische eisen omvatten:

In verband met het toepassingsgebied moet de leverancier de volgende eigenschappen definiëren en inzichtelijk maken:

De enkelstukskeuring is vooral bedoeld voor mobiele werktuigen boven 560 kW of voor generatorsets, maar kan daarnaast ook toegepast worden voor mobiele werktuigen van 19 tot 560 kW (en voor bouwvoertuigen).

De enkelstukskeuring is vooral bedoeld voor mobiele werktuigen boven 560 kW of voor generatorsets, maar kan daarnaast ook toegepast worden voor mobiele werktuigen van 19 tot 560 kW (en voor bouwvoertuigen).

Om in aanmerking te komen voor subsidie op basis van enkelstukskeuring moet een aanvrager aantonen dat het nabehandelingssysteem een emissietest heeft doorlopen door een gecertificeerd meetbedrijf volgens de ISO8178 testprocedure en testcycli, waarbij wordt voldaan aan de limietwaarden die in hoofdstuk 3 van deze bijlage worden beschreven. Te meten parameters omvatten minimaal NOx en NH3, en indien een roetfilter is toegevoegd, tevens PM- en PN-emissies. De meetprincipes dienen in lijn te zijn met ISO8178 Part 1 of 2 en de Stage V-normen.

Naar keuze kan een proefstandtest worden uitgevoerd volgens ISO8178 Part 1, of een meting op de machine in de praktijk volgens ISO8178 Part 2. De van toepassing zijnde testcyclus dient gebaseerd te zijn op ISO 8178-4. Afhankelijk van het belastingpatroon van de motor wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende testcycli (zie ook Bijlage B):

Het meetbedrijf dient de best passende testcyclus te kiezen in overleg met de machine eigenaar of de leverancier van het nabehandelingssysteem. Hierbij wordt rekening gehouden met de technische mogelijkheid om de meetpunten te realiseren op het betreffende mobiele werktuig.

In plaats van de stationaire test volgens de ISO 8178 part 4 testcyclus mogen de NOx- en NH3-emissies ook in de praktijk gemeten worden met een onafhankelijk meetsysteem (niet de sensoren op het systeem zelf) gedurende minimaal 4 uur in normaal bedrijf. Dit mag met sensor based equipment worden uitgevoerd (zie hoofdstuk 3).

3. Limietwaarden

Er moet voor de typegoedkeuring en voor de enkelstukskeuring voldaan worden aan de hieronder omschreven limietwaarden voor NOx, NH3 en indien een roetfilter wordt gemonteerd, PM en PN, om in aanmerking te komen voor subsidie. De limietwaarde geldt zowel voor de enkelstuksmeting als voor de R132 typegoedkeuringstest. Voor de typegoedkeuring is dat een aanvullende eis bovenop de reguliere R132-eis van minimaal 60% NOx reductie en minimaal 90% PM reductie. Er wordt onderscheid gemaakt tussen een proefstandtest (stationair en dynamisch), een stationaire test in de praktijk en een dynamische test in de praktijk. Voor de laatste geldt een 25% hogere limietwaarde. Zie onderstaande tabel 1.

Voor de enkelstuksmeting kan een NOx-meting in de praktijk gedaan worden tijdens normaal (dynamisch) gebruik (als alternatief voor de stationaire test volgens een ISO part 4 testcyclus). De NOx-eis voor de machine of wegvoertuig is dan 150% van de limietwaarde van de motorproefstandtest. De meetprocedure is in lijn met de In Service Monitoring meetprocedure voor NRMM vastgelegd in reglement EU 2017/655. Volgens dit protocol worden periodes van stationair draaien en lage motorbelasting (<10%) niet meegeteld in het emissiegemiddelde. Dit is gedaan omdat de NOx-emissielimiet voor lage motorbelasting niet toepasbaar is (de motor produceert dan wel NOx-emissie maar weinig of geen arbeid). Deze systematiek wordt overgenomen voor de subsidieregeling SSEB. Volgens het reglement wordt de meetprocedure uitgevoerd met een PEMS-meetsysteem. Voor deze regeling mag ook gebruik gemaakt worden van een eenvoudiger sensor-based systeem aangeduid met SEMS of CEMS (Smart Emissions Monitoring System of Continuous Emissions Monitoring System). De praktijktest duurt minimaal 4 uur. In tabel 1 is een overzicht gegeven voor de limietwaarden per vermogensklasse inclusief de limietwaarde in de praktijk in g/kg CO2. Deze equivalente NOx-eis in g/kg CO2 is bepaald op basis van een nominale motorefficiency en koolstofgehalte van de brandstof (zie hoofdstuk 7).

1150% van de limietwaarde van de stationaire test.

Tevens moet worden voldaan aan een emissie-eis voor NH3-emissies die als volgt wordt bepaald:

Eenvoudig rekenkundig gemiddelde concentratie (zonder weging met belasting of flow): maximaal 10 ppm NH3 op basis van een 20 min voortschrijdend gemiddelde, alsmede pieken kleiner dan 25 ppm op basis van 60 s gemiddelde. Bij de stationaire test wordt de NH3-emissie continue gemeten, ook tijdens de belastingwisselingen tussen de verschillende stationaire punten. Indien gekozen wordt voor een praktijktest, dan wordt NH3 eveneens continue gemeten.

3. Limietwaarden

Als een dynamische praktijktest uitgevoerd wordt, de zogenaamde PEMS-PN-test die onderdeel is van Stage V-normering, dan mag een toeslag van 25% gehanteerd worden op de NOx en PN-limietwaarde. PM-emissie behoeft in dat geval niet gemeten te worden. Er moet dan minimaal 4 uur in normaal bedrijf gemeten worden.

In onderstaand tabel is een overzicht gegeven van de verantwoordelijkheden en rollen van de verschillende stakeholders.

In onderstaand tabel is een overzicht gegeven van de verantwoordelijkheden en rollen van de verschillende stakeholders.

Eenvoudig rekenkundig gemiddelde concentratie (zonder weging met belasting of flow): maximaal 10 ppm NH3 op basis van een 20 min voortschrijdend gemiddelde, alsmede pieken kleiner dan 25 ppm op basis van 60 s gemiddelde. Bij de stationaire test wordt de NH3-emissie continue gemeten, ook tijdens de belastingwisselingen tussen de verschillende stationaire punten. Indien gekozen wordt voor een praktijktest, dan wordt NH3 eveneens continue gemeten.

Retrofit SCR-systemen worden al regelmatig toegepast in de zeescheepvaart. Het betreft dan bijvoorbeeld baggerschepen of patrouilleschepen. De lage NOx-emissies zijn dan belangrijk in verband met het gunnen van de aanbesteding of voor de directe luchtkwaliteit in havengebieden. Daarnaast wordt SCR ook toegepast op schepen welke varen op Noorwegen, omdat daar middels het NOx-fund een compensatie gekregen kan worden op de havengelden.

Retrofit SCR-systemen worden al regelmatig toegepast in de zeescheepvaart. Het betreft dan bijvoorbeeld baggerschepen of patrouilleschepen. De lage NOx-emissies zijn dan belangrijk in verband met het gunnen van de aanbesteding of voor de directe luchtkwaliteit in havengebieden. Daarnaast wordt SCR ook toegepast op schepen welke varen op Noorwegen, omdat daar middels het NOx-fund een compensatie gekregen kan worden op de havengelden.

Zeeschepen, in dit geval zeegaande bouwvaartuigen, hebben over algemeen een aantal motoren aan boord: voor de schroefaandrijving, voor de belangrijkste hulpfunctie (bijvoorbeeld pompen, baggeren) en voor boordelektriciteit en boegschroeven. Ook bij een schip met dieselelektrische aandrijving is sprake van een aantal motoren (generatorsets). De hulpfuncties worden in dat geval elektrisch aangedreven. Afhankelijk van de inzet van de motoren kan SCR op een deel van de motoren of eventueel op alle motoren worden toegepast.

5.2. Emissiekeuring

Om in aanmerking te komen voor SSEB-subsidie moet een aanvrager aantonen dat de NOx-limietwaarde gerealiseerd wordt in een emissietest.

5.1. Inleiding

5.1. Inleiding

Afhankelijk van het type aandrijving dient gebruik gemaakt te worden van verschillende ISO8178 Part 4 testcycli (zie ook hoofdstuk 7):

De best passende testcyclus bij het belastingpatroon in de praktijk dient gebruikt te worden. Het meetbedrijf dient de best passende testcyclus te kiezen in overleg met de machine eigenaar of de leverancier van het nabehandelingsysteem, rekening houdend met de technische mogelijkheid om de meetpunten te realiseren op het vaartuig.

De aanvrager dient te beschikken over een nauwkeurige systeembeschrijving van de motor(en) en het nabehandelingssysteem, die op verzoek van de Minister kan worden opgevraagd (artikel 3.11, lid 1c):

5.3. Limietwaarden

De limietwaarde voor NOx komt overeen met de IMO MARPOL Tier III eis.

De limietwaarde voor NOx komt overeen met de IMO MARPOL Tier III eis.

De NOx-waarde van deze eis is afhankelijk van het maximale motortoerental. Het maximale motortoerental wordt vooral bepaald door de cilinderinhoud per cilinder: naarmate deze groter is, is het maximaal toerental lager. De limietwaarde is weergegeven in onderstaande tabel. Voor een motor met een maximaal toerental van 720 RPM is deze bijvoorbeeld 2,4 g/kWh.

In de praktijk kan een schipeigenaar kiezen voor een (veel) lagere NOx-waarde, omdat dat technisch haalbaar is en ook een gunningsvoordeel voor opdrachten kan opleveren.

Tevens moet worden voldaan aan een emissie-eis voor NH3-emissies die als volgt wordt bepaald:

De eis voor emissiemonitoring bestaat uit het verstrekken van de bunkernotes van dieselbrandstof en ureumoplossing inclusief globale inzet gegevens:

6. Berekening NOx-emissies

Limietwaarde NOx voor praktijktest

Limietwaarde NOx voor praktijktest

De limiet waarde in g/kWh wordt omgerekend in g/kg CO2 op basis van een nominale motorefficiency en de specifieke CO2-emissie:

Waarin:

6. Berekening NOx-emissies

Substitutie van deze getallen in de formule geeft:

6. Berekening NOx-emissies

Waarin de molecuulmassa wordt gehanteerd:

De CO2 concentratie kan berekend worden aan de hand van de O2-concentratie van de NOx-sensor.

Waarin voor CO2 conc max 14,1% gesubstitueerd kan worden (op basis van een koolstofinhoud van de brandstof van 86%), en waarbij 20.8% de typische zuurstofconcentratie in de lucht is, in de nabijheid van uitlaatgassen.

De berekening van de gemiddelde NOx-emissie in gram per kg CO2 gedurende een bepaalde periode) wordt gemaakt op basis van een simpele berekening van de totale NOx-emissie en de totale CO2-emissie en die op elkaar te delen. Er wordt hierbij aangenomen dat de uitlaatgas-massastroom lineair proportioneel is met het motortoerental, N. De periode kan 1 dag zijn of het voortschrijdend gemiddelde van 100.000 s, waarbij ook onderscheid gemaakt wordt tussen belast en onbelast. De formule ziet er als volgt uit:

Na invulinning van de moleculaire massa’s, wordt deze verder vereenvoudigd naar:

Het brandstofverbruik kan als maat gebruikt worden voor de motorbelasting (% load = % max vermogen). Bij variabel-toerental-aandrijvingen, kan het load% gelijk aan 0% gesteld worden bij ca 3% van het max brandstofverbruik. De 3% is nodig om de interne wrijving van de motor te overwinnen bij een laag toerental. Dat leidt tot de volgende benadering voor het load-%:

Bij constant-toerental-aandrijving, is de interne wrijving, en verliezen, hoger, omdat het toerental hoger is. In dat geval kan uitgegaan worden van een verlies% van 5% tot 10%.

In (Ligterink, 2018) is bepaald dat de CO2-emissie en dus ook het brandstofverbruik een min of meer lineaire functie is van het motortoerental bij gebruikelijke mobiele werktuigen zoals graafmachines, zijladers en tractoren. Zie onderstaande grafiek, hetgeen het gemiddelde is van de vier onderzochte machines in (Ligterink, 2018). Deze relatie is afhankelijk van de motorconfiguratie, de regelstrategie en de inzet.

Testcycli met weegfactoren per meetpunt

Testcycli met weegfactoren per meetpunt

Bron: https://dieselnet.com/standards/cycles/iso8178.php

ECE, 2015

ECE, 2015

Addendum 131 – Regulation No. 132: Uniform provisions concerning the approval of Retrofit Emission Control devices (REC) for heavy duty vehicles, agricultural and forestry tractors and non-road mobile machinery equipped with compression ignition engines

7. Testcycli ISO8178 Part 4

Ligterink, 2018

Ligterink, N., R. Louman, E. Buskermolen & R. Verbeek (2018), De inzet van bouwmachines en de bijbehorende NOx en CO2-emissies, TNO 2018 R10 465, Den Haag: TNO.

8. Referenties

N.E. Ligtering, E. v. Eijk, Geoff C. Holmes: MaVe actie EMPK mobiele werktuigen. TNO memo nr. 2021-STL-MEM-100340343. Datum 24 juni 2021

MEPC, 2008

IMO Resolution MEPC 177(58), Amendments to the Technical Code on control of emission of Nitrogen oxides from marine diesel engines, NOx Technical Code 2008, 10 October 2008.

Vermeulen, 2021

R.J. Vermeulen, N.E. Ligterink, P.J. van der Mark: ‘Real-world emissions of non-road mobile machinery. TNO report: TNO 2021 R 10221. February 2021.

N.E. Ligtering, E. v. Eijk, Geoff C. Holmes: MaVe actie EMPK mobiele werktuigen. TNO memo nr. 2021-STL-MEM-100340343. Datum 24 juni 2021

MEPC, 2008

IMO Resolution MEPC 177(58), Amendments to the Technical Code on control of emission of Nitrogen oxides from marine diesel engines, NOx Technical Code 2008, 10 October 2008.

Vermeulen, 2021

R.J. Vermeulen, N.E. Ligterink, P.J. van der Mark: ‘Real-world emissions of non-road mobile machinery. TNO report: TNO 2021 R 10221. February 2021.

R.J. Vermeulen, N.E. Ligterink, P.J. van der Mark: ‘Real-world emissions of non-road mobile machinery. TNO report: TNO 2021 R 10221. February 2021.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

1. Inleiding

1. Inleiding

Bijlage 2. – Beoordelingscriteria projecten experimentele ontwikkeling en maximale puntentoedeling, behorende bij de artikelen 4.8 en 4.18 van de regeling.

Criterium Omschrijving Punten Techn. ontw. Punten Praktijk- ervaring Punten Praktijk- ervaring
Onderwerp TOTAAL: 20 20 20
1. Technische ontwikkeling. De mate waarin het project door technische ontwikkeling bijdraagt aan een versnelling van de beschikbaarheid en/of inzetbaarheid van emissieloze bouwmachines in Nederland. 20 0 0
2. Praktijkervaring. De mate waarin het project leidt tot praktische kennis over de inzet van emissieloze bouwmachines in samenhang met de realisatie van laad- of tankvoorzieningen en overige aspecten van het bouwproces zoals rolverdeling, verzekeringen, contracten, opleiding, regelgeving, etc. De mate waarin hiermee verband houdende uitdagingen en knelpunten worden geïdentificeerd en geadresseerd binnen het project. 0 20 20
Impact TOTAAL: 50 40 40
3. NOx-reductie. De mate waarin het project leidt tot een reductie in de NOx-uitstoot in de bouwsector. Zowel de directe NOx-reductie per machine als de potentiële reductie van het machinepark in 2025 moet in de projectomschrijving aangegeven worden in ton NOx-reductie. 20 10 10
4. Vervolgpotentieel. Het potentieel dat het projectresultaat een vervolg krijgt in nieuwe projecten van de projectpartners en partijen die niet bij het project betrokken zijn en de bijdrage die dit (binnen 1 jaar na afloop van het project) levert aan de doelstelling van de regeling, in het bijzonder NOx-reductie in de bouwsector. 20 20 20
5. Kennisoverdracht. De mate waarin het project leidt tot kennisoverdracht en opgedane kennis en inzichten hierdoor beschikbaar komen voor stakeholders binnen en buiten de bouwsector. 10 10 10
Kwaliteit TOTAAL: 30 40 40
6.Kwaliteit van de doelstellingen. De kwaliteit van de doelstellingen van het project in relatie tot de doelstellingen van de regeling: technologie-, innovatie- en kennisontwikkeling gericht op een reductie van de emissie van NOx, CO2, en fijn stof (PM2,5 en PM10) in de bouwsector (zie art. 1.2 c van de SSEB regeling). 10 10 10
7. Snelheid van het project. De mate waarin het project, met behoud van kwaliteit, op korte termijn tot resultaten leidt en daarmee bijdraagt aan het versnellen van de ontwikkeling en/of inzetbaarheid van emissieloze bouwmachines eventueel gecombineerd met oplaad en tankinfrastructuur (zie art. 4.1 a van de SSEB-regeling). 5 5 5
8. Projectmanagement. De kwaliteit en efficiëntie van de uitvoering van het project, opvolging en rapportage, risicobeheer, financieel management en stakeholder-management. 5 5 5
9. Begroting en kosteneffectiviteit. De kwaliteit van de begroting, en in de onderbouwing dat de deelnemers hun eigen aandeel in het project kunnen financieren. De verhouding tussen de opgevoerde kosten, de omschreven activiteiten, de geplande duur en de impact van het project. 5 5 5
10. Samenwerking. De mate en wijze van samenwerking tussen verschillende (keten)partners, en de bijdrage die dit levert aan de kwaliteit van het project. 5 15 15
TOTAAL 100 100 100

Bijlage 2. – Beoordelingscriteria projecten experimentele ontwikkeling en maximale puntentoedeling, behorende bij de artikelen 4.8 en 4.18 van de regeling.

Criterium Omschrijving Punten Techn. ontw. Punten Praktijk- ervaring Punten Praktijk- ervaring
Onderwerp TOTAAL: 20 20 20
1. Technische ontwikkeling. De mate waarin het project door technische ontwikkeling bijdraagt aan een versnelling van de beschikbaarheid en/of inzetbaarheid van emissieloze bouwmachines in Nederland. 20 0 0
2. Praktijkervaring. De mate waarin het project leidt tot praktische kennis over de inzet van emissieloze bouwmachines in samenhang met de realisatie van laad- of tankvoorzieningen en overige aspecten van het bouwproces zoals rolverdeling, verzekeringen, contracten, opleiding, regelgeving, etc. De mate waarin hiermee verband houdende uitdagingen en knelpunten worden geïdentificeerd en geadresseerd binnen het project. 0 20 20
Impact TOTAAL: 50 40 40
3. NOx-reductie. De mate waarin het project leidt tot een reductie in de NOx-uitstoot in de bouwsector. Zowel de directe NOx-reductie per machine als de potentiële reductie van het machinepark in 2030 moet in de projectomschrijving aangegeven worden in ton NOx-reductie. 20 10 10
4. Vervolgpotentieel. Het potentieel dat het projectresultaat een vervolg krijgt in nieuwe projecten van de projectpartners en partijen die niet bij het project betrokken zijn en de bijdrage die dit (binnen 1 jaar na afloop van het project) levert aan de doelstelling van de regeling, in het bijzonder NOx-reductie in de bouwsector. 20 20 20
5. Kennisoverdracht. De mate waarin het project leidt tot kennisoverdracht en opgedane kennis en inzichten hierdoor beschikbaar komen voor stakeholders binnen en buiten de bouwsector. 10 10 10
Kwaliteit TOTAAL: 30 40 40
6.Kwaliteit van de doelstellingen. De kwaliteit van de doelstellingen van het project in relatie tot de doelstellingen van de regeling: technologie-, innovatie- en kennisontwikkeling gericht op een reductie van de emissie van NOx, CO2, en fijn stof (PM2,5 en PM10) in de bouwsector (zie art. 1.2 c van de SSEB regeling). 10 10 10
7. Snelheid van het project. De mate waarin het project, met behoud van kwaliteit, op korte termijn tot resultaten leidt en daarmee bijdraagt aan het versnellen van de ontwikkeling en/of inzetbaarheid van emissieloze bouwmachines eventueel gecombineerd met oplaad en tankinfrastructuur (zie art. 4.1 a van de SSEB-regeling). 5 5 5
8. Projectmanagement. De kwaliteit en efficiëntie van de uitvoering van het project, opvolging en rapportage, risicobeheer, financieel management en stakeholder-management. 5 5 5
9. Begroting en kosteneffectiviteit. De kwaliteit van de begroting, en in de onderbouwing dat de deelnemers hun eigen aandeel in het project kunnen financieren. De verhouding tussen de opgevoerde kosten, de omschreven activiteiten, de geplande duur en de impact van het project. 5 5 5
10. Samenwerking. De mate en wijze van samenwerking tussen verschillende (keten)partners, en de bijdrage die dit levert aan de kwaliteit van het project. 5 15 15
TOTAAL 100 100 100

2.1. R132 typegoedkeuring mobiele werktuigen 19 – 560 kW (en bouwvoertuigen)

Deze typegoedkeuring dient per vermogensklasse eenmalig uitgevoerd te worden. Het systeem kan daarna op verschillende merken en typen machines van die vermogensklasse gemonteerd worden.

R132 kent verschillende klassen voor PM en NOx-reductie. Voor deze subsidieregeling zijn alleen de klassen III en IV van belang:

2.2. Enkelstukskeuring

Er moet voor de typegoedkeuring en voor de enkelstukskeuring voldaan worden aan de hieronder omschreven limietwaarden voor NOx, NH3 en indien een roetfilter wordt gemonteerd, PM en PN, om in aanmerking te komen voor subsidie. De limietwaarde geldt zowel voor de enkelstuksmeting als voor de R132 typegoedkeuringstest. Voor de typegoedkeuring is dat een aanvullende eis bovenop de reguliere R132-eis van minimaal 60% NOx reductie en minimaal 90% PM reductie. Er wordt onderscheid gemaakt tussen een proefstandtest (stationair en dynamisch), een stationaire test in de praktijk en een dynamische test in de praktijk. Voor de laatste geldt een 25% hogere limietwaarde. Zie onderstaande tabel 1.

3. Limietwaarden

Indien een roetfilter onderdeel uitmaakt van het nabehandelingssysteem, dan gelden de volgende PM- en PN-eisen:

4. Rollen en verantwoordelijkheden

5.2. Emissiekeuring

Om in aanmerking te komen voor SSEB-subsidie moet een aanvrager aantonen dat de NOx-limietwaarde gerealiseerd wordt in een emissietest.

De emissietest moet uitgevoerd worden door een gecertificeerd meetbedrijf (zoals conform ISO 9001, 9003, 17020, 17025, VCA, NEN 14001 of vergelijkbaar) volgens de MARPOL 73/78 Annex VI onboard testprocedure. Deze is omschreven in (MEPC, 2008). De MARPOL-procedure is globaal equivalent met de ISO8178 procedure, maar is specifieker omschreven voor scheepvaart.

5.2. Emissiekeuring

Er wordt een berekening van de NOx-reductie verstrekt waarin de NOx emissie per jaar voor alle motoren wordt berekend en vervolgens de NOx reductie voor de motoren welke voorzien worden van SCR-systeem.

5.4. Monitoring

De eis voor emissiemonitoring bestaat uit het verstrekken van de bunkernotes van dieselbrandstof en ureumoplossing inclusief globale inzet gegevens:

5.4. Monitoring

De NOx/CO2-ratio in gram NOx per kg CO2 wordt als volgt uitgerekend aan de hand van de NOx en CO2-concentraties:

7. Testcycli ISO8178 Part 4

E/ECE/324/Rev.2/Add.131/Rev.1−E/ECE/TRANS/505/Rev.2/Add.131/Rev.1. United Nations, 3 February 2015.

8. Referenties

Ligterink, 2021

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

1. Inleiding

Het doel van de typegoedkeuring is als volgt:

2. Subsidievoorwaarde: typegoedkeuring of enkelstukskeuring

De leverancier kan hierin subklassen specificeren als een systeem niet ontworpen is voor de gehele range. De worst case moet getest worden. Over het algemeen is dat het hoogste vermogen waarvoor het systeem geleverd wordt.

2.1. R132 typegoedkeuring mobiele werktuigen 19 – 560 kW (en bouwvoertuigen)

3. Limietwaarden

3. Limietwaarden

4. Rollen en verantwoordelijkheden

Roetfilters (DPF) worden zelden toegepast bij zeeschepen omdat de IMO MARPOL emissieregelgeving dit niet vraagt, en ook omdat het technisch lastig is omdat er significante hoeveelheden zwavel in de brandstof zit (ook bij laagzwavelige brandstof voor zeevaart). Indirect wordt de fijnstofuitstoot wel gelimiteerd door de zwaveleisen aan de brandstof.

5.2. Emissiekeuring

5.4. Monitoring

5.4. Monitoring

De limietwaarde voor de praktijkemissie is 125% van de limietwaarde van Stage V. Dus 125% van 0,4 g/kWh is 0,5 g/kWh.

6. Berekening NOx-emissies

7. Testcycli ISO8178 Part 4

8. Referenties

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Bijlage 1. Lijst van bouwmachines en zeegaande bouwvaartuigen, behorende bij artikel 1.1 van de regeling

Hier wordt in een lijst aangegeven welke machines in deze regeling onder de definitie van bouwmachine of zeegaand bouwvaartuig vallen, en daarmee in aanmerking komen voor aanschaf- of retrofitsubsidie, mits de aanvragen voldoen aan alle andere in de regeling vermelde eisen.

A. Bouwwerktuigen Aanschaf en retrofit emissieloos Retrofit SCR of hermotorisering
Mobiele machines Mobiele machines Mobiele machines
A1.1 asfaltzaag, betonzaag (rijdend) J J
A1.2 asfaltspreidmachine, asfaltwerkmachine J J
A1.3 asfaltvoorlader J J
A1.4 ballastafwerkmachine J J
A1.5 bestratingsmachine (zelfrijdend) J J
A1.6 beton- of mortelmachine, paver, mobiele 3D-printer J J
A1.7 beton- of bentonietpomp (standalone) J J
A1.8 bodemstabiliseerder J J
A1.9 bulldozer J J
A1.10 emulsiespuitwagen J J
A1.11 freesmachine voor asfalt of beton J J
A1.12 mobiele meetapparatuur voor de bouw (zoals sondeermachine, sondeertruck, sondeerrups, valgewicht) J J
A1.15 gietasfaltketel J J
A1.16 graaflaadcombinatie J J
A1.17 grader, wegschaaf J J
A1.18 funderingsmachine (gemotoriseerd materieel): heimachine, (damwand) drukmachine, trilstelling, vibrostelling J J
A1.19 hoogwerker (zelfrijdend of getrokken) vanaf 46 kW en minimale werkhoogte van 12 meter J N
A1.20 kabeltreklier J J
A1.21 mobiele boorinstallatie, grondboormachine, mobiele (anker) boorinstallatie, grondboormachine, gestuurde boringmachine, boorrups J J
A1.22 mobiele compressor J J
A1.23 mobiele graafmachine (niet zijnde ‘rupsgraafmachine’ of ‘overslagmachine’) J J
A1.24 mobiele kraan (zoals telescoopkraan, torenkraan, rupshijskraan, ruwterreinkraan, draadkraan, minihijskraan, dragline-kraan) J J
A1.25 mobiele lopende band (transportband), zelf aangedreven mobiel modulair transportsysteem J J
A1.26 mobiele puinbreekinstallatie J J
A1.27 mobiele zeefinstallatie, grondzeef J J
A1.28 mobiele overslagmachine, rupsoverslagmachine, overslagkraan (niet zijnde statisch en bekabeld elektrisch) J N
A1.29 rupsdumper J J
A1.30 rupsgraafmachine J J
A1.31 ruw terrein heftruck 4x4 aangedreven J J
A1.32 schranklader J J
A1.33 shovel, laadschop, wiellader op banden of rups J J
A1.34 shuttle buggy J J
A1.35 sleepgraver, dragline J J
A1.36 sloopkraan J J
A1.37 teer- of asfaltsproeier J J
A1.38 tractor of vergelijkbaar multifunctioneel bouwwerktuig, met motorvermogen vanaf 19 kW J J
A1.39 veegmachine met motorvermogen vanaf 56 kW J J
A1.40 verreiker (star of roterend) J J
A1.41 vlindermachine (uitsluitend ride-on) J J
A1.42 wals (klein, knik-, rol-, banden-, grond-, tril-) J J
A1.43 waterwagen bij asfalt- en freeswerkzaamheden J J
A1.44 (weg)markeringsmachine J J
A1.45 wieldumper J J
A1.46 boomverplantingsmachine J J
A1.47 mobiele wasinstallatie op een bouwlocatie J J
Vervoerbare industriële uitrustingen Vervoerbare industriële uitrustingen Vervoerbare industriële uitrustingen
A2.1 vervallen
A2.2 aggregaat op wind- of zonne-energie voor off-grid stroomvoorziening J N
A2.3 aggregaat op waterstof of waterstofdragers voor off-grid stroomvoorziening J N
A2.4 hydraulisch aggregaat J J
A2.5 lasaggregaat J N
A2.6 lichtmastaggregaat of lichtmast (zelf aangedreven) J N
A2.7 batterijpakket voor off-grid stroomvoorziening vanaf 50 kWh op een bouwlocatie of behorende bij een bouwwerktuig J J1
A2.8 trilplaat, trilblok, stamper J N
A2.9 mobiele (vuil)-waterpomp J N
A2.10 pompen voor baggeren (DOP-pomp, jetpomp, booster-baggerstation) J N
A2.11 vervallen
A2.12 vliegwiel als vermogensvoorziening J N
A2.13 mobiel DC (gelijkstroom) laadstation op een bouwlocatie J N
A2.14 mobiele waterstof tankvoorziening J N
Spoorvoertuigen en drijvende werktuigen Spoorvoertuigen en drijvende werktuigen Spoorvoertuigen en drijvende werktuigen
A3.1 afbrandstuiklasmachine (stomplasmachine) J J
A3.2 ballastreinigingsmachine (hormachine, kettinghor, MFS-wagon) J J
A3.3 freestrein, spoorse freesmachine J J
A3.4 hefbordeswagen J J
A3.5 inspectietrein J J
A3.6 krol (kraan op lorries), spoorkraan J J
A3.7 meettrein (meetgereedschap specifiek voor op het spoor) J J
A3.8 schuifboot J J
A3.9 slijptrein, spoorse slijpmachine J J
A3.10 machine voor stoppen, na-verdichten en/of afwerken (stopmachine, ballastafwerkmachine, spoorstabilisator) J J
A3.11 vernieuwingstrein (voor spoor of rijdraad), ombouwtrein, ondergrond-behandeling-, saneringmachines J J
A3.12 locomotief met voorziening om onafhankelijk van bovenleiding te kunnen rijden, voorziening om elektrisch railvoertuig onafhankelijk van bovenleiding te kunnen rijden J N
A3.13 werkvlet J J
A3.14 zuigboot J J
A3.15 baggervaartuig voor binnenwateren J N
A3.16 crew transfer vessel J J
A3.17 railwegvoertuig, tweewegvoertuig J J
A3.18 gemotoriseerde lasaanhanger J J

1 Subsidiabel zijn uitsluitend aanvullende verwisselbare batterijpakketten ingediend bij een aanvraag voor ombouw naar een emissieloos bouwwerktuig dat gebruik maakt van verwisselbare batterijpakketten volgens artikel 3.2, eerste lid, onderdeel d.

B. Hulpfuncties
Aanschaf van elektrische aandrijfmotor met een brandstofcel of een niet loodhoudend batterijpakket voor aandrijving van de opbouw van een nieuw of bestaand voertuig, oplegger of spoorvoertuig (inclusief vrachtauto-railvoertuig), zijnde een:
B1.1 autolaadkraan
B1.2 betonmixer
B1.3 betonpomp
B1.4 binnenlader
B1.5 boor
B1.6 front-end cylinder
B1.7 haakarm
B1.8 kabelsysteem
B1.9 kettingsysteem
B1.10 onderwaartse cylinder
B1.11 portaalarmsysteem
B1.12 mobiele kraan (zoals telescoopkraan, torenkraan, rupshijskraan, ruwterreinkraan, draadkraan, minihijskraan)
B1.13 hoogwerker vanaf 46 kW
B1.14 blaas- en zuigsysteem voor zand, grind en schelpen
B2.1 vervallen
Elektrische aandrijfmotor met een brandstofcel of een niet loodhoudend batterijpakket voor aandrijving van hulpfunctie op een vaartuig, niet de voortstuwing, zijnde een:
B3.1 grondpers
B3.2 hei-installatie op een heischip
B3.3 kraan
C. Bouwvoertuigen
Aanschaf van emissieloze N3-vrachtwagen met bakwagenchassis met de volgende carrosseriecodes:
C1. betonmixer (carrosseriecode 15)
C2. betonpompvoertuig (carrosseriecode 16)
C3. boorwagen (carrosseriecode 28)
C4. hoogwerker (carrosseriecode 27)
C5. kieptruck (carrosseriecode 10)
C6. kraanwagen (carrosseriecode 26 of aanduiding SF)
C7. voertuig met haakarm (carrosseriecode 9)
C8. overig N3-voertuig voor de bouw (zoals emulsiespuitwagen en portaalwagen)
D. Zeegaande bouwvaartuigen
Hermotorisering en ombouw zodat het schip tenminste 25% van zijn energie haalt uit waterstof of ammonia en voldoet aan de IMO MARPOL Tier III emissienorm) van de volgende soorten werkschepen:
D1. ankerbehandelingssleepboten
D2. multifunctionele sleepboot
D3. duwboot
D4. pushbuster
D5. halfafzinkbare duwbakken, pontons
D6. kabellegger, pijpbegravingschip
D7. kraanschip
D8. multifunctioneel werkschip, multicat
D9. offshore, zeegaande installatieschepen
D10. projectladingschip, zwareladingschip
D11. schepen voor bouwondersteuning, bevoorrading, special purpose
D12. (sleep)hopperzuiger
D13. snijkopzuiger
D14. waterinjectiebaggervaartuig
D15. splijthopper
D16. lepelkraanbaggerpontons
D17. Steenstortschip, valpijpschip

Bijlage 2. Beoordelingscriteria projecten experimentele ontwikkeling en maximale puntentoedeling, behorende bij artikel 4.8van de regeling

In deze bijlage zijn de beoordelingscriteria en maximale puntentoedeling opgenomen. Er zijn daarbij twee typen projecten te onderscheiden, namelijk projecten gericht op technische ontwikkeling en projecten gericht op het opdoen van praktijkervaring. Voor deze projecten geldt een aparte puntentoedeling in de tabel hieronder. Bij beide projecttypen gaat het om een project experimentele ontwikkeling.

Omschrijving Punten projecttype ‘Technische ontwikkeling’ Punten projecttype ‘Praktijkervaring’
1. Technische ontwikkeling. De mate waarin het project door technische ontwikkeling bijdraagt aan een versnelling van de beschikbaarheid en/of inzetbaarheid van emissieloze bouwmachines in Nederland. 20 0
2. Praktijkervaring. De mate waarin het project leidt tot praktische kennis over de inzet van emissieloze bouwmachines in samenhang met de realisatie van laad- of tankvoorzieningen en overige aspecten van het bouwproces zoals slim omgaan met netcongestie, rolverdeling (bijvoorbeeld tussen opdrachtgever en opdrachtnemer), aansluiting op (praktijk)opleidingen en het toepassen van zwaar materieel. De mate waarin hiermee verband houdende uitdagingen en knelpunten worden geïdentificeerd en geadresseerd binnen het project. 0 20
3. NOx-reductie. De mate waarin het project leidt tot een reductie in de NOx-uitstoot in de bouwsector. Zowel de directe NOx-reductie per machine als de potentiële reductie van het machinepark in 2030 moet in de projectomschrijving aangegeven worden in ton NOx-reductie. 10 5
4. Vervolgpotentieel. Het potentieel dat het projectresultaat een vervolg krijgt in nieuwe projecten van de projectpartners en partijen die niet bij het project betrokken zijn en de bijdrage die dit (binnen 1 jaar na afloop van het project) levert aan de doelstelling van de regeling. 20 20
5. Kennisoverdracht. De betrokkenheid van praktijkopleidingen bij het project, de mate waarin het project leidt tot kennisoverdracht en opgedane kennis en inzichten hierdoor beschikbaar komen voor stakeholders binnen en buiten de bouwsector 10 10
6. Kwaliteit van de doelstellingen. De kwaliteit van de doelstellingen van het project in relatie tot de doelstellingen van de regeling: technologie-, innovatie- en kennisontwikkeling gericht op een reductie van de emissie van NOx, CO2, en fijn stof (PM2,5 en PM10) in de bouwsector. 10 10
7. Resultaatgerichtheid. De mate waarin het project, met behoud van kwaliteit, op korte termijn tot resultaten leidt. De mate waarin het bijdraagt aan het versnellen van de ontwikkeling en/of inzetbaarheid van emissieloze bouwmachines eventueel gecombineerd met oplaad- en tankinfrastructuur of het slim omgaan met netcongestie. 10 10
8. Projectmanagement. De kwaliteit en efficiëntie van de uitvoering van het project, opvolging en rapportage, risicobeheer, financieel management en stakeholder-management. 5 5
9. Begroting en kosteneffectiviteit. De kwaliteit van de begroting, en in de onderbouwing dat de deelnemers hun eigen aandeel in het project kunnen financieren. De verhouding tussen de opgevoerde kosten, de omschreven activiteiten, de geplande duur en de impact van het project. 5 5
10. Samenwerking. De mate en wijze van samenwerking tussen verschillende (keten)partners of praktijkopleidingen, en de bijdrage die dit levert aan de kwaliteit van het project. 10 15
TOTAAL 100 100

Voor de toelating van het nabehandelingssysteem onder de Subsidieregeling Schoon en Emissieloos Bouwmaterieel moet gebruik gemaakt worden van een enkelstukskeuring volgens de ISO8178 part 1 of part 2 en part 4 testprocedure of van een typegoedkeuring volgens UNECE R132. De enkelstukskeuring komt overeen met de huidige praktijk, waarbij het nabehandelingssysteem getest wordt op de machine waarop het toegepast wordt. De UNECE R132 typegoedkeuring is alleen van toepassing voor mobiele werktuigen van 18 tot 560 kW en voor wegvoertuigen. Dit komt overeen met het gebied waarin meer seriematige installatie van retrofit systemen kan worden verwacht. Voor bouwwerktuigen boven 560 kW, en voor generatorsets kan een ‘enkelstukskeuring’ gedaan worden volgens de ISO8178 testprocedure.2ISO 8178-1:2017 Part 1: Test-bed measurement systems of gaseous and particulate emissions; ISO 8178-2:2008 Part 2: Measurement of gaseous and particulate exhaust emissions under field conditions;ISO 8178-4:2017 Part 4: Steady-state and transient test cycles for different engine applications In de praktijk wordt nu over het algemeen de enkelstukskeuring voor retrofit nabehandeling toegepast.

Deze typegoedkeuring dient per vermogensklasse eenmalig uitgevoerd te worden. Het systeem kan daarna op verschillende merken en typen machines van die vermogensklasse gemonteerd worden.

2.2. Enkelstukskeuring

4. Rollen en verantwoordelijkheden

5. Zeegaande bouwvaartuigen

5. Zeegaande bouwvaartuigen

7. Testcycli ISO8178 Part 4

8. Referenties

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 1.4. Voorwaardelijke verlening

Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Hoofdstuk 2. Aanschafsubsidie

Hoofdstuk 3. Retrofitsubsidie

Hoofdstuk 4. Innovatiesubsidie

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Artikel 5.2. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling schoon en emissieloos bouwmaterieel.

Bijlage 3. – Protocol voor typegoedkeuring UNECE R132 en enkelstukskeuring ISO 8178, behorende bij de artikelen 3.6 en 3.11 van de regeling.

In deze bijlage wordt geschetst waaraan retrofit SCR en retrofit SCR + DPF1SCR – Selective Catalytic Reduction; DPF – Diesel Particulate Filter ofwel roetfilter systemen moeten voldoen in het kader van deze regeling. Het protocol omvat de typegoedkeuring en enkelstukskeuring.

Voor de toelating van het nabehandelingssysteem onder de Subsidieregeling Schoon en Emissieloos Bouwmaterieel moet gebruik gemaakt worden van een enkelstukskeuring volgens de ISO8178 part 1 of part 2 en part 4 testprocedure of van een typegoedkeuring volgens UNECE R132. De enkelstukskeuring komt overeen met de huidige praktijk, waarbij het nabehandelingssysteem getest wordt op de machine waarop het toegepast wordt. De UNECE R132 typegoedkeuring is alleen van toepassing voor mobiele werktuigen van 18 tot 560 kW en voor wegvoertuigen. Dit komt overeen met het gebied waarin meer seriematige installatie van retrofit systemen kan worden verwacht. Voor bouwwerktuigen boven 560 kW, en voor generatorsets kan een ‘enkelstukskeuring’ gedaan worden volgens de ISO8178 testprocedure.2ISO 8178-1:2017 Part 1: Test-bed measurement systems of gaseous and particulate emissions; ISO 8178-2:2008 Part 2: Measurement of gaseous and particulate exhaust emissions under field conditions;ISO 8178-4:2017 Part 4: Steady-state and transient test cycles for different engine applications In de praktijk wordt nu over het algemeen de enkelstukskeuring voor retrofit nabehandeling toegepast.

2.2. Enkelstukskeuring

4. Rollen en verantwoordelijkheden

5.1. Inleiding

5.3. Limietwaarden

6. Berekening NOx-emissies

7. Testcycli ISO8178 Part 4

8. Referenties

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)