← Geldende tekst · Geschiedenis

Regeling van de Minister voor Medische Zorg van 11 maart 2024, kenmerk 3778259-1062120-PG, houdende het verstrekken van een specifieke uitkering ten behoeve van aanvullende seksuele gezondheidszorg (Regeling specifieke uitkering aanvullende seksuele gezondheidszorg)

Geldende tekst a fecha 2025-05-02

Gelet op artikel 3 van de Kaderwet VWS-subsidies;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 1.2. Toepasselijkheid Awb en Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS
1.

Op uitkeringen verstrekt op grond van deze regeling zijn de artikelen 4:35, 4:37 tot en met 4:39, 4:46, 4:48 tot en met 4:50, 4:56, 4:57 en 4:72, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.

2.

Op uitkeringen verstrekt op grond van deze regeling zijn de begrippen bijdragen van derden, eigen bijdrage en kosten, bedoeld in artikel 1.1 en hoofdstuk 5 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS van overeenkomstige toepassing.

Artikel 1.3. Activiteiten waarvoor een uitkering wordt verstrekt

De minister kan per kalenderjaar op aanvraag een uitkering verstrekken aan een coördinerende GGD voor activiteiten in het kader van aanvullende seksuele gezondheidszorg en coördinatie in de regio waarbinnen de coördinerende GGD werkzaam is.

Artikel 1.4. Dienst van algemeen economisch belang

Vervallen

Hoofdstuk 2. Verlening

Artikel 2.1. Aanvraag tot verlening
1.

De aanvraag tot verlening van een uitkering kan jaarlijks tot uiterlijk 13 weken voor de aanvang van het jaar waar de uitkering betrekking op heeft door de coördinerende GGD worden ingediend tot en met 30 september 2033.

2.

De minister kan vrijstelling of ontheffing verlenen van de termijn, bedoeld in het eerste lid.

3.

In afwijking van het eerste en tweede lid wordt een aanvraag tot verlening van een uitkering voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, onder c, en artikel 4.1, voor de periode van 1 augustus 2024 tot en met 31 december 2024 op uiterlijk 1 mei 2024 ingediend.

4.

De coördinerende GGD consulteert de GGD’en in diens regio over de aanvraag.

5.

Voor de aanvraag wordt een door de minister vastgesteld formulier gebruikt.

6.

De aanvraag vergezeld van:

Artikel 2.2. Verlening en bevoorschotting
1.

De minister beslist binnen 13 weken na ontvangst op de aanvraag.

2.

Het besluit tot verlening vermeldt in elk geval het bedrag van de uitkering, de periode waarvoor de uitkering wordt verleend, de activiteiten waarvoor de uitkering wordt verleend en de wijze waarop de verantwoording plaatsvindt.

3.

De minister verleent bij het besluit tot verlening van de uitkering een voorschot van 100%, dat in één keer wordt betaald.

Hoofdstuk 3. Soa-zorg en seksualiteitshulpverlening

Artikel 3.1. Nadere invulling activiteiten hoofdstuk 3
1.

Activiteiten in het kader van seksualiteitshulpverlening, zijn:

2.

Activiteiten in het kader van soa-zorg, met betrekking tot de daarbij genoemde soa, zijn:

Artikel 3.2. Hoogte van de uitkering
1.

De uitkering voor activiteiten, bedoeld in artikel 3.1, met uitzondering van activiteiten bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, onder c, in het kader van soa-zorg, seksualiteitshulpverlening en de coördinatie daarvan bedraagt voor het kalenderjaar 2024 ten hoogste:

2.

De uitkering voor activiteiten, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, onder c, bedraagt voor de periode van 1 augustus 2024 tot en met 31 december 2024 ten hoogste:

3.

De uitkering voor activiteiten, bedoeld in artikel 3.1, in het kader van soa-zorg, seksualiteitshulpverlening en de coördinatie daarvan bedraagt voor het kalenderjaar 2025 ten hoogste:

4.

De minister kan de maximumbedragen van de uitkering jaarlijks indexeren.

Artikel 3.3. Voorwaarden
1.

De soa-zorg en seksualiteitshulpverlening zijn afgestemd op de collectieve preventie en de curatieve gezondheidszorg.

2.

Seksualiteitshulpverlening is gericht op personen jonger dan 25 jaar.

3.

Soa-zorg is gericht op:

4.

Diagnostiek als bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, onderdeel b en c, wordt uitgevoerd in een geaccrediteerd laboratorium gericht op de gezondheidszorg.

5.

Soa-diagnostiek ten behoeve van soa-zorg wordt verricht ten behoeve van het stellen van een diagnose bij:

6.

Diagnostiek ten behoeve van PrEP-zorg wordt verricht in het kader van het startconsult of het vervolgconsult, bedoeld in artikel 4.1, onder a, ten behoeve van het stellen van een diagnose voor hiv, syfilis, chlamydia, gonorroe, hepatitis-c en, indien diagnostiek hiernaar geïndiceerd is, de nierfunctie.

Artikel 3.4. Verplichtingen

De coördinerende GGD draagt er ten behoeve van diens regio zorg voor dat in het jaar waarvoor de uitkering wordt verstrekt:

Hoofdstuk 4. PrEP-zorg

Artikel 4.1. Nadere invulling activiteiten hoofdstuk 4

Activiteiten in het kader van PrEP-zorg, zijn:

Artikel 4.2. Voorwaarden

De PrEP-zorg is gericht op personen met een verhoogd risico op hiv, zoals in ieder geval mannen die seks hebben met mannen en transgender personen die voldoen aan de inclusiecriteria uit de vigerende beroepsrichtlijn.

Artikel 4.3. Kosten start- en vervolgconsulten
1.

Het gemiddelde tarief per startconsult is maximaal € 84,–.

2.

Het gemiddelde tarief per vervolgconsult is maximaal € 53,–.

3.

De minister kan de gemiddelde tarieven uit het eerste en tweede lid jaarlijks indexeren.

Artikel 4.4. Hoogte van de uitkering
1.

De uitkering voor activiteiten in het kader van PrEP-zorg, bedoeld in artikel 4.1, en de coördinatie daarvan bedraagt voor de periode van 1 augustus 2024 tot en met 31 december 2024 ten hoogste:

2.

De uitkering voor activiteiten in het kader van PrEP-zorg, bedoeld in artikel 4.1, en de coördinatie daarvan bedraagt voor het kalenderjaar 2025 ten hoogste:

3.

De minister kan de maximumbedragen van de uitkering jaarlijks indexeren.

Artikel 4.5. Verplichtingen

De coördinerende GGD draagt er ten behoeve van zijn regio zorg voor dat in het jaar waarvoor de uitkering wordt verstrekt:

Hoofdstuk 5. Verplichtingen, verantwoording, vaststelling en egalisatiereserve

Artikel 5.1. Algemene verplichtingen

De coördinerende GGD draagt ten behoeve van diens regio zorg voor dat in het jaar waarvoor de uitkering wordt verstrekt:

Artikel 5.2. Verantwoording en vaststelling
1.

De coördinerende GGD legt verantwoording af over de besteding van de uitkering op de wijze bepaald in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.

2.

De minister besluit uiterlijk 37 weken na ontvangst van de verantwoordingsinformatie over de vaststelling van de uitkering.

3.

Indien de activiteiten waarvoor de uitkering is verleend zijn verricht en daarnaast volledig is voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen die verbonden zijn aan de uitkering, wordt de uitkering vastgesteld op het bedrag dat bestaat uit de gerealiseerde kosten, tot ten hoogste de genoemde bedragen in de artikelen 3.2 en 4.4, verminderd met de eventuele overschrijding van de maximaal toegestane toevoeging aan de egalisatiereserve, bedoeld in artikel 5.3.

Artikel 5.3. Egalisatiereserve
1.

De ontvanger van een uitkering, als bedoeld in artikel 1.3, vormt een egalisatiereserve.

2.

De egalisatiereserve bedraagt ten minste € 0 en ten hoogste 10% van het bij het besluit tot verlening bepaalde bedrag van de uitkering dan wel ten hoogste een lager percentage dat door de minister bij het besluit tot verlening is bepaald.

3.

Indien de uitkering wordt verlaagd wegens het niet of niet geheel verrichten van de activiteiten waarvoor de uitkering is verleend, wordt de maximaal toegestane egalisatiereserve berekend op basis van de verlaagde uitkering.

Artikel 5.4. Opbouw egalisatiereserve
1.

De egalisatiereserve wordt gevormd door een toevoeging bij een positief exploitatieresultaat en een onttrekking bij een negatief exploitatieresultaat.

2.

De maximale toevoeging aan de egalisatiereserve is het bedrag dat aan de egalisatiereserve kan worden toegevoegd zonder de maximale omvang, bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, te overschrijden. De maximale onttrekking aan de egalisatiereserve is het bedrag van de egalisatiereserve.

3.

De toevoeging of onttrekking is gelijk aan het exploitatieresultaat vermenigvuldigd met de verleende uitkering gedeeld door de som van de in het besluit tot verlening vermelde begrote eigen bijdrage en de verleende uitkering.

4.

Voor zover het voor de toevoeging beschikbare bedrag hoger is dan de maximale toevoeging, wordt dat bedrag bij de vaststelling in mindering gebracht op de uitkering.

5.

Voor de toepassing van de vorige leden worden uitsluitend in aanmerking genomen de kosten, de bijdragen van derden en de uitkering met betrekking tot activiteiten waarvoor de uitkering is verleend en die werkelijk zijn verricht.

Artikel 5.5. Besteding egalisatiereserve
1.

De egalisatiereserve wordt in een kalenderjaar uitsluitend besteed aan activiteiten waarvoor de uitkering in dat kalenderjaar is verleend en die niet kunnen worden bekostigd uit de uitkering die is verleend ten behoeve van dat kalenderjaar.

2.

De besteding van de egalisatiereserve wordt vooraf schriftelijk gemeld aan de minister.

3.

De egalisatiereserve opgebouwd op grond van de Regeling tijdelijke specifieke uitkering aanvullende seksuele gezondheidzorg wordt overeenkomstig het eerste lid besteed.

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Artikel 6.1. Hardheidsclausule

De minister kan, gelet op het belang dat deze regeling beoogt te beschermen, artikelen buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover strikte toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 6.2. Overgangsbepaling
2.

Deze regeling is van toepassing op uitkeringen die zijn verleend op grond van de Regeling tijdelijke specifieke uitkering aanvullende seksuele gezondheidszorg, voorafgaand aan de inwerkingtreding van onderhavige regeling.

Artikel 6.3. Wijziging Regeling Geneesmiddelenwet

Wijzigt de Regeling Geneesmiddelenwet.

Artikel 6.4. Inwerkingtreding en vervaldatum
1.

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

2.

Deze regeling vervalt met ingang van 31 december 2035.

3.

In afwijking van het tweede lid, vervalt artikel 1.4 op het tijdstip waarop artikel I, onderdelen B en D, van het bij koninklijke boodschap van 30 maart 2023 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet publieke gezondheid vanwege de invoering van een vergunningplicht en een meldplicht ter zake van het verrichten van handelingen met poliovirus en enkele anderen wijzigingen (Kamerstukken 36 334) in werking treedt.

Artikel 6.5. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling specifieke uitkering aanvullende seksuele gezondheidzorg.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.