← Geldende tekst · Geschiedenis

Regeling van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 22 november 2024, nr. WJZ/89410470, houdende specifieke uitkeringen aan provincies ten behoeve van de beëindiging van veehouderijlocaties ter ondersteuning van de gebiedsgerichte aanpak voor natuur, stikstof, water en klimaat (Regeling provinciale gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties)

Geldende tekst a fecha 2024-11-27

Gelet op artikel 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2. Bepaling stikstofemissie
1.

De stikstofemissie wordt per diercategorie bepaald op basis van de op grond van artikel 4.6, eerste en tweede lid, van de Omgevingsregeling berekende emissiefactor die van toepassing is op de datum waarop de aanvraag om subsidie op grond van een provinciaal subsidie-instrument wordt ingediend, vermenigvuldigd met het gemiddeld aantal landbouwhuisdieren die behoren tot de betreffende diercategorie, die twee kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de aanvraag om subsidie op grond van een provinciaal subsidie-instrument bij de provincie wordt ingediend, werden gehouden.

2.

De drempelwaarde voor stikstofemissiereductie van een veehouderijlocatie bedraagt:

3.

Bij het bepalen van de stikstofemissie om te kunnen beoordelen of een veehouderijlocatie voldoet aan de in het tweede lid bedoelde drempelwaarde wordt uitgegaan van:

4.

Indien de veehouder aannemelijk kan maken dat de situatie in het, in het derde lid, onderdeel a, genoemde kalenderjaar, niet representatief is voor het jaarlijks gemiddeld gehouden aantal landbouwhuisdieren, kan worden uitgegaan van het aantal landbouwhuisdieren dat gemiddeld is gehouden in een kalenderjaar of twee kalenderjaren voorafgaand aan het in het derde lid, onderdeel a, genoemde kalenderjaar.

Artikel 3. Geografische gebiedsafbakening

Deze regeling heeft betrekking op gebiedspecifieke maatregelen van provincies die worden genomen ter realisatie van doelen voor natuur, water en klimaat en die betrekking hebben op:

Artikel 4. Specifieke uitkering
1.

De minister verstrekt op aanvraag aan een provincie een specifieke uitkering voor een provinciaal subsidie-instrument gericht op het volledig of gedeeltelijk doen beëindigen van veehouderijactiviteiten op een veehouderijlocatie met het oog op:

2.

Per provincie wordt één specifieke uitkering verstrekt voor respectievelijk sub-plafond a en sub-plafond b als bedoeld in artikel 18, eerste lid.

3.

De specifieke uitkering wordt niet verstrekt voor:

Artikel 5. Aanwending specifieke uitkering
1.

De specifieke uitkering wordt aangewend voor een provinciaal subsidie-instrument op grond waarvan een provincie een subsidie kan verstrekken aan een veehouderijonderneming voor de onomkeerbare volledige of gedeeltelijke sluiting van een veehouderijlocatie, welke subsidie omvat:

2.

De provincie wendt, indien voor de beëindiging van veehouderijactiviteiten met aanwending van de specifieke uitkering omzetbelasting aan de provincie in rekening wordt gebracht, de specifieke uitkering niet aan voor de financiering daarvan indien de provincie voor compensatie hiervan in aanmerking komt op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds.

Artikel 6. Vereisten volledige sluiting veehouderijlocatie
1.

Er is sprake van een onomkeerbare volledige sluiting van een veehouderijlocatie als bedoeld in artikel 5, eerste lid, indien:

2.

De provincie kan ontheffing verlenen van het vereiste, bedoeld in het eerste lid, onderdeel i, voor zover de veehouder productiecapaciteit langdurig gaat gebruiken voor andere activiteiten dan voor een veehouderijonderneming, mits het bevoegd gezag op grond van de Omgevingswet, op een door de provincie te bepalen uiterste datum, nadat de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, is gesloten, met dat gebruik heeft ingestemd.

Artikel 7. Vereisten gedeeltelijke sluiting veehouderijlocatie
1.

Er is sprake van een onomkeerbare gedeeltelijke sluiting van een veehouderijlocatie als bedoeld in artikel 5, eerste lid, indien:

2.

In de in het eerste lid genoemde gevallen is sprake van een onomkeerbare gedeeltelijke sluiting van een veehouderijlocatie, indien:

3.

Onder de in het eerste lid, onderdelen a en b, genoemde verwijdering van de feitelijk gerealiseerde stalcapaciteit wordt verstaan het afbreken en verwijderen van de voor de veehouderijonderneming op de veehouderijlocatie gebruikte dierenverblijven, voor zover zij zijn te relateren aan het aantal landbouwhuisdieren dat niet langer wordt gehouden op de veehouderijlocatie.

4.

De provincie kan ontheffing verlenen van het vereiste van het verwijderen van de feitelijk gerealiseerde stalcapaciteit, bedoeld in het eerste lid, voor zover de veehouderijonderneming de productiecapaciteit langdurig gaat gebruiken:

Artikel 8. Relevante veehouderijlocaties
1.

De specifieke uitkering kan door de provincie worden aangewend indien in het in artikel 4, eerste lid, bedoelde provinciale subsidie-instrument de volgende voorwaarden zijn verbonden aan een veehouderijlocatie:

2.

In aanvulling op het eerste lid bevat het provinciale subsidie-instrument de volgende voorwaarden:

Artikel 9. Provinciale gebiedsafbakening

De provincie kan de geografische gebiedsafbakening, bedoeld in artikel 3, eerste lid, voor de aanwending van de specifieke uitkering nader geografisch afbakenen, indien deze provinciale gebiedsafbakening nodig is om uitvoering te kunnen geven aan gebiedspecifieke maatregelen voor het realiseren van doelen voor natuur, water en klimaat.

Artikel 10. Bijdrage vervallen productierecht
1.

De in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, bedoelde bijdrage bedraagt 100% van de waarde van het geheel of gedeeltelijk vervallen productierecht, voor zover dat vervallen productierecht niet meer bedraagt dan het productierecht dat vereist is voor het aantal dieren, dat gemiddeld in het in artikel 2, derde lid, genoemde referentiejaar op de veehouderijlocatie is gehouden.

2.

De in het eerste lid bedoelde waarde wordt in opdracht van de provincie door twee onafhankelijke taxateurs gezamenlijk bepaald op basis van:

3.

Bij het taxeren van de in het tweede lid, onderdeel a, genoemde marktwaarde wordt uitgegaan van de marktwaarde op de datum van het indienen van de aanvraag om subsidie op grond van een provinciaal subsidie-instrument.

Artikel 11. Bijdrage waardeverlies productiecapaciteit
1.

De in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, bedoelde bijdrage bedraagt 100% van het waardeverlies van de productiecapaciteit.

2.

Het in het eerste lid bedoelde waardeverlies wordt uitsluitend bepaald met een in opdracht van de provincie uit te voeren taxatie van de marktwaarde van de op de veehouderijlocatie volledig of gedeeltelijk af te breken en te verwijderen productiecapaciteit door twee onafhankelijke taxateurs gezamenlijk.

3.

Bij het taxeren van de in het tweede lid genoemde marktwaarde wordt uitgegaan van de marktwaarde op de datum van het indienen van de aanvraag om subsidie op grond van een provinciaal subsidie-instrument.

Artikel 12. Bijdrage kosten volledig of gedeeltelijk afbreken en verwijderen productiecapaciteit
1.

De in artikel 5, eerste lid, onderdeel c, bedoelde bijdrage bedraagt 100% van de kosten die zijn gemaakt voor het volledig of gedeeltelijk afbreken en verwijderen van de op de veehouderijlocatie aanwezige productiecapaciteit, mits de opdrachtverlening voor die werkzaamheden heeft plaatsgevonden op marktconforme wijze.

2.

Onvoorwaardelijk ontvangen gelden voor bij de sloop vrijgekomen materialen die worden vervreemd, worden verrekend met de subsidie die wordt ontvangen op grond van artikel 5, eerste lid, onderdeel c.

Artikel 13. Bijdrage kosten voor leges voor vergunningen en planologische procedures

De in artikel 5, eerste lid, onderdeel d, bedoelde bijdrage bedraagt 100% van de werkelijke kosten voor leges voor vergunningen en planologische procedures, die verbonden zijn met de volledige of gedeeltelijke sluiting van een veehouderijlocatie op grond van een provinciaal subsidie-instrument als bedoeld in artikel 4, eerste lid.

Artikel 14. Bijdrage kosten adviesdiensten
1.

De in artikel 5, eerste lid, onderdeel e, bedoelde bijdrage bedraagt 100% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 5.000 per veehouderijonderneming die een aanvraag indient voor subsidie op grond van een provinciaal subsidie-instrument.

2.

Als subsidiabele kosten als bedoeld in het eerste lid komen de volgende kosten derden die direct verbonden zijn met de volledige of gedeeltelijke sluiting van een veehouderijlocatie op grond van een provinciaal subsidie-instrument in aanmerking:

3.

De subsidie voor de in het tweede lid, onderdeel c, genoemde kosten voor advisering en gelijkwaardige diensten wordt uitsluitend verstrekt, indien het advies:

Artikel 15. Afwijzingsgronden

De minister beslist geheel of gedeeltelijk afwijzend op een aanvraag indien gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat:

Artikel 16. Verplichtingen
1.

In het in artikel 4, eerste lid, bedoelde provinciale subsidie-instrument wordt het volgende opgenomen, gelet op het landbouwsteunkader:

2.

Alleen een veehouderijonderneming die voldoet aan de normen van de Europese Unie, komt voor subsidie op grond van het in artikel 4, eerste lid, bedoelde provinciale subsidie-instrument in aanmerking. In aanvulling op het eerste lid, en in overeenstemming met randnummer 426 van het landbouwsteunkader, wordt in het provinciale subsidie-instrument opgenomen dat een aanvraag om subsidie wordt afgewezen indien de subsidieaanvrager niet aan de normen van de Europese Unie voldoet en zijn activiteiten als veehouderijonderneming moet beëindigen.

Artikel 17. Overige verplichtingen
1.

De specifieke uitkering wordt zodanig aangewend dat de subsidie, op basis van het in artikel 4, eerste lid bedoelde subsidie-instrument, uiterlijk op 31 december 2027 wordt verleend.

2.

De provincie besteedt de specifieke uitkering volledig uiterlijk op 31 december 2031.

3.

De provincie maakt, met inachtneming van randnummers 112 en 114 van het landbouwsteunkader, na de datum van de subsidievaststelling op grond van een provinciaal subsidie-instrument de volgende gegevens over de subsidieverstrekking bekend:

4.

De provincie draagt er zorg voor dat de gegevens, bedoeld in het derde lid, ten minste tien jaar openbaar beschikbaar blijven.

Artikel 18. Cumulatie

In het in artikel 4, eerste lid, bedoelde provinciale subsidie-instrument wordt opgenomen dat, indien reeds door een bestuursorgaan of de Europese Commissie subsidie is verstrekt voor de subsidiabele kosten, of een deel daarvan, slechts een zodanig bedrag aan subsidie wordt verstrekt dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan het bedrag dat krachtens deze regeling kan worden verstrekt noch meer bedraagt dan toegestaan volgens de toepasselijke Europese steunkaders.

Artikel 19. Plafond, verdeling en aanvragen
1.

Het plafond voor de verstrekking van specifieke uitkeringen op grond van deze

regeling bedraagt in totaal € 140.000.000, exclusief de omzetbelasting waarvoor de provincie op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds voor compensatie in aanmerking komt, bestaande uit:

2.

De minister kan per provincie een uitkering verstrekken met toepassing van de sub-plafonds a en b.

3.

Een provincie kan de uitkering aanvragen met gebruikmaking van een middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld.

4.

Voor het gedeelte van de uitkering uit sub-plafond a kan de aanvraag worden ingediend in de periode van 2 december 2024 tot en met 28 februari 2025.

5.

Een aanvraag als bedoeld in het vierde lid kan worden ingediend vanaf 09.00 uur op de in het vierde lid genoemde begindatum en is tijdig ingediend indien de aanvraag op de in het vierde lid genoemde einddatum vóór 17.00 uur is ontvangen.

6.

Voor het gedeelte van de uitkering uit sub-plafond b wordt binnen achttien maanden na inwerkingtreding van de regeling de verdeelsleutel door de minister bepaald evenals de periode waarbinnen de aanvraag kan worden ingediend.

Artikel 20. Verlening en voorschot
1.

De minister geeft binnen zes weken nadat een provincie een aanvraag als bedoeld in artikel 19, derde lid, heeft ingediend een beschikking tot verlening van de uitkering.

2.

De minister verstrekt de provincie binnen zes weken na de beschikking tot verlening van de uitkering ambtshalve een voorschot van 100% van het uitkeringsbedrag.

3.

De beschikking vermeldt het bedrag van de uitkering, met uitzondering van de omzetbelasting waarvoor de provincie op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds voor compensatie in aanmerking komt.

Artikel 21. Informatieverschaffing en evaluatie
1.

De provincie verschaft de minister ieder kalenderjaar op uiterlijk 15 maart en 15 september door middel van voortgangsrapportages informatie over de voortgang van de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering is verstrekt, met inbegrip van de borging dat de volledige of gedeeltelijke beëindiging van veehouderijactiviteiten leidt tot een blijvende vermindering van de stikstofemissie vanaf de desbetreffende veehouderijlocatie.

2.

De provincie werkt mee aan een door de minister ingestelde tussentijdse evaluatie en eindevaluatie van deze regeling.

3.

De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt tot de datum van de beschikking tot vaststelling van de uitkering.

4.

De in het tweede lid bedoelde verplichting geldt tot vijf jaar na de datum van de beschikking tot vaststelling van de uitkering.

Artikel 22. Verantwoording, vaststelling en terugvordering
1.

De provincie legt jaarlijks verantwoording af over de besteding van de uitkering op de wijze als bepaald in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.

2.

Nadat de minister de relevante verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet, van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft ontvangen, stelt de minister binnen 22 weken na die ontvangst de uitkering vast met inachtneming van die informatie.

3.

Indien uit de verantwoordingsinformatie blijkt dat de specifieke uitkering niet in de in de beschikking tot verlening opgenomen periode volledig is besteed aan uitvoeringsactiviteiten waarvoor deze is verstrekt, of onrechtmatig is besteed, kan de uitkering ter hoogte van het niet of onrechtmatig bestede deel door de minister worden teruggevorderd. De minister doet binnen een jaar na ontvangst van de verantwoordingsinformatie mededeling van de terugvordering aan de ontvanger van de specifieke uitkering.

Artikel 23. Gegevensverwerking
1.

In het in artikel 4, eerste lid, bedoelde provinciale subsidie-instrument wordt een grondslag opgenomen voor het verstrekken aan de minister van gegevens die door een veehouderijonderneming aan de provincie zijn verstrekt in het kader van subsidieverstrekking op grond van het provinciale subsidie-instrument, voor zover nodig voor:

2.

De minister kan voor de in het eerste lid in onderdeel a bedoelde beoordeling gebruik maken van de daarvoor noodzakelijke gegevens die zijn opgenomen in registraties op grond van de volgende wettelijke voorschriften:

Artikel 24. Inwerkingtreding en horizonbepaling
1.

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

2.

Deze regeling vervalt vijf jaren na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op aanvragen die op grond van deze regeling zijn ingediend en op uitkeringen die op grond van deze regeling zijn verstrekt.

Artikel 25. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling provinciale gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties.

Bijlage 1. behorende bij artikel 6, eerste lid, onderdeel h, van de Regeling provinciale gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties

Modelovereenkomst

... (naam), in zijn/haar hoedanigheid van privé persoon en als natuurlijke persoon of rechtspersoon die of samenwerkingsverband van natuurlijke personen of rechtspersonen dat een veehouderijonderneming drijft, verder te noemen: de veehouder en

De Provincie, vertegenwoordigd door ...., namens deze,........

overwegende:

dat de regeling provinciaal subsidie-instrument in artikel betreffend artikel in het provinciale subsidie-instrument als voorwaarde bevat voor subsidieverstrekking dat de subsidie ontvangende veehouder zich bij overeenkomst moet hebben verbonden om:

dat de aanvraag van de veehouder om subsidie op grond van de regeling te ontvangen voor het beëindigen van de veehouderijlocatie met adres... (verder te noemen: de locatie), is toegewezen;

komen het volgende overeen:

Datum en plaats:

................, ..........

....

....

(.... = naam vertegenwoordiger van de Provincie)

(...

= naam veehouder, geboortedatum en BSN-nummer)

.... (...

= naam echtgenote / echtgenoot van veehouder, geboortedatum en BSN-nummer)

Bijlage 2. behorende bij artikel 7, tweede lid, onderdeel e, van de Regeling provinciale gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties

Modelovereenkomst

... (naam), in zijn/haar hoedanigheid van privé persoon en als natuurlijke persoon of rechtspersoon die of samenwerkingsverband van natuurlijke personen of rechtspersonen dat een veehouderijonderneming drijft, verder te noemen: de veehouder en

De Provincie, vertegenwoordigd door ...., namens deze,........

overwegende:

dat de regeling provinciale subsidie-instrument in artikel betreffende artikel in het provinciale subsidie-instrument als voorwaarde bevat voor subsidieverstrekking dat de subsidie ontvangende veehouder zich bij overeenkomst moet hebben verbonden om:

dat de aanvraag van de veehouder om subsidie op grond van de regeling te ontvangen voor het gedeeltelijk beëindigen van de veehouderijlocatie met adres... (verder te noemen: de locatie), is toegewezen;

komen het volgende overeen:

Datum en plaats:

................, ..........

....

....

(.... = naam vertegenwoordiger van de Provincie)

(...

= naam veehouder, geboortedatum en BSN-nummer)

.... (...

= naam echtgenote / echtgenoot van veehouder, geboortedatum en BSN-nummer)

Bijlage 3. behorende bij artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de Regeling provinciale gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties

Budget-verdeling totaal BATCH A
Drenthe € 8.780.007
Flevoland € 5.220.802
Friesland € 9.893.906
Gelderland € 15.153.619
Groningen € 6.242.426
Limburg € 7.633.152
Noord-Brabant € 15.565.564
Noord-Holland € 6.298.451
Overijssel € 15.400.786
Utrecht € 7.563.945
Zeeland € 5.082.389
Zuid-Holland € 7.039.951
Totaal € 109.874.998

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.