Besluit van 13 maart 2025, houdende bepalingen over het bemannen van zeeschepen (Besluit bemanning zeeschepen)
Een zeevarende van een passagiersschip die in overeenstemming met zijn functie of werkzaamheden en verantwoordelijkheden vertrouwd is met noodsituaties aan boord van dat passagiersschip, is in het bezit van een schriftelijk bewijs dat hij geoefend is in familiarisatie voor noodsituaties aan boord van passagiersschepen als bedoeld in voorschrift V/2, vijfde lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
Een zeevarende die in de passagiersruimten van een passagiersschip direct bij de dienstverlening aan passagiers in passagiersruimten is betrokken, is in het bezit van een schriftelijk bewijs dat hij geoefend is in dienstverlening aan passagiers aan boord van dat zeeschip dat ten minste voldoet aan voorschrift V/2, zesde lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
Een kapitein, officier of zeevarende die in de alarmrol is belast met de hulpverlening aan passagiers van een passagiersschip, is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs of schriftelijk bewijs dat hij geoefend is in groepsbegeleiding dat ten minste voldoet aan voorschrift V/2, zevende lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
Een kapitein, hoofdwerktuigkundige, eerste stuurman, tweede werktuigkundige, eerste maritiem officier of zeevarende die in de alarmrol is aangewezen en verantwoordelijkheid draagt voor de veiligheid van passagiers in noodsituaties van een passagiersschip, is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs of schriftelijk bewijs crisisbeheersing en menselijk gedrag dat ten minste voldoet aan voorschrift V/2, achtste lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
Een kapitein, hoofdwerktuigkundige, eerste stuurman, tweede werktuigkundige, eerste maritiem officier of zeevarende die directe verantwoordelijkheid draagt voor het aan en van boord gaan van passagiers, het laden, lossen of veilig stuwen van de lading of het sluiten van openingen in de romp van een ro-ro-passagierschip, is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs of schriftelijk bewijs passagiersveiligheid, ladingveiligheid en waterdichtheid van de scheepsromp dat ten minste voldoet aan voorschrift V/2, negende lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
Een zeevarende als bedoeld in het eerste tot en met het vijfde lid toont door middel van schriftelijk bewijs, met tussenpozen van niet meer dan 5 jaar, aan:
- a. in de voorgaande periode van 5 jaar ten minste 12 maanden dienst te hebben gedaan op een passagiersschip;
- b. in de voorgaande periode van 6 maanden ten minste 3 maanden dienst te hebben gedaan op een passagiersschip; of
- c. met goed gevolg te hebben deelgenomen aan een passende herhalingstraining die ten minste voldoet aan voorschrift V/2, vierde lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
In plaats van een bekwaamheidsbewijs of schriftelijk bewijs als bedoeld in het vierde of vijfde lid kan worden volstaan met een aantekening van de door de zeevarende gevolgde training in het krachtens artikel 5, eerste lid, van de wet bij te houden overzicht.
Artikel 3.3.4. Bijzondere beroepseisen IGF-schip
Een zeevarende van een zeeschip dat is onderworpen aan de IGF-code is op passende wijze vertrouwd gemaakt met het zeeschip en de uitrusting als bedoeld in voorschrift V/3, derde lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
Een zeevarende die is belast met aangewezen veiligheidstaken die verband houden met de zorg voor, het gebruik van of de noodrespons ten aanzien van de brandstof van een zeeschip dat is onderworpen aan de IGF-code, is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs basistraining IGF-code dat ten minste voldoet aan voorschrift V/3, vijfde lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
Een kapitein, hoofdwerktuigkundige, tweede werktuigkundige, werktuigkundige, maritiem officier, eerste maritiem officier of zeevarende die rechtstreeks is belast met de zorg voor en het gebruik van brandstoffen en brandstofsystemen van een zeeschip dat is onderworpen aan de IGF-code, is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs gevorderdentraining IGF-code dat ten minste voldoet aan voorschrift V/3, achtste lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
Een bekwaamheidsbewijs als bedoeld in het tweede of derde lid wordt op verzoek vernieuwd indien de houder aantoont dat hij gedurende vijf jaar voorafgaand aan de vernieuwing ten minste drie maanden relevante diensttijd heeft opgedaan of met goed gevolg heeft deelgenomen aan een passende herhalingstraining die voldoet aan voorschrift V/3, elfde lid, van bijlage I bij richtlijn (EU)2022/993.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de beroepsvereisten van zeevarenden die varen op een met gas of brandstof met een laag vlampunt aangedreven zeeschip van minder dan 500 GT, niet zijnde een passagiersschip, bedoeld in de IGF-Code.
Artikel 3.3.5. Bijzondere beroepseisen zeeschip dat in poolwateren vaart
Een kapitein, eerste stuurman, wachtstuurman, eerste maritiem officier of maritiem officier van een tankschip of een passagiersschip dat in open polaire wateren vaart is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs basistraining Polar-code, dat ten minste voldoet aan voorschrift V/4, eerste lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
Een kapitein, eerste stuurman of eerste maritiem officier van een zeeschip dat in andere polaire wateren vaart is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs gevorderdentraining Polar-code, dat ten minste voldoet aan voorschrift V/4, derde lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
Een wachtstuurman of maritiem officier van een zeeschip dat in andere polaire wateren vaart is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs basistraining Polar-code, als bedoeld in het eerste lid.
Een zeevarende van een zeeschip dat in polaire wateren vaart, is bekend met de apparatuur en de werkprocedures opgenomen in het operationeel handboek polaire wateren, bedoeld in hoofdstuk 2 van de Polar-code.
Een bekwaamheidsbewijs als bedoeld in het eerste en tweede lid is geldig tot ten hoogste 5 jaar na de datum van afgifte.
Een bekwaamheidsbewijs als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt op verzoek vernieuwd indien de houder:
- a. in de periode van 5 jaar voorafgaand aan de datum van vernieuwing ten minste 2 maanden heeft dienstgedaan in een functie waarvoor het bezit van dat bekwaamheidsbewijs;
- b. ervaring heeft opgedaan in een relevante functie waarbij de opgedane ervaring als gelijkwaardig kan worden beschouwd als bedoeld in sectie A-I/11, onderdeel 4, onderdeel 2, van de STCW-code; of
- c. met goed gevolg een training voor het bekwaamheidsbewijs heeft afgerond.
Artikel 3.3.6. Icemaster
Een zeevarende die op grond van paragraaf 12.3.2 van de Polar-code is belast met de uitvoering van paragraaf 12.3.1 van de Polar-code is ten minste in het bezit van een geldig vaarbevoegdheidsbewijs als eerste stuurman of eerste maritiem officier voor het zeeschip waarop gevaren wordt en is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs gevorderdentraining Polar-code als bedoeld in artikel 3.3.5, tweede lid.
Artikel 3.3.5, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3.3.7. Icemaster, tankschip of passagiersschip
Artikel 3.3.5, eerste lid, is niet van toepassing op een kapitein, eerste stuurman, wachtstuurman, eerste maritiem officier of maritiem officier van een tankschip of een passagiersschip, dat in open polaire wateren vaart indien hij tijdens de uitoefening van zijn taken wordt geadviseerd door een zeevarende als bedoeld in artikel 3.3.6.
Artikel 3.3.5, tweede en derde lid, is niet van toepassing op een kapitein, eerste stuurman, wachtstuurman, eerste maritiem officier of maritiem officier van een tankschip of een passagiersschip dat in bergy wateren vaart, indien hij tijdens de uitoefening van zijn taken wordt geadviseerd door een zeevarende als bedoeld in artikel 3.3.6.
Artikel 3.3.5, tweede lid, is niet van toepassing op een kapitein, eerste stuurman of eerste maritiem officier van een tankschip of een passagiersschip dat in andere polaire wateren dan bergy wateren vaart indien hij in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs basistraining Polar-code, als bedoeld in artikel 3.3.5, eerste lid, en hij tijdens de uitoefening van zijn taken wordt geadviseerd door een zeevarende als bedoeld in artikel 3.3.6.
Artikel 3.3.8. Icemaster, zeeschip, niet zijnde een tankschip of passagierschip
Artikel 3.3.5, tweede en derde lid, is niet van toepassing op een kapitein, eerste stuurman, wachtstuurman, eerste maritiem officier of maritiem officier van een zeeschip, niet zijnde een tankschip of een passagiersschip dat in andere polaire wateren vaart met een ijsconcentratie van twee tiende of minder, als bedoeld in voorschrift 12.3.2, onderdelen 4 en 5, van de Polar-code indien hij tijdens de uitoefening van zijn taken wordt geadviseerd door een zeevarende als bedoeld in artikel 3.3.6.
Artikel 3.3.5, tweede en derde lid, is niet van toepassing op een kapitein, eerste stuurman of eerste maritiem officier van een zeeschip, niet zijnde een tankschip of een passagiersschip, dat in andere polaire wateren vaart met een ijsconcentratie van meer dan twee tiende, als bedoeld in voorschrift 12.3.2, onderdeel 5, van de Polar-code indien hij tijdens de uitoefening van zijn taken wordt geadviseerd door een zeevarende als bedoeld in artikel 3.3.6 en hij in het bezit is van een bekwaamheidsbewijs basistraining Polar-code, als bedoeld in artikel 3.3.5, eerste lid.
Artikel 3.3.9. Bijzondere beroepseisen hogesnelheidschip
Een kapitein, hoofdwerktuigkundige, eerste stuurman, tweede werktuigkundige, wachtstuurman, wachtwerktuigkundige, eerste maritiem officier of maritiem officier van hogesnelheidsschip is in het bezit van het bekwaamheidsbewijs type rating HSC-code dat ten minste voldoet aan voorschrift 18.3 van de HSC-code voor het hogesnelheidsschip waarop hij dienstdoet.
Een zeevarende als bedoeld in het eerste lid toont door middel van schriftelijk bewijs met tussenpozen van niet meer dan 2 jaar aan in de voorgaande periode van 2 jaar ten minste 6 maanden dienst te hebben gedaan aan boord van het in het bekwaamheidsbewijs genoemde hogesnelheidsschip.
Artikel 3.3.10. Uitwerking eisen per bijzondere beroepseis
Bij ministeriële regeling worden voor elke bijzondere beroepseis genoemd in deze paragraaf bekwaamheidsbewijzen, schriftelijke bewijzen of diensttijdvereisten vastgesteld waarmee voldaan wordt aan de voor die bijzondere beroepseis gestelde minimumeisen en die recht geven op een vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs voor die bijzondere beroepseis.
Paragraaf 3.4. Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening vissersvaartuigen
Artikel 3.4.1. Reikwijdte
Deze paragraaf bevat de minimumeisen die recht geven op een vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs voor een functie van een vissersvaartuig, als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel b, van de wet.
Artikel 3.4.2. Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor stuurman zeevisvaart van een vissersvaartuig met een scheepslengte van 24 meter of meer die vaart in onbeperkte wateren vissersvaartuigen
Een stuurman zeevisvaart van een vissersvaartuig met een scheepslengte van 24 meter of meer die vaart in onbeperkte wateren vissersvaartuigen is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/2 van de bijlage bij het STCW F-verdrag.
Artikel 3.4.3. Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een schipper en een plaatsvervangend schipper van een vissersvaartuig met een scheepslengte van 24 meter of meer die vaart in onbeperkte wateren vissersvaartuigen
Een schipper en een plaatsvervangend schipper van een vissersvaartuig met een scheepslengte van 24 meter of meer die vaart in onbeperkte wateren vissersvaartuigen is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/1 van de bijlage bij het STCW F-verdrag.
Artikel 3.4.4. Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een stuurman zeevisvaart van een vissersvaartuig met een scheepslengte van 24 meter of meer die vaart in beperkte wateren vissersvaartuigen
Een stuurman zeevisvaart van een vissersvaartuig met een scheepslengte van 24 meter of meer die vaart in beperkte wateren vissersvaartuigen is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/4 van de bijlage bij het STCW F-verdrag.
Artikel 3.4.5. Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een schipper en e meteren plaatsvervangend schipper van een vissersvaartuig met een scheepslengte van 24 meter of meer die vaart in beperkte wateren vissersvaartuigen
Een schipper en een plaatsvervangend schipper van een vissersvaartuig met een scheepslengte van 24 meter of meer die vaart in beperkte wateren vissersvaartuigen is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/3 van de bijlage bij het STCW F-verdrag.
Artikel 3.4.6. Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een stuurman zeevisvaart van een vissersvaartuig met een scheepslengte van minder dan 24 meter die vaart in onbeperkte wateren vissersvaartuigen
Een stuurman zeevisvaart van een vissersvaartuig met een scheepslengte van minder dan 24 meter die vaart in onbeperkte wateren vissersvaartuigen is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/2 van de bijlage bij het STCW F-verdrag.
Artikel 3.4.7. Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een schipper en een plaatsvervangend schipper van een vissersvaartuig met een scheepslengte van minder dan 24 meter die vaart in onbeperkte wateren vissersvaartuigen
Een schipper en een plaatsvervangend schipper van een vissersvaartuig met een scheepslengte van minder dan 24 meter die vaart in onbeperkte wateren vissersvaartuigen is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/1 van de bijlage bij het STCW F-verdrag.
Artikel 3.4.8. Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een stuurman zeevisvaart van een vissersvaartuig met een scheepslengte van minder dan 24 meter die vaart in beperkte wateren vissersvaartuigen
Een stuurman zeevisvaart van een vissersvaartuig met een scheepslengte van minder dan 24 meter die vaart in beperkte wateren vissersvaartuigen is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/4 van de bijlage bij het STCW F-verdrag.
Artikel 3.4.9. Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een schipper en een plaatsvervangend schipper van een vissersvaartuig met een scheepslengte van minder dan 24 meter die vaart in beperkte wateren vissersvaartuigen
Een schipper en een plaatsvervangend schipper van een vissersvaartuig met een scheepslengte van minder dan 24 meter die vaart in beperkte wateren vissersvaartuigen is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/3 van de bijlage bij het STCW F-verdrag.
Artikel 3.4.10. Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een wachtlopend gezel zeevisvaart
Een wachtlopend gezel zeevisvaart die deel uitmaakt van de brugwacht van een vissersvaartuig is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/4, tweede lid, van de bijlage bij het STCW-verdrag.
Artikel 3.4.11. Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een hoofdwerktuigkundige zeevisvaart of tweede werktuigkundige zeevisvaart van een vissersvaartuig met een hoofdvoortstuwingsinstallatie van 3.000 kW voortstuwingsvermogen of meer
Een hoofdwerktuigkundige zeevisvaart of tweede werktuigkundige zeevisvaart van een vissersvaartuig met een hoofdvoortstuwingsinstallatie van 3.000 kW voortstuwingsvermogen of meer is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/5 van de bijlage bij het STCW F-verdrag.
Artikel 3.4.12. Minimumeisen vaarbevoegdheidsverlening voor een hoofdwerktuigkundige zeevisvaart of tweede werktuigkundige zeevisvaart van een vissersvaartuig met een hoofdvoortstuwingsinstallatie van meer dan 750 kW en minder dan 3.000 kW voortstuwingsvermogen
Een hoofdwerktuigkundige zeevisvaart of tweede werktuigkundige zeevisvaart van een vissersvaartuig met een hoofdvoortstuwingsinstallatie van meer dan 750 kW en minder dan 3.000 kW voortstuwingsvermogen is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs dat ten minste voldoet aan voorschrift II/5 van de bijlage bij het STCW F-verdrag.
Artikel 3.4.13. Minimumeisen vaarbevoegdheidsbewijs stuurman-werktuigkundige zeevisvaart
Een stuurman-werktuigkundige zeevisvaart is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs stuurman-werktuigkundige zeevisvaart dat ten minste voldoet aan de eisen voor een functie van schipper of stuurman zeevisvaart en een functie als hoofdwerktuigkundige zeevisvaart of tweede werktuigkundige zeevisvaart.
Artikel 3.4.14. Uitwerking eisen per vaarbevoegdheidsbewijs
Bij ministeriële regeling worden voor elke functie, genoemd in deze paragraaf, kennisbewijzen, bekwaamheidsbewijzen, diensttijdvereisten en aanvullende beroepseisen vastgesteld waarmee voldaan wordt aan de voor die functie in paragraaf 3.4 gestelde minimumeisen en die recht geven op een vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs voor die functie.
Paragraaf 3.5. Aanvullende beroepseisen
Artikel 3.5.1. Minimumeisen betreffende veiligheid en instructie over veiligheid
Een zeevarende die is belast met taken op het gebied van veiligheid of het voorkomen van verontreiniging, van een zeeschip, niet zijnde een vissersvaartuig, krijgt alvorens hij zijn taak aan boord aanvangt instructie in overeenstemming met sectie A-VI/1, paragraaf 1 van de STCW-code en is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs basisveiligheid dat ten minste voldoet aan voorschrift VI/1 van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
Een zeevarende niet zijnde een zeevarende als bedoeld in het eerste lid, krijgt, alvorens hij zijn taak aan boord aanvangt instructie in overeenstemming met sectie A-VI/1, paragraaf 1, van de STCW-code.
Een bekwaamheidsbewijs basisveiligheid is geldig tot ten hoogste 5 jaar na de datum van afgifte.
Een bekwaamheidsbewijs basisveiligheid wordt op verzoek vernieuwd indien de houder met tussenpozen van niet meer dan 5 jaar aantoont een passende herhalingstraining te hebben gevolgd.
Artikel 3.5.2. Minimumeisen betreffende basistraining in en instructie over veiligheid voor vissers
Een visser van een vissersvaartuig is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs basisveiligheid voor vissers dat ten minste voldoet aan voorschrift 1, hoofdstuk III, van de bijlage bij het STCW F-verdrag en artikel 31, onderdeel b, van het C188-verdrag.
Een visser als bedoeld in het eerste lid krijgt, alvorens hij zijn taak aan boord aanvangt, voldoende informatie en instructie ten einde:
- a. met de overige opvarenden over elementaire veiligheidszaken te kunnen spreken, begrip te hebben van de veiligheidssymbolen en de alarmseinen te kennen;
- b. voldoende bekend te zijn met de aanwezige uitrusting en de bediening ervan, met inbegrip van de te nemen veiligheidsmaatregelen voordat hij de uitrusting gebruikt;
- c. te weten wat te doen indien:
- 1°. iemand over boord valt;
- 2°. vuur of rook wordt ontdekt; of
- 3°. het sein «brandalarm» of «schip verlaten» wordt gegeven;
- d. te weten waar de reddingsgordels zich bevinden en hoe deze om te doen;
- e. alarm te slaan en bekend te zijn met het gebruik van handbrandblussers;
- f. te weten wat te doen bij een ongeluk voordat hulp wordt ingeroepen;
- g. de brand- en waterdichte deuren, met uitzondering van die ter afsluiting van openingen in de romp, te kunnen sluiten en openen; en
- h. te kunnen vaststellen waar de verzamelplaatsen bij het sein «schip verlaten», de plaatsen van inscheping in de reddingmiddelen en de ontsnappingsroutes bij noodgevallen zich bevinden.
Een bekwaamheidsbewijs als bedoeld in het eerste lid is geldig tot ten hoogste 5 jaar na de datum van afgifte.
Een bekwaamheidsbewijs basisveiligheid voor vissers als bedoeld in het eerste lid wordt op verzoek vernieuwd indien de houder met tussenpozen van niet meer dan 5 jaar aantoont een passende herhalingstraining te hebben gevolgd.
De geldigheidsduur, als bedoeld in het derde lid, is niet van toepassing tot en met 31 december 2029.
Artikel 3.5.3. Minimumeisen betreffende het gebruik van reddingmiddelen, hulpverleningsboten en snelle hulpverleningsboten
Een kapitein, stuurman, werktuigkundige, officier elektrotechniek, maritiem officier of andere zeevarende belast met het gebruik van reddingmiddelen en hulpverleningsboten, niet zijnde snelle hulpverleningsboten, is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs reddingmiddelen dat ten minste voldoet aan voorschrift VI/2, eerste lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
Een kapitein, stuurman, werktuigkundige, officier elektrotechniek, maritiem officier of andere zeevarende belast met het gebruik van snelle hulpverleningsboten is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs snelle hulpverleningsboten dat ten minste voldoet aan voorschrift VI/2, tweede lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
Een bekwaamheidsbewijs als bedoeld in het eerste en tweede lid is geldig tot ten hoogste 5 jaar na de datum van afgifte.
Een bekwaamheidsbewijs als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt op verzoek vernieuwd indien de houder met tussenpozen van niet meer dan 5 jaar aantoont een passende herhalingstraining te hebben gevolgd.
Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing op vissers.
Artikel 3.5.4. Minimumeisen betreffende gevorderde brandbestrijdingstechnieken
Een kapitein, stuurman, werktuigkundige, officier elektrotechniek, maritiem officier of andere zeevarende die is aangewezen om leiding te geven aan brandbestrijdingsoperaties aan boord van een zeeschip is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs brandbestrijding voor gevorderden dat ten minste voldoet aan voorschrift VI/3, eerste lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
Een bekwaamheidsbewijs als bedoeld in het eerste lid is geldig tot ten hoogste 5 jaar na de datum van afgifte.
Een bekwaamheidsbewijs als bedoeld in het eerste lid wordt op verzoek vernieuwd indien de houder met tussenpozen van niet meer dan 5 jaar aantoont een passende herhalingstraining te hebben gevolgd.
Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op vissers.
Artikel 3.5.5. Minimumeisen betreffende medische eerste hulp en medische verzorging
Een kapitein of zeevarende die is aangewezen om eerste hulp te verlenen aan boord van een zeeschip is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs medische eerste hulp dat ten minste voldoet aan voorschrift VI/4, eerste lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993 en richtlijn 92/29/EEG.
Een kapitein of zeevarende die is aangewezen om medische verzorging aan boord van een zeeschip op zich te nemen is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs medische eerste hulp dat ten minste voldoet aan voorschrift VI/4, eerste lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993 en richtlijn 92/29/EEG en een bekwaamheidsbewijs medische zorg dat ten minste voldoet aan de bekwaamheidsvereisten inzake medische verzorging, bedoeld in voorschrift VI/4, tweede lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993 en richtlijn 92/29/EEG.
Een bekwaamheidsbewijs als bedoeld in het eerste en tweede lid is geldig tot ten hoogste 5 jaar na de datum van afgifte.
Artikel 3.5.6. Minimumeisen betreffende veiligheidsofficieren van een zeeschip
Een zeevarende die is aangesteld als scheepsbeveiligingsfunctionaris is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs scheepsbeveiligingsfunctionaris dat ten minste voldoet aan voorschrift VI/5, eerste lid, van bijlage I, bij richtlijn (EU) 2022/993.
Andere zeevarenden dan zeevarenden als bedoeld in het eerste lid die zijn belast met taken op het gebied van beveiliging zoals aangegeven in het scheepsbeveiligingsplan, zijn in het bezit van een bekwaamheidsbewijs uitvoering beveiligingstaken dat ten minste voldoet aan voorschrift VI/6, vierde lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
Elke andere zeevarende dan een zeevarende als bedoeld in het eerste en tweede lid is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs bewustwording scheepsbeveiliging dat ten minste voldoet aan voorschrift VI/6, eerste lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993.
Iedere zeevarende volgt, alvorens zijn taak aan boord te beginnen, een familiarisatietraining in scheepsbeveiliging of krijgt voldoende informatie en instructie om:
- a. een beveiligingsincident te kunnen rapporteren;
- b. de procedures bij een beveiligingsdreiging te kunnen volgen; en
- c. deel te kunnen nemen aan beveiligingsgerelateerde nood- en eventualiteitenprocedures.
Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op zeevarenden in het bezit van het bekwaamheidsbewijs scheepsbeveiligingsfunctionaris.
Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing op zeevarenden van zeeschepen waarvoor op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van het Schepenbesluit 2004 geen internationaal scheepsbeveiligingscertificaat benodigd is.
Het eerste tot en met zesde lid zijn niet van toepassing op vissers.
Artikel 3.5.7. Uitwerking eisen per aanvullende beroepseis
Bij ministeriële regeling worden voor elke beroepseis genoemd in deze paragraaf bekwaamheidsbewijzen, schriftelijke bewijzen of diensttijdvereisten vastgesteld waarmee voldaan wordt aan de voor die beroepseis gestelde minimumeisen en die recht geven op een vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs voor de betreffende aanvullende beroepseis.
Paragraaf 3.6. Nadere regels medische geschiktheid zeevarenden
Artikel 3.6.1. Model van de geneeskundige verklaring zeevaart
Bij ministeriële regeling wordt het model van de geneeskundige verklaring zeevaart vastgesteld.
Artikel 3.6.2. Medisch onderzoek
Ten behoeve van de afgifte van een geneeskundige verklaring zeevaart als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de wet wordt de zeevarende aan een medisch onderzoek onderworpen door een aangewezen of erkende keuringsarts.
Indien de keuringsarts twijfels heeft omtrent de medische geschiktheid dan wel wanneer in de medische eisen, bedoeld in artikel 3.6.3, eerste lid, een specialistisch rapport is vereist, verwijst deze arts de zeevarende voor deelonderzoek door naar een specialist.
Een geneeskundige verklaring zeevaart wordt afgegeven door een keuringsarts die heeft vastgesteld dat de zeevarende voldoet aan de voor die verklaring van toepassing zijnde medische eisen, bedoeld in artikel 3.6.3, eerste lid.
Indien de gekeurde zeevarende gebruik wenst te maken van zijn recht om opnieuw te worden onderzocht, wordt hij onderzocht door een op grond van artikel 32, eerste lid, van de wet als scheidsrechter aangewezen keuringsarts.
De in dit besluit bedoelde onderzoeken worden verricht door geneeskundigen die niet de behandelend arts of specialist van de zeevarende zijn.
Artikel 3.6.3. Medische eisen geneeskundige verklaring zeevaart
Bij ministeriële regeling worden de medische eisen vastgesteld waaraan een zeevarende moet voldoen om in aanmerking te komen voor een geneeskundige verklaring zeevaart.
Bij ministeriële regeling worden de procedures en andere voorschriften vastgesteld die in acht worden genomen bij elk van de onderzoeken, bedoeld in artikel 3.6.2.
Bij de vaststelling van de medische eisen wordt bepaald ten aanzien van welke nieuwe medische eisen een ontheffing als bedoeld in artikel 32, vijfde lid, van de wet kan worden verleend.
In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister aan een zeevarende ontheffing verlenen van één van de medische eisen indien naar zijn oordeel het niet voldoen aan die medische eis de veiligheid niet nadelig beïnvloedt.
Artikel 3.6.4. Geldigheidsduur geneeskundige verklaring zeevaart
Een geneeskundige verklaring zeevaart wordt afgegeven met een geldigheidsduur van ten hoogste twee jaar dan wel een jaar indien het een verklaring met betrekking tot een persoon onder de leeftijd van achttien jaar betreft.
Op medische gronden kan de keuringsarts een geneeskundige verklaring zeevaart afgeven voor een kortere duur dan die, genoemd in het eerste lid.
De keuringsarts kan voorts een geneeskundige verklaring zeevaart afgeven voor een beperkt vaargebied dan wel met andere in die verklaring te vermelden beperkingen.
Artikel 3.6.5. Verklaring keuringsarts
De keuringsarts kan de gekeurde zeevarende tijdelijk of blijvend ongeschikt voor de zeevaart verklaren.
De gekeurde zeevarende is:
- a. tijdelijk ongeschikt, indien op medische gronden wordt verwacht dat hij niet langer dan drie jaar voor de zeevaart ongeschikt zal zijn;
- b. blijvend ongeschikt, indien op medische gronden wordt verwacht dat hij langer dan drie jaar voor de zeevaart ongeschikt zal zijn.
Artikel 3.6.6. Werkwijze keuringsarts
De keuringsarts die het onderzoek uitvoert, neemt de in artikel 3.6.3, eerste lid, bedoelde medische eisen, de in artikel 3.6.3, tweede lid, bedoelde procedures en andere voorschriften, en voor zover van toepassing, de artikelen 3.6.4 en 3.6.5 in acht.
Artikel 3.6.7. Aanwijzing of erkenning keuringsarts
Een geneeskundige kan Onze Minister verzoeken hem aan te wijzen of te erkennen als keuringsarts op grond van artikel 31, tweede lid, van de wet. Bij het verzoek wordt registratie als arts als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, aangetoond.
Indien het verzoek is ingediend door een geneeskundige die in het buitenland zijn praktijk houdt, vergewist Onze Minister zich van diens vakbekwaamheid.
Onze Minister gaat niet over tot aanwijzing of erkenning van een geneeskundige indien diens onafhankelijkheid ten opzichte van werkgevers, werknemers of hun organisaties niet gewaarborgd is, of ingeval diens professionele kundigheden, praktijkervaring of beroepsuitrusting naar zijn oordeel ontoereikend zijn.
Bij het besluit van Onze Minister over de aanwijzing of erkenning worden het aantal al aangewezen of erkende geneeskundigen en de spreiding over het land in relatie tot de regionale of plaatselijke behoefte in aanmerking genomen.
De aanwijzing of erkenning als keurend arts wordt afgegeven voor een periode van ten hoogste vijf jaar.
De aangewezen of erkende keuringsarts is verplicht de door Onze Minister aangewezen nascholingscursussen te volgen. De kosten van deelname komen voor rekening van de betrokken keuringsarts.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de aanwijzing en de erkenning van geneeskundigen als keurend arts voor de scheepvaart.
Artikel 3.6.8. Intrekken aanwijzing of erkenning keuringsarts of medisch scheidsrechter
Onze Minister trekt een aanwijzing of erkenning in indien de keuringsarts of medisch scheidsrechter:
- a. de algemeen geldende medische of ethische normen niet in acht neemt;
- b. zich bij herhaling niet houdt aan het gestelde in de artikelen 3.6.2 tot en met 3.6.6 of zijn beroepsuitrusting niet toereikend is voor zijn taak als keuringsarts;
- c. valse of vervalste verklaringen heeft afgegeven;
- d. niet meer in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, vermeld is als arts;
- e. onder curatele is gesteld wegens geestelijke stoornis;
- f. anderszins niet meer gerechtigd is de geneeskunst uit te oefenen;
- g. een daartoe strekkend verzoek heeft ingediend;
- h. diens onafhankelijkheid ten opzichte van werkgevers, werknemers of hun organisaties niet langer gewaarborgd is;
- i. een te gering aantal keuringen heeft verricht om door praktische ervaring zijn bekwaamheid als keuringsarts op peil te houden, of
- j. heeft verzuimd een voor hem aangewezen nascholingscursus te volgen.
Artikel 3.6.9. Geneeskundige verklaring zeevaart op basis ander onderzoek
De Medisch Adviseur Scheepvaart kan op verzoek aan een zeevarende die in het bezit is van een verklaring die gebaseerd is op een ander medisch geneeskundig onderzoek dan bedoeld in artikel 3.6.2, eerste lid, een geneeskundige verklaring zeevaart afgeven.
De geneeskundige verklaring zeevaart wordt alleen afgegeven als:
- a. de zeevarende voldoet aan medische eisen die naar zijn oordeel gelijkwaardig zijn aan het geheel van de op grond van artikel 6.3.6, eerste lid, vastgestelde medische eisen;
- b. de verklaring die gebaseerd is op een ander medisch onderzoek niet langer dan twee jaar voor het verzoek is afgegeven.
Hoofdstuk 4. Werk- en leefomstandigheden
Paragraaf 4.1. Accommodatie, voeding en overige voorzieningen voor zeevarenden
Artikel 4.1.1. Voeding en drinkwater
De scheepsbeheerder voorziet de zeevarenden aan boord van een zeeschip kosteloos van voeding en drinkwater van voldoende hoeveelheid, kwaliteit, voedingswaarde en variëteit en rekening houdend met godsdienstige voorschriften en culturele gebruiken, in overeenstemming met de daaraan bij ministeriële regeling gestelde voorschriften.
De maximale hoeveelheid sterke drank als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet die voor verbruik door de zeevarenden aan boord beschikbaar is, wordt vastgesteld bij ministeriële regeling.
De voorraden voeding en drinkwater en de ruimten en apparatuur voor de opslag, bewerking en bereiding van voeding en drinkwater worden regelmatig door of namens de kapitein geïnspecteerd overeenkomstig bij ministeriële regeling gestelde regels.
Degene die aan boord tot taak heeft de voeding voor de zeevarenden te beheren en te bereiden, voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde voorschriften.
Paragraaf 4.2. Certificaat maritieme arbeid en visserij-arbeidscertificaat
Artikel 4.2.1. Afgifte en voorschriften certificaat maritieme arbeid
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot:
- a. het onderzoek waaraan zeeschepen zijn onderworpen ter verkrijging en verlenging van een certificaat maritieme arbeid of tijdens de geldigheidsduur daarvan, alsmede de inhoud van die onderzoeken en de frequentie waarmee zij worden verricht;
- b. de registratie van de bij de inspectie verzamelde onderzoeksgegevens;
- c. de geldigheid van het certificaat maritieme arbeid en de verlenging van de geldigheidsduur daarvan;
- d. de voorwaarden voor afgifte van voorlopige certificaten maritieme arbeid;
- e. regels met betrekking tot de documenten waarmee kan worden aangetoond dat voldaan wordt aan het Aanhangsel A5-1 van het MLC-verdrag.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot:
- a. de bij een aanvraag als bedoeld in het eerste lid te verstrekken gegevens en te overleggen bescheiden; en
- b. de modellen van het certificaat maritieme arbeid en het voorlopige certificaat maritieme arbeid.
Het bepaalde bij of krachtens dit artikel is niet van toepassing op vissersvaartuigen.
Artikel 4.2.2. Vervallen of intrekken certificaat maritieme arbeid
Een certificaat maritieme arbeid vervalt, indien:
- a. een deel van het zeeschip wordt verbouwd waarvoor de krachtens artikel 4.2.1, eerste lid, gestelde voorschriften gelden, of in de inrichting of de uitrusting waarvoor de krachtens artikel 4.2.1, eerste lid, gestelde voorschriften gelden, ingrijpende wijzigingen worden aangebracht;
- b. het zeeschip een buitenlands zeeschip wordt;
- c. het tijdvak waarvoor het certificaat geldt, is verstreken;
- d. het tijdens de geldigheidsduur van het certificaat verplicht gestelde onderzoek niet of niet tijdig heeft plaatsgevonden, tenzij het gaat om een bij ministeriële regeling omschreven geval;
- e. het zeeschip van naam verandert of een ander letterteken of nummer krijgt, of
- f. het zeeschip niet langer wordt beheerd door de scheepsbeheerder vermeld op het certificaat maritieme arbeid.
Onze Minister kan een certificaat intrekken, indien blijkt dat:
- a. de bouw, de inrichting of de uitrusting van het zeeschip waarvoor de krachtens artikel 4.2.1, eerste lid, gestelde voorschriften gelden, in belangrijke mate afwijkt van de gegevens van het certificaat;
- b. het zeeschip of de scheepsbeheerder niet langer voldoet aan de voor het desbetreffende zeeschip afgegeven verklaring naleving maritieme arbeid en de vereiste corrigerende maatregelen niet zijn getroffen.
Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat een certificaat maritieme arbeid in bij die regeling te bepalen gevallen ook vervalt, indien het zeeschip aan zijn oorspronkelijke bestemming wordt onttrokken.
De scheepsbeheerder zendt een vervallen of ingetrokken certificaat, niet zijnde een geautomatiseerd bestand, zo spoedig mogelijk aan Onze Minister.
Artikel 4.2.3. Afgifte en voorschriften visserij-arbeidscertificaat
Een visserij-arbeidscertificaat wordt afgegeven indien wordt voldaan aan artikel 41 van het C188-verdrag.
De artikelen 4.2.1, eerste en tweede lid, en 4.2.2 zijn van overeenkomstige toepassing op de afgifte van een visserij-arbeidscertificaat.
Bij ministeriële regeling wordt een opsomming voorgeschreven van de op grond van artikel 41 het C188-verdrag gestelde voorschriften.
Hoofdstuk 5. Tuchtrechtspraak
Artikel 5.1. Ervaringseisen leden tuchtcollege
De voorzitter en de plaatsvervangende voorzitters als bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de wet zijn personen:
- a. aan wie op grond van het afsluitend examen van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs door een universiteit dan wel de Open Universiteit, waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, de graad van Bachelor op het gebied van het Nederlands recht en tevens de graad van Master op het gebied van het Nederlands recht is verleend; of
- b. die op grond van het afsluitend examen van een opleiding op het gebied van het Nederlands recht aan een universiteit dan wel de Open Universiteit, waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, het recht hebben verkregen om de titel meester te voeren.
Tien leden en acht plaatsvervangende leden hebben gedurende de aan hun benoeming voorafgaande periode van tien jaar ten minste vijf jaar als kapitein of als scheepsofficier aan boord van een ander zeeschip dan een vissersvaartuig gevaren.
Vier leden en vier plaatsvervangende leden hebben gedurende de aan hun benoeming voorafgaande periode van tien jaar ten minste vijf jaar als schipper of als scheepsofficier aan boord van een vissersvaartuig gevaren.
Voorts worden als plaatsvervangend lid benoemd:
- a. twee reders;
- b. twee waterbouwkundigen;
- c. twee registerloodsen; en
- d. twee hydrografen.
Artikel 5.2. Ervaringseisen van de secretaris en plaatsvervangende secretarissen tuchtcollege
De secretaris en de plaatsvervangende secretarissen zijn personen:
- a. aan wie op grond van het afsluitend examen van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs door een universiteit dan wel de Open Universiteit, waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, de graad van Bachelor op het gebied van het recht en tevens de graad van Master op het gebied van het recht is verleend; of
- b. die op grond van het afsluitend examen van een opleiding op het gebied van het recht aan een universiteit dan wel de Open Universiteit, waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, het recht heeft verkregen om de titel meester te voeren.
Artikel 5.3. Aanhangig maken klacht
Een verzoek of een klacht wordt schriftelijk of als geautomatiseerd bestand en met redenen omkleed ingediend bij de voorzitter van het tuchtcollege. Een klacht van een belanghebbende vermeldt de naam, het adres en de woonplaats van de klager. Een verzoek en een klacht bevatten voorts ten minste de volgende gegevens:
- a. de naam en, voor zover bekend, het adres en de woonplaats van de kapitein of de scheepsofficier op wie het verzoek of de klacht betrekking heeft, en indien het verzoek of de klacht betrekking heeft op een scheepsofficier, de functie aan boord van het zeeschip die de scheepsofficier ten tijde van de gewraakte gedraging vervulde;
- b. de naam en, voor zover bekend, het type van het zeeschip, aan boord waarvan de gewraakte gedraging heeft plaatsgevonden;
- c. een omschrijving van de gedraging, waarop het verzoek of de klacht betrekking heeft;
- d. de bezwaren die tegen de gewraakte gedraging zijn gerezen.
Artikel 5.4. Verzending beslissing tuchtcollege
De secretaris zendt onverwijld een afschrift van de beslissing van het tuchtcollege:
- a. bij aangetekende brief en als geautomatiseerd bestand aan de betrokken kapitein of scheepsofficier;
- b. bij gewone brief en als geautomatiseerd bestand aan Onze Minister en aan de klager.
Indien het tuchtcollege in zijn uitspraak een schorsing van de vaarbevoegdheid heeft opgelegd, deelt de secretaris in zijn aangetekende brief en als geautomatiseerd bestand aan de betrokken kapitein of scheepsofficier mede: de datum waarop de schorsing ingaat, de verplichting om zijn vaarbevoegdheidsbewijs vóór die datum in te leveren bij het in artikel 76, eerste lid, van de wet genoemde Centraal register bemanningsgegevens, alsmede de gevolgen van het niet tijdig inleveren van het vaarbevoegdheidsbewijs, bedoeld in artikel 57, vierde lid van de wet.
De secretaris zendt een afschrift van de schriftelijke beslissing van het tuchtcollege alsmede van de aangetekende brief aan de betrokken kapitein of scheepsofficier tevens ter registratie aan het Centraal register bemanningsgegevens.
Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen
Paragraaf 6.1. Overgangsbepalingen handelsvaart
Artikel 6.1.1
Een verklaring als bedoeld in artikel 123, eerste lid, van het Besluit zeevarenden die door de scheepsbeheerder is opgesteld voor de inwerkingtreding van de Wet bemanning zeeschepen, geldt als een verklaring als bedoeld in artikel 2.4.7, eerste lid.
Paragraaf 6.2. Overgangsbepalingen zeevisvaart
Artikel 6.2.1
In deze paragraaf wordt onder «besluit van 31 januari 2019» verstaan: Besluit van 31 januari 2019 tot wijziging van het Besluit zeevarenden handelsvaart en zeilvaart in verband met een modernisering van de bemanningsvoorschriften voor de zeevisvaart, met inbegrip van de uitvoering van verdragsbepalingen vanwege de ratificatie van het STCW F-verdrag (Stb. 2019, 44).
Artikel 6.2.2
Een op grond van artikel 125ff van het Besluit van 31 januari 2019 met een certificaat basisveiligheid voor vissers als bedoeld in artikel 40a van dat besluit gelijkgesteld certificaat geldt als een bekwaamheidsbewijs basisveiligheid voor vissers als bedoeld in artikel 3.5.2, eerste lid.
Artikel 6.2.3
Een op grond van artikel 125gg van het Besluit van 31 januari 2019 met het in de artikelen 40, tweede lid, en 117a, eerste en tweede lid, van dat besluit genoemde certificaat reddingmiddel gelijkgesteld certificaat geldt, voor zover het een visser betreft, als een bekwaamheidsbewijs reddingmiddelen als bedoeld in artikel 3.4.2.
Artikel 6.2.4
Een op grond van artikel 125ii van het Besluit van 31 januari 2019 met een bekwaamheidsbewijs scheepskok als bedoeld in artikel 120, tweede lid, van dat besluit gelijkgesteld diploma geldt, voor zover het een visser betreft, als een bekwaamheidsbewijs scheepskok als bedoeld in artikel 2.4.4, tweede lid.
Paragraaf 6.3. Slotbepalingen
Artikel 6.3.1
Het Besluit zeevarenden en het Schepelingenbesluit worden ingetrokken.
Artikel 6.3.2
Wijzigt het Arbeidsomstandighedenbesluit.
Artikel 6.3.3
Wijzigt het Arbeidstijdenbesluit vervoer.
Artikel 6.3.4
Wijzigt het Besluit opleidingen en bevoegdheden nautische beroepsbeoefenaren.
Artikel 6.3.5
Wijzigt het Besluit markttoezicht registerloodsen.
Artikel 6.3.6
Wijzigt het Besluit register onderwijsdeelnemers.
Artikel 6.3.7
Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet bemanning zeeschepen inwerking treedt.
Artikel 6.3.8
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bemanning zeeschepen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)