← Geldende tekst · Geschiedenis

Wet van 22 mei 2024, houdende regels ten behoeve van de kinderopvang op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Wet kinderopvang BES)

Geldende tekst a fecha 2026-01-01

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, gelet op de grote armoedeproblematiek en achterstandenproblematiek op het terrein van ontwikkelen en leren en het belang om de kwaliteit van kinderopvang in Caribisch Nederland te verbeteren, wenselijk is om regels te stellen over kinderopvang op Bonaire, Sint Eustatius en Saba;

Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Artikel 1.2. Reikwijdte

Deze wet is van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Hoofdstuk 2. Kwaliteit

§ 1. Vergunningplicht

Artikel 2.1. Exploitatievergunning
1.

Het is verboden zonder vergunning van het bestuurscollege:

2.

Een aanvraag voor een vergunning of een verlenging of wijziging daarvan wordt door de houder van een kindercentrum of gastouder ingediend bij het bestuurscollege.

3.

Dit lid is nog niet in werking getreden.

4.

Het bestuurscollege stelt een kwaliteitscommissie in, die adviseert over het al dan niet verlenen van een vergunning, verlenging of wijziging daarvan.

5.

Ten behoeve van de advisering, bedoeld in het vierde lid, verzoekt het bestuurscollege:

6.

Bij of krachtens eilandsverordening worden nadere regels gesteld met betrekking tot:

§ 2. Kwaliteitseisen kinderopvang

Artikel 2.2. Kinderopvangovereenkomst
1.

Opvang door een houder van een kindercentrum of een gastouder geschiedt op basis van een kinderopvangovereenkomst.

2.

Een houder van een kindercentrum of een gastouder sluit een kinderopvangovereenkomst met een ouder die daarom verzoekt, tenzij sprake is van een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen omstandigheid.

3.

Indien geen kinderopvangovereenkomst tot stand komt of de kinderopvangovereenkomst wordt opgezegd omdat de houder van het kindercentrum of de gastouder weigert het kind op te vangen, kan de ouder zich voor bemiddeling wenden tot de onafhankelijke organisatie, bedoeld in artikel 2.9, tweede lid.

4.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de inhoud van de kinderopvangovereenkomst.

Artikel 2.3. Verantwoorde kinderopvang
1.

Een houder van een kindercentrum of gastouder biedt verantwoorde kinderopvang, waaronder wordt verstaan:

2.

De houder van een kindercentrum of gastouder draagt er zorg voor dat de uitvoering van het pedagogisch beleid en het veiligheids- en gezondheidsbeleid, bedoeld in het eerste lid, schriftelijk is vastgelegd en wordt geëvalueerd en waar nodig bijgesteld.

3.

Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de in het eerste lid genoemde aspecten van verantwoorde kinderopvang.

4.

Het bestuurscollege draagt zorg voor begeleiding en ondersteuning aan de houder van een kindercentrum of gastouder bij het aanbieden van verantwoorde kinderopvang, waaronder pedagogische ondersteuning en advies.

5.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de onderwerpen en taken waarover het bestuurscollege voor begeleiding en ondersteuning aan de houder van een kindercentrum of gastouder of pedagogische ondersteuning en advies zorgdraagt, waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen de openbare lichamen.

Artikel 2.4. Kwaliteit kinderopvang kindercentrum
1.

Een houder van een kindercentrum:

dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde kinderopvang.

2.

Ter uitvoering van het eerste lid besteedt een houder van het kindercentrum in ieder geval aantoonbaar aandacht aan:

3.

Een houder van een kindercentrum past een programma voor voorschoolse educatie toe bij kinderen die gebruikmaken van dagopvang.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de voorwaarden voor verantwoorde kinderopvang bij een kindercentrum waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen dagopvang, buitenschoolse opvang, die betrekking kunnen hebben op:

5.

Bij of krachtens eilandsverordening worden nadere regels gesteld omtrent de voorwaarden voor kinderopvang, die betrekking kunnen hebben op:

Artikel 2.5. Beperkingen gastouderopvang

Gastouderopvang wordt niet geboden door degene:

Artikel 2.6. Kwaliteit kinderopvang gastouder
1.

Een gastouder:

dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde kinderopvang.

2.

Ter uitvoering van het eerste lid besteedt een gastouder in ieder geval aantoonbaar aandacht aan:

3.

Een gastouder maakt gebruik van de begeleiding en ondersteuning voor het aanbieden van verantwoorde kinderopvang zoals wordt aangeboden door het bestuurscollege.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de voorwaarden voor verantwoorde kinderopvang bij een gastouder, die betrekking kunnen hebben op:

5.

Bij of krachtens eilandsverordening kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de voorwaarden voor gastouderopvang, met betrekking tot:

Artikel 2.7. Voertaal
1.

Bij kinderopvang in een kindercentrum of gastouderopvang wordt als voertaal gebruikt:

2.

In afwijking van het eerste lid kan mede een andere taal als voertaal worden gebruikt, indien de herkomst van de kinderen in specifieke omstandigheden daartoe noodzaakt.

Artikel 2.8. Verklaring omtrent gedrag
1.

In het bezit van een verklaring omtrent het gedrag zijn:

2.

De verklaring omtrent het gedrag is op het tijdstip van overlegging aan de houder van het kindercentrum of de gastouder niet ouder dan drie maanden en wordt tweejaarlijks geactualiseerd.

3.

Het tijdstip van overlegging van een verklaring omtrent het gedrag ligt voor de aanvang van de werkzaamheden of het structureel aanwezig zijn op een locatie van een kindercentrum dan wel een locatie waar gastouderopvang plaatsvindt.

4.

Indien een toezichthouder redelijkerwijs mag vermoeden dat een persoon van twaalf jaar of ouder die ten tijde van de opvang aanwezig is in het kindercentrum of aanwezig is op het adres waar opvang door de gastouder plaatsvindt niet zou voldoen aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, verlangt de toezichthouder dat de houder van het kindercentrum of gastouder een verklaring omtrent het gedrag overlegt met betrekking tot die persoon binnen een door de toezichthouder vast te stellen termijn. Binnen die termijn is die persoon in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag en legt de houder of gastouder die verklaring omtrent het gedrag over aan de toezichthouder. Een verklaring omtrent het gedrag is op het moment van overlegging niet ouder dan drie maanden.

5.

Een houder van een kindercentrum of gastouder bewaart de verklaringen omtrent gedrag gedurende drie jaar.

Artikel 2.9. Klachtenprocedure
1.

De houder van een kindercentrum stelt een klachtenprocedure voor ouders in.

2.

Het bestuurscollege zorgt ervoor dat ouders bij een onafhankelijke organisatie terecht kunnen voor advies over en begeleiding en bemiddeling bij een klachtenprocedure.

3.

Bij of krachtens eilandsverordening worden regels gesteld met betrekking tot:

Artikel 2.10. Oudercommissie
1.

Een houder van een kindercentrum stelt een oudercommissie in die tot taak heeft hem te adviseren.

2.

De verplichting tot het instellen van een oudercommissie, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien:

3.

Bij of krachtens eilandsverordening worden nadere regels gesteld met betrekking tot het instellen van een oudercommissie van een kindercentrum.

Artikel 2.10a
1.

Onze Minister wijst een of meer natuurlijke personen of rechtspersonen aan als deskundige ten behoeve van de volgende personen die geconfronteerd worden of op enigerlei wijze bekend worden met een vermoeden van een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht BES of mishandeling als bedoeld in Titel XX van het Wetboek van Strafrecht BES, gepleegd door een houder van een kindercentrum, een gastouder, een persoon die bij een kindercentrum of gastouder werkzaam is of een persoon die structureel aanwezig is op een locatie waar gastouderopvang plaatsvindt:

2.

De deskundige heeft ten behoeve van de in het eerste lid, onderdelen a tot en met d, genoemde personen de volgende taken:

3.

De deskundige is, voor zover het misdrijven als bedoeld in het eerste lid betreft, vrijgesteld van de verplichting tot het doen van aangifte als bedoeld in de artikelen 198, eerste lid, en 200, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering BES.

4.

De deskundige is verplicht tot geheimhouding van hetgeen de deskundige in de uitoefening van diens functie is toevertrouwd door een persoon als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met d.

5.

Gelet op artikel 23, eerste lid, onderdeel e, van de Wet bescherming persoonsgegevens BES is het verbod om bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16 van die wet te verwerken niet van toepassing op de verwerking door de deskundige met betrekking tot de personen, bedoeld in het eerste lid, voor zover de verwerking noodzakelijk is voor de uitvoering van de taken, bedoeld in het tweede lid, of de bevoegdheid, bedoeld in het zevende lid.

6.

De deskundige verstrekt geen persoonsgegevens aan derden.

7.

In afwijking van het zesde lid is de deskundige bevoegd een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 1 van het Wetboek van Strafvordering BES in kennis te stellen van een geval of vermoeden van een geval van een misdrijf als bedoeld in het eerste lid:

8.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de deskundige, waaronder de onafhankelijkheid en deskundigheid van de deskundige en voorschriften die aan de aanwijzing als deskundige worden verbonden.

Artikel 2.11. Werkwijze houder bij strafbare feiten in kindercentrum
1.

Indien de houder van een kindercentrum op enigerlei wijze bekend is geworden dat een bij zijn rechtspersoon werkzaam persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht BES of mishandeling als bedoeld in Titel XX van het Wetboek van Strafrecht BES jegens een kind van een ouder die gebruik maakt van de door hem geboden kinderopvang, treedt de houder onverwijld in overleg met een deskundige als bedoeld in artikel 2.10a, eerste lid.

2.

Indien uit het overleg, bedoeld in het eerste lid, wordt geconcludeerd dat sprake is van een redelijk vermoeden dat de desbetreffende persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, doet de houder van een kindercentrum onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 1 van het Wetboek van Strafvordering BES, en stelt de houder een deskundige als bedoeld in artikel 2.10a, eerste lid, hiervan onverwijld in kennis.

3.

Indien een bij de rechtspersoon van de houder van een kindercentrum werkzaam persoon op enigerlei wijze bekend is geworden dat een ander ten behoeve van de rechtspersoon van die houder werkzaam persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een kind van een ouder die gebruik maakt van de door de houder van een kindercentrum geboden kinderopvang, stelt hij de houder van dat kindercentrum daarvan onverwijld in kennis.

4.

Indien toepassing van het derde lid ertoe zou leiden dat degene die van het vermoeden op de hoogte moet worden gesteld dezelfde persoon is als degene die zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, is artikel 2.12, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

5.

De houder van een kindercentrum bevordert de kennis en het gebruik van de handelwijze, bedoeld in dit artikel.

Artikel 2.12. Werkwijze bij strafbare feiten door houder kindercentrum
1.

Indien een bij de rechtspersoon van de houder van een kindercentrum werkzame persoon op enigerlei wijze bekend is geworden dat de natuurlijke persoon die tevens houder is van een kindercentrum zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht BES of mishandeling als bedoeld in Titel XX van het Wetboek van Strafrecht BES jegens een kind van een ouder die gebruik maakt van de door die houder geboden kinderopvang kan degene in overleg treden met een deskundige als bedoeld in artikel 2.10a, eerste lid.

2.

Indien sprake is van een redelijk vermoeden dat de houder zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, doet de persoon die werkzaam is bij rechtspersoon van de houder van een kindercentrum onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 1 van het Wetboek van Strafvordering BES.

3.

De houder van een kindercentrum bevordert de kennis en het gebruik van de handelwijze, bedoeld in dit artikel.

Artikel 2.13. Werkwijze bij strafbare feiten gastouderopvang

Indien een gastouder op enigerlei wijze bekend is geworden dat een persoon van 18 jaar of ouder die structureel aanwezig is op een locatie waar gastouderopvang plaatsvindt zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht BES of mishandeling als bedoeld in Titel XX van het Wetboek van Strafrecht BES, treedt de gastouder onverwijld in overleg met een deskundige als bedoeld in artikel 2.10a, eerste lid.

Artikel 2.14. Informatieverstrekking aan ouders en personeel
1.

Een houder van een kindercentrum of een gastouder informeert de ouders wier kinderen in het kindercentrum worden opgevangen en eenieder die daarom verzoekt over het te voeren beleid als bedoeld in deze paragraaf.

2.

Een houder van een kindercentrum of een gastouder informeert over een inspectierapport als bedoeld in artikel 5.4:

3.

Het informeren, bedoeld in het tweede lid, vindt plaats doordat:

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de informatie die de houder van een kindercentrum of gastouder beschikbaar stelt aan een ouder.

Artikel 2.15. Doorstroom naar basisonderwijs
1.

Met als doel de bevordering van een goede doorstroom van kinderen naar het basisonderwijs, verwerken een houder van een kindercentrum en een gastouder persoonsgegevens over het ontwikkelproces van het kind.

2.

De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden bewaard gedurende twee jaar nadat het kind het kindercentrum of de gastouderopvang heeft verlaten.

3.

Indien de ouders daarmee instemmen, vindt bij de overgang van een kind van het kindercentrum of de gastouder naar het basisonderwijs een gesprek plaats tussen de beroepskracht van de kinderopvang dan wel de gastouder en de leerkracht van de basisschool, waarbij zo mogelijk de ouders van het kind aanwezig zijn.

4.

Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de gegevensverwerking, bedoeld in het eerste en derde lid, die betrekking kunnen hebben op:

Artikel 2.16. Tweemaal jaarlijks overleg
1.

Het bestuurscollege draagt er zorg voor dat ten minste tweemaal jaarlijks overleg plaatsvindt en draagt zorg voor het maken van afspraken:

2.

Alle partijen werken mee aan de totstandkoming van de afspraken.

§ 3. Opvang voor kinderen met extra ondersteuningsbehoefte

Artikel 2.17. Voorwaarden voor aanbieden plusopvang

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent voorwaarden voor het aanbieden van plusopvang door een houder van een kindercentrum of een gastouder, waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen dagopvang, buitenschoolse opvang en flexibele opvang en tussen de openbare lichamen, die betrekking kunnen hebben op:

Artikel 2.18. Expertisecentrum onderwijszorg
1.

Het expertisecentrum onderwijszorg draagt zorg voor deskundige ondersteuning bij de opvang van kinderen met mogelijk een extra ondersteuningsbehoefte, waaronder in elk geval de volgende taken worden verstaan:

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de taken, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2.19. Verwerking van persoonsgegevens betreffende iemands gezondheid
1.

Gelet op artikel 21, eerste lid, onderdeel a, van de Wet bescherming persoonsgegevens BES is het verbod om persoonsgegevens betreffende iemands gezondheid te verwerken niet van toepassing op de verwerking door:

2.

De natuurlijke personen of rechtspersonen, bedoeld in het eerste lid, kunnen persoonsgegevens betreffende iemands gezondheid aan elkaar verstrekken, voor zover die verstrekking noodzakelijk is voor een in dat lid omschreven doel.

3.

Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op de verstrekking van persoonsgegevens betreffende iemands gezondheid door de houder van een kindercentrum, de gastouder of het expertisecentrum onderwijszorg aan:

4.

De verwerking, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, geschiedt niet eerder dan nadat de ouders hiermee hebben ingestemd.

5.

Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over gegevensverwerking als bedoeld in dit artikel, die betrekking kunnen hebben op:

Hoofdstuk 3. Financiering

§ 1. Algemeen

Artikel 3.1. Aanspraak

De ouder en diens partner die tevens ouder is, hebben voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen een gezamenlijke aanspraak.

§ 2. Kinderopvangvergoeding

Artikel 3.2. Verstrekken kinderopvangvergoeding
1.

Onze Minister verstrekt op aanvraag een kinderopvangvergoeding aan een houder van een kindercentrum of een gastouder voor de kosten van dagopvang, buitenschoolse opvang van een kind in dat kindercentrum of die voorziening voor gastouderopvang, indien:

2.

Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid kan betrekking hebben op de volgende periode:

3.

Onze Minister kan een kinderopvangvergoeding verstrekken voor de opvang van een kind waarbij niet is voldaan aan het eerste lid, onderdeel e, of het tweede lid, indien het bestuurscollege dat in het belang van het kind adviseert.

4.

Het eerste lid is niet van toepassing, indien de ouder of de partner van de ouder van het kind gastouder is en de kinderopvangvergoeding wordt aangevraagd voor de kosten van gastouderopvang door die ouder of partner.

5.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de onderwerpen, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.3. Start- en einddatum kinderopvangvergoeding
1.

De kinderopvangvergoeding wordt verstrekt met ingang van de dag waarop de kinderopvang start.

2.

In afwijking van het eerste lid, wordt de kinderopvangvergoeding niet eerder verstrekt dan met ingang van het volgende kwartaal, indien de kinderopvangovereenkomst is gesloten na een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen datum.

3.

Onze Minister kan de kinderopvangvergoeding beëindigen met ingang van de eerste dag van de maand nadat:

Artikel 3.4. Maximering kinderopvangvergoeding
1.

De kinderopvangvergoeding wordt verstrekt per dagdeel dat een kind op grond van de kinderopvangovereenkomst aanwezig is, tot een maximum van:

2.

Dit lid is nog niet in werking getreden.

3.

Dit lid is nog niet in werking getreden.

Artikel 3.5. Nadere regels kinderopvangvergoeding

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de kinderopvangvergoeding, die betrekking kunnen hebben op:

Artikel 3.6. Aanvraag kinderopvangvergoeding
1.

Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke gegevens door de houder van een kindercentrum of gastouder bij een aanvraag als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, worden verstrekt.

2.

Onze Minister geeft de houder van het kindercentrum of de gastouder binnen acht weken na de dag van ontvangst van de aanvraag een beschikking omtrent de kinderopvangvergoeding. Onze Minister stelt de ouder in kennis van de beschikking, indien deze geheel of gedeeltelijk afwijzend luidt.

3.

Indien Onze Minister voor de beoordeling van een aanvraag nadere informatie nodig acht, kan de termijn, bedoeld in het tweede lid, met acht weken worden verlengd. Onze Minister stelt de aanvrager van de verlenging in kennis.

Artikel 3.7. Voorschot
1.

Onze Minister kan op verzoek van een houder van een kindercentrum of gastouder een voorschot op de kinderopvangvergoeding verstrekken.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de verstrekking van een voorschot.

3.

Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke gegevens door de houder van een kindercentrum of gastouder bij een verzoek als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt.

Artikel 3.8. Wijzigen of intrekken kinderopvangvergoeding
1.

Onze Minister kan een beschikking omtrent een kinderopvangvergoeding wijzigen of intrekken:

2.

Een beschikking wordt slechts ingetrokken, indien op grond van de gewijzigde gegevens niet langer recht op een kinderopvangvergoeding bestaat.

3.

Een beschikking omtrent een kinderopvangvergoeding wordt niet meer gewijzigd of ingetrokken, indien vijf jaren zijn verstreken na de datum waarop de kinderopvangvergoeding is betaald.

4.

Indien een kinderopvangvergoeding als gevolg van een wijziging of intrekking geheel of gedeeltelijk onverschuldigd is betaald, kan de kinderopvangvergoeding worden teruggevorderd voor zover die onverschuldigd is betaald.

Artikel 3.9. Opschorten
1.

Onze Minister kan de uitbetaling van de kinderopvangvergoeding geheel of gedeeltelijk opschorten voor een periode van acht weken, indien redelijkerwijs wordt vermoed dat de kinderopvangvergoeding ten onrechte of tot een te hoog bedrag wordt verstrekt.

2.

De belanghebbenden worden van de opschorting in kennis gesteld.

Artikel 3.10. Verrekenen
1.

Onze Minister kan een door een houder van het kindercentrum of een gastouder verschuldigd bedrag verrekenen met de kinderopvangvergoeding of het voorschot daarop voor een volgende periode die op grond van deze wet aan die houder of gastouder wordt verstrekt.

2.

De verrekening vindt niet eerder plaats dan zes weken na de dagtekening van de beschikking tot terugvordering, tenzij het verschuldigde bedrag:

3.

Onze Minister kan een door een houder van een kindercentrum of een gastouder te ontvangen bedrag verrekenen met een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 5.7.

§ 3. Ouderbijdrage

Artikel 3.11. Berekeningswijze en hoogte ouderbijdrage
1.

Voor de kosten van kinderopvang waarvoor een kinderopvangvergoeding wordt verstrekt betaalt de ouder een ouderbijdrage.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de berekeningswijze en de hoogte van de ouderbijdrage per dagdeel, waarbij rekening wordt gehouden met de soort kinderopvang.

Artikel 3.12. In rekening brengen en betaling ouderbijdrage
1.

De houder van het kindercentrum of de gastouder brengt de maandelijkse ouderbijdrage in rekening aan de ouder, waarbij rekening wordt gehouden met:

2.

De ouder betaalt de ouderbijdrage aan de houder van het kindercentrum of de gastouder.

3.

De houder van het kindercentrum of de gastouder spant zich jegens de ouder in de in rekening gebrachte ouderbijdrage daadwerkelijk te innen.

Artikel 3.13. Betaling ouderbijdrage door het bestuurscollege
1.

In afwijking van artikel 3.12, tweede lid, kan het bestuurscollege de ouderbijdrage voldoen aan de houder van het kindercentrum of de gastouder, indien de ouder de ouderbijdrage niet kan betalen.

2.

Bij eilandsbesluit worden nadere regels gesteld met betrekking tot de voorwaarden waaronder het bestuurscollege de ouderbijdrage betaalt.

§ 4. Overige bepalingen

Artikel 3.14. Financiële dekking

De financiële middelen tot dekking van de uitgaven van de ingevolge deze wet uit te keren kinderopvangvergoeding zijn de middelen die Onze Minister daarvoor op de begroting heeft opgenomen en de middelen die de openbare lichamen daarvoor ter beschikking stellen.

Artikel 3.15. Kosten opvang zonder kinderopvangvergoeding

Indien een houder van een kindercentrum of voorziening voor gastouderopvang een kind opvangt waarvoor geen kinderopvangvergoeding wordt verstrekt en wel voor andere kinderen kinderopvangvergoeding ontvangt, brengt die houder bij degene die de kinderopvangovereenkomst is aangegaan kosten in rekening die ten minste gelijk zijn aan de kinderopvangvergoeding die Onze Minister per maand voor de opvang van dat kind zou hebben verstrekt.

Artikel 3.16. Aanvullende tegemoetkoming voor plusopvang
1.

Onze Minister kan op aanvraag een aanvullende tegemoetkoming verstrekken aan een houder van een kindercentrum of een gastouder voor de extra kosten van plusopvang, indien die kosten:

2.

Onze Minister verzoekt het bestuurscollege te adviseren over de aanvraag, bedoeld in het eerste lid.

3.

Onze Minister kan een beschikking omtrent de aanvullende tegemoetkoming voor plusopvang tot vijf jaren na betaling wijzigen of intrekken:

4.

Indien de aanvullende tegemoetkoming voor plusopvang als gevolg van een wijziging of intrekking geheel of gedeeltelijk onverschuldigd is betaald, kan de tegemoetkoming worden teruggevorderd voor zover die onverschuldigd is betaald.

5.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de aanvullende tegemoetkoming voor plusopvang, die betrekking kunnen hebben op:

6.

Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke gegevens bij een aanvraag als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt.

Artikel 3.17. Kosten expertisecentrum onderwijszorg
1.

Onze Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs verleent het expertisecentrum onderwijszorg subsidie voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 2.18, eerste lid.

2.

Bij regeling van Onze Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs kunnen regels worden gesteld over het verlenen van de subsidie.

3.

Artikel 69, derde lid, van de Wet primair onderwijs BES is van overeenkomstige toepassing op de subsidie.

Hoofdstuk 4. Inlichtingen, administratie en gegevensverkeer

Artikel 4.1. Administratie

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de administratie van gegevens door een houder van een kindercentrum of voorziening voor gastouderopvang en de bewaartermijn van die gegevens.

Artikel 4.2. Gegevensverstrekking houder kindercentrum of gastouder
1.

Een houder van een kindercentrum of gastouder verstrekt uit eigen beweging of op verzoek van Onze Minister onverwijld alle gegevens en inlichtingen die noodzakelijk zijn voor de vaststelling of de betaling van de kinderopvangvergoeding, of die tot wijzigingen leiden in de hoogte daarvan, waaronder in ieder geval:

2.

De gevraagde gegevens en inlichtingen worden op een door Onze Minister aangegeven wijze en binnen een door Onze Minister gestelde termijn verstrekt.

3.

Indien de gegevens of inlichtingen niet op tijd zijn verstrekt, maant Onze Minister de houder van het kindercentrum of de gastouder aan onder het stellen van een nadere termijn om alsnog de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken.

Artikel 4.3. Gegevensverstrekking ouder
1.

De ouder en de partner van de ouder verstrekken uit eigen beweging of op verzoek van Onze Minister onverwijld alle gegevens en inlichtingen, waaronder persoonsgegevens van de ouder, de partner en het kind, die:

2.

De gevraagde gegevens en inlichtingen worden op een door Onze Minister aangegeven wijze en binnen een door Onze Minister te stellen termijn verstrekt.

3.

Indien de gegevens of inlichtingen niet op tijd zijn verstrekt, maant Onze Minister de ouder en de partner van de ouder aan onder het stellen van een nadere termijn om alsnog de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken.

Artikel 4.4. Gegevensverstrekking voor kinderopvangvergoeding en ouderbijdrage
1.

Onze Minister verwerkt de gegevens, bedoeld in dit artikel, met het oog op het besluiten over het verstrekken van een kinderopvangvergoeding, de betaling van een kinderopvangvergoeding.

2.

De hieronder vermelde instanties of personen verstrekken Onze Minister de gegevens en inlichtingen waarvan de kennisneming noodzakelijk is voor de uitvoering van deze wet:

Artikel 4.5. Gegevensverstrekking voor toezicht
1.

Onze Minister, het bestuurscollege en andere, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen instanties, zijn bevoegd uit eigen beweging en verplicht desgevraagd aan Onze Minister en op grond van de artikelen 5.1, eerste lid, of 184 van het Wetboek van strafvordering BES aangewezen ambtenaren kosteloos alle gegevens en inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor:

2.

Onze Minister en op grond van de artikelen 5.1, eerste lid, of 184 van het Wetboek van strafvordering BES aangewezen ambtenaren verstrekken andere instanties kosteloos alle gegevens en inlichtingen, die zijn verkregen door de uitvoering of het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet of de uitoefening van de taken, bedoeld in artikel 2.18, welke noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun wettelijke taak en indien dit noodzakelijk is ten behoeve van een samenwerkingsverband tussen twee of meer van de voornoemde instanties.

3.

Onze Minister, het bestuurscollege, op grond van artikel 4.4, tweede lid, onderdeel c, aangewezen instanties en op grond van de artikelen 5.1, eerste lid, of 184 van het Wetboek van strafvordering BES aangewezen ambtenaren kunnen bij het verwerken van persoonsgegevens gebruik maken van een administratienummer of ID-nummer.

Artikel 4.6. Gegevensverstrekking aan bestuurscollege
1.

Onze Minister is bevoegd gegevens en inlichtingen te verstrekken aan het bestuurscollege, voor zover die gegevens en inlichtingen noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de hoofdstukken 2, 3 of 5.

2.

Ambtenaren aangewezen op grond van de artikelen 5.1, eerste lid, of 184 van het Wetboek van strafvordering BES zijn bevoegd de gegevens en inlichtingen die zij verkrijgen van Onze Minister te verstrekken aan het bestuurscollege, indien dat noodzakelijk is voor de uitvoering van hoofdstuk 2.

Artikel 4.7. Nadere regels

Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over gegevensverstrekking als bedoeld in dit hoofdstuk, die betrekking kunnen hebben op:

Artikel 4.8. Informeren bestuurscollege bij ernstige overtreding

Onze Minister informeert het bestuurscollege, indien Onze Minister een houder van een kindercentrum of een gastouder een bestuurlijke maatregel oplegt die van dien aard is dat de continuïteit van de kinderopvang in het geding kan zijn.

Hoofdstuk 5. Toezicht en handhaving

§ 1. Toezichthouders

Artikel 5.1. Aanwijzing toezichthouders
1.

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren.

2.

Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 5.2. Bevoegdheden toezichthouders
1.

Titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing, met uitzondering van de artikelen 5:18 en 5:19, met dien verstande dat voor de in artikel 5:16a van de Algemene wet bestuursrecht opgenomen verwijzing naar artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht gelezen moet worden: artikel 2 van de Wet identificatieplicht BES.

2.

Voor zover een kindercentrum of een gastouderopvang in een woning is gevestigd, is een op grond van artikel 5.1, eerste lid, aangewezen ambtenaar bevoegd zonder toestemming van de bewoner in die woning binnen te treden.

Artikel 5.3. Overzicht exploitatievergunningen
1.

Het bestuurscollege verstrekt op verzoek van een op grond van artikel 5.1, eerste lid, aangewezen ambtenaar een overzicht van alle houders van kindercentra en gastouders waaraan een exploitatievergunning is verleend.

2.

Een op grond van artikel 5.1, eerste lid, aangewezen ambtenaar onderzoekt in redelijkheid de overeenstemming met de bij of krachtens deze wet gestelde regels bij iedere houder van een kindercentrum en gastouder die een exploitatievergunning hebben:

3.

Naast het onderzoek kan als daar aanleiding toe is incidenteel onderzoek worden verricht naar de naleving door een houder van een kindercentrum of een gastouder van de bij of krachtens deze wet gestelde regels.

4.

Indien tijdens een onderzoek tekortkomingen zijn geconstateerd kunnen nadien een of meer nadere onderzoeken worden verricht.

Artikel 5.4. Inspectierapport
1.

Een op grond van artikel 5.1, eerste lid, aangewezen ambtenaar legt het oordeel en bevindingen naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, vast in een inspectierapport.

2.

Alvorens een rapport vast te stellen naar aanleiding van een onderzoek betreffende de naleving van hoofdstuk 2, wordt de houder of gastouder in de gelegenheid gesteld van het ontwerprapport kennis te nemen en daarover overleg te voeren.

3.

Indien in het overleg geen overeenstemming is bereikt over de door de houder of gastouder gewenste wijzigingen van het ontwerprapport, wordt de zienswijze van de houder of gastouder in een bijlage bij het inspectierapport opgenomen.

4.

De op grond van artikel 5.1, eerste lid, aangewezen ambtenaar zendt het inspectierapport na vaststelling daarvan onverwijld aan de houder of gastouder.

5.

Een inspectierapport naar aanleiding van een onderzoek betreffende de naleving van hoofdstuk 2 wordt:

§ 2. Verhouding bestuursrecht en strafrecht

Artikel 5.5. Samenloop met strafrecht
1.

Indien de ernst van de overtreding of de omstandigheden waaronder zij is begaan daartoe aanleiding geven, wordt zij aan het openbaar ministerie voorgelegd.

2.

Indien ter zake van een overtreding aan de overtreder een bestuurlijke boete is opgelegd of Onze Minister heeft beslist dat voor de overtreding geen bestuurlijke boete zal worden opgelegd en dat schriftelijk aan de overtreder is medegedeeld, heeft dit dezelfde rechtsgevolgen als een kennisgeving van niet verdere vervolging als bedoeld in artikel 279, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering BES.

§ 3. Bestuurlijke maatregelen

Artikel 5.6. Last onder dwangsom

Onze Minister kan in geval van overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze wet de overtreder een last onder dwangsom opleggen, die ertoe strekt de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding te voorkomen.

Artikel 5.7. Bestuurlijke boete
1.

Onze Minister kan een overtreder van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.16, tweede lid, een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste het bedrag van de tweede categorie, bedoeld in artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES.

2.

Onze Minister kan een overtreder van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.1, eerste lid, 2.3 tot en met 2.15, 2.17, 3.15 of artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, in samenhang met artikel 5.2, eerste lid, een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste het bedrag van de vierde categorie, bedoeld in artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES.

3.

In afwijking van het tweede lid kan Onze Minister in geval van opzettelijke overtreding van het bepaalde bij of krachtens de in het tweede lid genoemde artikelen de overtreder een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES.

4.

Onze Minister kan een overtreder van het bepaalde bij of krachtens artikel 4.2 of het bepaalde krachtens artikel 4.7 over gegevensverstrekking door de houder van een kindercentrum of de gastouder een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste:

5.

Onze Minister kan een overtreder van het bepaalde bij of krachtens artikel 4.3 of het bepaalde krachtens artikel 4.7 over gegevensverstrekking door de ouder of de partner van de ouder een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste:

Artikel 5.8. Overeenkomstige toepassing Algemene wet bestuursrecht
1.

Titel 5.1 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing op de oplegging van een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete als bedoeld artikel 5.6 respectievelijk artikel 5.7, met dien verstande dat voor de in artikel 5:1, derde lid, tweede volzin, van de Algemene wet bestuursrecht opgenomen verwijzing naar artikel 51, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht gelezen moet worden: artikel 53, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES.

2.

Afdeling 5.3.2 en artikel 5:49, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing op een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 5.6.

3.

De artikelen 5:40 tot en met 5:52 en 5:53, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing op een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 5.7, met dien verstande dat:

Artikel 5.9. Aanmaning en invordering

De artikelen 4:89 tot en met 4:102, 4:104 tot en met 4:108, 4:110 tot en met 4:117, 4:119, 4:120, eerste en derde lid, en 4:121 tot en met 4:125 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing op de aanmaning en invordering van een last onder dwangsom of bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 5.6 respectievelijk artikel 5.7, met dien verstande dat moet worden gelezen voor:

Artikel 5.10. Tijdelijke sluiting
1.

Onze Minister kan een kindercentrum of gastouderopvang onmiddellijk geheel of gedeeltelijk sluiten gedurende een door Onze Minister te bepalen periode, indien en zolang uit een onderzoek als bedoeld in artikel 5.3 blijkt dat de houder van het kindercentrum of de gastouder niet aan de bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften voldoet en daardoor sprake is van een direct en ernstig gevaar voor de fysieke of sociale veiligheid of de gezondheid van personen.

2.

Bij toepassing van het eerste lid informeert Onze Minister het bestuurscollege.

Artikel 5.11. Schorsen of intrekken vergunning
1.

Het bestuurscollege kan de vergunning schorsen of intrekken, indien sprake is van herhaaldelijke overtreding van bij of krachtens deze wet gestelde regels, waardoor de kwaliteit van de kinderopvang of de veiligheid of de gezondheid van de kinderen of het personeel zodanig in het geding is dat geen sprake is van verantwoorde kinderopvang als bedoeld in de artikelen 2.4, eerste lid, of 2.6, eerste lid.

2.

Dit lid is nog niet in werking getreden.

3.

Onze Minister kan het bestuurscollege adviseren over schorsing of intrekking als bedoeld in het eerste of tweede lid en stuurt de betrokken houder of gastouder een afschrift van dat advies.

4.

Indien het bestuurscollege het advies van Onze Minister niet opvolgt, informeert het bestuurscollege Onze Minister over dat besluit.

§ 4. Opsporing

Artikel 5.12. Strafbare feiten
1.

Degene die opzettelijk de artikelen 2.1, 2.3, 2.4, 2.5, 2.6, 2.8, 2.11, 2.12, 2.13, 2.17, 3.15, 4.2 of 4.3 overtreedt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren, een geldboete van de vierde categorie, bedoeld in artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES, of met beide straffen.

2.

Degene die de artikelen 2.1, 2.3, 2.4, 2.5, 2.6, 2.8, 2.11, 2.12, 2.13, 2.17, 3.15, 4.2 of 4.3 overtreedt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden, een geldboete van de vierde categorie, bedoeld in artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES, of met beide straffen.

3.

De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven. De in het tweede lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.

§ 5. Mandaat en machtiging

Artikel 5.13. Mandaat en machtiging
1.

Onze Minister kan mandaat verlenen van de bevoegdheid tot:

2.

Onze Minister kan machtiging verlenen tot het opstellen van een advies inzake het schorsen of intrekken van een vergunning als bedoeld in artikel 5.11, eerste of tweede lid.

Hoofdstuk 6. Overige en slotbepalingen

Artikel 6.1. Overleg
1.

Onze Minister voert in elk geval eenmaal per jaar overleg met de bestuurscolleges van de openbare lichamen en de op grond van artikel 5.1, eerste lid, aangewezen ambtenaren over het functioneren van het kinderopvangstelsel.

2.

Alle partijen werken mee aan de totstandkoming en naleving van de afspraken.

Artikel 6.2. Vrijstelling en ontheffing

Onze Minister kan, voor zover het belang van de veiligheid of de gezondheid van de kinderen of personeel zich daartegen niet verzet, van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.4, vierde lid, onderdelen b, c, d, e, h, i en k, 2.6, vijfde lid, onderdeel a, 2.17, onderdelen a, b, c, d, e en g, 3.3, 3.4 en 3.11 vrijstelling of ontheffing verlenen, indien als gevolg van een calamiteit niet aan die voorschriften kan worden voldaan.

Artikel 6.3. Experimenten
1.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voor een periode van ten hoogste vier jaar kindercentra of gastouders worden aangewezen waarbij experimenten kunnen worden uitgevoerd, die ten doel hebben:

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent:

3.

Bij de in het eerste en tweede lid bedoelde regels kan worden afgeweken van artikel 1.1, eerste lid, wat betreft de begrippen «kinderopvang», «dagopvang», «buitenschoolse opvang» en «gastouderopvang», alsmede van de bij of krachtens hoofdstuk 2 gestelde regels.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorwaarden worden gesteld voor de deelname aan een experiment.

5.

Bij algemene maatregel van bestuur kan een experiment als bedoeld in het eerste lid na afloop van de looptijd worden voortgezet tot een structurele regeling is getroffen, maar niet langer dan twee jaren. Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

6.

Onze Minister zendt negen maanden voor het einde van de werkingsduur van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment in de praktijk, alsmede een standpunt inzake de voortzetting van die maatregel anders dan als experiment.

7.

De houder van een kindercentrum of de gastouder die deelneemt aan een experiment en de ouder die bij een experiment betrokken is, verstrekken desgevraagd aan Onze Minister alle voor de evaluatie van dat experiment benodigde gegevens en inlichtingen.

8.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven over welke gegevens, bedoeld in het zevende lid, worden verstrekt en over de wijze van verstrekking van deze gegevens.

Artikel 6.4

Wijzigt de Wet primair onderwijs BES.

6.4a. Evaluatie

Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

Artikel 6.5. Overgangsrecht
1.

Exploitatievergunningen die zijn verleend, verlengd of gewijzigd op grond van de Eilandsverordening Kinderopvang Bonaire 2020, de Basis Eilandsverordening Kinderopvang St. Eustatius (AB 2019, nr. 19) of de Basis Eilandsverordening Kinderopvang (AB 2020, nr. 2) berusten na de inwerkingtreding van deze wet op artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a.

2.

De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aanhangige aanvragen voor verlening, verlenging of wijziging van een exploitatievergunning als bedoeld in het eerste lid, zijn aanhangig in de staat waarin zij zich op dat moment bevinden en worden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens deze wet behandeld.

3.

De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aanhangige bezwaarschriften die betrekking hebben op het nemen van een besluit als bedoeld in het eerste lid, zijn aanhangig in de staat waarin zij zich op dat moment bevinden en worden overeenkomstig de bepalingen van de verordeningen, bedoeld in het eerste lid, behandeld en beslist.

4.

De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aanhangige zaken bij het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba of het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba die betrekking hebben op het nemen van een besluit als bedoeld in het eerste lid, zijn aanhangig in de staat waarin zij zich op dat moment bevinden en worden overeenkomstig de bepalingen van de verordeningen, bedoeld in het eerste lid, behandeld en beslist.

Artikel 6.6

Deze wet wordt aangehaald als: Wet kinderopvang BES.

Artikel 6.7

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.