Regeling van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport van 6 februari 2023, kenmerk 3507504-1043050-PG, houdende een specifieke uitkering voor sport en bewegen, gezondheidsbevordering, cultuurparticipatie en de sociale basis 2023–2026 (Regeling specifieke uitkering sport en bewegen, gezondheidsbevordering, cultuurparticipatie en de sociale basis 2023–2026)

Type Ministeriële regeling
Publication 2025-10-29
State In force
Source BWB
artikelen 26
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de artikelen 3 en 5 van de Kaderwet VWS-subsidies;

Besluit:

Artikel 1.1. Algemene begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • bestuurlijke afspraken: afspraken tussen het Rijk en gemeenten zoals vastgelegd in het GALA, en het Hoofdlijnen Sportakkoord II;
  • gezondheidsbevordering: proces dat zich richt op het veranderen van gedrag van mensen en hun omstandigheden met als doel gezondheid te bevorderen of ziekte te voorkomen;
  • GALA: Gezond en Actief Leven Akkoord, akkoord waarin afspraken zijn vastgelegd tussen het Ministerie van Volksgezondheid, Sport en Welzijn, gemeenten, GGD’s en zorgverzekeraars over landelijke doelen op het gebied van gezondheid, bijlage I;
  • GGD GHOR Nederland: de branchevereniging van de GGD’en en GHOR’s;
  • Hoofdlijnen Sportakkoord II: akkoord waarin afspraken zijn vastgelegd tussen de minister, VSG, VNG, het Platform Ondernemende Sportaanbieders en NOC*NSF over sport en bewegen, met addendum, bijlage II;
  • integrale aanpak: domeinoverstijgende werkwijze waarbij organisaties die werkzaam zijn op de beleidsterreinen van de in deze regeling genoemde onderdelen, samenwerken;
  • IZA: Integraal Zorgakkoord waarin afspraken zijn vastgelegd ten behoeve van toegankelijke, kwalitatief goede en betaalbare zorg tussen de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de minister en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en vertegenwoordigers van de zorgsector, Kamerstukken II 2022–2023, 31 765, nr. 655, bijlage;
  • kerngroep VNG/VSG: samenwerkingsverband waarin in ieder geval de VNG en de VSG zijn vertegenwoordigd.
  • ketenaanpak: werkwijze waarbij verschillende organisaties hun zorg-, hulp- en dienstverlening aan een persoon of groep personen afstemmen;
  • minister: Minister voor Langdurige Zorg en Sport;
  • positieve gezondheid: definitie van gezondheid die naast afwezigheid van ziekte, ook de volgende aspecten betrekt:
  • a. lichaamsfuncties, zoals fysiek functioneren, medische feiten, energie en klachten en pijn;
  • b. mentaal welbevinden, zoals cognitief functioneren, emotionele toestand en zelfmanagement;
  • c. zingeving, zoals doelen, acceptatie en toekomstperspectief;
  • d. kwaliteit van leven, zoals genieten, gelukkig zijn, balans, lekker in je vel zitten;
  • e. sociaal-maatschappelijk participeren, zoals sociale contacten en geaccepteerd worden;
  • f. dagelijks functioneren, zoals vaardigheden voor alledaagse levensverrichtingen, werkvermogen en kennis van gezondheid;
  • SiSa: Single information, Single audit, eenmalige informatieverstrekking, eenmalige accountantscontrole als wijze waarop provincies, gemeenten, gemeenschappelijke regelingen zich jaarlijks verantwoorden over de besteding van specifieke uitkeringen of provinciale middelen;
  • VNG: Vereniging van Nederlandse Gemeenten;
  • VSG: Vereniging Sport en Gemeenten.

Artikel 1.2. Toepasselijkheid Awb en Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS

1.

Op deze regeling zijn de artikelen 4:35, 4:37 tot en met 4:38, 4:48 tot en met 4:50, 4:56 en 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.

2.

Op deze regeling is de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS niet van toepassing.

Artikel 1.3. Hoofdthema’s en onderdelen

1.

De minister kan voor de jaren 2023, 2024, 2025 en 2026 aan een gemeente een uitkering verstrekken voor activiteiten in het kader van de ambities en doelen zoals gesteld in het GALA en het Hoofdlijnen Sportakkoord II.

2.

De activiteiten, bedoeld in het voorgaande lid, vallen onder de volgende drie hoofdthema’s:

  • a. Sport, bewegen en cultuur;
  • b. Gezondheid & Sociale Basis;
  • c. Ondersteunende onderdelen.
3.

Aan de hoofdthema’s als bedoeld in het tweede lid, onder a tot en met c, zijn de in de artikel 2.2, onder a en b, artikel 3.2, onder a tot en met k, en artikel 4.2, onder a en b genoemde onderdelen gekoppeld.

Artikel 2.1. Nadere begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • lokaal sportakkoord: een akkoord waarin op basis van het Hoofdlijnen Sportakkoord II door gemeente, sportaanbieders en maatschappelijke organisaties op het terrein van welzijn, gezondheidszorg en onderwijs afspraken zijn gemaakt over het beleid rondom sport en sportief bewegen;

Artikel 2.2. Onderdelen Sport, bewegen en cultuur

Tot de in het kader van hoofdthema Sport, bewegen en cultuur als bedoeld in artikel 1.3, tweede lid, onder a, uit te voeren onderdelen behoren:

  • a. Onderdeel Lokaal Sportakkoord;
  • b. Onderdeel Brede Regeling Combinatiefuncties.

Artikel 2.3. Specifieke verplichtingen voor het verstrekken van een uitkering Sport, bewegen en Cultuur

1.

De ontvanger van een uitkering voor het onderdeel Lokaal Sportakkoord, bedoeld in artikel 2.2, onder a, voert ten minste een lokaal sportakkoord uit.

2.

De ontvanger van een uitkering voor het onderdeel Brede Regeling Combinatiefuncties, bedoeld in artikel 2.2, onder b, coördineert dat natuurlijke personen worden aangesteld die zich beroepsmatig bezighouden met sport, bewegen en cultuurparticipatie, zoals bedoeld in het addendum Bestuurlijke afspraken Brede Regeling Combinatiefuncties 2023–2026, behorende bij het Hoofdlijnen Sportakkoord II.

Artikel 3.1. Nadere begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • actieprogramma één tegen eenzaamheid: programma van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport dat beoogt de eenzaamheid in Nederland te verminderen, Kamerstukken II 2022–2023, 29 538, nr. 344, bijlage;
  • fysieke domein: het geheel van de beleidsterreinen ruimtelijke ordening, infrastructuur, het milieu en volkshuisvesting;
  • GLI-programma: Gecombineerde Leefstijl Interventie, een leefstijlprogramma voor personen met overgewicht waarin leefstijlinterventies gericht op voeding, beweging en gedrag worden geboden en die behoort tot de zorg of de overige diensten als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel a, van de Zorgverzekeringswet;
  • gezondheidsachterstand: individuele negatieve afwijking ten opzichte van de landelijk gemiddelde levensverwachting, het gemiddeld aantal gezonde jaren en de ervaren gezondheid;
  • interventie Kansrijke Start: een erkende interventie die is opgenomen in de databank interventies op www.loketgezondleven.nl van het RIVM;
  • kansrijke Start: programma dat de doelen nastreeft die zijn opgenomen in het Actieprogramma Kansrijke Start, Kamerstukken II 2017–2018, 32 279, nr. 124, bijlage, en de Vervolgaanpak actieprogramma Kansrijke Start 2022–2025, Kamerstukken II 2021–2022, 32 279, nr. 233, bijlage;
  • ketenaanpak valpreventie: een ketenaanpak gericht op thuiswonende personen van 65 jaar of ouder met een verhoogd valrisico, bestaande uit opsporing, screening, aanbod interventies, doorverwijzing naar structureel beweegaanbod, gepubliceerd op www.loketgezondleven.nl van het RIVM.
  • landelijk model ketenaanpak voor kinderen met overgewicht en obesitas: het door de Vrije Universiteit Amsterdam, Care for Obesity ontwikkelde model voor de aanpak van overgewicht en obesitas bij kinderen, zoals te vinden op www.kindnaargezondergewicht.nl;
  • lokale coalitie kansrijke start: samenwerkingsverband van ten minste een gemeente, een partij uit de geboortezorg en een partij uit het sociaal domein;
  • lokale coalitie tegen eenzaamheid: samenwerkingsverband van publieke en private partijen dat beoogt eenzaamheid tegen te gaan;
  • mentale gezondheid: een gemoedstoestand van emotioneel welzijn die mensen in staat stelt om constructieve relaties op te bouwen en om te gaan met de eisen en stress van het leven;
  • OKO: Opgroeien in een Kansrijke Omgeving, een door het Trimbosinstituut ontwikkeld programma dat zich richt op het voorkomen van roken, alcohol en drugsgebruik onder jongeren en het versterken van hun welbevinden;
  • respijtzorg: het door een professional of vrijwilliger tijdelijk overnemen van mantelzorg;
  • sociale basis: het geheel aan vrij toegankelijke formele en informele diensten, voorzieningen, netwerken, burgeractiviteiten en betekenisvolle relaties tussen burgers onderling en tussen burgers, professionals en de overheid die het mogelijk maken dat mensen in diverse sociale verbanden kunnen samenleven en participeren in de maatschappij;
  • vroegsignalering alcoholproblematiek: activiteiten gericht op het tijdig herkennen van en hulp bieden aan personen met een beginnend alcoholprobleem om problematisch alcoholgebruik te voorkomen;
  • welzijn op recept: een werkwijze op basis van samenwerkingsafspraken waarbij een huisarts of andere eerstelijnszorgverlener personen met psychosociale problematiek doorverwijst naar een welzijnscoach, die in een kortdurend traject begeleiding en ondersteuning biedt bij het vinden van een passende activiteit en maatschappelijke ondersteuning;
  • wijk- en dorpsaanpak: een integrale aanpak gericht op het verbeteren van de leefsituatie van personen die woonachtig zijn in een bepaald binnen een gemeente gelegen gebied;

Artikel 3.2. Onderdelen Gezondheid & Sociale Basis

Tot de in het kader van hoofdthema Gezondheid & Sociale Basis als bedoeld in artikel 1.3, tweede lid, onder b, uit te voeren onderdelen behoren:

  • a. Onderdeel Terugdringen Gezondheidsachterstanden;
  • b. Onderdeel Kansrijke Start;
  • c. Onderdeel Mentale Gezondheid;
  • d. Onderdeel Aanpak overgewicht en obesitas;
  • e. Onderdeel Valpreventie;
  • f. Onderdeel Leefomgeving;
  • g. Onderdeel OKO & Vroegsignalering alcoholproblematiek;
  • h. Onderdeel Versterken sociale basis;
  • i. Onderdeel Mantelzorg;
  • j. Onderdeel Eén tegen Eenzaamheid;
  • k. Onderdeel Welzijn op recept.

Artikel 3.3. Specifieke verplichtingen voor het verstrekken van een uitkering Gezondheid & Sociale Basis

1.

De ontvanger van een uitkering voor het onderdeel Terugdringen Gezondheidsachterstanden, bedoeld in artikel 3.2, onder a, richt zich bij de activiteiten in het kader van de ontvangen uitkering ten minste op wijken en dorpen, gelegen binnen de gemeentegrenzen, waar bovengemiddeld veel personen met een gezondheidsachterstand woonachtig zijn.

2.

De ontvanger van een uitkering voor het onderdeel Kansrijke Start, bedoeld in artikel 3.2, onder b, zet ten minste lokale coalities kansrijke start voort, of richt deze op, maakt regionale samenwerkingsafspraken als bedoeld in het GALA en zet bij de implementatie en uitvoering van de activiteiten in het kader van de ontvangen uitkering, de interventies Kansrijke Start in, die zijn opgenomen in de databank interventies op www.loketgezondleven.nl van het RIVM.

3.

De ontvanger van een uitkering voor het onderdeel Mentale Gezondheid, bedoeld in artikel 3.2, onder c, maakt het onderwerp mentale gezondheid onderdeel van het lokale gezondheidsbeleid of geeft verdere uitvoering aan dit onderwerp.

4.

De ontvanger van een uitkering voor het onderdeel Aanpak overgewicht en obesitas, bedoeld in artikel 3.2, onder d, voert het landelijk model ketenaanpak voor kinderen met overgewicht en obesitas uit, of draagt zorg voor de samenwerking rondom de uitvoering en implementatie van GLI-programma’s voor volwassenen als bedoeld in het GALA.

5.

De ontvanger van een uitkering voor het onderdeel Valpreventie, bedoeld in artikel 3.2, onder e, geeft uitvoering aan de ketenaanpak valpreventie.

6.

De ontvanger van een uitkering voor het onderdeel Leefomgeving, bedoeld in artikel 3.2, onder f, weegt bij de inrichting van het fysieke domein in ieder geval het aspect gezondheid mee.

7.

De ontvanger van een uitkering voor het onderdeel OKO & Vroegsignalering alcoholproblematiek, bedoeld in artikel 3.2, onder g, geeft uitvoering aan OKO of Vroegsignalering alcoholproblematiek.

8.

De ontvanger van een uitkering voor het onderdeel Versterken sociale basis, bedoeld in artikel 3.2 onder h, stelt een wijk- of dorpsaanpak op, verbetert of bestendigt deze en voert deze uit.

9.

De ontvanger van een uitkering voor het onderdeel Mantelzorg, bedoeld in artikel 3.2, onder i, bevordert de ondersteuning van mantelzorgers door het opstellen, verbeteren of bestendigen van een wijk- of dorpsaanpak, gericht op mantelzorg en respijtzorg en de uitvoering hiervan.

10.

De ontvanger van een uitkering voor het onderdeel Eén tegen Eenzaamheid, bedoeld in artikel 3.2, onder j, werkt samen met of neemt deel aan lokale coalities tegen eenzaamheid en streeft de doelen na die zijn verwoord in het actieprogramma Eén tegen eenzaamheid.

Hoofdstuk 4. Hoofdthema ondersteunende onderdelen

Artikel 4.1. Nadere begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 4.2. Ondersteunende onderdelen

Tot de in het kader van hoofdthema Ondersteunende onderdelen als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, onder c, uit te voeren onderdelen behoren:

  • a. Onderdeel Versterking kennis- en adviesfunctie GGD;
  • b. Onderdeel Coördinatiekosten regionale aanpak preventie.

Artikel 4.3. Specifieke verplichtingen voor het verstrekken van een uitkering Ondersteunende onderdelen

1.

De ontvanger van een uitkering voor het onderdeel Versterking kennis- en adviesfunctie GGD, bedoeld in artikel 4.2, onder a, investeert in de GGD voor het opbouwen en uitbreiden van de voor deze uitkering relevante kennis ten behoeve van advisering aan ten minste het college van burgemeester en wethouders.

2.

De ontvanger van een uitkering voor het onderdeel Coördinatiekosten regionale aanpak preventie, bedoeld in artikel 4.2, onder b, maakt bovengemeentelijke afspraken met in elk geval de GGD en zorgverzekeraars over voor welke onderdelen die behoren tot het hoofdthema Gezondheid & sociale basis, bedoeld in artikel 3.2, onder a tot en met k, een uitkering wordt aangevraagd.

Hoofdstuk 5. Uitkeringsplafond, hoogte van de uitkering en wijze van verdeling

Artikel 5.1. Uitkeringsplafonds onderdelen

Voor de onderdelen bedoeld in artikel 2.2, onder a en b, artikel 3.2, onder a tot en met k, en artikel 4.2, onder a en b, gelden jaarlijks de in bijlage III vermelde, cumulatieve uitkeringsplafonds.

Artikel 5.2. Hoogte van de uitkering

De minister kan jaarlijks een uitkering per onderdeel als bedoeld in artikel 2.2, onder a en b, artikel 3.2, onder a tot en met k, en artikel 4.2, onder a en b, aan een gemeente toekennen ter hoogte van de bedragen zoals vermeld in bijlage IV.

Artikel 5.3. Wijze van verdeling

1.

Indien een uitkeringsplafond als bedoeld in artikel 5.1 niet volledig wordt benut, kan de minister in overleg met de Minister van Financiën bepalen dat het resterende bedrag voor het betreffende onderdeel geheel of ten dele evenredig wordt uitgekeerd aan de aanvragers waaraan een uitkering voor het betreffende onderdeel is verleend.

2.

Indien een uitkering die voor een bepaald jaar is toegekend voor een onderdeel als bedoeld in artikel 2.2, onder a en b, artikel 3.2, onder a tot en met k, en artikel 4.2, onder a en b, niet volledig wordt benut, kan het resterende bedrag in het betreffende jaar worden besteed aan een ander onderdeel.

3.

Indien een voor een onderdeel als bedoeld in artikel 2.2, onder a en b, artikel 3.2, onder a tot en met k, en artikel 4.2, onder a en b, voor het jaar 2023 verleende uitkering niet of niet geheel in het jaar 2023 is besteed, kan het overschot tot een maximum van 20% in het jaar 2024 worden besteed aan het betreffende onderdeel.

4.

Indien een voor een onderdeel als bedoeld in artikel 2.2, onder a en b, artikel 3.2, onder a tot en met k, en artikel 4.2, onder a en b, voor het jaar 2025 verleende uitkering niet of niet geheel in 2025 is besteed, kan het overschot tot een maximum van 10% in het jaar 2026 worden besteed aan hetzelfde onderdeel of aan een ander onderdeel.

Hoofdstuk 6. Aanvraag tot verlening van een uitkering

Artikel 6.1. Aanvraagtermijn

1.

Een aanvraag tot een uitkering per onderdeel als bedoeld in artikel 2.2, onder a en b, artikel 3.2, onder a tot en met k, en artikel 4.2, onder a en b, kan worden ingediend in de periode van:

  • a. 6 februari 2023 tot en met 31 maart 2023 en
  • b. 1 september 2023 tot en met 31 oktober 2023.
2.

Een aanvraag ingediend tijdens de in het eerste lid, onder b, bedoelde termijn heeft betrekking op alle resterende jaren waarin voor het desbetreffende onderdeel middelen ter beschikking zijn gesteld, zoals vermeld in bijlage IV.

Artikel 6.2. De aanvraag

Voor de aanvraag tot verlening van een uitkering wordt een door de minister vastgesteld aanvraagformulier gebruikt.

Artikel 6.3. Plan van aanpak

1.

Bij de aanvraag van een uitkering voor 2024 en de jaren daarna wordt een plan van aanpak ingediend waarin wordt beschreven:

  • a. de stand van zaken met betrekking tot de doelgroepen, wijken en uitvoering van de beleidsterreinen gezondheid, sport, bewegen, cultuur en sociale basis;
  • b. op welke wijze samenhang en synergie tussen de verschillende hoofdthema’s en onderdelen wordt nagestreefd;
  • c. welke doelen en resultaten worden nagestreefd, waarbij, voor zover relevant, aandacht wordt besteed aan:
  • 1°. de doelen en resultaten die in het GALA en het Hoofdlijnen Sportakkoord II en bijbehorende addenda zijn opgenomen;
  • 2°. waarom is gekozen voor bepaalde doelgroepen en activiteiten behorende bij de aangevraagde onderdelen;
  • 3°. op welke wijze preventie en positieve gezondheid nagestreefd worden;
  • 4°. op welke wijze gezondheidsverschillen verkleind zullen worden;
  • 5°. op welke wijze de doelgroepen waarop het plan van aanpak is gericht, betrokken zijn bij het opstellen ervan;
  • 6°. op welke wijze de voortgang van de uitvoering van het plan van aanpak bijgehouden wordt.
  • d. met welke partijen op welke wijze wordt samengewerkt en hoe deze samenwerking is vormgegeven, met inachtneming van de afspraken in het GALA en het Hoofdlijnen Sportakkoord II en, indien passend, de reeds aanwezige netwerkstructuren zoals omschreven in het IZA;
  • e. ingeval van een reeds bestaand lokaal preventieakkoord of lokaal sportakkoord, met welke partijen en op welke wijze hieraan uitvoering is gegeven;
2.

Indien voor een onderdeel geen aanvraag wordt ingediend, wordt in het plan van aanpak de reden daarvoor vermeld.

3.

Het plan van aanpak dient ondertekend te zijn door ten minste één wethouder.

4.

Het plan van aanpak gaat vergezeld van een positief advies van de kerngroep VNG/VSG.

Hoofdstuk 7. Algemene verplichtingen

Artikel 7.1

De aanvrager aan wie een uitkering is toegekend draagt er zorg voor dat:

  • a. een bijdrage wordt geleverd aan kennisdeling op regionaal en landelijk niveau, mede door deelname aan de landelijke monitorings- en evaluatie-instrumenten die door de minister ter beschikking worden gesteld;
  • b. de uitvoering van de onderdelen en bijbehorende activiteiten waarvoor een uitkering is verleend conform de bestuurlijke afspraken is.
  • c. De ontvanger van de uitkering meldt onverwijld schriftelijk aan de minister indien:
    1. aannemelijk is geworden dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de uitkering verbonden verplichtingen zal worden voldaan, of
    1. zich andere omstandigheden voordoen of zullen voordoen die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging, intrekking of vaststelling van de uitkering.

Hoofdstuk 8. Verlening en bevoorschotting

Artikel 8.1. Verlening

1.

De minister neemt een besluit over de verlening van de uitkering:

2.

Het besluit tot verlening vermeldt in elk geval voor welke onderdelen als bedoeld in artikel 2.2, onder a en b, artikel 3.2, onder a tot en met k, en artikel 4.2, onder a en b, de uitkering wordt verleend, het bedrag van de uitkering, de wijze van verantwoording, de periode waarvoor de uitkering wordt verleend en de wijze waarop het verrichten van de activiteiten kan worden aangetoond.

Artikel 8.2. Bevoorschotting

1.

De minister verleent ambtshalve voorschotten voor 100% van het aangevraagde bedrag.

2.

Het voorschot voor 2024 en volgende jaren wordt verleend na indiening van het plan van aanpak, bedoeld in artikel 6.3.

Hoofdstuk 9. Verantwoording en vaststelling

Artikel 9.1. Verantwoording

1.

Een ontvanger van een uitkering verstrekt jaarlijks uiterlijk op 15 juli van het jaar volgend op de verlening van de uitkering de verantwoordingsinformatie overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Besluit financiële verhouding 2001.

2.

Daar waar sprake is van overdracht van middelen van een medeoverheid naar een andere medeoverheid is SiSa tussen medeoverheden van toepassing, conform artikel 17a, tweede lid, van de Financiële-verhoudingswet.

Artikel 9.2. Vaststelling

1.

De minister besluit uiterlijk 37 weken na 16 juli 2027 over de vaststelling van de uitkering.

2.

Indien de activiteiten waarvoor de uitkering is verleend zijn verricht en daarnaast volledig is voldaan aan de verplichtingen die verbonden zijn aan de uitkering, wordt de uitkering vastgesteld tot ten hoogste het bedrag dat is bepaald in het besluit tot verlening.

3.

Indien de verantwoordingsinformatie te laat, niet of niet volledig wordt verstrekt, kan de minister de uitkering op een lager bedrag vaststellen, aan de hand van de gegevens die tot het besluit tot vaststelling beschikbaar zijn gesteld.

Hoofdstuk 10. Slotbepalingen

Artikel 10.1. Hardheidsclausule

De minister kan een of meer bepalingen van deze regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover van toepassing gelet op het belang dat de desbetreffende bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 10.2. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 16 juli 2027, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op uitkeringen die voor die datum zijn verleend.

Artikel 10.3. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling specifieke uitkering sport en bewegen, gezondheidsbevordering, cultuurparticipatie en de sociale basis 2023–2026.

Bijlage I. behorend bij artikel 1.1

GALA

Gezond en Actief Leven Akkoord

GEMEENTEN en GGD-en, ZORGVERZEKERAARS EN VWS ZETTEN GEZAMENLIJK IN OP EEN GEZOND EN ACTIEF LEVEN MET EEN STEVIGE SOCIALE BASIS

Inhoudsopgave

Bijlage 1 – Samenhang met andere trajecten

Bijlage 2 – Werkagenda VNG bij het Integraal Zorg Akkoord (IZA)

1. Inleiding

Met het Gezond en Actief leven Akkoord (GALA) bouwen we aan het fundament voor een gerichte lokale en regionale aanpak op het gebied van preventie, gezondheid en sociale basis. Hiervoor maken we afspraken vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid als rijksoverheid, gemeenten en zorgverzekeraars. We doorbreken de schotten en werken domeinoverstijgend vanuit samenhang om zo bij te dragen aan de beweging naar ‘de voorkant’ waarin een gezonde samenleving centraal staat. En dat is nodig. De urgentie is groot.

De stip op de horizon is een gezonde generatie in 2040, met weerbare, gezonde mensen die kunnen opgroeien, leven, werken en wonen in een gezonde leefomgeving, en waarin sprake is van een sterke sociale basis. Waarin de fysieke en mentale gezondheid vanaf het prille begin, de eerste 1.000 dagen, wordt bevorderd en behouden en waar speciale aandacht uitgaat naar mensen in kwetsbare situaties. Hiermee dragen we ook bij aan het betaalbaar houden van het zorgstelsel, zodat mensen die dat nodig hebben kunnen blijven rekenen op zorg. In eerste instantie geven mensen zelf invulling aan een zo gezond mogelijk leven. Waar nodig wordt door gemeenten, rijk en zorgpartijen passende hulp geboden die aansluit op de behoefte en de mogelijkheden van de hulpvrager. Het sociale en publieke domein is de eerst aangewezen plek.

Gezondheid is ons kapitaal, als mens en als samenleving. Uit onderzoek van het CBS blijkt dat gezondheid belangrijk is voor het geluksgevoel. Mensen willen zo lang mogelijk zelfstandig kunnen blijven. Gezondheid vraagt dan ook om een beweging naar het versterken van het normale leven, de weerbaarheid, demedicaliseren en gezondheidsvaardigheden. Voor het versterken van de weerbaarheid is het belangrijk om zoveel mogelijk in te zetten op preventie vanuit de lokale basisvoorzieningen (denk aan: ‘natuurlijke’ vindplaatsen als de school, de huisarts en het sociaal wijkteam en sterke verbindingen tussen deze ‘natuurlijke’ vindplaatsen in het medisch, sociaal en fysieke domein.

Gezondheid is breder dan de afwezigheid van ziekte en klachten. Het idee van ‘positieve gezondheid’1Definitie positieve gezondheid: het vermogen van mensen om met de fysieke, emotionele en sociale levensuitdagingen om te gaan en zoveel mogelijk eigen regie te voeren (Machteld Huber, www.iph.nl). biedt een bredere kijk op gezondheid. Mensen zijn niet hun aandoening. Toch focust de zorg daar vaak wel op. De aandacht gaat te vaak uit medische klachten en gezondheidsproblemen, en hoe we die kunnen oplossen. Positieve Gezondheid kiest een andere invalshoek. Het accent ligt niet op ziekte, maar op mensen zelf, op hun veerkracht en op wat hun leven betekenisvol maakt. Gezondheid raakt iedereen, ook de mensen met een handicap, een beperking of een (chronische) ziekte. De voorzieningen die er zijn om mensen te helpen een gezond en actief leven te leiden moeten voor iedereen toegankelijk zijn.

Mensen in een kwetsbare sociaal economische situatie kampen veelal met armoede, schulden, problemen rondom huisvesting, eenzaamheid of werkloosheid. Deze omstandigheden maken dat zij een hoger risico op een slechtere (ervaren) gezondheid hebben. Mensen met een lager opleidingsniveau leven gemiddeld ruim 4 jaar korter en krijgen ruim 14 jaar eerder te maken met een slechter ervaren gezondheid dan hoogopgeleiden2Bron: www.staatvenz.nl. Daarnaast kunnen taalbarrières of verschillende sociaal-culturele waarden goede zorg in de weg staan. Ook komt het vaker voor dat mensen met een lager opleidingsniveau roken of overgewicht hebben, een hoger risico op soa’s, hiv en onbedoelde zwangerschappen hebben en minder vaak vaccinaties halen in het kader van het Rijksvaccinatieprogramma. Daarnaast geldt dat de (mentale) gezondheid van veel mensen onder druk staat in een samenleving die snel verandert en gepaard gaat met grote onzekerheden. Gezondheidsachterstanden zijn maatschappelijk onwenselijk omdat dit een negatieve impact heeft op de kwaliteit van leven van mensen en op de mogelijkheden voor mensen om te participeren in het economisch en maatschappelijk leven.

Daarbij staat ons zorgstelsel zelf ook onder druk. Nu al werkt 1 op de 6 werknemers in de zorg en geven we 13 procent van ons nationale inkomen uit aan zorg. De komende decennia neemt de zorgvraag alleen maar verder toe, onder meer vanwege de vergrijzing. Het voorkomen van gezondheidsproblemen (universele en selectieve preventie), de inzet van (leefstijl)interventies bij hoog risico op ziekte (geïndiceerde preventie) en leefstijl als (onderdeel van de) behandeling (zorggerelateerde preventie) is belangrijk om de kwaliteit, toegankelijkheid en houdbaarheid van het Nederlandse zorgstelsel in de toekomst te kunnen waarborgen. De coronapandemie heeft dit besef ook versterkt.

Overigens levert het voorkomen van zorg ook een belangrijke bijdrage aan het klimaatbeleid, omdat de zorgsector verantwoordelijk is voor ongeveer 7 procent van de broeikasgassen van Nederland. Inzet op gezondheid en preventie past daarmee ook in het bevorderen van duurzame zorg.

Het RIVM heeft diverse bepalende factoren benoemd die bijdragen aan gezondheid (zie figuur 1). Ongezond gedrag in een ongezonde leefomgeving is verantwoordelijk voor bijna 20 procent van de ziektelast. Naast leefstijl doen ook stress, de fysieke leefomgeving en vele andere factoren ertoe waar het gaat om (de ervaren) gezondheid. Daarbij komt dat de gezonde keuze vaak niet vanzelfsprekend wordt gemaakt, waardoor ongezond gedrag sneller het gevolg is. De urgentie om blijvend in te zetten op het bevorderen van een gezonde leefstijl in een gezonde leefomgeving is hoog. Net als het blijvend inzetten op die factoren die mensen belemmeren om een gezonde keuze te maken.

Een integrale benadering van preventie is nodig, met aandacht voor achterliggende factoren die invloed hebben op gezondheid. Dat kunnen individuele factoren zijn, maar ook de fysieke en sociale omgeving, zoals de voedselomgeving of een beweegvriendelijke omgeving op school of op het werk, of factoren als bestaanszekerheid. Deze brede blik op gezondheid en het bevorderen van gezondheid noemen we ‘Health in all Policies’: diverse domeinen (publieke gezondheid, gezondheidszorg, sociaal domein, fysieke inrichting) dragen bij aan gezondheid van inwoners.

Dit is met name ook voor het verminderen van gezondheidsachterstanden nodig. Ongezondheid is niet alleen de uitkomst van ongezond gedrag, maar vooral ook van een complexe ongelijkheid in de samenleving. Niet iedereen beschikt over de kennis, vaardigheden en mogelijkheden om gezonde keuzes te maken. De overheid heeft een grote rol bij het bevorderen van gezond gedrag in een gezonde leefomgeving, waarbij de inzet gedifferentieerd wordt en een aparte en toegespitste aanpak vergt voor kwetsbare groepen waarin de grootste stijging van gezondheidswinst te behalen is. Dat vraagt gericht investeren: ongelijk investeren voor meer gelijke kansen (‘Equity in All Policies’).

Om te zorgen dat mensen zo lang mogelijk zo gezond mogelijk blijven, loont het om vanaf jonge leeftijd en gedurende de hele levensloop te investeren in gezondheid en een gezonde leefstijl. Dat begint al bij de eerste duizend dagen van het leven die sterk bepalend zijn voor de gezondheid op latere leeftijd. Een kansrijke start voor elk kind is dan ook essentieel. Een gezonde generatie betekent een generatie die niet alleen fysiek gezond is, maar ook mentaal weerbaar is en leeft in een gezonde omgeving.

Ook als er sprake is van gezondheidsproblemen, is niet altijd (alleen) een medisch antwoord gewenst. Bestaande hulp en zorg is nu niet altijd passend. Er is sprake van versnippering. Hulp is niet altijd gericht op de eigen situatie en de leefomgeving van de zorg- of hulpvrager. Om die reden werken we aan een beweging richting beter passende zorg en ondersteuning. We willen terug naar de nabijheid en de menselijke maat vanuit de lokale sociale basis of de sociale infrastructuur, in samenspraak met de inwoners. Het gaat om omzien naar elkaar. Een zogenaamde sociale basis die bestaat uit familie, naasten uit het sociaal netwerk, mantelzorgers, vrijwilligers, het welzijnswerk, burgerinitiatieven (waaronder zelfregie- of zelfhulpgroepen) en andere relevante organisaties die een rol hebben en een individu of een gezin helpt als het nodig is.

Door de toename van het aantal ouderen die zelfstandig wonen zal de druk op de sociale omgeving, waaronder mantelzorg, toenemen. Daarom is inzet op vitaal ouder worden en langer meedoen, door het versterken van de zelfredzaamheid van ouderen van belang.

In dit document wordt in hoofdstuk 2 toegelicht welke basis er reeds ligt en welke stap we met het GALA zetten. Hoofdstuk 3 vormt de kern van het GALA waarin de gezamenlijke doelen, beoogde resultaten en acties zijn opgenomen die VWS, gemeenten en zorgverzekeraars willen ondernemen. Hoofdstuk 4 gaat in op de zaken die daarvoor nodig zijn: de financiën (de brede SPUK), lokale en regionale samenwerking, landelijk beleid, kennisinfrastructuur, monitoring, ondersteuning en governance.

2. Gemeenten, GGD-en, zorgverzekeraars en VWS bouwen met het GALA een fundament onder het preventiebeleid

De afgelopen decennia, en in het bijzonder de afgelopen jaren, is er veel in gang gezet op gezondheid, preventie en een sterke sociale basis door het Rijk, door de gemeenten en andere betrokken partijen zoals kennispartners. We bouwen hierop voort en leggen de nodige verbindingen. Er zijn gezondheidsdoelen en acties afgesproken in het Nationaal Preventieakkoord (NPA) en de Landelijke Nota Gezondheidsbeleid 2020–2024. In het regeerakkoord zijn de doelen van het NPA nog eens bevestigd en zijn hier ambities met betrekking tot kansrijke start, mentale gezondheid en valpreventie aan toegevoegd. De doelen zijn door gemeenten verder uitgewerkt in lokale gezondheidsnota’s en lokale preventie- en sportakkoorden (en combinaties daarvan) en in lokale coalities Kansrijke Start. Sinds 2015 werken VNG en Zorgverzekeraars Nederland (ZN) vanuit een gezamenlijke werkstructuur samen om de inzet op preventie en gezondheidsbevordering op regionale schaal te organiseren. Preventie, GGZ problematiek en ouderen zijn speerpunten hierbinnen. Deze werkstructuur vormt de basis van de regionale samenwerking die nodig is en moet worden verstevigd. In eerdere publicaties van de VNG wordt het belang en de noodzakelijke inzet op preventieve gezondheid benadrukt3In de propositie ‘De winst van het Sociaal Domein’ is Gezond Leven een van de drie speerpunten. In het Koersdocument ‘Van daadkracht naar veerkracht’ heeft de VNG dit speerpunt nader uitgewerkt en de rol en verantwoordelijkheid van gemeenten gedefinieerd. Daarbij is aangeven wat er nodig is om met die rol tot effectieve inzet op preventie te komen. Tot slot is in de position paper ‘Gezonde Leefomgeving’ het belang van de omgeving voor de gezondheid van mensen aangegeven. Gemeenten worden hierin aanbevolen gezondheid mee te wegen bij de keuzes in het fysieke domein. evenals in het gezamenlijke preventiestatement van VNG en ZN. Ook het onlangs afgesloten Integraal Zorgakkoord en het WOZO-programma bieden een basis voor de samenwerking met zorgpartijen.

Met de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Jeugdwet is een brede basis gelegd voor de zorgtaken van gemeenten in het sociaal domein. Gemeenten hebben met de Wmo de wettelijke opdracht en de beleidsruimte gekregen om mensen op maat te kunnen helpen als zij dit zelf niet meer kunnen. Zodat zij weer zelfredzaam zijn en kunnen participeren in de eigen thuissituatie en de maatschappij. Op grond van de Jeugdwet hebben gemeenten de taak beleid te voeren op preventie, jeugdhulp te bieden en te zorgen voor de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. De Wet publieke gezondheid (Wpg) geeft gemeenten de opdracht de gezondheid te bewaken, beschermen en bevorderen. Er is voorzien in een gemeenschappelijke regeling voor gemeentelijke gezondheidsdiensten (GGD). Elke gemeente moet een GGD in stand houden en bepaalde taken uit de Wpg laten uitvoeren. Daarnaast volgt uit de Wpg dat de gemeente het basistakenpakket jeugdgezondheidszorg uit moet laten voeren. De professionals die dit doen zijn een belangrijke speler in het verbinden en versterken van de jeugdpreventieketen.

Met alle wetgeving, nota’s en akkoorden en bestaande lokale en regionale werkstructuren ligt er een basis. Nu is een volgende stap nodig. Het bevorderen van een gezond leven vraagt om een domeinoverstijgende, integrale en langjarige aanpak.

De GGD-en zijn als regionale gezondheidsdienst een belangrijke partij in het versterken van het regionale gezondheidsbeleid. De GGD adviseert de gemeenten over het gemeentelijk gezondheidsbeleid, zij doet onderzoek in de regio om de gemeenten over de juiste gezondheidsinformatie te laten beschikken en zij voert in opdracht van de gemeenten een aantal taken uit. Op grond van de Wpg is de GGD een uitvoeringsdienst in opdracht van de gemeentelijke colleges van burgemeesters en wethouders.

In het GALA maken de gemeenten met VWS en de zorgverzekeraars afspraken over versterking van preventie en de publieke gezondheid. GGD-GHOR Nederland ondertekent het GALA mede, maar is formeel geen zelfstandige partij in de afspraken. De GGD-en voeren immers een deel van de gemeentelijke afspraken in het GALA uit, in opdracht van de betreffende gemeenten. In de Stichting GGD GHOR Nederland werken alle GGD-en en de directeuren publieke gezondheid (DPG-en) met elkaar samen en delen zij kennis. Met de ondertekening door de GGD-GHOR Nederland benadrukken alle partijen, inclusief de GGD-en, het grote belang van de GGD-en in de regionale samenwerking en de coördinerende rol die de GGD op een aantal thema’s in de regio heeft.

Op het terrein van de volksgezondheid worden vanuit verschillende domeinen met andere partijen coalities gesloten om met vereende krachten de beweging ‘naar de voorkant’ verder te brengen. Zonder uitputtend te zijn, springt een aantal in het oog. Het GALA richt zich expliciet op deze voorkant met de focus op gezondheid en preventie.

In september 2022 is het Integraal Zorgakkoord (IZA) gesloten met onder meer afspraken over het investeren in gezondheid en preventie breed (inclusief sociale basis). Het daarin aangekondigde addendum met afspraken tussen gemeenten, VWS en zorgverzekeraars, zoals afgesproken in het IZA, is verwerkt in het GALA (actie-agenda G en H). Het IZA richt zich in hoofdzaak op de houdbaarheid van het zorgstelsel (invalshoek Zvw).

Met het programma Wonen, Ondersteuning en Zorg voor Ouderen (WOZO) is een beweging gestart om de ondersteuning en zorg voor ouderen toekomstbestendig te organiseren. De beweging draagt bij aan de transitie in wonen, ondersteuning en zorg voor ouderen. De eerste actielijn uit het WOZO, vitaal ouder worden, vergt ook acties in het gemeentelijk domein gericht op preventie. Hiervoor zijn afspraken in het GALA opgenomen.

In het Nationaal Preventieakkoord (NPA) staan afspraken om Nederlanders gezonder te maken door roken, problematisch alcoholgebruik en overgewicht terug te dringen. Het doel is een gezonde generatie in 2040 met inzet op een rookvrije generatie, minder overgewicht en minder overmatig alcoholgebruik. Deze thema’s komen (direct of indirect) terug in verschillende programma’s in het GALA en worden vertaald naar lokale inzet.

Met de Hervormingsagenda Jeugd wordt gewerkt aan een breed maatschappelijke agenda gericht op het structureel verbeteren van de kwaliteit en beschikbaarheid van jeugdhulpverlening en de lange-termijnhoudbaarheid van het jeugdstelsel. Preventie is een belangrijke sleutel. De afspraken in het GALA over onder meer een kansrijke start in de eerste duizend dagen van een kind, een gezonde leefstijl en mentale gezondheid, de aanpak Opgroeien in een Kansrijke Omgeving (OKO) en versterking van de sociale basis dragen hier aan bij. De Jeugdgezondheidszorg is een belangrijke schakel in het verbinden en versterken van de jeugdpreventieketen.

In 2016 heeft Nederland het VN-verdrag Handicap geratificeerd. Gemeenten hebben de wettelijke plicht gekregen om het verdrag lokaal in te voeren, onder de naam Lokale Inclusie Agenda (LIA). Met ondersteuning vanuit het VNG-programma ‘Iedereen doet mee!’ geven gemeenten invulling aan de afspraken uit het VN-verdrag Handicap. De gemeenten werken samen met ervaringsdeskundige inwoners aan een inclusieve samenleving waarin iedereen, met of zonder een handicap, beperking of kwetsbaarheid kan deelnemen aan werk, school, sport en bewegen en cultuur. Daarbij bevorderen gemeenten dat de voorzieningen voor iedereen letterlijk toegankelijk zijn. De gemeenten zorgen dat mensen met een handicap, een beperking of een (chronische) ziekte de zorg en ondersteuning wordt geboden om volwaardig deel te kunnen nemen aan de samenleving. De verbinding met het GALA kan worden gelegd door bij de integrale aanpak gezondheidsbeleid de inclusie-coördinator of de programma-coördinator van ‘iedereen doet mee’ van de gemeente te betrekken.

In november 2022 is de Green Deal ‘Samen werken aan duurzame zorg’**** gesloten met afspraken om de klimaat- en milieu-impact van zorg en ondersteuning te verminderen. Eén van de thema’s betreft het bevorderen van gezondheid van patiënten/cliënten en van medewerkers in de zorg. De inzet en afspraken daarvoor sluiten aan bij het GALA.

Het beleidsprogramma pandemische paraatheid richt zich op het voorkomen van een mogelijke volgende pandemie, het zo veel mogelijk beperken van de ziektelast én het minimaliseren van maatschappelijke en economische schade. Ervaringen en lessen van de Covid-19 pandemie worden daarbij betrokken en verder uitgebouwd. De versterkingen in de publieke gezondheid en de zorg dragen bij aan zowel individuele als collectieve gezondheid en preventie.

Het programma Toekomstbestendige Arbeidsmarkt Zorg en welzijn (TAZ) beoogt een transitie naar passende en arbeidsbesparende zorg. Met innovatieve werkwijzen, en behoud van medewerkers die gemotiveerd hun werk doen. Voor het GALA zijn met name de partijen die werkzaam zijn in ‘de voorkant’ belangrijk, zoals gemeenten, jeugdgezondheidszorg en de eerstelijns zorgpartijen.

Het financieel arrangement van het GALA is vervat in een nieuwe Specifieke Uitkering (SPUK) voor gemeenten. In deze SPUK is ook budget opgenomen voor hetgeen van gemeenten wordt verwacht op het domein van sport en bewegen. De bestuurlijke afspraken hierover zijn opgenomen in het Sportakkoord II. De sportinfrastructuur levert daarmee voor het behalen van de doelen van het GALA een belangrijke bijdrage.

In onderstaande figuur wordt de samenhang weergegeven.

3. Gezondheidsdoelen en resultaten die we willen behalen

Het kabinet heeft een gezonde generatie in 2040 met een focus op de jeugd door sport, voeding en bewegen in het regeerakkoord als doel omarmd. Dat betekent dat de Nederlandse jeugd in 2040 de gezondste van de wereld is. Een ambitie waar breed in de samenleving veel draagvlak voor is4www.gezondegeneratie.nl; Brief Initiatiefgroep preventieakkoord aan informateur, mei 2021, en waarbij meer aandacht is voor preventie en een gezonde leefstijl van jongs af aan. Want kinderen die ongezond opgroeien staan veelal op een achterstand. Het verminderen van vermijdbare gezondheidsachterstanden5Coalitieakkoord dec 2021 ‘Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst’, pagina 32 vergt dan ook extra aandacht, vanaf de eerste duizend dagen van een kind. Het verminderen van gezondheidsachterstanden is weliswaar apart als doel benoemd, maar snijdt dwars door de overige doelen heen.

Naast de focus op kinderen en jongeren richten we ons met de gezonde generatie ook op volwassenen met onderstaande gemeenschappelijke doelen en op (het behoud van) de vitaliteit van het toenemend aantal ouderen.

VWS, gemeenten, GGD-en en zorgverzekeraars onderschrijven de volgende gemeenschappelijke doelen:

Elk doel en de beoogde resultaten worden hierna toegelicht. Tevens zijn de acties benoemd die gemeenten, VWS en zorgverzekeraars ondernemen.

3A. Terugdringen gezondheidsachterstanden (waaronder Kansrijke Start)

Iemand die opgroeit in een gezin met een hoog inkomen en een hoog opleidingsniveau heeft meer kans om langer te leven in een goede gezondheid, dan iemand die opgroeit in een gezin met een laag inkomen en een laag opleidingsniveau. Mensen met een lager opleidingsniveau leven gemiddeld ruim 4 jaar korter en krijgen bovendien ruim 14 jaar eerder te maken met een slechter ervaren gezondheid dan hoogopgeleiden6Bron: www.staatvenz.nl. De aanpak van gezondheidsachterstanden vergt meer dan alleen de inzet op gezondheid. Er is vaak sprake van achterliggende problematiek zoals bestaansonzekerheid, armoede en kansenongelijkheid, een ongezonde leefomgeving en zwakke gezondheidsvaardigheden. Mensen met schulden, zonder baan of zorgen over hun woning kunnen het zich niet veroorloven om gezond te leven of hebben hier geen mentale ruimte voor. Een bredere blik op gezondheid en een integrale langdurige aanpak gericht op de wijken en mensen die kampen met gezondheidsachterstanden is nodig met oog voor gezondheidsvaardigheden en cultuursensitiviteit. Dit moet een aanpak zijn zich richt op verschillende factoren zoals de financiële situatie, de huisvesting, het sociaal netwerk, onderwijs, de gezinssituatie en de arbeidsmarkt.

Om impact te maken bij mensen in kwetsbare sociaal economische posities is het belangrijk om in beleidsontwikkeling te differentiëren en zo rekening te houden met kansengelijkheid op het bereiken van een goede gezondheid voor iedereen: verschil maken om verschil te verminderen.

De gezamenlijke inzet van rijk en gemeenten is erop gericht om de levensverwachting en het aantal jaren in goed ervaren gezondheid voor mensen met een lage sociaal economische positie te doen toenemen. Het verband tussen maatregelen en wat dit doet voor het verminderen van gezondheidsachterstanden laat zich moeilijk meten. In de monitoring van het GALA en de SPUK is de vraag hoe hier mee om te gaan, opgenomen. De acties hiervoor zijn opgenomen in hoofdstuk 4, paragraaf E over monitoring.

De opgave om gezondheidsachterstanden terug te dringen begint al bij de eerste duizend dagen van een kind aangezien die sterk bepalend zijn voor de gezondheid op latere leeftijd. Daarom is een kansrijke start voor elk kind onbetwist een noodzakelijke voorwaarde voor een gezond leven, zodat (aanstaande) ouders in een kwetsbare situatie vroegtijdig gesignaleerd worden en juiste interventies kunnen worden ingezet. Met het programma Kansrijke Start zijn de afgelopen jaren veel goede stappen gezet. Nu wordt ingezet op het verder versterken, uitbouwen en structureel verankeren van de lokale ketenaanpak kansrijke start, gericht op jonge gezinnen in een kwetsbare positie, op weg naar een gezonde generatie.

We willen dat (aanstaande) ouders in een kwetsbare situatie tijdig de juiste zorg en ondersteuning ontvangen, aansluitend op hun hulpbehoefte. De zorg en ondersteuning richt zich primair op het verminderen van risicofactoren die stress veroorzaken, zoals psychische problemen, financiële problemen, relatieproblemen, huisvestingsproblemen en hechtingsproblemen, maar ook het bevorderen van beschermende factoren. Het is ook belangrijk dat deze ouders ondersteund worden met betrekking tot een gezonde leefstijl, omdat gezond eten, geen alcohol tijdens de zwangerschap en bij borstvoeding, en niet roken eveneens van belang zijn voor een gezonde start. Daarom is het doel dat elke gemeente in Nederland structureel een lokale ketenaanpak Kansrijke Start heeft, inclusief interventies. Deze ambitie volgt uit het coalitieakkoord waarin is opgenomen dat het kabinet inzet op een gezonde generatie 2040 en dat Kansrijke Start in iedere gemeente beschikbaar komt. De lokale ketenaanpak kansrijke start moet verder worden versterkt, uitgebouwd en structureel verankerd, op weg naar een gezonde generatie.

In werkagenda 3G, onderdeel II, zijn algemene afspraken opgenomen over de inrichting van ketenaanpakken. Deze afspraken zijn tevens van toepassing op de ketenaanpak kansrijke start.

3B. Een gezonde fysieke leefomgeving die uitnodigt tot bewegen en ontmoeten

De inrichting en vormgeving van de buurt heeft invloed op de gezondheid en leefstijl van de bewoners. Het bepaalt mede in hoeverre mensen bewegen, elkaar ontmoeten, naar voorzieningen als de arts en supermarkt kunnen, en activiteiten kunnen ondernemen. Een extra brede galerij bijvoorbeeld zorgt ervoor dat mensen een bankje kunnen neerzetten om elkaar te ontmoeten. De voedselomgeving speelt ook een rol, zoals het aanbod, de beschikbaarheid en betaalbaarheid van voedsel.

De bereikbaarheid van voorzieningen bepaalt ook de mate van zelfstandigheid van mensen. Met de vergrijzing van de bevolking zijn er steeds meer mensen die te maken krijgen met toenemende beperkingen. Zij worden meer afhankelijk van de hulp van anderen om de voorzieningen die zij nodig hebben te bereiken. Het Programma Wonen en Zorg voor ouderen7Gezamenlijk programma van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en de Minister van Langdurige Zorg en Sport. Wordt naar verwachting in november 2022 naar de Kamer gestuurd. Het programma is onderdeel van het WOZO programma. richt zich op een leefomgeving die uitnodigt tot bewegen en ontmoeten, en zorgt ervoor dat de leefomgeving wordt meegenomen in de gemeentelijke woonzorgvisies en uitvoeringsprogramma’s.

De fysieke leefomgeving kan ook druk geven op de gezondheid via onder andere de luchtkwaliteit, geluidsoverlast en infectieziekterisico’s. Klimaatverandering voegt daar nieuwe uitdagingen aan toe.

Een gezonde fysieke omgeving is van belang om gezond en actief leven te bevorderen, nu en in de toekomst. Gemeenten spelen een belangrijke rol bij de inrichting van de fysieke leefomgeving. In het GALA zijn afspraken opgenomen over het borgen en bevorderen van gezondheidsafwegingen bij het inrichten van de fysieke leefomgeving en over het beter beschermen van inwoners tegen toenemende hitte. Bij die bescherming tegen hitte wordt ook blootstelling aan uv-straling meegenomen. Naar verwachting leidt klimaatverandering tot meer gezondheidsschade door toenemende blootstelling aan UV-straling. Hitte en UV straling vragen in samenhang aanpassingen in de leefomgeving en in de leefstijl.

VWS en gemeenten zorgen ervoor dat gezondheid in brede zin geborgd wordt bij het opstellen van omgevingsbeleid. Zo ook in omgevingsvisies, omgevingsplannen en andere belangrijke besluiten. Ze kunnen hiervoor gebruik maken van beschikbare kennis bij het RIVM en GGD-en. Als inspiratie kunnen de verschillende aspecten van gezondheid worden gebruikt, zoals benoemd in het VNG-position paper Samenwerken aan de gezonde leefomgeving. Samen met de Minister van VRO (Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening) wordt met het Programma Wonen en Zorg voor ouderen ingezet op een leefomgeving die uitnodigt tot bewegen en ontmoeten

VWS en gemeenten willen bereiken dat de leefomgeving van mensen in Nederland gezonder wordt en bevordert dat mensen gezonde keuzes maken. Dit gaat in het bijzonder over de leefomgeving van mensen die om verschillende redenen kwetsbaarder zijn voor gezondheidsdreigingen, zoals kinderen, ouderen en mensen met minder mogelijkheden om zelf iets aan hun leefomgeving te veranderen. Extra aandacht moet er zijn voor gebieden waar verschillende gezondheidsdreigingen stapelen. We willen de slechtste omgevingen verbeteren (eventueel ten koste van andere maatschappelijke belangen) en overal de ruimtelijke keuzes optimaliseren voor een gezonde leefstijl (zie ook de ambities in de Landelijke nota gezondheidsbeleidhttps://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2020/02/29/gezondheid-breed-op-de-agenda). Voor de voedselomgeving geldt dat het streven van VWS en gemeenten is dat de gezonde keuze ook de makkelijkste keuze is.

Acties gemeenten:

Klimaatverandering heeft naar verwachting meerdere gevolgen voor de volksgezondheid. Het gaat dan om directie en indirecte gevolgen van meer hitte, meer droogte, vaker extreem weer en een stijging van de zeespiegel. Gevolgen hiervan zijn bijvoorbeeld hittestress, veranderingen in infectieziekterisico’s, allergieën, en extra druk op de mentale gezondheid. De rijksoverheid en gemeenten werken ter voorbereiding op die verandering samen in de Nationale klimaatadaptatie strategie.

VWS en gemeenten werken samen aan de bescherming van inwoners tegen perioden van hitte en smog én tegen bovenmatige blootstelling aan uv-straling om beter voorbereid te zijn op klimaatverandering. Het gaat hierbij zowel om langetermijn- als kortetermijnmaatregelen die zowel betrekking hebben op de bevordering van veranderingen in het fysieke domein als op maatregelen in het sociaal domein.

Nederland zal als gevolg van klimaatverandering steeds vaker te maken krijgen met hittegolven, die naar verwachting ook langer zullen duren en heter zullen zijn. Hittegolven gaan gepaard met een significante toename van zomersmog en van oversterfte en ziekte, die we zoveel mogelijk willen beperken. Bij ziekte en oversterfte gaat het veelal om kwetsbare mensen bij wie andere gezondheidsaandoeningen verergeren tijdens een hitteperiode. Voor een deel kunnen we gebouwen en de leefomgeving in Nederland beter inrichten op hitteperioden, zodat de consequenties minder erg zijn voor inwoners en bezoekers. Daarnaast gaat het om het aanpassen van het gedrag van mensen en het bieden van tijdelijke oplossingen voor de verlichting van hittestress. We spreken wel van de 3G’s: gebouw, gebied en gebruiker. Een voorbeeld hiervan is vergroening in steden door het aanleggen van meer parken of het laten groeien van planten op daken en muren. Hiermee kun je hoge temperaturen tijdens hittegolven verlagen. Vaak zijn de wijken waar veel kwetsbare mensen wonen ook de wijken die het minst hittebestendig zijn.

Verwacht wordt dat klimaatverandering zal bijdragen aan een grotere blootstelling van inwoners aan uv-straling, wat het risico verhoogt op de ontwikkeling van huidkanker in de toekomst. Ook hier zijn voor een goede aanpak zowel maatregelen nodig voor de leefomgeving als voor het bevorderen van gezond gedrag.

We willen bereiken dat mensen die kwetsbaar zijn voor hitte geholpen worden om zo goed mogelijk door hitteperioden heen te komen, in het bijzonder mensen die we niet goed kunnen bereiken via het Nationale Hitteplan. Daarmee willen we oversterfte en ziekte zoveel mogelijk voorkomen. Daarnaast willen we de bovenmatige blootstelling aan uv-straling terugdringen om huidkanker zoveel mogelijk te voorkomen. Gemeenten kunnen dit verwerken in hun lokaal hitteplan.

3C. Versterken van de sociale basis

Om de gewenste beweging naar de voorkant goed te kunnen maken, is het nodig de sociale basis te versterken. Met meer oog voor de menselijke maat en de nabijheid van ondersteuning en zorg, vanuit de leefwereld of de situatie van de inwoner, gebiedsgericht en domeinoverstijgend. Deze versterking van de sociale basis is des te meer nodig in onzekere tijden waar veel verandert, de sociale samenhang onder druk staat en mensen met financiële zorgen worden geconfronteerd.

We kiezen voor een brede benadering van de sociale basis. Enerzijds heeft de sociale basis een waarde in zichzelf: het gaat over de gemeenschap en de lokale sociale samenhang in steden, dorpen en wijken. Anderzijds gaat het om een instrumentele benadering: een sterke sociale basis om vanuit preventie, omkijken naar elkaar en lichte ondersteuning het beroep op gespecialiseerde zorg voor een deel overbodig te maken, terug te dringen of te vervangen. Bij kinderen en gezinnen heeft de sociale basis ook een pedagogische functie (it takes a village to raise a child). Dit alles vraagt om intensieve samenwerking tussen het sociale domein, wijkverpleegkundige zorg, huisartsenzorg, jeugdgezondheidszorg en de GGZ.

Cultuurdeelname (zoals bezoek aan musea of het theater) kan hierin ook van betekenis zijn. Het verbindt mensen met elkaar, vergroot hun veerkracht en draagt bij aan persoonlijke ontwikkeling. De gezondheidseffecten van cultuurdeelname komen steeds meer in de belangstelling te staan sinds de World Health Organisation deze in kaart bracht9What is the evidence on the role of the arts in improving health and well-being? A scoping review (who.int).. Via het Programma Cultuurparticipatie van het Ministerie van OCW wordt cultuurdeelname gestimuleerd voor mensen voor wie dit niet vanzelfsprekend is, waaronder ouderen en mensen met een zorgbehoefte.

De sociale basis kan bestaan dankzij de onmisbare inzet van bij de samenleving betrokken inwoners, vrijwilligers en mantelzorgers. Het is nodig de informele zorg te versterken, te ondersteunen en te waarderen. Dit vraagt om erkenning van de mantelzorger en ondersteuning op maat (zoals respijtzorg). In een wijk waar veel sociale samenhang is, is het makkelijker elkaar te ontmoeten en hulp te vragen en te bieden. En waar dit niet het geval is, is actieve ondersteuning noodzakelijk. Aan een mantelzorger, maar ook als vorm van samenlevingsopbouw. Gemeenten en hun partners hebben hierin een sleutelrol om voldoende initiatieven en ondersteuningsmogelijkheden tot stand te brengen. Als er sprake is van psychosociale klachten (bijvoorbeeld als gevolg van eenzaamheid) waarvoor iemand zich meldt bij de huisarts, kan deze de patiënt doorverwijzen naar een welzijnscoach (‘Welzijn op Recept’). Deze welzijnscoach begeleidt patiënten naar laagdrempelig aanbod in de wijk, waarbij de focus ligt op wat mensen nog kunnen en willen.

In het GALA willen we met name inzetten op de volgende doelen:

De sociale basis betekent: vrij toegankelijke formele en informele activiteiten en voorzieningen gericht op het elkaar ontmoeten en ondersteunen, ontplooien en ontspannen die zorgen dat mensen kunnen samenleven en meedoen.

Het versterken van de sociale basis gaat over het omzien naar elkaar in de wijken, buurten en dorpen. Maar ook over het autonoom kunnen leiden van het leven met eigen regie en een netwerk vanuit die basis. Er is meer en betere samenwerking tussen sociaal domein, wijkverpleegkundige zorg, huisartsenzorg, jeugdgezondheidszorg en GGZ nodig vanuit de sociale basis. De manier waarop dit gebeurt, bijvoorbeeld voor ouderen, is afhankelijk van de lokale situatie. Cultuurdeelname kan hierin ook van betekenis zijn.

Met de SPUK worden aan gemeenten extra financiële middelen beschikbaar gesteld om het sociaal netwerk en de positie van de mantelzorger verdergaand te versterken. Het doel is om een sterke sociale basis te organiseren waarin mensen omzien naar elkaar en hulpvragen (niet direct zorg gerelateerd) met en voor elkaar oplossen. Ook biedt de SPUK middelen voor een doorverwijzing van de huisarts naar een welzijnscoach. Waar nodig worden mensen naar ondersteuning in het sociaal domein geleid. Zo wordt passende ondersteuning geboden. In paragraaf 3G, onderdeel II, zijn de randvoorwaarden en criteria en de bestuurlijke afspraken opgenomen voor het succesvol inrichten van deze ketenaanpak (Welzijn op recept).

3D. Een gezonde leefstijl

Ongezond gedrag (in een ongezonde leefomgeving) is verantwoordelijk voor bijna 20 procent van de ziektelast. Daarom is het van belang om gezond gedrag en gezonde keuzes te stimuleren vanuit een integrale aanpak.

Met het Nationaal Preventieakkoord gericht op het stoppen met roken, terugdringen van problematisch alcoholgebruik en tegengaan van overgewicht zijn belangrijke ambities gesteld en afspraken gemaakt. In het Regeerakkoord is afgesproken dat de doelen van het Nationaal Preventieakkoord leidend blijven, met een focus op de jeugd door sport, voeding en bewegen. De recente cijfers over roken, overgewicht, alcoholgebruik, bewegen en mentale gezondheid onder volwassenen en kinderen onderstrepen de urgentie om blijvend in te zetten op de doelen van het Nationaal Preventieakkoord10Gezondheidsenquête 2021, HBSC 2021. en het bevorderen van een integrale aanpak van een gezonde leefstijl in een gezonde leefomgeving. Van de Nederlanders van 18 jaar en ouder rookt 20,6%, heeft 50% overgewicht en 14% obesitas, en drinkt 7,3% overmatig alcohol in 202111Staat voor Volksgezondheid en Zorg..

Er wordt extra ingezet op bewegen. Meer bewegen in het dagelijks leven en minder zitten levert voor alle lagen van de bevolking, voor alle leeftijden en voor verschillende gezondheidsproblemen winst op: zowel voor fysieke problemen (overgewicht, valpreventie) als voor de mentale gezondheid.

Onder het voorzitterschap van Carl Verheijen is in 2022 de Beweegalliantie gestart. Met de Beweegalliantie kan er meer maatschappelijke aandacht en actie voor bewegen komen. De focus van de Beweegalliantie ligt op betere samenwerking tussen departementen, alliantiepartners en lokale initiatieven en de rol die de leefomgeving, mobiliteit, het werk en de verbinding met de zorgsector hierbij spelen.

Daarnaast wordt er extra ingezet op het integreren van een gezonde leefstijl als (onderdeel van) de curatieve behandeling bij leefstijl-gerelateerde aandoeningen. Dit wordt gedaan door het financieren van een brede leefstijlcoalitie in het veld. Deze leefstijlcoalitie gaat zich o.a. in zetten op onderzoek, richtlijnen, onderwijs, patiënten, bekostiging en implementatie (IZA-afspraak). Ook hierbij wordt verbinding met gemeenten gelegd en is er een relatie met de Beweegalliantie.

De afspraken uit het Nationaal Preventieakkoord worden onder deze actieagenda voortgezet en waar nodig aangescherpt waar het gaat over de rol van gemeenten, VWS, zorgverzekeraars en de onderlinge samenwerking. Veel gemeenten hebben een lokaal preventieakkoord afgesloten met publieke en private partners. Met de afspraken in het GALA kan nadere uitvoering worden gegeven aan enkele specifieke onderwerpen uit het preventieakkoord.

Doelen van het Nationaal Preventieakkoord.

Diverse maatregelen uit het Nationaal Preventieakkoord zijn gericht op het voorkómen van overgewicht. Ook is het belangrijk dat de mensen die overgewicht of obesitas hebben de juiste zorg en ondersteuning krijgen. Een ongezonde leefstijl speelt vaak een rol bij het ontstaan van overgewicht, maar er zijn meerdere factoren die afvallen kunnen tegenwerken en het overgewicht daarmee in stand houden. Het kan hierbij gaan om factoren op het (maatschappelijk) sociale vlak, zoals stress en financiële schulden, maar ook medische of biologische factoren. Daarom is voor succesvol overgewichtbeleid een goede verbinding nodig tussen het zorg- en sociaal domein. De gecombineerde leefstijl interventie voor volwassenen met overgewicht en obesitas (GLI) en het Landelijk model Ketenaanpak voor kinderen met overgewicht en obesitas zijn ontwikkeld vanuit dit uitgangspunt.

Het Zorginstituut Nederland (ZINL) heeft geduid welke onderdelen van de zorg en ondersteuning voor kinderen tot 18 jaar met overgewicht en obesitas onder verzekerde zorg vallen.12Ketenaanpak zorg en ondersteuning voor kinderen met overgewicht en obesitas Het ZINL heeft zich daarbij o.a. gebaseerd op het Landelijke model Ketenaanpak voor kinderen met overgewicht en obesitas. Niet alle onderdelen van het Landelijke model Ketenaanpak voor kinderen met overgewicht en obesitas vallen onder verzekerde zorg.

Voor een goed werkende ketenaanpak dient er minimaal aanbod in het sociaal domein te zijn in de volgende categorieën: schuldhulpverlening, opvoedondersteuning, sport- en beweegaanbod, activiteiten op het gebied van gezonde voeding en activiteiten op sociaal-emotionele ontwikkeling. Het beschikbaar stellen van dit aanbod valt grotendeels onder de verantwoordelijkheid van gemeenten. De uitdaging bij het implementeren van een ketenaanpak voor kinderen met overgewicht en obesitas zit vooral in het samenbrengen van alle onderdelen tot een werkende ketenaanpak. Er kan hiervoor gebruik gemaakt worden van de ervaringen die opgedaan zijn bij de diverse experimenten in het land (Limburg, Amsterdam, Arnhem).

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)