Regeling van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 28 augustus 2024, nr. WJZ/ 26374198, tot vaststelling van een regeling voor de verstrekking van subsidie voor het verplaatsen van veehouderijen met piekbelasting op natuurgebieden (Landelijke verplaatsingsregeling veehouderijen met piekbelasting)
Hoofdstuk 1. Algemeen
Hoofdstuk 2. Haalbaarheidsonderzoek bedrijfsverplaatsing
Hoofdstuk 3. Bedrijfsverplaatsing
Artikel 3.1. Begripsomschrijvingen
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 3.2. Subsidiabele activiteiten
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 3.3. Vereisten hervestigingslocatie
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 3.4. Vereisten te verlaten veehouderijlocatie
Er is sprake van een verplaatsing van een veehouderijonderneming als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, onderdeel a, indien de veehouderijonderneming aanvangt als bedoeld in artikel 3.3, derde lid, op een hervestigingslocatie, waarbij de te verlaten veehouderijlocatie wordt gesloten.
Van een sluiting van de te verlaten veehouderijlocatie is sprake:
- a. indien niet langer landbouwhuisdieren worden gehouden op de te verlaten veehouderijlocatie;
- b. indien de dierlijke meststoffen zijn verwijderd van de te verlaten veehouderijlocatie;
- c. al naar gelang de toepasselijke verplichtingen op grond van de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving:
- 1°. indien de veehouderijonderneming bij het bevoegd gezag een omgevingsrechtelijke melding heeft gedaan dat op de te verlaten veehouderijlocatie niet langer landbouwhuisdieren worden gehouden door de veehouderijonderneming; of
- 2°. indien het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit voor de te verlaten veehouderijlocatie heeft ingetrokken of zodanig heeft aangepast dat het niet langer is toegestaan op de te verlaten veehouderijlocatie landbouwhuisdieren te houden;
- d. indien de veehouder beschikt over een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit voor de te verlaten veehouderijlocatie, deze vergunning is ingetrokken, tenzij onderdeel e van toepassing is;
- e. in het geval de veehouder op de locatie na de sluiting andere activiteiten verricht die stikstofdepositie veroorzaken op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied:
- 1°. gedeputeerde staten een besluit heeft genomen op grond van artikel 11.9 in samenhang met artikel 11.6 van het Besluit activiteiten leefomgeving, of
- 2°. door het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit is verleend waaraan een voorschrift is verbonden; op grond waarvan de toegestane stikstofemissie vanaf de locatie niet meer bedraagt dan de stikstofemissie ten gevolge van die activiteiten, met een maximum van 15% van de stikstofemissie van de activiteiten waarvoor voorheen toestemming was verleend en, ingeval van een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit, dat de daarmee gemoeide ruimte voor stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied niet in het kader van extern salderen geheel of gedeeltelijk ter beschikking wordt gesteld voor andere activiteiten met het oog op een daarvoor aangevraagde of aan te vragen omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit;
- f. indien het bevoegde bestuursorgaan van de gemeente binnen de grenzen waarvan de te verlaten veehouderijlocatie zich bevindt, een verzoek van de veehouder in behandeling heeft genomen om het omgevingsplan zodanig aan te passen dat op de locatie niet langer een veehouderijonderneming kan worden gevestigd;
- g. indien de veehouder zich met gebruikmaking van de in bijlage 3 bij de regeling opgenomen modelovereenkomst met de Staat der Nederlanden heeft verbonden om:
- 1°. niet langer op de te verlaten veehouderijlocatie landbouwhuisdieren te houden, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband;
- 2°. zeker te stellen dat na al dan niet tijdelijke overdracht of ingebruikgeving van de te verlaten veehouderijlocatie of een deel daarvan aan een verkrijger of gebruiker evenmin op die locatie landbouwhuisdieren worden gehouden; en
- h. indien de voor de veehouderijonderneming op de te verlaten veehouderijlocatie gebruikte bouwwerken zijn afgebroken en verwijderd.
De minister kan ontheffing verlenen van het vereiste, bedoeld in het tweede lid, onderdeel h, voor zover de veehouder de bouwwerken langdurig gaat gebruiken voor andere activiteiten dan voor de veehouderijonderneming, mits het bevoegd gezag op grond van de Omgevingswet binnen twaalf maanden na aanvang op de hervestigingslocatie met dat gebruik heeft ingestemd.
Artikel 3.5. Subsidieplafond
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 3.6. Subsidiecomponenten
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 3.7. Bijdrage demonteer-, verhuis-, en opbouwkosten
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 3.8. Bijdrage overnemen bestaande bouwwerken en vervangen bouwwerken op de hervestigingslocatie
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 3.9. Bijdrage sloopkosten ten behoeve van het terugbrengen van de te verlaten veehouderijlocatie naar een uit milieuoogpunt bevredigende toestand
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 3.10. Bijdrage investeringen die leiden tot modernisering van de bouwwerken of voorzieningen
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 3.11. Bijdrage kosten inhuur deskundigen die direct verbonden zijn met de uitvoering van de bedrijfsverplaatsing
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 3.12. Niet-subsidiabele kosten
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 3.13. Realisatietermijn
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 3.14. Openstellingsperiode
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 3.15. Informatieverplichtingen
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 3.16. Fasering sluiting van de te verlaten veehouderijlocatie
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 3.17. Algemene verplichtingen subsidieontvanger
Onverminderd artikel 1.10 dient de subsidieontvanger jaarlijks, totdat de aanvraag tot subsidievaststelling wordt ingediend, een tussenrapportage in bij de minister, die informatie bevat over de uitvoering van de in artikel 3.4, tweede lid, bedoelde vereisten.
De beschikking tot subsidieverlening vermeldt op welke tijdstippen verslag wordt gedaan.
De subsidieontvanger verstrekt de minister binnen twee weken na het aanvangen van de veehouderijonderneming op de hervestigingslocatie als bedoeld in artikel 3.3, de volgende bescheiden:
- a. indien de hervestigingslocatie is gelegen in Nederland, een bewijs waarmee wordt aangetoond dat het unieke registratienummer voor de hervestigingslocatie is geactiveerd;
- b. een bewijs waarmee wordt aangetoond dat het unieke registratienummer voor de te verlaten veehouderijlocatie is beëindigd;
- c. een afschrift van de getekende overeenkomst, bedoeld in artikel 3.4, tweede lid, onderdeel g;
- d. indien de hervestigingslocatie is gelegen in een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland, een verklaring dat de veehouderijonderneming is aangevangen op de hervestigingslocatie.
De subsidieontvanger verstrekt de minister binnen twee weken na verloop van de in artikel 3.16, eerste lid, onderdeel b, bedoelde termijn informatie over de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de in artikel 3.4, tweede lid, onderdelen a tot en met f, bedoelde vereisten.
De in het eerste, derde en vierde lid bedoelde informatieverstrekking vindt plaats met gebruikmaking van een daartoe door de minister ter beschikking gesteld middel.
Bij de in het vierde lid bedoelde informatieverstrekking worden de volgende bescheiden gevoegd:
- a. een kopie van de omgevingsrechtelijke melding, dan wel intrekking of wijziging van de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.4, tweede lid, onderdeel c;
- b. een kopie van het besluit, of indien het besluit nog niet is vastgesteld, het ingediende verzoek om een besluit, tot intrekking van de omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit of, indien op de locatie na de sluiting andere activiteiten worden verricht, de berekening van de stikstofdepositie als gevolg van die activiteiten;
- c. indien uit de in onderdeel b bedoelde berekening blijkt dat deze activiteiten stikstofdepositie op overbelast Natura 2000-gebied veroorzaken: een kopie van het besluit van gedeputeerde staten respectievelijk het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 3.4, tweede lid, onderdeel e;
- d. een kopie van het verzoek, bedoeld in artikel 3.4, tweede lid, onderdeel f, en van een bericht van de gemeente waaruit blijkt dat het verzoek in behandeling is genomen.
De subsidieontvanger houdt zich aan de verplichtingen die hij jegens de Staat der Nederlanden is aangegaan op grond van artikel 3.4, tweede lid, onderdeel g.
De subsidieontvanger stelt geen ruimte voor stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied die voor de te verlaten veehouderijlocatie bestaat of bestond ingevolge de bestaande vergunningen, in het kader van extern salderen geheel of gedeeltelijk ter beschikking voor andere activiteiten met het oog op een daarvoor aangevraagde of aan te vragen omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit;
De subsidieontvanger beschikt over de voor de hervestigingslocatie benodigde vergunningen en toestemmingen om zijn veehouderijonderneming op de hervestigingslocatie te kunnen aanvangen.
Artikel 3.18. Gegevensverwerking
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 3.19. Bevoorschotting
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 3.20. Aanvraag subsidievaststelling
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 3.21. Staatssteun
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Hoofdstuk 4. Slotbepalingen
Bijlage 1. behorende bij artikel 1.1 van de Landelijke verplaatsingsregeling veehouderijen met piekbelasting
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Bijlage 2. behorende bij de artikelen 2.5, eerste lid, onderdelen b en g, en 3.8 van de Landelijke verplaatsingsregeling veehouderijen met piekbelasting
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Bijlage 3. behorende bij artikel 3.4 van de Landelijke verplaatsingsregeling veehouderijen met piekbelasting
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Gelet op artikel 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies;
Besluit:
Artikel 1.1. Begripsomschrijvingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
- –. AERIUS Check: rekeninstrument voor de vaststelling van de omvang van de stikstofvracht, beschikbaar op www.aerius.nl of www.aeriusproducten.nl;
- –. bouwwerk: onroerende zaak van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren ten behoeve van het bedrijfsmatig houden van vee, niet zijnde het erf, de erfverharding, de cultuurgrond en de bedrijfswoning;
- –. groepsvrijstellingsverordening landbouw: Verordening (EU) 2022/2472 van de Commissie van 14 december 2022 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2022, L 327);
- –. grootvee-eenheid: coëfficiënt voor het omrekenen van dieren zoals opgenomen in de bijlage, punt 12, onder b, van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/2290 van de Commissie van 21 december 2021 tot vaststelling van regels voor de berekeningsmethoden voor de gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren die zijn opgenomen in bijlage I bij Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013 (PbEU 2021, L 458);
- –. hervestigingslocatie: locatie waar de veehouderijonderneming naar toe verplaatst;
- –. kosten derden: kosten, waarvoor een onderneming een factuur van een derde ontvangt en in haar administratie bewaart;
- –. landbouwhuisdier: zoogdier of vogel voor de productie van vlees, eieren, melk, wol of veren of een paard of pony voor het fokken;
- –. landbouwsteunkader: Richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden (PbEU 2022, C 485);
- –. marktwaarde: het door een taxateur in een taxatierapport vastgestelde geschatte bedrag waartegen vastgoed zou worden overgedragen op de waardepeildatum tussen een bereidwillige koper en een bereidwillige verkoper in een zakelijke transactie na behoorlijke marketing zou worden overgedragen, en waarbij de partijen met kennis van zaken, prudent en niet onder dwang zouden hebben gehandeld;
- –. minister: Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur;
- –. Natura 2000-gebied: Natura 2000-gebied als bedoeld in de Omgevingswet;
- –. omgevingsrechtelijke melding: melding als bedoeld in artikel 4.808 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
- –. omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit: omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in de Omgevingswet;
- –. omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit: omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onderdeel e, van de Omgevingswet;
- –. onderneming: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die een economische activiteit uitoefent;
- –. overbelast Natura 2000-gebied: Natura 2000-gebied dat is vermeld in bijlage 1;
- –. productiecapaciteit: vermogen van een veehouderijonderneming om dieren te houden voor het produceren van landbouwproducten, bepaald op basis van het aantal dierplaatsen in bouwwerken bestemd voor het houden van landbouwhuisdieren, uitgedrukt in aantal grootvee-eenheden;
- –. stikstofvracht: totaal van de stikstofdepositie, uitgedrukt in mol stikstof per jaar, die door een veehouderijlocatie wordt veroorzaakt op overbelaste Natura 2000-gebieden;
- –. taxateur: natuurlijk persoon die is ingeschreven in de Kamer Landelijk en Agrarisch Vastgoed van het Nederlands Register Vastgoed Taxateurs of die, in geval het de taxatie van agrarisch onroerende zaken in een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland betreft, ingeschreven is in een gelijkwaardig register in de lidstaat waar de betreffende agrarische onroerende zaak is gelegen, dat ten minste voorziet in:
- a. doorlopend toezicht op de naleving van de gedragsregels;
- b. een meldplicht indien geregistreerde taxateurs handelen in strijd met de gedragsregels, en
- c. onafhankelijke tuchtrechtspraak.
- –. te verlaten veehouderijlocatie: vestigingsplaats van een veehouderijonderneming, bestaande uit het erf, bedoeld in bijlage I, onder A, bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, van de vestiging;
- –. uniek registratienummer: uniek registratienummer als bedoeld in artikel 93, slot, van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (‘diergezondheidswetgeving’) (PbEU 2016, L 84);
- –. veehouder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die, of samenwerkingsverband van natuurlijke personen of rechtspersonen dat, een veehouderijonderneming drijft;
- –. veehouderijonderneming: een landbouwonderneming waarin dieren worden gehouden voor de primaire productie van landbouwproducten of vermeerdering van de desbetreffende dieren;
- –. vervangingswaarde: het door een taxateur in een taxatierapport vastgestelde herleidbare bedrag, dat vervanging van een bouwwerk door een soortgelijk of modern equivalent met gelijke functie, maatvoering en nut, en met een actueel ontwerp en vervaardigd met actuele kosteneffectieve materialen en technieken, zou kosten op het moment van taxatie, waarbij het uitgangspunt is dat de vervaardiging plaatsvindt met materialen en technieken die zo veel mogelijk gelijk of gelijkwaardig zijn aan de materialen en technieken die gebruikt zijn in het bestaande bouwwerk;
- –. voorziening: roerende zaak die volgens de normale agrarische praktijk noodzakelijk is voor de voortzetting van de agrarische bedrijfsvoering van een veehouderijonderneming, waarop fiscaal afgeschreven kan worden, met uitzondering van een landbouwwerktuig en een tractor.
Artikel 1.2. Doelstelling
Deze regeling heeft als doel om in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen voor overbelaste Natura 2000-gebieden de door veehouderijlocaties veroorzaakte stikstofdepositie op die gebieden te verlagen.
Artikel 1.3. Bepaling stikstofvracht
De stikstofvracht wordt bepaald met gebruik van de meest actuele versie van AERIUS Check.
Bij de in het eerste lid bedoelde berekening wordt uitgegaan van:
- a. het gemiddeld aantal landbouwhuisdieren dat twee kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin een aanvraag om subsidie op grond van hoofdstuk 2 of hoofdstuk 3 van de regeling wordt ingediend, op de te verlaten veehouderijlocatie is gehouden, onderscheiden naar de diercategorieën, vermeld in bijlagen V en VI van de Omgevingsregeling;
- b. het huisvestingssysteem, genoemd in bijlagen V en VI van de Omgevingsregeling, waarin de onderscheidenlijke diercategorieën in het in onderdeel a genoemde kalenderjaar zijn gehouden.
Indien de veehouderijonderneming aannemelijk kan maken dat de situatie in het in het tweede lid, onderdeel a, genoemde kalenderjaar niet representatief is voor het jaarlijks gemiddeld gehouden aantal landbouwhuisdieren, kan worden uitgegaan van het aantal landbouwhuisdieren dat gemiddeld is gehouden in een kalenderjaar of twee kalenderjaren voorafgaand aan het in het tweede lid, onderdeel a, genoemde kalenderjaar.
In afwijking van het eerste, tweede en derde lid, kan de veehouderijonderneming:
- a. indien op basis van de in het eerste, tweede of derde lid genoemde berekeningen de veehouderijlocatie niet voldoet aan de in artikel 1.5, tweede lid, bedoelde drempelwaarde, voor het indienen van de aanvraag om subsidie op grond van hoofdstuk 2 of hoofdstuk 3 van de regeling gebruik maken van de berekening van de stikstofvracht, die heeft plaatsgevonden in kalenderjaar 2023 of 2024 met een eerdere versie van AERIUS Check dan de in het eerste lid genoemde versie; of
- b. voor het indienen van de aanvraag om subsidie op grond van hoofdstuk 3 van de regeling gebruik maken van de berekening van de stikstofvracht die heeft plaatsgevonden voor het indienen van de aanvraag om subsidie op grond van hoofdstuk 2 van de regeling, voor zover de veehouderijonderneming laatstgenoemde subsidie heeft aangevraagd en de beschikking tot subsidievaststelling is verleend.
Artikel 1.4. Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies
De artikelen 6, 10, 22, 23, 27, 36, 36a, 41, 43, 52 van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor ‘dit besluit’ telkens wordt gelezen: ‘deze regeling’.
Artikel 1.5. Grondslag
De minister kan op aanvraag subsidie verstrekken voor activiteiten op de gebieden, genoemd in artikel 2a van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies.
Subsidie wordt verleend aan een door een veehouder op een te verlaten veehouderijlocatie gedreven veehouderijonderneming voor de verplaatsing van de veehouderijonderneming naar een hervestigingslocatie, indien de stikstofvracht die de te verlaten veehouderijlocatie veroorzaakt op overbelaste Natura 2000-gebieden, ten minste 2.500 mol stikstof per jaar bedraagt.
Voor subsidieverstrekking op grond van het tweede lid komt niet in aanmerking een veehouderijonderneming die niet voldoet aan de in artikel 2, eerste lid van bijlage I bij de groepsvrijstellingsverordening landbouw vastgestelde criteria.
Artikel 1.6. Informatieverplichtingen
Een aanvraag om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van een middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld.
Een aanvraag voor subsidie bevat ten minste de volgende gegevens:
- a. een beschrijving van de subsidiabele activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd;
- b. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de veehouderijonderneming, e-mailadres en rekeningnummer, en het nummer waaronder de onderneming, voor de te verlaten veehouderijlocatie, geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel en het post- en bezoekadres;
- c. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, of indien van toepassing, de gemachtigde van de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
- d. uniek registratienummer van de te verlaten veehouderijlocatie van de veehouderijonderneming, die is ingeschreven met het in onderdeel b genoemde registratienummer bij de Kamer van Koophandel, waarop de aanvraag betrekking heeft;
- e. voor zover van toepassing, een opgave of de aanvrager voor de te verlaten veehouderijlocatie beschikt over een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit;
- f. gegevens waarmee de subsidieaanvrager kan aantonen dat de subsidieaanvrager voldoet aan de in artikel 2, eerste lid van bijlage I bij de groepsvrijstellingsverordening landbouw vastgestelde criteria.
Bij de aanvraag worden de volgende bescheiden gevoegd:
- a. voor zover van toepassing, een kopie van de actuele omgevingsrechtelijke melding, de actuele omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit en de actuele omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit, met bijbehorende bijlagen, betreffende de te verlaten veehouderijlocatie waarop de aanvraag betrekking heeft;
- b. een verklaring van de aanvrager dat op de te verlaten veehouderijlocatie daadwerkelijk een veehouderijonderneming wordt gedreven;
- c. een kopie van de uitkomsten van de berekening van de stikstofvracht op de te verlaten veehouderijlocatie;
- d. een kopie van de administratie voor het voor de berekening van de stikstofvracht gebruikte referentiejaar, voor zover deze betrekking heeft op de gegevens, bedoeld in artikel 32, tweede lid, onderdelen d en e, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet;
- e. gegevens over het gemiddeld aantal landbouwhuisdieren dat op de veehouderijlocatie is gehouden in het voor de berekening van de stikstofvracht, bedoeld in artikel 1.3, gebruikte referentiejaar.
Artikel 1.7. Verdeling subsidieplafond
De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de volledige aanvragen.
Indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag en met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, geldt met betrekking tot de verdeling de dag waarop de aanvraag voldoet aan de wettelijke voorschriften als dag van binnenkomst.
Indien de minister op de dag dat het subsidieplafond wordt bereikt meer dan één aanvraag ontvangt, stelt hij de volgorde van die aanvragen vast door middel van loting.
Artikel 1.8. Beslissing op de aanvraag
De minister geeft een beschikking op een aanvraag om subsidie binnen acht weken na ontvangst van de volledige aanvraag.
Indien niet binnen de in onderdeel a genoemde termijn kan worden beslist, stelt de minister de aanvrager daarvan in kennis en hij noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beslissing wel kan worden genomen.
Artikel 1.9. Afwijzingsgronden
De minister beslist afwijzend op een aanvraag van een veehouderijonderneming indien:
- a. de aanvraag niet voldoet aan de in deze regeling gestelde regels;
- b. op de te verlaten veehouderijlocatie niet daadwerkelijk een veehouderijonderneming wordt gedreven door de veehouder ten tijde van het indienen van de aanvraag;
- c. de aanvrager:
- 1°. zich reeds heeft verplicht om de te verlaten veehouderijlocatie te sluiten of reeds een aanvang heeft gemaakt met de sluiting van de locatie; of
- 2°. ruimte voor stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied die voor de te verlaten veehouderijlocatie bestaat of bestond ingevolge de bestaande vergunningen, in het kader van extern salderen geheel of gedeeltelijk ter beschikking stelt of heeft gesteld voor andere activiteiten met het oog op een daarvoor aangevraagde of aan te vragen omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit.
Artikel 1.10. Algemene verplichtingen subsidieontvanger
Indien de subsidieontvanger voornemens is een of meerdere opdrachten te verstrekken aan één opdrachtnemer, waarbij de totale waarde van de opdrachten hoger zal zijn dan € 25.000, vraagt de subsidieontvanger voorafgaand aan de opdrachtverlening twee vergelijkbare offertes op bij van elkaar onafhankelijke aanbieders.
Indien het eerste lid van toepassing is, gunt de subsidieontvanger de opdracht aan de aanbieder met de economisch meest voordelige offerte.
De minister kan op verzoek van de subsidieontvanger ontheffing verlenen van de verplichting, bedoeld in het eerste lid. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
De subsidieontvanger voert een zodanige administratie dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze is af te leiden dat de subsidieontvanger voldoet aan de in deze regeling gestelde eisen.
De administratie wordt ten minste tien jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling van de minister aan de subsidieontvanger bewaard.
In geval van een gerechtelijke procedure wordt de administratie ten minste tien jaar na de datum van de afhandeling van de gerechtelijke procedure bewaard.
Artikel 1.11. Gegevensverwerking
De minister kan voor een beoordeling van de juistheid van de informatie die is verstrekt bij de indiening van aanvragen op grond van deze regeling gebruikmaken van de daarvoor noodzakelijke gegevens die zijn opgenomen in registraties op grond van de Meststoffenwet, de Wet dieren, de Landbouwwet, de Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 (PB EU 2016, L 84) en de Gedelegeerde verordening (EU) 2019/2035 van de Commissie (Pb EU 2019, L 314).
Artikel 1.12. Subsidievaststelling
Een aanvraag om subsidievaststelling wordt ingediend met gebruikmaking van een middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld.
De aanvraag om subsidievaststelling bevat in ieder geval gegevens over de subsidieontvanger, waaronder naam, adres, rekeningnummer en het door de minister toegekende referentienummer.
Hoofdstuk 2. Haalbaarheidsonderzoek bedrijfsverplaatsing
Artikel 2.1. Begripsomschrijving
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- –. haalbaarheidsonderzoek bedrijfsverplaatsing: verrichting van een of meer van de in artikel 2.5, eerste lid, genoemde uit te voeren onderzoeken en analyses met als doel de haalbaarheid van de uitvoering van bedrijfsverplaatsing van een veehouderijonderneming naar een hervestigingslocatie als bedoeld in hoofdstuk 3 van de regeling te bepalen.
Artikel 2.2. Subsidiabele activiteiten
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een veehouderijonderneming voor het uitvoeren van een haalbaarheidsonderzoek bedrijfsverplaatsing.
Artikel 2.3. Subsidieplafond
Het subsidieplafond voor hoofdstuk 2 bedraagt € 15.000.000.
Artikel 2.4. Hoogte subsidie
De subsidie bedraagt 95 procent van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 50.000 per subsidieaanvrager.
Artikel 2.5. Subsidiabele kosten
Als subsidiabele kosten komen in aanmerking de kosten derden die direct verbonden zijn met de uitvoering van een haalbaarheidsonderzoek bedrijfsverplaatsing, bestaande uit de kosten voor de volgende uit te voeren onderzoeken en analyses:
- a. een door een bedrijfseconomisch geschoold deskundige uitgevoerde bedrijfseconomische analyse inzake de haalbaarheid van een bedrijfsverplaatsing;
- b. een door een taxateur opgesteld taxatierapport dat voldoet aan de eisen die zijn opgenomen in bijlage 2 bij de regeling, van de vervangingswaarde van de bouwwerken op de te verlaten veehouderijlocatie;
- c. een door een deskundige uitgevoerd onderzoek naar ontwikkelingsmogelijkheden voor de te verlaten veehouderijlocatie bij gedeputeerde staten of het bevoegd bestuursorgaan van de gemeente waarin de te verlaten veehouderijlocatie is gelegen;
- d. onderzoek naar het krediet dat de aanvrager van een financiële instelling nodig heeft en kan verkrijgen om over te kunnen gaan tot verplaatsing van de veehouderijonderneming naar een hervestigingslocatie;
- e. een door een fiscaal deskundige uitgevoerd onderzoek naar de fiscale gevolgen van bedrijfsverplaatsing voor de veehouderijonderneming;
- f. een door een makelaar, rentmeester of andere deskundige uitgevoerd onderzoek naar een of meerdere mogelijke hervestigingslocaties binnen de Europese Unie;
- g. een door een taxateur opgesteld taxatierapport dat voldoet aan de eisen die zijn opgenomen in bijlage 2 bij de regeling, van de marktwaarde van de op de hervestigingslocatie aanwezige bouwwerken, erfgrond, cultuurgrond en bedrijfswoning;
- h. een door een bouwkundige uitgevoerd bouwkundig onderzoek naar bouwkundige en bouwtechnische elementen van de hervestigingslocatie.
De subsidie voor de in het eerste lid genoemde kosten voor de inhuur van deskundigen en gelijkwaardige dienstverleners ter uitvoering van genoemde onderzoeken en analyses wordt uitsluitend verstrekt, indien het onderzoek of de analyse:
- a. wordt uitgevoerd door een onafhankelijke, gediplomeerde deskundige, die is ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel of een ander handelsregister dat is gebaseerd op Richtlijn (EU) 2017/1132 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 aangaande bepaalde aspecten van het vennootschapsrecht (PbEU 2017, L 269), en over aantoonbare kennis beschikt over het onderwerp waarop het onderzoek of de analyse betrekking heeft;
- b. een eenmalig karakter heeft en enkel betrekking heeft op de optie van bedrijfsverplaatsing; en
- c. niet behoort tot de gewone bedrijfsuitgaven van de veehouderijonderneming.
De kosten van een haalbaarheidsstudie bedrijfsverplaatsing blijven in aanmerking komen voor subsidiëring, zelfs wanneer op basis van de resultaten daarvan geen uitgaven uit hoofde van de bedrijfsverplaatsing, bedoeld in hoofdstuk 3 van de regeling, worden verricht.
Artikel 2.6. Start- en realisatietermijn
Met de uitvoering van de op grond van dit hoofdstuk gesubsidieerde activiteiten wordt gestart binnen drie maanden nadat een beschikking tot subsidieverlening is gegeven.
De op grond van dit hoofdstuk gesubsidieerde activiteiten worden uitgevoerd binnen achttien maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening.
De termijn, genoemd in het tweede lid, kan op verzoek van de aanvrager eenmalig met zes maanden worden verlengd, indien aannemelijk is dat de aanvrager niet binnen de in het tweede lid bedoelde termijn de op grond van dit hoofdstuk gesubsidieerde activiteiten kan uitvoeren.
De op grond van dit hoofdstuk gesubsidieerde activiteiten worden voor het indienen van een aanvraag om subsidievaststelling door de subsidieontvanger voltooid.
Artikel 2.7. Afwijzingsgronden
Onverminderd artikel 1.9 beslist de minister afwijzend op een aanvraag, voor zover:
- a. er ten aanzien van de aanvrager al eerder een subsidie als bedoeld in artikel 2.2 is verstrekt;
- b. aan de veehouderijonderneming reeds een subsidie is toegekend op basis van hoofdstuk 3 van de regeling;
- c. het onderzoek, of onderdelen daarvan, geen betrekking heeft op de haalbaarheid van de bedrijfsverplaatsing van de veehouderijonderneming.
Artikel 2.8. Openstellingsperiode
Een aanvraag kan worden ingediend in de periode van 2 december 2024 tot en met 30 mei 2025.
Aanvragen kunnen worden ingediend vanaf 09.00 uur op de in het eerste lid genoemde begindatum en zijn tijdig ingediend indien zij op de in het eerste lid genoemde einddatum vóór 17.00 uur zijn ontvangen.
Artikel 2.9. Informatieverplichtingen
Onverminderd artikel 1.6 bevat een aanvraag om subsidie de volgende gegevens:
- a. een overzicht van de uit te voeren onderzoeken en analyses met een motivatie waarin aannemelijk wordt gemaakt dat elk van de voorgestelde onderzoeken en analyses zal bijdragen aan het bepalen van de haalbaarheid van de bedrijfsverplaatsing;
- b. een gespecificeerde begroting die betrekking heeft op de in onderdeel a genoemde uit te voeren onderzoeken en analyses.
Artikel 2.10. Algemene verplichtingen subsidieontvanger
Onverminderd artikel 1.10, indien de omvang van de subsidie € 25.000 tot € 50.000 bedraagt, dient de subsidieontvanger twaalf maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening, een tussenrapportage in bij de minister met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel.
De tussenrapportage, bedoeld in het eerste lid, bevat informatie over de voortgang in de uitvoering van de op grond van dit hoofdstuk uit te voeren subsidiabele activiteiten.
Artikel 2.11. Bevoorschotting
De minister verstrekt ambtshalve voorschotten voor de subsidie die nog niet is vastgesteld.
De minister verstrekt het eerste voorschot binnen twee weken na de datum van de beschikking tot subsidieverlening.
De volgende voorschotten worden per kwartaal verstrekt binnen twee weken na 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober.
Het geheel van voorschotten bedraagt niet meer dan 90% van het subsidiebedrag.
In afwijking van het tweede en derde lid, indien de omvang van de vast te stellen subsidie minder dan € 25.000 bedraagt, verstrekt de minister ambtshalve een voorschot binnen twee weken na de datum van de beschikking tot subsidieverlening.
De hoogte van het in het vijfde lid genoemde voorschot bedraagt 100 procent van de maximale hoogte van de subsidie.
Artikel 2.12. Aanvraag subsidievaststelling
De aanvraag om subsidievaststelling wordt uiterlijk acht weken na voltooiing van de op grond van dit hoofdstuk gesubsidieerde activiteiten ingediend met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel.
Onverminderd artikel 1.12, tweede lid, bevat een verzoek tot subsidievaststelling:
- a. gegevens die aantonen welke subsidiabele activiteiten zijn uitgevoerd en welke conclusies daaruit zijn getrokken over de haalbaarheid van de bedrijfsverplaatsing, alsmede de hieraan verbonden kosten;
- b. indien de omvang van de vast te stellen subsidie € 25.000 tot € 50.000 bedraagt, een verklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten, waarin de subsidieontvanger aangeeft:
- 1°. dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht, voorzien van een korte toelichting op welke onderzoeken zijn uitgevoerd en door wie, in welke periode of op welke data deze onderzoeken zijn uitgevoerd;
- 2°. dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan;
- 3°. wat het totale bedrag is van de gerealiseerde kosten die met de activiteiten, bedoeld in subonderdeel 1°, gemoeid zijn;
- 4°. wat het totale bedrag van de gerealiseerde opbrengsten is, inclusief bijdragen van derden die met de activiteiten, bedoeld in subonderdeel 1°, gemoeid zijn; en
- 5°. wat het totale bedrag van de gerealiseerde eigen bijdrage is die met de activiteiten, bedoeld in subonderdeel 1°, gemoeid is.
Artikel 2.13. Staatssteun
De subsidie, bedoeld in artikel 2.2, bevat staatssteun.
De minister maakt, gelet op het landbouwsteunkader, na de datum van de subsidievaststelling de volgende gegevens over de subsidieverstrekking bekend:
- a. de naam van de subsidieontvanger;
- b. de hoogte van het verstrekte subsidiebedrag;
- c. de datum van de subsidievaststelling;
- d. het feit dat de subsidieverstrekking betrekking heeft op een onderneming die voldoet aan de in artikel 2, eerste lid, van bijlage I bij de groepsvrijstellingsverordening landbouw vastgestelde criteria;
- e. de voornaamste economische sector waarin de subsidieontvanger ten tijde van de subsidieaanvraag actief was.
De gegevens, bedoeld in het tweede lid, blijven ten minste tien jaar openbaar beschikbaar.
Hoofdstuk 3. Bedrijfsverplaatsing
Hoofdstuk 4. Slotbepalingen
Artikel 4.1. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Deze regeling vervalt vijf jaren na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn aangevraagd, verleend of vastgesteld.
Artikel 4.2. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Landelijke verplaatsingsregeling veehouderijen met piekbelasting.
Bijlage 1. behorende bij artikel 1.1 van de Landelijke verplaatsingsregeling veehouderijen met piekbelasting
| Natuurgebied nummer | Natuurgebied |
|---|---|
| 1 | Waddenzee |
| 2 | Duinen en Lage Land Texel |
| 3 | Duinen Vlieland |
| 4 | Duinen Terschelling |
| 5 | Duinen Ameland |
| 6 | Duinen Schiermonnikoog |
| 7 | Noordzeekustzone |
| 13 | Alde Feanen |
| 15 | Van Oordt’s Mersken |
| 16 | Wijnjeterper Schar |
| 17 | Bakkeveense Duinen |
| 18 | Rottige Meenthe & Brandemeer |
| 21 | Lieftinghsbroek |
| 22 | Norgerholt |
| 23 | Fochteloërveen |
| 24 | Witterveld |
| 25 | Drentsche Aa-gebied |
| 26 | Drouwenerzand |
| 27 | Drents-Friese Wold & Leggelderveld |
| 28 | Elperstroomgebied |
| 29 | Holtingerveld |
| 30 | Dwingelderveld |
| 31 | Mantingerbos |
| 32 | Mantingerzand |
| 33 | Bargerveen |
| 34 | Weerribben |
| 35 | De Wieden |
| 36 | Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht |
| 37 | Olde Maten & Veerslootslanden |
| 38 | Rijntakken |
| 39 | Vecht- en Beneden-Reggegebied |
| 40 | Engbertsdijksvenen |
| 41 | Boetelerveld |
| 42 | Sallandse Heuvelrug |
| 43 | Wierdense Veld |
| 44 | Borkeld |
| 45 | Springendal & Dal van de Mosbeek |
| 46 | Bergvennen & Brecklenkampse Veld |
| 47 | Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek |
| 48 | Lemselermaten |
| 49 | Dinkelland |
| 50 | Landgoederen Oldenzaal |
| 51 | Lonnekermeer |
| 53 | Buurserzand & Haaksbergerveen |
| 54 | Witte Veen |
| 55 | Aamsveen |
| 57 | Veluwe |
| 58 | Landgoederen Brummen |
| 60 | Stelkampsveld |
| 61 | Korenburgerveen |
| 62 | Willinks Weust |
| 63 | Bekendelle |
| 64 | Wooldse Veen |
| 65 | Binnenveld |
| 69 | De Bruuk |
| 70 | Lingegebied & Diefdijk-Zuid |
| 71 | Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem |
| 81 | Kolland & Overlangbroek |
| 82 | Uiterwaarden Lek |
| 83 | Botshol |
| 84 | Duinen Den Helder-Callantsoog |
| 85 | Zwanenwater & Pettemerduinen |
| 86 | Schoorlse Duinen |
| 87 | Noordhollands Duinreservaat |
| 88 | Kennemerland-Zuid |
| 89 | Eilandspolder |
| 90 | Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder |
| 91 | Polder Westzaan |
| 92 | Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske |
| 94 | Naardermeer |
| 95 | Oostelijke Vechtplassen |
| 96 | Coepelduynen |
| 97 | Meijendel & Berkheide |
| 98 | Westduinpark & Wapendal |
| 99 | Solleveld & Kapittelduinen |
| 100 | Voornes Duin |
| 101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek |
| 103 | Nieuwkoopse Plassen & De Haeck |
| 105 | Zouweboezem |
| 112 | Biesbosch |
| 113 | Voordelta |
| 114 | Krammer-Volkerak |
| 115 | Grevelingen |
| 116 | Kop van Schouwen |
| 117 | Manteling van Walcheren |
| 118 | Oosterschelde |
| 121 | Yerseke en Kapelse Moer |
| 122 | Westerschelde & Saeftinghe |
| 123 | Zwin & Kievittepolder |
| 124 | Groote Gat |
| 125 | Canisvliet |
| 128 | Brabantse Wal |
| 129 | Ulvenhoutse Bos |
| 130 | Langstraat |
| 131 | Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen |
| 132 | Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek |
| 133 | Kampina & Oisterwijkse Vennen |
| 134 | Regte Heide & Riels Laag |
| 135 | Kempenland-West |
| 136 | Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux |
| 137 | Strabrechtse Heide & Beuven |
| 138 | Weerter- en Budelerbergen & Ringselven |
| 139 | Deurnsche Peel & Mariapeel |
| 140 | Groote Peel |
| 141 | Oeffelter Meent |
| 142 | Sint Jansberg |
| 143 | Zeldersche Driessen |
| 144 | Boschhuizerbergen |
| 145 | Maasduinen |
| 146 | Sarsven en De Banen |
| 147 | Leudal |
| 148 | Swalmdal |
| 149 | Meinweg |
| 150 | Roerdal |
| 153 | Bunder- en Elslooërbos |
| 154 | Geleenbeekdal |
| 155 | Brunssummerheide |
| 156 | Bemelerberg & Schiepersber |
| 157 | Geuldal |
| 158 | Kunderberg |
| 159 | Sint Pietersberg & Jekerdal |
| 160 | Savelsbos |
| 161 | Noorbeemden & Hoogbos |
Bijlage 2. behorende bij de artikelen 2.5, eerste lid, onderdelen b en g, en 3.8 van de Landelijke verplaatsingsregeling veehouderijen met piekbelasting
Eisen ten aanzien van taxatierapporten ingediend in het kader van subsidieverstrekking op grond van de Landelijke verplaatsingsregeling veehouderijen met piekbelasting
In de Landelijke verplaatsingsregeling veehouderijen met piekbelasting (hierna: de regeling) wordt gebruik gemaakt van taxatierapporten en de daarin gerapporteerde waarden voor het bepalen van de hoogte van de te verlenen subsidie (zie artikel 3.8 van de regeling). De kosten van het laten opstellen van taxatierapporten in het kader van deze regeling kunnen ook in aanmerking komen voor subsidie (zie de artikelen 2.5 en 3.11 van de regeling).
De relevante taxaties betreffen:
Om gebruikt te kunnen worden in het kader van subsidieverstrekking op grond van de regeling dienen deze rapporten aan de in deze bijlage bij de regeling beschreven eisen te voldoen.
Ten algemene dienen taxatierapporten te zijn opgesteld in overeenstemming met de reglementen en praktijkhandleidingen ten aanzien van het taxeren van agrarisch vastgoed van het Nederlands Register Vastgoed Taxateurs (NRVT, www.nrvt.nl) voor zover het rapporten betreft over vastgoed gelegen in Nederland, of in overeenstemming met de actuele taxatiestandaarden voor de taxatie van agrarisch vastgoed van de International Valuation Standards Council (IVSC, www.ivsc.org) of de European Valuation Standards zoals gepubliceerd door The European Group of Valuers’ Associations (TEGOVA, www.tegova.org) als het agrarisch vastgoed betreft gelegen in andere lidstaten van de Europese Unie dan Nederland.
Daarnaast gelden de hierna te noemen eisen voor taxatierapporten van de vervangingswaarde van bouwwerken op de te verlaten veehouderijlocatie (onderdeel A) en de marktwaarde van bouwwerken op de hervestigingslocatie (onderdeel B).
A. Eisen aan het taxatierapport ter bepaling van de vervangingswaarde van de bouwwerken op de te verlaten veehouderijlocatie
Het taxatierapport bevat ten minste de volgende informatie:
B. Eisen aan het taxatierapport ter bepaling van de marktwaarde van de bouwwerken op de hervestigingslocatie
Het taxatierapport bevat ten minste de volgende informatie:
Bijlage 3. behorende bij artikel 3.4 van de Landelijke verplaatsingsregeling veehouderijen met piekbelasting
Modelovereenkomst
... (naam), in zijn/haar hoedanigheid van privé persoon en als natuurlijke persoon of rechtspersoon die of samenwerkingsverband van natuurlijke personen of rechtspersonen dat een veehouderij drijft, verder te noemen: de veehouder en
de Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, namens deze, ....... Directeur ......... van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland
overwegende:
dat de Landelijke verplaatsingsregeling veehouderijen met piekbelasting (verder: de regeling), artikel 3.4, tweede lid, onderdeel g, als voorwaarde bevat voor subsidieverstrekking dat de subsidie ontvangende veehouder zich bij overeenkomst moet hebben verbonden om:
dat de aanvraag van de veehouder om subsidie op grond van de regeling te ontvangen voor het beëindigen van de veehouderijlocatie met adres ... (verder te noemen: de locatie), is toegewezen;
komen het volgende overeen:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.