← Geldende tekst · Geschiedenis

Wet van 24 maart 2023 tot algemene regels inzake het elektronisch verkeer in het publieke domein en inzake de generieke digitale infrastructuur (Wet digitale overheid)

Geldende tekst a fecha 2023-07-01

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is algemene regels te stellen met het oog op de verdere digitalisering van het openbaar bestuur en daartoe standaarden voor elektronisch verkeer verplicht te stellen, algemene regels te stellen over informatieveiligheid en tevens regels te stellen over de generieke digitale infrastructuur, waaronder elektronische dienstverlening in het publieke en semipublieke domein aan burgers en bedrijven;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goed vinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Algemeen

Hoofdstuk 2. Algemene regels

Artikel 3. Standaarden
1.

De volgende organen passen de ingevolge het tweede lid aangewezen standaarden voor elektronisch verkeer toe, voor zover die standaard ingevolge het derde lid op hen van toepassing is:

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kan een standaard worden aangewezen, indien:

3.

Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald:

4.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld. Onder meer kan worden bepaald dat organen op hun website een actuele verklaring over de toepassing van de aangewezen standaard publiceren en kan worden bepaald dat organen aan Onze Minister een verklaring van een auditor overleggen waaruit blijkt of de aangewezen standaard wordt toegepast. In voorkomend geval worden regels gesteld over de wijze van rapportage respectievelijk publicatie.

5.

Onze Minister kan een aanwijzing geven aan een orgaan waarvoor de verplichting tot toepassing van een aangewezen standaard geldt, indien dit orgaan een gedragslijn hanteert die strijdig is met een aangewezen standaard.

Hoofdstuk 2. Algemene regels

Hoofdstuk 4. Toegang tot elektronische dienstverlening

Hoofdstuk 3. De generieke digitale infrastructuur

Hoofdstuk 6. Naleving

Hoofdstuk 7. Financiële bepalingen

Artikel 20. Leges voor verstrekking publiek identificatiemiddel
1.

De kosten die het Rijk maakt samenhangend met de productie en de verstrekking van een publiek identificatiemiddel worden door het Rijk ten laste gebracht van de verkrijger van dit middel.

2.

Bij ministeriële regeling wordt, voor zover deze vergoeding niet krachtens een andere wet wordt vastgesteld, per publiek identificatiemiddel het bedrag ter vergoeding van de kosten, bedoeld in het eerste lid, vastgesteld en kan de wijze van betaling worden vastgesteld.

Artikel 21. Doorberekening kosten

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Artikel 22. Doorberekening aanvraag erkenning en toezicht op naleving erkenningseisen

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Hoofdstuk 8. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 23. Evaluatie

Onze Minister zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. In het bijzonder wordt hierbij aandacht geschonken aan de getroffen maatregelen op het gebied van beveiliging, privacybescherming en de toegankelijkheid van elektronische dienstverlening.

Artikel 23a

vervallen

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Artikel 24. Overgangsrecht bedrijfs- en organisatiemiddel

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Artikel 25. Parlementaire betrokkenheid bij gedelegeerde regelgeving
1.

Een voordracht voor een krachtens de artikelen 4, 5, vijfde en zesde lid, 9, 11, 13 en 22 te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

2.

De voordracht voor een krachtens artikel 16, vierde lid, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd, tenzij binnen deze termijn door of namens een van de Kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een van de Kamers de wens te kennen wordt gegeven het onderwerp van de algemene maatregel van bestuur bij wet te regelen.

3.

Een krachtens artikel 5, zesde lid, vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een van de Kamers of door tenminste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een van de Kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp van de algemene maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkende voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de Kamers der Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.

Artikel 26. Innovatie
1.

Bij algemene maatregel van bestuur kan bij wijze van experiment, met het oog op het onderzoeken van nieuwe methoden waarmee authenticatie doeltreffender en veiliger kan plaatsvinden, worden afgeweken van de bij of krachtens deze wet geldende bepalingen.

2.

Bij toepassing van het eerste lid wordt geregeld door welke bestuursorganen of aangewezen organisaties, op welke wijze en gedurende welke periode van de wet wordt afgeweken.

3.

Een experiment als bedoeld in het eerste lid duurt ten hoogste vier jaar.

4.

Onze Minister zendt negen maanden voor het einde van de werkingsduur van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment, alsmede een standpunt inzake de voortzetting anders dan als experiment.

Artikel 27. Wijziging Wegenverkeerswet 1994

Wijzigt de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 28. Omhangen

Na de inwerkingtreding van deze wet berust

Artikel 29. Inwerkingtreding
1.

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

2.

De artikelen 3 en 20 van deze wet treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.

3.

De in de artikelen 7 en 15 opgenomen acceptatieplichten zijn voor een bestuursorgaan of aangewezen organisatie niet eerder van toepassing dan nadat dat bestuursorgaan of die aangewezen organisatie kan worden aangesloten op de in artikel 5, eerste lid, onderdelen a tot en met e, en tweede lid bedoelde infrastructuur en voorzieningen overeenkomstig het bij regeling van Onze Minister, gehoord Onze Ministers die het mede aangaat, op te stellen aansluitschema. Het aansluitschema kan erin voorzien dat de acceptatieplichten voor verschillende diensten van een bestuursorgaan of aangewezen organisatie op verschillende momenten van toepassing worden. De regeling met aansluitschema wordt gepubliceerd in de Staatscourant.

Artikel 30. Citeertitel

Deze wet wordt aangehaald als: Wet digitale overheid.

Bijlage. bij artikel 2, tweede lid, onder a, van de Wet digitale overheid

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 1. Definities

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Artikel 2. Reikwijdte
1.

Voor zover in deze wet, uitgezonderd artikel 3, wordt verwezen naar bestuursorganen, wordt hieronder verstaan bestuursorganen als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.

Voor zover in deze wet wordt verwezen naar aangewezen organisaties, wordt gedoeld op:

3.

Voor de toepassing van deze wet worden rechterlijke instanties gelijkgesteld met bestuursorganen en aangewezen organisaties, tenzij bij of krachtens deze wet anders is bepaald. Onder rechterlijke instanties wordt verstaan:

4.

Op de voordracht van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister die het mede aangaat, kunnen bij algemene maatregel van bestuur categorieën van organisaties aan de bijlage, bedoeld in het tweede lid onderdeel a, worden toegevoegd indien die categorie elektronische diensten verleent waarvoor authenticatie op betrouwbaarheidsniveau substantieel of hoog vereist is.

5.

Op de voordracht van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister die het mede aangaat, kunnen bij algemene maatregel van bestuur categorieën van organisaties van de bijlage, bedoeld in het tweede lid onderdeel a, worden verwijderd indien die categorie niet langer elektronische diensten verleent waarvoor authenticatie op betrouwbaarheidsniveau substantieel of hoog vereist is.

6.

Bij besluit van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister die het mede aangaat kan een organisatiedie elektronische diensten verleent waarvoor authenticatie op betrouwbaarheidsniveau substantieel of hoog vereist is, voor de toepassing van deze wet worden aangewezen.

7.

Bij besluit van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister die het mede aangaat kan de aanwijzing van een organisatie worden ingetrokken indien die organisatie niet langer elektronische diensten verleent waarvoor authenticatie op betrouwbaarheidsniveau substantieel of hoog vereist is.

8.

Van een besluit tot aanwijzing of intrekking wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 4. Informatieveiligheid

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Artikel 5. Verantwoordelijkheid voor het beheer
1.

Onze Minister draagt zorg voor de inrichting, beschikbaarstelling, instandhouding, werking en beveiliging van de generieke digitale infrastructuur, waaronder infrastructuur:

2.

Onze Minister draagt zorg voor een voorziening:

3.

Onder toegankelijke wijze van ontsluiten, bedoeld in het tweede lid onder a, wordt mede verstaan toevoeging aan de met de authenticatie van het betrokken identificatiemiddel ontvangen set persoonsidentificatiegegevens van een burgerservicenummer of andere aan de natuurlijke persoon, onderneming of rechtspersoon gekoppelde gegevens, voor zover die gegevens noodzakelijk zijn om de betrokken natuurlijke persoon, onderneming of rechtspersoon ten behoeve van het verrichten van de elektronische dienstverlening in hun systemen te herkennen en voor zover die gegevens niet middels een andere voorziening op betrouwbare wijze toegevoegd kunnen worden aan de bij de toegang met identificatiemiddelen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, verkregen persoonsidentificatiegegevens.

4.

De Dienst Wegverkeer, bedoeld in artikel 4a van de Wegenverkeerswet 1994, draagt namens Onze Minister zorg voor het plaatsen van een publiek identificatiemiddel op betrouwbaarheidsniveau hoog op het rijbewijs. Aan de Dienst Wegverkeer kunnen bij ministeriële regeling overige taken worden opgedragen die samenhangen met het plaatsen van een publiek identificatiemiddel op het rijbewijs.

5.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, met het oog op de inrichting, beschikbaarstelling, instandhouding, werking en beveiliging van de generieke digitale infrastructuur, regels worden gesteld, waaronder met betrekking tot andere dan de in het eerste lid, onderdelen a tot en met e, en tweede lid genoemde voorzieningen en met betrekking tot de voorziening, bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, waarbij aan de daarbij bepaalde bestuursorganen en aangewezen organisaties een aansluitplicht kan worden opgelegd.

6.

Dit lid is nog niet in werking getreden.

Hoofdstuk 4. Toegang tot elektronische dienstverlening

§ 4.1. Algemeen

Artikel 6. Betrouwbaarheidsniveaus
1.

Bij elektronische dienstverlening waarvoor authenticatie op betrouwbaarheidsniveau substantieel of hoog vereist is, verlenen bestuursorganen en aangewezen organisaties uitsluitend toegang tot de dienstverlening indien gebruik wordt gemaakt van identificatiemiddelen die ten minste het voor de betreffende dienstverlening vereiste betrouwbaarheidsniveau hebben.

2.

Bestuursorganen en aangewezen organisaties bepalen volgens bij ministeriële regeling te stellen regels voor welke door hen te verlenen elektronische diensten authenticatie op een bepaald betrouwbaarheidsniveau vereist is en doen daarvan op bij die regeling gestelde wijze mededeling.

3.

Bestuursorganen en aangewezen organisaties bepalen volgens bij ministeriële regeling te stellen regels voor welke door hen te verlenen elektronische diensten machtiging op een bepaald betrouwbaarheidsniveau vereist is.

4.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over het gedurende een bepaalde periode toestaan van toegang tot diensten, waarvoor volgens de krachtens het tweede lid gestelde regels authenticatie op betrouwbaarheidsniveau substantieel of hoog vereist is, met gebruikmaking van door Onze Minister aangewezen identificatiemiddelen die het betrouwbaarheidsniveau laag respectievelijk substantieel hebben. Voor een identificatiemiddel op betrouwbaarheidsniveau laag geldt dat sprake moet zijn van ten minste twee authenticatiefactoren zoals bedoeld in de eIDAS-verordening.

§ 4.2. Elektronische dienstverlening aan burgers

Artikel 7. Acceptatie

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Artikel 8. Gebruik in publieke domein
1.

Een publiek identificatiemiddel en de voorziening, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, worden uitsluitend gebruikt voor de toegang tot elektronische dienstverlening door bestuursorganen en aangewezen organisaties.

2.

Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat een publiek identificatiemiddel en de voorziening, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, tevens kan worden gebruikt voor de toegang tot daarbij bepaalde elektronische diensten, anders dan diensten ter uitoefening van een publieke taak, in het algemeen belang of waarbij het burgerservicenummer wordt verwerkt, van aangewezen organisaties.

3.

Bij ministeriële regeling kan Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister die het aangaat bepalen dat een publiek identificatiemiddel en de voorziening, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, tevens ten behoeve van aangewezen organisaties kan worden gebruikt voor het verlenen van toegang tot een systeem voor de elektronische uitwisseling van gegevens waarbij het burgerservicenummer wordt verwerkt, anders dan een systeem voor elektronische dienstverlening.

Artikel 9. Toelaten van identificatiemiddelen en diensten

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Artikel 10. Regels ten aanzien van gebruik
1.

De gebruiker van een toegelaten identificatiemiddel neemt alle nodige maatregelen om misbruik, diefstal, verlies of verspreiding van zijn identificatiemiddel te voorkomen.

2.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het gebruik van publieke identificatiemiddelen en de voorzieningen, bedoeld in artikel 5, eerste lid.

§ 4.3. Elektronische dienstverlening aan bedrijven

Hoofdstuk 5. Bescherming van persoonsgegevens

Artikel 16. Bescherming persoonsgegevens
1.

Onze Minister, alsmede bestuursorganen en aangewezen organisaties verwerken persoonsgegevens, waaronder het burgerservicenummer, voor zover dit noodzakelijk is voor de goede uitvoering van hun taken en verplichtingen ingevolge deze wet, in het bijzonder het bieden van goede en veilige toegang tot elektronische dienstverlening en het voorkomen van misbruik of oneigenlijk gebruik van de toegang tot elektronische dienstverlening.

2.

Dit lid is nog niet in werking getreden.

3.

Dit lid is nog niet in werking getreden.

4.

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de persoonsgegevens die worden verwerkt, aan wie deze gegevens worden verstrekt en hoe lang deze worden bewaard.

Hoofdstuk 6. Naleving

Artikel 17. Toezicht en handhaving
1.

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens artikel 3door overheidsorganen op het niveau van het Rijk en van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 6, 7, 8, eerste lid, en 15 door bestuursorganen op het niveau van het Rijk en door de aangewezen organisaties zijn belast de bij besluit van Onze Minister die het aangaat aangewezen ambtenaren.

2.

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 3, 6, 7, 8, eerste lid en 15 door bestuursorganen op het niveau van de provincies zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren.

3.

Dit lid is nog niet in werking getreden.

4.

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens artikel 4 en het bepaalde bij of krachtens artikel 8, tweede en derde lid, zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren.

5.

Dit lid is nog niet in werking getreden.

6.

Van een besluit als bedoeld in het eerste, tweede, vierde en vijfde lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

7.

Dit lid is nog niet in werking getreden.

8.

Onze Minister kan degene die handelt in strijd met het bepaalde bij of krachtens artikel 9, vierde, zevende of achtste lid, 11, 13 en 14, tweede en derde lid, daartoe opdracht heeft gegeven of feitelijk leiding geeft aan de rechtspersoon die in strijd met het bepaalde bij of krachtens artikel 13, eerste, tweede, derde of vierde lid, een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, per overtreding die is begaan.

Artikel 18. Bijzondere bevoegdheden
1.

Onze Minister kan de toegang tot elektronische dienstverlening van een bestuursorgaan of een aangewezen organisatie onderbreken of doen onderbreken indien sprake is van:

2.

Een bestuursorgaan of een aangewezen organisatie stelt Onze Minister onverwijld in kennis van een inbreuk op de beveiliging of de integriteit van een eigen elektronische dienst of van misbruik of oneigenlijk gebruik van de toegang tot de eigen elektronische dienstverlening. Het bestuursorgaan of de aangewezen organisatie verstrekt daarbij alle benodigde informatie.

3.

De desbetreffende toezichthouder stelt Onze Minister onverwijld in kennis van niet-naleving door een bestuursorgaan of aangewezen organisatie van het bij of krachtens de artikelen 4, 7, 8 en 15 bepaalde. De toezichthouder verstrekt daarbij alle benodigde informatie.

4.

Onze Minister kan de toegang tot elektronische dienstverlening via een welbepaald toegelaten identificatiemiddel of erkend bedrijfs- en organisatiemiddel onderbreken of doen onderbreken bij het vermoeden van misbruik of oneigenlijk gebruik van het desbetreffende middel.

Artikel 19. Informatieverstrekking
1.

Bestuursorganen en aangewezen organisaties, op grond van artikel 9, tweede of derde lid, toegelaten houders van een erkenning en op grond van artikel 11 erkende middelenuitgevers en diensten verstrekken aan Onze Minister desgevraagd en uit eigen beweging de gegevens en inlichtingen die hij nodig heeft om maatregelen te kunnen nemen om inbreuk op de veilige en betrouwbare toegang tot elektronische dienstverlening te voorkomen of beëindigen.

2.

Onze Minister verstrekt gegevens en inlichtingen aan bestuursorganen en aangewezen organisaties, aan de ingevolge artikel 9, tweede of derde lid, toegelaten houder van een erkenning of aan een ingevolge artikel 11 erkende middelenuitgever of dienst over de inbreuk op de veilige en betrouwbare toegang tot elektronische dienstverlening voor zover dit noodzakelijk is voor een goede uitoefening van hun taken of te verlenen diensten in het kader van deze wet.

Hoofdstuk 7. Financiële bepalingen

Hoofdstuk 8. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage. bij artikel 2, tweede lid, onder a, van de Wet digitale overheid

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.