Regeling van het College voor toetsen en examens van 28 november 2022, nummer CvTE-22.00976, houdende vaststelling van het beoordelingskader voor de doorstroomtoets in het primair onderwijs (Regeling beoordelingskader doorstroomtoets PO)
Gelet op artikel 3a, eerste lid, onderdeel g, van de Wet College voor toetsen en examens;
Gezien de goedkeuring van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs, gegeven op 4 november 2022, nummer 1303595,
Besluit:
Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel VIII, onderdeel B, van de Wet van 9 februari 2022 tot wijziging van een aantal onderwijswetten in verband met aanpassingen op het gebied van de doorstroom van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs en wijziging van de stelselinrichting van doorstroomtoetsen en toetsen verbonden aan leerling- en onderwijsvolgsystemen in het basisonderwijs (Stb. 2022, 135) in werking treedt.
Artikel 1. Beoordelingskader
Het beoordelingskader voor de doorstroomtoets als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel g van de Wet College voor toetsen en examens wordt vastgesteld als opgenomen in de bijlage van deze regeling.
Artikel 2
De technische specificaties voor de levering van de gegevens voor de beoordeling van de doorstroomtoetsen staan in het handboek normering en het handboek gezamenlijk anker.
Artikel 3. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop artikel VIII, onderdeel B, van de Wet van 9 februari 2022 tot wijziging van een aantal onderwijswetten in verband met aanpassingen op het gebied van de doorstroom van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs en wijziging van de stelselinrichting van doorstroomtoetsen en toetsen verbonden aan leerling- en onderwijsvolgsystemen in het basisonderwijs (Stb. 2022, 135) in werking treedt.
Artikel 4. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling beoordelingskader doorstroomtoets PO.
Bijlage 1. Beoordelingskader voor de doorstroomtoets
Bijlage behorende bij artikel 1 van de Regeling beoordelingskader doorstroomtoets PO.
1. Inleiding
1.1. Begrippen en definities
1.2. Reikwijdte
Sinds het schooljaar 2014–2015 zijn scholen in het primair onderwijs verplicht in groep 8 een eindtoets Nederlandse taal en Rekenen af te nemen. Per 1 januari 2023 is de eindtoets vervangen door de doorstroomtoets. De Wet doorstroomtoets po schrijft voor dat het College voor Toetsen en Examens (CvTE) als wettelijke taak heeft om doorstroomtoetsen te erkennen. Doorstroomtoetsen die het CvTE erkent, worden voor een periode van vier jaar toegelaten tot het primair onderwijs.
Het CvTE maakt voor het erkennen van een doorstroomtoets gebruik van een adviseur. De adviseur baseert diens advies op het beoordelingskader vastgesteld met deze regeling.
Op basis van het advies van de adviseur stelt het CvTE tevens jaarlijks vast of de erkende doorstroomtoets voor dat jaar voldoet aan de criteria van de Regeling beoordelingskader doorstroomtoetsen po.
Bij het beoordelen van extra kennisgebieden, buiten de verplichte en optionele domeinen van de terreinen Nederlandse taal en Rekenen, oordeelt het CvTE of ook dat deel van de toets inhoudelijk valide en betrouwbaar is en of het van een deugdelijke normering is voorzien. Voor de beoordeling van dit deel worden de toetsbare onderdelen van dit beoordelingskader toegepast.
Het CvTE beoordeelt ook de door de overheid aangeboden calamiteitentoets1https://www.eerstekamer.nl/behandeling/20210907/gewijzigd_amendement_van_het_lid/document3/f=/vlmnj6ccx4n2.pdf. Vanwege de bijzondere aard van de calamiteitentoets, bestaat de jaarlijkse vaststelling slechts uit een inhoudelijke check op actualiteiten en de kalibratie. Indien de calamiteitentoets in enig jaar moet worden ingezet, wordt een nieuwe toets voor het daarop volgende jaar ontwikkeld. Deze dient dan opnieuw erkend te worden door het CvTE.
Voor een adaptieve doorstoomtoets op moduleniveau (MST) hanteert de aanbieder jaarlijks een adequate verversingsstrategie voor de opgaven van de itembank, passend bij de mate van adaptiviteit.
Alvorens het CvTE een aanvraag in behandeling neemt, moet de aanvrager de navolgende gegevens en bescheiden verstrekken:
2. Format Regeling beoordelingskader doorstroomtoetsen po
Een aanbieder heeft de mogelijkheid om voor verschillende wijzen van afname (bijv. digitaal en papier) een erkenning of vaststelling aan te vragen (naast de optie om verschillende wijzen van afname in één aanvraag in te dienen bij het CvTE). Indien een aanbieder hiervoor kiest, dient de aanbieder ook daadwerkelijk meerdere aanvragen in te dienen, in separate mappen op de terminal server, met separaat ingevulde leeswijzers. Allebei de aanvragen krijgen dan ook separaat een erkenning of vaststelling. Deze aanvragen dienen echter volledig onafhankelijk van elkaar te kunnen worden beoordeeld. Dat wil zeggen dat de ene afnamemodus bijvoorbeeld niet de terugvaloptie kan zijn van de andere afnamemodus. Dit zou namelijk betekenen dat als de ene afnamemodus niet wordt erkend of vastgesteld, dit ervoor zorgt dat door de afhankelijkheid de andere afnamemodus ook niet kan worden erkend of vastgesteld.
1.4. Het aanleveren van items
1.4 Het aanleveren van items
In het geval van een papieren toets:
In het geval van een lineaire digitale toets:
3.2. Inhoudsvaliditeit doorstroomtoets
In het geval van een CAT:
In het geval van aparte varianten van de doorstroomtoets voor leerlingen met specifieke ondersteuningsbehoeften:
In het geval van aparte varianten van de doorstroomtoets voor leerlingen met specifieke ondersteuningsbehoeften:
Het beoordelingsformat bevat de volgende drie inhoudelijke onderdelen, die enkele onderliggende thema’s bevatten:
Het beoordelingsformat bevat de volgende drie inhoudelijke onderdelen, die enkele onderliggende thema’s bevatten:
Toelichting V3:Een adviseur evalueert in opdracht van het CvTE of de toetsopgaven van in ieder geval de wettelijk verplichte domeinen van Nederlandse taal en rekenen én de optionele domeinen van Nederlandse taal in de toets voldoen aan de constructievoorschriften voor toetsvragen, zoals beschreven in de Checklist voor het beoordelen van de kwaliteit van observatie-categorieën en toetsopgaven.
In de volgende paragrafen worden de vakinhoudelijke kwaliteitseisen uitgewerkt voor de wettelijk verplichte domeinen Lezen en Begrippenlijst en Taalverzorging, daaronder niet begrepen het subdomein Begrippenlijst, van het terrein Nederlandse taal en de wettelijk verplichte domeinen Getallen, Verhoudingen, Meten en Meetkunde en Verbanden van het terrein Rekenen én de optionele domeinen Schrijven en Mondelinge taalvaardigheid en het eveneens optionele subdomein Begrippenlijst van het terrein Nederlandse taal, in lijn met het Toetsbesluit PO, de Wet doorstroomtoetsen po en zoals vastgesteld in het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en Rekenen. Voor alle wettelijk verplichte en optionele (sub)domeinen zijn in deze regeling kwaliteitseisen geformuleerd.
3.3. Verantwoording
Naast de wettelijk verplichte én optionele terreinen en (sub)domeinen staat het de toetsaanbieder vrij om extra kennisgebieden aan de doorstroomtoets toe te voegen, bijv. aardrijkskunde. De score die de leerling op deze extra kennisgebieden haalt, mag de toetsaanbieder toevoegen aan het leerlingrapport. Deze extra kennisgebieden tellen niet mee voor het berekende toetsadvies en tellen ook niet mee voor de berekende score op de referentieniveaus. Alle toetsopgaven van de wettelijk verplichte en optionele (sub)domeinen en terreinen, én de extra kennisgebieden worden inhoudelijk door een adviseur van het CvTE beoordeeld. Zie in dit kader de kwaliteitseisen in paragraaf 3.2. Dit beoordelingskader schrijft niet voor wat de minimale en maximale toetslengte in aantal toetsvragen van een doorstroomtoets dient te zijn. Eveneens worden er geen richtlijnen gegeven over de verhouding van het aantal toetsvragen tussen de wettelijk verplichte en optionele (sub)domeinen en terreinen, én extra kennisgebieden. Verder worden er ook geen richtlijnen gegeven voor het aantal toetsvragen per referentieniveau 1F/2F/1S. Dit om de aanbieders de mogelijkheid te geven om zich van elkaar te onderscheiden en volgens de eigen zienswijze een compleet beeld van de leerlingen te kunnen geven.
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, dienen alle vragen met JA te worden beantwoord.
Toelichting V1: De aanbieder wordt gevraagd om alle toetsopgaven inzichtelijk aan te leveren. Daaronder vallen alle items van de doorstroomtoets zelf én ankeropgaven en eventuele zaai-opgaven.
Toelichting V2: De toetsmatrijs is voor wat betreft het wettelijk verplichte domein Lezen en subdomein Taalverzorging van het terrein Nederlandse taal en het terrein Rekenen én de, indien van toepassing, optionele (sub)domeinen van Nederlandse taal een adequate representatie van het meetdoel. Dat betekent eveneens dat er via de toetsmatrijs wordt voldaan aan de eisen uit de Toetswijzer PO.
3.4. Terrein Nederlandse taal
Toelichting V3: De vijf kwaliteitscriteria relevantie, objectiviteit, efficiëntie, specificiteit en neutraliteit staan beschreven in de Checklist voor het beoordelen van de kwaliteit van observatie-categorieën en toetsopgaven. Alle toetsopgaven dienen hieraan te voldoen – inclusief eventuele zaai-opgaven – van in ieder geval het wettelijk verplichte domein Lezen en subdomein Taalverzorging van het terrein Nederlandse taal en het terrein Rekenen én de, indien van toepassing, optionele (sub)domeinen van Nederlandse taal.
3.4.1. Wettelijk verplicht domein: Lezen
Toelichting V4: De constructievoorschriften voor toetsvragen staan beschreven in de Checklist voor het beoordelen van de kwaliteit van observatie-categorieën en toetsopgaven. Alle toetsopgaven dienen hieraan te voldoen – inclusief eventuele zaai-opgaven – van in ieder geval het wettelijk verplichte domein Lezen en subdomein Taalverzorging van het terrein Nederlandse taal en het terrein Rekenen én de, indien van toepassing, optionele (sub)domeinen van Nederlandse taal.
A. Subdomein Zakelijke Teksten
Taken:
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseis te voldoen, dient de vraag met JA te worden beantwoord.
Toelichting H1: Er wordt gecontroleerd of de verantwoordingsdocumenten voor wat betreft het wettelijk verplichte domein Lezen en subdomein Taalverzorging van het terrein Nederlandse taal en het terrein Rekenen én de, indien van toepassing, optionele (sub)domeinen van Nederlandse taal, inhoudelijk voldoen aan de wettelijke kwaliteitseisen uit het Toetsbesluit PO en aan de inhoudelijke eisen van de Toetswijzer PO. Meer specifiek dient de door het CvTE te beoordelen set verantwoordingsdocumenten te bestaan uit de (separate) documenten aansluitend bij hoofdstuk 1.3.
In het kader van transparantie, dient in de (set van) verantwoordingsdocumenten terug te vinden te zijn welke terreinen en (sub)domeinen wel en niet meetellen voor het berekenen van het toetsadvies. Alle documenten dient de toetsaanbieder jaarlijks te updaten.
Toelichting L3.7: Evenwichtig wil zeggen dat de in L3.1 tot en met L3.6 genoemde kenmerken gezamenlijk een representatieve weergave zijn van de inhoud van het betreffende subdomein van het terrein Nederlandse taal.
In iedere doorstroomtoets worden voor wat betreft het terrein Nederlandse taal de wettelijk verplichte domeinen Lezen (§ 3.4.1) en Begrippenlijst en Taalverzorging, daaronder niet begrepen het subdomein Begrippenlijst, (§ 3.4.2) getoetst. Aanvullend hierop kunnen optioneel één of meerdere van de domeinen Schrijven (§ 3.4.3) en Mondelinge taalvaardigheid (§ 3.4.4) en het subdomein Begrippenlijst (§ 3.4.5) worden getoetst. De gestelde vakinhoudelijke kwaliteitseisen voor deze vijf onderdelen en de vereiste verdeling van de toetsopgaven over de (sub)domeinen in de toetsmatrijs en de toetssamenstelling zijn opgenomen in de Toetswijzer PO.
3.4.1. Wettelijk verplicht domein: Lezen
Beslisregel:
Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, gelden de volgende beslisregels:
Kenmerken van de taakuitvoering:
Taken:
Tekstkenmerken:
Kenmerken van de taakuitvoering:
3.4.2. Wettelijk verplicht domein: Taalverzorging
Toelichting L3.7: Evenwichtig wil zeggen dat de in L3.1 tot en met L3.5 (en eventueel L3.6) genoemde kenmerken gezamenlijk een representatieve weergave zijn van de inhoud van het betreffende subdomein van het terrein Nederlandse taal.
Toelichting L3.7a: Naast het algoritme of module-design dient de werking van de beslisregel te worden aangetoond door middel van het opleveren van enkele (voorbeeld)toetspaden, zoals die door de beslisregel worden gegenereerd.
Toelichting L1 t/m L3: Hierbij zijn de beschrijvingen op niveau 1F en 2F in het Referentiekader (2010, p. 12–14) leidend.
Beslisregel:
Taken:
3.4.3. Optioneel domein: Schrijven
Kenmerken van de taakuitvoering:
Toelichting L6.4: Evenwichtig wil zeggen dat de in L6.1 en L6.2 (en eventueel L6.3) genoemde kenmerken gezamenlijk een representatieve weergave zijn van de inhoud van het betreffende subdomein van het terrein Nederlandse taal.
Toelichting L6.4a: Naast het algoritme of module-design dient de werking van de beslisregel te worden aangetoond door middel van het opleveren van enkele (voorbeeld)toetspaden, zoals die door de beslisregel worden gegenereerd.
Toelichting S1 en S2: Hierbij zijn de beschrijvingen op niveau 1F en 2F in het Referentiekader (2010) leidend.
De leerlingen worden getoetst op verschillende taalverzorgingscategorieën, zoals gespecificeerd in TV1 t/m TV3.
Beslisregel:
Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, dienen de vragen TV1.1 t/m TV1.7a met JA of N.V.T. te worden beantwoord.
Toelichting TV2: Evenwichtig wil zeggen dat de in TV1.a tot en met TV1.e genoemde categorieën van spellingsregels gezamenlijk een representatieve weergave zijn van de inhoud van het betreffende subdomein van het terrein Nederlandse taal.
Toelichting TV3: Naast het algoritme of module-design dient de werking van de beslisregel te worden aangetoond door middel van het opleveren van enkele (voorbeeld)toetspaden, zoals die door de beslisregel worden gegenereerd.
Toelichting S3 en S4: Hierbij zijn de beschrijvingen op niveau 1F en 2F in het Referentiekader (2010) leidend.
Beslisregel schrijven indirecte meting:
Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, gelden de volgende beslisregels:
3.4.4. Optioneel domein: Mondelinge taalvaardigheid
Kwaliteitseisen mondelinge taalvaardigheid via indirecte meting
A. Subdomein Gesprekken
Beslisregel schrijven directe meting:
Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, gelden de volgende beslisregels:
Taken:
Kenmerken van de taakuitvoering:
Toelichting S3.1 t/m S3.3: Minimaal één taak per categorie in de doorstroomtoets dient te worden opgenomen.
Toelichting S3 en S4: Hierbij zijn de beschrijvingen op niveau 1F en 2F in het Referentiekader (2010) leidend.
3.4.4. Optioneel domein: Mondelinge taalvaardigheid
Beslisregel mondelinge taalvaardigheid indirecte meting, subdomein Gesprekken:
Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, gelden de volgende beslisregels:
Taken:
Kenmerken van de taakuitvoering:
Toelichting M1.1 en M1.2: Tenminste één van de twee taken dient in de doorstroomtoets te worden opgenomen.
Kwaliteitseisen mondelinge taalvaardigheid via directe meting
A. Subdomein Gesprekken
Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, gelden de volgende beslisregels:
Taken:
Kenmerken van de taakuitvoering:
Toelichting M3 en M4: Hierbij zijn de beschrijvingen op niveau 1F en 2F in het Referentiekader (2010) leidend.
Beslisregel mondelinge taalvaardigheid directe meting, subdomein Gesprekken:
Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, gelden de volgende beslisregels:
B. Subdomein Luisteren
Kenmerken van de taakuitvoering:
Toelichting M5.1 en M5.2: Tenminste één van de twee taken dient in de doorstroomtoets te zijn opgenomen.
Toelichting M5 en M6: Hierbij zijn de beschrijvingen op niveau 1F en 2F in het Referentiekader (2010) leidend.
Beslisregel mondelinge taalvaardigheid indirecte meting, subdomein Luisteren:
Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, gelden de volgende beslisregels:
Taken:
C. Subdomein Spreken
Toelichting M7.1 t/m M7.3: Twee van de drie taken dienen in de doorstroomtoets te worden opgenomen.
Toelichting bij M7 en M8: Hierbij zijn de beschrijvingen op niveau 1F en 2F in het Referentiekader (2010) leidend.
Beslisregel mondelinge taalvaardigheid indirecte meting, subdomein Spreken:
Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, gelden de volgende beslisregels:
Taken:
3.4.5. Optioneel domein: Begrippenlijst
Toelichting M9 en M10: Hierbij zijn de beschrijvingen op niveau 1F en 2F in het Referentiekader (2010) leidend.
Kenmerken van de taakuitvoering:
Beslisregel Begrippenlijst:
3.5. Terrein rekenen
Toelichting B1: Hierbij zijn de beschrijvingen op niveau 1F en 2F in het Referentiekader (2010, p. 17–19) leidend.
Kwaliteitseisen
3.5.1. Verdeling toetsopgaven over domeinen in toetsmatrijs en toetssamenstelling
Een individuele rekenopgave kan betrekking hebben op meerdere domeinen van het terrein Rekenen. In dat geval dient de aanbieder dit duidelijk te vermelden, bijvoorbeeld door te kiezen voor het domein dat het beste past bij het beoogde toetsdoel van de betreffende opgave. Tevens dient de aanbieder dan toe te lichten op welke wijze er wordt voldaan aan de voorgeschreven verdeling van toetsopgaven over de domeinen van het terrein Rekenen.
Taken:
De doorstroomtoets bevat opgaven uit alle domeinen uit het referentiekader Rekenen. Het betreft de domeinen Getallen (g), Verhoudingen (vh), Meten en meetkunde (m/mk) en Verbanden (vb).
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, dienen alle vragen met JA of N.V.T. te worden beantwoord.
3.4.5. Optioneel subdomein: Begrippenlijst
Toelichting D.G t/m D.Vb: De gestelde percentages toetsopgaven per domein gelden voor zowel papieren toetsen, lineaire digitale toetsen, adaptieve toetsen op itemniveau (CAT) en adaptieve toetsen op moduleniveau (MST).
Toelichting D.1: Naast het algoritme of module-design dient de werking van de beslisregel te worden aangetoond door middel van het opleveren van enkele (voorbeeld)toetspaden, zoals die door de beslisregel worden gegenereerd.
Toelichting B1: Hierbij zijn de beschrijvingen op niveau 1F en 2F in het Referentiekader (2010, p. 17-19) leidend.
Elk domein is opgebouwd uit drie onderdelen (zie ook Checklist 3 van deze regeling):
De toets bevat opgaven uit alle onderdelen.
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, dienen alle vragen met JA of N.V.T. te worden beantwoord.
De relatieve (procentuele) verdeling2Gebruik hierbij checklist 2 van deze regeling. van opgaven over de onderscheiden onderdelen is als volgt:
3.5.3. Opgaven met en zonder context
Toelichting O.A: De toetsopgaven die onder onderdeel A geplaatst zijn, kunnen ook worden gebruikt en toegepast bij de inhouden van B en C. Vandaar dat hier de uitzondering van het slechts plaatsen bij één onderdeel niet geldt en er ook geen percentage vereist wordt.
Toelichting O.A t/m O.BC: De gestelde percentages toetsopgaven per domein gelden voor zowel papieren toetsen, lineaire digitale toetsen, computergestuurde adaptieve toetsen op itemniveau (CAT) en adaptieve toetsen op moduleniveau (MST). Naast het algoritme of module-design is door aanbieders van adaptieve toetsen (CAT en MST) de werking van de beslisregel aan te tonen door middel van het opleveren van enkele toetspaden.
Toelichting O.1: Naast het algoritme of module-design dient de werking van de beslisregel te worden aangetoond door middel van het opleveren van enkele (voorbeeld)toetspaden die voldoen aan de vereiste verdeling van toetsopgaven over de onderdelen, zoals die door de beslisregel worden gegenereerd.
3.5.3. Opgaven met en zonder context
In het terrein Rekenen van een doorstroomtoets moeten zowel opgaven met context als opgaven zonder context (zogenoemde ‘kale opgaven’) worden opgenomen, een en ander conform de Toetswijzer PO.
3.5.5. Gebruik rekenmachine
Toelichting C1 t/m C4: De gestelde percentages toetsopgaven per domein gelden voor zowel papieren toetsen, lineaire digitale toetsen, computergestuurde adaptieve toetsen op itemniveau (CAT) en adaptieve toetsen op moduleniveau (MST).
Toelichting C5: Naast het algoritme of module-design dient de werking van de beslisregel te worden aangetoond door middel van het opleveren van enkele (voorbeeld)toetspaden met de vereiste percentuele verdelingen zoals in C1 t/m C4 geschetst, zoals die door de beslisregel worden gegenereerd.
De relatieve (procentuele) verdeling1Gebruik hierbij checklist 2. van opgaven over de onderscheiden onderdelen is als volgt:
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, dienen alle vragen met JA te worden beantwoord.
3.5.5. Gebruik rekenmachine
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseis te voldoen, dient deze vraag met JA te worden beantwoord.
Toelichting: Gebruik van een niet-grafische en/of niet-programmeerbare rekenmachine is bij maximaal 20% van de toetsopgaven toegestaan. Gebruik van een grafische en/of programmeerbare rekenmachine is niet toegestaan.
Dit betekent dat, in lijn met de Toetswijzer PO, de doorstroomtoets, ongeacht de toetsvorm, voor de terreinen Nederlandse taal en rekenen toetsopgaven moet bevatten die de inhouden van de niveaus 1F (fundamentele kwaliteit) en 2F / 1S (streefkwaliteit) meten.
In het document Referentiekader taal en Rekenen (SLO, 2011) is vastgelegd wat leerlingen eind groep 8 van de basisschool moeten kennen en kunnen als het gaat om basisvaardigheden voor Nederlandse taal en Rekenen. Deze kennis en vaardigheden worden in het referentiekader gespecificeerd in een aantal referentieniveaus. De verschillende niveaus worden beschreven in twee kwaliteiten: fundamentele kwaliteit (F) en streefkwaliteit (S). De niveaus zijn cumulatief. Een leerling moet op een hoger niveau alle vaardigheden beheersen die op een lager niveau genoemd worden. Deze worden niet telkens herhaald. De beschrijvingen van de niveaus voor Nederlandse taal en Rekenen verschillen. Dit komt doordat de vakken verschillen.
Voor Nederlandse taal zijn vier niveaus beschreven: 1F, 2F, 3F en 4F en voor Rekenen zijn zes niveaus beschreven: 1F, 2F, 3F en 1S, 2S en 3S. Voor het po zijn voor het terrein Nederlandse taal de niveaus 1F en 2F wettelijk vastgelegd. Voor het terrein Rekenen zijn dit voor het po de niveaus 1F en 1S.
Dit betekent dat, in lijn met de Toetswijzer PO, de doorstroomtoets, ongeacht de toetsvorm, voor de terreinen Nederlandse taal en Rekenen toetsopgaven moet bevatten die de inhouden van de niveaus 1F (fundamentele kwaliteit) en 2F / 1S (streefkwaliteit) meten.
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseis te voldoen, dient vraag TN1 met JA te worden beantwoord.
3.5.4. Gebruik kladpapier
4.1. Leerlingrapport
Elke routing binnen het MST design dient voor de terreinen Nederlandse taal en Rekenen een uitspraak over het behaalde niveau 1F en/of 2F / 1S te geven. In het geval van een MST is er verantwoord hoe het 1F en/of 2F/1S niveau van de terreinen Nederlandse taal en Rekenen op een bij de moeilijkheidsgraad van de betreffende route passende wijze voor alle individuele leerlingen aan bod komt. De aanbieder kan dit verantwoorden aan de hand van de toetsmatrijs, aangevuld met de beschrijving van de samenstelling van het MST design, aangevuld met enkele toetspaden uit het design inclusief de daarin aangeboden toetsopgaven.
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseis te voldoen, dient deze vraag met JA te worden beantwoord.
Toelichting: Gebruik van een niet-grafische en/of niet-programmeerbare rekenmachine is bij maximaal 20% van de toetsopgaven toegestaan. Gebruik van een grafische en/of programmeerbare rekenmachine is niet toegestaan.
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, dienen alle vragen met JA of N.V.T. te worden beantwoord.
Toelichting LR1: De toetsaanbieder geeft één of meerdere (model)rapportages ter beoordeling. Wanneer er meer dan één variant van het leerlingrapport bestaat, moeten al deze varianten aangeboden worden, met een uitleg wanneer welke variant wordt gebruikt. Aangezien alle varianten aan de eisen moeten voldoen, worden alle voorbeeldrapporten beoordeeld op de kwaliteitseisen LR2 tot en met LR6. Mochten er rapporten ontbreken (d.w.z. LR1 = nee), dan krijgt de toetsaanbieder een onvoldoende voor ‘leerlingrapport’. Wanneer het leerlingrapport wel wordt aangeboden, worden de kwaliteitseisen LR2 tot en met LR6 beoordeeld op basis van die versie(s) van het leerlingrapport.
Toelichting LR2: De toetsaanbieder dient in het leerlingrapport een toetsadvies te geven. De aanbieder hanteert hierbij de door de Rijksoverheid vastgestelde toetsadviescategorieën. Dit toetsadvies is gebaseerd op in ieder geval de resultaten van het wettelijk verplichte domein Lezen en subdomein Taalverzorging van het terrein Nederlandse taal en het terrein Rekenen. Aanvullend mag de toetsaanbieder in de bepaling van het toetsadvies ook één of meerdere van de optionele (sub)domeinen van Nederlandse taal meenemen die in dit kader in Hoofdstuk 3 beschreven zijn. In de wetenschappelijke verantwoording moet zijn aangegeven op basis van metingen van welke (sub)domeinen het toetsadvies tot stand is gekomen.
Toelichting LR3: In het leerlingrapport moet aangegeven zijn op welk referentieniveau de leerling gepresteerd heeft op het domein Lezen. In het leerlingrapport moet in ieder geval aangegeven worden in welk van de volgende drie categorieën de leerlingprestatie past: onder niveau 1F, op niveau 1F, of op streefniveau 2F. Hoewel in de theorie de categorieën elkaar niet uitsluiten, en de leerling ook op een hoger niveau zou kunnen presteren dan het maximaal gegeven niveau, is in deze regeling vastgesteld dat in de rapportage een leerlingprestatie in één (niet meer en niet minder) van deze drie categorieën geclassificeerd wordt.
4.2. Leerlingen
Toelichting LR5: In het leerlingrapport moet aangegeven zijn op welk referentieniveau de leerling gepresteerd heeft op het terrein Rekenen. In het leerlingrapport moet in ieder geval aangegeven worden in welk van de volgende drie categorieën de leerlingprestatie past: onder niveau 1F, op niveau 1F, of op streefniveau 1S. Hoewel in de theorie de categorieën elkaar niet uitsluiten, en de leerling ook op een hoger niveau zou kunnen presteren dan het maximaal gegeven niveau, is in deze regeling vastgesteld dat in de rapportage een leerlingprestatie in één (niet meer en niet minder) van deze drie categorieën geclassificeerd wordt.
Toelichting LR6: Bij het rapport dient een toegankelijke toelichting te worden geboden, waarin begrijpelijke handvatten gegeven worden voor de interpretatie van het toetsadvies en de beheersing van de referentieniveaus van de leerling door diverse betrokkenen. De aanbieder toont aan op welke wijze de rapportage rekening houdt met de verschillende doelgroepen, te weten leerlingen, ouders, verzorgers, voogden en afnemers.
Toelichting LR7: De toetsaanbieder geeft één of meerdere (model)rapportages zoals bijvoorbeeld een groepsrapportage, schoolrapportage of bovenschoolse rapportage ter beoordeling. Bij de uitgegeven rapporten dient een toegankelijke toelichting te worden geboden aan de beoogde gebruiker, waarin begrijpelijke handvatten gegeven worden voor de interpretatie van gerapporteerde gegevens. De aanbieder toont aan op welke wijze de rapportage rekening houdt met de verschillende doelgroepen, te weten leerkrachten, intern begeleiders, en directeuren of vertegenwoordigers van schoolbesturen of samenwerkingsverbanden.
Toelichting LL1.a:De toets wordt door de aanbieder (op bestelling) geleverd in een format dat zich leent voor de hulpmiddelen die door leerlingen met een visuele beperking worden gebruikt en met inachtneming van de toetseisen inhoudelijk geschikt zijn gemaakt voor de leerlingen met een visuele beperking. Afhankelijk van de aard van de visuele beperking kan tijdverlenging worden toegekend.
De doorstroomtoets is in principe geschikt voor alle leerlingen, ook voor leerlingen met een specifieke ondersteuningsbehoefte, met uitzondering van leerlingen die onder de ontheffingsgronden vallen.
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, dienen alle vragen met JA te worden beantwoord. In de toelichting wordt bij enkele kwaliteitseisen aangegeven waar een doorverwijzing naar www.rijksoverheid.nl voor een toets van een aanbieder die voorziet in die behoefte voldoende kan zijn.
Toelichting LL1: Er is automatisch voldaan aan kwaliteitseis LL1 wanneer is voldaan aan de kwaliteitseisen LL1a t/m LL1g. Er is aantoonbaar aandacht besteed aan alle in LL1.a t/m LL1.g genoemde doelgroepen en hun ondersteuningsbehoeften.
Dit houdt het volgende in:
Waar de bovengenoemde standaard onvoldoende tegemoet komt aan de doelgroepen genoemd onder LL1.a t/m LL1.g is aantoonbaar geprobeerd de belemmeringen die deze leerlingen ervaren bij het maken van de toets weg te nemen door de mogelijkheid tot inzet van hulpmiddelen of ondersteuning, aanpassing van de afnamecondities of door het aanbieden van aangepaste versies.
Toelichting LL1.a: De toets wordt door de aanbieder (op bestelling) geleverd in een format dat zich leent voor de hulpmiddelen die door leerlingen met een visuele beperking worden gebruikt en met inachtneming van de toetseisen inhoudelijk geschikt zijn gemaakt voor de leerlingen met een visuele beperking. De toetsaanbieder specificeert dit per type visuele beperking (kleurenblind, slechtziend, blind).
Leerlingen die kleurenblind zijn. Bij de constructie van de toets is rekening gehouden met leerlingen die kleurenblind zijn. Dit kan onder andere door kleurgebruik alleen ondersteunend te laten zijn. Daarnaast is er bijvoorbeeld de mogelijkheid tot het aanbieden van een zwart/wit-variant. Relevant voor de normering is dat de aanbieder er rekening mee houdt dat het ontbreken van een kleuren(afbeelding) geen invloed heeft op de moeilijkheid van het item. Dit houdt in dat de inhoud en de structuur van het item duidelijk en begrijpelijk moeten zijn, ongeacht het gebruik van kleur.
Bij twijfel mag de leerling gebruik maken van de volgende procedure: voor kleurenblinde leerlingen kan een opzoekhulp worden ingezet die op verzoek van de leerling de kleur van een door de leerling aangewezen vlakdeel benoemt, of een door de leerling aangewezen kleur aanwijst in toets of hulpmiddel.
Aanbieders houden bij het maken van de toets rekening met (digitale) toegankelijkheid voor leerlingen met een visuele beperking, middels bijvoorbeeld contrast, mogelijkheid tot inzoomen en mogelijkheid tot het gebruik van hulpmiddelen, waaronder audio-ondersteuning en gebruik van een brailleleesregel
Een aanbieder kan voor(zeer) slechtziende en blinde leerlingen aanvullende aanpassingen voor de toegankelijkheid van hun toets aan te bieden. Bijvoorbeeld door gebruik te maken van tekenboeken of het aanbieden van een braillevariant. Het uitgangspunt is dat zo min mogelijk wordt afgeweken van de reguliere toetsen. Daar waar gekozen wordt om de toets aan te passen, verantwoordt de aanbieder deze aanpassingen.
Het aanbieden van een brailleversie van de doorstroomtoets is facultatief. Wel moeten toetsaanbieders leerlingen met die behoefte in de verantwoordingsdocumenten en handleiding voor de afnemer doorverwijzen naar www.rijksoverheid.nl voor een toets van een aanbieder die voorziet in die behoefte.
Afwijkende beoordeling calamiteitentoets: Van de calamiteitentoets moet een versie beschikbaar zijn in braille, in zwart-wit en voorzien zijn van een vorm van audio-ondersteuning om te voldoen aan LL1.a.
Toelichting LL1.b: De aanbieder levert bijvoorbeeld (op bestelling) een aangepaste toets indien de toets gebruikmaakt van functioneel geluid (zoals bijvoorbeeld bij dictee-opgaven). Indien een aanbieder hier niet in kan voorzien, dient deze de school in de verantwoordingsdocumenten en handleiding voor de afnemer te verwijzen naar www.rijksoverheid.nl waar is aangegeven welke toets van weke aanbieder voorziet in die behoefte.
Toelichting LL1.c: De aanbieder geeft aan hoe rekening is gehouden met leerlingen met een taalontwikkelingsstoornis (TOS). Hierbij kan gedacht worden aan de mogelijkheid tot het inzetten van de voorleesfunctie en mogelijke aanpassingen in de afnamecondities, zoals het werken met een afdekblad en het markeren van tekst.
4.3. Afname doorstroomtoets
Als een leerling door dyslexie moeite heeft met het lezen van teksten op beeldscherm, moet de leerling gebruik kunnen maken van een door de aanbieder geleverde voorleesfunctie. Bij een papieren versie moet de aanbieder (op vraag) een versie leveren die geschikt is voor voorleessoftware. De wijze waarop kan per toets(soort) verschillen.
Andere voorbeelden van hulpmiddelen ter ondersteuning van deze doelgroep zijn de beschikbaarheid van een zoomfunctie en een markeerstift.
Toelichting bij LL1.e: Voor leerlingen met dyscalculie wordt geen aangepaste toets geleverd.
In de afnamecondities kan (bijvoorbeeld door in de planning meer pauzes of spreiding van de toetsmomenten op te nemen) rekening worden gehouden met deze ondersteuningsbehoefte. De aanbieder benoemt de eventuele mogelijkheden in diens verantwoordingsdocumenten. Indien de aanbieder het gebruik van een rekenkaart als hulpmiddel toestaat, dient de aanbieder te verantwoorden hoe dit hulpmiddel de toetsdoelstellingen beïnvloedt. Daarbij wordt toegelicht welke impact op de toetsresultaten verwacht wordt bij gebruik van de rekenkaart en onder welke voorwaarden deze tijdens de toets gebruikt mag worden.
4.4. Beveiligingsaspecten
Indien het voor een leerling desondanks niet mogelijk is de fysieke handelingen uit te voeren die nodig zijn om de toets te maken, wordt in de handleiding beschreven dat de leerling dan gebruik kan maken van een hulp ter ondersteuning, zoals een schrijfhulp, die antwoorden noteert op aanwijzing van de leerling.
Afwijkende beoordeling calamiteitentoets: kwaliteitseis LL1.f is niet van toepassing voor de calamiteitentoets.
Toelichting bij LL1.g: De aanbieder toont aan welke ondersteuning wordt geboden voor andere beperkingen zoals hier genoemd. Voor bijvoorbeeld leerlingen met ondersteuningsbehoeften voortkomend uit ziekte, psychische aandoeningen en/of gedragsproblemen geeft de aanbieder aan welke aanpassingen mogelijk zijn in de wijze van afnemen en van welke hulpmiddelen zij gebruik kunnen maken tijden de afname. De aanbieder benoemt daarbij expliciet welke aanpassingen en hulpmiddelen voor deze doelgroepen extra aandacht behoeven, waarbij gedacht kan worden aan het bieden van voldoende tijd, een prikkelarme werkomgeving of individuele afname, extra structureren van wijze van afname en regels die daarbij gelden.
Afwijkende beoordeling calamiteitentoets: kwaliteitseis LL1.g is niet van toepassing voor de calamiteitentoets.
Toelichting LL2: De vorm van de ondersteuning staat beschreven in de handleiding en/of toetsreglement, waaronder de wijze waarop rekening gehouden wordt met doelgroepen in de itemconstructie, door het aanbod van varianten van de toets, de beschikbaarheid van hulpmiddelen en/of via de afnamecondities.
De aanbieder schrijft voor dat bij alle toets(vorm)en alle onderdelen de hulpmiddelen zijn toegestaan binnen de gegeven kaders van de vigerende regelingen. In de Toetswijzer PO staat van een aantal hulpmiddelen voorgeschreven dat deze altijd zijn toegestaan of wanneer al dan niet deze zijn toegestaan. Aanvullend kan een aanbieder andere hulpmiddelen toestaan.
5. Psychometrische aspecten
5.1. Inleiding
Toelichting LL2.b: De aanbieder geeft aan welke aanpassingen in de afnamecondities mogelijk zijn en beschrijft hier ten minste de mogelijkheden voor het bieden van voldoende tijd (langer dan de gegeven tijdsindicatie), de inzet van pauzes en de mogelijkheid tot individuele afname. Voor veel aanpassingen in de afnamecondities geldt dat deze voor alle leerlingen ingezet zouden kunnen worden. Voor leerlingen met ondersteuningsbehoeften vragen deze afnamecondities echter extra aandacht. De aanbieder beschrijft de mogelijke aanpassingen in de handleiding voor de afnemer en/of toetsreglement en wijst de afnemer erop dat de afnamecondities voor leerlingen met ondersteuningsbehoeften extra aandacht vragen.
Toelichting LL2.c: Wanneer een leerling aantoonbaar niet in de gelegenheid is om de toets op school te maken, kan de toets op een andere locatie worden afgenomen. Denk hierbij aan leerlingen die in het ziekenhuis liggen, of thuiszittende leerlingen. De aanbieder beschrijft in de handleiding welke (technische) randvoorwaarden hieraan verbonden zijn en hoe de school afname op een andere locatie kan organiseren.
Toelichting LL2.d: De aanbieder toont aan wat er aan maatwerk mogelijk is indien het beschreven aanbod aan hulpmiddelen, toetsvarianten en aanpassingen van afnamecondities niet toereikend zijn voor een leerling met specifieke ondersteuningsbehoeften.
4.3. Afname doorstroomtoets
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, dienen alle vragen met JA of N.V.T. te worden beantwoord.
Toelichting A1:
5.2.1. Steekproefkader en samenstelling steekproef
Afwijkende beoordeling calamiteitentoets: kwaliteitseis A1 is niet van toepassing voor de calamiteitentoets.
Toelichting A2.1 t/m A2.6:
In de verantwoordingsdocumenten voor de afnemer is de volgende informatie gegeven:
Bij het evalueren van deze vragen kijkt de adviseur niet alleen of deze informatie er is, maar ook of deze duidelijk is en geen tegenstrijdigheden bevat. Mocht achteraf blijken dat in de praktijk de door de aanbieders verstrekte informatie en communicatie dusdanig verwarrend en/of tegenstrijdig zijn dat dit een negatieve impact heeft op de afname en/of de resultaten van de leerlingen, dan kan dit in de jaarlijkse evaluatie van de toets een negatief oordeel opleveren.
Toelichting A3:
Worden in het toetsreglement/de verantwoordingsdocumenten vermeld op welke wijze de afnamecondities moeten bijdragen aan optimale prestaties van de leerlingen? Denk aan voldoende tijd om de toets te kunnen maken en een goede voorbereiding van leerlingen op de afname van de toets.
De beantwoording van deze vraag is afhankelijk van het doel van de steekproef. Hierboven is al verwezen naar de twee scenario’s die van toepassing zijn. De vraag naar de kwaliteit van de steekproef is verder opgedeeld naar de grote en de relevantie van de steekproef. Er is automatisch voldaan aan kwaliteitseis N1.1, wanneer is voldaan aan de kwaliteitseisen N1.1a en N1.1b.
Indien de aanbieder ISO 27001 is gecertificeerd, volstaat het om dit certificaat inclusief een verklaring van toepasbaarheid (c.q. de scope van het certificaat) aan te leveren. Indien voorgaande wordt aangeleverd, zijn onderstaande kwaliteitseisen voldoende verantwoord.
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, dienen alle vragen met JA of N.V.T. te worden beantwoord.
Toelichting RB1 t/m RB4.2:
De aanbieder moet overzichtelijk per kwaliteitseis aangeven hoe daar aan is voldaan. Een voorbeeld daarvan is de verwijzing naar een verwerkersovereenkomst, waar op de kwaliteitseisen RB1 t/m RB4.2 wordt ingegaan. Daarbij dient bewijslast te worden overlegd van de bij BI.2, BI.3 en BI.4 gevraagde documenten, processen, contracten en protocollen.
De verantwoordelijkheid voor het goed gebruik van de toets en de daarmee verzamelde informatie in de dagelijkse praktijk ligt bij de school / de eindgebruiker zelf.
Toelichting RB5: Het doel van de terugvaloptie is dat in het geval van een incident of onregelmatigheid de toetsaanbieder tijdig een toetsversie beschikbaar heeft zodat de leerling toch een doorstroomtoets van de initiële toetsaanbieder kan afnemen tijdens de afname- of inhaalperiode.
De toetsaanbieder beschrijft in een bijbehorend calamiteitenplan de procedure ter voorbereiding op incidenten en calamiteiten. Hierin dient in ieder geval vastgelegd te worden:
Toetsaanbieders zijn bovendien zelf verantwoordelijk voor het in de gaten houden van signalen vanuit scholen, het onderwijsveld en sociale media dat hun doorstroomtoets mogelijk niet aan de voorwaarden voor doorgang vinden voldoet.
Afwijkende beoordeling calamiteitentoets: kwaliteitseis RB5 is niet van toepassing voor de calamiteitentoets.
Afwijkende beoordeling calamiteitentoets: De eis dat rekening gehouden moet worden met de ICC geldt niet voor de calamiteitentoets.
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, dienen alle vragen met JA of N.V.T. te worden beantwoord.
De toetsaanbieder dient nieuw geconstrueerde items te pretesten. Dit om de psychometrische kwaliteit van de items te schatten, om van daaruit te kunnen bepalen welke items mogen worden gebruikt bij de definitieve toetssamenstelling.
De psychometrische kwaliteitsbeoordeling van de doorstroomtoets door de adviseur in opdracht van het CvTE bestaat uit de volgende stappen:
In het geval van een MST, geldt dat voor wat betreft de psychometrische kwaliteitseisen uit hoofdstuk 5 het CvTE per kwaliteitseis mag beoordelen of en welke van de eisen voor een lineaire doorstroomtoets en/of en welke van de eisen voor een computergestuurde adaptieve doorstroomtoets op itemniveau (CAT) van toepassing zijn.
De psychometrische kwaliteitsbeoordeling van de calamiteitentoets wijkt af van bovengenoemd kader. De calamiteitentoets bevat geen items uit het gezamenlijk anker. Ook de normering van de calamiteitentoets wijkt af van de reguliere normering. Dit is nader uitgewerkt in de Regeling Beoordelingsnormen doorstroomtoetsen po.
Toelichting RB5: Het doel van de terugvaloptie is dat in het geval van een incident of onregelmatigheid de toetsaanbieder tijdig een toetsversie beschikbaar heeft zodat de leerling toch een doorstroomtoets van de initiële toetsaanbieder kan afnemen tijdens de afname- of inhaalperiode.
De pretestprocedure heeft tot doel om de bruikbaarheid van items te bepalen om vervolgens vast te kunnen stellen welke items in aanmerking komen voor opname in de definitief samen te stellen varianten van de doorstroomtoets.
De pretest kan op twee manieren worden uitgevoerd:
Afwijkende beoordeling calamiteitentoets: kwaliteitseis RB5 is niet van toepassing voor de calamiteitentoets.
De onderwijskundig positief beoordeelde nieuw geconstrueerde items worden gepretest volgens de kwaliteitseisen voor het steekproefkader en de samenstelling van de steekproef.
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, dienen alle vragen met JA of N.V.T. te worden beantwoord.
5.2.2. Kalibratie en kwaliteit van items
De beantwoording van deze vraag is afhankelijk van het doel van de steekproef. Hierboven is al verwezen naar de twee scenario’s die van toepassing zijn. De vraag naar de kwaliteit van de steekproef is verder opgedeeld naar de grootte en de relevantie van de steekproef. Er is automatisch voldaan aan kwaliteitseis N1.1, wanneer is voldaan aan de kwaliteitseisen N1.1a en N1.1b.
Toelichting N1.1a:
Als onder scenario 1 doel A wordt nagestreefd, het bepalen of een opgave van voldoende kwaliteit is om opgenomen te mogen worden in de operationele doorstroomtoets, is het benodigde aantal leerlingen beperkt. Uit een relatief beperkt aantal observaties valt immers te achterhalen of een opgave goed genoeg functioneert om opgenomen te worden in de afname. De focus moet hierbij vooral liggen op het onderscheidend vermogen van de opgave en de werking van de afleiders in het geval van een meerkeuze-opgave. Om de kans te verkleinen dat het onderscheidend vermogen bij de afname negatief blijkt te zijn is het verstandig een redelijke ondergrens van de Rir-waarde of de geschatte a-parameter te kiezen. De aanbieder is hier vrij in, maar dient wel aan te geven welk criterium gehanteerd is (en waarom). Het aantal observaties wordt als voldoende gezien wanneer iedere opgave door minstens 200 leerlingen gemaakt is. Uiteraard geven meer gegevens meer zekerheid.
Wanneer onder scenario 1 doel B wordt nagestreefd, de additionele dataverzameling ten behoeve van itemparameterschattingen, dan dient het aantal observaties hoger te zijn. Op het moment van itemkalibratie t.b.v. de parameterschattingen voor de leerlingrapportage, geldt bij een 2PL itemresponsemodel een minimum van 600 observaties (dezelfde aantallen als gespecificeerd staan onder scenario 2 hieronder).
Onder scenario 2 worden de opgaven voor het eerst afgenomen direct onder operationele afnameconditie. Deze opgaven moeten van tevoren door de aanbieder zelf of het CvTE via een vroegtijdige onderwijskundige beoordeling onderwijskundig als kwalitatief voldoende beoordeeld zijn. Deze opgaven mogen zich noch onderwijskundig opzicht, noch in psychometrisch opzicht van de andere opgaven in de toets onderscheiden. Omdat leerlingen er tijd en moeite in steken is het terecht als deze items dan meetellen voor de rapportage. In dat geval kunnen deze items tijdens de campagne bijgeschaald worden (doel B).
Wanneer onder scenario 2 doel A wordt nagestreefd, de basis-kwaliteitscontrole van items, is het minimaal vereiste aantal observaties gelijk aan dat bij doel A van scenario 1 (een minimum van 200 leerlingen).
Wanneer onder scenario 2 doel B wordt nagestreefd, en items mee tellen voor de terugrapportage naar de leerling, moeten de itemparameters goed geschat worden. Daartoe moeten er voldoende observaties per item zijn. Voor dichotoom gescoorde items geldt bij een 2PL itemresponsemodel een minimum van 600 observaties (dezelfde aantallen als gespecificeerd staan onder scenario 1, doel B, hierboven). Aanbieders mogen van deze aantallen afwijken, mits dit gedegen en volledig wordt onderbouwd.
Voor alle items die meetellen voor de rapportage dienen de bovengenoemde aantallen behaald te worden. Bij opgaven die bijvoorbeeld in een CAT of MST te weinig door het algoritme geselecteerd worden, worden de aantallen niet altijd tijdens de afname gehaald. In die gevallen mogen de gegevens van de pretest ook gebruikt worden voor de kalibratie om die itemparameters te schatten. De genoemde aantallen observaties per opgave kunnen dan gehaald worden met de som van de pretest-observaties en de afname-observaties. Houd er dan rekening mee dat dan ook aan andere steekproefeisen voldaan moet zijn aangaande representativiteit.
Gekloonde opgaven zijn in beginsel nieuwe opgaven, en worden zo ook beoordeeld. Wanneer er sprake is van (zeer) kleine wijzigingen, zoals de aanpassing van een munteenheid (van euro naar dollar), of de aanpassing van een naam (bijvoorbeeld ten behoeve van inclusie), waarbij de opgave inhoudelijk hetzelfde blijft, dan kunnen dergelijke items als onveranderd gezien worden. De toetsaanbieder dient dan wel duidelijk aan te geven welke (inhoudelijke) aanpassing gedaan is, bij voorkeur met een rationale waaruit blijkt waarom de aanpassing geen impact heeft.
Wanneer de gekloonde opgave in termen van relevantie en/of objectiviteit verandert ten opzichte van het originele item, dan is er wel sprake van een nieuwe opgave. Meer specifiek is er sprake van een nieuwe opgave wanneer:
Wanneer eerder al data verzameld zijn bij het item in een andere vorm dient ook bij kleine wijzigingen het gekloonde item een nieuw label te krijgen.
Toelichting N1.1b:
De steekproef dient relevant te zijn voor de toepassing. Dit betekent dat de steekproef van de pretest overeenkomstig dient te zijn met de verwachte populatie die de toets van de aanbieder regulier afneemt. De aanbieder wordt gevraagd om – indien van toegevoegde waarde – effectgroottes aan te leveren ten behoeve van de gemaakte vergelijking.
Voor scenario 2, het zaaien in de afname, is dat relatief makkelijk in te richten door de zaai-items verstandig op scholen in te zetten. Deze steekproefprocedure dient door de aanbieder beschreven te worden. Een ander voordeel bij scenario 2 is dat de afnamecondities per definitie identiek zijn aan reguliere afnamecondities.
In het geval van scenario 1 dient een aparte steekproef getrokken te worden. De eisen aan deze steekproef en de afnamecondities verschillen voor doel A en doel B bij dit scenario. Onder doel A, de basis-kwaliteitscontrole, is het belangrijk dat de steekproef lijkt op de toets-populatie. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de variabelen in onderstaande tabel. Minstens twee niveaus van iedere variabele moeten mee genomen worden. Voor de variabele schoolweging geldt een ondergrens van drie niveaus. Als scenario 1 doel B nagestreefd wordt, dan wordt verwacht dat de afname onder dezelfde condities plaatsvindt als de reguliere afname, een high-stakes afname is hierbij wenselijk. Er dient door de aanbieder beschreven te worden hoe dat zoveel mogelijk bereikt wordt. Tevens dient aangetoond te worden dat de verdeling van de steekproef goed gelijkend is aan de toets-populatie. Daarvoor mag de toets-populatie van het voorgaande afnamejaar als referentie en steekproefkader gebruikt worden. Deze populatie en steekproef dienen dan beschreven te worden op basis van de variabelen en niveaus zoals beschreven in de onderstaande tabel.
1 De mate van verstedelijking is terug te voeren op de bij het CBS gebruikelijke indeling naar vijf niveaus, namelijk zeer sterk, sterk, matig, weinig en niet verstedelijkt. De vijfdeling is hier teruggebracht naar een tweedeling in enerzijds verstedelijkt (zeer sterk en sterk) en anderzijds landelijk (matig, weinig en niet verstedelijkt) die in de praktijk goed lijkt te volstaan (c. f. van Boxtel en Hemker, 2009). De toetsaanbieder kan ervoor kiezen om van deze indeling af te wijken, mits deze keuze is voldoende onderbouwd.
Onder scenario 1 wordt een positief antwoord op deze vraag gegeven wanneer aan de volgende vijf voorwaarden is voldaan:
Als bij (3) de omstandigheden afwijken van de werkelijke afname wordt aangegeven welke impact verwacht wordt en hoe daar in de selectie van opgaven voor de operationele afname rekening mee is gehouden.
Onder scenario 2 wordt een positief antwoord op deze vraag gegeven wanneer aan de volgende twee voorwaarden is voldaan:
Afwijkende beoordeling calamiteitentoets: De eis dat de steekproef van de pretest overeen dient te komen met de populatie die de toets van de aanbieder regulier afneemt, geldt niet voor de calamiteitentoets. Voor de calamiteitentoets is ‘leerlingen uit groep 8’ de best passende operationalisering van de beoogde doelgroep.
Toelichting N1.2:
Voor doel A, de basis-kwaliteitscontrole, is deze eis niet van toepassing, omdat bij de normering de (definitieve) gebruikte parameters bepaald worden op basis van de operationele afname. De kwaliteit van de pretest wordt dan alleen bepaald op basis van N1.1.
Wanneer er sprake is van doelBis het van belang dat de parameters per (sub)domein op dezelfde schaal liggen. Hiervoor is het van belang dat er sprake is van een afnamedesign waarbij dit mogelijk is. Wanneer de pretest gedaan wordt door middel van ‘zaai-opgaven’ in de afname dan wordt aangeven hoe dat ‘zaai-design’ er uitziet. Dit design is meegegeven in de technische verantwoording van de pretest en bevat indien van toepassing in ieder geval informatie over:
5.2.3. Toetssamenstelling
Wanneer de pretestdata zijn verzameld met een CAT is het niet zinvol om het hele onvolledige design weer te geven, omdat iedere leerling dan in principe een unieke verzameling items maakt. Het dient wel duidelijk te zijn op welke gegevens de linking en normering gebaseerd zijn. Bij een MST of een lineaire afname is het meeleveren van het design wel zinvol.
In het geval van een CAT is, net als bij de andere toetsvormen, aangegeven hoeveel zaai-items een kandidaat kan krijgen, en hoe die opgaven toegewezen worden.
Ook moet duidelijk zijn op welke posities de verschillende opgaven ingezet zijn, zodat door de toetsaanbieder op gedegen en complete wijze beargumenteerd kan worden op welke wijze er rekening is gehouden met vermoeidheids- en/of volgorde effecten.
Toelichting N1.3: De kwaliteit van de niet geautomatiseerd gescoorde open opgaven wordt ook beïnvloed door de beoordelaarsovereenstemming. In de pretest moet er bij niet geautomatiseerd gescoorde open opgaven daarom ook beoordelaarsovereenstemmingsonderzoek worden uitgevoerd. De aanbieder toont aan dat de mate van overeenstemming tussen de experts resulteert in een coëfficiënt voor beoordelaarsovereenstemming waarbij de proportie overeenstemming representatief is voor een instrument voor belangrijke beslissingen (high-stakes instrument). In het geval van doel A, de basis-kwaliteitscontrole, moet aangegeven worden op basis van welk criterium items vanwege een lage beoordelaarsovereenstemming niet opgenomen worden, en wanneer opgaven wel opgenomen kunnen worden. Bij doel B moet aangegeven worden wat de impact is op de geschatte parameters.
Onder scenario 2 wordt een positief antwoord op deze vraag gegeven wanneer aan de volgende twee voorwaarden is voldaan:
Na het verzamelen van de observaties voert de toetsaanbieder een kalibratie uit met de verzamelde testdata. In het geval dat opgaven al eerder zijn afgenomen (bij een itembank of bij pretestgegevens) kan er een schaal gekalibreerd worden die op basis van de afnamegegevens bestendigd moet worden. Op basis van de afnamegegevens kunnen de (goed functionerende) zaai-items op de schaal geplaatst worden. In de kalibratie schat de toetsaanbieder de itemparameters, zodat de kwaliteit van de gepreteste items kan worden vastgesteld.
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, dienen alle vragen met JA of N.V.T. te worden beantwoord.
Toelichting KA1:
De toetsaanbieder schat van alle gepreteste items de moeilijkheidsgraad (p-waarde of een vergelijkbare parameter), het discriminerend vermogen (Rir-waarde of vergelijkbare parameters) en, in het geval van meerkeuzevragen de kwaliteit van de afleiders (a-waarde, Rar-waarde of vergelijkbare waarden). De aanbieder dient te verantwoorden op basis van welke criteria opgaven toegelaten worden voor de operationele afname.
De toetsaanbieder selecteert vervolgens de items die psychometrisch gezien van voldoende kwaliteit zijn om te kunnen gebruiken in de samen te stellen doorstroomtoets. Dat betekent dat de toetsaanbieder op gedegen en complete wijze onderbouwt dat de geselecteerde items aan minimaal de volgende eisen voldoen:
De toetsaanbieder verantwoordt op gedegen en complete wijze de keuze voor de geselecteerde items die in aanmerking komen voor de doorstroomtoets en waarom items die niet aan deze eisen voldoen onder gegeven omstandigheden toch zijn mee genomen.
Toelichting KA2:
De toetsaanbieder beschrijft op gedegen en complete wijze dat de itemparameters van de geselecteerde items toepasbaar zijn. Dit wordt gedaan door (1) aan te tonen dat de itemparameters tussen verschillende afnamen en boekjes niet veranderen, en (2) een DIF analyse (differential item functioning) op itemniveau uit te voeren op tenminste de achtergrondvariabele schoolweging. Wanneer er sprake is van items met DIF, dient de toetsaanbieder aan te tonen dat dit in overeenstemming is met de verwachting op basis van de relevante literatuur. De aanbieder wordt gevraagd de DIF analyse grafisch te onderbouwen en indien mogelijk effectgroottes aan te leveren (bijvoorbeeld het gemiddelde absolute verschil tussen de geobserveerde en verwachte proporties juiste antwoorden, gegeven het IRT-model). Het ontbreken van de genoemde DIF-analyse of een gedegen uitleg kan resulteren in een onvoldoende voor deze kwaliteitseis.
5.3. Rapportage achteraf van de kwaliteit en het functioneren van de doorstroomtoets
Een adaptieve toets is een toets die zich aanpast aan het individuele vaardigheidsniveau van de persoon die de toets maakt. In plaats van alle deelnemers dezelfde set vragen voor te leggen, past een adaptieve toets de complexiteit van de vragen aan op basis van de correctheid van de eerdere antwoorden van de deelnemer. Het idee hierachter is dat hierdoor een efficiënte schatting van het vaardigheidsniveau van de leerling kan worden verkregen. Derhalve dienen van dit type doorstroomtoets de beslisregels of de algoritmes voor de samenstelling van de toets te zijn geëxpliciteerd. Voor een CAT dient de toetsaanbieder op gedegen en complete wijze te verantwoorden: (1) hoe de toets wordt gestart, (2) hoe de keuze voor een volgend item en wordt gemaakt, en (3) wanneer de toets wordt beëindigd (maximum aantal items en standard error). Voor een MST dient de toetsaanbieder op gedegen en complete wijze te verantwoorden: (1) hoe de toets wordt gestart, (2) hoe de keuze voor het volgende blokje wordt gemaakt en (3) wanneer de toets wordt beëindigd. Naast dat de beslisregels voor de samenstelling van de toets geëxpliciteerd dienen te zijn, is het belangrijk dat tevens beslisregels geëxpliciteerd zijn om dekking van het inhoudelijke domein te waarborgen per individuele afname. Dit houdt in dat indien er bijvoorbeeld vier verschillende domeinen van rekenen worden bevraagd, de beslisregels van de adaptieve toets ervoor dienen te zorgen dat ook uit alle domeinen voldoende opgaven worden afgenomen. Wanneer of de startprocedure (CAT), of de selectieprocedure (CAT en MST) of de stopprocedure (CAT) niet op gedegen en complete wijze is beschreven, kan dit resulteren in een onvoldoende voor deze kwaliteitseis.
Toelichting KA4:
De aanbieder van de toets dient informatie te verstrekken over de aannames die worden gemaakt over het type verdeling (normaal of anders), evenals het gemiddelde, de standaardafwijking en hun schattingsfout (standard error) op de vaardigheidsverdeling. Daarnaast moet de toetsaanbieder verantwoorden hoe deze schattingen zijn verkregen en aangeven voor welke populatie(s) deze parameters gelden. Deze gegevens dienen in ieder geval gegeven te worden voor de leerlingpopulatie van het reguliere basisonderwijs.
6. Vierjaarlijkse erkenning en jaarlijkse vaststelling door het CvTE
6.1. De vierjaarlijkse erkenning
De meting van de vaardigheid van een leerling moet voldoende betrouwbaar zijn. Dit betekent dat de schattingsfout (standard error) van iedere geschatte vaardigheid beperkt is. Deze schattingsfout zal in de praktijk (waarschijnlijk) niet voor iedere leerling even groot zijn. Daarom dient aangegeven te worden wat de verdeling van de schattingsfouten is. Om de grootte van de schattingsfout op waarde te kunnen schatten zal de standaardafwijking zoals deze gegeven wordt in KA4 als referentie dienen.
De eis van de minimale betrouwbaarheid (de manier om de schattingsfout van de persoonsparameters in te schatten) wordt op drie manieren beoordeeld:
6.2. De jaarlijkse vaststelling
Alle psychometrische modellen werken met aannames en voorwaarden waaraan voldaan moet worden, wil het model bruikbaar zijn. Past het – voor de toetssamenstelling gebruikte model – bij de data? De aanbieder dient de itemfit grafisch te onderbouwen, indien mogelijk op basis van voor het gebruikte model en de toets toepasbare statistieken.
Checklist 1 Toetsopgaven Nederlandse taal per domein en per onderdeel: formulier voor toetsontwikkelaar en expert
A. Subdomein Zakelijke Teksten
Om een positief oordeel op deze kwaliteitseis te krijgen wordt aangetoond dat alle opgaven een voldoende onderscheidend vermogen hebben. Dat kan door te laten zien dat het onderscheidend vermogen van de opgaven in de bank of toets, aangetoond door de a-parameter, niet kleiner is dan 10% van het gemiddelde onderscheidend vermogen van de gezamenlijke ankeritems van de meest recent gekalibreerde jaarset. Dit dient berekend te worden voor het wettelijk verplichte domein Lezen en subdomein Taalverzorging van het terrein Nederlandse taal en het terrein Rekenen.
5.2.3. Toetssamenstelling
Na afronding van de kalibratie van de nieuwe items, stelt de toetsaanbieder de definitieve doorstroomtoets samen.
B. Domein Taalverzorging
Toelichting T1: Voor zowel een MST als papieren en digitale lineaire doorstroomtoetsen geldt dat de toets voor de terreinen Nederlandse taal en Rekenen in ieder geval vragen moet bevatten die inhoudelijk aansluiten bij de referentieniveaus 1F en 2F/1S en die een moeilijkheidsgraad tussen de cesuur van referentieniveau 1F en 2F/1S hebben. In het geval van een CAT is de itemselectie geoptimaliseerd rond de opeenvolgende vaardigheidsschattingen.
Toelichting T2: De door het CvTE toegewezen subset van gezamenlijke ankeritems is opgenomen in (de varianten van) de doorstroomtoets. Eventuele (minimale) aanpassingen op deze items t.o.v. het moederitem zijn alleen toegestaan met akkoord en na beoordeling van het CvTE.
Checklist 1 Toetsopgaven Nederlandse taal per domein en per onderdeel: formulier voor toetsontwikkelaar en expert
A. Subdomein Zakelijke Teksten
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Toelichting LL1.d: De aanbieder geeft aan hoe bij de lay-out en typografie met deze doelgroep rekening wordt gehouden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een schreefloos lettertype met minimale puntgrootte 12, afstand tussen letters, woorden, regels en alinea’s, gebruik van witruimte en een eenduidige, rustige lay-out.
4.3. Afname doorstroomtoets
Toelichting bij LL1.f: De aanbieder beschrijft hoe de toets toegankelijk is gemaakt voor leerlingen met motorische beperkingen. Er kan bij digitale toetsen bijvoorbeeld worden gedacht aan het bedienbaar maken van functionaliteiten met het toetsenbord in plaats van de muis en bij schriftelijke toetsen aan de mogelijkheid tot het typen van antwoorden op een antwoordblad.
4.4. Beveiligingsaspecten
De aanbieder wijst de afnemer er in de handleiding en/of toetsreglement op dat er geen tijdslimiet bestaat en dat de afnemer zelf kan besluiten wat een passende afnameduur (spreiding van de toetsonderdelen over de dag, pauzes e.d.) is bij leerlingen met ondersteuningsbehoeften. Daarnaast wijst de aanbieder de afnemer op de mogelijkheid van de voorleesfunctie voor alle leerlingen die op basis van hun ondersteuningsbehoefte hier gebruik van moeten kunnen maken.
Toelichting LL2.a: Hulpmiddelen kunnen in twee categorieën opgesplitst worden. Enerzijds gaat het om hulpmiddelen die al in de toets(omgeving) zijn opgenomen of ingebouwd. Anderzijds gaat het om de mogelijkheid tot het inzetten van hulpmiddelen van de school of leerling zelf. Bij deze tweede categorie is het belangrijk dat de toets toegankelijk is voor deze hulpmiddelen. De aanbieder beschrijft beide categorieën in de handleiding voor de afnemer en/of toetsreglement.
5. Psychometrische aspecten
5.1. Inleiding
Afwijkende beoordeling calamiteitentoets: kwaliteitseis LL1.f is niet van toepassing voor de calamiteitentoets.
In de verantwoordingsdocumenten en het toetsreglement is beschreven hoe leerlingen, die bij de eerste afname waren verhinderd, alsnog bij een tweede afnamemoment binnen de wettelijk gestelde termijn een doorstroomtoets kunnen maken. Indien mogelijk is dit een inhoudelijk en psychometrisch vergelijkbare alternatieve doorstroomtoets.
5.2. Pretestprocedure
5.2.1. Steekproefkader en samenstelling steekproef
Toelichting N1.1:
5.2.2. Kalibratie en kwaliteit van items
Met behulp van deze informatie kan de aanbieder laten zien dat het plaatsen van de itemparameters van alle opgaven op dezelfde schaal als waar de meting over gaat mogelijk is, meestal door middel van een verbonden design.
5.2.3. Toetssamenstelling
Toelichting KA3 (alleen van toepassing voor adaptieve toetsen):
Indien de doorstroomtoets eerder is afgenomen is deze schatting gebaseerd op de daadwerkelijke populatievaardigheid van het voorgaande jaar. Bij een eerste afname is dat niet mogelijk, en dient de toetsaanbieder diens verwachtingen aan te geven zoals ook beschreven bij de jaarlijkse rapportage na de afname (zie hoofdstuk 5.4).
Toelichting KA5:
5.3. Rapportage achteraf van de kwaliteit en het functioneren van de doorstroomtoets
Toelichting KA6:
Toelichting KA7:
De aangeboden opgaven moeten voldoende onderscheidend zijn. In het geval van een adaptieve toets met een itembank (CAT) zullen items met weinig onderscheidend vermogen zelden of nooit aangeboden worden. Deze items vormen daarmee een overschatting van de vulling van de bank in aantallen opgaven. In het geval van een lineaire toets of een MST, is het onwenselijk dat een leerling tijd besteed aan opgaven met een extreem laag gewicht.
6. Vierjaarlijkse erkenning en jaarlijkse vaststelling door het CvTE
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, dienen alle vragen met JA of N.V.T. te worden beantwoord.
6.2. De jaarlijkse vaststelling
Toelichting T3 (alleen van toepassing voor lineaire toetsen): Een lineaire toets bestaat jaarlijks volledig uit nieuwe gekalibreerde items voor het wettelijk verplichte domein Lezen en subdomein Taalverzorging van het terrein Nederlandse taal en het terrein Rekenen, met uitzondering van de items van het gezamenlijk anker en een intern anker. Als een intern anker wordt gebruikt moet de noodzakelijkheid ervan voldoende worden uitgelegd.
B. Subdomein Fictionele, narratieve en literaire teksten
Toelichting T4 (alleen van toepassing bij al eerder erkende of vastgestelde adaptieve toetsen):
5.2.3. Toetssamenstelling
De punten b en c kunnen onderzocht worden met een statistische toets voor DIF en/of met een statistische toets voor Item Parameter Drift (IPD), mits het aantal observaties de gekozen analysemethode toelaat. De aanbieder dient de keuze voor de gebruikte methode volledig te onderbouwen.
Afwijkende beoordeling calamiteitentoets: kwaliteitseis T4 is niet van toepassing voor de calamiteitentoets.
5.3. Normering ten behoeve van leerlingrapportage
Checklist 3 Verdeling van toetsopgaven rekenen over domeinen en over onderdelen volgens de Toetswijzer PO
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
1.3. Aan te leveren documentatie
Let op: bovenstaande opsomming is niet uitputtend en een indicatie voor de aan te leveren documentatie. Met het invullen van de leeswijzer maakt een aanbieder helder in welke documentatie de kwaliteitscriteria precies worden verantwoord.
Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap – en dus het CvTE – vindt het niet noodzakelijk om gegevens te verwerken op basis van sekse. Bij de indiening wil het CvTE dan ook geen data ontvangen m.b.t. deze achtergrondvariabele.
In het geval van een MST:
2. Format Regeling beoordelingskader doorstroomtoetsen po
3.1. Inleiding
3.1. Inleiding
Naast de wettelijk verplichte én optionele terreinen en (sub)domeinen staat het de toetsaanbieder vrij om extra kennisgebieden aan de doorstroomtoets toe te voegen, bijv. aardrijkskunde. De score die de leerling op deze extra kennisgebieden haalt, mag de toetsaanbieder toevoegen aan het leerlingrapport. Deze extra kennisgebieden tellen niet mee voor het berekende toetsadvies en tellen ook niet mee voor de berekende score op de referentieniveaus. Alle toetsopgaven van de wettelijk verplichte en optionele (sub)domeinen en terreinen, én de extra kennisgebieden worden inhoudelijk door een adviseur van het CvTE beoordeeld. Zie in dit kader de kwaliteitseisen in paragraaf 3.2. Dit beoordelingskader schrijft niet voor wat de minimale en maximale toetslengte in aantal toetsvragen van een doorstroomtoets dient te zijn. Eveneens worden er geen richtlijnen gegeven over de verhouding van het aantal toetsvragen tussen de wettelijk verplichte en optionele (sub)domeinen en terreinen, én extra kennisgebieden. Verder worden er ook geen richtlijnen gegeven voor het aantal toetsvragen per referentieniveau 1F/2F/1S. Dit om de aanbieders de mogelijkheid te geven om zich van elkaar te onderscheiden en volgens de eigen zienswijze een compleet beeld van de leerlingen te kunnen geven.
3.2. Inhoudsvaliditeit doorstroomtoets
Er is sprake van een adequate representatie wanneer de toetstermen het meetdoel representeren. Dit blijkt uit het gegeven dat:
Indien in de doorstroomtoets ook optionele productieve vaardigheden worden getoetst, levert de aanbieder een beoordelaarsschema in, aangevuld met informatie over de beoordelaarsovereenstemming, een en ander conform de voorschriften uit de Toetswijzer PO.
Ongewenste gevoeligheid van bijvoorbeeld opgaven, teksten en luisterfragmenten (denk aan reclame) wordt ondervangen met de kwaliteitseis Neutraliteit in de Checklist voor het beoordelen van de kwaliteit van observatie-categorieën en toetsopgaven. Het CvTE beoordeelt niet of er rechtmatig gebruik wordt gemaakt van auteursrechtelijk materiaal.
3.3. Verantwoording
3.4. Terrein Nederlandse taal
3.4.1.1. Subdomein Zakelijke Teksten
Toelichting L1.1 t/m L1.3: Tenminste twee van de drie taken dienen in de doorstroomtoets te worden opgenomen.
3.4.1.2. Subdomein Fictionele, narratieve en literaire teksten
Tekstkenmerken:
3.4.2. Wettelijk verplicht subdomein: Taalverzorging
3.4.3. Optioneel domein: Schrijven
Taken:
Kenmerken van de taakuitvoering:
Toelichting S1 en S2: Hierbij zijn de beschrijvingen op niveau 1F en 2F in het Referentiekader (2010) leidend.
Toelichting M1 en M2: Hierbij zijn de beschrijvingen op niveau 1F en 2F in het Referentiekader (2010) leidend.
Beslisregel mondelinge taalvaardigheid indirecte meting, subdomein Spreken:
Taken:
Kenmerken van de taakuitvoering:
Kenmerken van de taakuitvoering:
Om aan deze categorie kwaliteitseis te voldoen, dient vraag B1 met JA te worden beantwoord.
Het Referentiekader onderscheidt voor het terrein Rekenen vier wettelijk verplichte domeinen, te weten Getallen (g), Verhoudingen (vh), Meten en meetkunde (m/mk) en Verbanden (vb). In de doorstroomtoets dienen alle domeinen getoetst te worden. Dit betekent dat alle doorstroomtoetsen moeten voldoen aan de gestelde kwaliteitseisen aan het terrein Rekenen. De gestelde kwaliteitseisen voor de vier domeinen zijn opgenomen in de Toetswijzer PO.
3.5. Terrein Rekenen
3.5.1. Verdeling toetsopgaven over domeinen in toetsmatrijs en toetssamenstelling
1 Voor onderdeel A is geen minimum vereist, omdat deze inhouden ook kunnen worden gebruikt en toegepast bij de inhouden van B en C.
Toelichting D.1: Naast het algoritme of module-design is de werking van de beslisregel aan te tonen door middel van het opleveren van enkele toetspaden, zoals die door de beslisregel worden gegenereerd.
3.5.2. Verdeling toetsopgaven over onderdelen
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, dienen alle vragen met JA of N.V.T. te worden beantwoord.
Toelichting O.A: De toetsopgaven die onder onderdeel A geplaatst zijn, kunnen ook worden gebruikt en toegepast bij de inhouden van B en C. Vandaar dat hier de uitzondering van het slechts plaatsen bij één onderdeel niet geldt en er ook geen percentage vereist wordt.
3.6. Toetsopgaven Nederlandse taal en Rekenen op niveau 1F en 2F/1S
Een CAT dient voor elke individuele leerling voor de terreinen Nederlandse taal en Rekenen een uitspraak over het behaalde niveau 1F en/of 2F / 1S te geven. In het geval van een CAT is er verantwoord hoe het 1F en/of 2F/1S niveau van de terreinen Nederlandse taal en Rekenen op representatieve wijze voor alle individuele leerlingen aan bod komt. De aanbieder kan dit verantwoorden aan de hand van de toetsmatrijs, aangevuld met de procesbeschrijving van hoe het algoritme werkt, aangevuld met enkele mogelijke itemsets inclusief de daarin aangeboden toetsopgaven en inclusief een toelichting op het daarbij geldende stopcriterium.
3.5.5. Gebruik rekenmachine
3.6. Toetsopgaven Nederlandse taal en Rekenen op niveau 1F en 2F/1S
Toelichting LR4: In het leerlingrapport moet aangegeven zijn op welk referentieniveau de leerling gepresteerd heeft op het subdomein Taalverzorging. In het leerlingrapport moet in ieder geval aangegeven worden in welk van de volgende drie categorieën de leerlingprestatie past: onder niveau 1F, op niveau 1F, of op streefniveau 2F. Hoewel in de theorie de categorieën elkaar niet uitsluiten, en de leerling ook op een hoger niveau zou kunnen presteren dan het maximaal gegeven niveau, is in deze regeling vastgesteld dat in de rapportage een leerlingprestatie in één (niet meer en niet minder) van deze drie categorieën geclassificeerd wordt.
4.2. Leerlingen
4.1. Leerlingrapport
4.2. Leerlingen
4.4. Beveiligingsaspecten
5. Psychometrische aspecten
5. Psychometrische aspecten
5.1. Inleiding
5.2. Pretestprocedure
5.2.1. Steekproefkader en samenstelling steekproef
5.2.2. Itemkalibratie en toetskwaliteit
De aanbieder van de toets dient informatie te verstrekken over de aannames die worden gemaakt over het type verdeling (normaal of anders), evenals het gemiddelde, de standaardafwijking en hun schattingsfout (standard error) op de vaardigheidsverdeling. Daarnaast moet de toetsaanbieder verantwoorden hoe deze schattingen zijn verkregen en aangeven voor welke populatie(s) deze parameters gelden. Deze gegevens dienen in ieder geval gegeven te worden voor de leerlingpopulatie van het reguliere basisonderwijs.
De door het CvTE toegewezen subset van gezamenlijke ankeritems moet op een zodanige wijze over de toets worden verspreid, dat de positie in de toets zo min mogelijk invloed op de prestatie van de leerling heeft en de ankeritems qua lay-out en tekstuele vormgeving niet als opvallend afwijkend in de toets herkenbaar zijn, een en ander zoals gespecificeerd in de Regeling Beoordelingsnormen Doorstroomtoetsen po. De aanbieder legt duidelijk uit hoe de ankeritems over de toets zijn verspreid. Omdat de vergelijkbaarheid van de ankeritems tussen verschillende toetsaanbieders gewaarborgd moet worden, is het desondanks belangrijk dat de ankeritems nagenoeg onveranderd in de toets worden opgenomen. Daarom dient de toetsaanbieder de voorgenomen veranderingen aan de ankeritems uit te leggen en te rechtvaardigen.
Afwijkende beoordeling calamiteitentoets: kwaliteitseis T2 is niet van toepassing voor de calamiteitentoets.
Afwijkende beoordeling calamiteitentoets: kwaliteitseis T3 is niet van toepassing voor de calamiteitentoets.
Toelichting T1: Voor zowel een MST als papieren en digitale lineaire doorstroomtoetsen geldt dat de toets voor de terreinen Nederlandse taal en Rekenen in ieder geval vragen moet bevatten die inhoudelijk aansluiten bij de referentieniveaus 1F en 2F/1S en die een moeilijkheidsgraad tussen de cesuur van referentieniveau 1F en 2F/1S hebben. In het geval van een CAT is de itemselectie geoptimaliseerd rond de opeenvolgende vaardigheidsschattingen.
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, dienen alle vragen met JA of N.V.T. te worden beantwoord.
Toelichting NR1: Vanuit de landelijke normering worden aan alle aanbieders 2PL parameterschattingen geleverd. Hoe past de toetsaanbieder deze toe bij diens normering? Zodra de gehanteerde methode afwijkt van de landelijke normering zoals omschreven in de Regeling beoordelingsnormen doorstroomtoetsen PO (bijvoorbeeld een normering via een discrete (standaard)scoreschaal of verschillen in de meegekalibreerde onderwijstypen), dient de toetsaanbieder de gehanteerde normering te verklaren en deze te onderbouwen aan de hand van relevante literatuur.
Toelichting NR2: Indien de uiteindelijke rapportageschaal afwijkt van de latente schaal waarop de cesuren zijn vastgesteld dient de toetsaanbieder de nauwkeurigheid van de gekozen normeringsmethode ten opzichte van een 2PL-vaardigheidsschatter en de landelijk gehanteerde cesuurpunten van de toetsadviezen en referentieniveaus via een tabel weer te geven (verwarringsmatrix) en verantwoordt mogelijk verschillen. Ook dient de toetsaanbieder deze te duiden door middel van bijvoorbeeld de plus-minus 1 niveau-index (Pilliner 1969) of de marginal classification accuracy. De aanbieder legt uit waarom voor een bepaalde statistische methode en de gehanteerde grenzen is gekozen.
Toelichting T3 (alleen van toepassing voor lineaire toetsen):Een lineaire toets bestaat jaarlijks vrijwel volledig uit nieuwe gekalibreerde items voor de wettelijk verplichte terreinen Nederlandse taal en Rekenen, met uitzondering van de items van het gezamenlijk anker en een intern anker. Als een intern anker wordt gebruikt moet de noodzakelijkheid ervan voldoende worden uitgelegd.
Deze kwaliteitseisen zijn alleen van toepassing voor al eerder afgenomen toetsen. De beoordeling van de kwaliteit en het functioneren van de calamiteitentoets vindt alleen plaats nadat de operationele toets daadwerkelijk is ingezet. Het CvTE beslist of de calamiteitentoets meedoet aan het Toelatings- en doorstroomonderzoek.
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, dienen alle vragen met JA of N.V.T. te worden beantwoord.
Toelichting GL1: De toetsaanbieder heeft na de afname van de vorige doorstroomtoets de (persoons)gegevens verstrekt ten behoeve van de landelijke normering zoals uiteengezet in de Regeling Beoordelingsnormen doorstroomtoetsen po. Tenminste zijn aangeleverd:
Toelichting GL2: De toetsaanbieder heeft na de afname van de vorige doorstroomtoets de (persoons)gegevens verstrekt ten behoeve van toelatings- en doorstroomonderzoek zoals uiteengezet in de Regeling Beoordelingsnormen doorstroomtoetsen po. Tenminste zijn aangeleverd per individuele leerling:
Afwijkende beoordeling calamiteitentoets: kwaliteitseis T4 is niet van toepassing voor de calamiteitentoets.
5.3. Normering ten behoeve van leerlingrapportage
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, dienen alle vragen met JA of N.V.T. te worden beantwoord.
Deze kwaliteitseisen zijn alleen van toepassing voor al eerder afgenomen toetsen. De toetsaanbieder verantwoordt jaarlijks na de toetsafname-periode de kwaliteit en het functioneren van de afgenomen doorstroomtoets op basis van de boven genoemde vijf kwaliteitscriteria. Er wordt beoordeeld of de inhoud van de informatie die door de toetsaanbieder is aangeleverd voldoet aan de vooraf gestelde eisen. De resultaten en de kwaliteit van de informatie van het voorafgaande jaar worden gebruikt bij de beoordeling van de doorstroomtoets, dan wel de jaarlijkse her-evaluatie. Als er een nieuwe aanbieder is die dit nog niet op kan leveren naar aanleiding van een vorige afname, spelen deze eisen bij de eerste evaluatie geen rol, maar heeft het wel een groter gewicht bij de jaarlijkse her-evaluatie die volgt na de eerste afname.
Toelichting KF1: De toetsaanbieder dient informatie te verstrekken over de aantallen opgaven per vaardigheid: aantal wel en aantal niet meegenomen voor de scorerapportage naar de leerlingen wegens (1) een inhoudelijke fout, (2) psychometrisch disfunctioneren, (3) DIF (bijvoorbeeld tussen afnames), (4) te weinig waarnemingen (in tabelformaat). Wanneer er zaai-items ingezet worden kunnen deze in een aparte tabel weergegeven worden. Het leveren van een lijst welk item dit betreft wordt aangeraden. De aanbieder wordt gevraagd om de resultaten voldoende verantwoorden.
5.4. Gegevenslevering
Toelichting KF3: De toetsaanbieder dient informatie te verstrekken over de verdeling van de populatievaardigheid (gemiddelde en standaardafwijking) van in ieder geval het regulier basisonderwijs inclusief de schattingsfout (standard error) op de vaardigheidsverdeling, op dezelfde schaal als de itemparameters. De verdelingen worden door middel van histogrammen inzichtelijk gemaakt. In deze informatie wordt onderscheid gemaakt tussen de verschillende onderwijstypen. Eventuele verschillen ten opzichte van de verantwoording van het afgelopen jaar en de landelijke normering in het afnamejaar worden door de toetsaanbieder verantwoord. Verschillen tussen de onderdelen worden door de toetsaanbieder verklaard.
Toelichting KF4: Als opgaven eerder zijn afgenomen (bijvoorbeeld in een voorgaand jaar of tijdens een pretest), dient de toetsaanbieder informatie te verstrekken over item-bias met betrekking tot de parameters van de meest recente operationele afname in vergelijking met eerdere afnames, bijvoorbeeld door middel van DIF-analyses.
Toelichting KF5: De toetsaanbieder dient informatie te verstrekken over de relatie tussen de toetsadviezen en de eerder gegeven (voorlopige) schooladviezen voor zover deze bekend zijn (in tabelformaat). Als de relatie tussen toets- en schooladviezen van de aanbieder zelf sterk afwijkt van de landelijke gemiddelde verdeling tussen toets- en schooladviezen, dient de toetsaanbieder mogelijke redenen van de afwijking in kaart te brengen. Deze redenen dienen in ieder geval (maar niet uitsluitend) te worden gezocht op basis van specifieke aspecten van de eigen populatie en de gebruikte toets (zoals afnamevorm, algoritme etc.), en moeten waar mogelijk voldoende worden verantwoord.
Toelichting GL2:De toetsaanbieder heeft na de afname van de vorige doorstroomtoets de (persoons)gegevens verstrekt ten behoeve van toelatings- en doorstroomonderzoek zoals uiteengezet in het handboek normering4Na de doorstroomtoets afname van 2024 moeten door toetsaanbieders ook de opgesomde gegevens worden aangeleverd van de eindtoetsen afgenomen in 2022 en 2023.. Tenminste zijn aangeleverd per individuele leerling:
6.1. De vierjaarlijkse erkenning
Een adviseur beoordeelt vierjaarlijks in opdracht van het CvTE de onderwijskundige, organisatorische en psychometrische aspecten van de doorstroomtoets. Na de beoordeling stelt een adviseur een advies op. Dit advies gaat naar het CvTE dat, op basis van het ontvangen advies, een definitieve beslissing neemt over het al dan niet erkennen van de betreffende doorstroomtoets. Wanneer de toets is erkend kan deze toets vier achtereenvolgende jaren worden ingezet. Onderdeel van deze uitgebreide beoordeling is een psychometrische controle van de pretestprocedure én van de operationele testprocedure en -resultaten die jaarlijks worden verzameld in de afnameperiode.
Na de eerste toelating van vier jaar, dienen de toetsaanbieders opnieuw een toelatingsaanvraag in bij het CvTE. Voor deze nieuwe toelatingsaanvraag vindt een herbeoordeling plaats. Voor deze herbeoordeling van de onderwijskundige inhoud, organisatorische aspecten en psychometrische aspecten doet het CvTE eveneens een beroep op onafhankelijke onderwijskundige en vakinhoudelijke experts van een adviseur.
Deze kwaliteitseisen zijn alleen van toepassing voor al eerder afgenomen toetsen. De toetsaanbieder verantwoordt jaarlijks na de toetsafname-periode de kwaliteit en het functioneren van de afgenomen doorstroomtoets op basis van de boven genoemde vijf kwaliteitscriteria. Er wordt beoordeeld of de inhoud van de informatie die door de toetsaanbieder is aangeleverd voldoet aan de vooraf gestelde eisen. De resultaten en de kwaliteit van de informatie van het voorafgaande jaar worden gebruikt bij de beoordeling van de doorstroomtoets, dan wel de jaarlijkse her-evaluatie. Als er een nieuwe aanbieder is die dit nog niet op kan leveren naar aanleiding van een vorige afname, spelen deze eisen bij de eerste evaluatie geen rol, maar heeft het wel een groter gewicht bij de jaarlijkse her-evaluatie die volgt na de eerste afname.
Een adviseur beoordeelt jaarlijks aan de hand van ditzelfde beoordelingskader de kwaliteit van de doorstroomtoets. De aanbieder levert hiervoor bij het CvTE alle gevraagde documenten aan die eveneens voor de vierjaarlijkse erkenning ingediend dienen te worden. De aanbieder verstrekt hierbij een leeswijzer. Hierin staat per document aangegeven op welke punten deze afwijkend is van de eerder verstuurde versie ten tijde van de vierjaarlijkse check of jaarlijkse vaststelling. Vervolgens stelt het CvTE jaarlijks vast of de erkende doorstroomtoets nog voldoet aan de criteria van het beoordelingskader. Dit doet het CvTE met de resultaten van de door een adviseur uitgevoerde jaarlijkse vaststelling. Onderdeel van de jaarlijkse vaststelling is de controle achteraf of de toetssamenstellingsprocedure door alle toetsaanbieders correct en consistent was uitgevoerd.
Voor de calamiteitentoets wordt op een aantal punten van het beoordelingskader afgeweken.
Toelichting KF3: De toetsaanbieder dient informatie te verstrekken over de verdeling van de populatievaardigheid (gemiddelde en standaardafwijking) van in ieder geval het regulier basisonderwijs inclusief de schattingsfout (standard error) op de vaardigheidsverdeling, op dezelfde schaal als de itemparameters. De verdelingen worden door middel van histogrammen inzichtelijk gemaakt. In deze informatie wordt onderscheid gemaakt tussen de verschillende onderwijstypen. Eventuele verschillen ten opzichte van de verantwoording van het afgelopen jaar en de landelijke normering in het afnamejaar worden door de toetsaanbieder verantwoord. Verschillen tussen de onderdelen worden door de toetsaanbieder verklaard.
1 Denk bijvoorbeeld aan paginanummers. Indien het document geen paginanummers bevat, kan de aanbieder alsnog specificeren waar de informatie gevonden kan worden. Voorbeeld: bij een Excel document aangeven welke rijen en kolommen het betreft.
1 Denk bijvoorbeeld aan paginanummers. Indien het document geen paginanummers bevat, kan de aanbieder alsnog specificeren waar de informatie gevonden kan worden. Voorbeeld: bij een Excel document aangeven welke rijen en kolommen het betreft.
Checklist 1. Toetsopgaven Nederlandse taal per (sub)domein en per onderdeel: formulier voor toetsontwikkelaar en expert
3.4.1.1. Subdomein Zakelijke Teksten
1 Globaal oordeel gebaseerd op het totale aantal teksten in de toets. Deze criteria zijn bedoeld als hulpmiddel om tot een eindoordeel van de tekstkenmerken van alle in de toets opgenomen teksten te komen.
Na de eerste toelating van vier jaar, dienen de toetsaanbieders opnieuw een toelatingsaanvraag in bij het CvTE. Voor deze nieuwe toelatingsaanvraag vindt een herbeoordeling plaats. Voor deze herbeoordeling van de onderwijskundige inhoud, organisatorische aspecten en psychometrische aspecten doet het CvTE eveneens een beroep op onafhankelijke onderwijskundige en vakinhoudelijke experts van een adviseur.
6.2. De jaarlijkse vaststelling
Een adviseur beoordeelt jaarlijks aan de hand van ditzelfde beoordelingskader de kwaliteit van de doorstroomtoets. De aanbieder levert hiervoor bij het CvTE alle gevraagde documenten aan die eveneens voor de vierjaarlijkse erkenning ingediend dienen te worden. De aanbieder verstrekt hierbij een leeswijzer. Hierin staat per document aangegeven op welke punten deze afwijkend is van de eerder verstuurde versie ten tijde van de vierjaarlijkse check of jaarlijkse vaststelling. Vervolgens stelt het CvTE jaarlijks vast of de erkende doorstroomtoets nog voldoet aan de criteria van het beoordelingskader. Dit doet het CvTE met de resultaten van de door een adviseur uitgevoerde jaarlijkse vaststelling. Onderdeel van de jaarlijkse vaststelling is de controle achteraf of de toetssamenstellingsprocedure door alle toetsaanbieders correct en consistent was uitgevoerd.
Evalueer de kwaliteit van alle toetsopgaven van het wettelijk verplichte domein Lezen en subdomein Taalverzorging (inclusief Dictee) van het terrein Nederlandse taal, en de optionele domeinen Schrijven, Mondelinge taalvaardigheid, en subdomein Begrippenlijst van het terrein Nederlandse taal aan de hand van de kwaliteitseisen en constructievoorschriften uit de Checklist voor het beoordelen van de kwaliteit van observatie-categorieën en toetsopgaven.
Checklist 2. Toetsopgaven Rekenen per domein en per onderdeel: formulier voor toetsontwikkelaar en expert
1 Indien het document geen paginanummers bevat, dient de aanbieder altijd alsnog specificeren waar de informatie gevonden kan worden. Voorbeeld: bij een Excel document aangeven welke rijen en kolommen het betreft.
1 Indien het document geen paginanummers bevat, dient de aanbieder altijd alsnog specificeren waar de informatie gevonden kan worden. Voorbeeld: bij een Excel document aangeven welke rijen en kolommen het betreft.
Checklist 1 Toetsopgaven Nederlandse taal per (sub)domein en per onderdeel: formulier voor toetsontwikkelaar en expert
3.4.1.1. Subdomein Zakelijke Teksten
1 Globaal oordeel gebaseerd op het totale aantal teksten in de toets. Deze criteria zijn bedoeld als hulpmiddel om tot een eindoordeel van de tekstkenmerken van alle in de toets opgenomen teksten te komen.
3.4.1.2. Subdomein Fictionele, narratieve en literaire teksten
1 Globaal oordeel gebaseerd op het totale aantal teksten in de toets. Deze criteria zijn bedoeld als hulpmiddel om tot een eindoordeel van de tekstkenmerken van alle in de toets opgenomen teksten te komen.
3.4.2. Subdomein Taalverzorging
Evalueer de kwaliteit van alle toetsopgaven van de wettelijk verplichte (sub)domeinen Lezen en Taalverzorging (inclusief Dictee) van het terrein Nederlandse taal, en de optionele (sub)domeinen Schrijven, Mondelinge taalvaardigheid, en Begrippenlijst van het terrein Nederlandse taal aan de hand van de kwaliteitseisen en constructievoorschriften uit de Checklist voor het beoordelen van de kwaliteit van observatie-categorieën en toetsopgaven.
Checklist 2 Toetsopgaven Rekenen per domein en per onderdeel: formulier voor toetsontwikkelaar en expert
Checklist 3 Verdeling van toetsopgaven Rekenen over domeinen en over onderdelen volgens de Toetswijzer PO
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Om de items in een doorstroomtoets efficiënt en gestructureerd te kunnen beoordelen, zijn er eisen aan het leveren van items aan het CvTE:
2. Format Regeling beoordelingskader doorstroomtoetsen po
3. Onderwijskundige aspecten
3.2. Inhoudsvaliditeit doorstroomtoets
3.4.5. Optioneel subdomein: Begrippenlijst
3.5. Terrein Rekenen
3.5.1. Verdeling toetsopgaven over domeinen in toetsmatrijs en toetssamenstelling
De opgaven dienen in de toets als volgt over de domeinen te zijn verdeeld:
3.5.2. Verdeling toetsopgaven over onderdelen
3.5.4. Gebruik kladpapier
Toelichting TN1: Dit aspect dient uit de toetsmatrijs naar voren te komen. Dat wil zeggen dat in de toetsmatrijs de verhouding 1F en 2F / 1S vragen is gespecificeerd en dat in zowel de toetsmatrijs als in de varianten van de doorstroomtoets de verhouding 1F en 2F / 1S vragen evenwichtig is. Evenwichtig wil zeggen dat het aantal en de verhouding 1F en 2F / 1S vragen gezamenlijk inhoudelijk de referentieniveaus 1F en 2F/1S van de terreinen Nederlandse taal en Rekenen representeren, een en ander conform de voorschriften uit de Toetswijzer PO.
4. Organisatorische aspecten
4.1. Leerlingrapport
5.1. Inleiding
5.2. Pretestprocedure
5.2.1. Steekproefkader en samenstelling steekproef
5.2.2. Itemkalibratie en toetskwaliteit
In het geval van een MST die bestaat uit meerdere lagen van modules (c.q. routes) of in het geval van een CAT, moet er sprake zijn van een adequate verversingsstrategie. De verversing moet op itemniveau gedocumenteerd zijn. Daarbij geldt het volgende:
5.4. Gegevenslevering
5.5. Kwaliteit en functioneren van de doorstroomtoets (rapportage achteraf)
De beoordeling van de kwaliteit en het functioneren van de calamiteitentoets vindt alleen plaats nadat de operationele toets daadwerkelijk is ingezet. Het CvTE beslist of de calamiteitentoets meedoet aan het Toelatings- en doorstroomonderzoek.
Toelichting KF2: De toetsaanbieder dient informatie te verstrekken over de percentages referentieniveaus van het wettelijk verplichte domein Lezen en subdomein Taalverzorging van het terrein Nederlandse taal en het terrein Rekenen plus een overzicht van de percentages toetsadviezen (de zes categorieën) van dit jaar ten opzichte van het vorige jaar (in tabelformaat). Eventuele verschillen tussen de beide jaren worden door de toetsaanbieder verantwoord.
6. Vierjaarlijkse erkenning en jaarlijkse vaststelling door het CvTE
6.2. De jaarlijkse vaststelling
Model leeswijzer
3.4.1.2. Subdomein Fictionele, narratieve en literaire teksten
1 Globaal oordeel gebaseerd op het totale aantal teksten in de toets. Deze criteria zijn bedoeld als hulpmiddel om tot een eindoordeel van de tekstkenmerken van alle in de toets opgenomen teksten te komen.
3.4.2. Subdomein Taalverzorging
Checklist 3. Verdeling van toetsopgaven Rekenen over domeinen en over onderdelen volgens de Toetswijzer PO
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.